2 april 1971
Wij zijn niet alwetend en onfeilbaar. Dit betekent dat van u verwacht wordt dat u zelfstandig nadenkt. Op deze vierde vrijdag van de maand is de beurt aan u in de zaal om een onderwerp te stellen. Wat is uw keuze?
Jodenvervolging
Er wordt wel eens gezegd dat de Joden door alle eeuwen heen vervolgd zijn geworden. Daarbij hoor je echter maar heel weinig over datgene wat Joden eens anderen hebben aangedaan. Nu klinkt dit misschien wat wreed en naar ik meen mogen dergelijke dingen in het Nederland van heden eigenlijk niet gezegd worden. Maar laat ons dan eens nagaan of een voor anderen niet aanvaardbaar optreden van de Joden in de geschiedenis misschien voorkomt.
Wanneer de Joden in het land Kanaän binnentrekken en dit land op de oorspronkelijke bewoners wordt veroverd, pleegt het uitverkoren volk rustig genocide op de oude inwoners die men weet te overmeesteren. Men probeert de Kananieten uit te roeien, omdat zij het met de in beslagname van hun land niet eens zijn. De Amelekieten, waarmede men eveneens over rechten van doortocht en het recht tot vestiging in oorlog komt, worden middels vele listen en aanvallen praktisch gedecimeerd. Ik zou het opsommen van dergelijke gebeurtenissen in de historie van dit zich uitverkoren noemende volk nog wel even door kunnen gaan. Het is wel duidelijk dat de omringende volkeren niet veel waardering koesteren voor een stel nieuwkomers, die niet alleen volkeren die met het eigen geloof en eigen gebruiken zoveel overeenkomst vertonen, met uitroeiing en decimering bedreigen, maar bovendien tegen alle anderen luidkeels verkondigt dat dezen maar afgodendienaren zijn en daarom verwerpelijk.
Een hele tijd is Israël ook bijzonder glorieus. Denk eens aan de tijden van Salomo. In die dagen is Israël bijzonder sterk. Het is in feite een rijk dat zich van de Rode Zee tot de Middellandse Zee uitstrekt en zijn invloed doet voelen tot in de Nijldelta toe. En ook in dit rijk beschouwen de Joden zich als een soort übermenschen tegenover andersdenkenden. O, ik weet wel dat dit duitse woord eerst veel later is ontstaan. Maar het gevoel van uitverkoren zijn, het enige ware geloof bezitten, de enige ware God dienen, voerde toch wel degelijk tot een gedragscode tegenover anderen die met het optreden van edelgermanen te vergelijken is. Dat deze Joden telkens weer door andere volkeren verslagen en weggevoerd worden, is daarom niet onbegrijpelijk. Men zou kunnen zeggen dat zij dit door hun eigen gedrag hebben uitgelokt.
Dat de Joden in hun geschiedenis, ook wanneer zij niet zo machtig zijn, steeds weer vervolgd worden, is eveneens begrijpelijk. Steeds weer blijkt dat een deel van hen wel een ander volk en andere gebruiken wil aanvaarden, maar dat een meerderheid hiervoor niets blijkt te gevoelen. In de gevangenschap in Egypte bijvoorbeeld is wel degelijk sprake van enige integratie. Een deel van het volk wordt inderdaad in de egyptische samenleving opgenomen. Het zijn degenen die weigeren zich te voegen naar de gebruiken van het land, die de heersende goden voortdurend met minachting bejegenen, die door Farao en zijn volk achtervolgd worden en tot slaven worden gemaakt. Wanneer Jozef onderkoning is van dit land en zijn familie laat komen, omdat overal een grote hongersnood heerst, blijkt reeds dan de aartsvaderlijke familie niets voor integratie te voelen. Men houdt zich op een afstand van de Egyptenaren die wel goed voor hen zijn en hen eten geven waardoor zij in leven kunnen blijven, maar uiteindelijk toch de juiste god niet aanbidden. Tijdens de gevangenschap in Babylon zien wij iets vergelijkbaars. Een kleiner deel van het volk integreert, maar het merendeel voelt zich voor zoiets net iets te goed. Hun houding is: wij behoren tot een uitverkoren volk en moeten daarom een van anderen geïsoleerde gemeenschap vormen. Deelhebben aan de gebruiken van onze heersers is te min voor ons en zo anderen dit wel doen, deugt dit niet.
Misschien meent u dat deze houding alleen in het verleden is voorgekomen en bij velen resentimenten tegen de Joden heeft wakker geroepen? Maar in deze tijd en in een land waarin toch een betrekkelijk grote vrijheid bestaat, zien wij iets dergelijks. In de USA treft men steeds weer joodse gemeenschappen aan die zich afgezonderd houden van de andere burgers van dit land. In New York bijvoorbeeld treft men een chassidische gemeenschap aan die zich zelfs van de anderen, minder orthodoxe Joden, afscheidt en tegenover eenieder die anders dan zakelijk relaties heeft met gojim, een grote reserve in acht nemen. Men blijkt in dit geval de eigen gebruiken te handhaven, eigen scholen te bekostigen en zelfs geheel op eigen kosten de gebruikelijke tochtjes voor de kinderen te organiseren om alle besmetting door ongelovigen, of minder orthodox denkenden, te voorkomen. Dit ofschoon men middels bepaalde staatsvoorzieningen dit alles beter en met minder kosten, maar dan met anderen tezamen, zou kunnen hebben. Overal treffen wij zich op hun Jodendom beroepende groepen aan die zich van de gemeenschappen waarin zij toch leven, menen te moeten isoleren en dit gaat gepaard met een meestal milde vorm van hoogmoed. Wil of kan men zich niet realiseren dat een dergelijke houding, die vaak wordt doorgevoerd tot in het handhaven van eigen kleding en gebruiken, ook in de wereld buiten eigen groep, op anderen, andersdenkenden, irriterend kan werken?
Men kan hier opmerken dat de Joden, ondanks dit, in Nederland werden aanvaard. Maar hierbij moet men niet vergeten dat de grote joodse gemeenschappen in dit land in feite als vluchtelingen kwamen en werden aanvaard als refugees van een bewind waar ook de Nederlanders zelf heel weinig mee op hadden. De eerste relaties tussen Nederlanders en Joden in grotere groepen stammen eigenlijk uit de tijd dat de Portugese Joden zich in Amsterdam mochten vestigen en daar een getto kregen. Sindsdien is er in uw land sprake geweest van een evolutie in de verhoudingen. Hierbij speelt ongetwijfeld het feit een rol dat de Nederlanders begrip toonden voor het joodse denken. Dit betekende overigens niet dat men ook geloofde in de superioriteit van het Jodendom. Integendeel: ook nu nog is, zoals vroeger, in de Nederlandse humor de jood vaak een wat belachelijke figuur.
Maar de eigen waarde van het Jodendom werd zonder meer aanvaard. Men erkende de joodse denkers voor wat zij waren: vaak zeer grote filosofen. De Jood die zich in zijn contacten met de buitenwereld niet door kleding en gebruiken wenste te onderscheiden, werd aanvaard als een Nederlander, niet anders dan anderen. Toch bleek dit een voorwaarde voor een werkelijk contact met de Nederlandse bevolking. Wij zouden dan ook uit de Nederlandse geschiedenis meerdere grote denkers van joodse origine kunnen noemen, die zich wat leefwijze en handelwijze naar buiten toe betreft geheel van de joodse gemeenschap hadden losgemaakt en juist hierdoor overal aanvaarding konden vinden.
In Nederland waren het vooral de intellectuele Joden die een werkelijke opname in het volk nastreefden en ook bereikten. In andere landen echter zien wij eerder het tegenovergestelde. Hier zijn het juist de joodse denkers die anderen meeslepen in een algehele afzondering van het gastvolk. Soms gaat dit zover dat de Joden in het gastland op de duur eigen dorpen en steden hebben. Men vertelt steeds weer dat in het nabije verleden de Joden in Rusland en Polen zo sterk vervolgd werden. Dit is in feite gelijktijdig wel en niet juist: de vervolging is er geweest, maar wel tegen een bepaalde vorm van Jodendom. De Joden waren oorspronkelijk mensen die, krachtens voorschriften in de grote steden in afzondering dienden te leven, in eigen wijken. In de dorpen waren de Joden echter vaak handelaren en in enkele gevallen horen wij zelfs van Joden als grondbezitters. In Rusland betekende dit dat zij tot de betere, ja, zelfs tot de hogere standen gerekend dienden te worden. Deze Joden droegen de kleding van het land en pasten zich aan de heersende gebruiken enigszins aan. Hiervoor werden zij maar al te vaak door hun geloofsgenoten uitgestoten. Toen het orthodoxe christendom deze afzondering niet meer wenste te aanvaarden en met agressieve pogingen tot het bekeren van de Joden begon, wisten de gemeenschappen van de Joden hierop kennelijk geen juist antwoord. Men trok naar bepaalde dorpen die zo tot een soort joodse enclave werden in het land van de Russen. Deze joodse dorpen werden op de duur geheel volgens joodse gebruiken geleid, waarbij de bewoners kennelijk het gevoel hadden: wanneer wij het nu maar doen, zoals wij dit juist achten, heeft niemand ons iets te zeggen.
Wij hoeven ons niet bezig te houden met de vraag of het de bedoeling was van deze samengetrokken Joden, maar hun gedrag, hun wijze van anders zijn, werd al snel een uitdaging aan het gangbare gezag dat deze dorpen tot “Jodendorpen” maakte en de Joden al snel het reizen zonder bijzondere passen, zoals dit ook voor lagere standen overigens verboden was, onmogelijk maakte. Gelijktijdig waren de afwijkende gebruiken, het op zichzelf blijven van deze gemeenschappen, een uitdaging voor de omwonenden die in feite vaak hun wijze van leven, hun eigen gebruiken geminacht zagen. Daarbij was de gemiddelde welvaart in de Jodendorpen minstens gelijk aan, maar meestal zelfs iets hoger, dan in de omringende dorpen. Het is duidelijk dat de eerste pogroms hierdoor werden geïnstigeerd en dat achtervolging om grondbezit in handen te krijgen eerst als gevolg van een reeds bestaande mentaliteit bij de Russen mogelijk werd. Hierbij wil ik opmerken dat ook in deze gevallen, zoals altijd weer op de wereld, armere en eenvoudiger mensen de rekening moeten betalen voor wat rijkeren doen en intellectuelen menen na te moeten streven. Niet verwonderlijk overigens, wanneer men zich realiseert dat dit ook nu nog overal het geval is. Waarom zou het dus binnen het Jodendom anders zijn?
Elders zien wij een evolutie in de verhouding met de christelijke wereld ontstaan. In Duitsland bijvoorbeeld ontstaat een joodse bankiersstand die zowel integrerende als uitdrukkelijk joodsblijvende leden omvat. Dezen kennen een goede samenwerking. Er zijn natuurlijk nog steeds pogroms. Maar meestal weten de rijken in goede samenwerking, middels allerhande verborgen wegen, het gezag te beïnvloeden en bescherming te verwerven. In Frankfurt waar men toch wel een zeer uitgebreide Jodenwijk had, kan men slechts twee malen een grote progrom optekenen. Hierbij blijkt verder dat de plunderingen, mishandelingen enzovoort slechts eenmaal niet door de autoriteiten beheerst konden worden. Het andere grote progrom werd kennelijk door knechten van de staat en bepaalde hoge heren gehouden en geïnstigeerd om hiermede de bankiers onder druk te zetten. Zodra aan bepaalde eisen voldaan werd, was het met de vervolgingen afgelopen.
Over de geschiedenis van de Rothschilds hoef ik u niet veel te vertellen, daar u hierover overal meer dan voldoende kunt lezen. Maar ook deze mensen manipuleerden de markt voor eigen doeleinden. Al snel waren zij echter uiterlijk geen echte Joden meer. Zij hadden hun geloof en waren daaraan in vele opzichten trouw, zeker. Zij hielpen de joodse gemeenten vaak uit de brand. Maar aan de andere kant leefden zij zoals de mensen in het land waar zij werkten. De eerste baron Rothschild in Frankrijk bijvoorbeeld had een “paleis”, en was bekend in de betere kringen. Hij gaf vele feesten, had een “salon” aan huis, zoals in die dagen de gewoonte was, en nam geheel deel aan het leven van de heersende klasse. Ik meen dat juist dit gedrag en deze aanpassing aan heersende gebruiken van groot belang is geweest voor de Rothschilds, bijvoorbeeld in de zaak met de Spaanse assignaten. Zoals u weet beschikten zij in dit geval over berichten, voor de openbaarheid hiervan wist, en maakten zij zeer grote winsten door het verbreiden van valse geruchten. Indien de Rothschilds in dit geval gettojoden waren geweest, zo zou op deze coup waarschijnlijk een pogrom zijn gevolgd en zouden zij ook persoonlijk zijn aangevallen. Nu echter waren zij wel joden, maar sterk in de gemeenschap geïntegreerd. Zij hadden relaties. Zo liet men hen met rust.
In Engeland zien wij iets dergelijks gebeuren. Ook in Engeland waren de Joden oorspronkelijk vervolgde mensen, al vergeet men dit kennelijk meestal liever. Maar de Joden in dit land integreerden sneller met hun omgeving. In Londen zijn verschillende wijken waarin de Joden nogal lange tijd bij elkaar wonen, maar dezen zijn al snel geen getto’s, geen werkelijk gesloten wijken meer. Het gevolg is dat de bewoners van deze wijken ook de echte gettomentaliteit niet kennen die wij tot in deze dagen in vele landen aantreffen, als is het dan niet altijd onder Joden. De Jood wordt over de gehele wereld langzaamaan in meerderheid vrijer in zijn optreden, past zich beter aan en wordt hiermede ook meer sociaal aanvaardbaar. Belangrijk is hierbij vooral het afzien van een speciale kledij. Denk in dit verband eens aan de zgn. kaftanjoden waarover men in het oosten van Duitsland, Rusland enzovoort nog van hoort rond de eerste wereldoorlog. Een jood kleedde zich om verschillende redenen steeds meer in de dracht van het land waarin hij woonde. Dat hij daarbij nog lang zijn keppel ophield of zijn hoed slechts zelden afnam, vergaf men hem in de meeste gevallen dan wel. Belangrijk was dat een jood steeds meer iemand werd die op je leek, niet meer iemand die in vele, zo niet alle, opzichten van de gewone mensen verschilde. Ik meen dat vooral dit anders zijn die afwijken in dracht, gebruiken, taal van het omringende volk, de verklaring vormt voor de vervolgingen waaronder de Joden steeds weer ze lijden hebben gehad.
Dit lijkt mij althans van meer belang in dit verband, dan zelfs het deel van het evangelie waarin het volk der Joden tot Pilatus roept: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.” Ook al was dit een argument dat bruikbaar was voor degenen die hun vervolging van de Joden wilden rechtvaardigen. Feitelijk is de religieuze animositeit tussen joden en christenen nooit zo sterk geweest, behalve in enkele landen. In Italië en ook in Spanje vooral is sprake geweest van een echte Jodenvervolging. In Spanje had de haat tegen de Joden, zoals die later in het optreden van de inquisitie tot uiting kwam, echter nog een geheel andere achtergrond. Toen de Moren kwamen – 700 – 800 n.Chr. – trokken in hun gevolg ook Joden mee. Een deel van hen had de gewoonte geplunderde bezittingen aan de Moren af te kopen en in enkele gevallen zelfs onder bedreiging met represailles door de Moren de bevolking af te persen. Zij waren een minderheid en in de zo ontstane joodse gemeenschappen waren vele wijzen – goede dokters voor die tijd – aanwezig die veel goeds deden. De afpersingstechnieken waren echter nogal wreed, geloof en gedrag van alle Joden was ongeveer gelijk in de ogen van de Spanjaarden. Dus werden alle Joden voor hen het symbool van de wreedheid en onderdrukking door Moorse bezetters.
Denk niet dat dit zo bijzonder is. In uw land zijn er in deze dagen nog mensen die bij voorkeur Engels spreken wanneer zij een “rotmof” ontmoeten, omdat eens Duitsers dingen hebben gedaan die niet in de haak waren. U kunt mij voorwerpen dat het toch wel verschrikkelijk was onder de Duitsers. Zeker. Maar de jongere Duitsers, die in deze dagen naar uw land komen, hebben met al die dingen toch zeker niets te maken gehad. Toch worden zij met de handelingen van de Duitsers in het verleden geassocieerd.
Uiterlijke overeenkomsten van taal, kleding, gedrag enzovoort wekken associaties. Dit is mijns inziens mede de oorzaak geweest voor de vele vervolgingen die de Joden moesten doorstaan. Vergeet hierbij niet dat de Joden sinds de vernietiging van Jeruzalem in de diaspora, in de verstrooiing leven. Indien zij een volk wilden blijven, een soort rijk zonder land wilden in stand houden, was voor hen die gelijkvormigheid, die trouw aan oude gebruiken, die afwijzing van een werkelijke integratie, onvermijdelijk. En men wilde het Jodendom voort doen bestaan, niet zozeer als ras, maar als religie… Men heeft dit doel inderdaad bereikt. Maar het betekende ook dat in vele volkeren de Joden als verschillend, als anders, werden afgewezen. Het betekent dat zelfs in deze dagen jodenhaat, minachting voor Joden in vele landen nog altijd een aanwezige, zij het waarschijnlijk min of meer, latente kracht is.
Vergeet niet dat de voorstelling van de Jood als anders, als gemeen, minderwaardig enzovoort vaak deel is gaan uitmaken van de literatuur dat het in wezen anti-joods gevoel, van de menigte in het taalgebruik, nog steeds mede tot uiting wordt gebracht. Wanneer u in Nederland zegt: “een echte Jodenstreek” bedoelt u zeker niet dat een zeer edelmoedige daad werd gesteld. De uitdrukking is al lang niet meer gebaseerd op een levende voorstelling van Joden met afwijkende gedragingen, en heeft niets meer te maken ook met het religieuze Jodendom. Men gebruikt een dergelijke term zelfs zonder ook maar even daarbij aan semitische rassenkenmerken te denken. Toch is de betekenis van het woord zeer ongunstig en komt nog steeds in het taalgebruik voor, naast vele andere termen van soortgelijke inhoud. Indien iemand de Joden als minderheid wil gaan vervolgen, kan hij op dergelijke termen altijd weer een beroep doen en de nu dormante, maar veelal toch nog wel aanwezige associaties weer in het bewustzijn van de massa tot leven brengen. Men kan dit ressentiment, dat verborgen nog steeds aanwezig is en zowel in de taal, de literatuur als misschien volgens andere waarden wordt overgebracht, altijd weer gebruiken om het volk op te zetten tegen de Joden.
Wat meer is: in vele gevallen kun je van moderne communicatiemedia gebruik maken – film, tv – om de gewenste stemming snel tot stand te brengen. Opvallend was bijvoorbeeld dat in Duitsland het medelijden met de Joden, dat zo hier en daar heus nog wel bestond, sterk afnam, nadat er een film in omloop was gebracht die, naar ik meen, door een zekere Harlan werd gemaakt en als titel droeg “Jud Süsz”. Toch vlogen de propagandaleuzen de toeschouwers zeker niet om de oren. Eerder maakte men van typeringen en verhaal gebruik om in een boeiend en knap gemaakt verhaal aan te tonen hoezeer Joden verwerpelijke intriganten kunnen zijn. Het gevaarlijke hierbij was het gewekte denkbeeld: wanneer één Jood zo kan zijn, kunnen zij allen zo zijn. Neem mij niet kwalijk dat ik u erop wijs dat ook u op een dergelijke wijze reageert. In de oorlog was toch elke Duitser slecht in de ogen van de meeste Nederlanders? De neiging, bewust verschillend, bewust anders te zijn, is, volgens mij, een van de voornaamste oorzaken voor de vele Jodenvervolgingen. Alleen waar de Joden in het gastvolk integreren of, zoals in Israël, een eigen staat hebben, is er een kans dat het antisemitisme afneemt en langzaamaan geheel verdwijnt.
Maar wat Israël betreft, moeten wij toch wel rekenen met enige moeilijkheden. Want in de regeling van de zaken van de staat zijn steeds weer de rabbijnen aan het woord. Nu heb ik niets tegen de rabbijnen op zich. Toch zijn zij het die steeds weer verkondigen dat de staat in feite een soort uiting van God is en eisen dat alle regelingen onderdanig zullen worden gemaakt aan de Torah, aan de overleveringen. “Ons geloof, onze gebruiken, moeten domineren. Onze God is de enige ware God”, zo stelt men. Maar toevallig leefden in dit land reeds mensen met een ander geloof. En dezen voelden zich door het optreden van de “heidense” Joden die alles volgens hun geloof wilden regelen, in hun heiligste gevoelen getroffen. Het geschil tussen Israël en de Palestijnen is niet alleen maar een geschil over bezit en grondgebied. Dat zou nog wel geregeld kunnen worden. Maar het is vooral een strijd tussen twee groepen die tegenover elkaar staan en beiden vervuld zijn van superioriteitsgevoelens. Beiden voelen zich gelijktijdig gedreven door en gesterkt door het gevoel dat hun god de enig ware god is dat hun geloof het enig ware geloof is. In feite is dit schijnbaar politieke geschil mede een godsdienstoorlog. Juist dit godsdienstige aspect maakt het voor de kleine staat Israël zo moeilijk zich, ondanks alles, in deze tijd te handhaven in de nog bestaande vorm. Zeker: het ontvangt steun van onder meer rijke landen als de USA. Maar dat is grotendeels politieke steun die vandaag of morgen weg kan vallen. Wat blijft, is het feit dat Israël – of er nu vrede getekend wordt of niet tussen verschillende staten en dit land – in oorlog blijft leven met het gehele rijk van de islam.
Dit alles zijn kanten van de zaak die men maar al te vaak over het hoofd ziet of bewust vergeten wil. De oplossing van het probleem van de Jodenvervolging ligt juist hierdoor voor mij in de integratie met andere volkeren. Er zijn natuurlijk wel heel veel goede mensen. Maar die goede mensen hebben dan toch wel zeer eigenaardige gewoonten. Kijk bijvoorbeeld eens naar politiek en zakenleven. Wie objectief schouwt, zal moeten constateren dat een groot deel hiervan berust op een beperkt, maar wel degelijk tevoren berekend en overwogen bedrog. Misschien mag je het niet zo stellen. Maar een mate van bedrog wordt algemeen aanvaard en schijnt inherent te zijn aan de menselijke maatschappij. Misleiding is vaak het wezen van reclame waarin men net niet letterlijk zegt wat men u toch doet begrijpen. U koopt dan producten in een veronderstelling omtrent hun waarde en eigenschappen die zeker niet geheel juist is. Ook dit bedrog, dat vaak gepaard gaat met zelfbedrog, betekent in feite een soort isolement voor de mensen die ermee te maken hebben. Er zijn vele groepen in de maatschappij die zich houden aan gedragscodes die eigenlijk op leugens gebaseerd zijn. Op het ogenblik zijn er ook enkele minderheden te signaleren die het proberen met wat meer eerlijkheid.
Dat zij hun ‘eerlijk’ het meest duidelijk tot uiting doen komen op gebieden die voor de anderen onder zeden en moraal vallen, mogen wij hierbij betreuren. Maar eenieder zal met mij eens zijn dat het toch geen kwaad zou kunnen wanneer men op vele gebieden eens wat openlijker en eerlijker zou zijn. Helaas zoeken de verschillende – normaal elkander met onoprechtheden bestrijdende – groepen gezamenlijk te bereiken dat de groepen die openlijker en eerlijker trachten te zijn, in getto’s worden ondergebracht en zo hun schone schijnwereld niet zullen kunnen bezoedelen.
Toch is een ontwikkeling denkbaar waarin dergelijke geschillen niet meer het saamhorigheidsgevoel van de mensen te niet doet en een reageren op anderen niet meer alleen gebeurt aan de hand van de veelal toch misleidende uiterlijkheden. Er is een tijd denkbaar waarin de wederkerige erkenning van de mensen afhankelijk is van geestelijk inzicht, en werkelijk begrip voor elkaar. In dat geval zal de ander niet meer een islamiet, een jood, een christen of een arme heiden, een uitverkorene of een verdoemde zijn. Dan is hij in de eerste plaats deel van de mensheid.
Wanneer de mensheid, zoals zij nu bestaat, langzaam maar zeker via een grotere eerlijkheid komt tot een juister erkennen van eigen plichten en rechten tegenover anderen, zal er tussen de mensen een begrip van eenheid ontstaan dat niet meer te vangen is in termen als solidariteit en integratie. Is er een dergelijke eenheid, dan komt onverweigerlijk ook een ogenblik waarop een mensheid in de vorm waarin zij zich nu uit en bestaat niet meer denkbaar is. Misschien dat tegen die tijd de mensheid op uw wereld uitsterft. Er zijn heel wat rassen geweest, waaronder ook tamelijk intelligente, die lange tijd heersers van hun gebied op aarde waren en toch in betrekkelijk korte tijd dan geheel verdwijnen. De sauriërs beheersen een tijdlang het oppervlak van de wereld. Tyrannosaurus is de meest verschrikkelijke vernietigingsmachine die ooit uit vlees en bloed werd geschapen. En toch breekt er opeens een periode van nog geen 1000 jaren aan waarin de sauriërs geheel van de aardboden verdwijnen. Met de mensheid in de stoffelijke materie zou iets dergelijks kunnen gebeuren. Maar de geestelijke kracht van die mensheid, deze integratie van alle ik-heid in een geheel van mensheid, kan niet alleen aan het stoffelijke bestaan van de vorm gebonden zijn. Wanneer de mensheid ooit zou vergaan, nadat zij een dergelijk hoogtepunt van integratie bereikt zou hebben, zo betekent dit dat de mensheid als geheel, ook al leeft zij in de geest, toch een mogelijkheid tot stoffelijke uiting lange tijd van node zal hebben.
Indien men zou willen weten wat er in een dergelijk geval mogelijk is, kunnen wij naar het verleden zien om een aanvaardbaar voorbeeld te vinden. Het is voorgekomen dat zonnen uitdoofden of nova werden. Hierdoor kwamen soms zeer ver geïntegreerde rassen geheel om. Maar wij zien steeds weer dat dergelijke volkeren, wanneer zij geestelijk ver genoeg waren, op gaan treden als scheppers, als de kunstenaars van een geestelijke wereld die in de materie nieuwe vormen ontwerpen en helpen bouwen waarin een nieuw, aan hen verwant besef zal kunnen ontstaan. Zij zijn het vaak die medescheppende werkzaam zijn op primitieve planeten. Waarom zou de mensheid iets dergelijks niet kunnen bereiken? Wel meen ik dat de vormen die men dan zal scheppen, niet zo heel sterk zullen verschillen van de vormen waarin de mensheid op haar wereld leefde. Want de humanoïde vorm is een van de vormen die het meest geschikt is voor manipulatie en daarmede ook voor het tot stand brengen van een gemeenschap die een zekere mate van techniek en wetenschap kent.
Een filosofische beschaving zou in praktisch elke vorm kunnen bestaan. Maar zodra een wereld beheerst moet worden en het ras niet enkelen de mogelijkheid dient te geven een individuele grootheid te bereiken, maar een massa zal moeten vormen die langzaam maar onophoudelijk naar grotere eenheid en hogere inhoud integreert, dan heb je een op de mens enigszins gelijkende vorm werkelijk wel nodig. Daarom geloof ik niet dat, wanneer de mensen op uw wereld uitsterven en mogelijk bijvoorbeeld alleen insecten blijven leven, hieruit weer met de mens vergelijkbare wezens zullen groeien. Dit zal eerder elders het geval zijn. Ik neem niet aan dat er op die wereld, zelfs wanneer de condities dit zouden toelaten, dan ooit weer een soort menselijke beschaving zal herontstaan. Wel kan ik mij voorstellen dat een geheel andere, bijvoorbeeld op telepathie gebaseerde beschaving zonder technische ontwikkelingen zou kunnen ontstaan, gedragen door geheel anders uitziende en levende wezens. Wanneer je je als geest verbonden voelt met de planeet waarop je in meer recente tijden ervaring en bewustzijn hebt opgedaan, zo is het denkbaar dat in een nieuwe ontwikkeling van bewust leven op aarde ook de mensheid deel zal nemen.
Wanneer wij spreken over Jodenvervolging, zo spreken wij over een proces. Dit is waar. Maar daarbij mogen wij niet vergeten dat een dergelijke benadering eenzijdig is en de uiting van een mensheid die nog zeker niet tot een voldoende eenheid van bewust zijn is gekomen. Want de feiten wijzen uit dat er steeds weer plaatsen op de wereld zijn geweest waarin de Joden op een aangename wijze konden leven en soms zelf zich tot de heersers achter de schermen wisten te maken. Ik weet dat dergelijke perioden soms zeer kort waren, soms minder dan 30 jaren duurden. Maar dit verandert niets aan de feiten. In Rome bijvoorbeeld hadden de Joden langere tijd een soort eigen wijk of stad op de linker Tiberoever – geen getto dus. Deze Joden beheersten een groot deel van de handel, maar werden ook vaak als kunstenaars zeer gerespecteerd. Vele van deze Joden waren bovendien Romeins burger. Men had het eigenlijk heel goed, tot de vervolging van de christenen uitbrak. De christenvervolgingen bereikten schijnbaar een hoogtepunt tijdens het bewind van Nero. Die naast acteur, wagenrenner en ceasar ook nog een uitvinder moet zijn geweest: men zegt immers dat hij tijdens de brand van Rome, op zijn viool speelde. Dit instrument bestond in die dagen niet, dus als het waar is, heeft Nero het zelf uitgevonden. De moeilijkheden voor de Joden ontstonden door het feit dat de leiders van de christenen Joden waren in het begin, zodat christenen als een bijzonder gemene soort van joodse sekte werden beschouwd.
Zoals de Joden goede en kwade tijden kenden, zo ook de gehele mensheid. Er zijn steeds weer tijden waarin de mensheid vervalt tot barbarisme. Of de barbaarse praktijken nu worden volbracht met behulp van een typemachine of met een knots, maakt volgens mij geen werkelijk verschil uit. Barbarisme is een kwestie van mentaliteit. Maar toch, steeds weer zien wij de mensheid groeien tot gevoelens van verbondenheid, grootheid, menselijkheid. Dan zien wij de moed van de mensen opeens niet meer als noodzakelijk voor vernietigingen, maar als deel van ontdekking van het onbekende, wordt zij deel van filosofische en wetenschappelijke vooruitgang en voert zij mensen tot hoge geestelijke bewustwordingen. Maar daarna valt de mensheid steeds weer terug. De geschiedenis van de mensheid is altijd een golfbeweging. De soort muteert langzaam, maar voor de ontwikkeling in geestelijke zin blijkt dit niet bepalend. Ook al zou u, wanneer u over, zeg 1000 jaren, zou incarneren als kapper, moeten constateren dat de meeste mensen kaalhoofdig zijn, terwijl pruiken al lang uit de mode zijn.
Er zijn op uw wereld al mensen die redeneren: wanneer de menselijke specialisatie nog verdergaat, zal er ook sprake zijn van een lichamelijke specialisatie. Als iemand geboren wordt met een bijzonder omvangrijk achterwerk, is dus de kans groot dat dezen uit zullen roepen: “Hier is een geboren ambtenaar” of zoiets. Geheel ondenkbaar is een dergelijke lichamelijke specialisatie niet, maar gezien de neiging tot individueel leven en denken die de basis is van het menselijk bestaan op uw wereld, lijkt een dergelijk ontwikkeling mij toch wel zeer onwaarschijnlijk. Zoals het voor mij niet denkbaar is dat de menselijke samenleving en de ontwikkeling van de mensen een zo hoog niveau zullen bereiken dat alle menselijkheid overtroffen wordt. Want dan zou niemand meer interesse hebben voor de dingen die de menselijke samenleving maken tot wat zij is. Zo zou de mensheid ten gronde gaan. De economie zou ten gronde gaan wanneer alle arbeiders zouden zeggen: Vandaag is het een te mooie dag om te werken, dus doen wij het niet. De samenleving in de nu bekende vormen zou door gebrek aan belangstelling eenvoudig niet meer kunnen voortbestaan. En dit betekent dat de huidige wereldbevolking ten gronde zou gaan, daar zo grote aantallen mensen als er nu zijn, alleen in leven kunnen blijven door voortdurende samenwerking, gesteund door een plichts- en verantwoordelijkheidsgevoel. Eventuele overlevenden zouden dit alleen zijn door een terugval naar het recht van de sterkste enzovoort, en zo terugkeren tot barbarisme.
Wanneer ooit de mensheid zou verdwijnen van de wereld – zoals in een tweede onderwerp werd gesteld – kan dit tijdens een geestelijke top of tijdens een geestelijk dieptepunt gebeuren. Maar er zal dan geen nieuwe menselijke vorm ontstaan of een andere, bijvoorbeeld uit energie bestaande, vorm worden aanvaard. De actie van de mensheid zal vanuit de geest worden voortgezet, en de vorm die deze aanneemt, is sterk afhankelijk van de bereikte integratie van alle ik-heden in een geheel dat mensheid heette. De intensiteit van die gemeenschap is bepalend. En wanneer de mens op uw wereld heengaat, blijft er volgens mij niet veel anders meer over. Maar zelfs indien er iets zou blijven als bijvoorbeeld ratten, zo zou de mens misschien trachten daaraan zijn geliefde tradities na te laten, maar zij zou ofwel niet in staat zijn, dan wel niet willen, noch trachten dit andere leven te domineren.
Je kunt volgens mij stellen dat het probleem van de mensheid als geheel zowel als het probleem van de Jodenvervolging ergens een gelijke noemer heeft. Want het is altijd weer een kwestie van integratie, van gemeenschapsbesef. Je moet niet jezelf afzonderen van het geheel, maar moet leren jezelf te leven in en voor het geheel. Mens-zijn moet worden: een zonder het tellen van verschillen, samenwerken met alle anderen om zo de mensheid als geheel tot een goed resultaat te brengen. En voor het Jodendom is de oplossing volgens mij: terugkeren tot een geloof dat niet afzondert en niet gelijktijdig een politiek is, zodat het tot de scheidsmuur wordt die je zelf steeds weer opricht tussen jezelf en de wereld. Ik meen dat hierin het antwoord gelegen is.
Wanneer wij zien hoeveel joodse filosofen, kunstenaars, wetenschapsmensen die grens tussen hen en de anderen gemakkelijk hebben overschreden, zal het ook de anderen wel mogelijk zijn dit voorbeeld te volgen. Het sentiment hoezeer het misschien een afzonderlijk, in dit geval joods idioom heeft, zo zal het begrijpelijk blijven voor anderen. Daarom meen ik dat voornamelijk het verschil dat jezelf oproept en tot stand brengt tegenover anderen, een werkelijke scheidsmuur kan vormen, zeker wanneer de uiterlijke kentekenen niet een zo groot verschil vertonen dat hierdoor alleen bij anderen weerstanden zouden kunnen ontstaan. Daarom geloof ik ook niet dat voor het Jodendom de staat Israël de uiteindelijke oplossing vormt. Niet dat Israël zelfs maar een mogelijkheid heeft om zich in zijn huidige vorm tegenover het Oosten te handhaven. Ik geloof dat een Jodendom dat steeds weer terug wil keren tot het isolement van de uitverkiezing, ook niet in staat zal zijn zich in de toekomst voor verdere vervolgingen te vrijwaren. Wel geloof ik dat een Jodendom, dat langzaam maar voortdurend meer deel wordt van de werkelijke gemeenschap van een volk en daarnaast zijn eigen geloof weet te bewaren, zich voor vervolgingen wel zal kunnen beschermen. Anderen zullen dit uit de aard der zaak langzaam aanvaarden, zoals ook de overgave aan de gemeenschap vanuit het Jodendom tot op heden altijd weer een zeer langzame en onvolledige is geweest, alle goede voornemens ten spijt.
Ik meen dat ik, om dit te besluiten, nog enkele opmerkingen mag maken hoezeer zij eventueel reeds in mijn betoog verwerkte punten herhalen.
Ik houd mij, zoals u zult weten, ook met het nieuws van uw wereld bezig. Daarbij is opgevallen dat door sommigen een verschil wordt gemaakt tussen joodse oorlogsslachtoffers en andere oorlogsslachtoffers. Ik meen niet dat dit een juiste weg is, ook niet vanuit het standpunt van het Jodendom. Zij hebben misschien meer geleden dan anderen. Maar indien zij hun lijden nu weer gebruiken om zichzelf hierdoor te onderscheiden van anderen, brengen zij de nog werkelijk bestaande verschillen hiermede de massa zo scherp onder de aandacht, dat zij hierdoor de mogelijkheid voor verdere vervolgingen weer oproepen.
Vragen
De nabestaanden van degenen die in Putten op de Veluwe gefusilleerd werden, krijgen gewoon pensioen. De Joden die lijden aan kampsyndroom, zijn aangewezen op bijstand. Waarom?
Het gebeurde in Putten was een direct gevolg van door de staat der Nederlanden als haar strijders erkende verzetsmensen. Hiervoor aanvaardt de staat de verantwoordelijkheid. De actie van de Duitsers – het uitroeien van de gehele mannelijke bevolking – was een wraakactie opgeroepen door het doden van een vooraanstaand Duitser van de omgeving. Dergelijke gevallen zijn meer voorgekomen, ondermeer in Polen. In dit geval is het gebeuren dus juridisch te beschouwen als het gevolg van een oorlogshandeling van de staat der Nederlanden.
In het geval van de Joden die mogelijk meer hebben geleden, is er echter geen direct verband aanwezig tussen de handelingen die de staat of namens de staat werden gesteld en hun lijden. Men kan ten hoogste stellen dat een deel van deze Joden gepakt werden door ambtelijke nalatigheden, namelijk het in standhouden en niet vernietigen van bevolkingsregisters. Hier zou men echter kunnen aanvoeren dat er geen tijd en mogelijkheid was tijdige instructies voor vernietiging van deze bescheiden te geven, terwijl geen zo lange duur van de oorlog werd verwacht bovendien. Emotioneel is men geneigd te stellen dat de Joden meer geleden hebben dan christenen. Dit lijkt mij niet juist. Men zou, nog steeds redenerende vanuit de staat, slechts kunnen stellen dat er in verhoudiig meer Joden dan christenen hebben geleden.
Dit is onbegrijpelijk. Hier falen kennelijk mijn verstandelijke vermogens….
Een dergelijke emotionele reactie dwingt mij van dit punt af te stappen. Ik heb in mijn gehele betoog gesteld, en wilde dit hiermede nogmaals onderstrepen dat er, naarmate er duidelijker verschillen tussen verschillende groepen gemaakt worden, deze zich in latere tijden met meer zekerheid in de verhoudingen tussen de dan levende geslachten zullen wreken. Hetgeen wij historisch zouden kunnen bewijzen door terug te gaan in alle ontwikkelingen die deel uit hebben gemaakt van de geschiedenis van de Jodenvervolgingen. Ik verontschuldig mij ervoor dat ik ten behoeve van deze constatering u even het woord ontnomen heb. Ik geef u nu alle tijd om uw gevoelens en argumenten onder woorden te brengen, maar wil op dit punt niet verder ingaan, zolang de emotie de boventoon voert.
Is dit de mening van de Orde der Verdraagzamen of uw persoonlijke mening?
Ik geef u het feitelijk gebeuren en de feitelijke samenhangen weer. Wetenschappelijk onderzoek kan de juistheid van het merendeel van het door mij gestelde bevestigen. Mijn visie is daarbij ongetwijfeld iets objectiever dan op aarde gebruikelijk. Maar de feiten zijn aan de gehele Orde bekend en zij zal als geheel de juistheid van mijn argumenten, zover ik deze naar voren kon brengen – ik kon door interrupties niet volledig zijn zoals u weet – bevestigen en onderstrepen.
U stelde dat de Israëlieten genocide pleegden op de Amelikieten?
Neen. Genocide op de oorspronkelijke bewoners van Kanaän en de Amelekieten gedecimeerd.
Ik meen te weten dat dit niet zo is. De Amelekieten vielen de achterhoede, de zwakkeren, aan tijdens de tocht van Egypte naar Kanaän. Zo begon die oorlog, volgens mij gewoon een vraag en antwoord. Wanneer zij aangevallen worden, mogen zij zich toch alstublieft verdedigen?
De totale oorlog tegen de Amelekieten heeft 120 jaar geduurd. U zult toch niet beweren dat alleen de achterhoede gedurende die tijd tegen aanvallen werd verdedigd? U kunt stellen dat de aanval op de achterhoede de eerste oorzaak was voor deze oorlog. Ik voeg daaraan dan onmiddellijk toe, dat het doortrekken van een gebied zonder de toestemming van de eigenaar in die dagen altijd voerde tot geweld.
Zij moesten van Egypte naar Kanaän. Hoe moesten zij dat dan doen? Moesten zij niet door de woestijn?
U stelt dat zij naar Kanaän gingen, daar dit hun bestemming was. Mogelijk was dit de bedoeling, maar het was, volgens het Heilige Boek, zeker niet de hun bekende bestemming. Zij hebben 40 jaren in de woestijn rondgetrokken en zeker niet een rechte weg gevolgd. Waarschijnlijk is dat zij tijdens deze tocht sterke vijanden hebben willen ontwijken. Zeker is dat zij tijdens hun tocht meerdere malen het grondgebied van andere stammen en volkeren hebben geschonden – al staat dit niet in de heilige boeken – en meerdere malen door sterke legers verdreven zijn. Ook dit zijn feiten.
En nu de gevoelens weer wat tot rust zijn gekomen, zou ik toch nog graag mijn betoog dat door ons strijdpunt werd onderbroken, afmaken. Maar laat u mij dan deze maal alstublieft wel uitspreken.
Wanneer wij uitgaan van menselijke gevoelens en menselijke verhoudingen, dan is elke reactie begrijpelijk. Wanneer wij uitgaan van staatsrechtelijke verhoudingen, dan ligt de zaak geheel anders en toont een van de emotionele opvattingen geheel afwijkende structuur. Dit blijkt in vele gevallen steeds weer. Rechtsgevoel en rechtspraak tonen vaak dergelijke strijdigheden. Toen wij tot misverstanden kwamen, sprak ik niet in de eerste plaats over een rechtssituatie – ook al geloof ik dat deze reëel niet aanwezig is. Je zou mijns inziens hier ten hoogste kunnen stellen dat een dergelijke rechtsbasis op menselijke gronden eigenlijk wel aanwezig zou moeten zijn. Voor ons onderwerp is echter belangrijk dat men bij zijn benadering van een probleem als dit, uit zal moeten gaan van zijn eenheid met een volk, dan wel zich moeten trachten te onderscheiden van de rest van een volk. Op het ogenblik dat men een onderscheid wil maken tussen een Nederlands oorlogsslachtoffer en een Joods oorlogsslachtoffer, maakt men een fout. Van welke kant men de zaak ook benadert, kan men binnen de Nederlandse juridische sfeer rechten als Nederlander geldend maken, en dan zou men dit ongetwijfeld moeten doen. Probeert men echter als specifiek joods slachtoffer rechten te doen gelden, dan speculeert men mijns inziens ergens op een in het Nederlandse volk kennelijk levend schuldgevoelen. Een schuldgevoel dat bij vele Nederlanders zeker ook zal moeten bestaan, gezien hun houding tegenover het wegvoeren van de Joden.
Vergeet hierbij echter niet dat een mens eerder degene haat aan wie hij schuld heeft, en die hem daaraan te vaak herinnert, dan dat een mens degenen zal haten die hem iets schuldig zijn. Ik acht daarom het nogmaals volledig verkeerd, wanneer er onderscheid wordt gemaakt, zij het door eisers of door anderen, tussen Nederlandse en Joodse oorlogsslachtoffers. Er zijn heel wat christelijke oorlogsslachtoffers geweest die evenveel hebben geleden als vele Joden en evenmin aan hun trekken komen. Er zijn anderen geweest die misschien geen werkelijke oorlogsslachtoffers zijn, maar op grond van bepaalde wetten of regels veel krijgen, veel meer dan degenen die veel geleden hebben. Dit is een zaak van wetgeving en sociaal recht. Wanneer deze christenen en de Joden tezamen gewoon als oorlogsslachtoffers zouden ageren, zou niemand er iets op tegen kunnen hebben. Door echter nadrukkelijk over zich als Joodse oorlogsslachtoffers te spreken, trekt men een grens tussen zich en de anderen. Door een dergelijke grens tussen zich en de rest van een natie te stellen, trekt men echter gelijktijdig een waardebepaling aan. En vergeet niet dat de conclusie dan altijd zal voeren tot een: “die anderen zijn toch minder dan ik”, ook bij de meerderheid van die natie.
Daarom meende ik erop te moeten wijzen dat dit – en andere soortgelijke benaderingen – onjuist moet worden geacht, daar hierdoor in feite bevorderd wordt dat slapend antisemitisme ontwaakt, wrevel en weerzin tegen de Joden ontstaat en zo een steeds scherper oordeel over en in feite een steeds sterker groeien van antisemitisme ook bij nu neutralen en mogelijk zelfs vrienden bevorderd wordt. Ik wilde hierbij tevens opmerken dat, zolang men niet schrijft dat een bepaalde voetballer jood, jehovagetuige, katholiek of zo is, het dwaas lijkt ondanks alle trots daarop voortdurend uit te roepen: deze componist, deze wetenschapsmens enzovoort is een Jood. Men zou moeten stellen: deze man – vrouw – is Nederlander en slechts, wanneer het een zuiver religieuze kwestie betreft – maar ook alleen dan – daaraan toe mogen voegen: deze is katholiek, gene gereformeerd, gene is een jood. Want daar alleen heeft een dergelijk onderscheid zin en kan het aanvaard worden zonder verdeeldheid te veroorzaken.
Ik meen te zien dat dit argument in zijn geheel voor u aanvaardbaarder is dan, gezien de vele interrupties, zo-even mogelijk scheen. Ik heb niemand willen kwetsen. Ik heb echter, ook wat de historie betreft, de feiten willen bezien, niet de overleveringen alleen. En hiermee wil ik dan ook besluiten: Het werkelijke feit is dat de antithese tussen Jodendom en de verdere wereld wederzijds bevorderd wordt door een benadrukken van de verschillen. Zoals ik duidelijk wil stellen dat elke groep zeloten, christelijk of joods die luidkeels roepen dat zij meer zijn dan anderen, hiermede als het ware roepen om een vervolging zodra zij minderheid worden. En ofschoon deze zeloten zelf deze situatie vaak niet meemaken, zullen toch hun kinderen daaronder veelal te lijden hebben. Zij zouden dit moeten bedenken.
De wereld kan groeien, de mensheid kan groeien, mits men de verschillen vergeet, de overeenkomsten aanvaardt, en in een gezamenlijk streven verdergaat. Maar dit is niet mogelijk, zolang je twist over de mogelijke superioriteit van deze of gene. En zo men meent superieur te zijn, laat men deze in de prestatie, de betekenis die men wint voor de gemeenschap, tot uiting komen. Zelfs dan heb je geen recht daarover uitvoerig te spreken, maar dat doen de feiten zelf dan duidelijk genoeg. En daar je streven voor het geheel van de gemeenschap is, en eenieder direct of indirect baat erbij heeft, zal dit de mensen tot aanvaarding brengen. Want om hetgeen je voor eenieder weet tot stand te brengen en weet te betekenen, zal niemand je ooit willen vernederen.
Deel 2: Bezieling
Al lijkt het na het eerste deel van de avond misschien een wanhoopsdaad, toch durf ik u om een geestelijk onderwerp uit de zaal te vragen.
Wanneer wij dit woord in de letterlijke zin vertalen, betekent het een inkeren van de ziel, de levenskracht, in een menselijk wezen. De bezieling is dus eigenlijk een tot een zelfstandig leven komen door een eigen bezielende kracht. Hierdoor waarschijnlijk komt men tot een overdrachtelijk gebruik van dit woord: wanneer iemand geïnspireerd is of zelfs een tikkeltje bezeten schijnt te worden en zo komt tot een prestatie die ver boven het normale ligt. Je ziet dit soms bij kunstenaars. Zij reproduceren misschien voor de 12de maal hetzelfde vioolconcert en opeens is er het geheimzinnige dat men wel bezieling noemt. Het is alsof opeens een geheel nieuwe betekenis in de melodie wordt gevonden. Men speelt natuurlijk wel nog steeds hetzelfde, maar het komt er anders uit. Dit is, naar ik meen, het begrip waarop u doelt wanneer u mij bezieling als onderwerp stelt. Een mens is geneigd in een dergelijk geval bijvoorbeeld te stellen dat dit de invloed is van de geest van de componist, die even komt vertellen hoe zijn werk in feite gespeeld moet worden. Maar dat is iets wat in de werkelijkheid maar heel zelden voorkomt. Het is mogelijk dat een geest, door oversluiering of door inspiratie een mens helpt wat meer te zijn of meer te doen dat hij normaal zelf kan. Dat komt wel voor. Maar bij bezieling of wat een mens daaronder verstaat, bestaan er zoveel andere en eerder voorkomende mogelijkheden.
Stel dat de violist, die ik als voorbeeld neem, enkele dagen of desnoods een dag geleden een passage van het vioolconcert heeft gehoord of geneuried op een ogenblik dat voor hem bijzondere betekenis had. Dat kan zijn op het ogenblik dat hij zich bewust wordt van een stralende liefde, of misschien op het ogenblik dat een nestje van twee zwaluwen onder een dakrand door hem ontdekt wordt. Deze associatie die dan met een passage in de muziek bestaat, kan in hem tijdens het vertolken van die passage dan een gehele reeks van gevoelens, associaties, vrijmaken. Dan is hij het zelf wel die de bezieling veroorzaakt, maar omdat hij opeens in hetgeen hij doet, hetgeen hij met zijn viool zegt, ook nieuwe betekenissen en bedoelingen beseft, komt zijn muzikale taal duidelijker en anders over.
Dat heb je soms ook bij een predikant. Er is mij uit het verleden een predikant bekend die over het algemeen ons vergastte op tot twee uren theologie, doorspekt met beschuldigende kreten en opgesierd met het nodige hellevuur. Maar op een zekere dag sprak deze mens over de geboden en in het bijzonder daarbij over het gebod “gij zult niet begeren”. En op dat ogenblik was hij werkelijk bezield. Want wat hij zei, had in feite niets meer te maken met zijn geliefde hel of een gebod: het was een uitdrukking van menselijkheid en in feite zelfs van iets wat meer was dan een normale menselijkheid. Wat hij overbracht, was in feite een begrip dat ver ging buiten dat wat wij in onze tijd gewend waren. Ik ben er later achter gekomen hoe dit in elkaar zat. De man had te maken gekregen met een stroper. Deze stroper was toevallig nogal ziek. Hij ontdekte dan ook dat wild in die omstandigheden moeilijk te krijgen was en dat het kippenhok van dominee dichterbij was en meer mogelijkheden bood. Dominee had dit ontdekt. En aangezien hij niet alleen in religieus opzicht een meer opvliegend dan bezield mens placht te zijn, had hij zijn eigen jachtgerei gepakt en was herwaarts getrokken om zijn kippen en verantwoording te halen.
Maar toen hij ter plaatse kwam en ontdekte dat de man ziek was, dat de vrouw ziek lag, terwijl eigenlijk alle zorg voor het gezin op het oudste meisje neerkwam, voelde hij zich zo onchristelijk dat hij zich verwijten deed deze toestand niet eerder ontdekt te hebben en daaraan iets gedaan te hebben. Het “gij zult niet stelen” stierf hem in de mond. En “gij zult niet begeren”, zelfs dominees kippen niet, leek onder de omstandigheden dwaas en overdreven. Toen hij sprak over een “gij zult niet begeren”, realiseerde hij zich waarschijnlijk onbewust dat menigeen deze kippen voor zijn dis begeerde. Want het waren hele mooie en goede kippen. Door deze associaties besefte hij opeens dat begeren eigenlijk zoiets menselijks en onder omstandigheden zelfs geheel natuurlijks was. Wat hij toen zei, kwam natuurlijk eruit op de gebruikelijke toon. In de kerk sprak de man altijd met een ingebouwde echo. Maar het geheel had opeens een inhoud die veel dichter bij je stond, iets wat je raakte. Ik moet eerlijk zeggen dat zijn hellevuur mij nooit meer beroerde dan het plaatje van de vrouw met de baard op het front van een kermistent tijdens het jaarlijkse kermisfeest, vol tijdelijk vergeten nuchterheid.
Dus de man werd bezield door een associatie, door een zo opeens zich openbarend nieuw begrip. Maar hoe is het mogelijk dat deze man, die zeker niet zo menselijk was als wij op dat ogenblik dachten – wat later trouwens duidelijk is gebleken – op dat ogenblik dingen kon doen, zeggen, ja, zelfs zijn zorgvuldig voorbereide tekst geheel kon vergeten op een wijze die eenieder beroerde, woorden kon spreken waarin iets van de kern van ons eigen bestaan in tot uiting kwam?
Ik geloof dat ik een antwoord weet op dergelijke vragen, ook al heb ik dit antwoord eerst in de geest gevonden. Op bepaalde ogenblikken in ons leven worden wij beroerd door een gebeuren, ontstaat een emotie, een denkbeeld waardoor wij onszelf in wezen afstemmen. Een mens stelt zichzelf af op zijn wereld, niet slechts op het zienlijke, maar ook op het onzienlijke daarin. Wanneer die afstemming juist gelukt en er is op dat ogenblik iets aan de gang, dringen waarden uit de meerheid van de mensheid tot je door. Onze dominee putte niet slechts uit zichzelf of uit ons, maar voelde iets aan wat in een groot deel van de mensheid leeft, iets wat waarschijnlijk ook deels middels geestelijke sferen tot hem kwam. Hij kreeg geen woorden van anderen. Al wat hij sprak, waren zijn eigen woorden, gezegd op de voor hem gebruikelijke wijze. Maar de samenhangen die hij vond op dat ogenblik, maakten op hem een zo grote indruk dat zijn tong onbewust zijn gedachten volgde. Hierdoor sprak hij woorden van een buitengewone diepgang.
Bezieling is aan één kant een moeilijk iets. Want wanneer je spreekt in zo een ogenblik van zelfvergetelheid, van verrukt luisteren naar het onbegrepene wat je op een ogenblik zelf opeens presteert, zo ben je niet waarlijk meester van jezelf. Hierdoor kun je ook niet zo goed begrijpen wat de betekenis, de consequentie ook zal zijn van hetgeen je op een dergelijk ogenblik doet. Het brengt je later vaak in vreemde moeilijkheden en hierin innerlijk bovendien in tweespalt. Onze dominee was iemand die moeilijk in tweespalt kon verkeren: hij was hiervoor te eenzijdig en rechtlijnig. De enige maal dat ik hem in tweestrijd heb gezien, was de keer dat men hem aanbood nog een rondje mee te drinken, terwijl hij wist dat zijn preek nog niet af was. Het gaat erom dat de wereld voor jou normaal anders is dan op dat ogenblik. Wat je in die wereld brengt, ziet die wereld vaak als iets wat uit jezelf komt. Zij beschouwt het niet als iets wat je verwonderd ontdekt in jezelf en misschien in andere dingen, de kosmos of God. De wereld ziet alles wat je erkent en veruit als iets wat uit jezelf is geboren en waarvoor je zelf aansprakelijk bent.
Daarin ligt de moeilijkheid. Want wanneer wij in een ogenblik van bezieling presteren – zoals bijvoorbeeld onze violist – zo zal de wereld als een eigenschap het geheel zien en zo verwachten dat je ook een volgende maal zo briljant bent. Maar dan breng je het misschien juist niet. Je wordt altijd weer beoordeeld aan de hand van de dingen die je mogelijk eens doet, maar niet werkelijk bent. Vooral wanneer je eens iets gedaan hebt wat meer was dan je normaal bent, is men al snel geneigd te zeggen: “Zie je, nu presteert hij weer eens beneden zijn werkelijke mogelijkheid. Hij wil kennelijk niet of is te lui”. Wat moeilijk is, want hierdoor kom je al te vaak in een wat gewrongen verhouding met je wereld te staan.
Toch zijn er ogenblikken dat onze bezieling vooral voor ons persoonlijk een zeer grote betekenis krijgt. Er is een ogenblik dat je niet alleen bezield bent, gegrepen bent door dingen in jezelf, maar waarin je vooral zoekt wat waar is. Het is dan, alsof de wereld zich opeens openvouwt en je de werkelijke achtergronden van alles laat zien. Je ziet door de muren heen wat erachter gebeurt, bij wijze van spreken. Je beseft drijfveren en motieven waarover je nog nooit hebt nagedacht. Je ziet kracht, licht, glorie op een wijze die tot dan toe voor jou onvoorstelbaar was. Na een korte beleving knapt de draad dan wel weer af, maar het beleefde blijft toch ergens in je doorzinderen. Het is een soort lichte bibbering, een beving die blijft voortbestaan, nadat de aanleiding reeds lang voorbij is en maar heel langzaam op de duur weer verdwijnt. Maar zelfs dan is het of zij iets veranderd heeft, iets nieuws en beter-zijn je achterlaat.
Bezieling schept voor ons, naar ik meen, niet alleen een ogenblik van besef en inzicht, maar betekent ook ergens een blijvende verplichting. En deze verplichting is zo ernstig, omdat zij (niet enkel) tegenover onszelf bestaat. Wanneer zij alleen tegenover onszelf zou bestaan, zou de wereld er ons wel voortdurend aan herinneren. Wij zouden dan als vanzelf wel ontdekken wat wij nu werkelijk wel en niet kunnen. Soms word je door de verwachtingen van de wereld zelfs boven hetgeen jezelf denkt te kunnen presteren uitgeheven. Maar het geheel ligt dan buiten je, en laat je de mogelijkheid om, zodra de wereld zich afwendt, terug te keren tot wat je normaal bent en doet.
In jezelf is er geen adempauze, geen ogenblik waarop degene die eisen stelt zich terugtrekt en je het weer op de oude toer kunt doen. Zeker: je hebt Kracht en Licht gezien, dingen beleefd waarvoor je geen uitdrukking weet te vinden. Je weet hoe je anders zou moeten zijn, maar de gewoonte is zo sterk en niemand herinnert je er voortdurend aan dat je sterker, anders dient te zijn. Dan krijg je een ontevredenheid met jezelf. Een vervelend gevoel. Je weet, ik dien anders te zijn en je voegt daaraan vaak toe: wanneer ik nóg maar eens een dergelijk ogenblik van verlichting en bezieling door zou mogen maken, zou ik ook inderdaad anders worden, alles anders kunnen doen. Maar dat ogenblik komt maar niet en je kunt dergelijke belevenissen niet afdwingen.
Ik zou hierbij een opmerking willen maken: Wanneer je na een dergelijke beleving tot de conclusie komt dat je jezelf geheel dient te veranderen, stel je jezelf een hopeloze taak. Je kunt natuurlijk proberen anders te zijn en te reageren, de dingen beter te begrijpen. Maar je moet wel beseffen dat een enkele briljante inval iemand die stom geboren is, nog niet tot een wijze zal maken. Ga daarom rustig uit van wat je bent. Wanneer een bezielende kracht ons een ogenblik boven onszelf verheft, zo betekent dit niet dat hiermede opeens een nieuwe norm is geschapen, volgens welke wij voortaan moeten gaan leven of een nieuwe reeks van normen waaraan wij maar hebben te beantwoorden. Het is eenvoudig een ogenblik weten dat wij meer zijn, dat er meer is. Aanvaard dit en keer terug, ga verder op de oude wijze, langs de oude weg, maar laat je voortaan leiden door het nieuwe besef, begrip dat je gevonden hebt.
Probeer niet jezelf te veranderen, want dat loopt meestal verkeerd af. Wij hebben eens een dienstmeisje gehad, een booi. Een echte booi was meestal een volksmeisje dat in een gezin kwam werken, daar met de anderen tezamen eigenlijk opgroeide en daar lang placht te blijven. Soms werd zij de huishoudster en vertrouweling. Dan bleef zij bij de familie tot deze mogelijk uitstierf, ofwel zij zelf het tijdelijke voor het eeuwige verliet. Deze booi nu wilde laten zien dat zij meer was geworden. Ik had nog wel een diner aan huis en daarbij behoorde een zware handdruk of minstens een fooi onder het bord voor het personeel. Ik weet niet of dit nu nog gebruikelijk is, maar in mijn tijd hoorde dit zo. Hierdoor was onze booi wel in staat zich te kleden volgens haar voorstelling van een dame. Nu is het moeilijk je voor te stellen dat een mus zich tooit met bonte veren en zo voor papegaai speelt. Toch was dit ongeveer de indruk die zij op mij maakte, toen zij in volle sier voor een bezoek elders vertrok. Zij had zelfs haar taal aan haar nieuwe uiterlijk aangepast. En waarlijk heb ik zelden op zo pretentieuze wijze in den volke tegen elke taalregel horen zondigen als door onze booi die op deftige wijze probeerde een dame voor te stellen.
Je zou kunnen zeggen dat ook wij wel eens een fooitje uit de eeuwigheid krijgen. Ook die dingen lopen op, zodat wij hierdoor op een bepaald ogenblik komen tot wat wij bezieling plegen te noemen, of zelfs voor een ogenblik in onszelf op weten te stijgen tot een hogere wereld. Je verandert hierdoor niet onmiddellijk in waarde of betekenis. Toch zijn er heel wat mensen die menen dat je dan meteen geheel volgens je nieuwe stand dient te gaan leven en ik heb zelfs mensen gekend die meenden na een korte beleving voortaan als ingewijde vol zalving door de wereld te moeten gaan. Maar dat soort zalf is waardeloos. Je kunt er hoogstens als kwakzalver iets mee verdienen. Je kunt eenvoudig niet opeens geheel anders zijn en leven. En wanneer onze booi zich volgens haar stand, maar dan in beste kwaliteiten gekleed had – zo vreemd als u dit misschien in uw dagen moge klinken – was haar gedrag en optreden in overeenstemming geweest met haar wezen. Zij zou meer respect bij anderen hebben afgedwongen en had zich zelfs de beste kwaliteiten zeker beter kunnen permitteren dan de zijde en bombazijnen pronk waarin zij nu haar toch al zeer brede heupen zo ruimschoots wikkelde.
Houd mij ten goede wanneer ik dus opmerk dat wij moeten leven volgens onze stand, ook geestelijk. Wanneer wij daar een ogenblik bovenuit komen, betekent dit nog niet dat we opeens anders zijn geworden, maar alleen dat wij het betere leren kennen. Wanneer wij bezield of geïnspireerd worden, zo is dit glorieus. Het geeft ons de mogelijkheid veel meer tot uiting te brengen dan wij zelfs maar wisten dat bestond. Laat ons dit ondergaan, ernaar luisteren en er blij mee zijn. Maar laat ons alstublieft niet proberen om door het parafraseren, dan de zo ontvangen en halfbegrepen frasen, voortaan een hogere geestelijke staat te gaan voeren.
De ziel is een deel van de eeuwigheid. Wij noemen haar wel de goddelijke vonk, want zij is deel van het goddelijke. Wij zijn bezield door het goddelijke. Zo geloven en beleven wij dat. En dit is het enige wat er werkelijk op aankomt. Wat een ogenblik van bezieling mij ook doet uiten, beseffen of volbrengen, is maar een zwakke schaduw van wat er in mijn werkelijkheid leeft. Ik draag in mij de ziel waarin alles wat ik ooit heb gedaan of ooit maar dacht te kunnen doen, bestaat als een glorierijke waarheid. Alle onmacht, alle onvermogen dat mij nu belast, zal uitgewist zijn op het ogenblik dat mijn ziel werkelijk en in volle glorie schittert. Laat ik mij dan door een blik op een klein deel van mijn eigen werkelijkheid niet laten opjagen en mogelijk zelfs misleiden. Ik heb tijd nodig om mijn ziel te beseffen en haar werkelijkheid te beleven en dit geldt ook voor u.
Volmaaktheid is niet iets waar je induikt, als een jongen in een wed op een warme dag. De volmaaktheid en het besef van die volmaaktheid zijn dingen waar je eerst langzaamaan voor open gaat staan. Het zijn machten en krachten waarmede je nu misschien nog geen raad weet, maar die toch vanuit je eigen wezen voortdurend spelen, denkbeelden die soms zoveel verder gaan dan de uiterlijkheden dat je erdoor op onbegrijpelijke wijze je beroerd voelt. De bezieling die wij vinden is slechts een vlaag die ons voor een kort ogenblik omhoog brengt in de richting van onze eeuwige werkelijkheid en ons dan weer netjes beneden deponeert. Maar de ziel die wij hebben, is het totaal van alle mogelijkheden en werkelijkheden die vanuit het goddelijke ooit voor ons zijn vastgelegd. Ik meen dat je de kern van al die flitsen die je in het leven zo nu en dan ondergaat, moet herleiden tot de kern van je wezen, de ziel waarin ook God zich aan je openbaart.
Bezieling is niet iets wat van elders komt. Bezieling is vooral en allereerst het eigen wezen, de eigen ziel die werkzaam wordt in het stoffelijk besef van het Ik. En daarnaast speelt misschien een afgestemd zijn een rol, een contact waardoor krachten en verbindingen die voor jou ook nu mogelijk zijn, iets scherper en duidelijker tot uiting worden gebracht dan normaal. Bezieling is voor mij een woord dat gelijktijdig te veel en te weinig zegt, maar spreekt van de ziel en ook van alle dingen die op aarde bestaan.
