Levensinstelling

uit de cursus ‘Levensproblemen van de moderne mens’ 1956

Wanneer de mens in deze moderne tijd eindelijk volwassen geworden gehuwd is of zelfstandig in het leven staand zijn weg begint te volgen, dan is die weg vol problemen. Deze problemen vloeien wel in de eerste plaats voort uit de wijze, waarop men tegenover het leven staat. Heel vaak laat men zich door de veelheid van invloeden, die rond elke mens weer opnieuw kenbaar worden, leiden, zodat men voortschrijdend zonder te weten waarheen zich enigszins gaat voelen als een schaap dat naar de slachtbank wordt geleid.

In andere gevallen zien wij dat de mens niet meer in staat blijkt te zijn bepaalde slagen van het noodlot op te vangen. Hij legt zich er niet bij neer, maar blijft morrend, versuft achter en vervreemd meer en meer van degenen die om hem heen zijn en van het leven waaraan hij zelf toch ook voortdurend dient deel te hebben.

Wij zullen trachten dit onderwerp van levensinstelling dan ook te belichten in verschillende factoren, daarbij steeds de mogelijkheid belichtend om juist in deze wereld, waarin u heden ten dage leeft, vrede en kracht te vinden. Ja, de volledige oplossing voor uw problemen.

Het eerste punt is het gewone dagelijkse leven. Naarmate de maatschappij complexer is geworden zijn de regels, waaraan ieder binnen die maatschappij zich heeft te houden, steeds in aantal toegenomen. Men is gehouden zich zus te gedragen of zo te handelen. Er zijn gewoonte‑sjablonen gevormd, die ‑ ofschoon geen voorschrift of wet ‑ toch door eenieder met pijnlijke nauwkeurigheid worden opgevolgd bij elke kleine handeling in het dagelijks leven.

Het eerste punt gaat over juist dit voortdurend gelijke ritme, deze steeds gelijkblijvende handelingen in het dagelijks bestaan. Als iets tot gewoonte is geworden, dan geschiedt dit haast mechanisch. Er zijn vele werkzaamheden, waarbij wij niet meer het denkvermogen nodig hebben. Want het aantal beroepen of bezigheden, waarbij de mens zich voortdurend moet inspannen, moet denken, analyseren en reageren, zijn betrekkelijk weinig. Toch is juist dit voor ons een behoefte, willen wij werkelijk intens leven. Wij moeten in staat zijn om voortdurend al hetgeen wij doen ‑ van het eenvoudigste tot het meest ingewikkelde ‑ met een zekere trots te beschouwen. Wij moeten kunnen zeggen: Kijk, dat heb ik gedaan. Dit heb ik volbracht. Dit is goed gedaan. Of; Dit zou beter kunnen, een volgende keer zal ik het beter doen. Waar men hierin niet komt tot een tevredenheid met de verrichte prestatie of komt tot een ontevredenheid die leidt tot het zoeken naar verbetering in de prestatie, is het leven ledig.

Zoals wij reeds bij het aanstippen van de jeugdcriminaliteit naar voren hebben gebracht, is juist het geen vast doel hebben, het mechanisch werken, omdat het werk gedaan moet worden, omdat men daarmee zijn brood verdient, één van de meest geestdodende en daardoor tot afwijking in het dagelijks leven leidende factoren, die er bestaan.

Stelt u zich voor, dat wij in plaats van zo te leven en naast onze dagelijkse bezigheid een bevrediging te zoeken juist in de dagelijkse kleine dingen de innerlijke tevredenheid trachten te vinden: de trots, het bewustzijn van goed te handelen en goed te doen, die voor ons allen een behoefte is. Wij kunnen dan zeer zeker, juist doordat onze interesse in elk der dingen die wij verrichten toch weer veelzijdig blijft, telkenmale met vreugde weer arbeiden. Als ik een paar voorbeelden mag geven:

Een huisvrouw vindt haar huishoudelijke bezigheden misschien soms vervelend, moeilijk. Waarom dan niet trachten een speels element erin te brengen? Ga een wedstrijd met uzelf aan in hoeveel tijd u een bepaalde bezigheid kunt verrichten. Beloon uzelf, naarmate uw prestatie verbetert, met een meer uitgebreide rust en ontspanning. Maak van de noodzakelijke lichaamsbewegingen, die met vegen, boenen, stofzuigen en afwassen gepaard gaan een soort schoonheidskuur, waardoor uw lichaam zijn regelmatige oefeningen krijgt. Probeer steeds sierlijker en soepeler te zijn, juist bij deze kleinigheden. Gij zult ontdekken dat dan deze kleine bezigheden een eigen reliëf krijgen en zo voor u een bevrediging, een vreugde, ja, een soort spel worden. Zolang wij spelen, arbeiden wij goed.

Degenen, die hier een lichte twijfel voelen en menen dat mijn bewering te boud is, zou ik willen wijzen op de manier, waarop velen zich inspannen voor zijn lievelingssport of zich afslooft om ten volle te genieten van de vakantiegenoegens, die hem worden geboden. Wat in het normale leven een ontstemming wekkend, onaangenaam iets zou zijn, wordt hier een olijke grap, die men lachend overwint en waaraan men later met een zekere bevrediging en vreugde terugdenkt.

Waarom gebeurt dat alleen, als je eens een ogenblikje “vrij” bent? Datzelfde element kunnen wij toch in een groot gedeelte van onze dagelijkse bezigheden brengen? U wilt misschien een ander voorbeeld?

Stelt u zich voor dat iemand een zuiver mechanische arbeid verricht: het aandraaien van schroeven en moeren bv. Op zichzelf geestdodend. Maar als je je nu gaat inspannen om na te denken hoe je het werk met minder bewegingen efficiënter, sneller en beter kunt doen, dan zul je op een gegeven ogenblik een nieuw patroon ontdekken, dat een hele verbetering betekent ten opzichte van het bestaan. Je hebt dan iets bereikt, je hebt iets gevonden, je voelt je trots. Je hebt vreugde daar. Als je dan voortaan volgens jouw systeem de schroefjes en moertjes mag draaien, dan heb je een zekere bevrediging, want heb je dat niet zelf bedacht? Is het niet jouw werk?

Een mens, die op een dergelijke wijze tegenover zijn arbeid staat, die met hart en ziel daarin kan opgaan, vindt voor zich wel degelijk de levensvreugde, de bevestiging van het leven. Die bevestiging hebben wij allen nodig in de kleine dingen.

Wij moeten echter voorzichtig zijn dat wij ons niet door een te lang nadenken, een ons te zeer werpen op deze dingen tot slaaf van onze arbeid maken. Een taak die je verricht moet een taak zijn, waarop je trots kunt zijn, dat is zeker. Maar de taak die je verricht moet regelmatig worden afgewisseld door andere bezigheden, waardoor je in staat bent je werk tijdelijk geheel terzijde te leggen.

Daarom is ook begrijpelijk dat het tweede punt, dat wij hier moeten beschouwen (de ontspanning) van even groot, zo niet van nog groter belang is dan het eerste. Want geeft het eerste een basis voor een vreugdig gelukkig leven, voor een innerlijke vrede, de juiste ontspanning zal ons de veerkracht geven waarmee wij de basisprestaties kunnen leveren, waardoor wij voortdurend verder kunnen gaan.

Er zijn natuurlijk vele manieren om ontspanning te zoeken. Het meest ideale zou m.i. zijn de volgende vrijetijdsverdeling.

In de eerste plaats een arbeid die je uit zuiver liefhebberij verricht. Voor de een zal het zijn het schrijven van een ingezonden stukje in de krant, voor een ander wellicht het bouwen van een modelscheepje, voor een derde misschien het bouwen van een radio of het werken aan bepaalde verbeteringen in zijn eigen huis. Voor de vrouw kan ’t een haak- of breiwerkje zijn, maar evengoed een meer mannelijke arbeid, waartoe zij zich voelt aangetrokken. Aan deze arbeid moeten wij een redelijk deel van onze vrije tijd besteden. Dat is een tegenwicht voor het andere werk dat wij doen.

Daarnaast vraagt echter onze geest om voedsel. Deze geest (onze rede zowel als ons emotioneel bestaan) kunnen wij op verschillende wijze ontspanning geven.

In de eerste plaats is daar het concert, de muziek, waarbij men een ogenblik verzinkt in klankgedachten, die eens door een ander werden neergeschreven en nu voor u worden uitgevoerd. Wil men deze echter ontspannend maken, dan zou men er rekening mee moeten houden dat specialisatie op dit gebied over het algemeen sleur vormend wordt, zodat het denkvermogen ‑ niet voldoende geprikkeld ‑ een verweer of verzet zal kennen tegen datgene wat niet in de gevormde ontspanningsjablonen past. Bent u een liefhebber van Beethoven, dan zou ik u aanraden ook eens aandacht te besteden aan moderne componisten. Houdt u alleen van klassiek, dan zou ik mij toch de moeite getroosten om desnoods het een of ander beter jazzorkest ook eens aan te horen. Het zal u een inspanning zijn om deze dingen te leren waarderen en te begrijpen, daarvan ben ik overtuigd. Maar het feit dat u beide soorten leert appreciëren, verruimt uw opvatting tegenover de wereld voor uw hele bestaan. Er worden bronnen van ergernis en onbegrip weggenomen en daardoor zult u in staat zijn weer vrediger en vreugdiger het leven te accepteren (ook in zijn ontspanningsvorm), terwijl menige prikkel van de arbeid kan worden weggenomen door het aanhoren van juist zo’n concert, onverschillig van welke geaardheid.

Dan zien wij de mogelijkheden van ontspanning om via film of toneel een aantal belevenissen van andere mensen door te maken en ons tijdelijk daarmee te vereenzelvigen. Natuurlijk is ook deze ontspanning aangenaam te noemen, indien wij ons tenminste alweer niet gaan specialiseren op één soort. Degene die alleen een blijspel accepteert, zal door zijn eenzijdigheid zichzelf in levensvreugde en begrip voor het leven te kort doen. Terwijl degene, die zich pessimistisch voortdurend alleen in een drama wentelt (zeer zeker in bloed en tranen of de Shakespeare‑achtige stormen zowel als de geestenstemmen op de achtergrond) langzaam maar zeker wordt gevoerd tot een te duistere, te diepzinnige en te sombere beschouwing van het leven. Ook hier is dus weer de noodzaak tot evenwicht.

Een volgende ontspanningswijze van de geest is de lectuur.

Ik stel de lectuur hoger dan de beide voorgaande omdat men hier zelf geestelijk voortdurend bezig is. Degenen, die zich alleen met lichtzin­nige lectuur bezighouden of alleen met probleemromans, zijn m.i. ook dwaas, want uw wereldbeeld wordt beïnvloed door de lectuur die u leest. Lectuur is ontspannend. Zij plaatst u een ogenblik in een andere wereld en daardoor staat u frisser tegenover uw bestaan. U leert het weer eens anders bezien en beoordelen. Tracht echter ook in de lectuur ‑ kritisch lezend en het beste verkiezend ‑ van alle genres kennis te nemen. Ook hier weer: veelzijdigheid in de ontspanning bevordert een redelijk accepteren van het leven.

Dat er tegen deze dingen nogal eens wordt gezondigd, zult u met mij eens zijn. Een van de beste ontspanningen die er bestaan, wordt de laatst‑­ tijd helaas steeds minder beoefend. Deze ontspanning is het zelf muziek maken. Of men deze muziek nu maakt op klassieke wijze met piano of viool of dat men zich wendt tot de meer moderne instrumenten doet minder ter zake. Het zelf scheppen en herscheppen van klankgedachten, van muzikale denkbeelden, kan voor de mens een zodanig contrast vormen met zijn werkelijk bestaan, dat wij dit een verfrissend geestelijk bad kunnen noemen.

Ook sport en spel kunnen voor de geest ‑ in sommige vormen althans ‑ een zekere ontspanning bieden. Onder de slechtste reken ik het bridge‑ probleem en het schaaktornooi. Want deze zijn met al hun kansberekeningen, hun gebruiken en bekende methoden eigenlijk te sterk eenzijdig om een voortdurende ontspanning te kunnen bieden. Zij kunnen slechts ontspannend werken, indien zij naast hun aspecten een aantal gezelligheidsaspecten vertonen, waardoor men het gezelschap van anderen in de eerste plaats en de aanleiding daartoe eerst in de tweede plaats in zijn ontspanningsprogramma opneemt.

Vele mensen zijn ook bang voor ledigheid. Toch meen ik, ofschoon menig modern mens mij hierbij ongetwijfeld wat lachend aankijkt, dat bij een gezonde ontspanning ook behoort, rusten, u niet bezighouden met iets speciaals.

Als u al deze factoren van ontspanning zoveel mogelijk in het eigen leven weet te brengen, dan zult u hierin zeker een geestelijke en lichamelijke veerkracht vinden, die u in staat stelt om tegen het leven “ja” te zeggen en u niet aarzelend terug te trekken, zodra het u dreigt te benaderen met zijn problemen.

Als ik over problemen spreek, dan is het heel begrijpelijk dat wij ook in dit onderwerp nog even moeten spreken over het grote probleem, het seksuele leven van de mens.

Voor velen is de flirt een soort ontspanning geworden. Voor anderen is langzaam maar zeker na vele huwelijksjaren het seksueel verkeer tot een sleur geworden. Geen van beiden hebben zij m.i. een gezond standpunt.

Het voortdurend spelen met vuur in de flirt, desnoods met meer intense resultaten, kan nooit een werkelijke bevrediging bieden. Er blijft misschien een ogenblik de goedkope verovering door de tevredenheid over de jacht, maar onmiddellijk daarop volgt dan meestal de twijfel, of wat u zo-even heeft gewonnen niet alweer de prooi van een ander is. Het schept innerlijk onzekerheden en geeft ons dus weinig, waarvan wij kunnen zeggen dat het waardevol blijft voor ons gehele leven. De grootste Don Juans zijn meestal de mensen met de grootste innerlijke problemen en dat kunnen wij voor de vrouwelijke specimina hiervan (de sirenes) evenzeer zeggen.

In het huwelijk komt men maar al te snel tot een gewoon accepteren van elkaar, waardoor de frisheid van beleving, die bv. de eerste hartstocht met zijn intense spanningen geeft, de bevrediging en tenslotte de ontspanning, verloren gaat. Wij moeten zeggen dat dit verloren gaan zeer jammer is. Want om tegen het leven “ja” te kunnen zeggen, is een dergelijk lichamelijk ervaren vaak noodzakelijk. Kunt u dat niet terugvinden dan heeft u een foutieve instelling tegenover het leven.

In het seksuele leven zijn verschillende factoren noodzakelijk willen wij nog steeds in staat zijn tegen het leven te zeggen: Ja, wij aanvaarden. Het leven is schoon.

In de eerste plaats: Trouw. Als wij ontrouw zijn, doen wij niet de partner maar hoofdzakelijk onszelf tekort, want wij nemen een innerlijke zekerheid weg, die wij tot nu toe hadden.

In de tweede plaats: Een voortdurend zoeken naar vernieuwing, zo nodig door onthouding. Want wij moeten deze dingen altijd als iets groots, iets belangrijks in ons leven kunnen ervaren. Gebeurt dat niet, dan hebben wij een fout gemaakt; dan zijn wij iets kostbaars kwijt, dat in het leven buitengewoon veel voor ons kan betekenen.

Als wij niet in staat zijn deze dingen te vinden, laten wij ons dan vooral goed realiseren, dat als 3e punt hierin voor ons ook absoluut noodzakelijk is: Wij hebben niet alleen behoefte aan de zelfachting, die wij door onze trouw bv. verwerven, maar ook aan de achting van anderen.

Die achting van anderen kunnen wij alleen verwerven en behouden (terwijl wij zelf ervan overtuigd zijn), indien wij in onze houding tegenover anderen steeds eerlijk zijn en daarnaast ons voortdurend weer elk nieuw aspect dat zich in deze verhouding toont, realiseren.

Sommigen zullen opmerken dat ik hier buiten beschouwing heb gelaten degene, voor wie het seksueel verkeer tot een morele onmogelijkheid is geworden of die nooit zover zijn gekomen dat zij iets dergelijks konden ontdekken of beroeren. Ook voor deze is de seksuele drang een niet te vermijden factor. Zij is in elk mensenleven aanwezig. Als wij haar niet op de een of andere manier kunnen afreageren, betekent zij voor ons een zodanige geladenheid, dat wij tegenover de wereld doorgaans onjuist reageren.

Het is dus noodzakelijk, dat wij ons allereerst afvragen of het voorbehoud dat wij maken gerechtvaardigd is. Zijn wij hiervan overtuigd dan moeten wij een weg zoeken, waardoor wij de in ons aanwezige behoefte (aan liefde bv. of aan geaccepteerd worden door anderen) op een voor ons wel gerechtvaardigde manier kunnen uitleven. Wij moeten dan verder trachten de energie, die wij niet op de normale wijze kunnen kwijtraken op een andere manier te gebruiken. Veelal kunnen wij dit doen door in plaats van de seksuele handeling bepaalde gedachten en werkzaamheden te stellen, die meer geestelijk zijn gericht. Dan gelukt vaak een onderbewuste sublimatie van deze krachten en impulsen, waardoor wij wederom de innerlijke vrede kunnen bereiken. Ik wijs erop, dat het om werkelijk het leven te kunnen bevestigen noodzakelijk is ook voor dit probleem een oplossing te vinden.

Mijn vierde punt heeft eigenlijk meer te maken met de geest. Want als alle vorige punten hoofdzakelijk kunnen worden opgelost in de stof, dan blijft ons nog de geest over, die evenzeer haar vreugde moet kennen in het leven; die evenzeer als de stof het leven moet kunnen aanvaarden en omhelzen. Daartoe is het noodzakelijk dat wij van binnenuit een levensdoel moeten vinden. Dat levensdoel moeten wij ‑ juist omdat de geest in ons nu eenmaal meer beperkt is dan de stof, gezien het feit dat zij niet volledig tot uitdrukking kan komen zolang wij op aarde zijn ‑ trachten te vinden: een doel waar ons leven om draait, een geestelijk doel. Hebben wij dat gevonden, dan moeten wij trachten dit geestelijke doel zodanig uit te werken, dat het ons de gelegenheid geeft tot arbeid en ontspanning, dat het ons niet belemmert in de normale, natuurlijke gang van het bestaan en wij ons toch voortdurend gesteund kunnen voelen, daar wij weten dat wij meer en meer beginnen te bereiken.

Die geestelijke bereiking is de grote levensvreugde die een mens boven alle kommer en zorgen verheft. Het is het geestelijke doel en het weten dat men steeds nader tot dit doel komt, dat ons in staat stelt elk verlies te dragen, elke slag van het noodlot op te vangen en eenvoudig verder te gaan.

Als u deze vier punten bekijkt, dan zult u het met mij eens zijn, dat ze haast voor alle tijden aanvaardbaar kunnen worden genoemd. Ze zijn echter in de tijd waarin u leeft meer dan ooit actueel. Want om tegen het leven “ja” te kunnen zeggen, van ganser harte en zonder enige terughouding, moet men zelf het leven reeds hebben overwonnen.

Dat laatste klinkt u misschien moeilijk, vooral in een gecompliceerde maatschappij met haar politieke en kerkelijke stromingen, met haar: “dat mag wel en dat mag niet”. Men moet echter één ding niet vergeten: De hele wereld heeft u opgevoed. U bent een brokje van de wereld, waarin u leeft. Uw bewustzijn is dan ook van jongs af aan beperkt door de maatschappij. U zult dus van de gemeenschap wel een zeker deel moeten aanvaarden, omdat elk verzet ertegen een schuldbewustzijn vormt. En dit kan tenslotte ontaarden in een absolute verwerping van het leven en van al wat erbij hoort: binnen de maatschappij maar toch vrij van de maatschappij.

Vrij, omdat u uw arbeid heeft, waarin u iets bereikt. Vrij, omdat u ontspanning kent op een wijze, die u juist door haar veelzijdigheid een inzicht geeft in de mensheid en in de gedachten die daaronder leven. Een ontspanning, die u geestelijk en lichamelijk gezond houdt. U moet binnen de grenzen, die de maatschappij stelt ‑ zeker, voor zover u die aanvaardt ‑ een weg vinden, waardoor u vredig kunt leven. Want zonder die maatschappij kan men niet. Dit kan men doen door een geestelijk bewustzijn te verwerven dat een juist inzicht geeft in de verschillende waarden van de maatschappij.

Er zijn echter factoren die het ons moeilijk maken het leven te bevestigen. De grootste vijanden voor het accepteren van al wat het leven ons geeft, zijn onze genegenheden. Genegenheid voor een mens, voor een stoffelijk bezit, voor toestanden. Als wij ons hechten, dan betekent dit dat wij niet meer vechten voor onszelf, maar voor het behoud van toestanden, die wij eigenlijk niet kunnen beoordelen. Dan is het een beledi­ging voor ons, als er bv. een boom wordt omgekapt, die wij mooi vonden; als een straat plotseling in onze ogen wordt ontsierd door een stuk mo­derne architectuur, dan kunnen wij ons niet voegen; als wij wat armer worden, dan zijn wij verslagen en vernietigd, als een mens ons ontvalt.

Genegenheid en liefde zijn twee dingen. Liefde hebben wij in ons leven nodig. Niet dat wij alleen het leven zelf moeten liefhebben, maar wij moeten ook dingen hebben, die voor ons een eeuwige waarde hebben. Wij moeten echter ook beseffen dat wij die in ons meedragen. Dat wij de uiterlijke vormen waar wij voor voelen en die voor ons veel betekenen tenslotte terzijde kunnen leggen. Wat er in ons leven gebeurt, heeft niets te maken met wat er buiten ons wegvalt of terugkeert.

Met bezit is het precies hetzelfde. In het begin ken je de vreugde van het bezit. Je hebt iets en het is kostbaar. Maar op den duur moet je het zien te behouden en dat kost moeite. Zoveel moeite, dat zorg na zorg zich begint op te stapelen en dat je je afvraagt of het wel de moeite waard is je daarover zo druk te maken. En in deze vraag verwerp je een deel van het leven. Ben je er echter niet aan gehecht, dan maak je je geen zorgen. Je zult je best doen het te behouden, omdat je het nu eenmaal hebt. Maar als je het zou moeten verliezen, zou het niet zoveel betekenen, want je weet dat je ook zonder dat kunt.

Wie op die manier tegenover bezit staat, wetend dat je ook zonder dat kunt, in staat bent ervan te genieten zolang het er is, dan is elk nieuw verworven bezit een grote vreugde. Dan is elk bezit dat tijdelijk of voorgoed verloren schijnt, geen leed en geen ontkenning van al het nieuwe dat weer in ons leven komt.

“Ja” zeggen tegen het leven betekent intens leven. Intens leven niet in de zin: dat je maar steeds voort holt van het een naar het ander, maar in de zin dat je al wat er rond je gebeurt, wat je zelf doet, wat je ervaart, intens durft beleven, dat je niet ten halve aanvaardt, dat je niet aan de dingen voorbijloopt, dat je je niet in een sleur laat betrekken die alle levensvreugde voor je doodt.

Deze raadgeving is bestemd voor elk volwassen mens, die in staat is enig inzicht in zijn gevoelens, zijn handelingen te verwerven. Het is noodzakelijk het leven niet alleen te ondergaan, maar het volmondig te accepteren. Zo eerst verwerft het voor ons zijn grote betekenis. Dat kun je alleen doen indien je op jezelf durft staan. Indien je al hetgeen rond je is durft aanvaarden zonder te menen dat je alleen met deze dingen werkelijk gelukkig kunt leven.

Er zijn veel mensen, die op het ogenblik in de ban van het getal leven. Zij vragen zich af: Wat heb ik nodig? Wat heb ik? Of. Wat kan ik krijgen? Zij laten zich voortjagen. Er zijn mensen, die hard werken om meer te verdienen. Maar zij vragen zich niet af of hun streven naar het hogere bedrag ook betekent, een gelijke vermeerdering van levensvreugde, van werkelijk leven. In vele gevallen zal men met die paar centen, die men dan kan behouden of extra verdienen, een gedeelte van zijn werkelijk leven en ware levensvreugde verliezen in dorre, droge zorgen of in een arbeid waartoe men zich moet dwingen. Is dat het geval, dan is dat ongezond.

Men kan beter een zwerver zijn die gelukkig is dan een miljonair die ongelukkig is. Dat hebben wij ook al zo vaak gezegd.

Laten wij het dan niet tot een bepaald inkomen of een bepaald bezit terugbrengen. Laten wij dan zelf de moed hebben dit wat wij toch als waarheid zien ook te accepteren en voor ons niet de grens te stellen: Als ik minder heb dan zoveel, kan ik niet meer leven. Dan maakt u zich zorgen en bent bezorgd voor dingen, die op dit ogenblik heel anders zijn. U moet niet leven in de ban van het getal of het contract ‑ iets wat ook veel voorkomt. U moet de zekerheid niet zo zoeken. Een zekerheid heeft u dat u zich zolang u leeft en er in u nog werkelijk enige fut zit nog zult kunnen redden, zelfs in de meest dwaze maatschappij. Met een beetje zelfvertrouwen kunt u werkelijk tegen het leven “ja” zeggen, het leven beamen.