De mens en zijn geweten

image_pdf

21 juni 1968

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn.

“De mens en zijn geweten”: Dit onderwerp is actueel, al zullen niet allen dit onmiddellijk begrijpen of willen onderschrijven. De mens heeft iets wat hij een geweten noemt. Dit betekent dat hij een bepaald gedragspatroon als juist erkent en bij een afwijking van dit gedragspatroon geneigd is zichzelf schuldig te voelen. Dit geweten kan van zeer persoonlijke aard zijn, het kan een sociale achtergrond als basis hebben of op grond van een geloof gevormd zijn. In alle gevallen is hierbij sprake van een fixatie van waarderingen en een krachtens deze fixatie van waarden, een beoordelen van de wereld buiten het ik, terwijl de mens op grond van deze waarden voor zich de verhouding tot een taak in die wereld zal omschrijven.

Nu spreekt het geweten van de mens op de meest vreemde wijzen. Ik zou u vele voorbeelden kunnen geven van een vreemd functioneren van dit ‘geweten’, daar men hierbij bewust of onbewust eigen belangen beschouwt als een reden om de innerlijk als juist erkende houding en leefwijze aan te passen of te veranderen.

In de USA doet op het ogenblik de stelling opgang, dat vuurwapens in de handen van burgers, zonder dat hierop een voldoende controle mogelijk is, moord en doodslag in de hand werken. Iemand die eerlijk nadenkt, zal moeten toegeven dat hierin een grote waarheid schuilt. Het is namelijk heel iets anders om iemand neer te schieten dan iemand neer te slaan of te steken. Het persoonlijk contact, de persoonlijke relatie tot geweld, wordt juist bij het gebruik van een vuurwapen geheel vermeden, terwijl in de plaats van een eerlijk afmeten van eigen vermogens en krachten, een vals gevoel van macht komt. Juist hierdoor zal de gevoelsverhouding bij geweld middels vuurwapens meer abstract, meer onpersoonlijk blijven en voeren tot een terzijde stellen van de werkelijke aspecten van het geweld, namelijk het meten van eigen kracht met die van anderen.

Nu zijn er in dit land mensen die wel degelijk erkennen dat moord en doodslag uit den boze zijn. Zij hebben echter belang bij het vrijelijk ter beschikking blijven van vuurwapens, zodat zij aanvoeren dat vuurwapens maar één der vele soorten wapens zijn, die daarbij gebruikt kunnen worden. Men zou volgens deze groep alle voorwerpen, die als wapen zouden kunnen dienen dan eveneens moeten verbieden. Waarbij men speculeert op het feit, dat dit onmogelijk is. Alle argumenten, waarbij gesteld wordt dat het vuurwapen meer dan de andere wapens gevaarlijk is, omdat het een doden van afstand en zonder persoonlijk contact mogelijk maakt, verwerpt men dan.

De kern van de zaak is hierbij: men weet dat vuurwapens gevaarlijk zijn. Eigenbelang echter eist dat deze wapens ook verder zo veelvuldig en vrijelijk mogelijk kunnen worden gehanteerd door eenieder. Erkennen dat men hiermee een groot risico loopt, is onaanvaardbaar voor het geweten, dus begint men met een reeks redeneringen, waarbij mooie begrippen als burgerlijke rechten en vrijheid worden geciteerd, om het wenselijke nu ook voor het geweten aanvaardbaar te maken. De redeneringen komen neer op een: natuurlijk is er schuld, maar deze ligt niet bij ons en staat niet in verband met hetgeen wij belangrijk vinden en willen, (het vrijelijk verkopen en verhandelen, gebruiken van vuurwapens door eenieder) maar ligt bij degenen die een verkeerde mentaliteit aanmoedigen en doen ontstaan, waardoor mensen deze wapens verkeerd kunnen gaan gebruiken.

U zult menen dat dit een voorbeeld is van een verdwazing, die op de menselijke wereld maar heel weinig zal voorkomen. Laat ons dan eens naar uw eigen land gaan kijken. Er zijn hier bepaalde groepen, die zich beroepen op God of op een sociaal geweten en op grond daarvan verklaren dat men in een bepaalde richting moet leven en streven. Ik ben mij ervan bewust dat dit zeer vaag klinkt, maar de politici zijn dit zelf ook steeds weer, zodat het in dit verband niet al te veel op zou mogen vallen. Bij al deze vaagheid valt echter één ding steeds weer op: gemaakte fouten worden steeds weer ontkend en verzwegen. Men erkent ze geheel niet of stelt dat het toegeven van een gemaakte fout zodanig groot is, dat het beter is eenvoudig voort te gaan alsof alles geheel in orde zou zijn. Door dit laatste argument vooral, anders komen er mogelijk nog onaanvaardbaardere gevolgen. Zo kan men de gewetensvraag: “moeten wij niet eerlijk zijn?” uit de weg gaan. Voorbeelden van een dergelijke reactie kunt u zien onder meer bij de houding van Nederland tegen Biafra of, indien u een meer direct voorbeeld wenst, de verhouding Nederland – Nieuw-Guinea.

Nederland heeft wapens geleverd, waardoor mensen, die toch hun eigen rechten probeerden te verdedigen, in een deel van Nigeria in een noodsituatie kwamen te verkeren. Gezien dit feit plus de houding van Nederland in de buitenlandse politiek kan men mijns inziens dus wel degelijk stellen dat Nederland medeaansprakelijk kan worden geacht voor de hongersnood die nu bestaat. Nederland voelt er echter niets voor, aan deze mede door Nederlandse schuld ontstane noodsituatie, op te lossen, althans niet officieel. Men redeneert eenvoudig dat de consequenties daarvan te groot zouden zijn. Nederland heeft bij het leveren van wapens eenvoudig handel gedreven. Handeldrijven is goed. Dat anderen van het geleverde product een verkeerd gebruik maken, is eigenlijk onze zaak niet. Waarmee het geweten voldoende gesust is om te stellen: Jullie verhongeren wel in Biafra en wij vinden dit zeer onaangenaam voor jullie. Wij hebben werkelijk medelijden met jullie, maar verder kunnen wij daar niets aan doen. Zelfs niet onze overbodige melkpoeder, onze ranzig wordende boter en dergelijke, afleveren middels onze vliegtuigen.

In de kwestie West Irian (Nieuw-Guinea) komt naar voren dat men een plechtige belofte, wanneer men die eenmaal gegeven heeft, ook dient te houden. Men heeft beloofd dat dit land een mogelijkheid zou krijgen zich voor zelfbeschikking uit te spreken. Maar op het ogenblik is men volkomen bereid alle maatregelen te aanvaarden waarbij een slechts schijnbare vervulling van deze belofte enigszins kenbaar wordt (men wil zijn eer niet verliezen), maar is volkomen ermee tevreden, wanneer de ‘vrije verkiezingen’ allesbehalve juist dit zijn. Ook de kwestie Ambon heeft vele beelden te zien gegeven van een geweten dat op eenvoudige wijze gesust kon worden door te wijzen op onaanvaardbare consequenties. Over deze dingen spreekt men maar liever geheel niet meer. Men schiet tekort. Men weet dat men tekortschiet, maar men redeneert eenvoudig: het is beter dat deze mensen, die nu reeds aan een dergelijke situatie gewend zijn, niet krijgen wat wij hen plechtig hebben beloofd te zullen geven, dan dat wij zelf in moeilijkheden zouden komen.

Het doet mij denken aan de ongetwijfeld voor een staatsman passende uitspraak: “Ik heb geen schuld aan het bloed van deze mens”, terwijl dezelfde Pilatus ondertussen dan toch maar de opdracht geeft deze mens te doen kruisigen. Het is gelijkwaardig aan de redeneringen van de leden van het Sanhedrin, wanneer zij het met de hogepriester eens zijn, dat het beter is dat één mens sterft, dan dat een volk ten gronde gaat. Hier echter klinkt het eerder naar een: beter dat volkeren van primitieven ten onder gaan, dan dat wij, hoog beschaafde en ethisch verantwoord levende mensen, enig ongemak zouden kunnen ondervinden.

Ofschoon het geweten steeds weer wordt voorgesteld als ‘de stem van God in ons’, ziet het er dus wel naar uit dat de mens onder vele omstandigheden, vooral wanneer hijzelf bij de zaak betrokken is, met zijn geweten wel een compromis weet te sluiten. Nu is dit een tijd, waarin men het sluiten van compromissen op elk terrein als verstandig pleegt te beschouwen. Misschien komt het wel hierdoor dat men niet beseft hoe vaak men met zichzelf een compromis sluit. Waarover gaat het echter? Ofwel dat hetgeen, wat ik steeds weer verkondig, waarin ik zeg te geloven, wat ik zeg als basis in het leven pleeg te zien niet juist is, maar dan moet ik mijn benadering van de wereld ook in mijn uitingen en beoordeling van anderen wijzigen; ofwel hetgeen ik stel, is wel juist, maar dan mag ik er ook geen loopje mee nemen en dien ik volgens de erkende waarheden te leven.

Je kunt geen twee dingen tegelijk hebben. Toch meet de mens van heden voortdurend met twee standaarden. Je kunt overal voorbeelden zien hiervan. Kijk eens naar uw buren in België. Men is daar niet bereid de eenheid van de staat en daarmede de nu bereikte machtsposities ten gronde te laten gaan. Maar aan de andere kant moet men wel toegeven dat de strijdende partijen daar beiden recht van spreken hebben. Daarom is men bereid een partiële onafhankelijkheid van de deelgebieden na te streven, mits men de algehele eenheid maar kan handhaven. Dit laatste betekent natuurlijk: mits de gezaghebbers onverkort hun macht kunnen handhaven. Van geweten blijkt geheel geen sprake te zijn, evenmin van eerlijkheid. Er is alleen eigenbelang, vermomd achter mooie woorden en ideële stellingen.

Kijk bijvoorbeeld naar de Gaulle: Een groot staatsman is hij zeker. Maar hij draait als een haantje op de toren om, zodra zijn macht in het geding komt. Het ene ogenblik zegt hij eerlijk ervan overtuigd te zijn dat alleen zijn regering voor eenieder de juiste besluiten kan nemen, het volgende ogenblik blijkt hij echter bereid eenieder enige zeggenschap te beloven, mits men hem maar aan de macht laat. Toch blijkt uit zijn vorige toespraken dat hij zoiets schadelijk acht voor land en mensen. Heeft hij eens gelogen? Liegt hij nu? Offert hij misschien alles op aan zijn positie “omdat het anders nog erger wordt”? Het lijkt mij niet aannemelijk dat een man als de Gaulle opeens, binnen enkele dagen, zijn inzichten geheel verandert. Ergens liegt hij of heeft hij gelogen tegen het volk. Maar misschien is dit voor een politicus geen gewetenskwestie meer, maar een beroepsdeformatie.

Hoe wij ook over de inhoud van een geweten denken en hoe persoonlijk de als geweten geldende leefpatronen misschien ook mogen zijn, één ding is zeker: een mens heeft het recht te leven zoals hij voelt, en meent dat het goed is te leven. Men heeft mijns inziens niet het recht anderen zijn inzichten en leefpatroon zonder meer op te dringen. Maar zelfs dit kan nog een punt van geloof, van geweten zijn. Zeker is echter wel dat niemand ooit het recht kan hebben van anderen een leven volgens het leefpatroon en geweten van eigen wezen te verlangen en gelijktijdig met advocatensmoesjes het zich houden aan de waarden en wetten van dit leefpatroon voor het ik zelf als niet noodzakelijk te verklaren.

Zo gezien is er in ieder geval in deze wereld een gebrek aan rechtlijnigheid. Overal weer zien wij juist dit gebrek aan eerlijkheid tegenover eigen Ik en eigen geweten. Wanneer ik bijvoorbeeld denk aan de geestelijkheid van bepaalde Zuid-Amerikaanse staten, valt mij op dat dezen er aan de ene kant van overtuigd zeggen te zijn dat men de armen moet helpen, maar aan de andere kant redeneren dat men dit alleen zal kunnen doen door de nu heersende klasse, die voor deze armoede en de vele misstanden verantwoordelijk is, te blijven steunen, daar de kerk hieraan immers de kapitalen kan ontlenen, die men in de kerk toch van node heeft. Daar is ergens iets mis. En wanneer u in Nederland aan de ene kant steeds weer verklaart dat het belangrijk is dat elke mens in vrijheid kan leven en het volgende ogenblik begint te schelden op homofielen of het leven op eigen wijze van bijvoorbeeld Zuid-Afrikanen veroordeelt, dan klopt er ook iets niet.

Wanneer u, op grond van uw geweten meent dat een bepaalde toestand (als bijvoorbeeld in Zuid-Afrika) verkeerd is, moogt u zelf niet op soortgelijke wijze handelen. Discriminatie tegen groepen en rassen op grond van geloof en huidskleur voordeelt men in uw land ten zeerste. Dit is immers strijdig met ons geweten als ‘christelijke in sociaalbewuste natie’. Maar gelijktijdig schept u onder het mom van een goedwillende dulding, een ontwaarding van de menselijke rechten en persoonlijke waardigheid tegen bepaalde delen van uw eigen bevolking. En denk nu niet dat dit alleen bijvoorbeeld de gastarbeiders of Surinamers betreft. In bepaalde delen van uw land geldt deze schijnbaar ruime dulding zelfs bepaalde geloofsgroepen. Jehova’s getuigen bijvoorbeeld zijn ‘niet helemaal normaal’. Die mensen moet je maar niet ernstig nemen. Wat dwaas is. Want indien ik aanneem dat elke mens het recht heeft volgens eigen geloof en geweten te leven, dan moet ook worden aangenomen dat men geen recht heeft, op grond van deze waarden, een ander te beoordelen of zelfs te veroordelen.

De maatstaf die je in deze wereld aan de mens moet aanleggen, is niet de redelijkheid of het succes van die mens, maar de eerlijkheid van een mens in zijn beleving van eigen geweten en geloof. Maar hoe zou men daartoe kunnen komen, wanneer ook de eigen eerlijkheid middels compromissen voortdurend in het gedrang komt? Daarom stel ik dat de doorsnee mens steeds weer leeft in strijd met geloof en geweten. Maar er is niets wat men zo snel en zo goed weet te sussen als juist dit eigen geweten? Ik zou zeggen dat dit wel de best geslaagde sus-actie van alle eeuwen is.

U zou echter terecht kunnen opmerken dat ik tekortschiet wanneer ik dit alles alleen maar op het sociale en politieke vlak zoek, al is dit illustratief voor hetgeen ik duidelijk wil maken. Want de mens is meer dan stof alleen. De mens is ook geest. Hoe men die geest wil zien, is niet zo belangrijk, zolang men toegeeft dat wij als mensen in onszelf een wereld dragen. Dit is een wereld, waarin dromen een rol spelen, waarin wij verwachtingen koesteren en ons vervullingen uitdenken. Kort en goed, een wereld waaraan wij zelf geheel vorm kunnen geven. Maar men moet wel beseffen dat men bepaalde dingen niet in die innerlijke wereld kan goedkeuren en gelijktijdig dezelfde waarden, zodra zij in de wereld buiten het Ik kenbaar worden (voornamelijk bij anderen) afkeuren. De mens die in zichzelf droomt van geweld, ook al zal hij in de praktijk om verschillende redenen daaraan niet toekomen, heeft geen recht het geweld dat anderen gebruiken, zonder meer af te keuren. Op grond hiervan moeten wij het voorgaande enigszins uitbreiden en stellen: het geweten omvat niet slechts de daad, maar ook de gedachtewereld. De gedachtewereld is evenzeer beslissend voor de werkelijke waarde van het Ik, de geestelijke bewustwording van het Ik en de eerlijkheid van dit Ik, als de praktijk.

Men kan nog verder gaan en de vraag stellen of er in de mens bovennatuurlijke waarden bestaan. Vanuit menselijk standpunt zal men dit ongetwijfeld bevestigend kunnen beantwoorden. Deze waarden vormen een deel van het ego, zij oefenen invloed uit op het Ik, daarom zal men nimmer kunnen stellen dat een geweten alleen aan de hand van buiten dit Ik bestaande regels en gebruiken kan worden gevormd of bepaald. Er bestaat geen mogelijkheid om een geweten te vormen alleen aan de hand van hetgeen bijvoorbeeld de maatschappij stelt en tot stand brengt. Een geweten is en blijft altijd een zuiver persoonlijke zaak. De conclusie is duidelijk: op grond van het geweten enzovoorts bestaat er geen enkele mogelijkheid een algemeen en voor eenieder geldende regel voor wat dan ook te creëren. Je kunt geen algemene regels voor een werkelijk humaan en sociaal gedrag stellen op grond van het geweten. Want bij elke mens zullen deze waarden en de mogelijkheden anders liggen. Je kunt geen algemene regels stellen aan de hand waarvan de werkelijke godsdienstige of mystieke beleving van een mens getoetst wordt, want elke mens beleeft dergelijke dingen afzonderlijk en op zijn eigen wijze.

Men weet dit, weet het zelfs maar al te goed. Wanneer wij zien naar de wijze, waarop mensen hun geweten weten te verkrachten en zich gelijktijdig een schijngeweten zich aan weten te schaffen dat voortdurend wordt gehuldigd als enige waarheid en gelijktijdig steeds weer wordt verloochend, hoeven wij niet ver te zoeken naar een voorbeeld. Dan kijken wij alleen maar eens naar de 10 geboden. Deze geboden zijn voor alle christenen en zelfs voor een groot deel van de verdere wereld de door God gegeven grondregels van het bestaan.

“Gij zult niet doden.” U moogt niemand doden, nietwaar? Dus ook niet in oorlog en ook niet omdat het beter is voor het een of ander. “Gij zult niet doden”, dus moogt u ook de doodstraf niet uitspreken of iemand terechtstellen. Maar het betekent meer. Het betekent niet alleen dat degene, die feitelijk een ander doodt, schuldig is, maar ook dat eenieder, die voorbereidselen treft in gedachten of daden om anderen te doden, schuldig is aan een handelen tegen dit gebod. Elke soldaat op de wereld handelt dus in feite in strijd met dit gebod, omdat hij, zij het voorlopig in hoofdzaak mentaal, dit gebod overtreedt en zich voorbereidt om te doden.

Het gebod: “gij zult niet stelen”, wordt aangevuld door een verder gebod: “gij zult niet begeren van hetgeen een ander toebehoort, noch zijn os, zijn huis, zijn huisvrouw enzovoorts.” Met andere woorden: wanneer ik eenmaal iets bezit, heeft niemand anders daarop recht. Hij mag het niet eens begeren, maar wat doet de Staat? Zij begeert niet alleen uw bezit maar zij pikt het in ook, wanneer zij een kans ziet om dit wettelijk te doen, want alles gaat dan immers volgens recht en regel. Toch mag men zeggen dat elke groep, persoon of instantie, die volgens recht en wet of anderszins, iemand tegen zijn wil eigendom ontneemt, dit begeert of ten koste van eigendommen van een ander speculeert, tegen dit gebod in handelt. Eenieder die daaraan meewerkt, zondigt eveneens tegen dit gebod, eenieder, die plannen ontwerpt, die gebaseerd zijn op het ontnemen van rechten en vooral eigendommen van anderen, kan geen goed christen zijn, want hij handelt in strijd met de 10 geboden.

U vindt dit niet logisch? Maar het staat in de 10 geboden. Dus hebt u er u aan te houden, tenzij u overtuigd bent dat deze 10 geboden niet juist zijn en dus niet door God gegeven. Maar dan mag je je ook niet meer in ander opzicht op deze geboden beroepen als een goddelijke wet. Dan zijn deze regels waardeloos en moet je dit ook durven toegeven. Bij de mensen berust een groot deel van hetgeen zij hun geweten plegen te noemen op hetgeen er staat in de Bijbel, de evangeliën, de Koran of hetgeen uit de Vedanta bekend is en ons door verlichten en wijzen geleerd wordt, enzovoort. Maar houdt men zich aan de regels, die men zo als goddelijk, al-beslissend enzovoorts beziet?

  • Dus de Staat is een dief?

Inderdaad. Indien men uitgaat van deze letterlijke interpretatie van de geboden, is de Staat een dief en is de gemeenschap een dief ten aanzien van elk individu, omdat het bezit van de enkeling door de gemeenschap en de Staat tegen diens wil wordt aangetast. De Staat blijkt steeds weer, als vertegenwoordiger van de gemeenschap, bereid te zijn te beschikken over het bezit van het individuen, zonder dat dezen daarbij ook maar iets te zeggen hebben, zo nodig alle recht op dit bezit te ontnemen. Zelfs onteigening kan in deze zin als een vorm van legale diefstal worden betiteld. U zult zeggen dat er voor een goede gang van zaken binnen de gemeenschap geen andere mogelijkheid bestaat. U hebt gelijk. De Staat is dus geen dief, wanneer u uitgaat van de nu bestaande sociale, staatkundige en politieke verhoudingen. Maar dan moet u een compromis treffen ten aanzien van de 10 geboden. Want wanneer u uitgaat van de letterlijke inhoud daarvan als woord Gods, bent u verkeerd en blijft het voorgaand gestelde geheel van kracht.

Overigens, dit is altijd zo geweest. Deze geboden werden aan de Joden gegeven tijdens hun tocht door de woestijn. En wat was het eerste wat zij deden, toen zij het beloofde land bereikten? Zij probeerden de inwoners daarvan, zoals de Filistijnen, uit te roeien. Niet alleen doden dus, maar praktisch een poging tot genocide. Vandaar dat men zelfs in deze dagen nog wel zegt dat iets naar de Filistijnen gaat, niet omdat het bijvoorbeeld geroofd wordt, maar omdat het met ondergang, met uitroeiing wordt bedreigd. U realiseert zich dit alles waarschijnlijk niet, vooral omdat het ‘Gods Wil’ was dat de ‘heidenen’ werden uitgeroeid. Maar dan wist God kennelijk niet goed wat hij wilde, toen hij de 10 geboden gaf. En van een alwetende God kan men een dergelijke tegenstrijdigheid toch niet verwachten, nietwaar?

Het gaat mij niet om de absolute waarde van, of juistheid van de 10 geboden, dan wel om de juistheid van de sociale opvattingen van deze tijd, waarin gesteld wordt dat ten nutte van het geheel, de gemeenschap over de enkeling een absoluut gezag kan uitoefenen. Ik spreek over geweten en vraag u, wanneer u als christen leeft en gelooft, en dus u zich mede baseert op de 10 geboden, kunt u dan een Staat als deze, het bestaan van een leger enz. aanvaarden? Kunt u dan een dwang op de persoonlijkheid aanvaarden, die zijn wezen, eigendom en soms zelfs goede naam aantast?

Zelfs wanneer men anderen wil dwingen te leven volgens een bepaald geloof, kan men daarvoor namelijk geen argumenten vinden in de leringen van Jezus of het oude testament, maar zal men moeten terugvallen op de uitlatingen van Paulus, die verantwoordelijk is voor het “dwingt hen om in te gaan.” Mijn argumenten hebben met het geweten te maken, met de volgens het ik juiste wijze van leven en de eerlijke weergave daarvan. Daarom vraag ik de vele christenen, die met alle middelen anderen willen dwingen te leven volgens het christelijk geloof en de daarin gestelde maatstaven: Wanneer Jezus zelf u zegt: “wanneer men niet naar u luistert, ga verder”, zelfs wanneer je je blaren gelopen hebt, moogt en kunt u daar dan tegenover zetten”, maar Paulus heeft ons gezegd anderen te dwingen om in te gaan.  Kunt u zich dan nog waarlijk een christen noemen? Anderen dwingen is natuurlijk gemakkelijker dan verder gaan. Maar degenen die dit doen, moeten ofwel eerlijk toegeven dat zij geen christenen, maar paulinisten zijn, dan wel volgens hun geweten anderen de vrijheid laten om te luisteren of niet te luisteren naar eigen wil.

Waar christendom macht nastreeft, is het geen christendom meer en zo er al sprake is van een geweten, is dit geen christelijk geweten meer. Het anders voor te geven is oneerlijk, onoprecht, in strijd met alles wat men onder geweten pleegt te verstaan. Maar dit zouden wij dan moeten doortrekken op elk terrein. Er zijn staten die ‘De rechten van de mens’ hebben ondertekend. Deze rechten zouden eenieder gelijke rechten moeten geven, zouden eenieder ook in rechte de mogelijkheid moeten geven, zich tegenover instanties te handhaven, eigen mening te uiten enzovoorts. Het vreemde is nu, maar dat ook van de staten die deze verklaring hebben ondertekend en daarmee vaak schermen, in feite hun onderdanen zelden of nooit de kans geven deze rechten ook werkelijk uit te oefenen.

Men kan nu zeggen dat het, gezien de omstandigheden, noodzakelijk is die rechten dan minder letterlijk toe te kennen en kan dit met vele argumenten ondersteunen als bijvoorbeeld anders de goede gang van zaken binnen de gemeenschap in gevaar komt. Maar daarover gaat het niet. Deze verklaringen zijn een vorm van compromis. De vraag is of men waarlijk in die rechten van de mens gelooft. Zo ja, waarom handelt men dan in feite vaak in strijd daarmee? Of men gelooft niet dat deze rechten van de mens juist zijn, dat de ondertekende formulering zinrijk en duidelijk is. Maar waarom dan doen alsof? Waarom heeft men in dat geval de verklaring ondertekend en heeft men, zo dit later een vergissing bleek, deze ondertekening niet openlijk teruggenomen? Dat is de vraag, die vanuit het standpunt van een geweten, een besef van de juiste wijze van leven en denken, gesteld mag en moet worden.

O zeker. Men kan stellen dat de mensen dit zo niet beseffen. Maar dan vraag ik of de mensen nog wel werkelijk beseffen wat zij doen. Want dan heeft men ook geen houvast meer, dan wordt alles willekeur en dit lijkt mij niet wenselijk in dagen zo vol van verwarring als deze periode steeds weer toont. Enkele dagen geleden is er iets gebeurd waarover u nog niet veel gehoord kunt hebben, maar wat aanleiding wordt tot moeilijkheden in Europa en de USA. Ook Spanje zal hierdoor in grote moeilijkheden komen na enkele maanden. In deze dagen moet de mens toch in ieder geval eerlijk zijn ten aanzien van hetgeen hij wil, juist acht, verwerpt. Veel van de besluiten, die de Broederschap in deze dagen neemt, hebben direct of indirect te maken met het feit dat de mensen niet meer schijnen te weten welke maatstaven zij nu werkelijk moeten hanteren en welke maatstaven alleen maar een doekje voor het bloeden zijn, die men niet al te ernstig dient te nemen.

Hoe te denken over mensen die het gebruik van de pil willen bestrijden, omdat men geen leven mag nemen, maar gelijktijdig het toejuichen, wanneer anderen een tegenstander van het geloof of van de staatsmacht doodknuppelen? “Allons enfants de la patrie”, nietwaar? Of moet ik soms zeggen: “allons, policiers de la patrie”? Men mag rustig stellen dat hier iets niet klopt, dat de mentaliteit onder de mensen niet meer juist is, omdat er geen werkelijke maatstaven meer bestaan. De zogenaamde sociale structuur en het daaruit voortvloeiende sociale geweten dat de mensen wordt aangepraat, is in 9 van de 10 gevallen een leuze, een leugen. Het godsdienstig besef, geloof in God, gehoorzaamheid aan God en geloof, zijn zeker in de wijze, waarop die steeds weer tot uiting komen, zozeer strijdig met de verkondigde stellingen, dat eenieder, of hij het wil toegeven of niet, moet aanvoelen dat dit niet meer juist is, dat hier sprake is van leuzen, om niet te zeggen van een grote leugen.

Grote zakenlieden zijn vaak zeer voor de moraal. Zeer moralistisch treden zij steeds weer op tegen anderen, behalve natuurlijk wanneer er belangrijke klanten komen uit het buitenland. Dan gaat men opeens wel naar een bar, bedrinkt men zich gezamenlijk en stelt men de klant desnoods nog een aardige secretaresse voor alle doeleinden ter beschikking. Maar ja, dat gebeurt natuurlijk niet in het openbaar. Want je kunt natuurlijk in zaken niet alles hebben zoals je het wilt, maar in de gemeenschap kunnen wij toch niet toelaten dat er ontucht wordt gepleegd en is trouw in het huwelijk geen persoonlijke kwestie, maar een sociale eis. Ofschoon dit natuurlijk niet altijd geldt. Voor het gewone volk wel, maar als je als drukbezet zakenman en dergelijke, enkele maanden achtereen op dienstreis moet en alle huiselijkheid steeds weer moet ontberen, gelden er natuurlijk verzachtende omstandigheden en mag men niet zulke hoge eisen stellen aan mensen, die al zoveel zorgen voor de gemeenschap moeten dragen. Nietwaar?

Neem mij niet kwalijk dat ik deze dingen openlijk zeg. Ik zou nog ergere dingen kunnen zeggen, die even waar zijn. Wanneer wij willen weten hoe het staat om mens en geweten, zullen wij deze dingen openlijk moeten toegeven, moeten durven bespreken. De mens moet eerst eens leren uit te maken wat dat geweten van hem nu eigenlijk zegt. De mens moet voor zich eerst eens uitmaken wat de waarheid is omtrent eigen ik, omtrent eigen godsdienst, omtrent maatschappij en maatschappelijke verhoudingen.

Dan moet hij controleren of al datgene wat hij van anderen eist, wat hij predikt en met de mond belijdt, nu wel waar is. Dan zal hij moeten leren alles, wat niet innerlijk en in eigen leven waar is, bij zijn beoordeling van de buitenwereld en het stellen van eisen daaraan, terzijde te leggen. Met de weinige regels, die hij innerlijk als juist en waar erkent, moet hij dan leren zonder compromissen en uitvluchten eerlijk verder te streven. Dit is de enige wijze, waarop de mensheid aan de haar nu beheersende verwarringen kan ontkomen.

Men moet beseffen dat men met compromissen geen moeilijkheden werkelijk kan oplossen. Je kunt bijvoorbeeld aan de ene kant niet steeds verder gaan met het beperken van bestedingen bij anderen en aan de andere kant onder de naam investeringen en noodzakelijke voorzieningen zelf steeds meer gaan uitgeven, zonder je ook maar ergens te bekrimpen. Zoiets is tegenstrijdig, je kunt niet het een doen, zonder ook het andere tot stand te brengen. Je kunt niet zelf uitgeven en gelijktijdig verwachten dat anderen dit juist daarom niet zullen doen. Je kunt niet zelf spaarzaam zijn als Staat zonder te verwachten dat deze versobering ook doorslaat naar het meer individuele vlak. Een Staat, die steeds meer uitgeeft, zal echter een steeds groeiende honger naar grotere particuliere bestedingen bij haar bevolking doen groeien. Zoals een Staat, die steeds meer verantwoordelijkheden van zich afschuift en zich steeds meer op regels gaat beroepen, haar bevolking doof en blind maakt voor persoonlijke verantwoordelijkheden. En zoals een geloof dat de mensen steeds leert dat men slaafs heeft te gehoorzamen, niet kan verwachten dat mensen reageren volgens eigen besef van God en eigen geweten en gelijktijdig de slaven van de kerk blijven.

Men moet altijd weer kiezen. Het is steeds weer: of het ene, dan wel het andere, zonder dat ooit de mogelijkheid bestaat in werkelijkheid beide dingen gelijktijdig te hebben of te bereiken. En juist in deze dagen moet een keuze op velerlei gebied gedaan worden. Indien men deze keuze niet vrijwillig doet, zal de enige mogelijkheid voor de Broederschap zijn, de massa zodanig in oproer te brengen (innerlijk en geen straatoproer bovenal) dat de radeloze massa zich eerlijker maatstaven gaat stellen waaraan zij zich werkelijk zal houden. Eerst wanneer de mens weer leert zijn geweten eerlijk weer te geven en ernaar te leven, zal een ingrijpen van andere machten als bijvoorbeeld de Broederschap ook ten aanzien van geweld en gewelddadigheid overbodig worden.

Hiermee wil ik mijn bijdrage beëindigen. Indien u echter commentaar heeft, kunt u dit nu lossen.

U hebt kennelijk geen opmerking. De wat verbaasde opmerking dat de staat een dief zou zijn, blijft dus uw enig commentaar. Het verbaast mij dat juist deze opmerking het enig resultaat van mijn betoog was. Deze opmerking deed mij me weer eens realiseren, hoe snel de mens bereid is een medemens aan te spreken als dief, moordenaar enzovoort, enzovoort, en hoe zelden hij bereid is een dergelijke designatie te gebruiken voor een gemeenschap. Men is in deze dagen misschien eindelijk bereid toe te geven dat grote zeehelden als Drake en Hein in feite geen grote Admiraals waren, maar uitstekende zeerovers. Men weigert echter, zelfs nu nog, zich te realiseren dat de staten die Piet Hein eens zo huldigde om de buit die hij behaalde, in feite niet veel meer waren dan werkgevers van zeerovers, souteneurs op de moed van anderen, profiteurs, die de vruchten genoten van de door anderen tot stand gebrachte aantasting van eigendom. Het was in die tijd zo gebruikelijk, maar dat verandert aan de zaak zelf niets. Zoals men niet bereid zal zijn toe te geven dat ook het koninklijk huis ven Engeland en vele adellijke families aldaar in feite leefden van hetgeen geweldenaren met zeeroverij en slavenhalerij bijeenbrachten. Men kan er eenvoudig niet toe komen dit toe te geven.

Misschien zal er eens een tijd komen waarin men aarzelend zal willen toegeven welke fouten in deze dagen begaan werden. Maar zelfs dan zal het eerder gaan over personen, dan over de gemeenschap, die van deze personen en hun daden profiteerde en daar in feite de aanleiding toe was. Toch moeten wij steeds weer leren hoe consequent te zijn, zelfs in onze benadering van de historie. Wanneer wij stellen dat eigendommen heilig zijn, is iedereen, die tegen de wil van de eigenaar in diens eigendommen aantast, schuldig. Ook wanneer dit een staat, een gemeenschap of een bond is. Wanneer ik zeg dat het leven heilig is, is eenieder schuldig, die een leven neemt of zich voorbereidt om het leven van anderen te nemen, of dit nu door een persoon, een staat, of een instelling is. De zonde tegen het “gij zult niet doden” ligt niet alleen bij de soldaat, maar ook hij de gemeenschap, die een leger in stand houdt. En wanneer men meent dat deze dingen onvermijdelijk zijn, zo zal men moeten nagaan, wat dan wel juist is, zowel voor de enkeling als voor de gemeenschap. Men zal de waarheid moeten stellen in de plaats van de leuzen, die men nu maar al te graag hanteert. Dat was mijn betoog.

Vragen

Zo. En nu komt er nog een vraag van iemand die, naar ik meen, niet op tijd zijn aantekeningen kon vinden.

  • Inderdaad…(onverstaanbaar)

U wilt weten wat die geheime diensten in onrust kan brengen? Om alle verdere discussie daarover te vermijden, wil ik, zover het dit besluit van de Raad van de Broederschap betreft, wel stipuleren, dat daarbij niet-aardse machten van stoffelijke aard betrokken zijn.

  • Elementalen, mentale….?

Daarover heb ik niet gesproken. Het staat u vrij verder te veronderstellen wat u wil, maar elementalen zijn, evenals mentale krachten, niet stoffelijk. U bent vrij om vragen te stellen hierover, maar ik zal dan zo vrij zijn erop te wijzen, dat ik dit punt wel wilde verduidelijken, maar dit niet in detail heb aangestipt en ook niet zinnens ben dit te doen.

  • U spreekt in feite over de noodzaak tot eerlijkheid en harmonie, maar wat kan men dan doen om in harmonie te komen met de dingen, die men gedaan heeft?

Allereerst meen ik dat men zal moeten stellen: wat gebeurd is, is gebeurd. Ik kan daaraan niets meer veranderen. Ik kan er ten hoogste uit leren. Ten tweede zal men zich nu eerlijk moeten afvragen: wat zijn de maatstaven, die ik aan mijzelf in het leven aanleg en waarom? Probeer alle ontwijkingen van de feiten eens terzijde te schuiven en te komen tot een rechtlijnige formulering, ook omtrent uzelf, over alles wat wel en niet goed is, volgens u en dergelijke. Ten derde: wanneer u eenmaal een conclusie hebt bereikt over alles, wat voor uzelf aanvaardbaar dan wel niet aanvaardbaar is, moet u eens beginnen volgens dit besef te leven en daarbij onverschillig te zijn voor alles wat de buitenwereld daarop misschien te zeggen heeft. Tracht trouw te zijn, wat u innerlijk in uw geweten als juist erkende. Een mens kan alleen maar tot harmonie komen, wanneer hij bereid is zichzelf te zijn als deel van het geheel en niet tracht de vorm van het geheel in zichzelf uit te drukken. Zeker zal men moeten vermijden het geheel uit te drukken, indien dit, hoe dan ook, vermeden kan worden op punten, waar men zelf zich niet met de gemeenschap harmonisch gevoelt. Ten laatste, u kunt niet zonder geloof. Realiseer u echter waar uw geloof of ideaal begint en uw redelijk besef ophoudt. Vermeng deze waarden niet. U zult dan nooit over uw geloof of ideaal redelijk willen discussiëren – wat onmogelijk is – dan wel redelijke zaken willen oplossen door een beroep te doen op uw geloof.

  • Wat verstaat u onder een dief?

Iemand die een diefstal pleegt. Diefstal is volgens mij elk zonder toestemming en voorkennis van de eigenaar ontvreemden of ontnemen van voorwerpen, dan wel het ontnemen van waarden enzovoorts, aan een persoon door pressie, afpersing, dwang enzovoorts. Of ik dit doe voor een ander of alleen voor mijzelf, heeft hierbij verder geen betekenis. Je kunt dus een dief zijn als bijvoorbeeld de legendarische Robin Hood. Hij was een dief. Zijn mannen waren rovers. Dat zij dit deden met een goed doel en zeker volgens de legende niet slechts voor zichzelf roofden, verandert hieraan niets. Het gaat hierbij dus niet in de eerste plaats om mogelijke intenties, maar om het letterlijke begrip: het ontnemen van eigendommen is diefstal, of men dit nu op de een of de andere wijze doet of hierbij nu algemeen belang dan wel persoonlijk belang een hoofdrol speelt. Zolang men eigendom erkent, zal men ook moeten uitgaan van het feit, dat persoonlijk eigendom onaantastbaar dient te zijn. Eerst wanneer ik algemeen het begrip van persoonlijk eigendom ongedaan kan maken, is geen diefstal meer mogelijk.

  • Ik geef toe dat men kan stellen dat de diefstal in bepaalde omstandigheden het mindere kwaad is. Maar dan wordt de zaak moeilijker: wanneer mijn vrouw en kinderen verhongeren, mag ik dan een brood stelen of niet?

Wanneer er geen enkele andere mogelijkheid bestaat om aan voedsel te komen, ja. Zodra ik echter meer neem dan het nu onontbeerlijke (bijvoorbeeld naast het brood smeersel en beleg meenemen) speelt eigen voordeel weer een rol en moet men stellen dat de verdere diefstallen dus geheel verwerpelijk zijn, zolang men eigendom als persoonlijk bestaand erkent. Het gevaar, gelegen in deze rechtvaardiging door het kiezen van het minst kwade, is voornamelijk dat men op den duur niet meer zal beseffen dat de diefstal (aantasting van eigendommen) per se verkeerd is, ongeacht de eventuele rechtvaardiging voor het begaan van dit onrecht.

  • Kunt u een voorbeeld geven van een Staat, waarin alleen eerlijk en zonder aantasting van eigendommen geregeerd wordt?

Ik kan mij geen enkele Staat voorstellen in de huidige vorm van dit begrip, omdat een Staat mogelijk begint voor eenieder te zorgen en daarom het eigendom aantast. Maar zodra een structuur is ontstaan wordt het eerste doel dat wordt nagestreefd, het behouden van die structuur, zodat bij elke Staat na enige tijd het belang van degenen, voor wie en namens wie zij optreedt secundair zal worden. Hierdoor worden haar heffingen in feite een zelfzuchtig zich toe-eigenen van bezit van anderen, waarbij het goede dat daarmee wordt gedaan, in feite eveneens grotendeels of geheel uit eigenbelang voortkomt, zodat dit geen rechtvaardiging mag heten, zeker zolang de gemeenschap en de Staat eigendom verder als onaantastbaar beschouwen.

  • Zou “gij zult niet doden” niet tevens betekenen dat wij geen dieren mogen doden?

Indien dit gebod niet op mensen, maar algemeen betrekking zou hebben en slaan op alle leven, zouden ook planten daarbij gerekend moeten worden. Wat het de mens onmogelijk zou maken om te leven. De geboden geven de relatie weer tussen mens en God en tussen mens en mens. In de tijd dat deze geboden werden gegeven, dacht men niet aan dieren als ‘leven’ in de zin van het gebod. Indien God dus ook het doden van dieren had willen verbieden, zou Hij dit zeker, gezien de geldende begrippen en bestaande omstandigheden, afzonderlijk vermeld hebben. Overigens is mijn persoonlijke mening dat het doden van dieren om andere reden dan de noodzaak tot zelfbehoud niet goed is. Dit is echter een persoonlijke visie, die niets meer met de geboden te maken heeft. Zie het voorgaande.

Ik wil nog stipuleren, dat mijn interpretatie van de betekenis van de geboden in de tijd dat zij werden gegeven, berust op feiten en geen persoonlijke mening is. Voor u is een vergelijk mogelijk wanneer u soortgelijke wetten als die van Hammurabi beziet, waarin immers ook de verhoudingen mens tegenover mens worden weergegeven, maar dieren kennelijk als ‘bezit’ worden gezien en in geen andere, meer persoonlijke waarde worden genoemd. Als zodanig heeft de eigenaar volledig beschikkingsrecht over dieren. Bij slaven (die ook mensen zijn) is dit recht steeds enigszins beperkt. Op soortgelijke wijze kunnen wij de tien geboden beschouwen. Ofschoon uit andere bron stammende en deel uitmakende van een geloof, liggen zij in tijd en mentaliteit zo dicht hij de genoemde wetgever, dat een gelijksoortige mentaliteit mag worden verondersteld. Voor mijzelf kan ik dit controleren en dus zeker zijn van de juistheid van het nu gestelde.

  • Wat blijft erover, wanneer je de geldingsdrang van het individu weghaalt?

Een robotwereld, waarin geen enkele stimulans meer bestaat, zelfs niet tot zelferkenning, want ook deze laatste komt voort uit een vorm van geldingsdrang. Er zal dan geen enkele stimulans meer zijn tot het exceptionele, in goed doen of zondigen, in persoonlijke bereiking, of voor de gemeenschap. Men zal er dan mee volstaan te leven op zo aangenaam en eenvoudig mogelijke wijze. Men kan echter de materiële waarden voor de mens niet uitschakelen. Iemand die zonder deze kan leven, is geen mens meer, maar een geest. De mens, die tracht te leven volgens zuiver geestelijke normen, zal ontdekken dat hij door de materiële verhoudingen, waaraan hij niet kan ontkomen, voortdurend gefrustreerd wordt. Daarom is de drang zich te laten gelden, als deel der materie, volgens mij haast onvermijdelijk, al kan zij minder zelfzuchtige vormen krijgen. Het is mijns inziens overigens de taak van de mens zijn werkelijke persoonlijkheid tot uiting te brengen middels de materie, zolang hij in de stofwereld bestaat.

Hiermee moet ik mijn onderwerp gaan besluiten. De vragen waren voor mij nogal belangrijk, vooral de laatste. Hier wordt eindelijk eens de vraag gesteld of men als individu kan bestaan zonder de neiging zich ook als individu te doen gelden. Dit is voor mij onvermijdelijk. Indien u meent dat het zonder deze drang mogelijk is als mens te bestaan, moet u eens kijken naar degenen, die alleen voor geestelijke waarden schijnen te leven en eens nagaan hoeveel moeite dezen juist doen, om de juistheid van hun stellingen door anderen te doen erkennen – en daarmee hun meerwaardigheid. Daarom meen ik dat eenieder, die tracht de materie tot een onbelangrijk kwaad te degraderen, zichzelf bedriegt. Wees eerlijk en geeft toe dat materiële waarden en verhoudingen, toestanden en zaken voor de mens qua bewustwording, mogelijkheid van erkenning en voor het normale leven van het hoogste belang zijn. Alle geestelijke theorieën, die de mens gebruikt om aan zijn materiële problemen te ontsnappen, zijn in feite alleen omwegen, waardoor hij zichzelf tracht te ontkennen.

image_pdf