13 december 1968
De eigen werkelijkheid en de daad
U weet het: alwetend zijn wij niet, onfeilbaar evenmin. U denkt zelf na.
Elke daad die een mens stelt, vloeit voort uit zijn eigen werkelijkheidsbesef. Met andere woorden: je doet maar zelden iets, omdat je het niet als noodzakelijk beseft. Voor jezelf heeft elke daad zijn redenen, deze redenen komen voort uit het eigen beeld dat men heeft van de wereld, de eigen mogelijkheden, de eigen behoeften. Nu kun je nooit zeggen dat iemand anders in staat in is het beeld van de werkelijkheid voor het geheel te bepalen. Eigen standpunt en visie voert vaak zelfs tot misrekeningen, zoals die van de wethouder in een kleine gemeente, die stelde dat goede wegen noodzakelijk waren, waarop hij onmiddellijk opdracht gaf een stuk weg van een hoofdweg tot aan zijn eigen huis onmiddellijk te doen asfalteren. Voor hem was dit logisch en een eerste noodzaak. Voor het dorp als geheel betekende het echter, dat een van de minst voorname wegen, voor het minst bereden deel, het beste werd verzorgd. De wethouder echter die deze weg elke dag moest afleggen, vond het heel vreemd dat de dorpsgenoten op zijn eerste ambtsdaad commentaren hadden.
Dit is een overtrokken voorbeeld van hetgeen ook bij u steeds weer voorkomt. U kunt iets nu wel het allerbelangrijkst achten vanuit uw eigen erkennen van uw wereldje, maar u zult, zodra anderen daarbij mede betrokken worden, ook rekening moeten houden met hun visie die vaak van de uwe zeer sterk kan afwijken, zonder dat zij daarom juister of onjuister is dan de uwe. Wanneer u voor uzelf en zelf iets doet waarvan u meent dat het goed, noodzakelijk of tenminste aanvaardbaar is, moet u zich niet al te veel aantrekken van hetgeen anderen daarover zeggen. Want degene die tracht waar te zijn en naar waarheid volgens eigen besef te leven, moet zich niets aantrekken van de indelingen en schijnvormen die de wereld steeds weer rond eenieder op pleegt te bouwen.
Ook mag men zich niet te zeer beroepen op regels die buiten het Ik als algemeen geldend heten te bestaan. Dit is een van de meest gevaarlijke dingen die er kunnen bestaan. Er zijn mensen geweest die de 10 geboden hebben gebruikt als een rechtvaardiging voor het de dood injagen van anderen, zonder er enige rekening mee te houden dat een van die geboden luidt: gij zult niet doden. Er zijn mensen die menen braaf te zijn en daarmede bedoelen dat zij leven volgens de wetten, zoals die door anderen worden gesteld en rond hen heten te bestaan. Maar ik vraag mij af of die mensen zich wel realiseren waarom zij eigenlijk zo braaf zijn? Ik heb liever dat u een andere een dreun op zijn hoofd geeft, omdat u meent dat dit werkelijk goed voor hem is, dan dat u iemand in gedachten 100 malen vermoord, maar u in de daad daarvan terug weet te houden, omdat u vreest dat u dan meer last zult krijgen dan nu. Men is dan misschien braaf, maar gelijktijdig uit angst is men ontrouw aan zijn eigen wezen. Er zijn andere wegen en maatstaven vanuit de eigen werkelijkheid te vinden en dit is het punt waarover wij vanavond spreken.
Na dit inleidende gebabbel zal ik nu trachten wat zinnige dingen over dit alles te zeggen. Uw werkelijkheid, zoals u ze ziet, bestaat niet. Enerzijds bestaat er veel meer dan u in uw eigen beeld van die werkelijkheid kunt erkennen, aan de andere kant omvat de werkelijkheid ook veel minder. Want u hebt de neiging vele dingen aan te vullen, tot zij passen bij uw eigen wereldvoorstellingen. Soms liggen de misleidende stellingen aan uw reactietijd zoals in de bioscoop: u ziet een reeks stilstaande plaatjes die met een bepaald tempo achter elkaar worden getoond. U constateert nu op het beeld een beweging die er in feite niet is, terwijl de beweging die er wel is door u in feite niet wordt geconstateerd.
Uw waarderingen zijn ook niet algemeen geldend. U ziet iets en vindt het bijzonder mooi, terwijl een ander het juist miserabel zou vinden. Het komt voornamelijk, doordat u leeft in een wereld waarin door allen iets bepaalds als mooi wordt gepropagandeerd. Slanke vrouwen heten bij u bijvoorbeeld mooi. Want eenieder zegt dat slankheid mooi is. De vrouw die niet slank is, zal trachten slank te worden. En voor haar offers in die richting wil zij natuurlijk de erkenning hebben dat zij werkelijk mooier is, zodat zij de illusie dat slankheid en schoonheid identiek zouden zijn bij vrouwen verder in de hand werkt. Maar nu zijn er andere landen waar men redeneert: een man die een slanke vrouw heeft, geeft haar niet genoeg te eten. Een man die rijk is, heeft dus een vette vrouw. Een vette vrouw is een bewijs van welvaart en daarmede van schoonheid. Alleen dikke vrouwen zijn de moeite waard. Wat misschien een troost kan zijn voor sommige van de aanwezigen.
Ik nam nu als voorbeeld schoonheid. Maar op soortgelijk wijze zal de gehele beoordeling van eigen Ik en wereld kunnen worden beïnvloed en in verband met omstandigheden veranderen. De ene mens is alleen gelukkig, wanneer hij in de uitlaatgassen van de auto’s kan liggen – vandaar het bermtoerisme – terwijl een ander weer alleen gelukkig is, wanneer hij alleen kan zijn in de vrije natuur tot in een naturistenkamp toe – waar hij dan vaak weer moet ontdekken dat nieuwsgierige massa’s toch rond de hekkens trachten samen te drommen. Kijk, dit zijn beoordelingen die zuiver persoonlijk zijn en toch tot een geheel verschillende waardering van de wereld en daarmede een geheel verschillende stelling van daden en zelfs een geheel ander gedachteleven kunnen voeren. Nu wil ik niet stellen dat de stad altijd schoner is dan de vrije natuur of omgekeerd. Het ligt maar aan de omstandigheden. Zoals ik heus niet kan zeggen of een dikke vrouw nu lelijker is of mooier dan een dunne vrouw. Evenmin kan ik met zekerheid zeggen of iets goed is of verkeerd is. Dit alles is relatief.
Aangezien ik in een voor mij in feite geheel relatieve werkelijkheid nooit juist kan kiezen, tenzij ik uitga van mijzelf als de kern van die werkelijkheid, ben ik dus zelf eigenlijk degene die de verhoudingen zal moeten bepalen, zoals die voor mij in mijn wereld moeten bestaan. Hoe meer ik dingen die buiten mij liggen, ga betrekken bij de bepaling van mijn waarderingen, hoe meer mijn eigen wezen in het gedrang zal komen. U vindt dit misschien een vreemde stelling, maar de gehuwden onder u weten misschien al, hoe moeilijk het is om tot een voortdurende eenstemmigheid van denken en daden te komen binnen de twee-eenheid, die men huwelijk noemt.
Degenen die in het verenigingsleven zitten, weten hoe moeilijk het is uiteindelijk zover te komen dat men, zonder grote tegenstand bij de leden en anderen op te wekken, uiteindelijk te kunnen zeggen: zo handelen wij en anders niet. Kijk, hoe meer ik van buiten mij tot mij trek, hoe moeilijker het voor mij wordt om zelf een daad te stellen, hoe minder deze daad, wanneer ik ertoe kom deze te stellen, een uitdrukking zal vormen van mijn eigen persoonlijkheid.
Ik kan mij een multimiljonair voorstellen die in wezen een heel goed mens is. Maar op een gegeven ogenblik liggen zijn staalfabrieken stil. Hij beschouwt nu zijn bezit als een verplichting, een deel van zijn wezen en voelt dat het in de eerste plaats zijn taak is zijn miljoenen en fabrieken in stand te houden. Het is natuurlijk jammer dat er dan ergens een klein oorlogje geforceerd moet worden om de revenuen omhoog te jagen. Hij betreurt dat dan ook werkelijk. Maar de daden die hij stelt, zijn gebaseerd op het in standhouden van zijn bezit, niet op het handhaven van zijn persoonlijke integriteit. Hij vervangt het eigen gevoel van juist en goed handelen, goed en aangenaam leven zelfs, door wat hij noemt zijn verplichtingen. Daarom juist komen vervalsingen van de eigen werkelijkheid zo vaak voor en maken zo veel mensen zichzelf ongelukkig door uit te gaan van regels die anderen stelden, of noodzaken die niet met hun eigen besef, maar met buiten het ik bestaande waarden die zij verkeerdelijk als deel van eigen ik beschouwen, voortkomen. Juist daarom lijkt het mij van belang dat de mens in daden zowel als in zijn besef, eerst leert zich te bepalen tot eigen wereldbesef en zijn eigen erkenning van noodzaak.
Het laatste lijkt misschien oude kost, maar ik moet het hier toch nog even herhalen. Ik heb niets wat werkelijk van mij is. Ook wanneer ik familie heb, kan ik niet werkelijk spreken van mijn vader en mijn moeder in termen van bezit, recht op personen, maar kan ik ten hoogste spreken over mijn relatie met de vader en moeder, zoals dezen tot mij bestaan en beseft worden, alleen deze relatie is werkelijk van mij en zou als een soort bezit, een soort recht in mijzelf, kunnen worden beschouwd. Let wel: hierbij gaat het steeds om mijn erkenning van een relatie en de eventuele daadinstelling, zoals die van mij uit daardoor zal ontstaan. Het betekent dus dat ik op grond daarvan van anderen niets kan eisen of mag verwachten. Hetzelfde geldt tegenover kinderen enzovoort, vrienden, echtgenoten, staatsinstellingen.
Ik kan dus niets hebben of bezitten, buiten mijzelf. Dit is de Orde der Verdraagzamen. Het is niet uw Orde van Verdraagzamen. U bent door uw eigen mentaliteit deel van die Orde en hebt daardoor voor uzelf een relatie vastgesteld tussen u en alle anderen, in een bepaald streven. Zodra u erkent dat hier de relatie van u uit belangrijk is, bent u reëel. Zodra u gaat zeggen: Het is mijn club, bent u reeds fout. Want de Orde of wat dan ook, is nooit werkelijk van u. U hebt er uiteindelijk niets over te zeggen, al lijkt het soms enige tijd of het wel zo zou zijn. U kunt er alleen inbrengen wat u zelf bent en daarover kunt u beschikken. Dit is nu de kern van de werkelijkheid. U kunt in de wereld steeds iets inbrengen, iets geven, iets betekenen, en u kunt vanuit uzelf een waardering hebben, maar u kunt nooit zeggen dat daarop een antwoord moet volgen of dat anderen dit moeten zien en beleven zoals u. Want daarover hebt u geen zeggenschap.
In de tweede plaats moeten wij rekening houden met het feit dat alle waarden buiten het Ik door een maatschappij, een sociale structuur en dergelijke gefixeerd zijn. Deze fixatie buiten het Ik is echter niet iets wat men zonder meer gebruiken kan. Wij zitten hierbij elkander en zijn volgens de normen van de maatschappij allen fatsoenlijke mensen. Maar wij hebben allen geheim gehouden wat op iets anders zou wijzen. De normen van de maatschappij zijn dus eigenlijk alleen de normen die je hanteert in het verkeer met anderen. Het is niet de norm waaraan het Ik werkelijk moet beantwoorden, maar een aanwijzing voor hetgeen van het Ik, aanvaardbaar zal zijn voor en bij anderen. Hiermede dient men natuurlijk wel rekening te houden. Het is een soort richtlijn en men zal geen conflicten op gaan roepen waar dit niet noodzakelijk is. Goed. De maatschappij kent haar regels en aan die hand van die regels zal ik dus een zeker oordeel kunnen vellen over anderen, zoals anderen hun oordeel over mij aan de hand van die zelfde regels zullen vellen. Hierdoor wordt het mogelijk een daad op algemeen aanvaardbare wijze te stellen.
Maar wat is de daad in feite? Het is het waarmaken van iets wat je denkt, wat je gelooft, wat je wilt. Ik geef graag toe dat dit willen niet altijd binnen het kader van de zuivere rede gelegen zal zijn. Integendeel: het meeste dat de mens werkelijk wil, is in wezen onredelijk. Maar de mens wil het. Hij ziet het dus als begeerlijk en noodzakelijk. Stelt hij een eis aan de buitenwereld, dan bereikt hij daarmede echter vaak weinig of niets. Stelt hij vanuit zich een daad om alles wat hij wil waar te maken, zover het hemzelf betreft, dan is dit echter juist en zal er iets gebeuren. De daad is dus het middel waardoor wij onze eigen persoonlijke en innerlijke werkelijkheid gestalte geven in de wereld die wij als onze wereld, de externe waarde van het Ik, ervaren.
Laat ons eens nagaan hoe de zaken dus werkelijk liggen. Bijvoorbeeld: de pastoor zegt mij dat het goed is om niet te stelen, dat stelen slecht is. Nu weet ik echter dat ik alles wat ik zelf als noodzakelijk ervaar, alleen kan volbrengen wanneer ik steel. Het zal dan verstandiger zijn, vanuit mijn eigen bewustzijn te redeneren en mij af te vragen: indien ik neem wat ik meen van node heb, zal een ander dan hierdoor werkelijke schade ervaren, zal hij minder goed kunnen leven, zal hij daar veel leed van ervaren? Neen? Dan mag ik nemen, stelen dus in feite.
Er zijn dus omstandigheden waarin ik wel degelijk mag stelen, ja waarin stelen beter is dan niet stelen. Wanneer ik verhonger, mag ik wel degelijk een brood nemen, zelfs al kan ik dit niet betalen en wil niemand het mij geven, en indien een ander verhongert en ik van mijzelf niets meer geven kan, omdat ik reeds alles gaf wat ik geven kon, en ik zie ergens een kip lopen, dan zal ik mij niet afvragen van wie die kip wel is, maar aan de eerste noodzaken denken en de mens die verhongert, kippensoep geven. Eigendom is dus in feite alleen en dán heilig, wanneer er buiten dit ik nergens een hogere noodzaak ten aanzien van dit eigendom wordt erkend. Eigendom zal men respecteren, zolang voor de verwezenlijking van hetgeen men waarlijk is, het eigendom van anderen niet noodzakelijk is, en ik voor mijzelf niet het gevoel heb dat anderen daaronder – het nemen van dit eigendom – niet zullen lijden. Gevaarlijke stellingen? Zeker. Wanneer iemand iets wegneemt, is hij een dief, volgens de maatschappij dan. Maar daar, voor hemzelf dit geen diefstal is, maar een daad van noodzaak of rechtvaardigheid was, is hij voor zich geen dief.
Iemand is een moordenaar, want hij heeft iemand dood gemaakt. Dat is uit den boze, want alleen in een oorlog mag je een andere mens doodmaken en dan nog alleen degenen die je daarvoor aangewezen worden. Indien je dit goed doet, ben je een held en krijg je lintjes. En daarna natuurlijk de vergetelheid, behalve natuurlijk gedenkdagen bij het graf van de onbekende soldaat. Maar zo maar, op eigen initiatief en zonder goedkeuring van de menigte iemand doodmaken dat is … nu ja… ondenkbaar. Maar stel nu dat ik in een situatie verkeer waarin ik vanuit en voor mijzelf besef: wanneer die mens verder leeft, wordt mijn gehele werkelijkheid, mijn gehele leven, hierdoor besmet. Anderen zullen onder zijn bestaan moeten lijden, ik voor mijzelf zou niet verder kunnen leven. En ik dood die mens. Een vervelende zaak. Het is natuurlijk beter, wanneer een dergelijke noodzaak niet rijst, maar ben ik een moordenaar, wanneer ik onder die omstandigheden iemand dood? Neen! Want ik heb gedood ter verdediging van het heiligste wat er voor mij bestaan kan: de heiligheid en zuiverheid van mijn eigen werkelijkheid. Let wel dat heeft niets te maken met de wet. Wanneer u een dergelijk argument aan de rechter zou voorleggen, zou u toch het gevang in draaien, dit alles heeft alleen betrekking op de morele kant van de zaak. Mijn daad is in een dergelijk geval niets anders dan het omzetten van een in mij levende zekerheid in een ook buiten mij bestaand feit. Dit is aanvaardbaar.
Dergelijke stellingen zijn valide op elk denkbaar terrein. Seksualiteit bijvoorbeeld. Ook hier geldt zoiets. Neem bijvoorbeeld in dit verband de eeuwige trouw. Dat is een van de dingen die op aarde het meest geloofd worden en het minst bereikbaar blijken. Waarom? Omdat de situatie waarin dit begrip ontstaat en beloofd wordt, niet identiek is met de werkelijkheid, zoals die normalerwijze beleefd wordt. Het is dus het gevolg van een afwijking van een norm, terwijl de gelofte alleen betrekking heeft op een enkele, bizarre situatie en daardoor geen feitelijk deel uitmaakt van het wezen en de werkelijkheid van degene die belooft zodra de uitzonderingstoestand zich wijzigt.
Blijft men echter die belofte boven alles stellen, dan zal het geheel van de eigen werkelijkheid moeten veranderen en zelfs het eigen wezen zal zich moeten wijzigen. Dit neemt men als normaal aan, ofschoon het lang niet altijd het geval is. Wat men namelijk vergeet is dat niet alleen op dit ene punt, maar op alle punten die de buitenwereld betreffen, het Ik zijn wezen en oordeel zal moeten veranderen.
Men vergeet verder dat, zodra de belofte in andere dan de uitzonderingstoestand waarin zij tot stand kwam, beleefd en gehouden zal moeten worden. Dit betekent dat men geheel zal moeten veranderen en bijvoorbeeld bitterheid in plaats van de vreugde zal gaan stellen, de verwerping van anderen in plaats zal stellen van de vreugdige aanvaarding van anderen, zelfs degene, aan wie men de belofte heeft gedaan etcetera. Niemand kan ontkennen dat degenen die dit prefereren, het recht hebben voor zich zo te zijn, maar wanneer iemand verstandiger is en zegt: Ik erken dat wat ik beloofd heb, of dit nu trouw aan de vlag was of iets anders, een lid der andere sekse bijvoorbeeld, dit plaats vond onder andere condities. Zolang de condities gelijk blijven, ben ik natuurlijk aan die belofte gebonden, maar dit is natuurlijk, daar ik deze vanuit mijn eigen werkelijkheidsbesef stelde. Zodra echter de condities voor mij en erkend vanuit mij totaal veranderen, kan ik daden stellen die schijnbaar in strijd zijn met de gedane belofte, zonder dat ik daarbij de belofte in feite breek.
Dit klinkt weer vreemd. Maar de meeste mensen beseffen niet hoezeer de persoonlijke werkelijkheid conditioneel is. Wanneer je alles hebt in het leven, is het gemakkelijk om vroom te zijn en God voortdurend te eren, te loven en te danken, maar als je in de puree zit, geloof ik dat er twijfels aan de goedertierenheid van die God zullen ontstaan en men zelfs op de duur die God begint te verwensen of aan zijn bestaan gaat twijfelen. Onder die omstandigheden is het zelfs begrijpelijk dat iemand redeneert: God heeft mij nooit werkelijk iets gegeven, heeft mij zelfs nooit een antwoord gegeven op mijn beden, laat ik het dus maar eens proberen met de tegenstrever. Men kan nu stellen dat die mens zich een geheel verkeerd beeld van zijn God heeft gemaakt. Goed, dat is mogelijk, maar zeker is dat die God op uw wijze bezien, voor deze mens geen realiteit meer is. De omstandigheid waarin de vroomheid is ontstaan, compleet met godsaanvaarding en overgave aan het eeuwige, blijkt te veranderen naarmate de omstandigheden van het stoffelijke leven en de eigen waardering daarvoor zich wijzigt.
Dan kan men toch niet beweren dat dit een verzet tegen een gelijkblijvende werkelijkheid is? En wanneer men in daden uiting geeft, bijvoorbeeld in overvloed, aan hetgeen volgens het Ik die God is of wenst, dan is dat normaal, duidelijk en aanvaardbaar. Maar men mag niet de fout maken te stellen dat dit zonder meer het werk van God is. Het is het eigen wezen dat zich op deze wijze volgens de waarden van de persoonlijke werkelijkheid ook in daden manifesteert, ook al geef ik aan anderen omentwille Gods, heb ik mijn naasten lief omentwille van Gods wens. Eén enkele verandering in het eigen leven is vaak reeds voldoende om voor het Ik de condities geheel te veranderen. Dan ziet dit Ik geen goede, liefdevolle God meer, maar ten hoogste, een vreemde, wrede tiran, een noodlot dat met het Ik geen rekening houdt, een hemelse juggernaut die over het Ik met al zijn gevoelens en erkenningen heendavert, tot men verpletterd neerligt in het eigen materiële of kronkelend in eigen emotionele ellende.
Moet men dan nog precies zo blijven als eerst? Dat kan men eenvoudigweg niet. Men kan de uiterlijkheden misschien volhouden en doen alsof. Maar geheel dezelfde kan men niet meer blijven, want de persoonlijke erkenning is niet meer dezelfde, de eigen werkelijkheid is een andere geworden. In de plaats van de cherubijnachtige godheid die ik eens meende te kennen, zie ik nu op de eeuwige troon een soort medusahoofd dat mij doet verstarren van ellende en haat. Men kan natuurlijk de wreedheid van die god dan met daden in de wereld uit gaan dragen, zoals velen onbewust schijnen te doen, maar of men wil of niet: het is anders geworden, en of men wil of niet zal men ook zijn daden aan het veranderde beeld aan gaan passen.
Men moet eenvoudig anders worden, omdat de persoonlijke werkelijkheid verandert. Maar misschien meent u dat ik op het ogenblik bezig ben een pleidooi te houden voor alle fouten, zonden en dwaasheden die er op de wereld bestaan.
U hebt het mis! Ik wil deze dingen niet verdedigen, zoals ik ook de deugd niet wens te verdedigen. Ik tracht alleen iets duidelijk te maken. Zoals u hier bent, hebt u ieder uw eigen begrip van het goede, u hebt uw eigen wereldje en wanneer uw gedachten ook wel eens met andere dingen of mogelijkheden spelen, dit wereldje is uw persoonlijke werkelijkheid. Dat wereldje alleen kan voor u daden voortbrengen waaruit u kunt leven. U maakt niet de vreemde gedachten en dromen waar die wel eens door uw hoofd spelen. Wat u waar maakt, is het wereldje waarin u, terecht of niet, gelooft, het wereldje dat uw interpretatie is van de werkelijkheid.
Dan kunnen anderen zeggen dat u daarin zeer fatsoenlijk of zeer onfatsoenlijk bent. Maar maakt dit eigenlijk iets uit? Wat u bent is in de eerste plaats het product van uw eigen wereldje. Het is niet uw verdienste of schuld. De een is vroom en godgeleerd, de ander tapt alleen moppen die de dames liever niet horen, omdat zij zich dan verplicht zouden voelen eerst te blozen en eerst later, wanneer iemand dit niet meer zien kan, er om durven lachen. Beiden hebben hun eigen redenen om zo te bestaan. De een is niet beter of slechter dan de ander. Hun wereld is eenvoudig een wat andere, en hierdoor wordt de uiting die zij aan zich in de wereld geven eveneens een wat andere.
Maar wanneer de persoonlijke werkelijkheid zozeer kan verschillen, hoe zou men dan een norm kunnen stellen waaraan alle daden zouden moeten beantwoorden? Bovenal, hoe zou men dan kunnen verklaren dat een bepaalde norm eeuwig, blijvend, ja, goddelijk van oorsprong is? Ik geloof niet dat het in waarheid mogelijk is een dergelijke norm te vinden of te stellen. De eigen werkelijkheid is niet alleen de bron van de daad, zij is mede de reden ervan. Zij is niet alleen de oorzaak, maar tevens de verklaring. Om te weten wat een mens is in zijn daden, zouden wij moeten weten wat zijn innerlijke werkelijkheid is, wat zijn visie op het bestaan is. Eerst dan zouden wij kunnen zeggen: deze mens is goed – in zich harmonisch of kwaad – dus onharmonisch in zichzelf.
En daarmede heb ik, naar ik meen, het eerste deel van mijn betoog duidelijk genoeg gesteld. Kort en goed: uw werkelijkheid is uw beeld van de wereld en heeft niets te maken met de werkelijke feiten. Uw daden komen voort uit uw beeld van de werkelijkheid en hun betekenis voor u wordt bepaald door de wijze waarop zij in dit eigen beeld van de werkelijkheid passen, en uw persoonlijkheid daarin op volgens het Ik juiste wijze tot uitdrukking brengen.
Nu wij het over de persoonlijke werkelijkheid hebben gehad, moeten wij overgaan naar de daad. Wat is een daad? Een daad is niet slechts een actie. Wanneer u buiten loopt en een vliegje komt op u aan, sluit u uw oog. Maar is dit nu een werkelijke daad? Neen, het is een reactie. Deze reactie is instinctief in het ego ingebouwd, maar niet beheerst of gewild. Een daad hoeft dus zeker niet altijd op te treden waar wij reageren op hetgeen er buiten ons bestaat. Er is meer nodig dan dit om een werkelijke daad te stellen. Ik zal moeten weten wat ik doe. Ik moet willen doen wat ik doe. Ook dit is belangrijk. Dan zal ik erin moeten slagen, hetgeen ik weet en wil waar te maken, dus in de werkelijkheid uit te drukken. Dus niet elke actie is, in de zin waarin wij dit woord vandaag beschouwen, een daad. Men zou nog verder kunnen gaan en stellen dat niet elke bewuste daad ook een kenbare actie in hoeft te houden, maar daarover kunnen wij zo nodig dadelijk nog spreken.
Ik weet, wanneer ik in het wilde weg iets doe, is dit geen werkelijke daad, maar een wilde reactie; paniek bijvoorbeeld. Er is brand in het theater. De mensen lopen weg, stompen en slaan om de nooduitgang te bereiken en trappen daarbij iemand dood. Stellen zij hiermede een werkelijke daad? In de zin waarin wij het woord daad heden bezien niet. Zij worden gedreven door hun instinct. Er gebeurt wel iets en wat er gebeurt, zal wel deel uitmaken van hun besef van de werkelijkheid, maar zij waren niet in staat zichzelf te beheersen. Nu is er tijdens deze brand een enkele mens die wel de gevaren en mogelijkheden beseft. Hij beheerst zichzelf en brengt anderen tot zelfbeheersing – misschien door een liedje te zingen, misschien door een andere uitgang open te maken of desnoods door hard te roepen dat het niet waar is dat er geen gevaarlijke brand is. Deze mens stelt een daad. Hij weet wat hij doet en doet wat hij wil doen.
Dit is voor het werkelijk stellen van daden binnen het kader van een persoonlijke werkelijkheid van het hoogste belang. U zult in uw leven vele dingen doen die u eigenlijk niet eens wilt doen, ja waarvan u niet eens weet waarom u ze eigenlijk doet. Eigenlijk weet u vaak pas veel later wat u gedaan hebt. Dit zijn geen feitelijke daden, maar reacties waarover u zelf geen zeggingschap had.
Ik weet wel dat de zedenmeesters nu onmiddellijk zeggen dat een mens zich altijd moet beheersen, dat hij steeds moet weten wat hij doet. Degenen die dit prediken, zullen echter vaak zelf tijdens hun preken niet beseffen wat zij in wezen zeggen. Want in wezen zeggen zij daarmede dat een mens alle instinctieve waarden, alle eerlijkheidswaarden die er bestaan, moet beseffen en beheersen. Maar dat is, naar ik meen, voor de doorsneemens een onmogelijke opgave, zelfs voor de ijverige predikanten die dit van hun medemensen plegen te eisen.
Ik wil hierop niet verder doorgaan, maar vaak is er sprake van een vergissing doordat men aanneemt dat eenieder zo is of zo kan zijn, als men zelf is. Een vriend van mij besprak eens een dergelijk onderwerp in een gezelschap van geestelijken en merkte toen op: het is voor een frigide vrouw gemakkelijk te verklaren dat het nonnenbestaan voor een vrouw het enig juiste is. Met andere woorden, wanneer de aard ernaar is, lijkt men op een bepaald terrein wel beheerst. Maar is hier wel sprake van een werkelijke beheersing, zelfs al laat men zich daarop voorstaan? In feite is er vaak sprake van een soort lotssituatie. Drievierde van de daden die door mensen worden gesteld, zijn geen kwestie van beheerst reageren. Dus zijn zij in feite acties. Er is pressie op het ik en het ik reageert door datgene te doen waardoor die pressie het snelste vermindert en acht dit dan de beste oplossimg, zonder zich bewust te zijn van de werkelijke betekenis daarvan. Wat, vrienden, dus geen bewuste, geen werkelijke daad zal zijn.
Want al datgene wat u beweegt tot instinctieve reacties, tot halfbewuste impulsreacties en dergelijke, vloeit voort uit uw eigen werkelijkheid en uw eigen wezen. Het is als zodanig wel deel van die eigen werkelijkheid, maar valt niet onder het bewust beheersen van die werkelijkheid. U kunt zover komen dat u dit gaat beseffen en bewust uzelf belet verder instinctief te reageren, dan zal er naar buiten toe geen actie kenbaar worden. Maar toch is er een verandering in de situatie naar buiten toe als gevolg hiervan tot stand gebracht. In de termen van de persoonlijke werkelijkheid hebt u hiermede dan een daad gesteld. Want u was bewust en gebruikte bewust uw wil.
Ik geloof dat dit een punt is waarover vele mensen zullen vallen, het lijkt misschien alles zo eenvoudig: iemand die iets doet, stelt een daad…… Maar bezie nu dit eens: iemand heeft altijd gehoord dat alleen door een revolutie zijn leven beter zal worden. Hij stelt nu een daad die door anderen als revolutionair wordt aangeprezen. Maar weet die mens nu werkelijk wat hij doet? Er is wil, maar geen besef waarschijnlijk. Beseft hij bijvoorbeeld aan wat voor spel hij deelneemt? Zeer waarschijnlijk ontgaat hem dit geheel. In het andere geval zou hij niet meer arm, doch tenminste minister zijn. Die mens stelt dus in feite binnen zijn persoonlijke werkelijkheid geen echte daad. Hij beseft niet voldoende wat hij in feite doet en is bovendien meestal niet in staat zich te beheersen. Heel wat van dergelijke acties worden op aarde als daden voorgesteld, zonder dat zij dit voor de persoon zelf dus wezenlijk zijn.
Nu wij daarmede de daad althans enigzins in dit kader omschreven hebben en het karakter van de daad binnen de persoonlijke werkelijkheid hebben omschreven, kan ik overgaan tot het derde deel van mijn betoog.
Mijn persoonlijke werkelijkheid bestaat natuurlijk niet alleen uit hetgeen ik uiterlijk erken en doe. Het is mede wat ik denk. Zelfs mijn erkennen van de werkelijkheid zal bepaald en voor een groot deel zelfs geheel beheerst worden door hetgeen ik denk. Ook dus door al hetgeen ik wel denk, maar nimmer doe. En dit is een gevaarlijk punt. Je denkt eraan om je naaste te vermoorden en tekent je met ware, bijna sadistische wellust uit, hoe je een kussen op het gezicht zult drukken, je handen of iets anders als wapen zult gebruiken enzovoort. Men zegt als mens dan al snel: nu ja, dat is maar dromen.
Dat mag wel, want ik zal zoiets heus niet werkelijk doen. Maar dat denkbeeld is wel degelijk deel geworden van uw eigen werkelijkheid. Wanneer dit niet resulteert in een daad, zal dit denkbeeld in u steeds weer blijven bestaan. Wat wil zeggen dat dit denkbeeld op een andere – en door u niet beheersbare wijze – uw reacties op de zogenaamde werkelijkheid gaat beïnvloeden. U wilt bijvoorbeeld iemand afmaken, maar weet ook dat u dit ten onrechte wilt. Dus bent u tegen die ander bijzonder vriendelijk en haalt u zich daarmede waarschijnlijk allerhande verplichtingen en moeilijkheden op de hals die u liever niet zou hebben en u later brengen tot een gedrag dat niet strookt met hetgeen u eigenlijk zou willen zijn. Kunt u zich dit voorstellen? Ja?
Dus, mijne vrienden: wat ik denk, is wel degelijk een deel van mijn persoonlijke werkelijkheid en bepaalt wel degelijk mede mijn reacties op hetgeen ik als werkelijkheid beschouw. Wat ik denk is deel van mijn eigen werkelijkheid. Wat ik bewust denk, zal ik daarom moeten trachten om te zetten in een voor mijn bewustzijn en wezen aanvaardbare daad. Dit is de enige wijze om die denkbeelden in te passen in een werkelijkheid die groeit. Hoe meer ik in mijn persoonlijke werkelijkheid de dromen in de plaats ga stellen van feiten, hoe minder de feiten buiten mij redelijk zullen kunnen worden verwerkt en beseft, en hoe minder ik bewust kan reageren daarop, hoe minder ik dus werkelijke daden zal kunnen stellen.
Misschien meent u nu dat de juiste oplossing dus is: wanneer ik iets denk, doe ik het maar, maar ook dit is weer niet juist. Wanneer ik iets denk, moet ik mij afvragen, in hoeverre vanuit mijzelf en desnoods tenkoste van mij zelf, maar dan ook alleen vanuit mijzelf, ik die gedachte waar kan maken. En wanneer mij blijkt dat ik dit niet kan, moet ik nagaan op welke wijze ik daarop een andere weg kan vinden, een vervanging voor hetgeen ik denk desnoods. Indien ik een voor mij redelijk en emotioneel aanvaardbare vervanging voor de in mij levende gedachte heb gevonden en deze omzet in een daad, zal ik hierdoor als het ware het in mij levende gedachtebeeld ontwaarden. Deze gedachte is nu voor mij een beheerst deel van mijn werkelijkheid geworden en maakt het mij mogelijk ook de wereld buiten mij iets beter te begrijpen en iets beter te hanteren.
Gedachten zijn niet aleen krachten, gedachten zijn in feite daden die nog niet geuit zijn. Daden die nog niet geuit zijn, mijne vrienden, zijn een voortdurende druk op het geheel van uw wezen, en besef. Zij beletten dat in de plaats van deze denkbeelden nieuwe denkbeelden ontstaan, dat nieuwe erkenningen worden bereikt en daarmede nieuwe mogelijkheden geschapen.
En dat was dan deel twee van mijn litanie voor de avond. Maar er is nog een derde deel. De eigen werkelijkheid en de daad staan dus, zoals uit het voorgaande blijkt, in een directe relatie met elkaar. Ik heb een wereld van voorstellingen, maar deze wereld van voorstellingen loopt ergens vast, blijft zichzelf herhalen tot de daad komt. De daad doorbreekt de kringloop van de gedachten, de fixatie, en stelt daarvoor in de plaats een nieuwe mogelijkheid tot erkenning en oriëntatie. Daarvoor is dus noodzakelijk dat de daad bewust en gewild gesteld wordt. Een ongelukje kan uw denkbeelden niet veranderen, een bewust gestelde daad echter wel. Dan is de daad dus voor de mens nog veel belangrijker dan men wel zou menen. Het meditatieve bestaan moge schoon zijn en ons brengen tot denkbeelden van de edelste lichtende of goddelijke waarde die wij óóit maar ergens hebben horen noemen, maar wij zullen deze beelden van Licht en Kracht nimmer echt kunnen beleven, wij zullen er geen werkelijk deel van kunnen zijn en er zal geen nieuw besef door kunnen ontstaan, tenzij wij ook hier kunnen komen tot de het besef weergevende gewilde daad.
Je zou het misschien als volgt kunnen stellen: de daad is in de eigen werkelijkheid gelijktijdig de afloop van een bewustwordingscyclus en een impuls voor een ontstaan van een nieuwe bewustwordingscyclus. Alle realisatie en bewustwording wordt mede bepaald door de daad. Zonder deze is er stilstand. Dus is de eigen werkelijkheid als levende waarde alleen denkbaar krachtens de daad en wel de gewilde en bewust gestelde daad. Indien ik 1000 daden stel die gedirigeerd worden door een hoger wezen – een geestelijke leider, meester, de gemeenschap, een engel Gods, God zelve of iets anders – verandert er voor mijzelf hierdoor betrekkelijk weinig of zelfs geheel niets.
Wanneer ik zelf bewust een daad stel en daarmede de conclusie trek van hetgeen er in mij bestaat – aan denkbeelden en realisaties van mijn persoonlijke werkelijkheid – dan heb ik daarmede een verrijking van mijn eigen wezen tot stand gebracht en is het oude proces hierdoor afgesloten.
Zo hoort het althans te zijn. Maar nu moet ik u waarschuwen. Want in die eigen werkelijkheid kun je vastlopen in de gedachten, maar je kunt ook vastlopen in de daad. Wanneer de daad de uitdrukking, de conclusie is van een bepaald besef in mijzelf, maar ik blijf deze daad herhalen, omdat ik bang ben mijn besef te veranderen, wordt de daad voor mij een voortdurende strijd met de nieuwe waarden die zij in mijn eigen werkelijkheid tot stand bracht. Dan kan de daad dus zonde, nutteloos, disharmonisch zijn. De dief die eenmaal steelt omdat hij voelt dat dit verantwoord is, maar als gevolg daarvan een loopbaan als kastenkraker begint, is waarschijnlijk iemand die elke keer, wanneer hij de eerste daad als het ware herhaalt, alle denkbeelden over het heden en de mogelijkheid dat een andere daad nu juister zou zijn, moet overwinnen. Hij zal in zijn bewustzijn hierdoor eerder geschaad dan geholpen zijn. Hij zal daarnaast door de herhaling van zijn daad niet de mogelijkheid vinden weer nieuwe werelden en mogelijkheden voor zich open te leggen.
De wisselwerking tussen de innerlijke werkelijkheid, de persoonlijke werkelijkheid en de daad, is zodanig groot dat voor een bewust bestaan beide noodzakelijk zijn. Er kan nooit een algemene werkelijkheid bestaan in het kader van een menselijk denken. Er kan dus ook nooit een algemene wet bestaan die geen uitzonderingen kent. Om het heel eenvoudig te zeggen: Wanneer de heer Luns een richtlijn geeft ten aanzien van de houding die de regering, de Kamer en het Nederlandse volk dienen aan te nemen in verband met het gouvernement van de huidige Griekse regering, de toestanden in bijvoorbeeld Portugal of Spanje, is dit zijn volste recht, want hij ziet dit waarschijnlijk zo. Maar zodra hij nu meent dat hij het het beste weet, zodat niemand het anders mag zien of denken, maakt hij een fout. Dan blijft hij immers in een kring ronddraaien. Wanneer hij echter het verzet dat een van zijn verklaringen uitlokt, verwerkt, erover nadenkt en zo opnieuw eigen besef van de werkelijkheid formuleert, zal hij een volgende maal iets stellen dat weinig, maar toch wel iets verschilt van zijn eerste benadering. De kleine verandering in benadering zal dan weer bij anderen een kleine wijziging van reactie doen ontstaan. Al dergelijke kleine veranderingen samen zouden van de heer Luns op aarde misschien eens een H. Jozef in de hemel kunnen maken.
Dit voorbeeld mag voor u humoristisch van aard of zelfs wat belachelijk zijn, maar vergis u daarom niet. Wat ik zeg is namelijk volledig juist. Iemand die een daad stelt, zonder ervan overtuigd te zijn dat deze een weergave is van zijn eigen werkelijkheidsbesef, is een dwaas. Hij komt in moeilijkheden, en zal geen vruchten plukken van de daad die hij stelt. Iemand die de mooiste dingen pleegt te denken, zonder deze ooit metterdaad te beproeven, is een dwaas. Want hij zal nooit weten of de schoonheid die hij meent te herkennen, een illusie is of iets wat ook in zijn persoonlijke werkelijkheid tot een onaantastbaar feit kan worden, iets waarop je verder kunt bomen en waarmede je kunt werken.
Daarom moeten wij stellen – en dit is tevens mijn eindconclusie in deze inleiding: Elke daad van de mens moet voortkomen vanuit het eigen Ik, een uitdrukking zijn van het persoonlijk besef van werkelijkheid en wereld. Zij moet als daad bewust en gewild gesteld worden en hoeft zich daarbij niet te doen limiteren, door algemeen geldend geachte wetten voor stellingen of opvattingen, tenzij deze in het eigen beeld van de werkelijkheid dezelfde rol spelen als daarbuiten wordt gepretendeerd. Zo wordt de bewustwording geboren uit de persoonlijke werkelijkheid en de daad tezamen die elkander stimuleren tot een voortdurend hoger niveau van besef en doel, om op de duur te voeren tot een alomvattend besef dat alle daad in zich omsluit. Zo. Dat was de inleiding. Ik zou zeggen, denk er nu maar goed over na, welke vliegen u mij af wilt vangen en welke stomheden ik volgens u verteld heb, in hoeverre deze stellingen sociaal of anderszins volgens u gevaarlijk zijn, enzovoort.
Deel 2
Ik hoop dat u gezellig gekout hebt in de pauze. Ik hoop ook dat u niet te veel verontwaardiging over mijn inleiding hebt uitgesproken, maar dat u, zo deze bestaat, daaraan nu wel uiting zult willen geven. Ik wil graag beginnen met de schriftelijk gestelde vragen, mits deze niet te persoonlijk van aard zijn.
Vragen
Ondanks het scherpe inzicht dat u mij geeft in het weefsel van de relaties van de enkele mens met zijn werkelijkheid, moet de interrelatie met de medemens die in deze werkelijkheid betrokken geraakt, een gevolg voor beide mensen gemeenschappelijk bestaan. Kunt u dit nog toelichten aan de hand van het voorbeeld dat u reeds stelde? Is de schade die anderen daardoor al dan niet subjectief ervaren niet een negatief karma dat ook op de eerlijke moordenaar terug zal werken, hoe goed hij het ook meende?
Volgens mij niet, maar daarover kan men strijden. Ik zal trachten mijn standpunt duidelijk te maken. In het door mij gestelde voorbeeld, wordt de moord begaan, niet zonder meer met het doel iemand te doden, maar omdat deze daad voor het besef van de doder de enige methode is om het goede te doen voortbestaan of te voorkomen dat het kwade tot stand komt. Hierbij heeft dus degene die de daad stelt, van zich uit positief gehandeld. Voor degene die hierdoor tot een wat plotselinge overgang wordt gedwongen, zal vanuit materieel standpunt het resultaat misschien negatief zijn. De vraag is echter of deze zich van het kwade dat hij schiep, als zodanig voldoende bewust was. Indien hij bewust kwaad heeft gedaan, dan was hijzelf reeds negatief en zal het negatieve einde van zijn leven slechts een verdere bevestiging zijn van zijn persoonlijkheid en streven. Trachtte hij echter positief te zijn, dan heeft dit schijnbaar negatieve einde voor hem toch nog de mogelijkheid een verdere negativiteit ten aanzien van anderen te voorkomen en zo een beter besef ten aanzien van een positief streven te bereiken. Daarbij geldt dat in de geest beter beseft kan worden wat een daad voor anderen feitelijk betekende. Hierdoor zal men ook in staat zijn te beseffen, hoe men in casu een gedood worden mede zelf heeft veroorzaakt en hoe men zich dus anders zal moeten instellen. Wat een verbetering van bewustzijn geeft en daarom mijns inziens als positief kan worden gewaardeerd.
Dan de kwestie van karma. Karma is niet gebaseerd op een herhaling van toestanden of daden, maar op de vorming van de persoonlijkheid, welke bij een volgende incarnatie dus zal reageren met een besef verworven krachtens alle vorige ervaringen. Dit betekent dat een daad die ten goede is gesteld, in een karma nooit een ontkenning van eigen waarde en daarmede een negatief resultaat met zich zal brengen. Maar het besef van de werkelijke betekenis van de daad zal in de geest ook in dit geval ongetwijfeld verkregen zijn. Ik wil hieraan toevoegen dat vanuit mijn besef alle doden verkeerd is. Vanuit mijn besef, vanuit mijn persoonlijke wereld dus. Maar dit hoeft niet zonder meer voor alle anderen waar te zijn.
Zeker is dat de persoon in kwestie dus zal weten, hoe juister gereageerd kan worden, wanneer men vanuit de persoonlijke werkelijkheid opnieuw noodzaken of gevaren ontdekt en dit innerlijk erkende tracht uit te wissen door het om te zetten in een daad. Hierbij zou dus voor doder en gedode gesproken kunnen worden van een positieve progressie van bewustzijn, tenzij degene die het kwade deed, dit gewild, bewust en met besef van het kwade als zodanig heeft gedaan.
Is het mogelijk voor een enigszins bewust mens zich niet te realiseren dat elk van zijn goede daden ook toch ergens kwaad veroorzaakt, zodat er een terugslag moet komen? En punt twee: er moet toch een wisselwerking tussen twee mensen zijn? Er zijn toch geen twee aparte persoonlijke werelden?
Dat had ik wel gedacht. In de eerste plaats wil ik dan graag opmerken dat de meeste mensen in deze wereld die zichzelf wijs en goed achten, niet beseffen dat hun wijsheid voor anderen eigenwijsheid kan lijken, dat hun goedheid voor anderen ten hoogste goedwillendheid betekent en dat de resultaten van hun goedheid voor de rest in de ogen van deze anderen zelfs negatief zou kunnen zijn. De mens is bewust of onbewust meestal blind voor de keerzijde van de medaille, wanneer hijzelf een kant van zijn medaille eenmaal als de beste heeft uitverkoren.
Punt twee: de interrelatie – ik vind dit een echt Tweede Kamer woord. Ik kan mij voorstellen dat iemand van die stiel niet eenvoudig zegt: “Kom vrouw, wij gaan eens bij Fien en Jan op bezoek”, maar: “Wij zullen de interrelatie met onze verbondenen weer eens opnemen”. Maar dat heeft met de vraag niets te maken. Twee mensen hebben ieder een eigen wereld, een eigen werkelijkheid. Een deel daarvan kunnen zij uiterlijk gemeen hebben of misschien zelfs innerlijk. Maar hoe groot dat de link is, kan niemand zeggen, zelfs zijzelf niet. Daarom zal eenieder uit moeten gaan van het standpunt, dat zijn eigen wereld en eigen waarderingen niet gelijk zullen zijn aan die van anderen, zelfs indien die anderen degenen zijn, met wie hij het meest verbonden is. Dit is de enige mogelijkheid om de relatie met anderen te waarderen. Je kunt immers nooit geheel weten wat een ander in feite bijvoorbeeld bedoelt. Het is een man die de vraag stelt, dus neem ik het volgende voorbeeld. Uw vrouw zal wel eens zeggen: “Schatje, zouden wij niet…”, maar zij bedoelt dan eigenlijk: “Stommeling, begrijp je niet…”. U voelt in de formulering van uw vrouw waarschijnlijk een bevestiging van uw meerwaardigheid, terwijl uw vrouw daarin eerder een bevestiging van haar diplomatieke gaven ziet.
Het is maar een grappig voorbeeldje, maar het zal u toch duidelijk kunnen maken, hoe zelfs in de kleinste nuances de waarderingen en belevingen reeds kunnen verschillen. Ik geloof dan ook dat u, zelfs al zou u dit willen, niet in staat zult zijn precies te begrijpen, hoe een ander u beschouwt. Wel kunt u weten, hoe u een ander beschouwt. Er zullen delen van uw bestaan zijn waarin oordeel en besef tussen u en een ander praktisch gelijk lopen. Maar zelfs dan hoeven wij nog niet van eenzelfde of vermeende wereld te spreken, maar kunnen wij beter spreken van een gedeeltelijk parallelle wereld, daar de motiveringen en gedachten die met de schijnbaar gelijke beoordeling enzovoort verbonden zijn, toch wel geheel verschillend kunnen en zullen zijn. Het spijt mij dat ik hiermede het geliefde beeld van een algehele geestelijk, mentale en verdere versmeltingsmogelijkheid tussen mensen schaadt, maar ik geloof dat wij de werkelijkheid onder ogen moeten zien. En deze is dat wij een ander eerst werkelijk kunnen begrijpen wanneer wij geheel afstand leren doen van onszelf, maar dan ook volledig.
Wij zouden dan afstand moeten nemen van elk eigen oordeel, ja, van elk eigen denken zelfs. En dit lijkt mij iets wat men als mens praktisch nooit op zal kunnen brengen. Laat ons dus aannemen dat de interrelatie tussen mensen een kwestie zal zijn van verschijnselen die gelijkelijk of ongeveer gelijkelijk worden ervaren, maar die zelfs dan nog niet gelijkelijk geïnterpreteerd hoeven te worden binnen de persoonlijke werkelijkheid. In de persoonlijke werkelijkheid is uw beeld van interrelatie dus nogal onwaarschijnlijk. Willen wij toch de relaties tussen wezens bezien, dan kunnen wij dit alleen doen vanuit een kosmisch verband waarin de relatie dus wel bestaat, maar waarschijnlijk een vorm heeft die door geen van de delen van de relatie in menselijke gestalte ooit geheel beseft kan worden, want een beseffen hiervan vanuit een persoonlijke werkelijkheid is niet denkbaar.
De kosmische relatie kan eerst beseft worden, wanneer de begrenzingen van een persoonlijke werkelijkheid doorbroken worden, zodat in de plaats daarvan een erkenning van een objectieve werkelijkheid tot stand komt.
U zegt dat dit voor mensen praktisch onmogelijk te bereiken is?
Inderdaad, maar ik sprak daarbij van mensen, de menselijke vorm en het daarmede verbonden bewustzijn.
Hoe zit het dan met “bemin uw naaste gelijk uzelf”? Dat is dan een utopie?
Dat is geen utopie, omdat een mens wel weet hoezeer hij zichzelf liefheeft en op grond daarvan wel kan bepalen hoe hij zijn naaste lief zou moeten hebben. Hij kan die ander op deze wijze zelfs werkelijk liefhebben. Hij kan die ander echter nooit liefhebben, zoals deze ander verdient bemind te worden of zoals de ander begeert bemind te worden, ja, zelfs niet zoals hij kosmisch deze ander zou moeten beminnen. Hij kan die ander slechts liefhebben gelijk zichzelf. Daardoor is deze stelling absoluut niet utopisch, zelfs al geef ik toe dat de vervulling van dit gebod en de gedachte dat de mens eens de verwezenlijking hiervan geheel zou bereiken, ook als utopisch aandoet. Kortom, je naaste liefhebben gelijk jezelf is wel degelijk mogelijk. Je naaste liefhebben als je naaste is echter praktisch onmogelijk, indien men daarbij uit wil gaan van de eigen waarde van die naaste.
Wanneer ik naar een daad verlang, maar eerst ga nadenken over de ander en besef dat hij zo en zo is, valt het verlangen naar de daad vaak weg. …….
Mooi geredeneerd. Maar u vergeet één ding: u gaat na wat de ander volgens u is, en wat volgens u de motieven zouden zijn. Met enige ervaring van de ander kunt u waarschijnlijk wel betrekkelijk dicht bij de werkelijke motieven enzovoort komen, maar u kunt er nooit zeker van zijn dat hetgeen u als motief beschouwt, het werkelijke motief zal zijn. U had het hier over de daad van vernietiging. Vergeet daarbij niet dat ik in het voorbeeld uitdrukkelijk stelde dat voor de moordenaar de enige oplossing was waardoor een totaal, dat door hem als kwaad werd erkend, kon worden uitgewist. Dat zou het volgende kunnen betekenen: – indien de anderen zich hiervoor voldoende interesseren tenminste? Ja? – dan kan men bijvoorbeeld zeggen: ik kan Mengele eigenlijk best begrijpen. Mengele was een dokter. Hij zocht naar de mogelijkheid om een beter mensenras voort te brengen. De pogingen daartoe die hij heeft gedaan, waren natuurlijk wreed, erger dan vivisectie op mensen. Maar mogelijk bedoelde hij het niet kwaad. Hij had voor het nageslacht toch wel iets goeds in de zin. U zou nu kunnen redeneren: wij moeten begrijpen dat de man het goed meende, al had hij dan volgens ons een onjuiste weg gekozen. De wereld zou daarvoor begrip moeten tonen.
Je zou echter ook kunnen redeneren: iemand die ertoe komt experimenten uit te halen van de soort die Mengele heeft uitgehaald op weerloze mensen, iemand die er niets in ziet, en medemensen desnoods engros en zonder verdere aanwijsbare reden ter dood te veroordelen, is een voortdurend gevaar, door zijn mentaliteit alleen reeds, voor de mensheid. Bovendien is het feit dat hij dit alles ongestraft heeft kunnen doen, mogelijk een stimulans voor anderen die een soortgelijke instelling hebben of kunnen ontwikkelen. Daarom is het beter dat deze man sterft. U noemt dit laatste logisch. Ik nam opzettelijk als voorbeeld Mengele die dezer dagen wel weer eens in het nieuws zal komen. Hij is een extreem voorbeeld. U kunt hier vooral de tweede redenering allen wel begrijpen, maar wanneer ik van dit standpunt uitga, is het toch niet de enige maatstaf of iemand nu 100.000, 10.000, 100 of 10 mensen ‘ten verderve’ dreigt te voeren? Als u hierbij uw rechtvaardiging alleen op grond van kwantiteit zoekt, meen ik dat u een fout maakt, wanneer in mijn persoonlijke werkelijkheid, dus vanuit mijn persoonlijk ervaren, de enige weg om iemand te beletten anderen te doden, gek te maken of op andere wijze te misbruiken, is die mens te doden, als u meent dat dit niet mag geschieden, omdat het kwaad nog geen omvang genoeg heeft aangenomen. Wanneer ik zie dat een enkele mens een enkele mens ten verderve dreigt te voeren, sta ik in mijn persoonlijke wereld tegenover die ander even zo, als u tegenover Mengele in het gegeven voorbeeld. De daad, het doden, is dan vanuit het Ik gezien mogelijk goed en onontkoombaar, ja, positief te waarderen.
Laat ons nu een ander voorbeeld van veel lagere orde van emotie nemen. U komt erachter dat iemand bij de politie veel hoge bekeuringen uitdeelt en daarbij eigenlijk rekent op een kleine afkoopsom om ze ongedaan te maken. Dit is een voorbeeld uit de aard der zaak, geen stellen van een feit. Maar het is denkbaar. Nu bent u reeds twee of meer malen het slachtoffer geworden van deze persoon en voelt dat hier een soort massale afpersing plaatsvindt. Nu kunt u natuurlijk redeneren dat die man ook graag zijn vrouw een wasmachine voor haar verjaardag wil geven en daarom bij gebrek aan inkomen op deze wijze tracht voor dit doel iets bij te verdienen… Daarom aanvaardt u het persoonlijke nadeel. U kunt echter ook redeneren: Hier ben ik het slachtoffer geworden, maar honderden anderen kunnen hiervan eveneens het slachtoffer worden, met alle gevolgen van dien ten aanzien van de relatie tussen gezag en mens. Het is dus beter te zorgen dat bij een volgende bekeuring en de afkoop daarvan, getuigen aanwezig zijn, zodat die man betrapt wordt – zelfs al betekent dit voor hem dat hij zijn baan verliest en voor zijn gezin dat het een heel moeilijke tijd wordt.
Maar je stelt een daad die je niet meer ongedaan kunt maken. Je moet dan toch heel goed weten wat je eigen werkelijkheid is. Want morgen is die werkelijkheid misschien weer anders.
Goed, je handelt volgens beste weten. Nu komt u tot de conclusie dat u de agent toch onrecht hebt gedaan of dat u anders beter zou hebben gehandeld. Zorg dan dat de man een baan krijgt, tracht aan de familie het leed goed te maken. Dat is uw zaak. Maar wanneer u een onrecht laat bestaan, alleen maar omdat morgen de zaken er waarschijnlijk weer anders uit zullen zien, zal de zaak voor u – en anderen – er morgen waarschijnlijk nog veel slechter uit zien. U zult het onrecht – u aangedaan of aanschouwd bij anderen – immers niet zonder meer kunnen vergeten alsof het niet bestond? U zult daarvan niet af kunnen komen, voor u een daad hebt gesteld. Dat is juist de zaak. U kunt iets wel met woorden wegredeneren, maar uw gevoel kunt u niet veranderen! En daar zit nu juist het haakje. Ik heb getracht u duidelijk te maken dat besef, eigen werkelijkheid en de daad onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, omdat een besef enkel werkelijk kan veranderen, wanneer er een daad is. Ik heb daarbij de nadruk gelegd op het feit dat deze daad geen toevallige mag zijn, maar wel degelijk overlegd, bewust en gewild gesteld moet worden.
Iemand zei: Ik heb vrede met mijn onvrede. Hij nam de dingen dus zoals zij gepresenteerd werden in het leven…….
Iemand die voortdurend in onvrede leeft met de wereld, omdat hij de feiten, zoals zij eenmaal bestaan, niet wil aanvaarden, is in feite iemand die in onvrede leeft met zichzelf. Want het is in de eerste plaats zijn persoonlijke werkelijkheid waarmede hij in onvrede leeft – niet alleen de feiten, maar vooral zijn eigen interpretatie daarvan. Men kan vrede hebben met het feit dat men geen vrede met zichzelf en eigen werkelijkheid kan vinden, maar dit betekent ook dat men nimmer gelukkig zal zijn met hetgeen bestaat. Die mens kan dus als volgt redeneren – dit is iets wat gevoelsmatig in de persoonlijke werkelijkheid kan bestaan -: wanneer ikzelf het slachtoffer word van de wereld is dat niet zo erg, want ik kan daar wel tegen. Wat overigens eerder een vorm van zelfverheffing is dan van nederigheid. Maar ik kan niet toelaten dat anderen het slachtoffer worden. Dan heeft zo iemand in een persoonlijk besef een verantwoordelijkheid tegenover al hetgeen binnen de persoonlijke werkelijkheid wordt beseft. Dan zal hij proberen te voorkomen dat het besef van het kwade eigen beeld van de werkelijkheid zal gaan overheersen.
Zou men dit karmisch bezien, dan blijft alles nog steeds gelijk, daar, zoal ik reeds zei, karma niet een eenvoudige werking van oorzaak en gevolg is die in feiten tot uiting komt, maar een kwestie van: oorzaak schept bewustzijn, bewustzijn veroorzaakt gevolgen. Juist omdat besef hier als tussentrap dient, kunnen wij nooit aannemen dat het karma vanuit zichzelf een gewenste balans uiteindelijk wel zal geven. Dat karma brengt een balans voor onszelf, wanneer wij er maar niet op vertrouwen dat het karma of noodlot alles wel op zal knappen, maar wijzelf trachten reeds alles op te knappen wat nodig is. Hierdoor zullen wij de vorming krijgen waaruit door eigen bewustzijn, eventueel in een andere sfeer of wereld, de nodige compensaties zelf gevonden kunnen worden.
Maar is er geen regel die zegt dat alles wat je veroordeelt, leeft in jezelf?
Dat ben ik volledig met u eens. Hoe zou je anders kunnen weten hoe gemeen een ander is? Maar dit is een geheel ander hoofdstuk. Ik stelde reeds dat de wereld, zoals u deze ziet, alleen een persoonlijke werkelijkheid is. Zij gaat dus uit van u en uw besef. Hoe kunt u dan iets kwaads in die wereld zien wat ook niet in u bestaat? Het jammerlijke is alleen maar dat zeer veel mensen heel veel verkeerds constateren in die wereld vanuit hun persoonlijke werkelijkheid, maar gelijktijdig geheel blind blijven voor het feit dat zij dit dus ook in zich moeten dragen als mogelijkheid, daar het anders niet zo door hen beseft zou kunnen worden. Want deze mensen zouden het gewortelde in vele gevallen bij de wortel kunnen bestrijden door in zichzelf en vanuit zichzelf een andere waardering en daad hiervoor te vinden, zo vanuit hun persoonlijke werkelijkheid komende tot een andere plaatsing van het gebeuren in de wereld en een andere relatie vanuit zich met het gebeuren in de wereld. Degene die iets in de wereld als kwaad veroordeelt, draagt over het algemeen dit reeds in zichzelf als een begeren of een angst, zonder echter voor zich de moed of mogelijkheid te vinden, om dit vanuit zich metterdaad tot uiting te brengen. Volgens mij is dit de meest juiste verklaring. Bedenk hierbij verder wat ik zo-even reeds over ‘juistheid’ in dit verband heb gezegd.
Maar er zijn toch dingen die meer tellen dan de mens?
Eenieder die verder wil komen, zal allereerst moeten leren dat mensen altijd nog belangrijker zijn dan abstracties.
Maar bij de strategie bijvoorbeeld zien wij steeds weer, hoe het leger – een grote verzameling mensen dus – in het gedrang komt?
Op het ogenblik dat een theorie gaat domineren boven de menselijke waarden en waardigheden, ontstaan onmenselijke toestanden. Degene die dit doet, is bijvoorbeeld een Mengele. Stel ik mijn voorbeeld in deze vorm, dan is eenieder het met mij eens, maar gelijktijdig vindt men het gekozen voorbeeld te extreem. Laat mij dan een ander voorbeeld geven: Degene die abstract meent te kunnen berekenen wat de meest juiste woonsituatie is voor de mensen, maar geen rekening houdt met de tolerantiemogelijkheden en persoonlijke wensen van de mensen – en daardoor steeds grotere aantallen mensen tot zenuwzieke wrakken maakt, doet in wezen precies hetzelfde. Ook dezen zullen moeten leren dat zij vanuit hun standpunt nimmer zullen mogen werken enkel aan een niet-menselijk doel of volgens abstracte stellingen, maar dat zij uit zullen moeten gaan van de eigen werkelijkheid en zo zullen moeten vragen: wat vind ik voor mijzelf aanvaardbaar in deze? Eerst wanneer men zelf de situatie kan aanvaarden, ook in de praktijk, mag men aannemen dat deze voor anderen ook aanvaardbaar kan zijn. Men zal nooit mogen redeneren: ik woon natuurlijk in een villa, maar voor anderen zijn kleinere kamers, met minder geluidsisolatie voldoende, want die dingen kun je goedkoper bouwen.
Maar nu wil ik mijn bijdrage gaan beëindigen. Laat mij dan opmerken dat alleen de met wil en bewustzijn gestelde daad in de ontwikkeling van het Ik ware betekenis heeft. Alle andere daden kunnen vanuit het standpunt van de bewustwording als niet-betekenend, ja, niet-gesteld, beschouwd worden. Zij zijn niet noodzakelijk en in wezen meestal zelfs overbodig.
Ik heb deze avond getracht u iets duidelijk te maken omtrent de persoonlijke werkelijkheid en de daad. Uit uw vragen is mij opgevallen dat de onontkoombaarheid van de daad, de noodzaak tot de daad vanuit de werkelijkheid van het Ik, de meesten van u schijnt te ontgaan. U vindt het een hard beeld dat ik u schetste, een moeilijk beeld. Toch leeft u precies, zoals ik u dit geschetst heb. Alleen praat u het voor uzelf steeds weer weg.
U beroept zich op hogere belangen of desnoods de wil Gods. Ofschoon de meeste mensen nog niet eens zover zijn dat zij kunnen beseffen wat het wezen en willen van God kan zijn. Laat staan dat zij kunnen weten wat de wil van God juist voor hen of voor u betekenen kan. U versluiert de werkelijke relaties in uw wereld maar al te vaak met dergelijke redeneringen enzovoort. Niemand zal u dit kwalijk nemen. U bent mens en daarom geneigd uzelf wat voor de gek te houden. Zij die anderen plegen te bedriegen, bedriegen zichzelf veelal nog veel meer. Juist de mens met veel pretenties zal het niet aangenaam vinden te moeten horen dat de enige daad van betekenis die hij stellen kan, de bewuste en gewilde daad vanuit het eigen Ik is. Het is eenvoudiger gezagswaarden te aanvaarden die buiten dit Ik steeds weer in ruime mate worden gecreëerd en te zeggen: Ik heb gedaan wat men mij zei te doen, dus ben ik een goed mens. Dit is gemakkelijker en helpt in schijn om aan persoonlijke aansprakelijkheid te ontkomen, maar dan blijft u doordraaien in een klein kringetje waarbij uw denkwereld te sterk blijft verschillen van de werkelijkheid die u kent, zodat van bewustwording vaak geheel geen sprake meer zal zijn. Leef uw eigen werkelijkheid. Zie wetten als aanwijzingen die een gemeenschappelijk bestaan met anderen mogelijk maken, niet als aanwijzing of begrenzing van eigen aansprakelijkheid. Dan zult u zeker vruchten plukken van uw erkenning.
