Ontwikkelingen vanuit de godsdienst

image_pdf

4 november 1967

Ontwikkelingen vanuit de godsdienst

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na.

Het zal u duidelijk zijn dat het begrip godsdienst, zoals dit heden ten dage bestaat, moet zijn gegroeid uit vele verschillende factoren uit het verleden. De tijd is te kort om hierop diep in te gaan. Maar zelfs in kort bestek zijn reeds een aantal invloeden uit het verleden aan te duiden, die nog heden van invloed zijn op het godsdienstig besef van de mens, zijn behoefte aan bepaalde riten, zijn zedenleer en sociale structuur.

Het godsdienstige begrip begint in wezen op het ogenblik dat de mens beseft dat sommigen eigenschappen bezitten die niet meer als normaal menselijk beschouwd kunnen worden. Helden, wijzen e.d. zijn meer dan menselijk. Al snel neemt men dan ook aan, dat dezen onsterfelijk zijn. Het resultaat is een vorm van voorouderverering. Van hier tot een verering voor ongekende krachten is slechts een enkele stap. Wij zien totems: beschermkrachten van een familie of stam, waarin vaak voorouders een rol spelen en daarnaast taboes, de verboden, die voor de mens gelden indien hij niet in strijd wil komen met bepaalde geestelijke of geheimzinnige krachten.

Vooral dit erkennen van en zich voegen naar taboes heeft op de menselijke mentaliteit een tamelijk ingrijpende inwerking gehad. Het denkbeeld dat iets niet mag, zou voort kunnen komen uit sociaal besef alleen. Maar dan zou “niet mogen” in feite identiek zijn met:niet met succes kunnen”. Een religieuze achtergrond hierbij heeft echter niets te maken met mogelijk of onmogelijk, maar verwerpt op grond van de mogelijke toorn van goden of onbekende machten. Hierdoor ontstaat een eenzijdige ontwikkeling van de maatschappij die niet altijd even logisch is. Bepaalde voorwerpen, plaatsen en woorden worden taboe, zonder dat hiervoor een werkelijke reden is aan te geven.

Andere taboes komen voort uit een erkennen van oorzaak en gevolg. Het taboe op het huwen van vrouwen uit eigen stam en de vormen van incest, die wel soms aan hoger geplaatsten worden toegestaan, komen voort uit de ontdekking, dat de “goden zich wreken” op het nageslacht, wanneer men zich daaraan niet houdt. Dit is logisch: het nageslacht, dat voortkomt uit een contact tussen twee stammen, zal uit de aard der zaak beter, sterker, gezonder zijn dan het nageslacht dat voortspruit uit een herhaald paren binnen dezelfde groep. Incest brengt in vele gevallen een versterking van de ongunstige factoren in een geslacht tot uiting, zodat ook hier kenbare verschijnselen zijn. In de ogen van de eenvoudige en gelovige mens is er al een zeer bijzondere, bijna goddelijke macht en kracht voor nodig om dergelijke gevaren te weren. U zult begrijpen dat hier geen sprake is van een heiligheid van de moeder – kind relatie, of de familieband in seksueel opzicht. Er is eenvoudig een erkennen van oorzaak en gevolg en de formulering van de erkenning binnen een geloof dat zich verder zal ontwikkelen naarmate het besef en de sociale samenleving zich uitbreiden.

Al snel vinden wij ook vele culten, waarin begrippen als onderwereld, hel, verdoemenis, straf een rol spelen. Daarnaast zijn in dergelijke culten steeds weer voorbeelden van mensen die zelf tot halfgoden worden of opgenomen worden in de wereld der goden, omdat zij tijdens hun leven beantwoord hebben aan de maatstaven die deze hogere machten de mens aanleggen. Vele verhalen geven uiting aan de suprematie van de goden – en dus de godsdienst – boven het stoffelijk gezag. Voorbeeld van dergelijke verhalen is de legende van een Indiaanse jongen en zijn meisje, die wilden trouwen, maar dit niet mochten. De geliefden handelen juist tegenover anderen, maar onttrekken zich aan het stamverband om samen te kunnen zijn. Zij worden achtervolgd, roepen de goden aan om hen niet te schaden, te redden. Prompt worden zij opgenomen en komen als twee sterren naast elkander aan de hemel te staan. Vele soortgelijke legenden maken duidelijk dat men steeds meer het gezag van de goden plaatst boven dat van de mensen, omdat de goden de essentie van de dingen kunnen begrijpen en hun wil kunnen doorzetten. De goden kunnen meer en zijn wijzer dan wij, daarom moeten wij hen aanvaarden.

De riten, die al snel een steeds belangrijker deel van de godsdiensten uit gaan maken, hebben in wezen als doel een soort ruilhandel met de goden mogelijk te maken. De moderne mens zoekt in riten graag de mystieke achtergrond. In de kern bezien is de zaak echter nog steeds eenvoudig genoeg: ik ga naar de tempel een breng een offer, erken de godheid en eer hem op een bepaalde wijze en ik zal als loon hiervoor van de godheid iets kunnen ontvangen; of dit nu stoffelijk welzijn of geestelijk bereiken is, maakt m.i. niet veel verschil uit, als de betekenis van de rite ter sprake komt. Ook de mens van heden gaat ter kerke, ontvangt vroom de zegen, zit aan het avondmaal, omdat hij hoopt hierdoor Gods bescherming te verwerven en zo de hemel gemakkelijker te betreden, enz. Tijd tegen uitverkiezing? Dat is toch in wezen ruilhandel?

De geschiedenis van het ritueel toont een grotere ingewikkeldheid, naarmate de mens minder begrip heeft van het wezen der “goden”. En dit gebrek aan besef omtrent de werkelijke mogelijkheden en waarden van een godheid blijkt te groeien naarmate men minder de eigen, kleine stam- en familiegoden eert, maar betrokken wordt in een godsdienst die algemene goden stelt. De riten worden ingewikkelder – en belangrijker in de ogen der mensen – naarmate zij minder beseffen omtrent de wezens die hun pantheon vormen. Uitleg geven van dit alles is moeilijk, zoal onmogelijk. Zo komen de priesters – de deskundigen op dit terrein – er al snel toe steeds meer verklaringen als boven alle kritiek verheven te beschouwen. Men zegt dat bepaalde dingen zich eenvoudig aan de erkenning van de mens onttrekken. De afstand tussen mens en god groeit.

Het is geen wonder dat men een methode gaat zoeken om het ver boven het Ik liggende toch nog te kunnen benaderen. Deze benadering brengt de “magische” formulering. Dat in de magie veel wetenschap verwerkt is en was, mag ik als bekend veronderstellen. De kern van het magische denken van de mens is het kunnen benaderen van het normaal onbenaderbare. Normaal zullen de offers en aanroepingen een bepaalde geest of god niet beroeren, hem niets zeggen. Nu komt er iemand bij, die geheime woorden spreekt, waardoor de god gewekt wordt, zijn belangstelling dus op het offer of de bede wordt gericht. Dan eerst hebben gebed en offer werkelijke betekenis. Dit ontwikkelt zich verder, tot men uiteindelijk niet meer het offer, maar de woorden als het werkelijk belangrijke gaat beschouwen. Ook in deze dagen zult u iets dergelijks steeds weer tegenkomen. Ook in het heden zijn godsdienstig, sociaal en zelfs politiek, voor vele mensen de woorden belangrijker dan de feiten. Een vervreemding van het persoonlijk contact met de werkelijkheid brengt altijd een fanatisme voort dat niet op feiten stoelt.

In de Oudheid ontstonden zo grote tempels, ingewikkelde erediensten. De magie brengt de mens er toe eigen onvermogen te stellen – en daarmee de behoefte aan ingewijde tussenpersonen – zelfs op gebieden, waar dit zeker niet het geval was. De godsdiensten die dan ontstaan, hebben elk een eigen karakter, maar hebben hun “geheimen” en “wijdingen” gemeen. De meeste mensen van heden weten iets over het Judaïsme, hebben wel eens iets gehoord over de Islam en koesteren vele misverstanden omtrent het Boeddhisme, maar bovenal koestert men in deze streken vele illusies omtrent het christendom.

Wat is nu de werkelijkheid hier? Een godsdienst geeft een weg tot benadering van een godheid aan, al dan niet via de bemiddeling van geschriften, geleerden, priesters e.d. Wanneer dergelijke godsdiensten geboden scheppen, zo kunnen deze de uitdrukking zijn van menselijke noodzaken, die op een ogenblik kenbaar worden. Zodra de godsdienst echter dergelijke geboden geeft, zijn zij onveranderlijk, omdat een nadenken over deze geboden of zelfs maar een vraag naar de zin daarvan, taboe is geworden. De mens is geneigd zich aan dit taboe te houden, omdat er voor zijn gevoel een onbegrijpelijk straf van hogere machten staat op een overtreden van de geboden. Dit is in wezen een teruggrijpen naar de oertijd.

Wanneer een kerk of zelfs een godsdienstig leraar of denker zou trachten dergelijke geboden opzij te schuiven, zou hij ontdekken, dat dit zelfs boven de krachten van de meest wijze gaat. Om u en voorbeeld te geven: in het vroege christendom is geen sprake van de hel en de rol van de duivel is maar zeer beperkt. De nadruk ligt op de zedenleer, het menselijk zijn. Dit is ook logisch: de leer is immers niet alleen gebaseerd op de onbegrijpelijke wil van een god, maar vindt haar kern in de mogelijke erkenningen in het Ik. De mensen hebben echter geen lust, de waarheid in en omtrent zichzelf te erkennen. Daarom projecteren zij leer en geboden naar buiten toe. Hun zedeleer wordt tot een reeks van taboes, waarbij steeds nauwkeuriger wordt bepaald, wat wel en niet mag, wat men wel en wat men niet mag denken, terwijl ook de boete bij eventuele overtredingen steeds nauwkeuriger wordt omschreven.

Weliswaar had men in de kerken geen boetelijsten hangen, zoals in sommige bedrijfskantines. Maar we zien toch dat er een soort scala wordt geschapen, waarbij men de straffen staande op overtredingen tegen de religieuze geboden, kon worden vastgesteld – en konden worden afgekocht op bepaalde wijze. Aflaten en vooral de handel in aflaten die eens bloeiden, zijn binnen het christendom een bewijs voor de vreemde opvattingen die hiervan het gevolg kunnen zijn. Men gaat zo ver dat wel wordt verteld dat men een bepaalde zonde rustig kan begaan wanneer men maar eerst tegen voldoende geld een aflaat koopt.

Soms lijkt het of de mensen van heden nog niet zo ver aan dergelijke dwaze denkbeelden zijn ontgroeid. Men is natuurlijk langzaam maar zeker beter bewust geworden, zodat in velen het christendom weer in de eerste plaats de positieve daad inhoudt en niet slechts de negatief magische beredenering, waarbij men zich alleen maar aan machten heeft te onderwerpen. Maar zie nu eens naar de feiten. Wanneer er zelfs maar sprake is van het vervaardigen van een atoombom, zo kunnen wij vanuit een christelijk standpunt zonder meer constateren dat zoiets onaanvaardbaar is. Ook vanuit een zuiver humanistisch standpunt zal men een “onaanvaardbaar” moeten laten horen. Zelfs uitgaande van eenvoudig eigenbelang zou men een “onaanvaardbaar” moeten laten horen. Maar nu komt de afkoopmentaliteit naar voren: wij bedoelen er immers niets kwaads mee. Dan zal het ook zo een vaart daarmee niet lopen, zo meent men. Misschien niet. Maar het is een feit dat ruim 2500 raketwapens, de meeste met atoomkoppen gelijk aan de bom van Hiroshima, op verschillende doelen in deze wereld gericht staan. Ruim de helft daarvan behoort aan christelijke naties. Een druk op de verkeerde knop en na een paar dagen is er geen mensheid meer. Maar men meent dit te kunnen afkopen door bv. aalmoezen te geven aan onderontwikkelde gebieden. In wezen komt dit neer op een: wij kunnen ons eigen spelletje wel spelen, al is het in strijd met de wil Gods en de goede zeden, want wij kunnen het immers afkopen door offers te brengen.

Ook de rite blijkt in deze dagen nog steeds een grote rol te spelen. Wanneer men iets niet kan begrijpen, of iets waar wil hebben, zo bouwt men eenvoudig een ritueel op. In het verleden had bv. Egypte plechtigheden, waarbij goden en godinnen bij elkander op bezoek kwamen. Gezangen, rinkelbommen, gescandeerde liederen e.d. plus de nodige hypnotische effecten zorgden ervoor dat de goden – en de mensen – alles zouden aanvaarden wat gesteld werd in de naam van die goden. Dit gold ook wanneer het om goden ging waaraan de priesters in feite geen macht of betekenis toekenden. Ook in die tijd zocht men de rechtvaardiging van zijn daden en voornemens in leuzen en magische spreuken die misschien niets betekenden, maar die zo zinvol klonken. Want dergelijke spreuken en godsspraken waren in feite even duidelijk en zinvol als vele betogen die men nu in deze dagen kan horen.

Denk eens aan de leuzen voor en tegen de oorlog in Vietnam of voor en tegen de pil. Het blijkt steeds weer dat de kern van de zaak gelegen is in leuzen, begrippen die in wezen geen werkelijke inhoud hebben of niet op zekerheden berusten wanneer je ze eens goed nagaat. Vele ernstige staatkundige betogen in deze dagen blijken, wanneer zij tot kun kern worden herleid, geen werkelijke betekenis te hebben. Maar door deze riten overtuigt men de eenvoudige mensen dat dit de wil der goden, de noodzaak van deze tijd is. De moeilijkheid voor vele priesters en staatslieden in deze dagen is wel dat steeds meer mensen gaan begrijpen dat hun rituelen, hun vertoon en hun leuzen in feite zinloos zijn. Menigeen heeft gezien wat er met parades op het Rode plein, de bijeenkomsten in Hitler-Duitsland bereikt werd: het aanvaarden van in zich onaanvaardbare, ja, van onmogelijke zaken. Daardoor is men huiverig geworden. De mens van heden is huiverig geworden voor de massale rituelen die hem zouden moeten verheffen tot een toewijding aan, en een besef van eigen verhevenheid, boven eigen normale waardigheid en redelijkheid. Ook al spreekt men nu misschien niet meer over de mogelijkheid om gelijk te worden aan goden, maar alleen over het feit dat eigen ras meerderwaardig is, of dat eigen ideaal altijd het enig ware zal blijven.

Dit voerde niet alleen tot twijfel aan de integriteit van de politici en de waarden van de kerken, maar bracht menigeen zelfs tot een twijfel omtrent het bestaan van god of de waarde van enig ideaal. Er is in het heden sprake van een steeds toenemende twijfel, die niet alleen het gedrag van de mens en zijn geloof aantast, maar ook de waarde van de geldende moraal niet zonder meer kan aanvaarden, de sociale samenhangen in het geding brengt. Kortom, er zijn steeds meer mensen die de hiërarchisch hogeren vragen: is dit alles nu werkelijk zeker, is dit alles nu werkelijk wel noodzakelijk? Gelukkig voor hen komt hier de menselijke gewoonte uit het verleden de hogergeplaatste te hulp: waar de mens geen uitweg meer kan vinden in eigen twijfels, zoekt hij weer het magische woord te vinden. Hij gebruikt leuzen die niet weergeven wat hij voelt, maar die hem moeten helpen zijn onzekerheid te overwinnen. Degene die uitroept dat God dood is, meent daarmee niet te zeggen dat er werkelijk een god is geweest die nu niet meer leeft. Het is een magische bezwering: de god die hem hindert, het godsbeeld dat hem verwart en hindert, tracht hij op deze wijze terzijde te schuiven om zo iets nieuws, iets hogers te bereiken. Sommigen gebruiken dergelijke leuzen zelfs in de hoop dat God eindelijk eens op een voor hen aanvaardbare wijze zijn bestaan zal bewijzen. De mens van heden weet wel dat hij goed moet zijn voor zijn naasten. Maar dat heeft te veel lastige consequenties, daarom is zijn kreet: sociale rechtvaardigheid. Hierdoor hoopt hij zich boven de mogelijke gevolgen van eigen egoïsme te plaatsen, zonder daarbij van zijn zoeken naar eigen voordeel afstand te moeten doen. Wat natuurlijk niet werkelijk kan gelukken.

Wanneer je de ontwikkelingen van de godsdienst ziet en de daaruit voortkomende gebruiken in het verleden, om dan het heden te bezien, zo kun je niet ontkennen, dat vele dingen nog overeenstemmen. Onbewust tracht men de waarde van het verleden steeds weer in een nieuwe vorm leven te geven, zo de oude geloofswaarden behoudende, zonder de lasten daarvan te dragen. Denk bv. eens aan de tempel der Joden en zie dan de volgende indeling: Tweede kamer: voorhof der mannen. Eerste kamer: het heilige. Kabinet: het heilige der heiligen – waar God spreekt tot zijn hogepriesters. Dit zou een zeer willekeurig beeld zijn, wanneer zoiets alleen in Nederland bestond. Maar in de meeste christelijke naties blijkt het parlement een soortgelijke structuur te vertonen. Zelfs in Rusland, dat wel een christelijke achtergrond, maar geen officieel christelijk geloof meer heeft, zien wij een indeling, die hieraan gelijkkomt. Met dien verstande dat daar in het heilige der heiligen de stem van Marx-Lenin kennelijk duidelijker zijn volk beveelt, dan in vele andere landen het geval is.

Er zijn vele dergelijke parallellen te geven. Voor mij zijn de denkbeelden die zij bij mij wekken, belangrijker. Ik zal daarom trachten enkele hiervan weer te geven: Zolang de mens overtuigd blijft van zijn eigen onvermogen om tegenover zijn God te staan, om de waarheid te zien en aan te kunnen, zal hij blijven grijpen naar rituelen en offers, zal hij van zich en anderen offers eisen en in wezen gebruik maken van overdrachtelijke magie. De mens continueert hiermee ook op maatschappelijk, economisch, sociaal gebied het oude godsdienstige denken.

Hij transponeerde dit denken wel naar politiek en pseudowetenschappelijk terrein, maar in wezen geeft veel van hetgeen men heden doet en stelt, nog dezelfde waarden weer, die in de oude tempels der heidenen reeds bestonden. Een mens stond in het begin van de mensheid zelf in voor zijn daden. Er was een aansprakelijkheid tegenover de stam, die door eigen gezag en durf zelfs beperkt of veranderd kon worden en verder niets. Naarmate er meer priesters en tempels kwamen, evenals inwijdingen, begon de mens de verantwoordelijkheid voor zijn daden en handelwijze naar de boven hem geplaatsten af te schuiven. Meer en meer werd een eenvoudig mens de marionet van degenen, die in zijn ogen meer waren dan hij. Hierbij werd het scheppen van een rangorde steeds belangrijker.

Wij zien in priesterkasten zowel als in staten – juist in verband met verantwoordelijkheden en machtsuitoefening – een steeds verder uitgebreide hiërarchie ontstaan. Een dergelijke opbouw zien wij op dit ogenblik in praktisch alle gouvernementen en kerken. Er is een verschuiving van de verantwoordelijkheid ontstaan, die in vele duizenden jaren tot een menselijke gewoonte werd. Hierdoor zijn de mensen van heden niet meer in staat en niet meer bereid de verantwoordelijkheid voor hun bestaan en daden ook metterdaad te dragen. Men heeft iemand nodig die de verantwoordelijkheid draagt. Onder de schijn van zelfstandigheid ambieert de mens van heden geen werkelijke vrijheid, maar een leven zonder eigen aansprakelijkheden en daarmee in wezen zonder enige werkelijke vrijheid of mogelijkheid, zelfs tot werkelijke vrijheid voor zich of anderen.

Het denken waarin het hiërarchische verband – de organisatorische samenhangende mythologie der leuzen ook – overheerst, is zo sterk, dat zelfs reformatorische groepen niet in staat zijn zich van dit met de mensheid haast vergroeide denken in rangen en afgeschoven verantwoordelijkheden los te maken. Het resultaat is dat een persoonlijke algehele bewustwording in deze dagen slechts zeer zelden plaats zal vinden. Zelfs dan blijkt zij alleen binnen een organisatorisch verband voorgesteld te kunnen worden. De mens van heden is gelijktijdig hierdoor beperkt in zijn mogelijkheden en door anderen – “vanbovenaf” – manipuleerbaar. Zijn eigen besef, zijn gebruik van eigen vermogens en mogelijkheden schiet bijna voortdurend tekort.

Naarmate de mens meer aan goden of een god ging geloven, raakte hij ook meer overtuigd van het feit dat goden een macht hebben om hun wil door te zetten, waardoor het voor de mens geen zin heeft, zich tegen de wil van die goden te verzetten. Tot zover aanvaardbaar. Maar het uiten van de wil van deze god of goden werd steeds meer overgebracht op levende goden, vorsten, die kinderen van goden heten te zijn of, zoals in Rome, hun eigen goddelijkheid proclameerden. In het christendom zien wij een soort “stem van God” in de paus, terwijl wij bv. in het Lamaïstisch boeddhisme te maken hebben met de zgn. levende boeddha’s. Deze overdracht van het begrip “wil der goden” op mensen en instellingen, plus het gevoel dat men zich tegen deze wil niet kan verzetten, heeft tot gevolg, dat de mens zelfs heden zich onmachtig voelt, zodra het gaat tegen een uitdrukking van macht, de orde of ordening, die door goddelijke, god geschapen, onfeilbare wezens aan de top van een of andere hiërarchie tot stand worden gebracht.

Vaak hanteert men daarbij leuzen, die in wezen niet stroken. Zo hanteert men hier bv. nog wel eens de slogan: “Voor God, Oranje en Nederland”. Maar zijn die drie begrippen nu werkelijk te verenigen? Alleen, wanneer men God, Oranje en Nederland als gelijkwaardige of tot eenzelfde hiërarchie behorende dingen beschouwt. Maar God is de god van de gehele wereld. Wie voor die god is, zal niet alleen voor Nederland kunnen streven. Hij zal voor de hele wereld moeten werken. Oranje? Dit is een symbool van een bepaalde regeringsvorm. Maar is dit symbool nu belangrijker dan het volk van Nederland zelf, of het welzijn van de wereld? Zekerlijk niet. Je kunt voor God zijn, voor Oranje of voor het Vaderland. Maar deze dingen gaan niet geheel parallel, zodat een samenvoegen daarvan tenminste bedrieglijk genoemd moet worden. Een leuze als “voor Christus Rex en de mensheid” kan zin hebben, wanneer men denkt aan de Christus als de kracht, de werking, in alle mensen. Zodra zij echter de Christus maken tot een god buiten de mensen, een gezaghebber, een die troont op de wolken, vervreemdend de waarde Christus van de mensheid, en kan zo in de naam van de Christus veel worden gedaan of geëist, wat met de werkelijke belangen van de mensheid geheel strijdig is.

Dat dergelijke leuzen worden aanvaard is te wijten aan de magische spreuken van het verleden. En het gebruik van dergelijke leuzen is zo ingewoekerd dat het onwaarschijnlijk is dat enige reformatie alleen op grond van feiten en zonder hiërarchie zal plaats hebben. Zoals de reformatie van Luther – die u in deze dagen herdenkt – en anderen als Calvijn, Zwingli e.d. – in feite geen werkelijke reformatie was, doch slechts het vervangen van een element in een hiërarchische relatie door een ander element, zonder dat de gehele waarde ook maar iets veranderde, of enige grotere vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid mogelijk maakte. Zoals ook de jongelieden, die in deze dagen tegen bv. de oorlog in Vietnam of bepaalde regeringsmaatregelen zijn, geen werkelijke vernieuwing, maar in feite slechts een verschuiving van de hiërarchische waarden in hun uiting wensen. Zelfs zij kunnen zich kennelijk geen algehele vernieuwing voorstellen. Waaruit volgens mij wel blijkt dat men in het heden niet is vastgelopen, omdat geloof in zich iets is, waarmee men niets kan doen, maar omdat de visie – die ik opzettelijk hier als godsdienst betitel – op de hogere dingen en krachten zodanig in een reeks van formules is vastgelopen dat men niet meer in staat is zijn benadering van het geheel te wijzigen.

Waaraan ik dan nog een conclusie omtrent de toekomst wil verbinden. Juist al het voorgaande moet voeren tot een steeds grotere reeks van spanningen. Deze spanningen zullen deels op angsten, deels op frustraties berusten. Deze spanningen nu gaan niet meer in de richting van het overlegde, het redelijke reageren. Men wordt onredelijk. De spontaniteit is in feite een uitbarstende emotionaliteit geworden, omdat de emotie, zoals zo vaak, ook in deze dagen steeds meer de overhand krijgt, kan op grond van deze emoties het redelijke gedragspatroon van de mens worden doorbroken.

Maar het redelijke gedragspatroon is de weergave van een in de mens langzaam als erfelijk ingegroeid religieus besef. Dit speelt mee in het onderbewustzijn van haast alle mensen en zal zo alle emotionele uitingen mede beheersen. Daarom is wel het gedragspatroon van de hedendaagse mens, maar niet de kern van diens levensbesef en aanvaarding te doorbreken. De godsdiensten uit het verleden en de ontwikkelingen van het religieus denken in het verleden, plus alles wat daaruit is voortgekomen, hebben in de mensheid een soort veiligheid ingebouwd. Hierdoor is het de mens niet meer mogelijk terug te vallen zonder meer op zuiver dierlijke emotionaliteit, zelfs indien het zelfbehoud daarbij in het geding komt. Er zal altijd iets meer blijven bestaan.

In een tijd, waarin spanningen tot uiting gaan komen en frustraties tot onverwachte, maar vaak zeer hevige uitbarstingen gaan voeren, is het zeer belangrijk dat een dergelijke zekerheid aanwezig is. Niet, dat zij het geweld van de uitbarstingen ongedaan zal kunnen maken, maar zij zal, wanneer de uitbarstingen voorbij zijn, een reële waardering daarvan op grond van de tot nu toe ontwikkelde menselijke waarden mogelijk maken, zelfs indien de omstandigheden geheel van de nu bestaande zouden gaan verschillen. De mens zal niet kunnen redeneren: het is nu eenmaal gebeurd, dus laten wij nu maar rustig verder gaan. Hij voelt: het is nu wel gebeurd, maar het was niet heel goed, geheel juist. Ik moet voor mijzelf een weg vinden om het gebeurde aanvaardbaar te maken – wat in feite een herstellen zal betekenen.

Naarmate steeds meer gevestigde patronen van geloof en sociale beschouwing door de spanningen worden verbroken, zullen er wel steeds meer ongelukken gebeuren, maar zal het in de mens ingewortelde element van, zeg maar godsdienstigheid, voeren tot een zekere maatstaf in eigen leven. Zonder de ontwikkeling van de godsdiensten in het verleden, zou de mens misschien zijn idealen, ja, zijn menselijkheid geheel kunnen verloochenen. Nu zij zich echter in ongetelde eeuwen in de mens en besef als het ware genetisch hebben verankerd, kunnen de godsdiensten normen scheppen, waaraan de mens zich niet meer zal kunnen onttrekken. Hierdoor is het mogelijk geworden zelfs in de meest omvattende omwentelingen de menselijke waarden en mogelijkheden van bewustwording te behouden. Dit betekent dat de geestelijke ontwikkelingsmogelijkheid op aarde altijd zal blijven bestaan, gebaseerd op het verleden. Het bereikte zal nimmer meer geheel tenietgedaan kunnen worden. Wat wil zeggen, dat een algehele vernietiging van de mensheid door bv. overdadig gebruik van atoomwapens terzijde latende, de ontwikkelingsmogelijkheid voor de geest op aarde ook voor het nageslacht zal blijven bestaan.

Dit verankerd zijn van de menselijke waarden, deze weergave van de invloed van de wereldziel binnen het kleine bewustzijn van de mens is het meest hoopgevende wat men in deze tijd kan constateren. Men kan spreken over dreigingen en vernietiging, maar deze dingen gaan allen voorbij en over het algemeen zijn zij sneller voorbij dan men denkt. Te weten dat er zelfs in de stoffelijke mensheid een eeuwige waarde is vastgelegd, die niet tenietgedaan kan worden door de dingen, waarover men zich zorgen maakt – of dit nu lsd is, marihuana is, of het lopen in minirokken, of het tonen van blote juffrouwen op de tv. – moet voor elk mens toch wel een grote geruststelling zijn, naar ik meen. Te weten dat de innerlijke zekerheid, het werkelijk beantwoorden aan de waarden van het menszijn over de wereldziel, ook in alle andere mensen aanwezig blijft, blijft bestaan. Dat er bij alle schijnbare excessen een grens bestaat in elk levende mens, zodat hij zal moeten zoeken naar een redelijke verhouding tot het leven, waarin zelfs – zij het vaak onbewust – God een grote rol speelt, neemt veel van de verschrikking weg van de superwapens van heden en het zogenaamd moreel verval.

Wees vrijdenkers, zoveel u wilt. U zult u aan de in u ingelegde waarden niet kunnen onttrekken, daarom kan de mensheid niet werkelijk meer ten gronde gaan. Want zelfs als uw wereld zou zijn uitgeblust, is in het bewustzijn van alle entiteiten, die op aarde leven of geleefd hebben dit alles zo sterk als ervaring en erkenning vastgelegd, dat de waarden van deze wereld in de eeuwigheid verankerd zijn.

Dit is het einde van mijn betoog, dat ik in verband met de volgende mogelijkheid tot algemene vraagstelling heden niet te lang wilde maken. Maar als u hierover iets wilt vragen, ga uw gang.

Vragen

  • Een theoloog die onder de nazi’s stierf, sprak over godsdienst zonder God. Is dat wat u vanavond bedoelt?

Neen. Veel godsdienst is heden in feite een godsdienst zonder God en dit mag eveneens gelden voor vele zgn. politieke overtuigingen. Maar wanneer wij positief willen denken, zo moet u mij toestaan op te merken, dat wij meer behoefte hebben aan een God, die wij kunnen aanvaarden – en dan alstublieft zonder godsdienst.

U wenst voorbeelden van godsdienst zonder God? Wel, u hebt hier een christelijk gouvernement, waarin vele erg christelijke lieden gezeten zijn. Zij zullen dus als christenen God liefhebben boven alles en hun naasten gelijk zichzelf. Maar ja, zij kunnen natuurlijk de bewapening heus niet verder verminderen. “Doe ten aanzien van uw naaste, zoals gij wenst, dat uw naaste u doet. Heb uw naaste lief gelijk uzelf.” Nu kunnen wij in de kamers natuurlijk onze eigen salarissen wel verhogen. Maar anderen moet je beletten een dergelijke grote verhoging te krijgen. Want je kunt nu eenmaal niet opeens eenieder 200% meer laten verdienen. En bovendien: “wij hebben het nodig, maar anderen kunnen best zonder.” Men is natuurlijk als goed katholiek tegen oorlog en geweld. Maar een motie tegen de oorlog in Vietnam kun je eigenlijk niet helemaal aanvaarden, nietwaar? Daarom zeg dan maar tegen degenen die het aangaat: kijk eens, ons bestuurslichaam verklaart zich er nu wel tegen, maar dat betekent niet dat zij zullen trachten er ook werkelijk iets aan te doen. Dus maak je maar geen zorgen. Als het eropaan komt, staan wij nog steeds achter je.

God wordt overal gepredikt, zelfs in de legers. Is dit christelijk aanvaardbaar? Is het niet eerder zo dat degene die het gepredikte christendom in de praktijk wil omzetten, afstand moet doen van alle geweld, ongeacht wat daaraan voor consequenties verbonden kunnen zijn. Zei Jezus niet tot Petrus, zelfs op het ogenblik dat men hem gevangen neemt, om het zwaard in de schede te steken; en geneest hij de wonde niet die, zelfs om hem te beschermen, een soldenier werd toegebracht? In het leger vinden wij overal christelijke raadslieden, priesters en predikers in uniform, terwijl men zelf christelijke plechtigheden viert op het slagveld en om Gods zegen in de strijd durft bidden….

De doden begraven, ja, dat is goed. De zieken en gewonden helpen? Dat behoort zo. Maar degenen die geweld plegen tegen anderen helpen met zegeningen, plechtigheden en prediking? Neen. De godsdienst, hoe fraai ook haar leer, is in wezen een uitdrukking van de bestaande machten geworden. Zij omvat een magische sanctie op de dingen, waarvan men innerlijk toch wel aan kan voelen, dat zij niet geheel juist zijn. Daarom lijkt het mij toe dat er steeds meer sprake is van een godsdienst zonder god, een leer die geen zin meer heeft, tenzij op de ogenblikken dat zij kan dienen om eigen ongeruste geweten gerust te stellen.

Denk eens aan de plechtigheden die de kern waren van nazi-Duitsland. Maar vergeet dan ook niet de houding die het episcopaat in Spanje aanneemt tegenover de armen – die de ware broeders behoren te zijn van elke christen. En vergeet dan ook de houding niet van de curie in Rome, die geen rekening houdt met de werkelijke behoeften, wensen en noodzaken van de katholieken binnen de kerk, omdat zij haar macht kostbaarder acht dan het waarlijk dienen van de armsten.

Ik meen dat er aan een dergelijke godsdienstigheid geen behoefte is. Daarom zou ik de leuze – die tegen de nazi’s was gericht – omdraaien en zeggen: Laat ons God zonder algemene godsdienst erkennen en beleven. Laat ons afstand doen van de magische poespas. Want ik meen nog steeds dat de mens die eerlijk wil zijn tegenover zichzelf, zijn God tegemoet kan treden en die God zal kunnen erkennen op elk ogenblik. Ik geloof dat God dergelijke mensen van zijn kant uit eveneens zal erkennen, zodat er geen tussenpersonen, organisaties en hiërarchische verhoudingen noodzakelijk zijn. Ik geloof dat God zijn werkelijke wetten aan eenieder die eerlijk naar hem zoekt, kenbaar zal maken, zodat er niemand nodig is om dergelijke wetten voor anderen op te stellen en te interpreteren. Ook ik verwerp de godsdienst zonder God, maar spreek mij daarnaast uit voor een Godsbeleving zonder godsdienst. Wij moeten overigens God niet dienen, maar God beleven. Want door God te willen dienen, stellen wij onszelf in feite buiten die God, terwijl wij door God te beleven in wezen deel trachten te zijn van die God, een te zijn met de Kern in alle dingen. En dat lijkt mij het belangrijkste.

Ik hoop nu maar dat ik u met mijn onderwerp niet heb verveeld. Wat ik trachtte u duidelijk te maken, is het volgende: U zoekt, ook wanneer u hier komt, naar iets wat strookt met uw innerlijk aanvoelen. U zoekt ook hier het magische element, de bemiddeling tussen u en het Hogere. Wanneer u daar werkelijk niet zonder kunt, wees gelukkig met uw godsdienst en hetgeen u hier vindt. Maar ik meen dat u meer kunt zijn, dat de mensen meer kunnen zijn.

Ik geloof dat de mensen meer kunnen doen, meer bereiken, wanneer zij zich voelen als zelfstandige wezens met een eigen verantwoordelijkheid tegenover God en wereld, in plaats van zich te gedragen als slaven die alle bevelen opvolgen, zonder zich zelfs maar af te vragen, of die nu werkelijk uit God stammen, of die nu werkelijk van de Meester komen.

Ik geloof dat de mens als het ware aandeelhouder is in de coöperatie: de schepping. Ik meen dat hij als zodanig recht heeft die schepping en haar waarden zelfstandig te beleven, te uiten en op zijn wijze uiting te geven aan de god die hij kent, zo zichzelf waarmakende.

Ik geloof, dat de mens in de bewustwording van de mensheid als geheel, die reeds zeer lange tijd duurt, ook lichamelijke waarden heeft gekregen, die meewerken in zijn bewustzijn, waarden waardoor hij binnen de noodzaken van de menselijke ontwikkeling zal blijven, ook waar het zijn godserkenning betref. Maar ik ben ervan overtuigd dat de mens wanneer hij alle verdere beperkingen verwerpt, zal komen tot een zuiverder mens zijn, een bewuster godsbeleving en een waarlijk één-zijn met allen. Een één-zijn, wat niet uit te drukken is in termen als seks, kerkelijk samengaan, of solidariteit, maar een één-zijn met anderen dat voortkomt uit het intense gevoel: daar, met die ander, ga ook ik. Ik ben ergens enigszins deel van die ander zelfs al ken ik hem niet.

Ik hoop hiermee te hebben bijgedragen tot een begrip voor uw eigen mogelijkheden en noodzaken; u daarbij tevens hoop gevende voor een toekomst, die in de gedachten van velen nogal duister schijnt te zijn.

Deel twee

Vragenrubriek

Ik zal op alle mij gestelde vragen ingaan, zover mij dit op verantwoorde wijze mogelijk is.

  • De ODV wijst erop dat de herinnering van de geest na de overgang, wat de stof betreft, fragmentarisch is. Toch geven de sprekers blijk van grote kennis, die op aarde verworven moet zijn. Wat is de relatie tussen hersenen en geheugen? Hoe worden aan gene zijde geheugenindrukken vastgelegd?

Wanneer wij spreken van stoffelijk geheugen, zo menen wij hiermee de hersencellen waarbij de doorlaatbaarheid voor impulsen kan veranderd worden door indrukken, een verandering die men chemisch of bio-elektrisch kan noemen. De eenmaal ontstane verandering brengt een reageren op alle verdere prikkels van ongeveer gelijke aard met zich, waardoor de eerste “ervaring” bij alle volgende ervaringen mede betrokken zal worden. Eenvoudig gezegd: het stoffelijk hersendenken is een biochemisch of elektrisch proces, waarbij het geheel aan waarnemingen en impressies wordt vastgelegd, hoewel slechts een klein deel daarvan in zodanige kracht wordt vastgelegd, dat de herinnering daaraan voortdurend bereikbaar is.

De binding tussen hersendenken en wat men het geestelijk geheugen zou kunnen noemen, is gebaseerd op de energie-uitwisseling die tijdens het denken plaats vindt. Men kan dit beschouwen als een soort inductief proces, waardoor binnen de geest, die energie is, een aantal potentiaalverschillen tot stand wordt gebracht, welke in verschijning treden, wanneer een prikkel in het krachtveld van het Ik doordringt en zo een besef, een realisatie daarvan mogelijk maken. Prikkels zijn dus noodzakelijk. Zonder dit kan men niet stellen dat de geest ten aanzien van de buitenwereld “denkt” en herinnert.

Het zal u duidelijk zijn dat om een blijvende waarde in de geest te induceren, de impressie in de hersenen sterk zal moeten zijn. Wij hebben de ervaring opgedaan dat op punten, waar de emotie mede een rol speelt, de werking van de hersenen aanmerkelijk sterker – hoewel niet redelijker – is, zodat de inductiewaarde van dergelijke ervaringen en gedachten aanmerkelijk beter in de geest kunnen worden vastgelegd. Zuiver redelijke gedachten blijken een reëel mindere intensiteit te bezitten en worden vaak niet geheel in de geest overgebracht. Wij stellen daarom dat het geestelijk geheugen ten aanzien van het stoffelijke geheugen fragmentarisch zal zijn en daarbij uit de stof allereerst en vaak zelfs hoofdzakelijk de emotioneel beleefde ervaringen en erkenningen zal overnemen.

Ik-besef, voorstellingen omtrent het Ik en waardering voor het Ik zijn voor de mens emotionele waarden, die bovendien in het bestaan bijna permanent tot uitdrukking komen. Deze zijn dan ook in de geest sterk en zullen kort na de overgang alle waarden aan geestelijk besef en geheugen domineren.

In de geest heeft men echter, zo men zich weet open te stellen voor andere waarden, de mogelijkheid feiten en emoties van uw wereld af te lezen. Een scherpe uitstraling van gedachten komt op aarde vooral daarvoor, waar de denkende mee ook gevoelsmatig zich verbonden voelt met het onderwerp van zijn belangstelling of overweging. Dit betekent dat de voorlichting die men in de geest over uw wereld kan verwerven niet vlekkeloos is, maar wel voortdurend een zeer grote reeks van referentiemogelijkheden omvat. Hierdoor is het ook voor een geest die reeds lange tijd geleden overging, zeer wel mogelijk zich in uw tijd te oriënteren en zal men over kennis van uw wereld beschikken, waarvan men tegenover de mens dan tijdens contacten weer gebruik kan maken.

Wat betreft contacten als deze: hierbij hebben wij bovendien het voordeel dat tijdens het spreken uw aandacht op ons gericht pleegt te zijn en denkt en associeert echter gelijktijdig. Vooral deze associaties kunnen, daar zij vaak emotie omvatten, door ons gemeenlijk goed worden opgevangen en zullen worden toegevoegd aan het patroon van denken dat door ons wordt gehanteerd. Hierdoor zullen wij zowel uit u als uit het medium dat wij gebruiken, punten kunnen putten, welke gecombineerd met op andere wijze reeds omtrent deze wereld vergaarde indrukken een mogelijkheid geven tot combineren, waaruit voor u vaak nieuwe gegevens kunnen voortkomen.

Het antwoord op de vraag zelf luidt dus: de geest kan met het restant van haar materiële geheugen komen tot een persoonlijkheidsbesef in de geest, dat veelal een noodzaak tot actie inhoudt. Een actie betekent voor de geest echter weer de absorptie van indrukken en feiten op haar eigen niveau. De in het Ik reeds bestaande waarden van stoffelijk besef of geheugen, plus de voorgeschiedenis van de geest, zullen daarbij bepalend zijn voor de indrukken, die zij vooral verwerkt en behoudt.

Wanneer een mens een hersenschudding of sterke geestelijke schok ondergaat, blijkt er amnesie – geheugenverlies – te ontstaan. Dit kan praktisch totaal zijn, maar soms selectief ook enkele ervaringen betreffend. Het is daarnaast mogelijk dat dit verlies van herinneringen alleen een bepaalde periode omvat. Door een sterke emotie kunnen delen van de in de hersenen vastgelegde waarden, vooral in de herinneringscentra, worden gewist. Er blijven dan wel zwakke restindrukken over, maar deze zijn niet sterk genoeg meer om tot het directe, het redelijke bewustzijn, door te dringen. Men weet dus niet meer. Maar omdat de impressie vaag nog aanwezig is, bestaat een voorkeur voor kennis en feiten. Hierdoor zal iemand die aan amnesie lijdt, vaak veel sneller en gemakkelijker leren – wanneer hij daartoe eenmaal lust voelt – dan iemand, die de kennis opnieuw moet opnemen. Dit betreft dan alle in de hersenen eens aanwezige kennis, zodat de nadruk in de ontwikkeling kan verschillen, zolang maar de eens aanwezige waarden een rol spelen.

Het wissen van indrukken in de hersenen komt overigens meer voor, zij het in zwakkere vorm. Daartoe is het nodig dat een grote spanning aanwezig is. Men kan zich dan iets langere tijd niets meer te binnen brengen. Maar zelfs onder de werking van de sterkste emoties zal het uitwisproces nimmer volledig zijn. Bij gedeeltelijke amnesie door shock kan men stellen dat de kracht van de emotie zodanig groot was dat ofwel een deel van het denken door kortsluiting als het ware wordt uitgeschakeld, terwijl in andere gevallen elke associatie met de gedachten een zodanige emotie doet ontstaan dat wel gevoelens, maar geen werkelijke herinneringen tot het dag-bewustzijn doordringen.

Ten laatste: bij hersenschuddingen zien wij dat door de schok die vaak een laesie, een beschadiging kan inhouden, bepaalde denksporen bij de mens worden verbroken. Soms ook worden de normale associatiemogelijkheden onderbroken. Men kan dan zeggen dat de herinneringen in feite wel intact zijn, maar dat zij als het ware aan de verkeerde prikkelsporen verbonden zijn.

In dergelijke gevallen kunnen wij constateren dat bepaalde herinneringen niet meer bestaan, bepaalde kernen, bekwaamheden en gevoeligheden niet meer bestaan, terwijl andere factoren bij het bewustzijn verscherpte reactie vertonen. Ook na herstel blijken de nieuwe denksporen en de daardoor tot uiting komende kwaliteiten vaak de oudere denksporen, herinneringen en associatiemogelijkheden  te overheersen. Zelfs een gewone, niet zo zware hersenschudding kan dus reeds, zover het de persoonlijkheid en haar denken betreft, bepaalde wijzigingen veroorzaken. Het zal u duidelijk zijn dat dergelijke gebeurtenissen ook in de geest hun neerslag vinden. Maar oudere indrukken die fel genoeg waren, zullen in de geest rustig voortbestaan, al zijn zij door amnesie in de stof tijdelijk of misschien zelfs voorgoed uit het waakbewustzijn verbannen. Er kan dus tussen het geestelijk “geheugen” en het stoffelijk geheugen en denkproces, soms een groot verschil in waarde en inhoud ontstaan.

  • Sprekers van de ODV schijnen zich in ieder taalgebied te kunnen uitdrukken. De mogelijkheid hiertoe wordt door het medium geboden. Hoe? Liggen in het bewustzijn van een medium niet slechts alle woorden in vertaling, maar ook zinsbouw en idioom voor gebruik gereed? Is de mening juist, dat een ODV-spreker via een Nederlands medium evengoed een voordracht zou kunnen houden in de taal, die tijdens zijn aards bestaan zijn moedertaal was?

Deze laatste indruk is niet geheel juist. Er moet gebruik worden gemaakt van de hersens van een medium. Hierin treffen wij twee afzonderlijke delen van het herinneringsvermogen. Het eerste omvat begrippen, waarin beelden en woorden geassocieerd zijn. Daarnaast is er een klankherinneringscentrum, waarin de mogelijke klankvariaties aanwezig zijn en het mechanisme tot weergeven daarvan is aangesloten.

Wanneer wij spreken via een medium, geschiedt veelal het volgende: Een denkbeeld wordt zo eenvoudig mogelijk op de hersenen afgedrukt. Dit brengt associaties tot stand, waarin de woordherinnering naar voren komt. Vaak zijn meerdere woorden nu gelijktijdig gewekt. Hieruit wordt een keuze gemaakt en als referentie aan het klankherinneringscentrum doorgeleid. Dit centrum omvat veel meer klankwaarden dan de gemeenlijk gebruikte. Het is dus mogelijk daarin een bias te leggen, waardoor een van de normafwijkende klankvorming ontstaat, zover het strottenhoofd, enz. de vorming mogelijk maken.

Om in eigen taal te spreken, zou men alleen van een klankherinneringscentrum gebruik moeten maken en woord voor woord moeten vormen, tenzij in het medium reeds, hoe vaag dan ook, er een woordkennis aanwezig is. Indien de te spreken taal eens gehoord werd, zonder dat de betekenis werd begrepen, zal hierdoor vaak reeds een klankpatroon aanwezig zijn dat bruikbaar is. Maar is dit niet het geval, dan zal elk woord klank voor klank moeten worden opgebouwd – een arbeid die veel vergt en vooral bij een niet te rijk geschakeerd klankherinneringscentrum zeker vele moeilijkheden zal baren. Voorbeeld? Door dit medium zou het zeer moeilijk, zoal onmogelijk zijn Chinees te spreken, om de eenvoudige reden dat de opgaande en neergaande toonwaarden die in deze taal de woordbetekenis mede bepalen, niet voorkomen in het herinneringscentrum.  Men zou dus niet alleen de klanken maar ook de klankverhoudingen geheel moeten herscheppen, wat een zeer langdurige en vermoeiende bezigheid kan zijn. Het aantal woorden dat dan kan worden weergegeven, valt dan terug in dit geval van rond 100 tot 1 per gelijke tijdseenheid.

  • De ODV blijkt geweldloosheid voor te staan; zou men bv. het lot van de Joden in Duitsland werkeloos hebben moeten aanzien enz.? Zou men zich niet met geweld desnoods het lot van de verdrukten hebben moeten aantrekken? Dit geldt nu weer voor Vietnam.

Mijn antwoord zal u niet sympathiek zijn, maar zal naar ik hoop, duidelijk zijn. Elke vorm van geweld baart geweld. Degenen, die zich het lot van de Joden in Duitsland hebben aangetrokken, zijn vaak zelf tot handelwijzen gekomen die met de handelingen van de Duitsers vergelijkbaar waren. Geweldloosheid houdt in dat men bij een bestaand onrecht geen nieuw voegt. Daar een verweer met geweld een dergelijk onrecht altijd weer inhoudt, is het te verwerpen, zelfs in de gestelde gevallen. Het enige wat men terecht kan prediken, is het volgende:

Heb op generlei wijze en in generlei wijze iets van doen met de dingen die u als onjuist erkent. Echter, indien u meent in staat te zijn een ander te redden, door uzelf te offeren, zonder daarbij anderen door geweld te schaden, staat u dit vrij. Maar op het ogenblik dat u geweld tegen geweld gaat stellen, handelt u verkeerd. Vergeet niet dat geweld, geweld voortbrengt De enig juiste reactie is een handelen volgens eigen beste besef, zonder dat men daarbij geweld gebruikt. Uw karma speelt hierbij geen rol. Degene die hetgeen anderen doen, veroordeelt en zich bewapent en tegen hen ten strijde trekt, zal zich er niet aan kunnen onttrekken anderen te schaden en zo zelf tot stand te brengen, wat hij bij een ander veroordeelt. Indien eigen neiging tot geweld, die karmisch aanwezig kan zijn, onderdrukt wordt, zal het karma zich sneller oplossen. Voor de wereld geldt nog steeds dat het beter is zelf aan onrecht ten onder te gaan, dan anderen onrecht aan te doen.

De wereld zal dit niet aanvaarden, omdat zij dit leven als het belangrijkste deel van het bestaan beschouwt, terwijl het in feite niet meer is dan een enkele zucht, die geslaakt wordt op de lange weg naar de eeuwigheid.

  • Probeert u zo niet de wet van evenwicht uit te schakelen?

Deze wet is altijd werkzaam. In plaats van menselijk geweld tegen menselijk geweld, ontstaat echter een niet-menselijk geweld, wat inhoudt dat de mens die geweld pleegt, zich hierdoor niet tegen anderen zal gaan richten, terwijl degene die zich van geweld onthoudt, niet tot onrecht zal vervallen als gevolg van het geweld dat hij gebruikt. Men zegt wel, dat “onze God een God der Wrake is, dat de wraak aan God is enz.”. Maar dit zijn menselijke denkwijzen. God hoeft zich niet te wreken. Men heeft dergelijke termen als: “Mij is de wrake, zegt de Heer”, wel gebruikt om de mensen duidelijk te maken dat zij niet het recht hebben zichzelf te wreken. Helaas wordt het vaak vertaald als: “een God zal ons wreken”. Wat niet juist is.

  • Mag men iemand, die bv. een kind mishandelt, dus niet met geweld daarin hinderen?

Inderdaad. Maar wel mag u uzelf stellen tussen de geweldenaar en zijn slachtoffer, dit is uw recht. U hebt het volste recht om zelf de klappen die voor een ander bestemd zijn in ontvangst te nemen. Dit geeft u echter niet het recht een mens te slaan, omdat hij een ander slaat enz. Want hetgeen u doet, zal meer geweld tot stand brengen. Dit is een kettingreactie die men als mens misschien niet altijd ziet of wil zien, maar die desalniettemin steeds weer ontstaat. Indien u een sterkere bent en een ander belet geweld te plegen door het gebruiken van geweld, zult u in de ander een proces tot stand brengen, waardoor hij slinks tegen u of direct tegen zwakkeren wederom onrechtmatig zal handelen. U vergroot dus in feite het onrecht, dat bestaat.

Opvallend is overigens dat men wel anderen wil beletten om bv. een medemens het leven te nemen, maar dat men in eigen gedrag maar al te vaak, bv. in het verkeer, er blijk van geeft het leven van anderen zelf niet direct hoog te schatten. Ik weet wel dat mijn stelling dat geweld nimmer gerechtvaardigd is, in uw ogen geen genade zal vinden, ja, dat dit voor de meeste mensen geheel onaanvaardbaar is, maar toch is dit de enige wijze om vrede te gewinnen. Hoe meer men met geweld de vrede nastreeft, hoe verder zij af is. Hoe sterker u macht gebruikt om door regulerend optreden onrecht te voorkomen, hoe sterker in feite het onrecht wordt en hoe groter het aandeel is, dat uzelf daarin hebt. Het is een waarheid, die helaas niet wordt beseft.

  • Schuilt er waarheid in het boek “De ring” van Tolkien”, of is het louter fantasie?

Niets is louter fantasie. Alles, wat voorstelbaar is, is binnen de schepping mogelijk. Maar zover het dit Al en deze tijd aangaat, kan men het in het boek gestelde ten hoogste allegorisch bezien en is geheel dus als een fantastische beschrijving van waarden te zien, die op zich in uw eigen wereld bestaan. Ik vraag mij alleen af of de meesten van u in staat zijn deze waarden en zelfs waarheden zelf in het boek te zoeken en te vinden.

  • Wat is uw oordeel over euthanasie? Wilt u in uw antwoord ook vruchtafdrijving betrekken als probleem van gelijke orde?

Beide problemen zijn niet van gelijke orde. Euthanasie: het geven van de mogelijkheid tot sterven aan hen die niet meer in staat zijn menswaardig te leven, is op zich aanvaardbaar. Het grote bezwaar ligt niet in het principe zelf, doch in de legalisatie. Men zal m.i. iemand de mogelijkheid moeten geven zich aan een leven te onttrekken, waarin volgens hem voor hem geen enkele mogelijkheid meer schuilt. Maar het aanvaarden van een dergelijke bevoegdheid betekent dat mensen hiervan misbruik kunnen en zullen maken om anderen te doen sterven, die die wens niet koesteren. Ook vergissingen zijn denkbaar, terwijl zelfs de gemeenschap ertoe zou kunnen overgaan mensen uit het leven te drijven uit andere dan zuiver humane beweegredenen. Dit onder het mom van een begeerde genadedood. Het is dit aspect van de zaak wat mij er toe brengt de legalisatie van euthanasie als mogelijkheid te verwerpen. Niet dus de religieuze bezwaren hiertegen.

Ik stel: men zal niemand mogen verplichten met kunstmatige middelen een ander in leven te houden, indien geen mogelijkheid tot genezing voor de ander bestaat of binnen afzienbare tijd zou kunnen bestaan volgens alle redelijke kennis. M.i. handelt een geneesheer bij ongeneeslijke gevallen geheel verantwoord, wanneer hij zich beperkt tot het wegnemen van de pijnen zover mogelijk en geen poging doet de levensfuncties langs kunstmatige weg in stand te houden wanneer zij zonder dit zouden falen. M.i. vermijdt men op deze wijze ook het religieuze probleem grotendeels, daar er geen sprake is van het nemen van een leven.

Maar het lijkt mij overdreven te eisen dat een leven ten koste van alles in stand moet worden gehouden, zelfs tegen de wens van de levende, tenzij dit waarde en mogelijkheden bezit en niet door natuurlijke oorzaken ten einde komt of kan komen. Ik wil verder opmerken dat ofschoon zelfmoord onder veel omstandigheden geestelijk schadelijk is, er omstandigheden bestaan en ook in dit Westen denkbaar zijn, waarin zij geen werkelijke schade voor de geest veroorzaken. Men zou misschien zo ver kunnen gaan dat men aan bepaalde gevallen middelen ter beschikking stelt die in wezen leven verkortend werken, mits deze door de persoon zelf alleen worden ingenomen en niet door anderen toegediend. Is een patiënt niet of niet meer in staat een dergelijke wens uit te drukken en dergelijke middelen zelf te gebruiken, dan zouden zij m.i. niet verstrekt mogen worden.

Wat vruchtafdrijving betreft. De eenwording van geest en lichaam is een escalatieproces, waarbij in de eerste 3-4 maanden niet van een werkelijk bezield leven gesproken kan worden. Afdrijven van de vrucht binnen deze periode moet dus geoorloofd zijn. Daarna meen ik dat zwangerschapsonderbreking alleen verantwoord is, wanneer het leven van de moeder in gevaar zou komen. Dit impliceert dat ik het voorkomen van zwangerschap geheel geoorloofd acht mits de daartoe gebruikte middelen niet schadelijk zijn voor de gebruiker.

  • Jezus spreekt over de Vader. Dit voert bij vele mensen tot een beperkt en persoonlijk godsbegrip. Hoe dit te vermijden, wanneer men de term “Vader” niet wil verliezen?

Vader is voortbrenger. In de oude opvattingen ook bezieler. Vandaar dat de zon bv. mannelijk is en de aarde vrouwelijk in vele geloofsvormen, omdat de aarde weliswaar het leven draagt, doch slechts door de zon leven kan dragen. Indien u het begrip Vader wilt hanteren, moet men het niet interpreteren als gezinshoofd zonder meer, maar als bezielende kracht. Daar dit optreden als bezieler in de oudheid belangrijker was dan het baren en zelfs het bezitsrecht op de kinderen bepaalde – ook in de joodse gemeenschap – zal een terugkeren tot dit begrip voldoende zijn om de te persoonlijke godsvoorstelling te voorkomen zonder daarbij het begrip Vader te moeten bannen.

Overigens vergeet men al te vaak dat Jezus moest prediken voor mensen die grotendeels volgens de huidige normen ongeletterd en onwetend waren. Mensen die geen wetenschappelijke achtergrond hadden, vaak zelfs volgens de normen van hun eigen tijd, terwijl hun inzicht in het leven zeer beperkt was. Hun geloof e.d. bestond grotendeels uit de voor hen niet geheel levende wijsheden van de Torah, plus de overleveringen, terwijl zij hun God voornamelijk vonden in de wet. U kunt nu misschien begrijpen dat het prediken van een liefde voor de God in die dagen het beste kon geschieden door de naam “Vader” hiervoor te gebruiken. Voortbrenger in liefde is een betere omschrijving voor de mens van die tijd dan welke naam dan ook. Een aanvaarden van een liefdevolle god met de naam en volgens de voorstellingen van de mensen in die tijd was immers ondenkbaar. De vertalingen der evangeliën zijn in vele gevallen taalkundig wel geheel juist, maar ontberen de achtergrond. De werkelijke bedoeling van Jezus is maar al te vaak teloorgegaan, zelfs reeds door een te grote afstand tussen de evangelisten en de mensen, waarvoor Jezus sprak.

  • Hoe ziet u God?

Zien kan ik God niet. Ik kan Hem hoogstens beleven. Indien u mij duidelijk kunt maken wat de werkelijke gevoelens zijn, die u beroeren op een eerste lentedag, wanneer de zon door de nevels breekt, de vogels zingen en het eerste jonge groen een fijne sluier over de bomen vormt, kunt u misschien een zeer vaag en beperkt begrip vormen van hetgeen mijn belevenis van God voor mij betekent. Maar zien doe ik Hem niet.

Dit is ook begrijpelijk: zolang ik deel ben van de goddelijke gedachte, de schepping, zal ik het geheel daarvan nimmer kunnen zien, dus omschrijven en beschouwen als geheel. Ik kan alles ten hoogste ondergaan. Toch kan ik door mijn deel-zijn van het geheel, dit geheel innerlijk wel kennen, maar op niet uitdrukbare wijze, omdat mijn mogelijkheid tot uitdrukking en omschrijving eenvoudig te kort schiet.

  • Afgezien van de vele voertuigen, bestaat er iets, wat als bewoner daarvan kan worden aangemerkt?

Ik meen dat men niet bewoner of bestuurder kan zeggen. Ten hoogste kan men formuleren: er is een kracht waardoor het bewustzijn en bestaan der hoogste voertuigen mogelijk wordt, die dan op hun beurt optreden als bewoner en bestuurder van de lagere voertuigen. Indien men al wil spreken van een bestuurder van de allerhoogste voertuigen, zo is dit m.i. de Bron waaruit alle leven voortkomt. Daar deze bestuurder echter wetten heeft geschapen en kennelijk een voortdurend persoonlijk ingrijpen schijnt te wensen, nemen wij maar aan dat van een reële besturing van de hoogste voertuigen, volgens de menselijke zin van dit woord, geen sprake is, doch ten hoogste van een conditionering daarvan.

  • Zo ja, heeft dit iets een eigen identiteit, of moeten wij aannemen dat karaktervorming een zuiver stoffelijke eigenschap is? Wat is de oorzaak van karaktervorming behalve een wisselwerking tussen belevingen, de reactie daarop en een herinneringsvermogen?

Karaktervorming bestaat uit:

  1. Uiterlijke of door omgeving geconditioneerde waarden uitgedrukt in het stoffelijk voertuig; reactie en reactiesnelheid worden hierdoor vastgelegd.
  1. Interne afscheidingen en het onderling functioneren van delen van het lichaam bepalen de meest heersende stemming en het temperament”.
  1. In zijn uitingen wordt het karakter door beleving geconditioneerd. Dit kan reeds beginnen na de 4e maand van de zwangerschap, zodat reeds prenataal een richten en conditioneren van het erfelijk aanwezige mogelijk is.

Scholing, opvoeding en herinnering die associatie bepalen, bepalen de wijze waarop het karakter tot uiting komt, doch niet het wezen daarvan. Dan nog verder achter al deze waarden ligt de geest, die door haar stimuleren van bepaalde aspecten van de stoffelijke persoonlijkheid, een deel van het karakter in waarde kan verminderen en andere delen daarvan meer op de voorgrond kan doen treden. Het karakter is dus eigenschap van de stof. De geest maakt hiervan gebruik en kan zelfs een voorkeur hebben voor een lichaam met een bepaald karakter, zonder dat hierdoor haar eigen eigenschappen bepaalbaar zijn geworden. Wie in een Volkswagen rijdt, kan een Mercedes besturen, zonder dat hij hierom een ander mens moet zijn. Wel zal men als bestuurder anders gaan reageren in een andere wagen. Het lichaam is voor de geest vehiculum. De mogelijkheden van de stof, inclusief het karakter, kunnen de habitus van de geest beïnvloeden. Maar de gewoonte kan bij verandering van voertuig betrekkelijk snel worden aangepast en behoort zeker niet onafscheidelijk tot het wezen.

  • Bestaan er ook dwazen in de geest?

Het bewustzijn van de geest stamt in deze cyclus uit de mens. Zegt dit u niet voldoende?

  • Wij moeten geloven in eenheid, zegt de esoterie. Maar kunnen wij dit ooit voldoende doen, zonder onze identiteit te verliezen?

Dit is inderdaad mogelijk door volgens hetgeen wij naar waarheid menen te zijn naar beste kunnen en streven binnen het geheel in harmonie met het geheel, en voor het geheel te reageren. Stel u uzelf voor als een klein radertje in het uurwerk der oneindigheid.

U kunt niet het gehele uurwerk stilzetten, maar wel in uw omgeving door onwillig reageren ontwikkelingen belemmeren of door bewust streven in harmonie bevorderen. U blijft uzelf, maar bewust strevende blijft u gelijktijdig u bewust van het geheel, waarvan u deel uitmaakt en kent u eenheid.

  • Wanneer in het leven van een mens zich de moeilijkheden blijven opstapelen, welk advies kunt u hem dan geven?

In dat geval zal mijn raad zijn: kijk wat minder naar de moeilijkheden, wat meer naar de mogelijkheden en u zult ontdekken dat de moeilijkheden wegsmelten. Hoe meer u echter naar uw moeilijkheden kijkt, hoe groter en onoverkoombaarder zij voor u schijnen te worden.

  • Wat betekent Jezus’ uitspraak: “Wie het leven liefheeft, zal het verliezen, doch wie het leven haat, zal het behouden tot in eeuwigheid”. Ik ken iemand die het leven haat. Is hieraan iets te doen?

Wat dit laatste betreft: vertel duidelijk aan zo iemand dat, wanneer zij zo verder gaat, zij toch eeuwig zal leven. Wat de uitspraak zelf betreft: dit is eenvoudig. Haten kan ook vertaald worden als verwerpen of niet achten. Wanneer je van iets houdt, probeer je het tegen alles te verdedigen. Hierdoor isoleer je het en ontneem je het zijn werkelijke waarde. Wie het leven te zeer liefheeft, zal het verliezen, doordat het zijn mogelijkheid als beleven verliest en daarmee zijn zin en inhoud.

Wie het leven “haat” – dus verwerpt, als onbelangrijk beschouwt – zal het bestaan niet waarderen om hetgeen het is, maar ter wille van hetgeen men daardoor kan doen voor en zijn voor anderen. Hierdoor leeft men in alles, wat men voor anderen is. Het leven is geen persoonlijk zijn meer, maar een deel geworden van het totaal. Zelfs als de persoon vergeten is, leeft hij in hetgeen hij tot stand heeft gebracht, voort. Hierdoor kan de geest niet voor de wereld sterven, maar zal zij zich van het leven op aarde bewust blijven, zonder dat dit iets aan het eigen geestelijk bestaan afdoet. Florence Nightingale zal misschien vergeten worden, maar hetgeen zij aan verpleging van gewonden op slagvelden enz. tot stand bracht, zal voor haar een harmonisch punt zijn op de wereld, zolang het bestaat; zij zal haar besef der wereld hierin steeds weer hervinden, wanneer zij dit wenst.

  • Welke plaats neemt het waakbewustzijn aan ten opzichte van het onbewuste. Waar ligt de grens?

Verhouding algemeen: als die van een voorgevel tot het werkelijke huis. Waakbewustzijn is uiterlijk, onbewust zijn de bepaling van de innerlijke werkelijkheid. De grens tussen beiden ligt voor de doorsnee mens op het punt, waar het Ik-bewustzijn niet meer in redelijke vorm wordt erkend en geuit. Alle waakbewustzijn is een gevolg van Ik-projectie: men herinnert zich de dingen, waarin men zelf leeft of belangstelling heeft. Het andere wordt wel waargenomen, maar niet als bewuste impuls geregistreerd, doch ten hoogste als mogelijke associatie.

  • Zijn het niet hogere krachten, die de stofmens gebruiken als een soort waarnemingsstation, waarbij het waakbewustzijn de pretentie krijgt zelf iets te zijn? Is niet alle leven manifestatie, pretentie?

U bent geen marionet van hogere geesten, behalve van uw eigen geest. Andere geesten kunnen niet zonder uw medewerking u onmiddellijk beïnvloeden, doch wel uw milieu, uw omstandigheden. Wat u als werkelijkheid erkent, is illusie, grotendeels dus inderdaad pretentie. Dit echter niet omdat het niet feitelijk kan bestaan of bestaat, maar omdat u het zodanig eenzijdig erkent en interpreteert dat een groot deel van het bestaande niet wordt beseft en het besefte hierdoor in wezen tot een soort onwaarheid wordt.

  • Als iemand in het spel der pretenties is verward en niet meer mee wil spelen, wat kan hij dan doen?

Wees volledig eerlijk tegenover jezelf. Vraag je af wat je werkelijk bent, zou willen zien, beleven enz. Doe dit dan.

Hierdoor ontstaat een nieuwe relatie tussen u en de buitenwereld. Want het grootste deel van de waan, de pretentie, komt voort uit uw onvermogen en onwil om uw werkelijke wezen en de ware betekenis daarvan te erkennen.

  • Impliceert erkenning van alles, hetgeen waarmee men in harmonie is, ook bij misstanden…?

Misstanden worden als zodanig beseft, indien men er niet waarlijk mee harmonisch is. Is begrip voor de werkelijke waarde aanwezig, dan zal veel van hetgeen door anderen nog als misstand wordt gezien, voor u zinvol zijn, daar u de mogelijkheden en waarden daarin beseft, zodat het voor u positief wordt.

  • Zal men in de geest geen leed meer kennen, wanneer men daarmee niet harmonisch is?

Leed is de interpretatie, eerder dan het feit. Het lijden wordt zinvol, daardoor heeft het positieve waarde en wordt niet meer als leed beseft. De feiten of wetten veranderen dus niet voor u, maar de betekenis, die de dingen voor mij hebben, wordt een andere. Voor een kind dat de eerste dag naar school moet, kan dit een lijden, een zeer tragisch gebeuren zijn. Toch zullen de ouders blij zijn dat het kind naar school kan gaan, omdat zij weten dat het alleen zo zal leren wat het nodig heeft, het leed van het kind verzinkt hierbij in het niet.

  • Hoe kan men naastenliefde combineren met het recht dat eenieder heeft om desnoods eigen leven grondig te verknoeien? Voert dit niet tot onverschilligheid inzake het levenslot van de medemens? Wij mogen niemand dwingen.

Neen. Het is alleen het einde van de bedilzucht. Wanneer je een mens wilt dwingen om fouten te voorkomen, belet je hem zich te realiseren dat hetgeen hij wil, fout is. Hierdoor maak je het hem onmogelijk later geestelijk of in dit leven beter en juister te reageren. Hoe meer je iemand belet om – wat u noemt – zijn leven te verknoeien, hoe minder u hem in feite liefheeft, daar u hem de kans niet gunt zelf tot een juister besef omtrent het leven te komen, en hoe meer u uzelf overschat door aan te nemen dat u wel weet wat voor die ander de juiste weg is.

Indien u uw naaste liefhebt en hij zit eenmaal in de perikelen, dan zult u niet zeggen: “eigen schuld”, maar trachten hem te helpen zonder daaraan voorwaarden te verbinden. U geeft hem de kracht om verder gaan, het inzicht dat hij nodig heeft, zover hij dit wil aanvaarden. De ware naastenliefde is niet: iedereen genezen die volgens u ziek is, maar hulp verlenen aan eenieder die tot u komt en zegt: genees mij. Dezen helpen naar beste vermogen, zonder voorwaarden of voorbehoud, is de ware naastenliefde. Ook Jezus genas niet alle zieken die Hij trof op zijn weg, maar alleen degenen, die tot hem kwamen in geloof en aanvaarding, dus mensen die een nieuwe waarde en mogelijkheid in hun leven wilden accepteren!

Ik meen niet dat u het recht hebt om medemensen datgene wat u juist voor hen acht op te dringen, omdat het volgens u goed voor hen zou zijn. Hierdoor maakt u immers de hele wereld een eigen werkelijke, geestelijke en stoffelijke ontwikkeling volgens eigen vermogen op de duur onmogelijk.

  • Leven is onvervangbaar en heilig. Moet men zich dan dadeloos stellen tegenover degenen die willen doden, willen aanvallen?

Dit leven is in uw ogen kostbaar en daarom vanuit uw standpunt ook heilig te achten. Het is slechts een fragment van het werkelijke leven.

Wanneer een moeder iemand doodt om haar kind te beschermen, kan haar reden misschien aanvaardbaar klinken, maar zij zal gedood hebben en daarmee dat gedaan hebben wat zij bij een ander wilde voorkomen. Het kind zelf zal beseffen dat omentwille van dit kind er gedood werd. Dit drukt een stempel op zijn reacties tegenover anderen en zal geweld bevorderen. Hierdoor komt meer onrecht in de wereld. Het leven is een zucht op de weg naar de eeuwigheid. Is het dan belangrijk jezelf met ketenen te beladen om die zucht iets langer te maken, terwijl je die ketenen een groot deel van de verdere weg moet dragen?

U ziet het anders en wilt van mij graag horen dat u recht hebt u te verdedigen. U hebt geen werkelijk recht om u te verdedigen. Het feit dat men geweld met geweld bestrijdt, doet steeds meer geweld ontstaan. De mens die het geweld wil bestrijden, zal eerst moeten beginnen zelf geen geweld te plegen, hoe pijnlijk dit ook moge zijn en hoeveel onaangename consequenties daaraan voor hem verbonden schijnen te zijn. Tot zijn verbazing zal hij overigens ontdekken dat het daarmee wel meevalt.

image_pdf