Ego en maya

EGO ‑ IK.

Het “ik” is een samengesteld geheel dat wij onderscheiden in drie grondwaarden zodra we in de stof zijn.

In de eerste plaats: de bezielende kracht. Dat is een energie die wij niet kunnen definiëren. Die kracht maakt ons bestaan mogelijk en zij bepaalt de samenhangen van het geheel dat wij vormen.

In de tweede plaats: hebben we te maken met de geest, door sommigen ook wel ziel genoemd. Dit is ons besef. Dit besef is opgebouwd uit het totaal van alle ervaringen, die wij ooit hebben gehad en wel in dier voege dat niet het geheel van die ervaringen in ons wezen is vastgelegd, maar dat door elke ervaring ons wezen een verandering ondergaat waardoor het anders reageert op de wereld die buiten het “ik” bestaat.

In de derde plaats: het lichaam. Dit lichaam is een voertuig, dat als een zelfstandig organisme zou kunnen werken. Het bezit een aantal grondeigenschappen die zuiver stoffelijk zijn bepaald. Het kent een aantal drijfveren en remmingen die eveneens stoffelijk zijn bepaald. In het lichaam speelt het denken de belangrijkste rol voor het bewustzijn. Dit denken is gebaseerd op de hersenen. Deze manifesteren zich in de zogenaamde automatische en in de bewuste functies. In de bewuste functies echter zien wij een deel onderbewustzijn, daarnaast voor een deel begaafdheid, die zelden volledig ontwikkeld is en ook wel paranormaal wordt genoemd, de herinne­ringscentra en alle centra waardoor een bewuste waarneming en communicatie mogelijk is.

MAYA – BEGOOCHELING.

Over het algemeen gezien als: alles is waan. Deze voorstelling is onjuist. In het kader van ons onderwerp zouden we maya misschien nog het best kunnen omschrijven met: de subjectiviteit der beleving. Wij beleven, maar wij doen dat op grond van hetgeen wij zelf zijn. Dit impliceert dat wij niet de concrete waarde buiten ons waarnemen, maar eigenlijk alleen de reactie die de waarneming in ons wekt. Hierdoor ontstaat er in ons een beeld van onszelf zowel als van onze wereld dat niet op feiten, maar op reacties is gebaseerd. Zolang wij op deze wijze reageren, zullen wij niet in staat zijn de werkelijkheid te benaderen. Eerst op het ogenblik, dat het “ik” zijn eigen reacties zover kan beheersen dat het doelbewust alleen zichzelf is, reagerend op de kernkracht in het ego (het Goddelijke), zal het het geheel van het omliggende (het niet ‑”ik” zijnde) ervaren in de werkelijkheid waarin het bestaat.

Met deze korte omschrijvingen hoop ik u te hebben voorgelegd wat in feite ons onderwerp is. Door het omschrijven van deze beide waarden wordt het ook gemakkelijker de relatie tussen beide te bepalen. Het “ik” is, zoals dat heet, geconditioneerd. Een mooi woord dat niets anders wil zeggen dan dat het “ik” de neiging heeft om het aanvaardbare of aangename zoveel mogelijk naar zich toe te halen en het onaanvaardbare zover mogelijk van zich af te schuiven. Dit geldt ook t.a.v. de bewustzijnsfuncties. Er zijn bepaalde dingen die u wel weet, maar die u niet wilt weten en daarom reageert u, alsof ze er niet zijn. Er zijn andere dingen die niet feitelijk bestaan, maar die u ten zeerste begeert. U reageert dan in de wereld, alsof deze dingen feiten zouden zijn. Het is duidelijk dat dit niet alleen stoffelijk geldt, maar even goed t.a.v. het ideële denken.

Als iemand zegt dat alle mensen gelijk zijn, dan spreekt hij iets uit wat in essentie waar is, maar in verschijning absoluut onjuist. Hij zou moe­ten formuleren. De grondwaarde van alle mensen is gelijk: hun uiting is zeer persoonlijk. Anders gezegd: ik kan niet de grondwaarde beoordelen. Ik moet reageren op persoonlijke en dus beperkte uitingen van deze algemene grondwaarde. Maar indien dit het geval is, kan ik geen enkele algemene regel stellen die voor alle mensen even aanvaardbaar en even goed zou zijn. Men gaat meestal daaraan voorbij. Het is eigenlijk heel eenvoudig. Het “ik” oriënteert zich in de wereld. Als het “ik” eenmaal bepaalde stellingen heeft aanvaard ‑ of deze op waarheid berusten of niet – dan zal het geneigd zijn alles wat er niet bij past af te wijzen. Daarvoor zijn er voldoende voorbeelden te vinden. Iemand heeft eens gezegd: de aarde heeft een aantal rampen doorgemaakt. Zo en zo zijn die ontstaan. (U kent het waarschijnlijk wel: werelden in botsing, een boek van Velikovsky.) Als gevolg daarvan kunnen wij stellen dat o.a. de maan bepaalde werkingen van stralingen en radioactiviteit zal vertonen: dat Venus een planeet is met een bepaalde vorm en een temperatuur heeft waar een atmosferische druk van een zekere hoogte bestaat. Iedereen heeft toen de auteur uitgelachen. Maar nu het wonderlijke: sindsdien zijn door middel van ruimtesondes waarnemingen gedaan, die bewijzen dat die man met zijn veronderstellingen gelijk had. Maar de mensen willen niet zeggen: “dit is mogelijk”, want dan moeten zij terugkeren uit hun illusie van weten. Dientengevolge zeggen ze: “nu ja, die man heeft per ongeluk een paar dingen goed geraden. Maar wat hij zegt is onzin.” Dit maakt toch heel duidelijk waar de waan begint. De waan begint namelijk op het ogenblik, dat ik zeg b.v.: ik weet de waarheid. Of: mijn wijze van denken is juist. Of: mijn manier van ageren en reageren is de enig verantwoorde. Op het ogenblik, dat ik dit zeg, begint maya, de begoocheling. Maar het ego kan niet leven zonder die persoonlijke conditionering. Ook dat is weer begrijpelijk, als wij de ontstaanshistorie van het “ik” nagaan.

Het “ik” ontwikkelt zich te midden van een praktisch ontelbaar aantal mogelijkheden in een voortdurend keuzepatroon. Wanneer wij dus een bepaalde situatie bereiken, dan kunnen wij niet alle mogelijkheden waarmaken, maar slechts een enkele. Het niet waarmaken van de andere mogelijkheden betekent echter niet alleen een keuze, maar het betekent ook dat wij onszelf moeten rechtvaardigen. Dientengevolge stellen wij steeds weer: mijn keuze is de meest juiste of bijna de meest juiste geweest. Hierdoor wordt het gehele patroon, dat wij van ons bestaan maken van het begin af aan steeds gevolgd door de “ik”‑bevestiging. Die hebben wij nodig, omdat wij zonder dat ons niet zouden durven en kunnen handhaven. Leven zou voor ons een ondergáán worden en dat is iets wat niet in onze aard ligt. Dat hoort niet bij dit deel van de schepping waarin de mensheid nu eenmaal functioneert. Je leeft op aarde – verschillende malen vaak -. Elke keer beleef je daar dingen. Maar je kunt niet zeggen: ik ben fout geweest. Je kunt het wel zeggen, maar je gelooft het niet helemaal. En als je zegt: ik ben fout geweest, dan denk je zeer waarschijnlijk dat je daarmee zo goed hebt gehandeld, dat al het voorgaande daardoor wordt uitgewist. Men ziet dus eenvoudig af van het keuzepatroon en men houdt zich aan: door mijn instelling tegenover de wereld is mijn wezen en ook mijn bestaan bepaald.

Dit is alweer voor het leven belangrijk, want op deze manier zijn controversen mogelijk. Op deze manier is strijd mogelijk. Juist uit die strijd en uit de tegenstellingen vormen wij ons verder. Indien alles namelijk ge­lijk was, zouden we niet meer weten hoe wij moesten kiezen. Stel nu, dat die­ gelijkheid bestaat, maar dat wij haar niet beseffen, dan zouden wij alleen door de fouten in ons besef voortdurend tot een keuze kunnen komen. Het is deze keuze die belangrijk is. Daardoor vormen wij ons, maar leven wij ook. Als u de doorsnee‑mens beschouwt, dan zult u ontdekken dat hij bepaalde stellingen als waarheid aanvaardt. Hij weet zelf niet waarom. Er zijn mensen ‑ bv. in Rusland ‑ die zeggen: “het communistische systeem dat bij ons bestaat is onaanvaardbaar”, (daarom heten zij ook dissidenten.) Maar diezelfde mensen zeggen: “maar het communistisch‑marxistische systeem is goed.” Zij vergeten dat er een onverbrekelijke relatie bestaat tussen wat zij onaanvaardbaar noemen en wat zij a.h.w. axiomatisch als juist stellen. Dat is hun manier van denken. Het is een gerichtheid van de persoonlijkheid.

Wij zien ook mensen die zeggen: “ik geloof niet in de kerk, maar ik geloof wel in God.” Dat is heel aanvaardbaar. Maar als deze mensen nu zeg­gen: ik behoef niet te geloven in wat de kerk mij voorhoudt, maar ik moet wel ter kerke gaan omdat God het wil”(er zijn er heel wat die zo redeneren), dan komen wij voor de vraag te staan: hoe is dat te verenigen? Nu blijkt, dat deze mensen enerzijds een besef hebben waardoor zij verder gaan dan hetgeen het leergezag hun toestaat, terwijl zij aan de andere kant de ge­bondenheid aan de kerk verlangen. De manier waarop zij zich uitdrukken is dan een rationalisatie en heeft niets te maken met de feiten. Het “ik” ra­tionaliseert, omdat het alleen op die manier het leven voor zich draaglijk schijnt te kunnen maken. Eerst als je alle z.g. menselijke zaken gaat ontkennen, als je bv. zegt: “bezit is niets meer waard, menselijke relaties zijn eigenlijk niet van belang, het enige dat van belang is, is mijn relatie met de kosmos”, dan kom je op een punt dat je de werkelijkheid kunt aanvaarden. En pas als je op dat punt bent, voel je je niet meer zo zeer erbij betrokken dat je een keuze maakt uit de mogelijkheden in de werkelijkheid, je ervaart hun bestaan. Als je dan tot een persoonlijk leven komt wordt dit leven en de keuze ervan niet meer bepaald door jezelf, door je behoeften en voorkeuren, maar in feite door de behoeften van anderen. Dat is misschien de perfecte naastenliefde. Het is de Boeddha, die zijn verlossing bereikt en toch blijft rondtrekken en prediken. Hij doet dit niet, omdat het voor hem noodzakelijk is, maar omdat het voor anderen noodzakelijk is, omdat hij op die manier de tegenstelling vermindert tussen de illusie en de werkelijkheid.

Zo bezien is het geconditioneerde “ik” met zijn sterke neiging tot stelling name zelf de veroorzaker van wat wij maya plegen te noemen. En ofschoon het hier ook vaker is gezegd, zou ik u eraan willen herinneren dat Maya de moeder van de prins Siddartha is, de latere Gautama. Als deze prins boeddha wordt, is hij voortgekomen uit Maya. Misschien geldt dit voor ons allen evenzeer. Het proces van de bewustwording is gebonden aan twee factoren: het “ik”, de tegenstellingen die dit “ik” ervaart.

Daarbij is het niet belangrijk of deze tegenstelling kunstmatig of zelfs illusoir zijn, dan wel realiteit. Belangrijk is, dat wij ze ervaren en daardoor komen tot een beleving. Een beleving, die ons confronteert niet alleen met de wereld, maar ook met onszelf. Het “ik” is dus in feite gedwongen de waan zelf op te bouwen en in stand te houden tot het ogenblik dat het in staat is om zichzelf te aanvaarden zoals het is. Hier heeft u de hele relatie tussen “ik” en maya in een paar woorden uiteengezet. Er zijn enkele verschijnselen, die ik nog even onder uw aandacht wil brengen. ‘Gelijk hebben’ bestaat niet, evenmin als ‘gelijk zijn’. Om te komen tot een besef van de werkelijkheid moet je zowel de verschillen erkennen als ook de eenmaligheid van je reactie en denkpatroon.

Je denkt, je leeft, je reageert. Dat is een combinatie van zaken, die overal elders in de wereld van de mensen en in de wereld van de geest zullen voorkomen. Maar de combinatie waarin zij optreden is even uniek als een vingerafdruk: kleine verschillen, een enkel lijntje misschien, maar toch een eigen, onaantastbaar “ik”, niet vergelijkbaar of eender of zelfs identiek met andere. Het is belangrijk dat u dit begrijpt. Een ego, dat tot de totaliteit komt, neemt weliswaar het begrip van de totaliteit in zich op, maar het is daardoor niet minder zichzelf.

Wij zijn geneigd te zeggen: als de waan is opgeheven, dan is alle bestaan ten einde. Neen. Dan begint het werkelijke bestaan pas. Want juist datgene waarin wij wezenlijk verschillen van al het andere geeft ons in het andere betekenis. Zolang wij de waan hebben, zullen wij onze betekenis overschatten, omdat wij in al wat wij zijn een gelijke duiding zoeken. Maar zodra wij bewust worden en de begoocheling verdwijnt voor het ware kennen en beseffen, dan weten wij dat het geheel van ons wezen eigenlijk onbelangrijk is, behalve op dat ene punt waardoor het aanvullend werkt in de totaliteit, die reeks van oorzaak en gevolg, die waarden van evenwichtigheden welke elders op deze wijze niet voorkomen, maar die toch noodzakelijk zijn om de uiting van het geheel mogelijk te maken.

Dan moeten wij ook beseffen dat de mens die op aarde leeft, zijn persoonlijkheid maar voor een klein gedeelte tot uiting kan brengen. Ik wil niet te ver ingaan op de conditionering die genetisch bestaat, de opvoeding en de daaruit voortkomende conditionerende werkingen, de maatschappij waarin je gebonden bent en waardoor je eveneens in je mogelijkheden maar ook in je denken wordt beperkt. Deze dingen bestaan: dat weten wij allemaal.

Als ik lichamelijk besta, dan belichaam ik ook een aantal stoffelijke eigenschappen. Deze behoeven niet te stroken met hetgeen ik geestelijk ben. Wel is er over het algemeen een overeenkomst tussen de voornaamste wens van het geestelijk “ik” tot erkennen en één of meer lichamelijke eigenschappen die u bezit. Het lichaam is dus een voertuig. Het ego kan niet worden afgemeten naar wat je menselijk lichamelijk bent. Het kan slechts worden afgemeten naar de samenhangen met het geheel, die je voor jezelf beseft en waaraan je geestelijk en stoffelijk uitdrukking weet te geven. Hier zullen veel mensen zeggen: is de stof zelf dan niet de begoocheling? Ik geloof niet, dat dit juist is.

Er zijn bepaalde beelden die wij drogbeelden noemen, omdat ze ergens niet werkelijk zijn. Er zijn schilders, die heel kunstig in een muur een deur kunnen schilderen zo werkelijk, dat je die open zou willen maken. Maar als je het herkent voor wat het is, dan is het een kunstwerk. Je vergissing ontstaat, als je denkt dat het een deur is omdat het eruit ziet als een deur. En dat is waarmee wij te maken hebben. Wij zien iets en denken dat het een deur is. Het is slechts een kunstwerk. Of wij zien iets waarvan wij denken dat het een kunstwerk is ‑ bv. een mooie vlieg ‑ en dan begint het dier te zoemen en zijn wij zeer gekrenkt dat wij het anders hadden gedacht. In je stoffelijk denken en in je stoffelijk leven reageer je vaak volgens verwachtingen en niet volgens de feiten. Wij worden steeds geconfronteerd met het onverwachte. Het onverwachte is datgene waarop wij lichamelijk alleen na ervaring kunnen reageren (lichamelijk is ook verstandelijk). Maar als wij eenmaal kennis hebben van een mogelijkheid, dan moeten wij die mogelijkheid overal veronderstellen.

Een mens, die in een maatschappij leeft of zelfs in een kleinere gemeenschap, is geneigd een aantal dingen zonder meer als vaststaand aan te nemen. Of die aanname redelijk is, interesseert hem eigenlijk niet. Ze is gewoon deel van die gemeenschap en daardoor voor hem beslissend. Maar op het ogenblik, dat hijzelf met die veronderstelling wordt geconfronteerd in een feitelijke situatie, blijkt ze niet te kloppen. Als die mens nu zegt: dit is door God of door andere machten verkeerd bepaald, dan vergroot hij maya, het subjectivisme en ook voor een deel het zelfbedrog. Indien hij echter zegt: als de dingen anders gaan dan ik had verwacht, is dit tenminste mede te wijten aan het feit dat ik geen rekening heb gehou­den met andere, mij bekende mogelijkheden, dan verwijst hij alles naar zich­zelf. Hierdoor komt hij tot het besef: het is niet de wereld die mij bepaalt, maar het is mijn reactie op de wereld die bepaalt. Daarmee overwint hij dan een groot gedeelte van zijn begoocheling.

Je kunt als mens op aarde niet leven zonder enige mate van subjectiviteit. Absoluut objectief denken en leven is onmogelijk in de stof voor zover ik weet. Ook geestelijk is een absoluut objectivisme mijns inziens moeilijk te bereiken, tenzij je in de hoogste sferen bent. Maar je kunt wel het subjectieve als zodanig erkennen. Dan wordt het een aanvulling van het onbekende. Maar probeer nimmer het geheel te vertegenwoordigen, dit is zeer belangrijk.

Ik wil hier nog enkele opmerkingen maken in deze inleiding waarover u nog eens kunt nadenken. Ik stel:

  1. Elk geloof is een subjectieve benadering van een waarheid waardoor elke poging om deze subjectieve benadering als objectieve waarde te stellen moet leiden tot een toenemend zelfbedrog en een vervreemding van de werkelijkheid voor zover die in deze godsdienst ligt.
  2. Elk systeem, dat met mensen wil werken zonder te beseffen wat mensen zijn, gaat aan zichzelf te gronde. Daarom is het beter te be­seffen wat mensen zijn en hoe en waarom zij zo reageren dan een sys­teem te volgen waarvan u aanneemt dat het juist is. Want door het systeem zult u steeds in dwangsituaties komen en worden genoopt tot een voortdurend afwijzen van de wereld rond u. Door het leven en meteen erkennen van wat mensen zijn wordt u sterker geconfronteerd met uzelf en met de feitelijke reacties om u heen. Zo zult u door de vele subjectieve reacties een gemiddeld beeld krijgen dat toch de objectiviteit van het leven benadert.
  3. Niets is belangrijk, omdat alles belangrijk is. Het is een fout die vele mensen maken als zij zeggen: “ik ben niet belangrijk: ik moet mijzelf wegcijferen voor anderen”. Of: “Die anderen zijn niet belangrijk, want het ideaal moet gediend worden” ‑ ook als zij eigenlijk zichzelf daarmee bedoelen. Als wij dat zeggen, gaan wij een belangrijkheid creëren. Belangrijkheid is gelegen in het bestaan van de objectieve waarde die “ik” heet en van alle objectieve waarden die rond dat “ik” aanwezig zijn. Dat is belangrijkheid, maar die is niet constateerbaar.

Wij kunnen namelijk slechts uitgaan van het feit dat onze reacties voor ons belangrijk zijn, maar wij kunnen nimmer bepalen in hoeverre ze van betekenis zullen zijn voor anderen. Daarom is het belangrijk dat wij in onze reacties uitgaan van hetgeen wij zelf als harmonisch en juist ervaren en ons niet laten kwellen door een schuldbewustzijn, als buiten ons daardoor andere gevolgen ontstaan dan wij aannamen. Wij zijn daarvoor niet aansprakelijk. Wel dienen wij daaruit te leren dat in relatie met de buitenwereld onze reactie, die wij goed noemden, bepaalde tekorten (fouten) vertoont. Dit bepaalt dan ons verder reageren. Bewustwording is ontwikkeling. Ontwikkeling is uitbreiding en intensifiëring. Wij kunnen nooit de wereld ontwikkelen. De objec­tieve wereld bestaat. Hoe weten wij niet. Op welke wijze, dat kunnen wij slechts ten dele vermoeden. Wij echter ontwikkelen ons op het ogenblik, dat wij onze dromen vervangen door erkenning van waarheid. Waarheid is al datgene wat zich bewijsbaar voor ons herhaalt: het feit, niet de stelling die ermee verbonden is. Waarheid is voor ons alleen datgene wat wij bij voortduring kunnen terugvinden en beleven. Alles wat slechts eenmaal voorkomt, kan door ons verkeerd geïnterpreteerd zijn. Wij mogen dus ook in onze benadering van de werkelijkheid en in onze benadering van ons ego tot op zekere hoogte de wetenschappelijke traditie aanhouden. Alleen die dingen zijn onomstotelijk waar en deel van het “ik” of van de wereld die zich bij herhaling manifesteren waarbij niet de verklaring waar is maar het feit.

Levend uit al datgene wat je als waarheid voortdurend kunt erkennen en voor jezelf bewijzen, kom je tot de werkelijkheid. Maya wordt achtergelaten en de Boeddha begint zijn zwerftocht langs de Meesters. Als hij vele Meesters heeft gehad, zal hij zelfs de eenzijdigheden, die daarin zijn gelegen, achterlaten om te zeggen: “Ik kan slechts één zijn met het Al, indien ik alle deeluiting die ik tot nu toe heb gekend verwerp en slechts de essentie van waarheid, die ik daarin heb gevonden, voor mij blijf bewaren.”

Op dat ogenblik is er een stilte, die onaantastbaar is geworden voor welke wereld of sfeer dan ook. Het is in die stilte dat het functioneren van de totaliteit wordt beseft. Het is het functioneren van deze werkelijkheid waaruit het “ik” kan terugkeren in werelden die voor anderen subjectief zijn. Maar wie de werkelijkheid kent, zal de reden van de subjectiviteit erkennen en daardoor een benadering van de werkelijkheid ook voor hem mogelijk maken.

Slotrede:

Wij zijn nu bezig geweest over het Ego en Maya. Ik heb getracht dit onderwerp puntsgewijs te behandelen. Ieder van ons is een “ik”, een samengesteld “ik”. Ieder van ons bezit vele capaciteiten waarvan wij denken dat wij ze niet hebben, terwijl wij vaak bepaalde capaciteiten missen waarvan wij aannemen dat wij ze wel bezitten. Dat is wel heel duidelijk. Als je leeft als mens, dan heb je de behoefte bepaalde dingen te doen. Die behoefte wil je rationaliseren door te zeggen dat je geschikt bent om ze te doen. Maar dat is niet nodig, want de werkelijkheid zegt: als ik leef volgens de werkelijke inhoud van mijn wezen, daarbij voortdurend uitgaand van wat ik goed vind, maar ook van wat ik prettig vind (dat moet dus altijd samengaan), dan leid ik een leven, dat in harmonie is met de inhoud van mijn persoonlijkheid, maar daardoor ook harmonisch is met de werkelijkheid waarin die persoonlijkheid een enkele actieve factor vormt.

Nu zal men daartegen onmiddellijk protest aantekenen. Het goede is natuurlijk onaangenaam. Zoals menig drankje van de dokter bitter wordt gemaakt, ofschoon het niet nodig is, omdat de mensen nu eenmaal geloven dat bittere drankjes het best genezen. Het “ik” leeft echter in een wereld die echt is, ook de stoffelijke wereld is echt. De aarde is geen illusie. Mars, Venus, de zon, de maan zijn geen illusies, alleen men ziet ze niet precies zoals ze zijn. Het is een objectieve werkelijkheid. Zo zijn de sferen (de geestelijke werelden) niet precies zoals men denkt ze te beleven of te benaderen. Ook zij zijn een objectieve werkelijkheid. Zij existeren. Ze zijn krachtverhoudingen waaraan u uw dromen pleegt te hechten, maar die zelf voortdurend en onveranderlijk bestaan, waarmee u in harmonie komt en waarin u bestaat, wanneer u uw stoffelijk vorm heeft achtergelaten. U heeft uw beelden, dromen, waarden en belevingen in overeenstemming met dat gebied waarmee u harmonisch bent. Dit zijn feiten. Daarover behoeft u niet na te denken.

U kunt zeggen: dat is mogelijk. Neem het niet als een zekerheid aan. Dat kunt u als mens niet controleren, tenzij u de geestelijke werelden binnentreedt. Die geestelijke werelden bezitten krachten, die het “ik” ook in stoffelijke vorm bezit, want u bent ook geest. Probeert u die krachten te gebruiken, dan ziet u dat er bepaalde resultaten zijn en andere resultaten uitblijven. Dat is de werkelijkheid voor u. Bepaal dan uw visie op de wereld aan de hand van datgene wat voor u mogelijk is. Zo ontkomt u aan dat grote zelfbedrog waarmee u zich een minderwaardigheid aanpraat, omdat er dingen niet slagen die niet tot uw wezenlijke mogelijkheden behoren. U voorkomt tevens een gevoel van overmatige belangrijkheid omdat u nu toevallig zekere eigenschappen bezit die u bij anderen niet constateert. Probeer in de werkelijkheid te leven.

Het “ik” in zijn gehele samenstelling behoort ergens tot de eeuwigheid. God is misschien wel volmaaktheid ‑ wij kunnen het ons niet anders voorstellen ‑ maar dan moet het een volmaaktheid zijn die altijd bestaat. Wij ‑ bestaande uit God ‑ zijn deel van de schepping en dus deel van die volmaaktheid. Maar dan kan die volmaaktheid nooit bestaan in datgene wat wij ervaren. Misschien overzien wij die zaken niet of ‑ nog waarschijnlijker – kennen wij onszelf niet in de goddelijke tijdloze termen, maar zien wij onszelf alleen maar in het beeld van een wezen, dat door eindeloze stromen van tijd een denkbeeld achtervolgt dat nooit wordt bereikt. Wij leven in een deel van de werkelijkheid. Wij zijn een deel van de werkelijkheid. Op het ogenblik, dat wij de totaliteit en de evenwichtigheid daarvan volledig in ons kunnen aanvaarden en beleven, zullen wij ook beseffen wat wij zijn en wat de werkelijkheid is. Nu leven wij in een waan, een subjectiviteit, die misschien wat groter of wat kleiner kan zijn vergeleken bij die van een ander, maar altijd toch weer een vervreemding betekent van de werkelijkheid. Dat is goed en dat moet zo zijn, want de waarheid wordt geschapen door de leugens die elkaar bevestigen, omdat elke leugen die wordt gesproken een deel waarheid inhoudt, zelfs al lijkt ze onwaarschijnlijk. Onwaarheden hebben de neiging elkaar uit te roeien. De waarheid blijft toch. Zo leven wij in onze dromen en in onze begoochelingen. Innerlijk misschien zinloos gelovend of strevend, worden wij voortdurend geconfronteerd met andere delen van het werkelijke bestaan. Indien wij nu maar bereid zijn alles prijs te geven wat niet past bij de ervaring, dan komt er een ogenblik dat wij kunnen zeggen: wij zijn dichter bij de werkelijkheid gekomen, omdat wij steeds meer weten te bepalen wat wij zelf zijn voor de wereld en wat de wereld is voor ons. En dan komt er misschien ook een ogenblik dat wij de tijd wat meer kunnen uitschakelen, zeggend: ik ben niet wat ik vandaag ben, maar vandaag druk ik uit wat ik ben geweest en ooit zal zijn. De veelheid van alle verschijningsvormen, die tezamen mijn “ik” uitmaken in de totaliteit, vloeien altijd weer in dit moment samen. Ais ik op dit moment mijzelf besef, heb ik de eeuwigheid. Als u dat eens wilt overwegen, kunt u wellicht begrijpen hoe ik de relatie zie tussen “ik” en Maya. Hoe ze voor u is, zult u zelf moeten uitmaken. Deze raad wil ik u tenslotte toch nog geven. Wees niet bang voor de dingen in u die u verachtelijk vindt, want niets is verachtelijk. Verhef u niet op datgene wat u ziet als uw deugden, want deugden zijn slechts de bevestiging van de eigen harmonie, de waarheid die u bent en als zodanig zijn ze niets buitengewoons, maar gewoon een normale wezensuitdrukking.

Erken uzelf zoals u bent. Aanvaard uzelf zoals u bent en toets al wat u denkt omtrent de kosmos en uzelf voortdurend aan de feiten. Er zal dan een ogenblik komen dat u zegt: Ik ben maar één enkel deel in het mozaïek van de werkelijkheid en deelzijnde daarvan ervaar ik het geheel en functioneer ik bewust in het geheel volgens mijn wezen en functie.