Het dubbel-ik

image_pdf

5 november 1971

De meeste mensen realiseren zich niet, dat je als mens met twee ego’s tegelijk rondloopt. Wij hebben het zuiver menselijk ik – dit is stoffelijk en wordt bepaald door instincten, door stoffelijk denken. Het kan door milieu training in een bepaalde richting gebracht worden  en daarnaast hebben wij het meer geestelijk ik, waar wij de vorige maal al het nodige over gezegd hebben. Dit geestelijk ik bestaat o.m. uit de blijvende herinnering, een aantal vormende werkingen  die naar de stof worden uitgestraald, een wil, een doel. Deze twee ik-heden komen binnen de mens meestal niet volledig tot uiting. En wanneer ze tot uiting komen, dan vergissen wij ons wel eens. We denken nl. dat het geestelijk ik en het stoffelijk ik altijd één geheel moeten zijn. Voor ons is dat praktisch waar, maar wij vergeten één ding.

De mogelijkheid van het geestelijk ik om met het stoffelijk ik een eenheid te vormen, is beperkt. Er blijft altijd een deel van het geestelijk ego, dat niet zuiver in de materie kan leven. Er blijft altijd een deel van het stoffelijk ik, dat niet geestelijk beleefd kan worden. En het resultaat daarvan is, dat wij voortdurend strijd hebben tussen aspiraties, die wij helemaal niet begrijpen en gelijktijdig stoffelijke aanleg en stoffelijke reacties, waar wij het dan ook niet mee eens zijn.

De situatie, waarin je als mens verkeert, is voor een groot gedeelte mede afhankelijk van de normen, van het milieu waarin je verkeert. En  naarmate die normen strenger zijn is de kans op een strijdigheid tussen geestelijk en stoffelijk ik groter. De situatie wordt werkelijk verbluffend onaangenaam, wanneer wij te maken krijgen met een sterk genormd stoffelijk ik, dat wil trachten dat geestelijk ik op de één of andere wijze in zich te absorberen. Op dat ogenblik ontstaat vanuit het stoffelijk ik een drang, een dictatoriale drang, om de omgeving aan te passen aan wat gezien wordt als het geestelijk ik. Maar gelijktijdig kun je er zelf stoffelijk niet aan beantwoorden. Je schept dus gelijktijdig in jezelf en vanuit je eigen gedrag een strijdigheid met het hogere beginsel, terwijl je daarnaast de wereld dit hoger beginsel tracht op te leggen en daardoor eveneens strijdigheid krijgt, omdat je geen rekening houdt met de zuiver stoffelijle aspecten.

Het geestelijk ik heeft heel veel eigenaardigheden, zoals die blijvende herinnering, waar wij al uitgebreid over hebben gesproken. Die herinnering kan je contact met personen bepalen. Ze kan je waardering voor dingen bepalen. De één zal juist daardoor getrokken worden tot een bepaalde tak van schilderkunst, muziek; terwijl een ander zich juist getrokken voelt tot bepaalde activiteiten. Dat komt voort uit het verleden. En met dit verleden breng je a.h.w. een oud leven hernieuwd tot uiting.

Als wij moeten spreken over karma in de veelal en foutievelijk gebruikte zin van oorzaak-en gevolg-werkingen, dan geloof ik wel, dat wij die hier het sterkst en het meest concreet zien optreden. Doordat ik deze geneigdheid heb en gelijktijdig mijn stoffelijk ik met zijn milieu-vorming, zijn hereditaire invloeden, zal ik proberen om aan de uiting van het stoffelijk ik een vorm te geven, waarvoor het niet geschikt is.

Wanneer je wilt gaan autoracen met een autoped, dan komen er hoogstens ongelukken van en anders krijg je een beroerte van inspanning. Dat klinkt wat luchthartig, maar het is volkomen waar. Je hebt vaak lichamelijke mogelijkheden en noden, die niet in overeenstemming zijn met hetgeen uit vroegere levens is overgebleven. En nu moet je proberen om die twee tot een aanvaardbaar compromis te brengen. Naar een aanvaardbaar compromis betekent afstand doen van al die geestelijke waarden, die je zo hoog hebt geschat en gelijktijdig ook nog toegeven, dat er lagere stoffelijke waarden bestaan, waarmee je het ook niet helemaal eens bent. Dat betekent een volkomen revisie van je eigen betekenis en waarde. De mens komt daar meestal niet toe.

De situatie kun je dan verder, voor een groot gedeelte althans, in psychologische termen omschrijven. Eén van de meest voorkomende verschijnselen bij een dergelijke strijdigheid is het vertellen van  fabeltjes. Zo iemand probeert met hetgeen hij zegt en dus in wezen niet is, wat hij voorgeeft te doen en in wezen niet doet,  harmonie te scheppen t.a.v. het verleden.

Laten wij een heel eenvoudig voorbeeld geven; Iemand is vroeger ridder geweest en in het heden wil hij met alle geweld pretenderen, dat  hij een expert ruiter, een expert schutter, een vechtjas is, terwijl hij het in wezen helemaal niet is. Het resultaat is, dat er heel veel verhalen naar voren komen, die door de daad voortdurend belogen worden. De spanning, die daardoor ontstaat, is erg groot, Want je probeert om dat gefabuleerde beeld geaccepteerd te krijgen. Zo iemand is niet in de gebruikelijke zin van het woord een leugenaar. Wat hij zegt, gelooft hij zelf. Hij is er volkomen van overtuigd, maar hij ontdekt elke keer dat hij het niet waar kan maken. En hij probeert dat op te vangen  door weer nieuwe fabels, weer nieuwe verhalen.

Zo stapelen zich de onevenwichtigheden op. Zo’n mens kan dat niet verdragen en de mogelijkheid is heel groot, dat wanneer het gedachten- en woordenrijkje dat hij heeft opgebouwd, in elkaar stort, dat die mens eenvoudig zelfmoord pleegt. Hij kan het leven niet accepteren, omdat hij de werkelijkheid niet kan accepteren. Het is een veel voorkomende reden voor wreedheid tegenover anderen.

Laat ons weer een eenvoudig voorbeeld nemen. Een paar ouders – een kind. Die ouders pretenderen – ze zeggen het niet – dat ze iets bijzonders zijn. Dus moet het kind het ook zijn. Het kind schiet tekort op welke wijze dan ook en de wrevel, die men in wezen tegen zichzelf koestert, wordt op het kind ontladen. Het zichtbare blijk, dat de opgebouwde fabel niet juist is. In uw wereld wordt nogal wat gefabuleerd en wordt de mens vaak een zekere pretentie aangemeten a.h.w. van buitenaf, waarmee ze erg blij zijn. En wanneer dan blijkt, dat de kinderen er niet aan beantwoorden, dat anderen het daar niet mee eens zijn, dan ontstaan dus al die gewelddadigheden. Het geweld dat op die manier geboren wordt, is van psychotische aard. Dat is gewoon de psychose van de eigen verdeeldheid, die zich naar buiten toe ontlaadt.

In de geestelijke wereld hebben die dingen natuurlijk ook betekenis, want ik kan mijn geestelijk ik – ook wanneer ik mens ben – niet losmaken van de geest. Het zal altijd blijven bestaan. Het zal altijd invloed hebben. Maar op het ogenblik, dat ik probeer om een volkomen identiciteit te bereiken tussen het stoffelijk ik en dit geestelijk ik, zonder daarbij rekening te houden met het feit, dat die materie eigen kwaliteiten bezit, krijgen wij weer spanningen. Die spanningen worden misschien het beste uitgebeeld in de droombeelden van Antonius de Kluizenaar. Deze goede man werd voortdurend door de wellustige beelden  van de duivel belaagd, omdat hij zich iets ontzegde op een wijze, die  geestelijk aanvaardbaar was,  maar die lichamelijk niet dragelijk was. Het resultaat was praktisch geen vooruitgang en gelijktijdig een beeld van mentale werkingen, dat men in deze tijd uitermate neurotisch of misschien zelfs geestesziek zou noemen.

Wanneer u leeft, dan zult u rekening moeten houden met het verschil tussen deze twee verschillende ikken. U hebt een dubbel-ik. Een geestelijk ik en een stoffelijk ik. De materie kan niet altijd beantwoorden aan het geestelijk ik en het geestelijk ik kan niet altijd beantwoorden aan de materie. Wij moeten een scheiding maken tussen datgene, wat voor ons wezenlijk in het geheel van beide ikken van belang is en wat slechts voor één van beide ikken van belang is. Een eenvoudige vuistregel, die je hierbij in de esoterie zou mogen hanteren volgens mij, is wel: Werkelijk is alleen datgene voor mij , wat beide delen van mijn ik gelijkelijk aanvaarden. Op het ogenblik, dat ik op één punt, onverschillig waarop tot een verwerpen kom, is het geheel niet meer te beschouwen als van belang voor het wezenlijke van het ik voor de geestelijke bewustwording en ook voor de stoffelijke harmonie. Een belangrijke ontwikkeling zien wij bij het dubbel-ik ook door de zgn. vermenging, die meestal astraal gebeurt. Wanneer je als geest met een geest contact hebt, dan pleegt dit contact – vooral wanneer het wat intenser is, een soort versmelting te laten zien van beide persoonlijkheden. Laten wij eenvoudig voorbeeld geven. Om met elkaar te praten zou je de personen kunnen voorstellen als twee punten met een grote aura er omheen. Wanneer die aura’ s elkaar net raken, dan is er sprake van contact. Dat contact is over het algemeen beperkt. We kunnen elkaar bereiken, maar wij kunnen niet elkaars volledige inhoud begrijpen. Naarmate die aura’s meer door elkaar gaan, krijgen wij een grotere mogelijkheid tot overbrenging. En op het ogenblik dat beiden a.h.w. helemaal in elkaar zijn opgegaan, is er sprake van één persoonlijkheid voor een kort ogenblik, daar beide persoonlijkheden over het geheel van de mogelijkheden en de herinnering van elk der twee beschikken.

Hier hebben wij in feite een dubbele persoonlijkheid in een andere zin van het woord. Nu zult u begrijpen dat dat ook kan plaatsvinden terwijl je in de stof leeft. Zeker, de geest is gecentreerd op het stoffelijk lichaam. Ze is bezig met het opdoen van leringen on ervaringen in de materie, maar dat is niet voldoende. Want er zijn geestelijke harmonieën. En die harmonieën vinden plaats op een niveau, dat vanuit menselijk standpunt gezien hoofdzakelijk astraal is. Hierbij is dus wel een deel van het lichaam betrokken, maar in feite is er sprake van het verliezen van de geestelijke persoonlijkheid en het daarvoor in de plaats treden, zeker bij volledige harmonie, van een soort dubbel-persoonlijkheid die in denken, inhoud, vermogen totaal afwijkt van het eigen geestelijk ik. Dat is op zijn minst genomen al een verdubbeling van waarden. Soms betekent het ook de tijdelijke eliminatie van bepaalde drijfveren en bepaalde inhouden.

Het zal u duidelijk zijn, dat die invloed voor een stoffelijk mens niet zonder meer te verwerken is. Wij zien in deze gevallen vaak afwijkingen in het lichaam en als gevolg daarvan het optreden van verschijnselen van schizofrenie, Er ontstaat een gespleten persoonlijkheid, omdat men wil beantwoorden aan het geheel en het niet kan. Ben je in zo’n situatie terecht gekomen, dan kun je als mens met je menselijk bewustzijn zeker niet zeggen: Hoor eens, jullie geesten, mijn geest en die  andere geest moeten hun contact verbreken. Het enige wat je kunt zeggen is: Ik kan hieraan niet beantwoorden. Mijn geestelijk wezen laat ik volledig met rust, ik kan niet aan de eisen van de geest beantwoorden, dus doe ik voorlopig of ze er niet zijn. Dan leef je op de norm van het geestelijk ik, maar je leeft met de inhoud van het stoffelijk ik. En dan blijkt na verloop van tijd dat die verbinding afgelopen is. Dergelijke contacten duren over het algemeen van enkele uren tot enkele dagen in uw tijdrekening.

Daarna is het geestelijk ik verrijkt. Het heeft dus meer mogelijkheden om aan het lichaam ter beschikking te stellen. Het heeft zijn eigen drijfveren, het heeft zijn eigen herinnering, herinneringen die van vorige levens af in een rechte lijn naar een doelbewust streven in dit leven voeren. Het resultaat is duidelijk: wanneer je maar afstand weet te nemen van die strijdigheid van geestelijke elementen in je, kom je er altijd beter af. Doe je dit niet, dan is het mogelijk dat tijdelijk allerlei afwijkingen ontstaan, die kunnen gaan tot hallucinaties, kunnen voeren tot ontvluchting, hetzij in roesmiddelen, veel drinken, hetzij in uitspattingen waar je het lichamelijk eigenlijk niet mee eens bent en die je geestelijk ook niet kunt aanvaarden, maar die je jezelf dan maar voortovert.

Ga je als lichaam mee met beide entiteiten en is er tussen deze entiteiten een harmonie van minder aangename aard – en dat kan ook zo zijn — dan is het verschijnsel dat optreedt in de religie bekend als de bezetenheid. Er is dan geen sprake van een totaal andere geest, die domineert. Dan denkt men vaak: Er is sprake van meerdere geesten, één, twee, honderd of duizend geesten, (daarvoor is geen norm) die een zodanige eenheid hebben bereikt, dat ze onderling in een volledig contact staan, maar elk de eigen doelstelling mee projecteert naar het lichaam, waarmee één van die geesten verbonden is. In een dergelijk geval krijgen wij te maken met allerlei vormen van geestesziekten en vreemd genoeg ook in sommige gevallen met een soort hersenverval. De normale hersenfuncties worden onderbroken en dat kan zelfs zover gaan dat de automatismen van het lichaam worden aangetast, Dergelijke gevallen komen heel vaak terecht in klinieken voor krankzinnigen, voor geestelijk minderwaardigen.

Er zijn mij gevallen bekend, waarbij die minderwaardigheid, die bij een bepaalde persoon werd verondersteld, alleen maar voortkwam uit het feit, dat hij voortdurend gelijktijdig door twee – in wezen aan elkaar tegengestelde beweegredenen – vanuit de geest werd gestimuleerd. Het gevolg was, dat die mens wel degelijk kon begrijpen, dat hij kon verwerken, maar dat het hem onmogelijk was om te reageren. Er was een ontzettend vertraagde reactie, wanneer al in de stof gereageerd werd. Er was daarnaast de neiging tot onberekenbare handelingen, omdat nu eens de ene,  dan de andere de overhand kreeg.

Als je dat beziet, wordt het u misschien duidelijk, dat de menselijke psyche ook nogal eens een slagveld kan worden. En dat slagveldveld behoeft helemaal geen gewonden te bevatten, wanneer wij onze eigen benadering van het geestelijke kunnen aanpassen aan ons werkelijk bestaan. Dat is een heel belangrijk punt, Wij kunnen een aantal stoffelijke waarden aan onszelf ontzeggen en wij kunnen dat doen zonder dat wij daar werkelijk grote schade van overhouden. Ik denk bv. aan iemand die zegt:  “lk ga mij versterven” Een mooie term. Ik ga een tijd vasten, ik zal niet lekker eten e.d. Dat is allemaal niet zo erg. Dat kon het lichaam best hebben. Pas wanneer het een overdrijving wordt, is het wel erg. Je moet dus, wanneer je al lichamelijk wil beantwoorden aan bepaalde geestelijke inspiraties  en normen, wel degelijk rekening houden met hetgeen stoffelijk aanvaardbaar is. U mag rustig een dag honger lijden, maar het wordt u niet aangeraden om dat dertig dagen te gaan doen, bij wijze van spreken.

En nu zit aan dit alles ook nog iets anders vast. Wanneer de geestelijke inhoud vergroot wordt door die contacten op geestelijk niveau en zo het geestelijk deel van het ik een verrijkte inhoud krijgt, zal het lichaam ook andere aansporingen ontvangen. En dat betekent o.m. dat het denkvermogen in zeer korte tijd omgesteld wordt, zodat het op een andere wijze wordt gebruikt. Het is alsof er een schakelaar is omgedraaid en de combinaties ineens anders gaan vallen. Heel veel mensen, die zoiets hebben, denken: Ja, dat is geestelijk nu wel aanvaardbaar, maar materieel moet ik ermee oppassen. Ik geloof integendeel, dat je moet erkennen, dat je een nieuwe wijze van denken hebt en met die wijze van denken moet ik ook mijn stoffelijke wereld benaderen. Doe je dat nl. niet, dan ontstaat een grote strijdigheid, zelfs zuiver stoffelijk, tussen werkelijke beweegredenen en gerationaliseerde uitingen. En een dergelijke spanning is slecht voor de gezondheid; ze is vaak fataal voor de mogelijkheid een juiste geestelijke bewustwording op te doen en ze heeft daarnaast en dat vind ik toch ook wel belangrijk, bovendien de waarneming, de erkenning van de werkelijkheid, aanmerkelijk te bemoeilijken.

Hebben wij echter de aanvaarding van het nieuwe denken, dan gaat het lichaam dus deelnemen aan voor het ik nog nieuwe geestelijke processen. Dit betekent vaak een verandering van zintuiglijkheid. Laten we het zo zeggen: Je gaat bv. kijken en je ziet kleine dingen, die je vroeger niet zijn opgevallen, die worden nu plotseling in het totaalbeeld geïntegreerd en helpen je om dat helemaal nieuw te vertalen. Dan weet je niet, dat je naar die kleine dingen kijkt, het is geen bewuste waarneming, maar het is gewoon een toevoegen, waardoor een andere en meestal nauwkeurige interpretatie van de  waarneming mogelijk is. De tastzin krijgt een wat andere inhoud, zodat je normaal zegt: dat is deze of gene stof, maar na zo’n omschakeling  krijg je een zodanige gevoeligheid, dat iemand kleurverschillen met de vingers kan waarnemen. Zo iemand kan een geschreven brief net de vingertoppen lezen. Hij voelt de verschillen, hij kan het leren interpreteren. Die zintuiglijke veranderingen betekenen ook weer een verandering van beleven, leven en wereld.

En zo beide – het geestelijk en het stoffelijk ik – in dit opzicht harmonisch blijven, ontstaat bovendien wat wij noemen een beperkte inwijding. Onder een beperkte inwijding mag worden verstaan, een verruiming van bewustzijn, vaak overigens gepaard gaande met emotionele oproerigheden, een nieuwe of vernieuwde wereldvisie en gelijktijdig een grotere gevoeligheid voor bepaalde geestelijke krachten meestal uit het geestelijke ik stammende, die in het ik gemakkelijker verwerkelijkt worden.

De beperkte inwijding kan dus wel degelijk resultaat zijn van een schijnbaar toevallig contact met een andere entiteit in een sfeer waarin u op dit moment niet leeft. Dat die verandering op zichzelf goed is, zult u van mij willen aannemen, althans in de meeste gevallen. Dat het echter moeilijk zal zijn voor velen om die verandering in de praktijk te aanvaarden, zal u duidelijk worden, wanneer u zich realiseert hoe een groot gedeelte van de reacties van het stoffelijk ik op zgn. gewoontepatronen berust. Wanneer je op een gegeven moment weet, dat het gebaar, dat je altijd hebt gemaakt, geen juiste uitdrukking is, dan kun je dat niet zonder meer veranderen en zal je onwillekeurig altijd weer het andere gebaar maken en zeggen: Dat mag ik niet doen. Spanningen, die hieruit kunnen ontstaan, kunnen gemakkelijk worden opgelost. De oude, stoffelijke gewoonte-reactie is van geen belang, maar wanneer het mogelijk is, pas ik bewust de nieuwe reactie toe. Die verandering impliceert een zekere onverschilligheid.

En even afwijkend van het dubbel-ik als zodanig, wil ik hier opmerken dat bij inwijding een zekere onverschilligheid onvermijdelijk is. Iemand, die in het ziekenhuis werkt en daar zieken verpleegt, kan zich bv. niet voortdurend volledig en emotioneel bezighouden met de kwalen van alle patiënten, die daar verzorgd worden, Er moet een onverschilligheid zijn tegenover het lijden aan de emotionele kant en gelijktijdig een begrip voor het lijden aan de rationele kant. Dan kunnen wij goed verplegen.

Op dezelfde manier moet je tegen een groot aantal facetten van het stoffelijk bestaan een onverschilligheid krijgen. Wat geeft het, het hindert niet. Het is voor mij niet negatief of positief. Het is betekenisloos. Wat voorbij is, is voorbij en de rest zien wij wel weer. Kun je die houding krijgen, dan blijkt, dat het gewoontepatroon zich na verloop van tijd – dat kan na enkele jaren zijn en in een heel gunstig geval enkele maanden — aanpassen. Zodra wij proberen een gewoontepatroon te bestrijden, ontstaat er een dubbel gewoontepatroon, dat lichamelijk is, plus een geestelijk conflict, dat met beide fasen, dus het oude en het nieuwe patroon beide, strijdig is. Er is een voortdurende, krampachtige poging tot beheersing.

Ik weet niet of u wel eens naar grote zangers geluisterd hebt. Het zal u zijn opgevallen, dat bij een werkelijk groot zanger of zangeres de toonvorming a.h.w. vanzelf gaat. Dan kan zo iemand het zich zelfs permitteren om een toon te missen, te wijzigen en kan er zelfs een keer naast zijn. Dat geeft niet. Omdat het met een gemak en een souplesse naar buiten komt, vallen de fouten niet op, ze storen niet en het geheel schept een soort betovering. Stel daartegenover iemand die krampachtig zijn best doet, die elke toon precies juist vormt, maar die dat doet met een “hopelijk haal ik het”. Het lichte is ineens weg, het is net of de melodie in stukjes gehakt wordt.

Datzelfde heb je nu wanneer je met één van de gewoontepatronen aan de gang bent. De inwijding, die je zoekt, is over het algemeen een stoffelijk beeld. De stoffelijke voorstelling ervan kan nooit juist zijn zover het de geestelijke inwijding betreft. Dus is het verstandiger om geen stoffelijke beelden van inwijding te maken. Om alleen te beantwoorden aan hetgeen wij geestelijk in onszelf gevoelen als waar of juist en waar dit niet mogelijk is te zeggen: Ik heb mijn best gedaan en de rest zien wij wel.

Hoe verder je gaat op geestelijk terrein, hoe groter het onderscheid wordt tussen de stoffelijk mogelijke harmonische uiting en de stoffelijk onvermijdelijke uiting, de uit het stoffelijk ik zelf voortkomende noodzaken en reflexen. Ga je die beheersen, dan ga je er of lichamelijk onderdoor of je komt geestelijk tekort. Aanvaard je het feit, dat je maar tot een beperkte hoogte aan de hoog geestelijke impulsen kunt beantwoorden, dan krijg je een langzame groei en ik heb al gezegd: de aanpassing geschiedt dan vaak verwonderlijk snel – binnen enkele maanden – en ze gebeurt in elk geval.

Belangrijk is misschien hierbij ook nog een ander aspect. Het stoffelijk ik ondergaat de impulsen van het wereldbewustzijn. Er is een gemeenschappelijk bewustzijn op deze wereld, ontstaan uit het stoffelijk denken van alle mensen en ofschoon dit dan ook geestelijk wel degelijk betekenis en waarde heeft, betekent het voor het lichaam alleen, dat alle gedachten-impulsen, die harmonisch zijn met de in mij op dit moment bestaande stoffelijke noodzaken en drangverschijnselen, zich in mij realiseren, zodat een verrijking uit het gemeenschappelijk bewustzijn mogelijk is t.a.v. het stoffelijk denken. Maar ik heb ook te maken met geestelijke harmonieën. En het dubbel -ik kan in dit geval ook weer vreemde verschijnselen vertonen.

Laten we de heren der stralen als voorbeeld nemen. Een heer van een straal is in wezen een geestelijke kracht, ook wanneer hij stoffelijk vormend bepaalt. Misschien behoort uw lichaam onder diezelfde straal, maar wanneer u er geestelijk één mee bent, dan zullen de impulsen, die vanuit die straal komen voor u bepalend zijn t.a.v.  de harmonieën, die u op geestelijk terrein kunt verwerven. Het betekent dus ook de contacten en eventuele versmelting met persoonlijkheden. Het betekent de kracht die u geestelijk kunt putten, de geaardheid van de kracht en – dat is ook erg belangrijk – de vraag of die op dit moment wel of niet harmonisch zal zijn op de wereld.

Want nemen we een doodeenvoudig feit als voorbeeld. De wereld staat onder een rode invloed. Dus een activiteitsinvloed, waarin o.a. allerlei hartstochtelijkheden en zekere onbeheerstheden een rol spelen, terwijl uw geestelijk element de blauwe straal is, waarmee u verknoopt bent , waar u toe behoort. Dan zijn uw lichamelijke neigingen en uitingen in tegenspraak met uw geestelijke gerichtheid. De bezinnelijkheid, de overlegdheid, die geestelijk a.h.w. voortdurend wordt opgelegd, komt in conflict met de enorme spontaniteit van reactie, die materieel wordt veroorzaakt. Proberen wij nu die geestelijke waarden zonder meer aan de stof op te leggen, dan krijgen wij een conflict. Wij kunnen de zaak niet in bedwang houden.

Het is hetzelfde als met een carbidpotje, waar je een beetje carbid en water in doet en dan sluit. Omdat die twee elementen op elkaar inwerken maar afgesloten zijn, ontstaat er een explosie. Datzelfde effect krijgen wij wanneer wij een stoffelijk afwijkende straal vinden t.a.v. een geestelijke straal, waartoe wij behoren. Zodra wij deze proberen te bevatten binnen onze persoonlijkheid, vormen ze tezamen een explosie en die explosie kan zo ver gaan, dat wij daardoor verschijnselen van epilepsie krijgen, het is mogelijk dat er langdurige trances voorkomen en het is zelfs denkbaar, dat door een emotionele schok een persoon gewoon in coma valt er dan is het nog maar de vraag of hij eruit komt.

Zijn wij echter in staat onze geestelijke tendensen te volgen en ons niets aan te trekken van de stoffelijke verschijnselen (Ik ben impulsief. Goed, dat kan geen kwaad, zolang ik maar teruggrijp op mijn geestelijke mogelijkheid.), dan zal in elke invloed op aarde lering zijn voor de geest zonder dat de geest in conflict komt met het stoffelijk deel van het ik. Er ontstaat dan wat men wel eens noemt: een bewustwordingsmogelijkheid met brede basis, waarbij het ik en de straal waartoe het behoort, wordt voorgesteld als de top van de piramide en het geheel van de materiële beleving als de basislijn van de piramide, het basis vlak. Wij kunnen dan zeggen dat uit de veelheid van stoffelijke belevingen een beperkt deel geestelijk interessant is. Dat, wat niet geestelijk interessant is, is in feite van geen betekenis. Het heeft ook geen werkelijke plaats in het blijvend bewustzijn. (Herinnert zich de vorige les?) Het heeft alleen maar betekenis op dit moment, zover het onze harmonie – stoffelijk beseft en tot uiting gebracht – met andere mensen betekent of tegenhoudt.

En dat is nu precies datgene, wat zo belangrijk is bij een dubbel ik. U bent geneigd te denken, dat alles wat je op aarde doet, geestelijk van groot belang is. Het dubbel-ik leert ons dat het alleen mogelijk is op die punten, waar een harmonie tussen geestelijk en stoffelijk ik bestaat. Verder leert het ons, dat wij nooit een volledige harmonie kunnen bereiken. Theoretisch is deze mogelijkheid er wel, dat wil ik er even bij zeggen, maar dan bent u hoog ingewijd en hoog-bewust en dan maakt u zich over problemen als deze geen zorgen meer.

De beperking van de harmonie tussen geestelijk en stoffelijk ik kan worden weggevaagd voor zover het een betekenis voor het ik betreft, wanneer wij alle impulsen verwaarlozen, die geestelijk zijn, maar geen uitvoerbaarheid of uitdrukbaarheid  binnen het geheel van geestelijk en stoffelijk ik en gelijktijdig alle daadstellingen, gewoonten  die in het zuiver stoffelijk ik voorkomen, verwaarlozen voor zover zij geen directe betekenis hebben i.v.m. de harmonie en de drijfveren met het geestelijk ik.

Wij gaan nu verder met de kosmische relatie van de mens. Er bestaan bepaalde beperkte kosmische relaties tussen het menselijk lichaam en de omringende kosmos. Het is nl. zo dat elke verplaatsing van straling of evenwicht in de kosmos rond het ik het stoffelijk lichaam en het milieu van het stoffelijk lichaam zal beïnvloeden en wel in overeenstemming met de intensiteit en hoeveelheid van invloed, die de aarde bereikt. Dat is astrologisch te bekijken, daarover hoeft u zich niet druk te maken. Maar daarnaast kunnen we zeggen: Alle geestelijke invloeden in de kosmos, die plaatsvinden voor zover (en dat is het voorbehoud) ze geen beperkte harmonie t.a.v. het geestelijk deel van het ik bezitten, werken op het geestelijk ik in, werken door het geestelijk in op het totale ik. De consequenties: wanneer een hoog geestelijke kracht, niet op stoffelijk niveau gemanifesteerd, in een sfeer zich uit, waar het eigen geestelijk ik toegang heeft, dan zal het geheel van de zo ontvangen impulsen, leringen en krachten door het geestelijk ik worden geprojecteerd naar het stoffelijk ik en daar worden omgezet in emotionele impulsen, in aangevoelde krachten en vermogens en daarnaast – en dat is wel erg belangrijk – in variaties van de normaal redelijke processen.

Het dubbel-ik speelt hier dus een heel vreemde rol. Want aan de ene kant zit je vast aan het mechanisme van het heelal en aan de andere kant aan de niet meer in een mechanistische beredenering ook maar enigszins aan te duiden of te classificeren hoog geestelijke wereld. Het resultaat wordt duidelijk. Deze invloeden schijnen de afstand tussen het stoffelijk en het geestelijk deel van het ik te vergroten. Dit is in zoverre waar dat hierdoor de onbeheersbaarheid van een deel van de stof sterker op de voorgrond treedt, dat het onvermogen van een deel van het geestelijk ik zich geheel manifest te maken binnen het lichaam eveneens duidelijker wordt. Maar het betekent gelijktijdig dat de inhoud van het ik door die kosmische invloeden eveneens groter wordt, zodat het geestelijk en stoffelijk ik een groter gemeenschappelijk bereik en een groter gemeenschappelijk actievermogen bezitten.

De gehele situatie voert ertoe dat wij juist het verschil tussen geest en stof – dit dubbel-ik in de mens – niet mogen verwaarlozen. Wij moeten het niet overschatten, dat zeg ik er meteen bij, want als je je daar te veel mee bezighoudt, dan kom je in een rationalistisch fabuleren terecht, waarbij je probeert alle redenen voor jezelf te verzinnen, die er niet zijn. Het is niet nodig dat hetgeen wij doen zinrijk is vanuit stoffelijk standpunt. Onthoudt u dat goed. Maar hoe groter het terrein is, waarin geest en stof samenwerking vinden, hoe groter het geestelijk bewustzijn zal worden dat zich openbaart binnen het stoffelijk lichaam en de stoffelijke mogelijkheid. En daarover zou ik nog iets willen zeggen.
Aannemende dat het deel van geestelijk en stoffelijk ik dat harmonisch is, groter wordt, dan zal de uitwerking daarvan zijn dat dit de stoffelijke activiteiten versterkt. En dan moet ik een  voorbeeld geven om het u duidelijk te maken.

U bent bezig een taal te ontcijferen. De samenhangen van die taal zullen u normaal verstandelijk grotendeels ontgaan. U zou 20 jaar nodig hebben om van de kennis van enkele  letters tot een redelijk begrip van de taal te komen, Maar nu vinden we ineens dat door die vergroting een soort intuïtief proces plaatsvindt. De rede kan bepaalde hiaten overspringen en zo gevolgtrekkingen maken, die niet geheel redelijk verantwoord zijn, maar juist. En   deze gesteld hebbend, is het de rede mogelijk de tussenliggende trappen terug te vinden. Dus dan voel je wat een woord betekent, je probeert of het klopt en later kun je redelijk en wetenschappelijk aantonen, dat het klopt. Duidelijk?

Wanneer u zich kunt voorstellen, dat dit op één terrein gebeurt, dan kunt u zich ook voorstellen, dat dit op andere terreinen gebeurt. Stel een voetballer; hij voert een lichamelijke activiteit uit, waarbij een zekere mate van verstandelijk werk te pas komt. Deze voetballer zal normaal een goed vakman zijn. Nu ontstaat in hem een uitbreiding van harmonie en plotseling schijnt hij ogen in zijn achterhoofd te hebben. Hij plaatst zich reeds voordat de bal zich in een bepaalde richting beweegt. Hij is gemakkelijker en juister ter plaatse. Hij weet zelf ook niet helemaal precies hoe het proces plaatsvindt en zal voor zich later beredeneren dat hij dit aan de gebaren of de uitingen van een bepaalde speler of hetgeen hij daaromtrent weet, heeft ontleend. Er is dus een intuïtief element gekomen dat redelijk teruggevonden kan worden.

Zolang wij een intuïtie hebben, die wij niet redelijk kunnen vertalen, blijft het menselijk gezien vaag. Maar als wij een intuïtie hebben, die het ons mogelijk maakt vele bemoeiingen over te springen en toch tot een redelijk proces terug te komen, dan hebben wij een grotere materiële bereikingsmogelijkheid en wij hebben daarbij gelijktijdig – en dat is misschien ook wel belangrijk – door gebruik van deze faculteiten in het ik, een vergrote bewustwording. En dat voert mij tot het laatste punt, dat ik vandaag met u zou willen aansnijden en dat is nl. die kwestie van inwijding.

De reacties van het dubbel-ik hebben nl. t.a.v. inwijding nogal  wat betekenis. Die inwijdingen stelt de mens zich altijd voor als bv. met regelmatige afstanden plaatsvindend. Dat is niet het geval. De zgn. inwijding vindt plaats op het ogenblik dat er een zekere harmonisatie mogelijk is tussen stof en geest, onverschillig of dit voor een enkel ogenblik plaatsvindt of voor een langere tijd. Dat is ook belangrijk. Vindt zij plaats, dan vindt een uitbreiding van bewustzijn, maar gelijktijdig ook een verandering van leven en levens-reactie plaats, ook een verandering van sensitiviteit trouwens. Is deze reactie verder harmonisch, dan kan bv. – het is alleen maar een voorbeeld – zich de volgende reeks voordoen:

1ste inwijding na ongeveer 30 levensjaren

2de inwijding na ongeveer 40 levensjaren

3de inwijding na ongeveer 42 levensjaren

4de inwijding na ongeveer 44 levensjaren

5de inwijding na ongeveer 47 levensjaren

Na 48 levensjaren weer een inwijding, daarna een periode van stilstand, We hebben een maximum van uitbreiding bereikt in een bepaalde manier van leven en denken. Wij krijgen een ommekeer van de stoffelijke omstandigheden, die hierdoor wordt veroorzaakt en daarna gaan wij verder meestal met een tussenpauze, die ongeveer de helft bedraagt van de aanloop van de eerste inwijding, dus dat kan 14 à 15 jaar zijn, waarna de volgende inwijding plaatsvindt en de andere dan in versneld tempo, zodat de tweede inwijding in deze tweede reeks na ongeveer 3 jaar plaatsvindt, de derde na ongeveer anderhalf jaar en waarschijnlijk de laatste  inwijding, want veel verder kom je dan niet, na enkele maanden.

Veel mensen denken, dat deze inwijdingen betekenen dat je ineens anders bent, maar dat is niet waar. Het betekent alleen dat je geestelijke mogelijkheden anders zijn geworden. Velen vergeten daarbij dat bepaalde dingen, die in de eerste klas belangrijk zijn – een verhaaltje vertellen bv. –  in de tweede klas al minder belangrijk zijn en in de derde klas al niet meer voorkomen. Een bepaalde, voor de mens vaak zeer bevredigende methode van werken met de geestelijke kracht zal na enkele inwijdingen verdwijnen en vervangen worden door iets anders dat minder ludiek is, maar voor het ik veel belangrijker en meer resultaten geeft.

Het zal u duidelijk zijn, dat de menselijke psyche, juist door zijn verdeeldheid, enorme mogelijkheden biedt tot inwijding, dat de reeksen van inwijdingen gemakkelijker begrepen en verklaard kunnen worden inclusief de stoffelijke verschijnselen, die daarbij plaatsvinden, wanneer wij het dubbel-ik beschouwen. Het zal u, naar ik hoop, ook duidelijk zijn geworden, dat het blijvend herinneringsvermogen van de geest bepalend is voor de richting, waarin zich die inwijding zal bewegen en deels ook van belang zal zijn voor de harmonieën, die voor de geest zowel t.a.v. de stof als t.a.v. andere geesten mogelijk zijn.

Tweede deel: Inwijding

Men heeft mij gevraagd deze avond een paar kleine wijsheden aan u voor te leggen. Het lijkt mij dat het voor een mens op aarde belangrijk is een zekere inwijding te vinden en ik wil daarover graag enkele dingen zeggen:

Een inwijding is niets anders dan een geestelijk groeien. Geestelijk groeien betekent: een zekere onafhankelijkheid bereiken t.a.v. de wereld, t.a.v. de materie, t.a.v. ook van vele geestelijke invloeden, die u tot op zo’n ogenblik onbewust hebt ondergaan. Er zijn heel veel verschillende, grote voorbeelden over het bereiken van een inwijding. Soms is het een geestelijk proces, waarbij men langere tijd bewusteloos is en in deze bewusteloosheid geestelijk gebeurtenissen doormaakt, die men later zich bewust zal herinneren, zodat men zich opnieuw kan richten naar de werkelijke waarden, ook in het gewone leven. Maar deze inwijdingen zijn, althans voor een zeer groot gedeelte, inwijdingen van een oudheid. Het is voorbij. De tijd die het vergt om zo’n inwijding te bereiken, is lang. Er is een noodzaak van eenzaamheid, men moet a.h.w. dolen door de wereld, totdat men een graad gevonden heeft en daarvoor is eenvoudig geen tijd en geen mogelijkheid meer in de moderne wereld.

En daarom is het proces van inwijdingen in deze tijd een beetje anders geworden. Het is deel geworden van het dagelijks leven van een mens en hij zal zelf vaak niet beseffen of hij een stapje verder is gekomen of niet. Want je leeft en in je leven word je in het begin sterk geregeerd door alle dingen, die je geleerd hebt en die rond je erkenning vinden. Je probeert je wat uit te leven en nadat het uitleven voorbij is, komt er een ogenblik dat je zegt: Nu ga ik toch een richting kiezen. Ik wil wat gaan doen. En heel vaak begint hier reeds een eerste, voorzichtige inwijding. De persoonlijkheid groeit en plooit zich open tot iets nieuws. En dan begint het werkelijke werken, het zoeken naar begrip, het zoeken naar de gelijkenis met alle dingen, het zoeken naar contacten met God en met de geest. Het is vaak teleurstellend. Je denkt elk ogenblik dat je verder gekomen bent en op het ogenblik dat je meent dat je bereikt hebt, val je terug. Maar dat is niet erg, want door het terugvallen ga je begrijpen dat het niet belangrijk is om te klimmen.

De mens, die wil streven naar inwijding, probeert de top van hemelse kennis te bestijgen als een bergbeklimmer met ijzers en koorden gewapend en als het kan met een goede gids. Maar wat is nodig voor een inwijding? Het lichte, het gevleugelde, waarbij men zichzelf opwaarts draagt, zodat men langzaam maar zeker op den duur naar beneden ziende, het landschap ziet en de toppen dichter benadert. Dan kun je rusten aan de wand en weer verder vliegen.

Inwijding heeft iets van dat lichte, zwevende en vliegende. Het is een loslaten van de dingen, die je naar beneden trokken. Het is niet een wanhopig gevecht tegen de zwaartekracht, tegen de redelijkheid en de stoffelijke zwakheid, het is eerder een ogenblik rustig loswieken en even die dingen achter je laten tot het ogenblik dat je weer neerdaalt en dat je weer mens bent. Deze luchtige inwijding merk je haast niet. Een vogel weet ook eigenlijk niet goed dat hij vliegt. Hij beweegt zich, zijn bewegen is vliegen. Maar het vliegen komt niet voort uit een bewust spreiden van de vleugels. Het komt voort uit het gebaar van: “ik wil mij voortbewegen” .

Degene, die naar inwijding zoekt, maakt geestelijk het gebaar van “lk wil mij voortbewegen” en hij wordt een ogenblik verder gedragen. Maar zoals alles: vliegen is een kunst. Je hebt geen uithoudingsvermogen en na een korte reis moet je weer neerdalen daar, waar je vanuit bent gegaan. Dat is je veilige plaats. Maar een volgende keer vlieg je iets verder. En dat is nu juist inwijding.

Inwijding is een leren steeds verder en steeds hoger te vliegen zonder dat je daarom wegvliegt. Er komt een ogenblik van de volle inwijding. De volle inwijding, dat is een trekvogel, die zijn nest al heeft achtergelaten, die, zwermend met andere soortgelijke vogels, van mening en opinie heeft gewisseld en die op een gegeven ogenblik zegt: Dit is mij niet genoeg meer en die de vlerken spreidend weg zeilt ergens naar een ver land als een ooievaar die, zittend in een Nederlands nest, zegt: Het is herfst, het is tijd, wij gaan naar de Nijl.

Zo is inwijding. De mensen denken: ik moet wachten tot God bij mij komt, tot de Meester mij zal inwijden. Maar eigenlijk is het veel eenvoudiger. Ik heb u als voorbeeld gegeven de ooievaar. Het ooievaarsjong staat op het nest, het ziet de ouderen vliegen, het krijgt de behoefte zich ook te bewegen, het strekt de vleugels, het staat te wapperen op de rand van een nest in de hoop, dat het eindelijk eens loskomt. Er komt een ogenblik, dat hij zegt: Die anderen vliegen, nu kan ik het ook en het aarzelend probeert, niet ver. Zo is inwijding.

Inwijding is niet een bezocht worden door God, die u doorlicht en u omhoog hijst.  Als dat zo zou gebeuren, dan is dat als een engeltje op het toneel. Het schijnt omhoog te zweven, maar kan alleen omhooggaan als achter het toneel de mannen aan de kabel staan te trekken. Maar wanneer je voortdurend je vleugels oefent, wanneer je steeds denkt, iets verder, iets meer, iets hoger, moet het mogelijk zijn. Dan komt er een ogenblik dat je iemand ziet gaan en dat je denkt: dat kan ik ook. Dat je een laatste maal wanhopig  wappert en je overgeeft aan de ruimte. Dat je je zekerheid achterlaat en zegt: Hier is de waarde, die ik zoek.

Inwijding door een meester is niet: de  meester die komt, oud, met witte baard, die fluisterend het geheime woord zegt. Die dingen bestaan niet en als er een ingewijde komt, die zoiets zegt, die het fluistert, dan vliegt u niet en uw vliegend tapijt gaat ook niet omhoog.

Maar soms is er een ingewijde, die u een stukje voorgaat.  Die iets laat zien en dan denkt u: kon ik dat ook maar. Dan oefent u en dan komt er een ogenblik dat u het doet en vreemd, dan is deze meester, deze inwijder of zo ge wilt deze God, deze kracht van God, steeds vlak voor u. Totdat ge landen moet en hij u een veilige plaats wijst om te rusten. Dat is de inwijding van een meester.

Het verbaast mij altijd dat mensen zo stoffelijk denken over wat hoofdzakelijk een geestelijk  gebeuren is. Het schijnt dat zij een inwijding zien als het kopen van een kaartje voor een wedstrijd van Ajax-Feyenoord. Lastig om te krijgen maar als je het hebt, dan ga je zitten en je kunt de wedstrijd zien. Het is gebeurd. En ze beseffen niet dat inwijding iets is dat ineens  plaatsvindt. Het is een voortdurend proces van groeien en van veranderen.

Dan zeggen de mensen: Ja maar, een geestelijke inwijding, daarvoor moet je naar hoge sferen kunnen gaan. Maar hoe weet u of een sfeer hoog is? Waar is de mens die in een sfeer staande, naar beneden kijkt en zegt: Ik sta op de 9e etage? Je kunt niet naar beneden zien. De sfeer verwacht je, ze doortrekt je, het is als een wierook rond je, die je half verdooft, die tot een geur van jezelf wordt. Dan is het ogenblik voorbij en je daalt. En je weet niet eens dat je daalt, want de beelden spelen rond je. De geur hangt om je heen en je bent alweer beneden. Je kunt geen inwijding in mooie graden indelen. Wij doen dat. U bent van de 7e, 6e enz. graad, Maar kun je zeggen, als je langs de weg gaat met een vervoermiddel: Nu heb ik precies 729 km., 99 m, 56 cm en 28 mm   afgelegd? Wie kan dat? Dat kan niemand. Je kunt het begroten, maar je kunt niet zeggen hoever je bent gekomen. Je kunt alleen vliegen. Je kunt alleen zeggen: Beneden mij ligt de wereld. Ik zie meer en ik wiek op de winden van een oneindigheid en ik zie licht. En als de zon beneden gedoofd is, is er voor mij nog een juweel, dat fonkelt aan de hemel.

Inwijding is een moeilijk ding. Niet om te bereiken. Inwijding is in de mens ingebouwd. Als u op aarde komt, dan is er in u iets dat zegt: Inwijding. En als u het dit keer niet doet, dan de volgende keer beter. U krijgt weer een lichaam enz. totdat u de inwijding hebt. En dan krijgt u een lichaam, waarin een nieuwe inwijding gebouwd is. Totdat u alleen geestelijke inwijdingen kunt nemen en doorleven . Zo eenvoudig. Maar het begrip inwijding is moeilijk.

Sommige mensen denken, dat inwijding weten is. Dan zijn grootste ingewijden van uw wereld, de enorme cybernetische breinen, die ingebouwd zijn in de diepe kelders van grote gebouwen. Want zij weten veel, maar zij zijn niet eens een persoonlijkheid. Weten is geen inwijding. Het is de verbinding in jezelf. Wanneer ik een licht neem en ik werp het hier, dan kunt u dat misschien zien. Maar dat is niet werkelijk. Werkelijk wordt het pas, wanneer u dat licht ziet en tot u trekt en het maakt tot een soort helm van licht, dat over u staat, totdat het u doortrekt en u spreekt in het licht en het licht spreekt in u. Dat is inwijding. Inwijding is niet verschijnsel, het is integratie in verschijnsel. Inwijding is niet: weten wat gebeurt, maar één zijn met gebeuren, wisselwerking met al wat bestaat.

Er was een geleerde. Hij was heel knap en hij beschouwde een bloem, een eenvoudige bloem. Hij keek en keek en hij veranderde. Hij dook dieper in de bloem alsof hij ooit een bij of een vlinder geweest was. En hij zag ineens de wereld van de bloem. En wat hij toen heeft neergeschreven heeft niemand ooit geleerd genoemd. Men zei: Deze man wilde als vermaak een sprookje schrijven, want men kon niet begrijpen, wat voor hem die wereld geweest was. Maar dat was inwijding. Zijn wereld was rijker geworden. De wereld wordt soms rijker. Want één keer de bloem werkelijk zien, één keer niet alleen dc buitenkant bewonderen, maar doordringen daarin totdat je zelf de bloem wordt , die zich open plooit. Eén keer in een leven van 100 jaar is genoeg. Het is niet de herhaalbaarheid van de beleving, die de inwijding maakt, het is het begrip dat de beleving heeft gegeven, dat de inwijding maakt.

Ik speel met begrippen en woorden en tracht duidelijk te maken wat leeft en ik kan niet eens duidelijk zeggen dat inwijding het groter worden is, omdat je meer buiten jezelf leeft. Ik kan het niet duidelijk maken.

Er zijn monniken geweest in afzondering, ook in de christelijke kloosters, die hun geest hebben uitgezonden over de wereld, verder dan zij ooit van een heks geloofd zouden hebben. Zij wisten niet dat zij ingewijd waren, maar zij leefden in de hele wereld en toch in een kleine cel.

Er is een boek: “Peter Ibensohn”. Peter Ibensohn houdt van iemand. Hij wordt gevangen genomen en leeft in een kerker. Hij bouwt zich een paleis in de wolken en dat wordt steeds werkelijker tot het ogenblik dat de mens in de cel sterft en dan leeft het ik in het wolkenslot met de beminde, die hij daar steeds ontmoet heeft. Misschien lijkt dat wat op inwijding.

De mens leeft. in een cel van menselijkheid, maar zijn gedachten kunnen buiten de cel treden als een lichtbundel, die naar de hemel tast of die zoekend wandelt in de wouden en over de weiden en drijft met de rivieren. Dat is inwijding. Buiten jezelf treden en toch weten dat je bent. De wereld begrijpen. Gekluisterd liggen in rotsen en groeien met het gras, drijven met de wolken, een slot bouwen van maanlicht, dat is inwijding.

En u allen hebt inwijding in verschillende gradaties. Maar uw inwijding wordt niet bepaald door wat u bent in uw body, maar het wordt bepaald door wat u meer bent dan mens, waar u leven kunt. Iemand, die met dieren spreekt, niet als mensen, maar als dieren en de dieren begrijpt, heeft inwijding. Hij is meer dan een mens geworden. De dierenwereld is voor hem opengegaan.

Een mens, die de kleuren ziet, die leven en tintelen en wisselen met de verandering van licht en schaduw, met de komst van de zon en haar gang langs de hemel. Zij leven in een wereld van kleuren en de kleuren spreken niet alleen van de tijd, maar van het weer. Zij spreken van de schoonheid die is en die verborgen kan blijven; van het leven dat zich openvouwt en zich weer verbergt. En die mensen zijn ingewijden.

Daarom kan ik zeggen dat u ingewijd bent. U leeft een ogenblik de ziel van een ander mens. U bent een ogenblik in verrukking voor een vallend blad en dwarrelt een ogenblik mee tot het neervalt  op de vochtige aarde. Dat is inwijding. Inwijding is God. Maar, het is niet gaan uit de wereld naar God, maar het is in alle leven en zijn; het terugvinden van God. Het is niet het uitstijgen boven het andere, maar het zo vermengd zijn met het andere dat je kunt spreken tot de dieren en kunt dromen met de planten. Dat je ten hemel kunt stijgen met het verdampend water en dat je dingen tegelijk bent. De ware ingewijde is het zaad dat wordt uitgeworpen, de aarde waarin het valt, de zon die rijpheid geeft en de vrucht die er uit voortkomt. En in zich is hij slechts de weerspiegeling van de kracht, die al deze dingen mogelijk maakt.

Misschien denkt u: wat een stortvloed van woorden. Wie kan iets zeggen van inwijding zonder een stortvloed van woorden, die alleen iets betekenen door dat, wat niet gezegd kan worden. Toch zeg ik: Voor u is inwijding niet in het weten en het begrip, maar in de ogenblikken van even buiten jezelf zijn. En dat is alles wat ik zeggen kan. Ik heb fasen van inwijding doorgemaakt en ik kan ze niet vertellen. Ik ben nog klein. Misschien word ik eens groot. Zo groot dat ik niets hoef te zeggen , maar dat ik u in u begrijpen kan en u mij kunt aanvoelen. Maar zover ben ik nog niet.

Daarom maak ik een eind aan een prettig ogenblik van genieten van de gastvrijheid van de Orde en van u. Maar vergeet niet: u bent mens. Zo hebt u inwijding en krijgt u telkens weer inwijding. Zoek geen graad of grootheid, maar laat uzelf groeien totdat u één bent met de wereld.

image_pdf