december 1969
De religies
Praktisch vanaf het eerste begin der mensheid tot heden toe hebben de godsdiensten en vooral de godsdienstige organisaties in de wereld en in de maatschappij een heel grote rol gespeeld. Daarbij is eigenlijk aanvankelijk de functie van de religie een veel meer praktische dan men zich tegenwoordig kan voorstellen. Niet alleen is de religie dank zij het zegel der goden en alle andere wonderen die er gebeuren (pseudo of echt) de vertegenwoordiger van de staat, de bewaarder van overleveringen, maar daarnaast zijn de religies eigenlijk instellingen, die voor een groot gedeelte buiten de directe economische, politieke, staatkundige verwikkelingen staan, waarmee de vorsten te kampen hebben. De oplossing was overigens – dat moet ik daar onmiddellijk bij zeggen – ook op burgerlijk terrein heel wat eenvoudiger dan tegenwoordig.
Tegenwoordig heb je een stuk of tien topconferenties nodig plus een besluit van de UNO. Vroeger trouwde je eenvoudig de dochter van je concurrent en dan zat de zaak verder in de familie. De godsdiensten hadden daardoor echter de mogelijkheid om de berichtgevingen in stand te houden, waardoor men in betrekkelijk korte tijd -gezien de vele steunpunten – belangrijke mededelingen kon overbrengen over betrekkelijk uitgestrekte gebieden. Er zijn daarvoor voorbeelden te over van bepaalde religieuze organisaties.
Nemen we bv. de priesters van Amon, die één dag nadat er in Boven Egypte iets was gebeurd dat tot aan de monding van de Nijl wisten. Ze konden daardoor een sneller en juister beslissing mogelijk maken van het leger, van burgerlijke autoriteiten enz. Men wist dus dank zij de tempels veel meer.
Een ander punt dat niet verwaarloosd mag worden is wel, dat de godsdiensten in staat waren expedities uit te rusten. Dat klinkt op het ogenblik een beetje gek. Wanneer je dat zegt, denkt men onmiddellijk aan missie. Maar missie was niet het eerste doel. Het doel was de eredienst; de rijkdom van de tempels te vergroten en als het even kon attracties te vergaren, waaraan het volk zich zou kunnen verzadigen. Zo hebben Egyptische priesters expedities uitgestuurd, die kwamen tot Iberia (Spanje) en aan de andere kant zijn ze tot praktisch het Gangesbekken geweest. Zo ver kwamen deze karavanen-expedities.
Hierdoor waren ze eigenlijk mede bepalend voor de opzet van de handel. Vele grote handelswegen zijn feitelijk in de eerste plaats door religieuze groeperingen bepaald. In Duitsland (en Nederland lag daar zo’n klein beetje bij), Polen, verder naar het noorden en zelfs naar het zuiden toe tot in Italië zijn de handelswegen voor een groot gedeelte ontstaan onder invloed van de Druïden. Dat vergeet men wel eens. De rondtrekkende barden waren niet alleen maar mensen, die leringen brachten.
Zij waren ook voortdurend berichtgevers. Zij brachten elkaar berichten over en zo was de behoefte aan handel bv. snel bekend. Daardoor was het mogelijk om op het juiste moment langs de barnsteenweg grote zendingen barnsteen van de Oostzee tot in de buurt van het hedendaagse Siena te transporteren.
Deze oude godsdiensten hadden daarnaast natuurlijk een geloof. Maar ook dat geloof omvatte allerhande diensten. De priesters waren genezers, psychiaters, ze hadden allerlei procedures, ze verkochten kruiden maar ook schoonheidsmiddelen. Het vervaardigen van bepaalde soorten bier (we hadden ’t over Egypte) vond plaats in de tempel. Dit z.g. tempel- of Farao-bier werd zo hoog op prijs gesteld dat het niet eens in de gewone handel te krijgen was. Dat was alleen voor hooggeplaatste personen. Daaruit kunt u wel nagaan dat de godsdienst, ofschoon zeker ook een mogelijkheid voor de mens om het onbekende te verklaren, tevens een sterk vormende invloed heeft gekregen op zijn maatschappelijk leven.
Als je bv. de handel bepaalt, dan bepaal je daarmede niet alleen de welvaart maar ook het ontstaan van nederzettingen, de macht van bepaalde gebieden. Als je – met veel ritueel overigens – de plant- en poottijden voor de boer bepaalt en de tijd van de oogst, dan breng je daardoor een regelmaat tot stand, die weliswaar op ervaring is gebaseerd, maar die door deze religieuze achtergrond dus een gemeenschappelijk werken, een gemeenschappelijke registratie mogelijk maakt.
Als wij de oude godsdiensten bezien, dan kunnen we zeggen: Ach, die waren eigenlijk niet zo belangrijk voor het geloof. Er waren heel veel mensen, die niet geloofden wat de godsdienst predikte en toch waren ze vroom, omdat de mogelijkheden, die de godsdienst verschafte zo groot waren, dat je daarvoor dan allerlei ongeloofwaardigheden wel op de koop toe wilde nemen. Maar nu gaat de zaak langzaam maar zeker verder en krijgen we te maken met het christelijk geloof.
In het begin is het nog steeds een geloof dat mogelijkheden biedt. In de tijd van Constantijn is het een geloof, dat de onderlaag van de maatschappij, die tot nu toe bij de adel niets in te brengen had, de kans geeft om zich via, die godsdienst te laten gelden en om via de godsdienst deel te hebben aan bepaalde voorrechten. Zo kunnen we zeggen, dat in het Byzantijnse rijk de godsdienst nog wel degelijk een belangrijke sociale waarde heeft.
Daarnaast is ook het ingrijpen van voornamelijk kloosterlingen in het gouvernement en daardoor het ontstaan van een afzonderlijke ambtelijke structuur van belang. Daarna verwatert het eigenlijk.
De godsdienst is niet meer in de eerste plaats een organisatie, die vanuit zichzelf presteert. Zij krijgt meer en meer – vergeef mij de term -een wat oplichterig aspect. Men intrigeert. Maar de werkelijke waarde van de kerk ligt niet in de dienst, die zij aan de gemeenschap kan bewijzen; het ligt alleen aan de orde, die zij nog mogelijk maakt door het geloof.
Eerst was het geloof onbelangrijk en de dienst van de godsdienst aan de gemeenschap was de belangrijkste. Daarna wordt het geloof steeds belangrijker. En als we nu eens in – laten we zeggen – 800 of 1200 gaan kijken (het kan ook later zijn), dan treffen we alweer stukken aan als: “Geloven betekent kritiekloos aanvaarden.” (De vertaling is van mij en tamelijk modern.)
Met andere woorden: Als je iets gezegd wordt, moet je niet vragen of het waar is; je moet aannemen. Op deze manier krijg je dus iets anders. De kerk werd een instrument, dat door de machthebbers werd gehanteerd.
Er zullen mensen zijn, die daartegen in opstand komen en zeggen: Maar de kerk heeft ook veel goeds gedaan. Dat heeft ze ook. Maar ze was een instrument in de handen van de machthebbers. En wat ze daarnaast aan goeds tot stand heeft gebracht, is eigenlijk niet zozeer te danken aan de kerk als wel aan de geloofsmentaliteit van bepaalde groepen binnen die kerk.
In 1200, 1400, zelfs in 1600 nog vinden vele benoemingen van voorname personen plaats middels deze kerk. De kerk heeft macht. De kerk heeft in de periode tussen 800 en 1500 bv. de kroning van vorsten in de hand, omdat de mensen geloven dat het Gods zegen is, waardoor de monarch zijn rechten krijgt. Daar zou men natuurlijk wel vanaf kunnen, indien er niet zoveel gelovigen waren. De mensen willen alleen geloven aan iemand, die krachtens een goddelijke wet over hen kan regeren, omdat zijn regime in feite een zekere willekeur betekent.
En dat wil de mens wel van God aanvaarden, maar niet van de gewone mensen. De kerk kan dus op die manier de staat in de hand houden. We weten, dat zelfs nog in begin 1800, ja zelfs nog in 1900 de kerk intriges had. Ze had biechtvaders op de juiste plaatsen. Zij had haar eigen apostolisch-diplomatiek apparaat en dat maakt voor een groot gedeelte de orde uit. De kerken zijn mede verantwoordelijk voor een groot aantal oorlogen, die zijn gevoerd. Die oorlogen werden niet gevoerd om het geloof te beschermen, het geloof te verdedigen of het geloof te verkondigen, maar doodgewoon om bezitsuitbreiding te krijgen.
Het is natuurlijk vervelend als je dat zo moet horen. Vooral omdat de maatschappij langzaam maar zeker dat geloof weer heeft omgezet in een soort ambtelijk apparaat. En dat begint eigenlijk kort na de Reformatie. Vanaf die tijd is het voor de regeerders niet alleen belangrijk dat ze een christelijk gezag uitoefenen (en dan behoef je op de rest niet zo te letten), neen, het is belangrijk dat ze een apparaat hebben dat de goddelijke goedkeuring draagt. Dat apparaat heeft een continuïteit, die de vorst en zijn adel afzonderlijk niet hebben. Er ontstaat dus een ambtenarenstand, die voor een groot deel de kerkelijke wetten van toepassing verklaren en waarin – vooral in het begin – heel wat geestelijken zitting hebben, maar waarin de burgerinvloed steeds groter wordt.
Zo komt men dan tot omstreeks 1800, 1900; de periode waarin de kerk openlijk haar invloed grotendeels heeft laten varen. Er is nog wel een priester-staatsman, een dominee-politicus, maar dat zijn nevenverschijnselen. Naar voren geschoven worden burgers, mensen van de gemeenschap, die op grond van de z.g. christelijke beginselen en ook voor andere beginselen (dat is hier en elders gebeurd) uitmaken wat een ander wel en niet mag doen. Omdat het religieuze gezag onaantastbaar is (want het is Gods wet, nietwaar en daar kun je niet aan tornen) is het daardoor mogelijk de gehele ontwikkeling van de gemeenschap in alle aspecten zowel van onderricht als van sociale gradatie in het maatschappelijk geheel, de toepassing van wetten (de rechtspraak en dergelijke) in de hand te houden. Door een onaantastbaar beginsel te stellen maak je nl. kritiek onmogelijk. En dat heeft geduurd tot de Tweede Wereldoorlog. In die periode waren er al mensen, die zeiden: We kunnen het met de kerk niet eens zijn.
Maar dan moesten ze revolteren en een totaal nieuw staatsbeeld instellen, zoals dat in 1915 in Rusland gebeurde. Je kon Godloochenaar zijn (er waren mensen, die geloofden niet meer in God), maar je kon je niet onttrekken aan de christelijke achtergrond van de maatschappij. Dat is tegenwoordig nog zo.
Als je de mensen vraagt, waarom zij tegen bv. geboortebeperking zijn, dan blijkt dat er daarvoor geen reële gronden zijn. Het zijn emotionele argumenten, die worden aangehaald en het is een emotionele eenzijdigheid, waardoor men elk argument pro terzijde schuift. Want God geeft het leven en dan moet de mens dat maar aanvaarden. Dat zit er nog steeds achter.
Het denkbeeld van bv. de verwerpelijkheid der homofilie – hoe u daar verder over denkt is uw zaak – is in feite gebaseerd op de verwerping van dergelijke dingen, sodomie genoemd (ofschoon dat eigenlijk wat anders is), die al uit het joodse geloof (het Oude Testament) stammen. Er zijn dingen ten aanzien van het gedrag van de vrouw en de plaats van de vrouw, die – zeker tot aan de Eerste Wereldoorlog maar eigenlijk nog vele jaren daarna haar maatschappelijke positie hebben bepaald, omdat de vrouw nu eenmaal volgens de uitleggers van het geloof een soort tweederangs artikel is.
De vrouw is de meest zondige, want voordat zij Adam verleidde had zij zichzelf laten verleiden. Dus zij verleidde Adam als het ware in commissie van de duivel; waaruit wel blijkt dat ze vele duivelse aspecten heeft. Daarom moet je de vrouw onder de duim houden. Daarom kun je haar niet zonder meer beroepen op een kansel of stellen in een werkelijk verantwoordelijke positie. Dat gaat toch niet, bijbels gezien. Als de vrouwen dan eindelijk losbreken, dan is dat niet alleen tot ontzetting van de mannen. Sommigen vinden het eigenlijk wel aardig, dat die vrouwtjes nu ook eens voor zichzelf gaan zorgen, want met al die vapeurs en korsetten hadden zij ook zo’n prettig leven niet.
Die mannen moeten zich dus wel daartegen verzetten, omdat het tegen de religie is. En wie heeft de moed om tegen het religieuze principe in te gaan? Op het ogenblik wordt een groot gedeelte van hetgeen er in Nederland gebeurt nog steeds bepaald door de in wezen calvinistische opvatting omtrent de goddelijke orde, waaraan – laat de Paus het niet horen! – ook de kerk van Rome zelf nog sterk horig is. En daarmee zijn we eigenlijk op het punt, waarop we moeten terechtkomen – het is nu een klein historisch overzicht: Wat is er in feite met de religie aan de hand?
Zij is van een dienstverlenend orgaan langzaam maar zeker geworden tot ’n parasiterend, beheersend orgaan. Daarmee wil ik niets zeggen tegen godsdienstigheid, maar wel iets tegen een gezag, dat men toekent aan de godsdienst. Om u een voorbeeld te geven – ik blijf bij Nederland; u zult het voor de meeste landen net zo kunnen zeggen: Indien in Nederland alle onderwijs werd genormaliseerd, zou men geen bijzonder onderwijs van welke soort dan ook meer geven. Dan zou hierdoor alleen reeds een besparing op de kosten van onderwijs mogelijk zijn van ongeveer 20 tot 30 %. Verder zou in verhouding een groter aantal leraren beschikbaar zijn voor een gelijk aantal leerlingen, waardoor dus de klassen kleiner worden, omdat de super – kleine klasjes van de een of andere school met of zonder bijbel of kruisje dan kunnen worden aangevuld.
Ik wil nog niet eens spreken over de kwaliteitsverschillen in onderwijs, die eveneens vaak aanmerkelijk zijn. Het onderwijs door religieuzen blijkt uiteen te vallen in een zeer gedegen hoger onderwijs en een over het algemeen ietwat gebrekkig lager onderwijs. Nu hoeven we niet te zeggen: Er mag geen religieus schoolgaan zijn. Wij mogen zeggen: Het religeus element is een additie tot het sociaal noodzakelijke element. En daarom zou men eigenlijk scholen moeten hebben, waarin optioneel voor de ouders (niet voor de kinderen) enkele lesuren kunnen worden toegevoegd of anderszins bestemd voor een godsdienstige zaak. Dat is een van de vreemde aspecten. Maar er is nog iets anders.
De wraakzucht, die bij zeer velen nog een grote rol speelt ten aanzien van bv. de rechtspleging, is eveneens een “oog om oog, tand om tand” principe, dat eigenlijk uit het rechtzinnige geloof is voortgekomen. Een verschil maken tussen sociale orde en sociale verplichting is in deze dagen voor u niet goed mogelijk. Vroeger was het vanzelfsprekend, dat sociale orde, sociaal recht e.d. een en hetzelfde waren. Want de religie was nu eenmaal de bron van wetenschap maar ook van administratie.
De aanbidding van de Godheid was een nevenverschijnsel, waarvan de grote processie waarin goden van de ene tempel naar de andere werden gedragen en waarin de vereerders jubelend optrokken, eigenlijk niet eens zoveel verschilt van de Opening van de Staten-Generaal in Den Haag. Zeker, daar is wat veranderd, maar niet veel. Nu komen we op het punt, dat de mens een zodanige welvaart heeft gekregen dat geloof voor hem iets anders is geworden dan een oriëntatie in de sociale orde en de uiting van een gezagsverhouding.
Kijk eens: als je erge honger hebt, dan zul je zelfs diensten bewijzen aan degene, die je zo nu en dan een brokje afval geeft. Maar als je verzadigd bent, dan zeg je: Laat ze met hun rommel ergens anders heen gaan. Dat gebeurt ook geestelijk, als we te maken krijgen met mensen, die een beter inzicht hebben in wat er in de wereld gebeurt, die een zekere wetenschappelijke achtergrond hebben – hoe miniem die ook is.
Deze mensen zijn dan op een gegeven ogenblik ook tegen degenen, die op religieuze gronden eisen stellen in verweer en zeggen: Ja, hoor eens, je kunt mij nog meer vertellen! Daardoor heeft zich een vreemd verschijnsel voorgedaan. De nieuwe religie is eigenlijk geworden: De Staat. Vroeger was de religie de staat. Nu gaat men met dezelfde godsdienstige vorm de staat te lijf. De staat is de schenker van alles.
Eens was dat God. Tegenwoordig is het de staat. Voor de staat zijn we allen gelijk. Eens waren we allen gelijk voor God. En wat erger is:In de gelijkheid voor God was dan nog de verdienste bepalend voor datgene, wat je binnen het goddelijk rijk zou zijn. Maar in de staat is alleen de grote mond die je opzet bepalend voor het deel dat je van de gemeenschappelijke koek kunt krijgen. Dat maakt de zaak pijnlijk.
Als we horen dat – om een beetje actueel te zijn – kunstenaars zich verzetten tegen de contra-prestatieregeling, dan zeg ik dat ze volkomen gelijk hebben. Want een kunstenaar, die eerst zoveel kunstwerken moet presteren om daarvoor een minimum inkomen te krijgen, is geen kunstenaar meer; dat is een kunst knutsel-fabrikant. Maar aan de andere kant: Een kunstenaar, die alleen kunstenaar kan zijn door voortdurend ten koste van de gemeenschap te leven, zonder dat die gemeenschap hem de mogelijkheid geeft uit waardering voor hetgeen hij is, is niet veel meer dan een bedelaar. Die is geen kunstenaar; die is een soort artistieke afperser geworden. Daaruit zou je dan de conclusie moeten trekken: Het geloof aan de sociale gelijkheid voor de staat heeft gevoerd tot de eis van de kunstenaar: Wij werken voor onszelf, maar jullie betalen de kosten. Begrijpelijk! Iedereen vraagt tegenwoordig dat iedereen alles betaalt. Het is zelfs zover gekomen – als ik een kleine afwijking mag plegen – dat de politieke partijen, gezien hun afnemende inkomsten, als ik mij niet vergis, vrijdom van porto willen hebben. Want daar komt het op neer. Omdat zij zelf niet meer voldoende leden bij elkaar kunnen brengen om hun propaganda op die wijze te kunnen bekostigen, willen zij dus dat u betaalt voor hetgeen zij bij de PTT ter verzending afgeven. Wat dus tot de conclusie zou voeren dat deze mensen zich als priesters van het democratisch systeem beschouwen, die niet afhankelijk zijn van de waardering van degenen, die ze zeggen te representeren, maar die krachtens hun vertegenwoordigen van de democratie in den lande eenvoudig het goddelijk recht hebben om al hetgeen zij noodzakelijk achten te doen ten koste van een ieder. En dat is nu precies wat de priesters in de oudheid deden.
Dus, er is misschien wel iets veranderd, maar niet veel. Wat verandert is de mens, die vrij wil zijn, die zelf wil geloven. Maar dan zal er ook een ogenblik moeten komen, dat we de gehele religie op zij gooien.
Dan hebben we de kerken en de kerkdiensten niet meer nodig, omdat het geloof daarvoor de juiste oplossing als vanzelf biedt: We weten wat we kunnen doen. En daarvoor hebben wij geen kostbare gebouwen nodig. Het is geen organisatie. Onze wijze van leven is dan onze geloofsbelijdenis; niet meer het betalen van kerkbelasting of het huren van een vaste plaats in het een of ander gebouw ter bijwoning van erediensten.
De tendens in de oudheid was eigenlijk gericht van de wijsheid (de wijze mannen, die eigenlijk de eerste priesters en tovenaars zijn geweest) naar het gezag der wijsheid: De eerste pseudo-religieuze banden in de stammen en tussen de stammen. Van daaruit naar de godsdienst, waarin een God werd vereerd en een stad een bepaald staatsbelang vertegenwoordigde tot de unie der goden, die we misschien wel het mooist vinden in het Capitool. Als u weet, dat in het Capitool van Rome meer goden aanwezig waren dan senatoren, dan kunt u begrijpen waarom de zaak altijd zozeer misging.
De huidige zaak eist vereenvoudiging. Maar vereenvoudiging betekent niet het scheppen van een monolitisch religieus of sociaal principe dat alles overheerst. Het betekent juist het scheppen van een persoonlijke geloofsmogelijkheid, terwijl daarnaast het eigen leven en het eigen bestel wordt geleid vanuit het eigen erkennen van noodzaak. Geen gezag, maar noodzaak. Als iemand u duidelijk kan maken waarom het noodzakelijk is in Nederland nu verplichtingen aan te gaan voor meer dan een miljard guldens om vliegtuigen te hebben, die men over 2 à 3 jaar wil afdanken (in 1973 of 1974 geloof ik) dan moet u mij maar eens vertellen: Waarom? En als u het daar niet mee eens bent, als u dit onnozel of verspilling acht of dwaasheid, waarom laat u zich dan overtuigen dat het landsbelang dit eist? Omdat het landsbelang een onaantastbare term is? Zoals “de uitspraak der goden” eens een onaantastbare term was.
Eigenlijk zou u daarboven uitgegroeid moeten zijn. Maar ja, we weten precies hoe dat gaat. Toen de godsdiensten langzaam maar zeker aan aanhang begonnen te verliezen – en dat gebeurt elke keer weer – zien we dat ze scholen gaan stichten. Dat is heel eigenaardig. Naarmate dus de feitelijke invloed van een godsdienst schijnt te verminderen, sticht ze meer scholen om haar invloed te herwinnen en dat lukt heel aardig. Denk nu eens aan de Atonverering, die dank zij de priesters van Amon en Re en de scholing, die zij in de grote steden plotseling aan de burgers begonnen te geven op een heel eenvoudige wijze eigenlijk via zeer onnette intriges kon worden beëindigd Maar er was niemand, die terugzocht naar Aton, want er was onderricht.
Er zijn tegenwoordig ook landen (Rusland, de Ver. Staten) waar het onderricht mede gebaseerd is op het verkondigen van de belangrijkheid, de grootheid van het vaderland. Kijk, of je nu zegt God of Vaderland, beide zijn in feite even irreëel. Ze kunnen in jezelf bestaan, maar ze te zien als een concrete macht of verplichting buiten je, dat is dwaas. Vaderland ontstaat, indien zoveel mensen gezamenlijk een land ervaren als het hunne, het ware, dat zij hun hele leven daaraan wijden. Niet wanneer iemand beweert dat anderen voor dit vaderland moeten sterven.
Ik zou willen opmerken, dat bij een werkelijke vaderlandsliefde degene, die strijdt voor het vaderland dit persoonlijk doet. Degenen, die het vaderland het meest heten lief te hebben, zijn zij, die zich op veilige plaatsen weten te bergen, zodat anderen hun strijd voor hen kunnen uitvechten. En als die anderen daarin weinig lust hebben, dan worden ze beschuldigd van een tekort aan vaderlandsliefde. Zoals men in het verleden alle zonden goed vond voor de adel, maar ze moesten wel regelmatig en trouw ter kerke gaan. Deden ze dat niet, dan was dat zonde, verraad aan de godsdienst enz.
Kijk, dat is onredelijk. Wanneer dit onredelijk sociaal bestel, dat langzaam maar zeker bezig is de plaats, de betekenis van de godsdienst over te nemen, zich verder ontwikkelt en daarmee tevens een gebrek aan belangstelling bij de menigte gaat toenemen – want dat is haast onvermijdelijk – dan zullen we zien dat zelfs de meest democratische landen een zeer eenzijdige scholing gaan beginnen, waarin het heilig-zijn van bepaalde principes wordt verkondigd. Principes, die niet leven in de mensen en waarvoor ze eigenlijk niets terug krijgen, maar waarvoor ze alleen moeten betalen.
Mijn betoog van vandaag probeert iets duidelijk te maken. De godsdienst van het verleden gaf tenminste nog iets voor hetgeen zij vroeg. De godsdiensten en pseudo-godsdiensten van vandaag geven niets; zij eisen alleen maar. De dienst der goden, oorspronkelijk dienend en raadgevend begonnen, werd al heel snel een gezagsapparaat. Het gezag is nog gebleven; het andere dreigt te vergaan.
Maar de mens moet verder groeien. Een religie heb je misschien niet nodig, maar een geloof wel. Want in een wereld waarin je wordt overspoeld door minder aangename gebeurtenissen, in een wereld waarin je zelf nog niet bewust bent van een voortbestaan na de dood en al wat eraan vast zit, moet je wel zoeken naar iets wat zin geeft aan het leven. En in heel veel gevallen is een geloof een noodzaak om tot een aanvaarding van het bestaande leven te komen. Maar een dergelijk geloof zou vrij kunnen zijn, zoals het leven in een staat veel vrijer zou kunnen zijn. Een kerk als zedenmeester verdrijft gelovigen.
Een staat als zedenmeester verliest het respect van haar onderdanen en wel naarmate de onderdanen bewuster worden, naarmate de gelovigen beter begrijpen wat er van hen wordt gevergd. De toekomst zou dus moeten zijn: Een religie van mensen, die een geloof hebben dat ze met elkaar delen. Daaraan geen wetten verbinden, anders dan de wetten, die de mensen innerlijk als de juiste ervaren; wetten, die ze ook niemand anders opleggen. Een samen komen en samenwerken in een zo groot mogelijke vrijheid.
Ik zie een dergelijke ontwikkeling in de toekomst wel degelijk. Niet alleen maar een vrij geloven, een vrijer leven. Neen, ik zie een ommekeer in de menselijke mentaliteit. Zolang je een God hebt en een kerk, die in feite verantwoordelijk zijn voor alle dingen, zolang je een staat hebt, die je voor alles verantwoordelijk kunt stellen, is het zo gemakkelijk weg te lopen voor je eigen verplichtingen en de consequenties. Maar als je begrijpt dat staat, dat kerk eigenlijk niets anders zijn dan een kader, waarin je met je persoonlijke aansprakelijkheden en mogelijkheden leeft volgens hetgeen je innerlijk als juist voelt, dan kom je aan een minimum regeling toe, waarbij een maximum aan samenwerking en contact op elk terrein is toegestaan en wordt bereikt.
Dat is volgens mij hetgeen u in de komende 20 à 30 jaren al zeer sterk tot stand zult zien komen. De opstandelingen van vandaag weten nog niet precies wat ze doen. Maar als ze de consequenties van hun opstandigheid ondergaande deze aanvaarden, omdat hun vrije, innerlijke beleving hen boven alles gaat, dan zullen ze daardoor de bewuste kern vormen voor een nieuw denken en een nieuw geloof. En dan zal er een wereld zijn, waarin de religie op hetzelfde niveau komt te staan als de folklore: Een dierbare overlevering, waarmede men zich nog gaarne bezighoudt. Misschien ergens verklarend wat er nu is, maar zeker niet bepalend wat er morgen zal zijn.
Schuldbesef en zonde
Ofschoon deze titel doet denken aan Dostojewski, meen ik toch dat we het schuldbesef moeten zien als iets wat in 9 van de 10 gevallen de mens wordt aangepraat door zijn omgeving.
Wanneer zijn omgeving een bepaald gedrag niet gaarne ziet, zal ze al heel snel daarvoor een afkeurende uitlating vinden en in 9 van de 10 gevallen zeggen dat het zonde is. Overigens moeten wij daarbij wel rekening houden met het feit, dat de meest vooruit strevenden onder de mensen altijd zeggen, dat zonde de gemiste kans is. Anderen beweren dat zonde datgene is, wat je niet meer kunt doen. En daarmee zijn de theologische principes – geloof ik – al aardig in de war gebracht.
Waarom denken wij dat iets zonde is? Omdat we aannemen, dat er een goddelijke wet bestaat en dat deze goddelijke wet ons een zodanige vrijheid laat, dat wij handelingen kunnen plegen als mens of als geest, die ingaan tegen het directe belang, de directe wensen, de directe voorschriften van God.
Nu zijn daarover natuurlijk bepaalde vragen te stellen. Men beweert bv.: Gulzigheid is zonde. Daarmee kan ik het tot op zekere hoogte eens zijn. Omdat de mens, die te gulzig is, zich dood eet. En dat is zonde van het voedsel en misschien ook van de mens. Men zegt, dat ijdelheid een grote zonde is. Nu geloof ik inderdaad, dat ijdelheid ergernis geeft aan anderen, vooral indien zij zelf geen enkele reden tot ijdelheid hebben.
Maar als we het schuldbesef nu aanmoedigen alleen maar omdat iets niet past in onze opvattingen van wenselijkheden, dan zijn we toch – geloof ik zelf schuldig. Want elke beperking van de mens in zijn mogelijkheden, wetten en werkingen is in feite een schuld op je laden. Een schuld, omdat je aansprakelijk bent voor al datgene, wat je een ander aandoet door hem te beletten volgens zijn eigen beste besef en acties te handelen.
De zonde is hierbij ongetwijfeld een goddelijke zegening door sommigen schijnbaar ook als zodanig ervaren, die de goddelijke wet uitdrukt en waaraan we ons in een direct verzet tegen God schuldig maken.
Nu vraag ik mij maar af: Wat is het voor een God, als Hij de mens met allerhande mogelijkheden en middelen voorziet om hem daarna te zeggen, dat hij ze niet mag gebruiken? Iemand, die een klein kind in een snoepwinkel zet en zegt dat het nergens mag aankomen, is volgens mij heel wat schuldiger en zondiger dan het kind, indien het deze regel overtreedt. Laat ons eerlijk zijn: Al datgene wat voor de mens aangenaam is, is in de loop der tijden wel zonde genoemd, zodat men zelfs zover komt dat men het aangename en het zondige als één en hetzelfde is gaan beschouwen. Wat naar mijn innigste overtuiging dan ook een volkomen nieuwe interpretatie mogelijk maakt voor het begrip zonde.
Degenen, die dus de zonde willen verdoemen, willen het aangename uit de wereld van de mensen weghalen. God zal dat ongetwijfeld niet willen, want anders zou Hij de wereld nog wel beroerder hebben gemaakt dan de mensen met heel veel moeite tenslotte tot stand hebben weten te brengen. Dus de zonde is een vergrijp tegen de denkwijze der mensen.
Maar waarom voelen dan zoveel mensen, die eigenlijk alleen maar tegen de opvattingen van de mensen hebben gezondigd, zich later zo schuldig? Waar komt dat schuldbesef vandaan? Laat ons eerlijk zijn: Dat wordt je aangepraat. Het is alsof je zegt: Wanneer je over de donkere zolder gaat en je doet die deur open – denk erom: Het mag niet – maar als je het toch doet, dan komt er een heel boze man met horentjes en met rode ogen kwispelstaartend naar buiten stormen. Hij grijpt je bij je nekvel of waar hij je anders te pakken kan krijgen en hij zal je zo zwaar laten betalen met de eeuwige verdoemenis, dat je er werkelijk spijt van zult hebben. Nu is die zwarte man er niet. En die hele aangelegenheid van branden etc. is ongetwijfeld iets wat werd uitgevonden, voordat de reclame voor het aardgas ontstond. Maar…. het zou waar kunnen zijn, nietwaar? Driekwart van het schuldbesef komt voort uit verzet tegen of angst voor de kosten van het genotene. En als u zo redeneert, dan blijft ook van het schuldbesef en van zonde eigenlijk maar heel weinig over. Het is allemaal te herleiden tot de mens zelf en tot de mens met zijn eigen behoefte tot leven.
Wat zijn zo de menselijke behoeften? In de eerste plaats: Zekerheid. Iemand, die zekerheid zoekt is niet zondig, omdat hij die zekerheid altijd zou zoeken in de waardering en bescherming van zijn omgeving. Dat hij daarbij velen onrecht aandoet, is niet zondig. Vandaar dat je als zakenman heel rustig iedereen in het faillissement kan jagen, desnoods tot zelfmoord, mits je het maar doet op een fatsoenlijke manier, want dan ben je helemaal niet zondig en niet schuldig. Je voelt je ook helemaal niet schuldig, want dat die ander failliet is gegaan is zijn eigen stomme schuld; dan had hij maar zo handig moeten zijn als jij was. Maar op het ogenblik, dat het dingen betreft, waarop een taboe rust, blijkt plotseling de zonde en het schuldbesef enorme afmetingen aan te nemen.
Een van die punten is – tenminste de laatste paar eeuwen – de seksualiteit. Vermoedelijk is dit ontstaan uit het feit, dat de mens de seksualiteit is gaan begrijpen als iets, wat voornamelijk in de natuur de voortplanting mede ten doel heeft. Het resultaat is, dat men zich onmiddellijk met de natuur heeft willen vereenzelvigen en daarbij alle natuurlijke instincten onderschikt heeft willen maken aan het eindproduct.
Dit was echter voor die tijd zeker niet het geval. Er zijn perioden geweest, waarin het eigenlijk als zondig werd beschouwd, indien iemand van seksualiteit niets wilde weten. Dan kon hij of een grote schoft zijn of een grote heilige; maar als heilige moest hij zo nu en dan toch nog wel eens knipogen. Ik geloof trouwens dat vele mensen alleen heilig zijn geworden, omdat degenen die over hun heiligheid hebben geoordeeld ook een oogje hebben dichtgeknepen.
Nu kom ik met een paar diepzinnigheden aandragen, die ongetwijfeld in het kader van deze lezing wat vreemd naar voren steken. Maar je moet proberen een praktische waarheid te benaderen en als je dat doet, moet je wonderen doen.
- Als u schuldgevoelens heeft, moet u zich eens afvragen: Waarom? In 9 van de 10 gevallen omdat u meent een ander onrecht te hebben aangedaan en dat u daarvoor wel eens een rekening gepresenteerd kunt krijgen.
- Als u het gevoel heeft, dat bepaalde dingen bij anderen zondig zijn, dan moet u zich eens afvragen: Waarom u er zoveel aandacht aan besteedt? Ik ken mensen, die de pornografie zo intens bestrijden, dat ze van elk pornografisch geschrift volledig kennis willen nemen om het ter dege te kunnen verdoemen.
- U moet zich afvragen, of de hele maatschappij niet is gebaseerd op een onderling bedrog, waarbij uiterlijke normen worden aangenomen waaraan niemand zich in feite werkelijk houdt. Indien u meent, dat ik gelijk heb met deze constatering, dan zoudt u zich moeten afvragen: Waarom u zich dan schuldig voelt, als u openlijk tegen de normen in gaat.
- Ik zou me willen afvragen: Kan God een wet stellen, waardoor Hij de mens beperkt, terwijl Hij gelijktijdig de mens de middelen geeft die beperking te overschrijden? Indien die God een almachtige en algoede God is, een zeer rechtvaardige God bovendien, dan zal Hij er zeker niet toe overgaan om mensen, die in Zijn ogen dan toch kinderen zijn, de middelen te geven, waarmee ze de oudere en wijzere God kunnen schaden en bedreigen?
Dan heb ik in dit verband nog een paar opmerkingen omtrent de duivel. Ik moet zeggen: De duivel is mij in zekere zin sympathiek. Niet omdat hij de macht van het kwade vertegenwoordigt, maar omdat hij echt in het verdomboekje staat en overal de schuld van krijgt. Want het is de duivel, die alle slechte dingen tot stand brengt.
God heeft Adam gemaakt – ik neem aan volledig – en daarna Eva. Evenzeer volledig met inbegrip van verschillen, die volgens sommige moraal-theologen wel de aanleiding zullen zijn geweest tot de eerste zondeval. Dat zal een smak geweest zijn! Het is deze God, die de wetten voor de mensheid heeft gesteld en die tegen dat eerste paar moet hebben gezegd: Gaat heen en vermenigvuldigt u!
Nu kan ik begrijpen, dat sommige mensen menen dat vermenigvuldigen het enig juiste in de rekenkunde is. Maar als je het volgens de rekenmachine bekijkt, is het eigenlijk alleen maar een kwestie van optellen en aftrekken. Dientengevolge meen ik, dat God met de opdracht “gaat heen en vermenigvuldigt u” hun ook de opdracht heeft gegeven de andere mogelijkheden mede te overwegen. Vooral omdat we later horen, dat de mensen vaak verdeeld waren; zelfs verdeeld tegen de wil Gods. Hierbij is een zo totaal mathematische opzet tot stand gebracht, dat we moeten aannemen dat deze mathematica zelve van goddelijke oorsprong is. Ik vind het dan ook absoluut onredelijk om aan God het vermenigvuldigen toe te kennen en de rest aan de duivel.
Verder blijkt, dat de duivel voortdurend bezig is om onze zieltjes te winnen. Ik heb medelijden met die arme duivel! Want de mensen zijn hem meestal voor. Hij moet de mens tot zonde verleiden. En als ik het goed heb, zijn het de mensen, die hem voortdurend met nieuwe variaties confronteren. Hij zal zich moeten voelen als een handelsreiziger met een assortiment dat voortdurend ouderwets blijkt.
Als we dan die duivel verder bezien, dan blijkt hij kennelijk overal ter plaatse te zijn. Hij bezit een soort alomtegenwoordigheid, zoals we die van God moeten verwachten. Hij bezit daarnaast natuurlijk een uitmonstering, die ietwat verschillend is. Zijn baard is zwart als de pest. Hij bezit horentjes. Niemand weet wie hem die heeft opgezet. Ik hoor nl. niet dat hij getrouwd is, maar goed. Hij heeft horentjes, hij heeft bokspoten. En zo raast hij misvormd door leven en sferen.
Ik heb medelijden met de duivel. Dat wil zeggen: Ik zou medelijden met hem hebben, indien hij werkelijk bestond. Maar nu heb ik medelijden met de mensen, omdat sommigen de duivel hebben uitgevonden om alle andere mensen de duvel in te jagen. En dat, mijne vrienden, vind ik een ontzettend vervelend iets.
Indien er zonde is, wordt ze door de mens geproduceerd. Want het schuldbesef, waarmee we worstelen, zullen we zeker ook in de sferen kennen. Dat laat je niet achter op aarde. Dat schuldbesef is in 9 van de 10 gevallen niet reëel. Het gaat niet om een werkelijke schuld, maar alleen om iets wat je door anderen is opgelegd en aangepraat. De anderen zijn dan verantwoordelijk voor de ellende, die je had in je leven en in het hiernamaals. Ik vind het een wat bedenkelijke zaak.
En dan al die zondigheden. De zondigheden, die ons heiligen bezorgen die slechter zijn dan menigeen, die ter helle moet varen. Natuurlijk, we kunnen zeggen dat er goede heiligen zijn, zoals de goede Sint. Maar zodra blijkt, dat ze voor de mensen te goed zijn, mogen ze niet meer heilig zijn. Dan worden ze verwezen naar datgene, wat alle heiligen in feite zijn: Legenden.
De zondaars daarentegen zijn voortdurend reëel. Zij zijn voortdurend met de mens. God grijpt in, zo wordt ons verteld, maar Hij doet dat veiligheidshalve als niemand kijkt. Je kunt God loochenen, maar er komt geen bliksemstraal uit de hemel dalen om je in een gasvormig wolkje te vervoeren naar een verdienstelijk warm verblijf in een eeuwig duister. God bemoeit zich niet met de mensen; tenminste niet de God, waarover de mensen praten. En de duivel? Ach, de duivel krijgt alleen maar de schuld voor hetgeen de mensen doen.
Natuurlijk, het is tegenwoordig geen mode meer. Ik heb Minister de Blok nog niet horen beweren, dat het de duivel is, die schuld is aan zijn vergissingen. Vermoedelijk zal hij aannemen, dat dit de fouten van de PvdA zijn geweest of iets dergelijks, die hem hebben geleid tot de noodzaak deze vergissingen te maken. Maar dat komt op hetzelfde neer. De duivel en God zijn één en dezelfde.
De mens leeft in een totaliteit. De wetten van de totaliteit voelt hij in zich. Deze wetten kan hij niet overschrijden zonder zichzelf onmiddellijk daarvoor te straffen. De psychologie geeft mij hierin gelijk.
En als de psychologen kunnen aantonen dat een mens, die werkelijk volgens eigen besef een schuld op zich laadt, de neiging heeft zichzelf daarvoor te bestraffen, dan kunnen we ons alleen maar erover verwonderen dat zo velen voortdurend succesvol leven ondanks de schulden en zonden, die aan anderen worden toegekend. Misschien komt dat wel, omdat zij te wijs waren om zich een schuldbesef te laten aanpraten, dat hun leven vergalt en verteert.
Het is een heel verhaal, dat ik u hier vertel. Als ik alles moet samenvatten, dan kan ik dat kort en krachtig doen: De enige werkelijke duive1 die bestaat is een mens, die de chimaera van anderen gebruikt om hen daardoor te kunnen regeren.
De enige ware God die bestaat is de levende kracht, die in ons allen gelijk aanwezig is, waaruit we leven en krachtens welke aanwezigheid wij in onszelf het onderscheid kennen tussen hetgeen voor ons goed en voor ons kwaad is. Al het andere is kletspraat. Maar die kletspraatjes regeren de wereld.
Laten we dan één ding hopen: Dat de mensen, die tegenwoordig zelf zoveel kletspraatjes vervaardigen, hierdoor dergelijke kletspraatjes zullen overstemmen, opdat de mens zichzelf kan hervinden en leven volgens datgene, wat hij in wezen en volgens de natuur is. Niet meer gedwongen door een vreemd schuldbesef, niet meer gejaagd door de angst voor zondigheid, maar eenvoudig zichzelf zijnde in het besef van de God. Die in hem woont.
Ik tracht mijn eigen zondigheid te verhullen in de deugdzaamheid der woorden en wens u hierbij een prettige tijd in de decembermaand met meneer Klaas, de Kerstman, de kalkoen en als het even kan ook buiten het burgerlijk fatsoen met de Christusgeest. De Christusgeest, het enige dat werkelijk is van alles, wat u viert in deze decembermaand.
Het zij zo (Henri)
Ik heb aanvaard wat is. Ik heb me neergelegd bij al wat ik niet kan beheersen, eerst dan weet ik wat ik zelf kan doen, kan zijn. Waar ik in verzet tegen de wereld, tegen de kosmos, tegen mijn God en tegen de mens voortdurend tracht de grenzen van het mogelijke te verschuiven, misluk ik. Maar waar ik leer te aanvaarden wat onvermijdelijk is, mijzelf zijnde zo goed het mij mogelijk is, daar wordt mij toch een werkelijkheid gegeven, waarin zich dank zij de aanvaarding het “ik” zich wel goed laat leven; waarin de geest niet inslaapt, verduft, versuft door het niet-gebeuren en de onderdrukking van het zijn en toch de pijn van een mij verscheurend wereldgebeuren terzijde wordt geschoven. Het zij zo!
Een kind wordt in een nacht geboren en zal later sterven aan een kruis. Het zij zo. Wij kunnen niet veranderen wat is neergelegd in de kosmos. Wij zijn geboren in een wereld of een sfeer. Wij gaan onze paden en wij moeten problemen oplossen. Het zij zo. We kunnen het niet veranderen. Maar wij kunnen wel degelijk bepalen, hoe wij die problemen benaderen. Hoe voor ons de belangrijkheid wordt bepaald, wat onze taak en ons leven is op dit moment. En daar leggen wij ons niet neer bij de sleur der dagen, de terreur van tikkende minuten en de overstelpende vloed van eisen en vragen, die ons overspoelen. Daar zijn wij onszelf. Daar zoeken wij ons eigen zijn en wezen, de zin van eigen taak en leven te vinden. Daar vervullen wij onszelf. En zo de wereld ons daarom dan ooit ontkent of wel vernietigen wil, het zij zo; daarover hebben wij geen macht.
God heeft het Al tot stand gebracht. Het zij zo. Wij kunnen het niet veranderen. Hij heeft bepaald, dat mensen sterven. Het zij zo. Want het leven gaat toch voort. Hij heeft bepaald, dat wij de wijsheid moeten vinden door de strijd, door het lijden, door aanvaarding; niet door een stil aanvaarden van wat anderen ons zeggen. Het zij zo. De strijd zij ons gegeven. Wij vervullen ons wezen en vinden het bewustzijn dat ons verder brengt. En aan het einde der tijden, staat de oplossing van het raadsel “leven” voor ons neergeschreven. Geschreven op het eigen zijn en eigen wezen door de feiten, die we hebben doorgemaakt. Het zij zo. Dan is het raadsel opgelost. Dan weten wij wat wij zijn. En dan zeggen wij niet slechts neerslachtig: “Het zij zo,” maar: “slechts zo is het goed.” Want uit de aanvaarding van het onvermijdelijke en de voortdurende strijd van onze mogelijkheden, het voortdurend zoeken naar de vervulling van ons wezen, naar de ervaring die ons meer maakt, bereiken wij het ogenblik van een vreugdige aanvaarding van de enige werkelijkheid, die telt: De eeuwige werkelijkheid, waaruit we zijn voortgekomen, waartoe wij werden geboren en waarin wij ons oplossen als een toch nog bewust blijvend deel van een onbekende en voor ons onbegrensde totaliteit.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
