De Bönmagie

3 oktober 1988

Wat ik vandaag in te leiden heb is in feite een beetje een kruising tussen mystiek en magie, Tibetaans, maar niet direct Boeddhistisch.

De grote raadselen van de wereld zijn altijd: Wat is het leven, waar werkt het voor, wat is het, wat is de zin van alle dingen en deze gastspreker zal daar waarschijnlijk het zijne over zeggen. Wat mij zelf betreft, zou ik het volgende voorop willen stellen:

De oudste Godsdiensten zijn, zoals u weet, allemaal natuurgodsdiensten geweest en de Bön (spreek uit Beun) zijn dus vertegenwoordigers van de natuurgodsdienst. Ze zijn magiërs in zekere zin, en profileren zich vaak als medicijnman of tovenaar. Hun denkwijze is eigenlijk gebaseerd op de eenheid van alle dingen en de filosofie die erachter steekt is eveneens gebaseerd op dat absoluut verbonden zijn.

Als ik het wetenschappelijk zou zeggen, dan bestaat er ook een geestelijke ecologie en deze bepaalt de mogelijkheden van elke entiteit afzonderlijk wanneer we dus onze ecologie verstoren, verstoren we ook onze eigen mogelijkheden.

De inwijdingen, waar we elders veel over horen kent de Bön eigenlijk niet. Hij heeft het eerder over iets wat je dan verlichting zou kunnen noemen, het besef van verbondenheden. De kern komt eigenlijk hier op neer: Elke cel in elk lichaam en in elk weefsel heeft een herinnering die voor het hele lichaam zou kunnen gelden. Maar beperkt tot zijn functies zal alleen de cel deze herinneringen actief gebruiken – ook bij deling – en daardoor zijn eigen karakteristieken voortdurend overdragen. Zolang uw lichaam op die manier werkt kun je niet zeggen dat het een persoon is. Je zou het eigenlijk kunnen zien als een conglomeraat van cellen, waarvan het bewustzijn – het ik van de mens – eerder een uitdrukking is, dan een zelfstandigheid.

Als je op die manier gaat denken, dan ga je natuurlijk ook denken over het heelal en dan kom je tot de conclusie dat allerhande gebeurtenissen en ontwikkelingen eigenlijk samenhangen met de noodzaak om evenwicht te krijgen.

Maar stel nu dat er een cel komt die bevrijd wordt. D.w.z.: niet meer gelimiteerd is door zijn eigen functie, maar het totaal van zijn lichaamsherinnering behoudt. Dan kan hij elke plaats innemen, hij kan bovendien de gehele functie van het lichaam begrijpen, en hij wordt als het ware de koningin in bijenstad. Het is dan een inwijding wanneer je, stukje bij beetje, dit meer algemeen bewustzijn bereikt.

Over werelden na de dood spreekt men eigenlijk veel minder daar. De Bön zegt: er is een voortbestaan, er is een wedergeboorte, maar waar zou je je druk over maken. Want je moet vandaag eerst goed functioneren om misschien morgen je functie goed te kunnen vervullen. Je kunt het niet los zetten van hetgeen je bent, tenzij je bewustzijn zo is dat je uit het geheel dat je bent, zou kunnen putten. Dan kun je ook zelf kiezen in welke vorm, in welke functie je eigenlijk zou willen reïncarneren.

Het is ook een magisch denken. Want wanneer ik verwant ben met alle dingen, en ik kan deze verwantschap uitdrukken, dan zullen de dingen mij gehoorzamen, wanneer ik maar beter en sterker kan denken dan zij. Aan de andere kant gaat die Bön‑filosofie ook wel eens te ver (naar mijn idee) om dat men nl. zegt: Alles is illusie, ook wij zelf. We weten niet of we leven in een droom die een ander droomt, of dat we deel zijn van een droom die een ander droomt. Maar voor ons is het gewoon belangrijk om onszelf te zijn en te blijven en onszelf verder te ontwikkelen.

Die gedachte dat we gedroomd worden, daar heb ik nog wel begrip voor. Maar het denkbeeld dat je a.h.w. jezelf droomt met alles wat daar omheen hangt, dat zou voor mij een nachtmerrie betekenen. Want wanneer ik zelf de dromer ben, dan zou ik de droom moeten kunnen sturen, maar dat kan ik niet doen. Ik kan wel harmonie vinden en daardoor omstandigheden en mogelijkheden veranderen, maar ik kan niet alleen vanuit mezelf die veranderingen tot stand brengen. Ook niet, wanneer ik bedenk dat ik de enige ben die werkelijk leeft. Voor mij is dat dus onaanvaardbaar.

Het doel van het leven is ook al zo’n kwestie. Waarom leef ik? Ja, je leeft, omdat je niet dood bent, punt. Ik vind het een heel simpele oplossing, maar aan de andere kant zie ik op de aarde wel mensen leven die, als ik goed kijk, meer dood zijn dan dat ze leven. Moet ik ze nou bij de doden tellen, of bij de levenden? Dat is voor mij een moeilijke vraag. Want iemand die niet goed functioneert en alleen nog maar meeloopt in de stroom van de gebeurtenissen, ja, dat is eigenlijk geen levende persoon. En iemand die de gebeurtenissen probeert te overweldigen en ’t mislukt, die is in ieder geval iemand, ook indien hij misschien veel minder kans heeft op slagen dan een ander, wanneer je het stoffelijk bekijkt.

Die persoonlijke visies op dit alles heb ik nu een beetje uitgewerkt, opdat u wat begrijpt van de achtergronden van de spreker, waarmee we zo dadelijk te maken krijgen. Voor mezelf mag ik daar nog het een en ander aan toevoegen als inleider, en ik zou u eerst willen zeggen:

Wanneer u leeft in een tijd van verandering, dan zijn er twee mogelijkheden: Je verandert zelf ook, je doet mee, of je weigert zelf te veranderen en dan zit je niet alleen in spanning, maar bovendien kun je je wereld niet meer begrijpen.

Mee veranderen is noodzaak. Wanneer we kijken wat er de laatste 10 jaar veranderd is, dan zult u met verbazing moeten constateren dat er de hemel weet wat aan de hand is. Waarom leef je in zo’n tijd? Als ik uitga van wat ikzelf allemaal ervaren heb en geleerd heb, dan heeft dat ook vaak te maken met een bewuste keuze. Je kiest een dergelijke taak omdat ze een uitdaging betekent. Omdat ze je a.h.w. dwingt je ervaring uit te breiden, of ten onder te gaan. En er zijn ook mensen die zeggen dat je met een taak wordt gestuurd. Een taak is een opgedragen bezigheid. In zekere zin hebben we allemaal een taak, natuurlijk. Want als je als mens geboren wordt op aarde, dan zit daar het een en ander aan mogelijkheden en noodzaken aan vast. En als je in de geestelijke wereld komt, dan is je bewustzijn medebepalend voor hetgeen je kunt doen en hetgeen je niet kunt doen. Dus wordt je taak a.h.w. bepaald door je mogelijkheden. Maar dat er ergens iemand zit, die zegt: “nou ga jij dat doen,” dat wil er bij mij niet in. Want als dat het geval zou zijn, dan zouden we eigenlijk zelf niets hoeven te doen. Dan zou het zinloos zijn als geest te streven naar bewustwording, want als het geschreven staat, krijg je het toch. En als mens, waarom zou je geen plezier hebben? Als je het niet hebt, dan krijg je het vanzelf goed, en als je het wel hebt en het is je gegund, waarom zou je het dan niet nemen? Nee, ik heb echt het gevoel dat we te veel mogelijkheden zelf hebben. En soms zijn we ongeduldig en kiezen we natuurlijk verkeerd. Omdat we niet willen wachten op het ideale punt. We kunnen ons later beklagen, maar dat helpt toch geen steek. Of we kunnen onszelf door allerhande overwegingen laten leiden, en eigenlijk iets kiezen, waarvan we weten dat het niet ideaal is. Dan denken we: nou ja, dat nemen we wel, maar dan zitten we er natuurlijk aan vast, met alle gevolgen van dien. Maar we hebben de mogelijkheid gehad het anders te doen. Het is onze keuze, het is onze overlegging. Dat impliceert dat de belevingen, die wij dus hebben tijdens het stoffelijk bestaan, en dat wat eruit voortkomt, voor 9/10 vanuit onszelf voortkomt en niet wegens een ons opgelegde taak. Ik wil zelfs nog verder gaan. Wanneer je deel uitmaakt van een proces dat onvermijdelijk is, dat a.h.w. wetmatig gecreëerd is, dan kun je daar deel van zijn, maar je hoeft het niet te beseffen. Je kunt met heel andere bedoelingen leven en werken en doen, en helemaal niet beseffen wat je eigenlijk tot stand brengt. Dat is een genade aan de ene kant, natuurlijk, maar aan de andere kant is het ook een vrijheid. Daar waar de dwang ontstaat, zijn we niet in staat de werkelijkheid helemaal te beseffen, want we hebben ons eigen leven, onze eigen emotionaliteit, onze eigen bewustzijnsachtergronden, onze eigen onevenwichtigheden. En als u dan denkt aan een algeest, alles vereend, weet u wel, dan zeg je tegen jezelf: ja het kan wel dat het allemaal één is, maar ik kan slechts daar eenheid vinden waar ik eenheid aanvoel. Dus voor mij bestaat dat voorlopig helemaal niet. Maar laat ik dan in ieder geval rekening houden met de harmonieën, de verwantschappen die ik aanvoel, en laat ik daar mee werken. En dan zo goed mogelijk. Op dat ogenblik doe ik in ieder geval wat bij mijzelf hoort.

Het is een krankzinnig verhaal, waarschijnlijk, maar laten we eerlijk zijn: Iemand van u begaat een misdaad. Is het nou misdaad, d.w.z. was de daad slecht, of was het meer een misser, omgezet in een daad. Een verkeerd begrip misschien. Een verkeerde voorstelling van zaken. Als u zo gaat kijken, dan zult u zien dat een heleboel schuldzaken zo niet tellen. Dat we daar gewoon te maken hadden met zaken die onvermijdelijk waren. ’t Kon haast niet anders. Dan kan de stoffelijke wereld wel zeggen: ja, maar dat is verkeerd. Vanuit de gemeenschap gesproken, hebben ze waarschijnlijk gelijk.

Ik heb eens iemand meegemaakt, in de geest, die tegen mij zei: “Ach, de mensen denken dat er veel heiligen en nog veel meer zondaars bestaan. Er zijn maar een paar heiligen, en maar een paar zondaars en de rest is gewoon de doorsnee, die nog moet zoeken waar ze naar toe willen.” Ik denk dat hij gelijk heeft. Dat is een werkelijkheid waaraan je niet kunt ontkomen.

Wanneer u kijkt naar deze nieuwe tijd met al zijn gebeurtenissen, dan zult u misschien zeggen: ja, daar zijn toch een hele hoop dingen fout. Bijvoorbeeld: wat wordt er niet gezondigd tegen de democratie.

In deze tijd is de rechtlijnigheid belangrijk geworden en wat u democratie noemt is over het algemeen een praatcollege dat door de omstandigheden wordt geregeerd. Er is een tijd dat er beslissingen moeten worden genomen, dat er iets moet worden gedaan. En nou weet ik wel dat de mensen altijd erg schuw zijn voor sterke mannen. Maar wanneer een persoon of een paar personen de beslissingen kunnen nemen, dan gaat het allemaal veel vlotter. Dan kun je veel meer bereiken.

En er zijn landen genoeg, waar ze dat ontdekken: kijk maar eens naar Rusland. Ze willen hervormen; dat kan niet zolang de oude structuur helemaal gehandhaafd blijft. Dus wat moet er komen? Een nieuwe minister‑president, een nieuw ministerscollege dat zo is uitgekiend dat ze in staat zijn de weerstanden te overwinnen, die anders het geheel van het volk zouden overspoelen. En in zekere zin hebben we in Nederland hetzelfde. In Nederland zijn ook een heleboel dingen, die rechtgezet moeten worden. En nu weet ik niet of de manier waarop het gebeurt, de meest ideale is. Ik kan van mijn standpunt uit er niet over oordelen, maar ik kan wel één ding zeggen: Wanneer er mensen zijn, die beslissingen durven nemen, dan is dat altijd iets goeds! Al nemen ze de verkeerde beslissing, dan wordt in ieder geval duidelijk wat je niet moet doen.

De waarheid is iets, wat voortdurend fluctueert, ze verandert van aard. Het is net wetenschap en wetenschap is een kennisgeheel, dat zichzelf presenteert als absolute waarheid en elke keer zijn waarheid verandert om absoluut te kunnen blijven. Dus, al die dingen kunnen wel eens verkeerd uitlopen. Maar er worden mogelijkheden geschapen, ontwikkelingsmogelijkheden de verstarring wordt verbroken. Er komt een nieuwe mogelijkheid – u zegt misschien dat is voor mij onvoordelig, het kan voor een ander voordelig zijn. En dan kan je niet zeggen “het is onrecht, want het is voor enkelen voordelig en voor anderen onvoordelig”, maar wanneer het verandert, moet je in ieder geval wat gaan doen. Dan kun je weer zoeken naar andere vormen. En je kunt wel met idealen gaan lopen leuren, dat doen ze in deze wereld van u erg veel hé? Idealen zijn de spandoeken die ze voor zich uitdragen, terwijl ze bezig zijn om er zelf tegen te zondigen!

Maar al die idealen op zichzelf zijn droombeelden. Droombeelden die verwazen. De apartheid is ook begonnen als een ideaal om de bruine broeder en de zwarte broeder op te voeden en waar is‑ie uiteindelijk toe gekomen? Met een pressie‑apparaat dat angst heeft voor de mogelijkheid dat degene, die men niet voldoende heeft opgevoed, onopgevoede beslissingen zou nemen, waaronder ook het blanke ras zou lijden. Zo kan je doorgaan. Al die ideeën hebben gefaald. Er is een tijd geweest, dat ze in de Joodse gemeenschappen samenwerkingsverbanden hadden. Dat was echt sociaal, je werkte voor het geheel en je kreeg wat je nodig had. Maar tegenwoordig wil iedereen meer dan hij nodig heeft en dan werkt hij niet meer volledig voor het geheel. Resultaat: er liggen een heleboel tegen de vlakte. Het is in uw gemeenschap ook precies hetzelfde. We kunnen wel roepen: “Ja, maar we moeten voor alle mensen klaarstaan!” maar wanneer we niet bereid zijn om dan de consequenties daarvan te aanvaarden (en dat zijn de meesten niet) dan kan je beter zeggen: “laten we het maar een beetje mondjesmaat doen.” Dat is gewoon realisme. En dat realisme in deze tijd dwingt zich op, men kan niet meer eindeloos praten vanuit idealen, die men zelf niet helemaal in acht neemt. Men kan niet meer spreken vanuit godsdiensten waar men uiteindelijk zelf ook met zijn pet naar gooit. Al die dingen werken niet meer. Je kunt niet zeggen, dat het christendom niet werkt, het christendom werkt wanneer er christenen zijn. Socialisme werkt, wanneer er een groot sociaal verantwoordelijkheidsgevoel is, dat niet zichzelf vooropstelt, of zelfs maar rekening houdt met zichzelf.

Kapitalisme kan ook, wanneer het kapitaal rekening houdt met de verplichtingen die het aangaat, op het ogenblik dat het probeert met dat kapitaal interest te verdienen. Kan allemaal wanneer het verantwoord gaat. Maar het gaat niet meer verantwoord. Wat moet er dan gebeuren? Dan moet de zaak eenvoudig omgeroerd worden. Je moet de hele zaak eenvoudig weer helemaal terugbrengen tot een oerprincipe, waaruit een nieuwe opbouw mogelijk is.

En gelukkig is die nieuwe opbouw ergens al gaande. Geestelijk ziet het er ongeveer zo uit: Men is een hoop oude vodden aan het verbranden, maar het vuur geeft de warmte die nodig is om anderen te laten leven. Eigenlijk leeft u in een grootse tijd, maar wanneer u er innerlijk geen deel aan hebt en in uw innerlijk niet steeds weer rust weet te vinden, waar kom je dan terecht?

Juist in zo’n veranderingsperiode is het noodzakelijk om in jezelf terug te keren tot de simpele waarheid: Ik besta! Laat ik mijn bestaan ervaren zonder definities eraan toe te voegen. Laat ik een ogenblik proberen te voelen waar ik verwant ben met al het andere. En als je dat doet, dan vind je in jezelf ook heus wel de kracht om in deze tijd precies op de juiste manier te reageren en mee te gaan met al die dingen. Het is niet zo: als je de Bijbel gehoorzaamt, dan heb je succes. Zoals sommigen beweren. Of: met onze geheime leer kun je uiteindelijk het brengen tot rijkdom en aanzien, dat is ook niet waar. Weinigen die dat bereikten, die zijn degenen, die toch al bovenaan stonden. Laten we in Godsnaam onszelf niets voormaken. Als we de innerlijke rust hebben, kunnen we juister reageren. En onze gastspreker van zodadelijk zal waarschijnlijk zeggen: “Door de verwantschap, die we innerlijk zo beleven, kunnen we de dingen rond ons als het ware naar onze hand zetten wanneer het nodig is.” Ik geloof dat de ontwikkeling die geestelijk op het ogenblik plaatsvindt, en dan bedoel ik ook in de geesten van de mensen, wijst naar een andere manier van leven.

Nu ik kijk naar de wetenschap en ik zie dat ze hier en daar filosofie nodig heeft en misschien wel naar mystiek grijpt om haar eigen conclusies als het ware verder te kunnen extrapoleren en duidelijk te maken, dan zeg ik: Ja, het gaat de goede kant uit!” Mensen, die van binnenuit leven, kunnen baas zijn over de uiterlijke wereld. Maar mensen die zich voortdurend op de uiterlijke wereld richten, zijn slechts de slaven van de omstandigheden, die ze niet eens begrijpen. En dat was nou mijn mening, dat mag ik ook zeggen. Laat ik u een compliment geven. Ik neem niet aan dat u allemaal zo bijgelovig bent, dus u denkt na en u denkt na en u wil het geestelijke niet verwerpen, dat vind ik een goed punt. U moet niet zeggen: de geest zal het wel opknappen. Want als je dat zegt, komt het meestal verkeerd uit! Je moet gewoon zeggen: ik voel me verwant met de geest en de kracht van de geest is in en met mij, en daardoor kan ik beter waarmaken wat ik voel te moeten zijn.

En als je dat doet, dan zit je aan de grenzen van een inwijdingsproces. En dat wens ik u natuurlijk allemaal van harte toe. Het zou reuzeleuk zijn als u allemaal werkelijk volledig ingewijd bent, dan kom ik hier nog om te leren. Maar tot het zover is, zullen we moeten proberen op de een of andere manier de mensen te helpen. Gezien de grote divergentie van de ontwikkeling in vele mensen, geloof ik dat het het beste kan wanneer we ze persoonlijk gaan aanpakken. Inspiratie. We kunnen – dacht ik – op deze manier toch verder gaan (want u weet betreffende dit medium zitten we in de eindfase), maar anders. En dat anders betekent dat u veel meer op uzelf toegespitste mogelijkheden krijgt en de geest probeert, zodra u met haar in harmonie bent, u te helpen om verder te gaan. Met de woorden van de Bön “wanneer een harmonie is ontstaan, zal ze altijd in u weerklinken en ze wordt in u tot een vermogen om het andere te beseffen en te veranderen.” Laten we maar hopen dat dat voor alles in uw wereld geldt, dan is toch het jaar 2000 misschien een begin van allerhand idealen – ook al zal het er anders uitzien dan de schrijver van het boek van die naam ooit heeft bedoeld.

Gastspreker

U leeft in het Westen, de wereld van de techniek. De wereld van “laat voor je doen”. Ik kom uit de wereld waarin het is “wees jezelf en doe vanuit jezelf”. Er is een verschil tussen een uiterlijke en een innerlijke wereld.

De innerlijke wereld bestaat uit begrippen, begrippen die je niet eens kunt omschrijven. Die zijn als een wind, die waait over een vlakte; als een wolk die overdrijft. Een belichaming die je vaag ziet, die je niet kent. De innerlijke wereld voert de echo’s van al wat bestaat. Wanneer de wolk overdrijft en je voelt haar wezen aan, kun je zeggen: “drijf verder” of “ontlaad je waterdruppels”. Wanneer de wind waait, kun je zeggen: “wees wat rustiger, ga wat hoger waaien” of “storm wat lager”. Wanneer het water spoelt, kun je zeggen: “stroom langzaam” of “spoel sneller”. Maar altijd weer moet je rekening houden met wat het andere is. Je kunt tegen de regenwolk niet zeggen: “regen niet”, dan kan ze geen regenwolk zijn. Je kunt tegen de wind niet zeggen: “waai niet”, want de beweging van de atmosfeer is het wezen van de wind. Je kunt tegen de stroom niet zeggen: “stroom omgekeerd” want dat kan niet omdat ze ook aan wetten gehoorzaamt.

Het in jezelf voelen van de wetten, die al waarmee je in harmonie bent regeren, is de kern van wat men noemt de Bön­magie. Ze is de kern ook van een innerlijke verlichting en een innerlijke bewustwording. Wanneer je alles buiten je wilt laten gebeuren, dan blijft in jezelf een grote duistere ruimte. Als een grot. En als die grot alleen maar duister is, is er dreiging en gevaar. Ben je bang voor jezelf, voor je innerlijk. Maar als je zo’n grot ingaat met een toorts dan zie je plotseling hoe stalagmieten en stalactieten glinsteren als met edelstenen bezaaid. Hoe het steen in vele kleuren bloeit en hoe achter elke duisternis een nieuwe schoonheid op je schijnt te wachten. Wat hebben wij nodig om in de leegte, die duistere dreiging van ons innerlijk, verder te gaan. Licht!

Wat is licht? Innerlijk is licht, en denken en geloof. Het is een zekerheid, die je hebt, een zelfvertrouwen. Zolang je zekerheid en zelfvertrouwen in jezelf draagt, kun je door duistere werelden gaan en je wordt overrompeld door een schoonheid. Maar als je geen licht met je draagt, dan kan in je de tempel van de hoogste kracht bestaan, maar je zult haar niet zien en vrezen als een demon die je bedreigt.

Wij allen zijn verbonden. Er is niets in de kosmos, dat niet één is. Het enige wat de mensen kennen, en niet tot die eenheid behoort, is wat zij “tijd” noemen. Tijd is altijd geweest, of ze komt nog. Ze is nooit. Ze bestaat niet echt. Maar al het andere is echt! En met al dat andere zijn wij verbonden en het is in ons samengekomen om ons te maken tot wat wij uiterlijk zijn en wat wij aan mogelijkheden hebben. Daarom is het zo belangrijk dat we de kern van de zaak weten te vinden. Waarom zou de natuur minder duidelijk spreken van hoge krachten en van verre ruimten als een priester in een kerk?

Waarom zou de toestand van ontruktheid alleen mediterend bereikt kunnen worden in een monnikenklooster, wanneer het in ons bestaat en we het alleen hoeven te beleven?

Je bent altijd veel meer dan je beseft. En als je het wilt begrijpen, sta je voor steeds meer vragen. En elk antwoord brengt duizend vragen met zich mee, wanneer je er een vindt. Maar wat je in jezelf vindt, dat heeft geen vragen. Dat heeft geen omschrijving, dat heeft alleen een zekerheid. En wanneer ik mij verwant voel met een ander mens, dan wéét ik wat in die ander verkeerd is en wat goed is. En dan kan ik in mijzelf spreken tot het innerlijk van die andere mens. Dan zeg ik: “dat moet je veranderen” en dan kan die ander zichzelf genezen. Wanneer er iemand komt, belaagd met duistere angsten, dan kan ik die angst voelen. Maar ik moet ook weten waar zij vandaan komt. Wanneer ik haar bron kan aanvoelen, dan spreek ik vele woorden of ik murmel formules. Ik werk met kruiden, maar in feite ben ik bezig om diep in die mens de bron van de angst, van de mismoedigheid van de misnoegdheid als het ware om te zetten in iets anders. Ik probeer een klein vlammetje in de duistere grot aan te steken, dat een ander beseft hoeveel schoonheid in hem woont.

Ik weet, wij zijn achterhaald. De Bön zijn de wonderdokters uit een verleden tijd, die zich moeizaam nog proberen te handhaven. Zoals uw heksen niet meer bestaan of geworden zijn tot heksen die in een ritueel hun verbondenheid vieren zonder ze intens in zich te beleven.

De kern, waaraan men altijd voorbijgaat, is: wat ik vinden moet, is niet alleen maar de rust. Het is ook de erkenning, de beleving van wat ik ben. Want wat ik ben, al wordt het ook niet omschreven, maar heel vaag misschien gevoeld, maakt mij duidelijk hoe ik verbonden ben met alle dingen. Dan kan de verste ster in mij spreken. Dan zijn alle dingen in de ruimte deel van mijzelf. Dan is de uitbarstende vulkaan en de toornende golf van een stormvloed evenzeer met mij verwant als een kabbelende beek of de rust van een zoele namiddag.

Alle dingen hebben hun ritme, dat is waar. Maar het ritme van alle dingen weerklinkt in mij. Als u buiten kijkt, zult u zien hoe de verkleurende bladeren het landschap in nieuwe kleur gaan hullen en u weet: het is herfst, er gaat winter komen. U ziet een verandering en u verwacht er een vervolg op. Want het is een gewoonteritme. Maar de gloed van gouden bladeren, van schemerend rood waar eens groen domineerde, zal in u moeten spreken van  schoonheden, die in uzelf spreken. Die in u leven, die vanuit u verder gaan.

Mensen vragen: hoe ken ik mijzelf? En ik kan geen antwoord geven. Ik kan alleen zeggen: hoe ken je jezelf niet? Wanneer je jezelf eenmaal leert aanvaarden. De moeilijkheid van mensen in het Westen is, dat zij altijd zoeken naar een mechanisme om de dingen te veranderen. Ze zouden elke mens willen uitrusten met een computer, opdat je door het indrukken van de juiste toetsen en de juiste stemming, de juiste ijver, de juiste levenskracht kunt veroorzaken.

Hebt u weleens geprobeerd om de bliksem te sturen? Kan hoogstens met een bliksemafleider en zelfs dat lukt niet altijd. We werken met een oerkracht, een totale kracht, waar de hele kosmos uit bestaat. Waarvan wij alleen maar weten dat zij er is. We weten niet; hoe zij is, waaruit zij is, of zij wel werkelijkheid is, anders dan voor ons. Maar zeker is dat wij verbonden zijn met alle krachten die bestaan. Zo zij bestaan. En die verwantschap en het kennen van je eigen innerlijk zijn de wegen tot beheersing van de wereld buiten je. Niet het beheersen van mensen. Mensen kun je helpen zichzelf te vinden. Je kunt ze niet dwingen om zichzelf te vinden, laat staan dat jij hen kunt dwingen om te doen wat jij het juist acht. Je kunt mensen niet veranderen. In een heel ver verleden kwamen de eerste mensen voort uit groepen strijdlustige apen of voorvaderen van apen. Uit die tijd komen de Hindoelegenden van de apenkoning Hanuman. Die strijdlust is gebleven. Want de mens verheft zich in zijn gedachten wel op al wat hij bereikt heeft maar zijn innerlijk heeft hij verwaarloosd. En nu schuilt in de schijnbare supermens een strijdlustige aap die alles graaien wil.

Daarom moet je naar jezelf terug. “t Is niet, dat je de wereld kunt veranderen. Maar je kunt de relatie tussen jou en de wereld veranderen. En dan ontstaan nieuwe mogelijkheden, maar vooral ook nieuw besef. Zeg niet: ik wil alle dingen weten of bewijzen. Zeg: ik wil ze zijn, want daarin ligt de sleutel voor vele geheimen van het menselijk bestaan. Wie wegloopt voor zichzelf, veroordeelt zichzelf tot een hel op aarde, ook al zal hij het niet toegeven en zichzelf zeggen dat het een hemel is. Want wat is de hemel anders dan een schijndecor dat men boven de werkelijkheid hangt, om vooral te ontkomen aan de ontstellende herkenning. Ik zal altijd van alle dingen deel zijn, ik zal nooit werkelijk ophouden te bestaan. En ik zal altijd in delen van het zijnde weer moeten zijn in uiterlijke vorm.

Wanneer de magiër een pijl laadt, een pijl om te schieten naar een vijand misschien, dan spreekt hij niet tot de pijl. En hij spreekt niet tot het slachtoffer, hij spreekt tot de kracht die in hem leeft. En om anderen te doen aanvaarden wat hij voortbrengt, omringt hij het met geheimzinnigheid en ritueel. De enige trommelslag die hij nodig heeft, is het kloppen van zijn, hart. Maar hij slaat op zijn trommels en zingt zijn gezangen, opdat iedereen voor een ogenblik zijn werkelijkheid wat meer kan aanvaarden. Zodat hij zonder gevaar zijn kracht kan uitsturen. Dan schiet hij de pijl, waarom? Omdat mensen willen zien, mensen willen zien, ze willen niet begrijpen!

Men heeft mij gevraagd of er een God is. Ik weet het niet. Er zijn vele krachten, die vergeleken bij mijn kracht goden zijn, maar zijn zij God of zijn zij wat anders? Wie zal het u zeggen? Is er geen God, dan moet er iets anders zijn. Iets is er. Maar wie ben ik, dat ik dat iets wil meten? De wil van dat iets wil uitleggen? Ik kan ten hoogste de tendensen aanvoelen die in dit deel van het zijn overheersen. Dan zeggen: “mens, die mogelijkheden bestaan nu voor jou en die bestaan niet.” Daarbij blijft het. Dromen wij ons leven? De meesten van ons dromen, want wij zien onszelf als iets wat we niet zijn en we zien de wereld als iets wat aan ons moet beantwoorden en dat niet doet. Zo dromen wij. En als wij dromen over wat zou moeten zijn en vergelijken met wat wij werkelijkheid noemen, vergelijken we dan wezenlijke waarden, of vergelijken we alleen de schaduwzijde en de lichtzijde die in ons eigen ik bestaat? Het is moeilijk antwoord te geven op die vraag. Dromen wij het leven, wordt ons leven gedroomd, maar wat maakt het uit? Wanneer ik leef, voor mijn besef, wanneer in mij een verwantschap kenbaar kan zijn met vele dingen buiten mij, met vele krachten die niet eens zichtbaar bestaan, waarom zou ik me dan verder afvragen hoe het komt?

Ik besta. En het bestaan is het belangrijkste. Daar waar het bestaan ledig is, daar is alleen nog maar de angst van het duister en het onbegrip voor wat men werkelijkheid noemt en meestal ook nog een drogbeeld is. Wanneer men mij vraagt u les te geven, moet ik u zeggen: “ik kan dat niet.”

Wat kan ik u leren wat niet in u is? Wat ik zeg, wat ik doe, wat ik ben, bestaat ook in u! Anders zou u mij helemaal niet kunnen volgen, of verstaan of begrijpen. Ik ben een uiterlijk teken geworden waardoor u iets van uw innerlijk kunt herkennen. Terwijl u bang bent voor het schijnbare duister, dat in u verborgen ligt. Droom dan je droom, en noem ze werkelijkheid, maar besef dat de werkelijkheid in de beleving schuilt. Niet in de constatering. En besef dat alle beleving een uitdrukking is van wat in je woont. En dat daar de enige werkelijkheid kan bestaan, die zinvol is voor je.

Vrees de wereld niet. Als de wereld vergaat en de vormen tijdelijk sterven, dan blijft dat licht (of duister, dat ligt aan uzelf!) nog steeds voortbestaan. Wanneer dat leven wordt weggevaagd, overheerst nog steeds de angst, of de verwondering over schoonheid. Wees niet bang om te leven en vrees de dood niet te zeer. Beiden zijn verschijnselen van de natuur. Het leven is als het voorbijdrijven van een wolk. Wanneer het een vruchtbaar leven is, heeft ze wat regen afgegeven. Maar wanneer het een slecht leven is, dan heeft ze onweersstormen en vernietiging meegebracht. Maar de wolk gaat verder en lost zich weer op en herontstaat en drijft en verdwijnt en lost zich op. Waarom dan bang zijn of treuren. Wat er in uw wereld verandert, kan u niet veranderen. Zolang u in uzelf de schoonheid vindt, zolang u de moed hebt met het licht van uw wil door te dringen in de duistere verborgenheden van uw wezen. En zelfs de skeletten – die u misschien innerlijk begraven acht in uw brein en weten – wanneer ze echt zijn, worden tot kristallen en voorstellingen, die in weerkaatsing van wat ge zijt, de schoonheid weergeven van al wat leven is.

Oude riten zeggen: wanneer de aarde, het water, het vuur en de lucht samenkomen in evenwicht, scheppen zij een wereld van schoonheid. Maar waar één van hen overheerst, daar ontstaat vernietiging. Voor een mens zou je dat zo moeten zeggen: waar de praktijk van je daden, van je bewegingen, waar de praktijk van je eten en drinken, je ademen niet in evenwicht is met de kracht, die in je leeft en de kracht, die uit je stroomt, niet evenwichtig is met al deze dingen, dan ben je op een pad naar vernietiging. Maar waar het evenwicht ontstaat, herschep je voortdurend de wereld. En uit de schoonheid in jezelf, doe je de schoonheid buiten je ontstaan. Want dan ben je de dromer, die scheppend droomt.

Ten laatste, mijne vrienden, ik weet dat mijn denken in vele opzichten vreemd kan zijn voor uw wijze van leven en denken, maar ik heb er licht door gevonden. Een wereld van schoonheid en vreugde, die zich steeds verder openplooit en vergezichten doet vermoeden die ik nog niet kan aanschouwen.

Voor mij is de weg goed geweest. Hoe is uw weg voor u? Berust u misschien in al uw denken te veel wat buiten u moet zijn, moet gebeuren, moet gedaan worden voor u. Of vindt u de kracht in uzelf? Als dat laatste het geval is, zult ook u in uw eigen wereld met al uw techniek, met al uw weten en schijn-weten verder komen. En uw leven zal gloeien als een opgaande zon, die de wolken al verlicht als ze zelf nog niet zichtbaar is. Maar indien ge innerlijk het licht niet hebt? Wat blijft over dan het toenemend duister, dat als een asregen de kunstmatigheid wurgt waarop ge u beroepen hebt.

De tijd is wat komt, of wat is geweest. Wat is geweest, is voorbij, wat komt, is nog niet! Maar in u zit de kracht die alle tijd samenvat tot één werkelijkheid. Vrees morgen niet, vrees niet voor wat komt. Beklaag u niet of verheug u niet over wat is geweest, maar zeg: “ik ben”. Want gij die waarlijk zijt, gij vindt de eenheid met alle kracht. Waardoor alle kracht ook een weerkaatsing wordt van datgene wat in u leeft.

Moge de eenheid in u worden tot een groeiend licht, zodat de vreugde van het zijn voor u wordt de erkenning tot overweldigende schoonheid, die al tezamen bezit.