9 juni 1959
Magische concepten en praktische mogelijkheden
U heeft misschien bezien dat de vorige les ten dele een samenvatting en een herhaling is, met enkele nieuwe gegevens erbij. Ik wil nu de nadruk eens gaan leggen op bepaalde magische concepten. In de tweede plaats zou ik nog graag terug willen komen op de praktische mogelijkheden.
Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat de magie in feite een wetenschap is, die zich baseert op wetten, die hier op aarde niet, of zich niet zo kenbaar maken.
Dan moeten wij dus ook uitgaan van het standpunt, dat alle magie in directe relatie staat met andere gebieden en nimmer kan beantwoorden aan de normale redelijkheid, die op aarde wordt gehanteerd.
Het tweede punt, dat wij onmiddellijk zien, is dat deze magie, ofschoon zij gehoorzaamt aan haar eigen wetten, klaarblijkelijk in de eerste plaats gehoorzaamt aan bepaalde psychische wetten en niet aan fysieke wetten. Ook het fysiek verschijnsel in de magie wordt altijd via een psychische tussenweg geproduceerd. Het resultaat is, dat wij het redelijkheidsconcept van de magie kunnen vergelijken met een redelijkheidsconcept, dat ook leeft in de menselijke psyche. Dit is zeer klaarblijkelijk dat kunt u zien aan iedereen rond u en ook aan uzelf geen concept, dat volledig beantwoordt aan de voorstelling van redelijkheid. Conclusie: Degene, die met magie werkt, moet ten dele de redelijkheid opzij zetten.
Een derde punt: Wanneer wij in de magie komen tot een onderscheid van de verschillende handelingswijzen en methoden, dan valt ons op dat naast een zeer nauw omschreven, z.g. rituele magie, een vrijere soort magie bestaat, die hetzelfde kan bereiken.
Vreemd genoeg doet de rituele magie ons vaak denken aan een kerkelijke plechtigheid, waarbij alle daar voorkomende effecten ook voor zichzelf worden gebruikt, zoals daar zijn: bepaalde incantaties en liederen, reukwerken, belichting, gebed en ook daarbij, onthouding van bepaalde warden, reiniging, tot zelfs een soort doopplechtigheid toe. Transmutatie, zoals in de katholieke kerk voorstelt tijdens de consecratie van de hostie, vinden wij in de magie in vele gevallen terug door het geven van z.g. sympathische waarde aan voorwerpen.
In de vrije magie valt dit kerkelijk karakter een beetje weg en komt daarvoor in de plaats het gevoelselement. Het typische van deze laatste vorm is, dat deze alleen mogelijkheid tot slagen biedt, wanneer men zichzelf volledig kan overtuigen en volledig kan opgaan in de werking. Bij een officiële incantatie maakt men gebruik van reeksen namen en begrippen, die elk voor zich weer ontleend zijn aan een bepaalde voorstelling van de kosmos. Het kennen van deze begrippen, plus de incantatie, vormen tezamen een van buiten dwingend geheel, dat de eigen psyche en instelling zodanig beïnvloedt, dat wij daardoor tot eenheid met de sfeer, waarmee wij werken, worden getrokken. Bij de z.g. vrije magie is het precies omgekeerd. Daar zullen wij in onszelf de spanning moeten wekken die noodzakelijk is voor de bereiking en deze, door middel van de incantatie bv., mededelen aan hetgeen ons omringt. Wij moeten tussen deze beide vormen van magie een zeer scherpe scheiding maken. Hetgeen wij u in de afgelopen tijd getracht hebben te leren ligt op het terrein der vrije magie en dan nog wel gedefinieerd: De vrije witte magie.
Het verschil tussen wit en zwart is, zoals men zegt, een verschil in intentie. Maar het is ook een verschil in beheersen. Hoe vreemd het u ook moge klinken: In de vrije magie is voor ’t bereiken van een zwart magisch resultaat een grotere beheersing nodig, dan voor een wit magisch resultaat. Het wit magische is nl. afgesteld op hetgeen, waarnaar de mens hunkert en grijpt: Gebieden van vreugde, vrede, van zelfverhoging en zelfuiting. Het zwart magische werk daarentegen is altijd beperkend en egoïstisch. In dit egoïsme echter betekent het ook een beperking van eigen mogelijkheden en vermogens. Het is daarom, dat voor zwart magische bereikingen altijd praktisch rituele magie wordt gebruik, terwijl voor de witte magie van vrij magische handelingen met zeer goed resultaat gebruik gemaakt kan worden. Dit is even een korte herhaling dus van de grondprincipes, die u al verschillende keren hebt gehoord. Dan gaan wij nu even de verschillende mogelijkheden van de vrije magie na.
In de eerste plaats: wij kunnen werken door eigen instelling. Bij eigen instelling kunnen wij aan het eigen persoonlijkheidspatroon een bepaalde tendens opleggen dat zo sterk kan worden geuit, dat ons leven wordt beïnvloed en wij kunnen daardoor in onze omgeving bepaalde effecten bereiken. Wanneer wij verder dan de onmiddellijke omgeving willen werken, of willen werken met een intensiteit, die groter is dan ons eigen vermogen, zullen wij echter te allen tijde gebruik moeten maken van krachten, die buiten ons staan. Het gevolg is dat in een dergelijk geval de incantatie noodzakelijk is en deze ook inderdaad en luid gesproken moet worden. Daarnaast kunnen wij gebruik maken van reukwerken, die in de eerste plaats wel de taak hebben, onszelf voor te bereiden op een zekere plechtigheid, een zeker gebeuren. Daarnaast kunnen in reukwerken bepaalde stoffen verwerkt zijn, die a.h.w. harmoniëren met andere gebieden van trilling, andere sferen, andere fasen van bewustzijn. Wij kunnen dus het reukwerk een dubbele waarde toekennen: Een beïnvloeding van ons eigen wezen en de anderen, die evt. bij de handeling aanwezig zijn. In de tweede plaats de beïnvloeding van wezens in andere sferen, die wij dus op deze wijze benaderen.
Verder wil ik nog iets zeggen over dat persoonlijkheidspatroon. Technisch gezien: In het lichaam wordt een hoeveelheid elektriciteit geproduceerd: Die wordt niet regelmatig geproduceerd en zij functioneert dus zeer scherp in haar intensiteit en uiting. Daar komt bij, dat door overdracht in de zenuwkanalen, van neuron tot neuron gaat. Een neuron is een cel, die uitgestulpt is aan beide kanten a.h.w. een soort haakjes heeft. De reactie die ontstaat is niet alleen een elektrische, maar daarnaast ook een chemische. D.w.z. dat er onderling chemische beïnvloeding van de zenuwcellen t.o.v. elkaar optreedt. Deze gaat gepaard met een prikkelimpuls van bio-elektrische geaardheid. Dit zijn gegevens, die u overigens na kunt gaan, of zij volgens uw eigen wetenschap, juist zijn.
Nu kan het dus gebeuren, dat ons eigen wezen door zijn instelling sommige stoffen meer dan normaal produceert. Het eigenaardige is, dat een cel van deze stoffen in de weefsels wordt geabsorbeerd en ook in de zenuwcellen terecht kan komen. Deze instelling duurt betrekkelijk lang. Wanneer in ons de emotie bv. een afscheiding veroorzaakt, dan kan het zelfs van 10 – 20 minuten duren, voordat die invloed zich volkomen kenbaar maakt in ons eigen zenuwstelsel. Voor die tijd hebben wij al iets anders gedaan. Wij hebben nl. ook stoffen, die gezien de emotie, uit het lichaam worden uitgebracht. De uitwaseming van de mens verandert enigszins. Ofschoon een groot deel van de omgeving dit niet bewust kan waarnemen, betekent toch ook dit een verandering. Denkt u eens na over de aantasting van metalen door de uitwaseming van het menselijk lichaam. Een mens draagt een zilveren ring, die zwart wordt enz. enz. Er is dus sprake van een chemische werking, die selectief is, die niet alle gebieden gelijkelijk aantast. Dit betekent een verschuiving van waarden in de omgeving. Daarnaast krijgen wij deze elektrische impuls, die buiten zich dus a.h.w. een gebied induceert, waarin dezelfde fluctuaties optreden, die in het zenuwstelsel zelf optreden. De kern, van waaruit wij werken, is natuurlijk en blijft altijd het hoofd, de hersenen. In de magie werk je vanuit de hersenen, omdat daar de eerste impulsen ontstaan en omdat daar alleen de directe van impulsen verder redelijk mogelijk is. Nu gaat dit deel van de grote hersenen uit, maar wij krijgen een reflexwerking aan de kleine hersenen, dus een ultramatisme. De varianten die ontstaan, kunnen invloed uitoefenen op buiten ons liggende personen. Wij spreken nu over een persoonlijkheidspatroon, wanneer de normale uitwaseming, plus een normale geïnduceerde straling, de reactie buiten de aura, dus niet in de aura zelf, gewekt beantwoordt aan bepaalde trillings eisen. Dat is dat niet meer dan zoveel pieken boven het gemiddelde voorkomen per minuut: In de tweede plaats, dat niet meer dan zoveel dieptepunten voorkomen per minuut. D.w.z. onder het gemiddelde. Daar nemen wij dan voor een piek en een verlaging bij een grafiek ongeveer 10%. Dus wat er boven en er onder komt, betekent een uitschieter.
Wanneer wij dat gaan zien, blijkt, dat bij elke mens deze dingen een bepaalde impuls geven, die grafisch is vast te leggen, maar een vast, zich herhalend verschijnsel. Een stemming, of gemoedstoestand, kan dit inderdaad veranderen. Zolang dit niet het geval is, hebben wij een eigen persoonlijkheidspatroon. Al, wat daarop wordt geënt, door emotie, prikkel en ervaring, betekent niet een wijziging van het grondpatroon, maar een versterking van bepaalde factoren daarin. Je zou dus kunnen zeggen, dat het persoonlijkheidspatroon altijd blijft bestaan, maar dat daarop bepaalde emotionele spanningen geënt kunnen worden. Dan kunnen wij van hieruit verder gaan en zeggen: Het persoonlijkheidspatroon is datgene, waarmee je normalerwijze de omgeving a.h.w. benadert en beroert. Het is de invloed, die u op uw omgeving hebt. Hieruit volgt dat die omgeving normalerwijze een eigen veld hebben, een vaste impuls zal hebben als gevolg, dus ook een vaste reactie op uw wezen. Wanneer nl. twee persoonlijkheidspatronen volledig gelijk zijn, versterken zij elkaar: Hoogte en dieptepunten, die dus als van buiten komende beïnvloeding door beiden worden ervaren zijn dubbel zo groot. Wij hebben de mogelijkheid tot groter samenwerking, maar ook tot groter stelling.
Heffen zij elkaar volledig op, dan is de reactie zozeer apathisch, dat wij ons weg gezogen gevoelen. Het is alsof iemand ons eenvoudig aftapt. Naast deze verschijnselen, die je bij een gewone mens merkt, is het duidelijk, is het duidelijk, dat juist deze impulsen van fijnere geaardheid, ook zullen kunnen werken in een astraal gebied en ook daarboven gelegen gebieden, en ook de daaronder gelegen gebieden. Op het ogenblik, dat wij een gelijkheid bereiken met een bepaalde sfeer, zal een versterking van onze eigen impulsen vanuit die sfeer plaatsvinden. Een verveelvoudiging van onze vermogens kan dus bereikt worden, door instelling op die sfeer, waarbij het grondpatroon van de eigen persoonlijkheid steeds gebruikt moet worden om de keuze van sfeer te rechtvaardigen. Nu zullen wij in de magie altijd ontdekken, dat de magiër en ook de psychometrist, het medium, de magnetiseur enz. altijd, wanneer hij ernstig werkt, om dit patroon van zijn medemensen a.h.w. over te nemen.
Hieruit volgt, dat het eigen patroon aan bepaalde varianten onderhevig is en dat deze varianten kunnen worden beheerst. Wij kunnen nooit een absolute tegenstelling tot gelijkheid met ons eigen wezen brengen. Maar wij kunnen wel ons eigen wezen tijdelijk zozeer vertragen, of verscherpen, versnellen dus dat de reactie van de ander, op ons minder invloed heeft. Wij gebruiken deze patronen voor ons dus hoofdzakelijk er zijn uitzonderingen om in de eerste plaats onze speciale relatie met speciale sferen vast te stellen en in de tweede plaats onze bepaalde verhouding t.o.v. mensen te wijzigen en bv. sympathieën en antipathieën, vreugde, of vrees bij anderen te doen ontstaan, zonder daarbij het doel uit het oog te verliezen.
Gezien vanuit geestelijk standpunt werkt de trilling die de mens op deze wijze uitzendt, eigenlijk als een supersonische trilling. Zij ligt onder het directe gehoor, onder de directe waarneming, maar wekt in die sfeer bepaalde emoties. Wij kunnen nu door een betrekkelijk onder uw gehoor liggende trilling te laten horen, bv. tot angst bewegen. Wij kunnen u zelfs ’t gevoel geven, dat uw benen loodzwaar worden, dat u niet verder kunt, dus dat een soort verlamming wordt veroorzaakt. Op deze wijze reageert u nu in die hogere sferen: Het gevolg is, dat die sfeer zich moet realiseren, wat er gaande is. Zij kan dit alleen door zichzelf ook wederom af te stemmen, tot waarneembaarheid van dit voor hen supersonische optreedt.
Entiteiten die dit doen, zullen zich daardoor kunnen realiseren, wat behoefte, oorzaak en wat noodzaak is. Is deze hinderpaal niet in strijd met hetgeen de sfeer zelf als goed erkent, dan treedt een vergroting van stimulans op, daardoor wordt in sommige gevallen de magiër verheven boven het gewone peil, dus direct contact kan krijgen: In andere gevallen echter zoveel kracht wordt gegeven, dat aan de eis, die de trilling veroorzaakte, werd voldaan. Uitwisseling van krachten tussen de sferen is op deze wijze eenvoudig te bereiken en de aanpassing van het persoonlijkheidspatroon is daarvoor zeer belangrijk.
In de magische praktijk zal ons verder blijken, dat zolang wij ons met de vrije magie bezig houden, instelling, maar ook gedachte, een zeer grote rol spelen. Men zou het volgens aardse wetenschap, ook zo uit kunnen drukken: Zeer veel van de magie is niet anders dan een suggestie, die zo sterk wordt uitgedrukt, dat niet slechts levende, maar ook dode voorwerpen in de omgeving en zelfs op verre afstand aan deze zelfde suggestie toegeven en daardoor een schijnbare realiteit tot stand brengen. Elke handeling die langs magische weg bestaat, is schijnbaar. Wij kunnen niet reëel iets veranderen, maar wij kunnen iets schijnbaar veranderen door de reactie, psychisch, van anderen dit tot een realiteit maakt. Het is misschien goed, dat wij hierop nog even de nadruk leggen. Onze magie bestaat niet in de eerste plaats uit het herscheppen, of omscheppen, van bestaande waarden maar uit het scheppen van condities, waardoor in de omgeving de behoefte tot concretisering met het door ons geschapene ontstaat. In de oude tijd werd dit heel vaak bereikt via de onbewuste verlangens en begeerten der massa. de z.g. suggestiewonderen van de priesters in Egypte bv., de slangen, lichtende kransen enz. enz., die zij toonden, waren niets anders dan een sublimatie van bepaalde symbolen, die in het volk leefden. Hier was dus een betrekkelijk kleine impuls noodzakelijk.
Andere wonderen echter, zoals bv. de opwekkingen door Appolonius, Apostratus, en tal van plotselinge genezingen van zware zieken enz., zijn weer gebaseerd dus op het overdonderen van één persoon en heel vaak het overdonderen van die persoon tegen eigen begeren in. Wij moeten dus bij de toepassing van de magie ons niet alleen op de afstemming verlaten, maar ook wel gelijk rekening houden met de persoonlijke instelling van degene die wij willen bereiken. Hoe groter de suggestibiliteit van deze persoon, hoe makkelijker ook effecten resulteren, hoe makkelijker ook onze eigen inwerking teniet wordt gedaan. Hoe moeilijker wij dus een persoon kunnen overtuigen, hoe moeilijker het zal zijn om een kenbaar resultaat tot stand te brengen. Is dit echter tot stand gebracht, dan is het over het algemeen van blijvend resultaat. Voor degene, die zelf gebruik willen maken van de magie, geldt verder nog het volgende:
Wetend, dat u werkt met psychische krachten, zult u ongetwijfeld voortdurend uzelf oefenen in het beheersen van die delen in uw psyche, die voor uzelf beheersbaar zijn. u zult voor die beheersing alle methoden en middelen gebruiken, die u ten dienste staan en die u in de door u begeerde toestand kunnen brengen. Dit houdt in dat de magiër, juist gezien de behoefte, die zijn werking met zich brengt, in vele gevallen enigszins staat buiten, of boven de normale regels en wetten, die gelden voor de normale burger. Hij zal echter steeds zijn leven zo in moeten kleden, dat hij niet in oppositie komt t.o.v. de maatschappij. Doet hij dit nl. dan staat alleen voor hem de weg der zwarte magie open, waar hij niet in staat is sympathische werkingen en krachten op te wekken, sterk genoeg om zijn magische resultaten van blijvende waarde te verlenen. De praktijk wij hebben in de praktijk al meerdere malen gesproken over incantaties, afschermingen, over de Scheingestalt, de projecties en gebruiken ter vervulling a.h.w. in ons bestaande behoeften, die wij in onszelf menen te moeten kunnen vervullen.
Ook hierbij gelden enige praktische regelen: De middelen, die wij gebruiken om onszelf in een toestand van overgevoeligheid, helderziendheid e.d. te brengen, zullen steeds zo moeten worden gekozen, dat wijzelf erover meester blijven. Er bestaan verschillende giften, die door hun werking vaak versnellend werken, wat de psyche betreft, en gelijktijdig vertragend, wat de fysieke mogelijkheid betreft, wat ons in staat stelt andere sferen te benaderen en daar bepaalde dingen waar te nemen en onze gedachtebeelden daarin te uiten. Het is jammer, dat een deel van deze giften verslavend werken, ofwel direct schadelijk zijn voor ons fysiek, wanneer wij in de stof zijn, in de geest hebben wij zulke dingen niet nodig.
Hieruit volgt dus, dat wij zoveel mogelijk afstand moeten doen van de hulpmiddelen, die vooral de rituele magiër zo graag gebruikt. Er zijn bepaalde verdovingsmiddelen, reukstoffen, roes veroorzakende kruiden e.d.. Daarvoor in de plaats moeten wij stellen onze eigen fantasie, ons voorstellingsvermogen. In dit voorstellingsvermogen moeten wij trachten elke toestand, die voor ons begeerlijk is, te realiseren. Tijdens deze realisatie mits intens genoeg zullen wij nl. in onszelf de reacties opwekken, die ons persoonlijkheidspatroon aanpast aan de gewenste sfeer en toestand. Het gaat niet erom, dat wij in onszelf dromen, maar het gaat erom, dat wij door middel van die droom door middel van die gedachtegang, door middel van dat schijnbeeld, dat wij ons opbouwen, in contact komen met sferen en werelden, waar een realisatie mogelijk zou zijn. Het houdt echter ook in, dat indien wij gebruik maken van het fantastisch beeld tijdens een concentratie, dit fantastisch beeld naast de voor ons belangrijke en emotie wekkende elementen, ook tevens het element van ons magisch werken moet bevatten.
Eerst dan is het mogelijk, waar door de droom een eliminatie van begeerte-elementen ontstaan, zover dit door ons vervuld kan worden. Het enige, wat niet reëel verwerkelijkbaar is en toch gebonden is aan buiten ons staande waarden, tot centraal punt van elke kracht te maken van de gehele sfeer. Wij zullen over het algemeen heel weinig kunnen bereiken, wanneer wij niet geleerd hebben om uiting te geven aan bepaalde dingen die in ons leven. In het begin is dat heel erg moeilijk voor een mens, maar wij moeten toch leren op enigerlei wijze die dingen naar voren of naar buiten te brengen. Wanneer wij dat doen, dan zijn wij daardoor nl. in staat een hele scala van gevoelens over te brengen op anderen en dus ook op onze omgeving. Een incantatie berust hoofdzakelijk op het vermogen bepaalde trillingen, die emotie verwekkend zijn, aan anderen te geven. Wij kunnen die emotie niet alleen mechanisch wekken. Het is dus niet mogelijk te zeggen: “Nu gaan wij eens even vaststellen, toon a is geschikt voor emotie a, dus met die toon bereik ik dat.”
Wanneer wij daar niet een zekere gevoelswaarde inleggen, dus een element, dat ook weer het persoonlijkheidspatroon naar buiten toe brengt, dat een zekere psychische en telepathische invloed tevens betekent mogelijkerwijze zelfs via het onderbewustzijn dan zullen wij daar niet ver mee komen. Wij hebben allemaal een reeks in ons van vaste waarden en zullen leren bepaalde voorstellingen te verknopen met bepaalde door ons gewenste werkingen. Wij kunnen dus op een heel simpele wijze leren om elke incantatie juist te spreken, nl. wanneer wij in onszelf de toestand weten te wekken voor het werkzaam doen worden van die incantatie.
Voor het geval u het misschien nog niet weet: Elke incantatie, die algemeen hulp inroept, moet zijn geboren in een gevoel van hulpeloosheid. Men moet zich dus bewust van de onvolkomenheid van eigen vermogens, waar dit niet aanwezig is, de steun van anderen en zeker niet vanuit een andere sfeer, makkelijker bereikt zal worden. Wanneer men zich op een bepaald deel richt en daarbij hulp nodig heeft, zal men zich van zijn onvolkomenheden op dat terrein zeer scherp bewust moeten zijn. Wanneer de gedachte er een is van vrede, dan zal die moeten gebaseerd zijn op het kennen van onvrede, een realisatie van wat vrede kan zijn, een voorstelling daarvan, waardoor het ik enigszins de vrede ondergaat. Gaat het om liefde, dan moeten vrij altijd erg voorzichtig zijn. Elke liefde, die gebonden gaat met hartstocht, is een direct beroep op bepaalde fysieke factoren. Het resultaat is, dat een dergelijk beroep op het fysiek geestelijke werkingen uitsluit, of slechts lagere werkingen toelaat. Hartstocht kan alleen gebruikt worden als middel van persoonlijke bewustwording, maar kan in de magie niet gebruikt worden om bepaalde werkingen te bereiken. Wat wel kan, is, dat wij onze genegenheid, waaraan voor ons niet een directe hartstochtbinding aan vast zit, zo sterk voorstellen: Bv. een vriendschap, of dezelfde geborgenheid van een familiekring, dat wij hierdoor komen tot die uitdrukking van genegenheid, die wij in de wereld kunnen uit zenden en die bv. gebruikt kan worden om bedroefden te troosten, maar ook om alle werkingen, die uit innerlijke disharmonie ontstaan zijn, op een eenvoudige wijze uit de weg te ruimen.
Hoevelen zijn er onder u, die menen dat zij inderdaad zo’n incantatie kunnen gebruiken? Die het althans proberen: Zullen wij zeggen: 2,5? Dat is ongeveer juist.
Wanneer u die dingen nu niet gebruiken wilt, dat u zichzelf er dwaas bij voelt, of om welke reden ook, dan is het verstandiger om al die dingen te vergeten. Wanneer u er half van afweet en niet tot de daad kunt komen, dan zult u onbewust op een gegeven ogenblik die werkingen wel gebruiken krachtens uw kennis maar dan op een ogenblik, dat u zelf uw emoties niet beheerst en dus ook de resultaten niet kunt beheersen. Of wij doen het helemaal niet, of wij proberen het helemaal goed te doen.
De kwestie van afscherming en magisch schild. In de rituele magie wordt door afscherming en magisch schild meestal bereikt door bepaalde symbolen. De symbolen, die als schild gebruikt worden (machtssymbolen) waarin de Goddelijke wet, de Goddelijke werking, de weerspiegeling macrokosmos microkosmos en de Goddelijke naam worden uitgebeeld, of aangeduid. Wat de directe afweer betreft, daarbij wordt over het algemeen gebruik gemaakt van het wapen: De dolk, of ook wel het zwaard. Dezen bevatten dan de metalen, of ook wel de edelstenen, behorende aan de planeten van het zonnestelsel en wel gelimiteerd tot zeven planeten, dus het oude systeem.
Daarnaast zullen wij over het algemeen op een dergelijke dolk, of zwaard, lezen de magische namen, die normalerwijze in de astrologie door sterrenbeelden worden aangeduid. Wij zullen lezen de namen van de vorsten en de eerste genii van de 7 planeten, aangevuld met dat van de drie of vier heersers. In de meest perfecte vorm van magie, zoals die een tijdlang gebruikt werd in het zuiden van Spanje, vinden wij zelfs vijf namen, waardoor dus het 12-tal der planeten het Goddelijk getal der planeten volledig werd afgerond en alle krachten daarmee in directe werking betrokken zijn. Een dergelijke werking is alleen te bereiken, wanneer wij volledig een afweerritueel kennen.
Het bezit van een amulet, of talisman, kan onder sommige omstandigheden zeer gunstig zijn. In de eerste plaats is zij vervaardigd onder een hevige spanning, zodat zij evenals op een steravond een bepaalde uitstraling heeft. Deze uitstraling geeft ons bv. zelfverzekerdheid. Daarnaast bevat zij symbolen, waaraan wij, op het ogenblik dat deze werking ontstaat, onwillekeurig denken. Wij hebben dan een magisch schild als resultaat daarvan door een gedachtebeeld, dat door een stoffelijke afbinding wordt versterkt.
Dat is ook voor de vrije magie niet noodzakelijk, en buiten het dragen van een enkele talisman misschien, dan denk ik hier bv. aan de bekende tetragrammen over het algemeen af te raden. Wanneer wij ons bezig houden met magie, dan zijn wij geneigd om tot bijgeloof over te gaan en zou u dus komen tot een toekennen van te grote waarde aan dergelijke voorwerpen, schrifturen e.d..
De vrij magiër echter moet dit schild ook kunnen handhaven. Hij kan dit in de eerste plaats doen via een weg van zelfsuggestie. Dit betekent dat men een grens rond zichzelf trekt, een symbolische of denkbeeldige grens, die zo scherp mogelijk wordt aangeduid. Die grens bestaat dan meestal uit de rituele magie geleende dubbele cirkel, waartussen evt. de verschillende heilige namen, of Godsnamen, ondergebracht zijn. Heel vaak vinden wij ook daar de functionele namen, meestal aan de top: Tetragrammaton, Messias, Ischias en heel vaak ook nog vaak als balansnaam Ishtar, een oude Godsnaam van een semi-demonisch begrip, een liefdesbegrip.
Met deze namen bereiken wij dus een afscherming. Wij kunnen het nog veel eenvoudiger doen, indien wij ons realiseren, dat op elk ogenblik, dat wij onszelf zijn, zo sterk als wij onszelf maar kunnen zijn, wij automatisch elke zwakkere impuls weerkaatsen, terwijl wij bovendien het aanbrengen van een variant in onze eigen persoonlijkheid, zeer moeilijk maken. Elk magisch ingrijpen denkt u aan hetgeen wij in het begin al hebben gezegd, berust op een ingrijpen via de psychische weg en kan niet onmiddellijk fysiek gebeuren. Welk middellijk, dus door ingrijpen van anderen. Tegen de stoffelijke resultaten kunnen wij ons over het algemeen beschermen door stoffelijke middelen. Tegen geestelijke middelen kunnen wij ons echter beschermen door onze eigen persoonlijkheid zo zeer zichzelf te doen zijn, met een zo grote zelfverzekerdheid, dat daar door een niet aantastbaar zijn ontstaat.
De energie, die noodzakelijk zou zijn om onze persoonlijkheid voldoende te wijzigen voor een in resultaat overgaand ingrijpen, betekent dan voor de zwart magiër een zelfvernietiging. Is het een witmagiër, dan wordt zij automatisch getransponeerd in krachten, die voor ons beiden kenbaar zijn en die wij naar believen kunnen nemen, of verwerpen. Hoe meer wij van onszelf verzekerd zijn, hoe minder wij angst kennen, hoe minder wij een schuldgevoelen in ons hebben, hoe sterker wij zullen staan togen elke paranormale beïnvloeding via de psychische weg. T.a.v. schuldgevoelens en onzekerheid het volgende: Onzekerheid kan voor ons slechts dan ontstaan, wanneer wij twijfelen aan ons eigen vermogen tot volbrenging. Laat ons voortdurend dus voor ogen stellen wat wij kunnen, daarnaast wat wij hopen te bereiken. Laat ons nooit iets trachten te bereiken, dat veel verder gaat dan ons reeds erkend kunnen. Wanneer wij te ver grijpen buiten het voor ons aanvaardbare, begrijpelijke en normale, zullen wij onszelf te onzeker gevoelen en daarbij te kwetsbaar zijn.
Wanneer wij ons bezig moeten houden met het verleden, dan kunnen wij daaraan natuurlijk weinig doen. Zodra wij in onszelf een schuldgevoel voelen opkomen, is er slechts één weg. Laat ons trachten dit in het heden zo snel mogelijk te compenseren, opdat wij ons niet minderwaardig, of ook wel zondig gevoelen. Dit gevoelen betekent een innerlijke strijdigheid, die op de duur tot een vergroting van kwetsbaarheid kan voeren, waar er ergens in onze verdediging een bres is. Laat ons verder onthouden, dat elke zorg, die wij voor de toekomst hebben, schadelijk kan zijn. Het is niet redelijk te veel zorgen te maken voor de toekomst, behalve op de ogenblikken, die speciaal aan de beschouwing aan de toekomst gewijd zijn. Wij hebben met het heden te maken en in het heden kunnen wij over het algemeen ons mannetje best staan. Wij kunnen het heden wel aan. Het gebeurt maar heel zelden, dat wij voor een toestand komen te staan, waar wij helemaal niet tegen op kunnen. Het gevolg is, dat zolang als wij ons tot het heden bepalen, wij met een redelijke, innerlijke zekerheid staan t.o.v. elk geestelijk en paranormale inwerking. Dat wil zelfs zeggen, dat wij direct uit de geest komende inwerkingen zelf kunnen selecteren en dat zij onderworpen aan ons in het heden staand ik, dat redelijk reageert, alleen een directe hulp kunnen zijn voor onze bereikingen, een correctie misschien van onze meningen, maar nooit een dwingende beïnvloeding van ons wezen.
Vragen
Bij de piek naar boven en naar onder en de beïnvloeding, die dus vanuit een andere wereld of veld hierop kan plaats vinden. Om het patroon van een ander vast te stellen moeten daar punten van overeenkomst zijn om een contact te verkrijgen.
Een overeenkomst verkrijgen wij dus in dit patroon alleen door ofwel zelf volkomen neutraal te zijn, dus volkomen onberoerd te zijn, ofwel met de ander een gelijke belangstelling en gelijke interesse te hebben een gelijke emotie zelfs. Dat zijn de wegen, die daartoe bestaan. Ik heb mij zeker niet juist uitgedrukt zo-even, omdat u spreekt over pieken onder en boven. Dat is niet juist: Het is nl. zo, dat op een horizontale lijn dus een verticale grafiek beweegt, die zich toont in een zigzaglijn, die een onder en boven de middellijn een gelijke uitslag geeft. Maar die op een gegeven ogenblik een uitslag kan hebben van 5 centimeter aan elke kant en dan plotseling overgaat tot een uitslag van één centimeter, aan dezelfde kant. De gemiddelde uitslag zal misschijn 3 centimeter zijn. Dus 5 cm is een hoge piek en 1 cm een lage piek.
U had het over het gevoel, alsof je leeggezogen bent. Is het dan iemand, die volkomen aan je tegengesteld is?
Dan is het iemand wiens eigen uitstraling dus volledig elke uitstraling van uw eigen wezen kent. Op het ogenblik, dat u een positieve piek heeft, is die ander net een negatieve piek. U komt bv. binnen met een redelijk hoge stimulans, dus Uw persoonlijkheidspatroon heeft een activiteit, die boven normaal ligt. U komt bij een persoon, die even onder normaal ligt. Wat is het gevolg? Dat u weer terugkeert naar normaal, maar nu niet begrijpend, waarom dit terugloopt, waarschijnlijk zelf ook onder normaal zult afzakken. Dan krijgt u dus een zekere apathie.
Kun je je afschermen daartegen?
Ja. Het is ook tegen te gaan door te erkennen, wat er gaande is, want dan kunnen wij proberen uit fase te komen met die andere persoon. Dat betekent, dat wij ons volledig vrij moeten maken van elke beïnvloeding, die hij op het ogenblik op ons heeft en dat wij zelf een volledig nieuwe stimulans moeten schoppen. Voorbeeld: Wanneer je bemerkt, dat zoiets het geval is. Het is je gastvrouw, die het doet. Laat dan maar eens een kopje kapot vallen. Maar dan heeft u daarmee een schok geschapen, die u het mogelijk maakt over te schakelen op een andere impuls. Dan zal dat gevoel van “leeg gezogen worden” heel vaak dus afzakken.
Heeft u het een tijdje ondergaan en weet u niet, hoe u zich daarvan af moet maken, dan moet u niet zeggen, dat u zo moe bent, dan moet u proberen een stimulans te vinden, dus: Een handeling, een gebeuren, misschien gaat u een potje bier pakken, of u gaat een partijtje kegelen, desnoods gaat u een keertje op uw handen lopen. Maar u gaat iets doen, wat buiten de regels is, buiten het normale. U schept daardoor een stimulans en u ziet, dat daardoor die vermoeidheid gauw verdwijnt. het is een psychische kwestie. Je kunt het door je eigen patroon weer op te voeren a.h.w. wegdrukken.
U had het in het begin over beheersing. Wilt u daarover een paar voorbeelden geven?
Beheersing wil zeggen dat wanneer u dorst heeft heel rustig, omdat het nu op dit ogenblik niet past om te drinken, een glas water met koel water bv. voor u kunt laten staan. Dat, terwijl u eigenlijk haast heeft, u zichzelf rustig bedwingen kunt en een kalm tempo aannemen, zonder dat u daardoor innerlijk zenuwachtiger wordt. Het gaat niet alleen om het uiterlijke maar ook om het innerlijke. De magiër werkt nu eenmaal met emoties. Nu kan het bv. nodig zijn, dat wij ons zelf opzwepen tot een zeer grote woede. Dat kan eens een keer nodig zijn. Maar als wij die woede niet af kunnen draaien als een kraan, die dicht gaat, wat krijgen wij dan? Dan gaan wij niet alleen ons magische drijven daarmee beïnvloeden, maar onze hele omgeving. Wij krijgen die impuls zelf terug en worden nu a.h.w. ondergedompeld in deze door ons zelf geschapen emotie. Het maakt het ook ons onmogelijk om verder iets te doen. Toch moeten wij wanneer het nodig is, in een kort ogenblik zo kwaad worden, dat wij in staat zouden zijn de hele wereld uitroeien, maar met zoveel verstand, dat wij meteen al kunnen zeggen: Nu is het genoeg….
Het is moeilijker, dan u denkt. Als je eenmaal kent, is het buitengewoon praktisch. Weet u, wie dat heel vaak goed kunnen? Moeders, die vijf, of zes kleine kinderen hebben. Die leren die kunstmatige woede en droefheid over het algemeen zo overtuigend te brengen, dat zij er zelf in geloven. Dat is ook een soort magisch principe. Het kind dus in een zekere sfeer brengen, waardoor het reageert. Dat kun je soms doen, zonder dat je daarvoor enige uiterlijke middelen bij gebruikt. Met een blik van de ogen kunnen zij de kinderen regeren. Waarom? Omdat de uitstraling zo intens is, dat het kind, gevoeliger dan een normaal mens daarvoor, alleen daarop al reageert en zich vaak laat commanderen. Het is voor u nodig op een gegeven ogenblik bepaalde aspecten van uw leven uit te schakelen. U wilt rust, vrede en stilte hebben. Daar staat een jongen met een bromfiets te spelen, daar knalt de radio keihard en staat de t.v.-commentator te vertellen, wat iedereen kan zien. Dan moet u in staat zijn u te beheersen en niet zeggen: Juist, nu ik wil mediteren, doen zij zus en zo….
Die dingen passen er eigenlijk ook wel in. Ik laat die tot een soort dreun samenvloeien, die mijn vrede tot een afscherming van de buitenwereld maken en zo versterken. Dat is dan beheersen. Weet u, wat het moeilijke is? Er aan te denken, dat je het zo moet opvatten, voordat je je zo geërgerd hebt, dat je er niet meer toe komt om erover te denken.
Het betekent dus, dat je bij elk beginfase je moet realiseren: Nu ga ik dat zo doen…. Dat je in staat moet zijn daarmee door te gaan, zelfs wanneer de eerste prikkel van geërgerdheid, of van gejaagdheid op zouden komen. “Dit is niet nodig, jezelf te overtuigen, dat dit je niets kan doen”, dan gaat het verder vanzelf. Eigenlijk is beheersen voor een groot gedeelte nadenken en weten, wat je wilt.
Met het gevolg dat er geen spanningen ontstaan.
Er ontstaan natuurlijk spanningen, maar er ontstaan alleen die spanningen, waarvan wij wensen, dat zij ontstaan. Wij transformeren dus een mogelijke hoogspanning in een lagere spanning met een grotere capaciteit bv. Wij zijn dus in staat om zelf a.h.w. onze output te regelen. Wij zijn in staat zelf te regelen, wat wij aan levenskracht verbruiken op een bepaald ogenblik, maar ook in welke grootorde wij deze kracht in de wereld sturen. Misschien is het wel goed, als je je steeds de volgende dingen steeds voor ogen stelt: Er bestaat niets wat ik alleen kan doen. Ik ben dus voor de wereld niet noodzakelijk. In de tweede plaats: Alles, wat ik kan doen, kan ik alleen doen, wanneer ik het goed doe volgens mijn eigen weten en denken. Anders zal het altijd fout lopen. In de derde plaats: Ik heb altijd tijd genoeg en ik kom nooit tijd tekort. Want indien ik wil, kan ik zoveel onbelangrijks opzij zetten, dat ik drie keer de tijd, die ik nu wil gebruiken, kan reserveren.
Dat is ook feitelijk maar, wanneer je je maar realiseert, hoeveel tijd je eigenlijk aan onbenulligheden besteedt. Het is verstandiger om een taak met 10 anderen te delen, dan een te zware taak zelf te dragen. Het vraagt ook beheersing, omdat je zelf iets wilt doen, maar het is verstandiger om daar assistentie bij te halen zo nu en dan. Je moet a.h.w. leren, ook wat het geestelijke betreft, wat verantwoording betreft, tot zelfs in je gezinsleven, op een zeker ogenblik iets te delegeren. Dat is dus de vrouw, die op een gegeven ogenblik de verantwoording voor de zindelijkheid van de huiskamer delegeert aan haar echtgenoot, die as zit te knoeien, waardoor zij hem niet ergert door met stoffer en blik te lopen en een volgend ogenblik is dat van de heer des huizes, die zijn gezagspositie aan zijn echtgenote delegeert op een ogenblik, dat zij toch opgewonden is, denkende: Ach, ga je gang maar even, ik weet, waar het naar toe moet en zolang het die richting u maar uit gaat, dan ben ik alleen tevreden…..
Dat zijn misschien een paar onbenullige voorbeelden, die erg belangrijk zijn. Alleen op die manier kom je aan een maximum van beheersing. Vergeet één ding niet, dat moet een magiër nog beter weten dan een ander: Het doel in het leven is niet alleen zoveel mogelijk, zoveel goed mogelijk te doen, maar om zoveel mogelijk zo goed mogelijk met zo weinig mogelijk inspanning te doen. Anders put je jezelf nodeloos uit. Deze nodeloze uitputting zul je op een gegeven ogenblik bezuren door een verlies van je capaciteit als magiër. De zwakte als mens, het onvermogen om juist te reageren, dus iets, wat zowel psychisch als fysiek terugslaat. De alles zo simpel en zo eenvoudig mogelijk. Denk liever 10 minuten na over de eenvoudigste weg, dan een ingewikkelde weg te gaan, die 3 x zo lang duurt als de oorspronkelijke weg, inclusief het denken.
Maak je nooit kwaad. Kwaad mogen wij ons maken in algemene zin, wanneer voor ons magisch dit noodzakelijk is. Wanneer wij kwaad zijn, dan moeten wij die woede af reageren. Desnoods: Neem een mattenklopper en ga kleedjes kloppen, of neem eens alle oude borden, die toch in de asbak moeten en ga ze stuk voor stuk kapot slaan. Reageer het af, geef het een uitweg. Ga desnoods in een geluiddichte kamer zitten en scheld, totdat je er hees en schor van bent, maar reageer je woede af, wanneer je ze niet bedwingen kunt. Maar probeer steeds te voorkomen, dat je tot woede, tot opwinding wordt geprikkeld. Wanneer een ander dom is, hoeft u zich daar niet boos over te maken, daar wordt u niets wijzer mee. U moet eerder zorgen, dat u voorkomt, dat een dergelijke dwaasheid nog een keer voorkomt. Wanneer een ander onrechtvaardig is, dan kunt u dat niet herstellen door boos te worden, hoogstens door redelijk te zijn en na te denken, hoe je dit kunt compenseren.
En zo moet u verder gaan. Ook dit is een noodzakelijk deel van de beheersing. Op het ogenblik dat je kwaad wordt, of je je zenuwachtig laat maken, ben je a.h.w. verloren. Maar zolang als jij in zekere zin beschouwend t.o. de dingen staat, sta je er ook iets boven. Dan houd je overzicht. Dan kun je invloed uitoefenen, zo je wilt. Dan gebruik je een beheerste emotie vaak om berekend het juiste effect te veroorzaken. Op die manier heb je ook in het dagelijkse leven al een voordeel, dat grote voordeel, dat je altijd die innerlijke rust hebt, dat vaste patroon, waarop je willekeurig datgene, wat noodzakelijk is om in contact te komen, aanvoelt, met de sfeer, van waaruit je op aarde werkt.
Die emoties en zo.
Dat is eigenlijk niet zo moeilijk, maar het stelt je wel voor een keuze. Of je bent een redelijk wezen, of een emotioneel wezen, maar je kunt het nooit beiden tegelijk zijn. Rede en emotie zijn elkaars vijanden. Wanneer je emotioneel alle dingen wilt doormaken, wilt beleven, dan zul je afstand moeten doen van de rede. Maar daarmee doe je ook afstand van bewust magisch ingrijpen. Maar op het ogenblik, dat je de rede dus stelt, het begrip, het aanvoelen, niet de bekrompen rede: “Zo staat het in het boekje en anders kan het niet”, maar met het redelijke beschouwen, nadenken aan de hand van je ervaringen, nadenken aan de hand, van wat je geleerd hebt, wat je vermoedt en dan kun je elke emotie de baas. Het betekent niet tegen jezelf: “Kom jongen, kop op, hoor. Je hebt geen reden om zo bedroefd, zo zenuwachtig, of zo uitbundig te zijn”. Daar komen wij niet verder mee. Realiseer je: “Maar hoe komt het, dat ik nu zo ben?” Vraag het niet aan een ander, vraag het aan jezelf. “Waarschijnlijk, omdat het niet naar mijn zin gaat. Als het niet naar mijn zin gaat, wat kan ik er zelf aan doen: Ik kan er niet veel aan doen, maar ik zal er tenminste mee daaraan kunnen beginnen”. Begin er mee, dan gaat je neerslachtigheid vanzelf weg. Als je voelt, dat je te uitbundig, te uitgelaten bent, dat je het niet helemaal thuis kunt brengen, dan is het omgekeerd: Maar ik verwacht eigenlijk te veel. Wat kan ik doen om die verwachting althans een beetje te realiseren?” Uitbundigheid wordt omgezet in arbeidskracht, zowel verstandelijk als lichamelijk en leidt tot een beter bereiken.
Nog iets nu. Misschien wel het meest schokkende: U kunt nooit aan een beheersing komen, als u te veel verwacht van anderen, onverschillig, of die uit uw eigen wereld komen, of uit een andere wereld. Wanneer u veel van anderen verwacht, zult u zelf minder doen. Naarmate u zelf minder doet, zult u minder bereiken, want de anderen schieten dan altijd bij uw verwachtingen tekort, of zij uit de geest komen, of ergens anders vandaan, omdat uw verwachting gebaseerd is op het overnemen van uw eigen taak, of u zich dat realiseert of niet. Probeer zelf te doen, wat je doen kunt en verwacht alleen dat, wat noodzakelijk is, inderdaad gegeven wordt.
Er werd gezegd: Iedereen kan zich op zijn wijze een voorstelling maken van het begrip God, zowel in negatieve als in positieve zin, want God is positief en negatief. Hoe is het voorstellingsvermogen van het begrip God? Hoe stellen wij ons dat voor? Hoe stellen wij ons God in het negatieve voor? Ik stel mij God voor als een positief iets. Ik kan mij niet voorstellen, dat God negatief is.
Er zijn genoeg negatieve Godsvoorstellingen op te noemen. Noem bv. Kali Durga. De vernietigende doodsgodin. Denk eens aan Loki. Al die Goden zijn dus negatief. Maar er zijn nog andere negatieve Goden. Mijn God is een toornige en wraakzuchtige God….. Negatief. Positief: Mijn God is een God van liefde. Op die manier heeft ieder zijn eigen idee van God. Onverschillig, wat je je er uit haalt, of dat nu vernietiging inhoudt, kinderoffers en bloedoffers, of dat het wordt een verering van een bijna kosmische Godheid, het blijft altijd een verering van een aspect, dat in God bestaat. Het resultaat is dus alleen, dat wij moeten uitmaken, wat wij voor onszelf van God erkennen kunnen. Het vreemde is dit op het ogenblik, dat een mens een negatieve Godheid kiest, wordt zijn handeling negatief en als zodanig is zijn bewustwording vertraagd, wordt in sommige gevallen haast retrograde. Kiest hij echter een positieve Godheid, dan zit er vooruitgang in. Dat ligt niet aan het aspect van God, dat hij vereert, maar dat ligt aan zijn eigen instelling t.a.v. de kosmos.
De mens is nu eenmaal je zou het niet altijd zeggen geschapen als een positief wezen. De geest, die die bewustwordingsgang doormaakt, waarin ook de mens als een trap voorkomt, heeft ook die positieve gang. Een positieve God betekent een erkennen van de kosmos, dat een bevordering van eigen streven inhoudt. Het erkennen van een negatieve Godheid betekent een teruggang. Maar als er een andere entiteit bestaat, die de tegenovergestelde weg heeft, dan zeg je: Ja, maar een God van liefde is voor mij negatief.
Er zijn mensen, die maken beeldjes van klei met lelijke dikke buiken, zeggende: “Dat is God”. En andere houden meer van een soort Santa Klaus ik wil niet zeggen Sinterklaas, want de mijter is er niet bij, maar de baard en de bolle wangen wel dan zijn er ook weer mensen, die God liever zien als iets abstracts, als een God van licht: Dat moet ieder voor zich weten. De vraag is alleen maar: Welke associaties heb ik, wanneer ik dat beeld beschouw? Dan kan degene, die in dat kleine dikke, lelijke beeldje een God ziet, die liefdevol is en beschermend is, er beter aan toe zijn, dan degene, die de man met de baard en de bolle wangen ziet als de strenge rechter, die iedereen zal veroordelen.
Het beste is dus je maar een beeld te vormen en dat na te streven.
Ja. Je kent die bekende woordspeling wel: De mens schiep God naar zijn beeld en gelijkenis, omdat hij aanneemt, dat God hem naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft m.a.w. de mens projecteert zichzelf, maar dan aangevuld met alle eigenschappen, die hij graag zou hebben en niet heeft. En nu deze projectie God. Maar zolang de eigenschappen van deze projectie positief zijn, bevorderlijk voor de uitbreiding van bewustzijn en waarneming, in de kosmos, dan is het goed.
Wij hebben onlangs gehoord, dat het bereiken van het kleine steentje in het grote mozaïek, dus het bewustworden van de plaats in de totale tijd, dat wij daar dus kunnen werken in het grote kosmische Goddelijke plan. Komt hier ook niet de kwestie van aanvaarding bij?
Misschien wel. Die aanvaarding berust dan altijd toch op een erkennen van een noodzaak. Wanneer een noodzaak erkend is, is de aanvaarding meestal vanzelfsprekend, mits de drang tot aanvaarding groot genoeg is. Wanneer wij nu eenmaal weten, dat wij op elke andere plaats, op elke andere manier van leven, in strijd komen met God, en het een pijnlijke kwestie wordt met de Goddelijke wetten. Wanneer wij dat beseffen, dan is dat op die plaats werken in een volledige overeenstemming met de Goddelijke wil, door een mechanisch deel van de Godheid eigenlijk, is voor ons de enige normale oplossing. Een aanvaarding zit er eigenlijk niet zozeer bij. Een andere kwestie is dit: Als je met het woord aanvaarding aan komt draven, dan zou je dat zo moeten zeggen, zolang als het bewustzijn van het noodzakelijke binnen het Goddelijke en het wetmatige binnen het Goddelijke onvolledig is, zullen wij al datgene moeten aanvaarden, waaraan wij persoonlijk menen niets te kunnen veranderen.
Het is heel simpel te zeggen dat alles wat God je gegeven heeft, je dat moet aanvaarden. Dan kun je hier wel midden op de Laan van Meerdervoort gaan zitten, midden op de straat en zeggen: Nu ja, als een auto mij aanrijdt is het Gods wil. Ik zal het wel aanvaarden…. M.a.w.: Het begrip aanvaarding tot het absurde doorvoeren, betekent een fatalisme bij elke stap, die je uitvoert in feite zonder eigen verantwoording gaan. Waarbij alles wat komt, Gods wil is. Maar dat is niet waar. Daarom mogen wij alleen datgene aanvaarden, waaraan wij na rijp beraad menen zelf niets te kunnen veranderen. Dat menen is hier wel zeer noodzakelijk, want als het bewustzijn groter is, kunnen wij het misschien wel. Maar het bewustzijn is niet groter, dus totdat wij bewust zijn geworden van de mogelijkheid om hier iets te veranderen, accepteren wij de zaak.
Ja, dan zou je het woord aanvaarden ook uitgelegd kunnen worden: Het kan niet anders, dus moet het maar.
Dat is toch eigenlijk aanvaarden?
Ik zou het willen zien als: Met volle wil accepteren.
Weet je, hoe zij zo’n stelling nu noemen? Een chimaera. Als je nl. aanneemt, dat je iets met je volle wil kunt aanvaarden, wat onvermijdbaar is, dan ben je net als de minister. Wanneer hij “ja” zegt, wanneer de staatssecretaris zegt: “Dit wetsvoorstel moet erdoor”. Dan denk je zelf niet meer. De kwestie is, je moet erkennen, dat het niet anders kan. Die aanvaarding houdt helemaal niet in, dat je dat met je volle wil aanvaardt. Zo is het, zeg je dan, ik ga kijken, wat ik verder doen kan. Dat is aanvaarden. Dat je er niet over blijft zeuren. Je loopt op straat, je krijgt een blauw oog. Je zult wel laat thuiskomen. Zeg niet tegen jezelf: “O, wat een ellende. Wat zal mijn vrouw ervan zeggen?” Dan zeg je: “Ja, weet je, wat ik moet doen? Degene, die mij dat blauwe oog bezorgd heeft en gezien heeft hoe dat gebeurd is, zal ik even op laten bellen, dat ik 5 minuten later kom, want dat er een ongelukje is geweest.” Dan heb ik tenminste de gevolgen beperkt. Dat is aanvaarden. Zelfbescherming is een deel van de juiste wijze van aanvaarding. Wist je dat? De juiste aanvaarding is de erkenning van het onvermijdelijke. Wij kunnen dat in verband gaan brengen met de kosmos. Datgene, wat niet te vermijden is, dat staat i.v.m. wetten en krachten, die buiten onze beheersing staan.
Wetten en krachten, die buiten onze beheersing staan, staan in de beheersing van het Goddelijke. Als zodanig is elk erkennen van het onvermijdelijk zijn van iets een erkennen, dat hier een wet, of een kracht functioneert, die sterker is dan wij. Waar wij elke kracht terugbrengen tot de allerhoogste kracht, erkennen wij God daarin. Door het onvermijdelijke te accepteren, doen wij in feite niets anders dan God met Zijn wil en Zijn wet te accepteren. God is er altijd. Maar omdat wij dat erkennen en niet als kinderen blijven zeuren, zijn wij in staat de kracht, die God ons geeft, te gebruiken. Op die manier zou je kunnen spreken van vergroting van harmonie. Wat kan een mens in zijn gedachten corrigeren? De toekomst. Het heden niet meer. Dat erkent hij als zodanig. Ook het verleden niet meer: Elk spreken over het verleden in een andere vorm dan de werkelijkheid, is dus in feite een poging om ook het heden te veranderen. Dat kan niet.
Zo begin je dus in de voet van oorzaak en gevolg een valse oorzakelijkheid in te schakelen, nl.: Het had ik maar, of als zij het nu eens hadden…. “Had ik nu maar de 100.000 gehad”, of “Had ik nu maar geweten, dat dat contract los kon komen” Het is erg mooi, maar het is niet zo. Houd je je bezig met dat “had ik maar….”, dan ga je overleggen: “Want dan had ik….” Dus je gaat het heden corrigeren.
Het gevolg is i.p.v. je krachten aan het heden te wijden, het verleden verwijten maakt. Je gaat je dus verzetten tegen de feitelijke toestand, maar je kunt ze niet meer corrigeren, omdat die correctie afhankelijk is van een gebeurtenis, die reeds onmogelijk geworden is. Dientengevolge verdraai je niet alleen de werkelijkheid, maar zul je door onvolledig te reageren in het heden ook de toekomst verknoeien. Het is net hetzelfde als met die automobilist. Hij wou remmen, hij drukte op het gaspedaal en zei: “Als ik maar had geweten, dat de rem ergens anders zat”. Toen was de botsing al gebeurd, hij had meteen op de rem moeten drukken.
Ik ben net als de kleine kinderen. Dat “uw wil geschiede” is hieraan toch ook verbonden?
Natuurlijk. Je moet me goed begrijpen. Als je zegt, zoals de kinderen, dan ga ik op die kinderen door. “Jantje, je mag niet uitgaan”. “Neen, ma” en hij schiet de tuin in en denkt: “ik ga het achter hekje uit”. “Jantje, wat heb ik je gezegd?” “Ja, ma” Jantje is op zijn kamertje. “Nu ga ik de voordeur proberen: “Jantje, als je het nu nog eens doet….Blijf op je kamer zitten”. Kijk, dan is “uw wil geschiede” op zijn plaats. Dan ben je zo vaak betrapt, dan heb je toch geen kans meer. “Uw wil geschiede” zien wij ook veel eens op een verkeerde manier. Het is nl. dit: Er was een boer, die zat daar onder Naarden. Hij was zeer kerks. Hij versleet meer klompen met het trappen op het harmonium, dan met ’t lopen op het land. Elke keer, wanneer zijn oogst verregende, doordat hij te vroom was en te lang op zijn bed bleef liggen, zei hij: “Heer, Uw wil geschiede” Hij zei: “Uw wil geschiede”, omdat hij dacht, “nu ja, anders had je het wel even opgehouden, want je moet maar op mij wachten”, maar het leven wacht niet op jou. “Uw wil geschiede” is daar op zijn plaats, waar wij het onvermijdelijke, het noodzakelijke, erkennen.
Voorbeeld: Op een gegeven ogenblik merk je, dat je zo dik bent, dat je met verhoogde bloeddruk, hartkloppingen en vervettingen rondloopt. Nu zou je natuurlijk toch nog graag elke dag beginnen met je eitjes en spek, ’s middags je grote bord met aardappelen, je grote stuk vet vlees enz. enz. en al de gebakjes tussendoor. Je zou het graag doen. Maar je weet: De consequentie daarvan is, dat voortijdig mijn erfgenamen kosten krijgen, doordat zij een overlijdensadvertentie moeten zetten. Daar heb je geen zin in. Dan kun je ook zeggen: “Uw wil geschiede”, want, ik heb de consequenties erkend. Het is klaarblijkelijk noodzakelijk voor het evenwicht, dus een wet, dat ik minder ga eten. Dan kan ik zeggen “Uw wil geschiede”, maar ik hoef het niet te zeggen. Het is alleen dit: Ik wijt Gods wil dus, dat het evenwicht wordt hersteld, hetzij door mijn overlijden, hetzij door mijn matigheid. Ik voel voor geen van tweeën veel, dus ik kies toch maar de matigheid. Dat is eigenlijk de kwestie, die er met het aanvaarden aan vast zit.
Het is geen kwestie van niet zelf uitschakelen van de eigen persoonlijkheid en dus elke werkzaamheid achterwege laten, dus proberen het zelf zo goed mogelijk te trachten…..
Laten wij het even omzetten in de oude volkswijsheid: Doe je best, laat God de rest. Waar wij altijd al over vallen, is dit: Dat de doorsnee mens het begrip aanvaarding verkeerd ziet. Omdat hij meent, dat hij ook niet noodzakelijke ellende behoeft te aanvaarden. Dat is juist de domheid. Dat is niet Gods wil, maar je eigen wil. Door je verkeerde begrip van de werkelijkheid. Aanvaarding is het erkennen van het onvermijdelijke.
Kunt u nog iets vertellen over de magie?
Op welk terrein?
Er is een punt, dat mij helemaal ontgaan is, maar wat mij niet duidelijk is.
Er zijn een paar dingen, waar iedereen altijd mee vastloopt. Magie is een wetenschap, die zich bezighoudt met niet erkende wetten. Wetten, waarmee men normaal geen rekening houdt en die men rangschikt onder toevalligheden, of verkeerdelijk ziet als bijkomstige resultaten van andere wetmatigheden. Als je van dat standpunt uitgaat, dan zul je dus moeten zien, dat om magisch te kunnen werken en te hanteren, je over moet gaan tot een begrip, dat weidser is, dus meer omvattend is, dan van de gewone redelijke mens die je dus onmiddellijk vertelt, dat je niet meer redelijk bent, dat je geschift bent. Dan vraag je je af, wat je met de magie allemaal kunt doen? Met de magie kun je alles doen, wat in overeenstemming is met de grote natuurwetten en de grote kosmische wetten. Eigenlijk zou je kunnen zeggen, dat magie niets anders dan van een kennen van de omstandigheden, gebruik maken van oorzaak en gevolg, waar dan op een zodanige manier, dat niet slechts je eigen wereld, maar ook de ongeziene invloeden van die wereld in die werking worden ingeschakeld.
Daar hoort natuurlijk o.m. bij, de reeks van eigenschappen, die je zelf bezit. De eerste spreker heeft dat als het persoonlijk patroon uitgelegd. Deze eigenschappen zijn ten dele lichamelijk, ten dele geestelijk. Hoe je het ook beziet, je bent in ieder geval een zeer bepaalde persoonlijkheid. En dat wil dus ook zeggen, dat je met die persoonlijkheid niet alle dingen volledig kunt ervaren of zien. Je bent dus in zekere mate eenzijdig. Maar als magiër dus werkende met de magie, ga je je juist baseren op de gunstige punten die je bezit. Daarmede ga je werken. De rest verwaarloos je. De magiër zal dus alleen werken met de waarden, waarmede hij persoonlijk in harmonie kan zijn.
Verder nog dit: De methode, waarmee je in doorsnee werkt in de magie is in feite niet veel anders dan een deel van hetgeen men ook wel suggestie noemt. Nu is suggestie heel iets anders dan het opleggen van een dwangbeeld zonder meer. Suggestie is in vele gevallen het scheppen van een niet onmiddellijk kenbare stimulans tot een mogelijke verwerkelijking. Wanneer u weet, hoe mensen vaak door suggestie genezen kunnen worden, dan zult u moeten erkennen, dat ik hierin gelijk heb. Toch is er een verschil tussen dit en de ware magie.
De magiër beperkt nl. deze “suggestie” niet alleen tot de mensen of bepaalde gevallen, doch strekt zo steeds weer uit tot alle stoffelijke waarden. Nu is het voor een mens wel heel erg moeilijk, om van een steen een broodje te maken. Daarvoor moet hij óf erg ver gevorderd, dan wel geheel alleen zijn. Maar wanneer hij, hoe dan ook, aan de overtuiging toekomt, dat de keisteen een vers en knappend broodje is, dan is dat voor hem zo. Wanneer dit nu moet geschieden in de nabijheid van bv. 100 mensen, dan zal men zich niet in de eerste plaats tot de steen behoeven te wenden. Men wendt zich suggestief tot de mensen. Want wanneer zij dit geloven, is het voor hen immers de werkelijkheid en zullen zij op dit beeld geheel natuurlijk reageren. Je zou dus kunnen zeggen, dat de magie, niet in de eerste plaats de werkelijkheid verandert, maar vooral de illusies, die men omtrent die werkelijkheid heeft.
De mens heeft bv. de illusie, dat hij zwaarder is dan lucht. Maar dit is een illusie, die berust op een erkennen der zwaartekracht. Op het ogenblik, dat de mens zich echter niet meer beschouwt als qua gewicht enz, afhankelijk van de aarde, dan heeft zijn lichaam een eigen massa en werking van zwaartekracht. Deze eigenschap der massa kan dan bewust t.o.v. de aarde afstotend of aantrekkend gebruikt worden. Dat klinkt voor u misschien vreemd. Maar iedereen zou dus in feite kunnen zweven. Nu is het maar goed, dat niet alle mensen dit weten en dus kunnen. Stel je de wanorde voor in Den Haag, wanneer alle mensen hier opeens zouden kunnen zweven. Half geschoren heren zouden in hun haast om naar kantoor te komen misschien tegen een tramdraad aanzweven en de hele lucht zou vol zijn van mensen, die te veel aan zich en te weinig aan anderen zouden denken met alle botsingen enz., die daaruit voort kunnen spruiten. Wanneer je bij zo een botsing ook maar even zoudt denken: Ik val, dan val je ook, en niet zo zacht. Het gaat eigenlijk allemaal alleen hierom: Er is een werkelijkheid. Maar de werkelijkheid zien wij niet. Onverschillig, of wij nu mens of geest zijn, de werkelijkheid overzien wij niet. Wij zien alleen onze eigen reacties op de werkelijkheid. Gezien het in een bepaalde wereld of sfeer wel ongeveer gelijke peil van bewustzijn, hebben wij omtrent die werkelijkheid dan vele illusies, die wij met anderen kunnen delen.
Wanneer wij die illusie wijzigen, blijft de werkelijkheid onveranderd bestaan. Maar in onze wereld verandert er iets. Dit is nu in feite hetgeen waar het om gaat bij alle magie. Het is niets anders dan het veranderen van een concept. Verandert dat concept, dan verandert voor ons ook onze wereld. In de wereld gebeuren deze dingen echter vele malen geleidelijk, waardoor de verandering ons niet opvalt als iets bijzonders. Noem nu bv. het vrouwenkiesrecht.
Dit was een langzaam proces. Toch heeft dit op de maatschappij een ontstellende invloed gehad. De verhoudingen van 1950 – 60 zijn geheel andere dan die van 1900 – 1910. In deze 50 jaren ontstond een geheel ander wereldbeeld. Wanneer nu echter alle mensen gelijktijdig de gelijkberechtiging van de vrouwen zouden hebben erkend, zou deze gehele verandering slechts 3 á 4 maanden hebben gekost. Niet dat alles dan precies zo zou zijn geworden als nu, maar het totale aspect voor de maatschappij wel. Dat zou dan een wonder zijn geweest. Wat de magiër nu feitelijk doet, is niets anders dan verschillende tussenliggende processen uitschakelen.
Een steen kan en zal vaak brood worden. Maar dan wordt zij eerst in haar bestanddelen ontleed, door de planten als voedsel gebruikt, die dan op hun beurt weer worden onderworpen aan het normale proces. In de steen echter vinden wij reeds de stoffen die, mits op de juiste wijze omgezet, het brood maken. Schakel dus alle tussenliggende fasen uit door de processen samen te voegen tot een ogenblikkelijk gebeuren, en je maakt van de steen ook brood. Zijn er echter anderen, die zeggen: “Steen blijft steen”, dan ga je er aan twijfelen, of dat nu wel werkelijk brood is. Daarmede zijn dan de nodige processen onderbroken. De natuurlijke gang der tijd herkrijgt haar rechten. Magie is in feite de kunst menselijke behoefte en voorstelling aan te passen aan het ogenblik, zonder hiermede te zondigen tegen de grondwaarden van de goddelijke wet. Aangezien wij die grondwaarden echter meestal zelf niet kennen, zullen wij ons in de magie moeten houden aan de regels, die wij als deel van de werkelijkheid wel kunnen erkennen. Dezen zullen wij dan meestal de kosmische wetten noemen. Houden wij hiermede voortdurend rekening, dan kunnen wij magisch praktisch alles tot stand brengen, wat wij naar willen. Er is maar een enkele voorwaarde: Het moet stroken met die wetten.
Definities
Nog een paar definities?
Zwijgen: Illusie van wijsheid, maar al te vaak geboren uit onvermogen tot spreken.
Goddelijke veelzijdigheid: De uitdrukking van ons eigen standpunt te midden van het Goddelijke, waardoor wij de totale eigenschap van het Goddelijke in elke richting weer anders beschouwen. Zodat God ons veelzijdig lijkt, ofschoon Hij in feite Eén is.
Werkelijkheid: Datgene wat te allen tijd onveranderlijk zichzelf gelijk blijft, wanneer wij alle illusies, gedachten en oordelen wegnemen.
Magische bezwering: Een instellen van eigen persoonlijkheid en mogelijk ook van de omgeving, door gebruik van trillingen van de juiste geaardheid, hetzij door het ik geproduceerd, hetzij op een andere meer kunstmatige wijze opgewekt waardoor de conditie in de omgeving zozeer harmonisch wordt met ons wezen en wensen dat de verwerkelijking der wensen waarschijnlijk wordt.
Dood: Een toestand waardoor in je eigen wereld je eigen bestaan niet meer als dat van een persoonlijkheid geconstateerd kan worden in een voor die wereld herkenbare vorm. Dit is m.i. de enig juiste definitie, omdat dood nl. ook geestelijk voor kan komen. Zij bestaat dan echter niet meer uit het achterlaten van een lichaam, maar uit een omvormen van de persoonlijkheid. Het is dus een verdwijnen, met of zonder een achterlaten van restanten.
Krachtstroom: Een verschil van potentie tussen twee punten, waardoor energie zich van het ene punt naar het andere zal bewegen op een kenbare wijze, waarbij tevens een verandering wordt veroorzaakt in het punt van bestemming, zowel als dat van origine.
Illusie: Een voorstelling, gegrepen uit de werkelijkheid, die je voor jezelf niet geheel met de werkelijkheid kunt associëren, zodat je door je onvermogen het geheel als volkomen reëel te beschouwen, eenmaal uit de voorstelling tot een andere werkelijkheid zult ontwaken.
Hoop: De stille verwachting waarvan je vreest dat zij beschaamd zal wonen.
Harmonie met God: Een zover vergeten van je eigen persoonlijkheid, dat je daardoor in staat bent, je werkelijke persoonlijkheid met zijn deelgenootschap in de schepping geheel te ervaren.
De Conferentie van Genève: Veel heen en weer gepraat, waarbij men over en weer tot de conclusie komt, dat men met het heen en weer praten niet verder komt, zodat men heen en weer blijft praten om een verder heen en weer praten mogelijk te maken met de mogelijkheid, dat men dan wel redelijk zal praten.
Komt men daar voor uit? Och, men zal er niet voor uitkomen, dat men niet vooruitkomt, zodat men, waar er iets moet gebeuren, u wel zal zeggen, dat men vooruit komt, zelfs wanneer men achteruit gaat. Ik zou echter zeggen: Maak u niet te druk over een conferentie in Genève, die uiteindelijk maar een doekje voor het bloeden is. Zo richt men de belangstelling van de grote massa naar de ene zijde, terwijl aan de andere zijde de beslissingen vallen. Vergeet niet, dat politiek eigenlijk niets anders is aan het goochelen met de idealen van de massa. Dat betekent dat je ze af moet leiden met de linkerhand, wanneer je met de rechter iets wilt doen. U ziet naar Genève, terwijl, het werkelijk belangrijke wordt besproken in Londen en in Moskou.
Topconferentie: Een conferentie van kopstukken, waarbij harde koppen steeds stukken en brokken veroorzaken, terwijl de massa dwaselijk hoopt, dat het resultaat een wereld zal zijn, waarin er geen toppen en kopstukken meer zijn, maar allen aan elkaar gelijk kunnen zijn.
Groot Geestelijke Scholing: Reeks van leringen en lezingen, waarmede wordt getracht de mens een inzicht te geven in het niet stoffelijke, echter met de erkenning van het feit, dat hij door zijn stoffelijke bestaan hierin zeer beperkt is. Zo wordt dan ook niet getracht de gehele geestelijke werkelijkheid te doen kennen, maar slechts iets van het groot geestelijke ideaal door te laten dringen tot de mens, zodat hij althans beperkt leert gebruik te maken van de capaciteiten die hij als mens en geest bezit.
Meditatie: Een overpeinzing, waarbij je, indien je jezelf een ogenblik vergeet, een zuiverder inzicht kunt krijgen in een feitelijke toestand door het overwegen daarvan, dit zelfs aan de hand van imaginaire waarden.
Incantatie: Reeks van woorden en klanken, op een zodanige wijze uitgesproken, dat niet de woordbetekenis, doch de klankwerking het voornaamste is. Hierdoor worden werkingen veroorzaakt in omgeving en eigen wezen waardoor een gewenst doel bereikt wordt, dan wel ten minste ten dele verwezenlijkt.
Afscherming: Een zodanig bewust zijn van jezelf, dat je je niet meer bedreigd gevoelt door gevaren, die in feite niet, of niet zo bestaan als je meent te gevoelen, dat zij bestaan.
Contact met anderen: Het erkennen van de overeenkomsten tussen jou en anderen, zodat je de anderen ten minste enigszins begrijpt. Ten minste…. wanneer je in staat bent jezelf te begrijpen. De definitie is niet geheel volledig.
Inzicht in anderen: Je zelf spiegelen in anderen en je eigen ervaren en wijsheid in het leven van anderen projecteren met een erkennen van het feit, dat zij een ander bewustzijn hebben en in een andere situatie verkeren van jezelf.
Psychotherapie: Een methode van genezing, waarbij men uitgaat van het standpunt dat je het lichaam nooit definitief kunt herstellen voor je erkend hebt, waar de fout in de geest ligt.
Daar kunnen wij dan bij voegen:
Psychotherapie: Is een van de therapieën, waar de meeste mensen bezwaar zullen hebben. Dit op het idee gebaseerd, dat je recht hebt op je eigen gedachten, terwijl men niet beseft, dat je eigen gedachten vaak aansprakelijk zijn voor je ziekte en het gebeuren in de wereld.
Adamski: De eerste mens volgens Russische opvatting.
Je zou het ook anders kunnen zeggen: Adamski is een ruimtevaarder, die je de ruimte moet geven, omdat hij de ruimte niet heeft betreden, maar zoveel in de ruimte zwamt, dat velen hem toch geloven.
De man is nu toch weg, ik kan het nu wel zeggen. Wij weten allemaal zo langzamerhand wel, dat wat hij vertelde over die andere kant van de maan, maar een illusie was.
Wij zullen dan met een korte meditatie besluiten.
Meditatie: Verbroedering
Zoals broeders geboren zijn uit één moeder, zo zijn alle mensen geboren uit God. Er is één bron van bestaan, één kracht van leven. Alle verschillen zijn dus in feite imaginair, een deel van de waan, die het deelgenootschap in het totaal van de Schepping verwerpt.
Wanneer wij verbroedering willen zien, of zelf ons meer willen voelen als naast staande tot de mensheid, dan moeten wij, evenals broeders, de gemeenschappelijke stam in het oog behouden en de verschillen vergeten. Het is een feit, dat broeders onder elkaar kunnen strijden, maar boven die strijd uit dient er toch een soort genegenheid te bestaan, die hen uiteindelijk tegenover de rest van de wereld tot één geheel maakt. Mensen kennen grote verschillen: in rang, in stand, in huidskleur, in taal. Op het ogenblik, dat de mens deze verschillen niet meer als primair beschouwt, maar in de plaats daarvoor het menszijn ziet, als de belangrijkste en meest waardevolle factor, ontstaat, wat wij verbroedering kunnen noemen. Dan zullen wij, juist in het erkennen van eenheid, trachten de kleineren, de zwakkeren, te beschermen. Niet, omdat wij nu misschien meer van die kleineren en zwakkeren houden, maar omdat zij bij ons horen, en dus voor ons een plicht is geworden. Wij zullen niet meer aarzelen een beroep te doen op de sterkeren. Ook zij behoren bij ons. Het is ons recht op hen een beroep te doen: Het erkennen van éénheid is belangrijker dan al het andere. Wanneer wij echter het woord verbroedering gebruiken t.o.v. de wereld en de maatschappij, waarin u leeft, moogt u één ding niet vergeten: In de wereld is verbroedering niet mogelijk in het simpele beeld van het familieleven, tenzij wij allereerst een einde maken aan alle seksuele concepten, aan alle belangen, die tegenover elkaar staan. Dat kunnen wij heel moeilijk doen. Daarop is een maatschappij gebaseerd. Wij kunnen de strijd niet bannen uit het menszijn zonder het menszijn van zijn zin te beroven. Het uitvagen van de tegenstellingen zou betekenen, dat wij Gods bedoeling zouden willen corrigeren. Iets, wat onmogelijk is. Daarom moeten wij de idee van verbroedering anders beschouwen. Wij erkennen de tegenstelling en de noodzaak ervan. Wij erkennen ook de strijden de noodzaak daarvan. Maar bovenal erkennen wij het recht van elke mens om op ons als mens een beroep te doen. Daarom behouden wij ons het recht voor een beroep te doen op elke mens. De wereld is een wereld van tegenstellingen. Er bestaat geen sfeer, waarin elke tegenstelling geheel is uitgeblust, buiten de Allerhoogste. Wanneer wij ons echter bewust worden van God, worden wij ons tevens bewust van het wegvallen van alle grenzen. Ook de grenzen, die tussen ons en anderen nog bestonden. Laat ons dan het begrip verbroedering in kosmische zin zien, als kosmische eenwording door een in vrijheid van denken en werken gezamenlijk streven, elke op eigen wijze, elkaar ondersteunend en helpende, tot vrij gezamenlijk kiezen tot dezelfde uiteindelijke bewustwording, Gods totale waarheid, Gods werkelijk beeld en werkelijk leven, waarvan wij deel zijn.
Ik meen, dat ik hiermede de “Verbroedering” duidelijk genoeg belicht heb. U houdt het mij ten goede, dat ik hier ook, een korte epiloog aan vastknoop.
Er is eenheid in het heelal, die door mens noch geest verbroken kan worden. Er is een band, die bestaat tussen alle werelden, die bestaan, tussen alle krachten, die zijn. Niet bewust erkend soms, maar onverbrekelijk en eeuwig. Er zijn banden, die alle werelden tezamen voegen tot één hecht geheel. Wij zijn allen deel daarvan. Wij leven op onze wijze en wij denken op onze wijze. Wij zoeken naar onze God en naar onze waarheid, maar wij kunnen nooit geheel zelfstandig, of onafhankelijk zijn, omdat die banden bestaan en blijven bestaan. Eerst, wanneer wij beseffen, dat wij gezamenlijk, door samen werken en leven, lachen en spelen, kunnen koeien tot een realisatie van wat in ons gemeenschappelijk leeft, van wat in ons werkelijk is, zullen wij ook Gods banden erkennen, zoals zij liggen in ons, zoals zij een net van eenheid hebben gevlochten tussen ons en de anderen. Deze eenheid, die niets uitzondert, zal het ons mogelijk maken om te leven, te denken en te handelen, niet slechts in onszelf, maar in al het zijnde. Wanneer men spreekt van de volmaaktheid, moet men zich deze zo voorstellen: Het kennen van de band, die bestaat tussen al het geschapene, alle vormen en alle gedachten en het vormogen om in elk van die gedachten, elk van die vormen, elk van die ogenblikken van de eeuwige, zo onmetelijke tijd te ervaren en te erkennen, dat, wat reeds eens in ons leefde en waarvan wij ons niet bewust waren. Het is daarom, dat wij streven en werken, naar steeds groter onderling begrip zoeken, steeds grotere eenheid. Het is daarom, dat wij zullen trachten om de disharmonie, het innerlijk onbegrip, de vlucht voor het ik en de wereld uit te bannen, zodat mens, zowel als elk ander wezen, uiteindelijk het erfdeel van eenheid kan aanvaarden, dat o.i. is de wil van de Schepper en het doel van de Schepping.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
