28 maart 1980
Schijn en werkelijkheid
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na.
Een onderwerp, waarover wij reeds meer hebben gesproken. Je zou het misschien als volgt het beste kunnen formuleren: De schijn is de verpakking die wij aan een werkelijkheid toevoegen welke wij niet kunnen aanvaarden. Daar komt het in feite op neer. Er is een werkelijkheid, maar in die werkelijkheid spelen wij een andere rol dan wij zouden willen spelen, bezitten wij andere capaciteiten dan wij voorgeven te bezitten en zouden wij dan ook heel andere dingen moeten doen dan die welke wij nu, vaak op zgn. ideële gronden, plegen te doen. Het resultaat is, dat wij een schijnwereld opbouwen. En wanneer je dit doet, moet voor jou alles daarmee ook in overeenstemming zijn, zodat je delen van de werkelijkheid in feite verwerpt.
Het zal u bekend zijn dat er mensen bestaan die bepaalde dingen gewoonweg niet zien. Zij zien ze in feite wel, maar het is of zij eenvoudig niet kunnen constateren dat zij er zijn. Er is sprake van een selectieve blindheid die voortkomt uit het feit dat de mensen sommige zaken niet verwachten waar zij zijn of zelfs menen dat zij er niet zouden mogen zijn en deze dus ook niet meer als bestaand constateren.
Wij kennen selectieve doofheid. Zelfs kinderen lijden daar steeds weer aan. Roep je: “snoepje” dan horen zij buitengewoon scherp, roep je in een gelijke situatie: “Jantje, binnenkomen” dan blijken zij opeens doof te zijn. Dit is zeker niet alleen onwil, maar komt mede voort uit een: wat ik niet wil horen, hoor ik niet, dat laat ik aan mij voorbijgaan. En het zal duidelijk zijn dat, zo wij op deze wijze delen van de werkelijkheid over het hoofd gaan zien, wij terecht komen in een schijnwereld.
De werkelijkheid van het leven is bv. dat er werkelijk materie is, maar dan moet je ook erkennen dat die materie niets anders is dan een vorm van dezelfde energie, waaruit al het andere is voortgekomen. In de materie hebben wij inderdaad conflicten. Wat men echter vergeet is, dat het conflict en daarmee de verandering eigen is aan die materie. Wanneer je dus denkt dat je materie kunt hebben en gelijktijdig alle conflicten en veranderingen uitsluiten, ben je mogelijk wel orthodox of goedwillend, maar niet bepaald verstandig. Want je hebt je illusies dan in de plaats van de feiten gesteld.
Zie je naar het geheel, dan wordt duidelijk dat er geen feitelijke scheidingen bestaan tussen geestelijke en stoffelijke werelden. Dit als voorbeeld: de wereld van de geest beweegt zich gewoon door die van u heen. Zij bestaat daar gelijktijdig en op dezelfde plaats. Wil je deze toestand enigszins wetenschappelijk uitdrukken, dan kun je stellen dat er sprake is van een verschil in dimensie, waardoor je elkaar mogelijk kunt aanvoelen, maar alleen wanneer je zeer gevoelig bent voor tenminste een van die andere dimensies, elkaar kunt zien of benaderen. En dit geldt dan voor de geest zo goed als voor de mens.
Er zijn heel wat mensen die de werkelijke wereld van de geest met haar verschijnselen en ook soms op aarde kenbare invloeden niet wensen. Want deze doet hen te veel denken aan de wereld van de mensen. Men wil voor zich nu eenmaal graag een eeuwige zaligheid en wanneer het even kan een eeuwige verdoemenis voor al zijn vijanden. En dus bouwt men rond deze wens een geheel wereldbeeld, inclusief moraal en al wat u maar wilt, op. Dat wordt dan de basis van politiek, zakendoen, sociale samenleving, sociale contracten, Maar die basis is niet echt en dus zal al wat erop gebaseerd is al evenmin geheel kloppen met de werkelijkheid. De basis van de eeuwigheid ziet er nu eenmaal anders uit dan de mensen zich graag voorstellen.
Zouden zij de werkelijkheid van het geestelijke bestaan echter aanvaarden, dan zou ook hun eigen leven anders dienen te verlopen. Zij zouden bv. veel minder een beroep kunnen doen op de genade en zouden in alle dingen zelf meer actief moeten zijn. Zelfs zouden de mensen niet meer kunnen rekenen op hetgeen zij als rechtvaardigheid beschouwen, zeker niet in het hiernamaals.
De continuïteit is immers op de werkelijkheid gebaseerd en niet op de waan die je jezelf opbouwde. Daar de werkelijkheid voor een mens echter maar ten dele kenbaar is en bovendien geen menselijk stelbare regels schijnt te kennen, waarop geen uitzonderingen voorkomen, zou het onder elkaar ook moeilijk worden om voor het leven een vaste lijn aan te geven. De vaste lijnen die men in het mensenleven steeds weer hoort verdedigen zijn immers gebaseerd op een eenzijdigheid van visie, waardoor het resultaat, evenmin als de verkondigde levensvisie aan de werkelijkheid kan beantwoorden.
En de mens houdt zelfs illusies in stand waarvan hij weet dat zij slechts dit en niet meer zijn, zoals de steeds weer verkondigde illusie omtrent de eenheid van de EEG. Wanneer men reëel is, moet men eerder stellen dat het hier gaat om een aantal praatcolleges die een aantal staten geschapen hebben om op een aantal punten die voor henzelf voordelig zijn met anderen tot samenwerking te kunnen komen en de niet voordelige vormen van samenwerking ten koste van alles te beperken. Maar zoiets hoort men nergens. Er zijn ook mensen die uitgaan van het standpunt dat zodra er grenzen getrokken zijn, de mensen daarbinnen een natie vormen. Maar er zijn dan wel nazi’s voor nodig om een dergelijke “natie” bijeen te houden.
Het is een illusie, dat je door politieke beslissingen mensen kunt veranderen of door politieke leringen hun werkelijke gedrag uiteindelijk geheel kunt beheersen. Je kunt tegen een Bask wel zeggen, dat hij gezien de loop van grenzen een Spanjaard is, maar is en blijft hij niet allereerst en bovenal een Bask?
Zoals je de mensen wel steeds kunt voorhouden dat bv. negers en blanken geheel gelijk dienen te zijn, maar toch nooit het te zeer kenbare verschil weg kunt nemen daardoor. Je zou om werkelijke mogelijkheden tot samengaan te bereiken eerder waardering juist voor de verschillen moeten propageren en geen illusie van algehele gelijkwaardigheid en gelijkvormigheid, die door geen van de beide partijen geheel beleefd kan worden op een wijze, die ook voor de andere partij aanvaardbaar is.
Ik noem nu maar enkele problemen uit uw wereld waaruit duidelijk wordt, dat er wel een werkelijkheid bestaat, maar dat de mensen die werkelijkheid niet wensen te zien en dus niet kunnen zien zoals deze werkelijk bestaat.
Niet saillante punten zijn meestal bepalend voor de reacties van de mens, niet hoofdzaken. Een voorbeeld uit de zakenwereld: iemand maakte eens een uitstekend wasmiddel dat hij echter verpakte in grauw papier. Hij raakte zijn product aan de straatstenen niet kwijt. Een concurrent maakte een slecht wasmiddel, dat hij echter voorzag van een verpakking met leuzen als schoner dan schoon, mooie dames met spierwitte was in de handen e.d. Deze man werd rijk, want hij raakte alles wat hij maar maken kon onmiddellijk kwijt.
De mensen beoordeelden immers hetgeen zij kochten niet aan de hand van proefondervindelijke resultaten, maar aan de hand van uiterlijkheden die niets ter zake deden en betaalden dus liever meer voor een minderwaardig product dan een goed product te kopen, waaraan geen enkele illusie of suggestie verbonden was.
Het is duidelijk dat je door een dergelijke wijze van reageren op de werkelijkheid en de werkelijke feiten een wereld verkrijgt, waarin werkelijkheid en illusie dermate dooreenlopen, dat je moet stellen, dat juist dit Maya, de grote begoocheling, moet zijn.
Wanneer ik probeer uw wereld vanuit mijn eigen standpunt te benaderen, zo weet ik dat veel van hetgeen voor mij waar is, voor u vanuit uw standpunt en wereldbeleving niet reëel kan zijn. Wat voor u belangrijk is, is het voor mij vaak niet. Vele dingen die ik wel zie, ziet u niet of wenst u anders te zien. Daarover behoef je je niet te verbazen of te ergeren. Ik overzie vele problemen van het zakendoen geheel anders dan u. Want voor u is zakendoen een respectabel iets, voor mij is het alleen een helaas onvermijdelijke sociale functie. Wat twee verschillende dingen zijn. Je kunt als mens nog wel beweren, dat jouw wijze van zakendoen een sociale functie heeft, maar daarmee kom je nog niet tot een wijze van handeldrijven, waardoor het inderdaad ook een verantwoorde sociale functie is. U zult dus mijn visie op zaken als niet werkelijk ervaren, ik zie uw wijze van zakendoen als iets, waarin de werkelijkheid en werkelijke waarden maar zeer beperkt een rol plegen te spelen.
Dat zijn van die dingen, waarmee je steeds weer te maken krijgt. Zoals ik er niets op tegen heb dat de mensen bv. heiligen vereren of bepaalde gebruiken in acht nemen. Vroeger zag je bv. wanneer het onweerde in vele streken de mensen door het huis gaan, wijwater sprenkelende door middel van een lang dood palmtakje. Men was er kennelijk van overtuigd dat, zolang men dit nu maar netjes deed, de bliksem niet in eigen huis zou kunnen slaan. Toch is bliksem een natuurkundig verschijnsel dat beantwoordt aan de toppen van lading in statische velden. Daar kun je met wijwater niets aan veranderen, want met wijwater kun je nu eenmaal geen statisch veld van waarde doen veranderen terwijl je er zelf in zit.
Vele mensen zie je allerhande gebruiken in stand houden die op zich geheel waardeloos zijn. Alleen maar omdat dit voor hen een geruststelling betekent, omdat zij daardoor het gevoel hebben iets te kunnen doen en zo aan een gevoel van machteloosheid ontkomen dat men anders alleen zou kunnen overwinnen door een geheel nieuw en ander inzicht te aanvaarden. Ik kan mij best voorstellen dat er mensen zijn, die bang zijn voor spoken en demonen. Zolang de mens zich niet realiseert, dat in hemzelf dezelfde kracht leeft, dat in hem dezelfde mogelijkheden bestaan die er in een spook of demon bestaan, zal hij er bang voor blijven ook.
Maar die angst overwinnen volgens de betekenis in werkelijkheid houdt dan in, dat hij vooral allereerst eens moet leren op zichzelf te vertrouwen en niet op hogere krachten of heilige symbolen alleen zijn hoop mag stellen. Dit kan die mens eenvoudig niet opbrengen en heeft daarom hier zoals in vele opzichten de schijn nodig om zich en zijn leven te kunnen aanvaarden.
De menselijke samenleving doet dan ook werkelijk denken aan een kermis: overal mooie façades, maar de tenten daarachter zijn vaak meer dan armoedig. Buiten de beste presentatie wat je binnen vindt, valt meestal tegen. Dit laatste bv. zouden de Surinamers over uw land ook kunnen zeggen, al denkt uzelf daarover natuurlijk heel anders.
Schijn is datgene, wat men nodig pleegt te hebben om voor zichzelf te kunnen rechtvaardigen dat men niet volgens de feiten handelt. En wanneer u dit eenmaal aanaardt, gaat u begrijpen wat die schijn in feite betekent. Schijn is alles, waardoor je je onttrekt aan innerlijk erkende consequenties van daden, voorbijgaat aan evidente feiten, samenhangen ontkent op grond van ideaal, geloof of illusie, om vooral een gevoel van meerwaardigheid te kunnen behouden op basis van een beperking van denken die je als een kostbaarheid pleegt te koesteren.
Bij dit alles zou u niet uit het oog moeten verliezen, dat Maya ondanks dit alles de moeder is van de Boeddha. Ofwel, om het anders te zeggen, dat juist uit de begoocheling de verlichte wordt geboren. Het is juist aan de begoocheling te danken dat je door het onverwachte steeds weer met jezelf wordt geconfronteerd. Wanneer je alleen maar de werkelijkheid beleeft en niet daarmee moet worstelen, zal je er nooit toe konen, die werkelijkheid geheel te leren kennen on ook jezelf zal je niet geheel kunnen leren kennen. De schijn is nodig om besef van de werkelijkheid tot stand te brengen. Dit geldt althans, zover ik na kan gaan, voor ons allen. Zonder de strijd, die uit de schijn voortvloeit, zouden wij waarschijnlijk de werkelijkheid steeds weer lijdzaam ondergaan, zonder haar ooit in haar wezen te leren beseffen.
Ik durf daarom te stellen dat, vanuit mijn standpunt en begrip uit, de schijn het geneesmiddel is dat je nodig hebt, wanneer je de werkelijkheid niet zonder meer wilt of kunt beseffen. Hieruit wordt ook duidelijk, waarom een geest steeds weer op aarde zal willen incarneren. Want in de stoffelijke wereld zijn de schijnvormen harder, minder plooibaar dan zij ooit in een geestelijke wereld zouden kunnen zijn.
Gelijktijdig zullen wij juist daardoor gedwongen worden stelling te nemen en uiteindelijk beseffen, wat een illusie is en wat niet. Alleen dan gaan wij begrijpen, dat je te maken hebt met de feiten en niet alleen met mooie stellingen Door ervaring leert men. Denk aan dokter Spock, die meende dat de tere kinderziel niet door slagen en straffen mocht worden beschadigd. Hij vergat daarbij een ding: dat de geest en het besef van het kind niet schuilen in het verdikte achtereinde van de ruggengraat, maar wel gevormd wordt door pijnlijke en aangename ervaringen. Hij heeft zijn fout helaas wel erg laat erkend, maar nu hij haar erkend heeft, is hij in zijn theorieën van dokter Spock tot dokter Spank geworden. Een dergelijke ommekeer in denkbeelden en praktijken kan alleen het gevolg zijn van een confrontatie met de werkelijkheid. Soortgelijke ontwikkelingen kunt u steeds weer eigen omgeving waarnemen.
Men heeft in uw land lange tijd de stelling gehuldigd dat je alleen maar voldoende begrip voor elkaar moet hebben en dat dan alles in orde zal komen. Zoals men stelde dat je vanuit dit begrip zelfs dient te aanvaarden dat je zelf steeds weer in een hoek wordt gedrongen. Maar steeds meer wordt duidelijk dat je met een dergelijke houding maar tot een bepaald punt kunt gaan. Dulding is aanvaardbaar op het ogenblik, dat zij voor het ik een mogelijkheid schept tot verrijking van het eigen bestaan. Zonder dit is zij zinloos, wordt het eigen bestaan hierdoor in steeds grotere mate geschaad, dan blijkt zij zelfs onaanvaardbaar te worden. Dit toegeven is erkennen dat men fout was. Vandaar in uw land de steeds weer zorgvuldig in standgehouden illusie dat men ruimdenkend is. Wanneer ergens op de wereld apen door de mensen vervolgd worden, kunnen ook zij naar uw land vluchten en daar verzekerd zijn van een huis, een baan en een inkomen, maar ondanks die schijnvertoning zullen zij nooit door allen als gelijkwaardig aanvaard worden. De werkelijkheid van dit ogenblik is, dat uw land het zich niet meer kan veroorloven mee te doen aan dergelijke schijnvertoningen. Waarbij bovendien kan worden opgemerkt dat dit asiel niet wezenlijk voor de betrokkenen een grote verbetering betekent, indien wij ook de geestelijke en emotionele aspecten meetellen.
Ten laatste wijs ik erop dat men door een dergelijke politiek nog langer te voeren, in feite in een land dat inderdaad nogal ruimdenkend was ten aanzien van andere nationaliteiten, een steeds groeiend chauvinisme kweekt dat ten gevolge heeft dat men niet alleen de vreemdelingen als minderwaardig gaat beschouwen, maar bovendien onderling steeds meer kliekjes vormt, die elkaar als minderwaardig gaan beschouwen en zo ook elkaar steeds meer gaan vervolgen en veroordelen.
U kunt menen dat dit geen reële benadering van de feiten is. Maar de werkelijkheid stelt dat in uw land op zeer korte termijn de werkloosheid waarover men steeds zo bezig is, zou kunnen dalen met rond 45% binnen twee jaren mits men bereid zou zijn, zijn eigen mensen duidelijk te maken dat je zonder werk zijnde, genoegen moet nemen met een bestaansminimum en gelijktijdig alle vreemdelingen die hier als gast werken en uiteindelijk naar eigen land terug hopen te keren, reeds nu een kaartje richting huis zou geven. De mensen zouden allen aan den lijve moeten ervaren dat je zonder werk mogelijk nog wel recht hebt op bestaan, maar dat je alleen door arbeid naast het naakte bestaan je ook enige luxe kunt verwerven. Dit doen zou echter betekenen dat men op zijn schreden zou moeten terugkeren. Dus doet men het niet en zit men met een overladen sociaal programma, een topzware begroting, een overbodig kostbare en omvangrijke ambtenarij en wat dies meer zij.
Het gaat hier om dermate ingewortelde illusies dat zelfs zij die deze als zodanig erkend hebben, de moed niet meer hebben, deze bij anderen te verstoren. Men zou de feiten moeten beschouwen: Wanneer u zgn. per maand 3000 gulden verdient, maar in feite slechts f 2200 in handen krijgt, dan is uw werkelijke inkomen f 2200. Want dit is het bedrag, waarover u zelf bestedingsbevoegdheid bezit, wanneer u dan u beroept op het feit, dat u met uw f 3000 meer verdient dan anderen. Trouwens, wat u verdient is hopelijk dan ook hetgeen u krijgt, ofschoon de samenhang tussen verdienen en ontvangen al even illusionair is als vele andere zaken. U hebt trouwens ook geen recht u te verzetten tegen de belasting en andere heffingen op uw bruto-inkomen, tenzij u tevens bereid bent afstand te doen van alles, wat wordt bekostigd met het deel van uw zgn. inkomen dat u niet zelf kunt besteden.
Met andere woorden: de problemen worden duidelijk, wanneer je die zelfs maar vanuit de beperkte menselijke werkelijkheid overziet. Maar dit betekent wel een aanvaarden van feiten. Je kunt daaraan door illusies tijdelijk ontkomen en bv. in deze dagen uitroepen dat er meer sociale zorg nodig is en dat men gelijktijdig meer wil verdienen en minder lasten betalen. Wie denkt dat dit haalbaar is, geeft zich over aan illusies en zijn handelingen zullen op schijn, niet op werkelijkheid gebaseerd zijn.
Voorbeelden van die schijn zijn regeringen, die zich druk maken over abortusvragen, alsof dit een gemeenschappelijke en niet een persoonlijke beslissing en verantwoording zou zijn. Maar ook de kreten van vakbonden die blijven uitroepen dat het wel niet goed gaat, maar dat eenieder desondanks best meer kan krijgen. Beide groepen menen vanuit eigen standpunt geheel gelijk te hebben, maar gaan zozeer uit van eigen eenzijdigheden en illusies dat zij steeds weer aan een deel van de feiten en zo aan de werkelijkheid voorbijgaan.
Laat mij trachten, de werkelijkheid enigszins te formuleren: er bestaan geen wezenlijke scheidingen tussen de zgn. werelden van de geest en de werelden van de stof. Scheidingen komen hier voort uit ons bewustzijn en zijn niet eigen aan die werelden op zich.
Ook de wereld waarin wij leven – zij deze geestelijk of materieel – zullen wij slechts een deel van de daarin werkelijk bestaande mogelijkheden en verschijnselen erkennen als werkelijkheid. De werkelijkheid kent geen verschillen en wordt daarom door ons steeds weer deels verworpen omdat zij ons een aantasting lijkt te zijn van onze persoonlijkheid en onze visie op de wereld. Daarbij geldt dat wij gemeenlijk bereid zijn alles op te offeren indien wij daardoor menen onze illusies in stand te kunnen houden.
Werkelijk is alleen datgene, wat onveranderlijk is, ook wanneer het in zijn uitingsvorm voortdurend verandert. Energie is waar, ongeacht of het rustende energie bv. energie van plaats is dan wel bv. elektrische energie. Energie is vermogen, vermogen is energie in een bepaalde vorm. Dat de werkelijkheid zich in verschillende vormen aan ons kan tonen betekent nog niet, dat haar wezen daardoor verandert. Energie is immers een mate van arbeidsvermogen, ontstaande uit een potentie die in materie, geest of kleinste delen is vastgelegd en onder bepaalde omstandigheden van vorm kan veranderen. Laat ons dan niet stellen, dat dit wel, dat niet kan, dat onze wetenschap alles weet – want wie dit stelt moge zich een wetenschapper noemen, hij weet niets van de werkelijke aard van wetenschap. Roep niet uit dat de mens door God is uitverkoren als enige en ware heerser over deze aarde. Ofschoon ik bereid ben te geloven, dat de God die vele mensen eren een God met een groot gevoel voor humor is: hij heeft niet alleen de mens geschapen naar men zegt, maar zou bovendien nog het Joodse volk tot zijn uitverkoren volk gemaakt hebben.
Redelijk gezien is het dwaas, de mens als top van de schepping te beschouwen, al is het alleen maar omdat steeds weer duidelijk wordt hoe groot de dwaasheden zijn, die mensen weten te begaan. De schijn van superioriteit is iets dat de mensen zichzelf aanmeten, mogelijk om hun afhankelijkheid van trucs en hulpmiddelen voor zichzelf te verbloemen. De werkelijkheid is wel, dat de mens op aarde een wezen is dat zich door bruutheid en gebruik van verstandelijk vermogen kan handhaven, ofschoon het qua lichamelijke vermogen de mindere is van bijna alle schepselen op aarde.
De vlo zou over alle verkeerswegen heen kunnen springen, wanneer hij zo groot was als een mens. Een kakkerlak zou lasten kunnen trekken, waar de mens treinen enz. voor nodig heeft en de jachtluipaard behaalt snelheden die het gebruik van bv. een auto overbodig maken. Wat maar voorbeelden zijn, enkele uit velen. Wanneer je geconfronteerd wordt met de werkelijkheid moet je ook toegeven dat je als mens probeert eigenschappen te verwerven door kunstmatige middelen, die je niet wezenlijk bezit, zodat je steeds meer van je hulpmiddelen afhankelijk dreigt te worden. En het zou zeker tot zelfkennis bijdragen, wanneer de mens eens eerlijk zou overdenken, waarom bepaalde technische bereikingen voor hem zo belangrijk schijnen te zijn.
Illusies bij de vleet. Denk eens aan de stellingen omtrent de groeiende economie, een van de mooiste schijnvertoningen die ooit zijn uitgevonden. Het betekent nl. dat je steeds meer produceert en dus steeds meer dient om te zetten en te verbruiken terwijl men zich niet meer afvraagt, of men uit het materiaal het beste maakt, of het product solide is, of hetgeen men gebruikt ook werkelijk voor eigen welzijn belangrijk of noodzakelijk is. Dit terwijl kennelijk al lang niemand zich meer afvraagt, of hetgeen omgezet wordt, werkelijk nog beantwoord aan zowel de belangen en eisen van de consument zowel als van de producent. Ik geef redelijke voorbeelden, die u zelf steeds weer na kunt gaan. Indien u dit eens doet, zult u met mij eens worden, dat wij de werkelijkheid eigenlijk niet ontlopen kunnen en juist daarom illusies opbouwen in de hoop, ons zo langer tegen de onvermijdelijke werkelijkheid te kunnen beschermen.
De relatie tussen mentale en geestelijke processen
Een mentaal proces kan het beste worden omschreven als een bio-elektrisch verschijnsel, gebaseerd op de selectieve doorlaatbaarheid van vergrote eiwitcellen. Deze cellen zijn als gevolg van eigenschapsveranderingen in staat, informatie te behouden en af te geven aan nabijgelegen cellen. Kort en goed: een mentaal proces is een proces, dat zich afspeelt in een biologische computer en waarbij de input wordt bepaald door geheugen plus van buiten komende signalen, terwijl de output bepaald wordt door een resultante van alle gewekte impulsen.
Dit zal gelden tenzij de computer tijdelijk ontregeld geraakt door opwinding e.d. waarbij bepaalde afscheidingen om verandering van combinaties tot stand brengen en zo een deel van de reeds vastgelegde ervarings- of geheugenwaarden tot stand brengen.
Geestelijk bewustzijn zou het beste kunnen worden omschreven als een in zich besloten veld met een zowel magnetische als statische lading waarbij concentratiepunten van statische lading zodanig gegroepeerd zijn dat daarmee veldvariaties in het geheel tot stand kunnen worden gebracht. Het geestelijk bewustzijn is dus energie.
Het geestelijk bewustzijn kan hierdoor reageren op elke daarmee harmonische kracht die buiten dit besloten veld aanwezig is. Een geestelijk bewustzijn heeft dus niet alleen te maken met eigen erkenningen, waarnemingen of belevingen, maar neemt alle daarmee parallel lopende krachten, ervaringen en belevingen uit de omgeving over als deel van eigen processen.
Wanneer in de stof een mentaal proces zich afspeelt en dit een zekere intensiteit bereikt – dus niet voordien – zal dit voeren tot een toename van een van de statische ladingen in het veld, dat wij de geest zullen noemen.
Je zou dus kunnen zeggen: terwijl het mentaal bewustzijn een zaak is van bijna mechanische processen, is het geestelijk bewustzijn een samenvoeging van alle intensieve belevingen. Hierdoor wordt de nadruk in het geestelijke bewustzijn sterker gelegd op de ik-betekenis van alle indrukken, dit terwijl in het mentaal proces altijd sprake is van een meer algemene uitkomst, die dan wel wordt geïnterpreteerd volgens de eigen inhouden.
De geest beleeft als deel van haar wereld, de mentale waarden worden omgezet in een erkenning of proces, dat uitgaat vanuit het ik naar de wereld. In de geest is elk bereikt punt van bewustzijn een communicatie met alle soortgelijke punten van bewustzijn. Wat betekent dat mentale processen in zekere mate en vergelijkend gesproken eenzijdig blijven en geheel afhankelijk zijn van eigen inkomende signalen en aanwezig geheugen, terwijl het geestelijke proces steeds een ageren in een algemene besefswaarde is en wel op basis van in het ik bestaande erkenningen, maar dan ook verrijkt met alle denkbare toevoegingen en variaties, die daarbij maar mogelijk zijn. Dit geldt dus voor alle inwerkingen uit de gehele kosmos, zolang zij sterk genoeg zijn en vallen binnen het begrip harmonie. Ik weet niet of u dit alles zonder meer kunt volgen, al probeer ik het zo eenvoudig en toch zo juist mogelijk te formuleren om duidelijk te blijven.
De conclusies die wij uit het voorgaande kunnen trekken, zijn de volgende: Het mentaal bewustzijn kan niet identiek worden geacht met het geestelijke bewustzijn. De beïnvloeding door een geestelijk bewustzijn binnen een stoffelijk bewustzijn kan slechts liggen in een versterking van factoren, die reeds stoffelijk aanwezig zijn. Hierdoor kunnen associatiereeksen of sporen van signalen versterkt uit het geheel van de ervaringen en signalen van het hersendenken naar voren kunnen worden geschoven.
De resultaten van alle mentale processen, die een emotionele waarde bereiken en daarmee een mate van energie genereren, kunnen worden opgenomen in het geestelijke bewustzijn. Zij zullen in de geest echter alleen als een direct deel van het gehele geestelijk bewustzijn fungeren wanneer zij een versterking of aanvulling betekenen van daarin reeds bestaande bewustzijnswaarden.
Gesteld kan nu worden: daar het stoffelijke besef alleen door harmonische werking het geestelijk bewustzijn kan beïnvloeden, is het zinloos te veronderstellen dat zuiver mentale bekwaamheid en kennis van grote invloed zal zijn op de geestelijke vermogens en processen zonder meer.
Omgekeerd geldt: daar het totaal van de geestelijke inhouden niet kan worden overgebracht als een direct bewustzijnsproces in het mentale gebied van de mens, is het niet aannemelijk dat een geest – tenzij onder zeer uitzonderlijke omstandigheden – er ooit in zal slagen haar werkelijke totaal persoonlijk besef over te brengen in het voertuig waarvan zij zich in de stof bedient.
Er is dus kennelijk verschil tussen het waakbewustzijn en het geestelijk bewustzijn?
Inderdaad, ofschoon u beter doet, te spreken over mentaal bewustzijn, omdat het mentale bewustzijn niet slechts het waakbewustzijn, maar ook het onderbewustzijn met de vele daarin spelende drijfveren omvat plus nog een selectieve ontvangst uit delen van het gemeenschappelijk bovenbewustzijn.
Let wel: al deze factoren kunnen herleid worden tot de gevoeligheid en geheugenfuncties van de hersen-computer, zelfs indien zij niet onbeperkt en volledig beseft kunnen worden. Alleen wanneer daarin immers stimuli worden veroorzaakt, zal het menselijk gedachtenproces en daarmee de reactie van de mens beïnvloed worden.
Daarbij is het niet van belang of in de uitkomst elke beïnvloeding afzonderlijk en geheel bewust afleesbaar is. Anders gezegd: de uitkomst van het hersen denken – ook het waakbewuste – wordt altijd beïnvloed door een reeks factoren, die zich aan het directe menselijke constateringsvermogen op bewust niveau onttrekken.
Vandaar ook mijn voorkeur voor mentaal bewustzijn in de plaats van uw keuze, de term waakbewustzijn. In dit gesteld hebbende, kunnen wij wederom constateren dat er dus grote verschillen bestaan tussen geestelijk bewustzijn en geestelijke bewustzijnsprocessen en materieel bewustzijn met al zijn reacties, terwijl verder nogmaals duidelijk wordt dat van een volledige en wederkerige overdraagbaarheid van gegevens tussen deze beide delen van het ik ook binnen een enkel persoon op zijn minst genomen zeer onwaarschijnlijk zal zijn.
Bestaat er tijdens de slaap een sterkere invloed van het geestelijk bewustzijn op de mentale persoonlijkheid?
Hier spreken wij dus over een mogelijkheid, niet over een vaststaand feit. Wanneer de slaap optreedt, betekent dit dat een aantal remmingen wegvallen in de hersenwerking terwijl signalen van buitenaf in sterk verminderde mate worden opgenomen. Hierdoor kan in die hersenen een proces van zgn. random associatie ontstaan. Dit is een reeks van betrekkelijk willekeurige associaties, welke gemeenlijk volgens het patroon van bestaande ervaringsnormen worden samengevoegd en dan de droom vormen. Tijdens deze toestand van lichaam en hersenen bestaat echter de mogelijkheid, dat het geestelijk deel van het ik tijdelijk zijn invloed kan vergroten.
Wanneer wij te maken hebben met de randomfactor – dus de willekeurige keuze van inhoudswaarden en een niet genormde associatie van cel inhouden buiten de gebruikelijke denksporen is het gemakkelijker, die samenhangen en wederkerige opwekking van signalen uit de bestaande herseninhoud te stimuleren en zo bepaalde denksporen op de voorgrond te brengen. Het is dan nog steeds niet zo, dat de geest nu alles uit haar eigen bewustzijn zonder meer aan de stof kan overdragen. Wel kan in de hersenen meer parallelsporen volgens de mogelijkheid van stoffelijk denken ontstaan, welke geestelijke waarden van het ik weergeven of althans aanduiden.
Wanneer je het zo formuleert, moet je tevens concluderen dat de slaap wel de geest een mogelijk kan bieden, maar niet altijd zal bieden zich in de stof en het stoffelijk bewustzijn meer kenbaar te maken en eventueel iets vrijer te bewegen. Daar echter de emotie alleen bij droombeelden tot stand pleegt te komen en maar zelden optreedt als zuiver gevolg van een geestelijke beïnvloeding zonder meer. Overdracht gedurende de slaapperiode van geestelijke inhouden naar de stof zal slechts zeer beperkt voorkomen, overdracht van mentale inhouden naar het geestelijk bewustzijn praktisch nooit voorkomen.
Wat is er bij of na de overgang dan overgaan van het mentale bewustzijn naar het geestelijke bewustzijn?
Bij de overgang hebben wij niet, zoals u schijnt te denken, te maken met een transmissie van mentaal bewustzijn naar geestelijk bewustzijn. Wij hebben te maken met een tot die tijd mede vanuit de stof opgebouwd deel van het geestelijk dat dan wel direct gerelateerd is – maar mede op emotionele basis – met de mentale processen en stoffelijke erkenningen van het voertuig.
Na de overgang bestaat een deel van de mentale en stoffelijke beelden en waarnemingen dus nog voort in het geestelijk bewustzijn. Daar deze impulsen de meest recente zijn en deel uitmaken van de activiteiten van de geest gedurende een periode, zal de reeks stoffelijke ervaringen – zover deze geestelijk opneembaar waren – de voorstellingswereld van de geest nog enige tijd bepalen. Dit houdt in dat je na de overgang een gelijke of vergelijkbare persoonsvoorstelling hebt als die welke emotioneel bestond in het mentale bewustzijn op aarde.
Opvallend hierbij is, dat die periode van het leven waarin de emotionele overdracht van dit beeld het sterkste was, meestal de gestalte bepaalt waarin je jezelf na die overgang waarneemt en eventueel probeert te manifesteren. Vandaar dat je bij ons zoveel “jonge blommen” vindt.
Oude mannetjes en oude vrouwtjes zien wij als ik-beeld in de sferen niet bepaald vaak voorkomen. Wanneer tijdens een manifestatie deze vorm als ik-beeld wordt geprojecteerd, betekent het dat het gaat om contacten met mensen, waarbij deze lichamelijke vorm een emotionele waarde betekende en daardoor mede als herkenningsteken voor de ander kan fungeren.
Wanneer je probeert na te gaan, in hoeverre een stoffelijk leven invloed heeft op de geest en het functioneren daarvan, zo dient men allereerst te constateren dat rond 60% van de stoffelijke bewustzijnsinhouden pleegt weg te vallen. Een derde ongeveer van de stoffelijke belevingen blijft dus als deel van het geestelijk bewustzijn aanwezig en dat is dan precies al datgene wat uw stoffelijk leven als geestelijke betekenis heeft opgeleverd. Je onthoudt als geest alleen van het stoffelijke leven de punten, die het geestelijk belangrijk hebben gemaakt.
Na de dood heeft de geest dus wel degelijk een beeld van haar voorgaand stoffelijk leven, vele zaken vallen eenvoudig weg. Gewoontehandelingen, sleurzaken die emotioneel niets of niet veel betekenden, bestaan dan niet meer. Zij zijn met het stoffelijk bewustzijn en de zuiver mentale inhouden verdwenen.
Wat wel betekenis voor je heeft gehad, krijgt nu echter een nieuwe samenhang: je krijgt als het ware een verkorte versie van het leven. Het is of je van een stuk proza, door langzaam maar zeker al het overbodige te elimineren, een gedicht maakt. Dat gedicht heeft dan een eigen ritme en bepaalt daardoor de toevoeging aan het totale geestelijk bewustzijn en daarmee ook de mogelijkheden die voor de geest bestaan. De inhoud van de geest wordt, mede door ontvangst van de harmonische signalen uit alle anderen, hierdoor ruimer en groter in besef en vermogen. De mogelijkheid tot meer geestelijke processen en belevingen hangt dus samen met de hoeveelheid van afwijkende – voor de geest nog niet tevoren zo erkende – ervaringen die stoffelijk werden opgedaan.
Wanneer men overgaat is er dus een overschakeling ten dele onbewust, van het mentale naar het geestelijke bewustzijn?
Mag ik u een tegenvraag stellen? Wanneer u in de auto hebt gereden en uitstapt om een eind te gaan lopen, zegt u dan dat er een overdracht plaats vindt van de beweging van de auto naar uw benen?
Daar zit niets van die auto meer bij.
Juist. U laat de auto achter. Uw eigen beweging ziet u terecht als een geheel andere factor. Wanneer u overgaat, laat u uw voertuig achter. Dat wil zeggen dat het geheel opeens anders is geworden. Je neemt niets mee, maar je bent wel op een bestemming gekomen. Nu sta je echter weer op eigen benen en alleen hetgeen u vanuit de auto om welke reden dan ook meeneemt als nuttig of noodzakelijk blijft u nog van de gehele auto en al haar mogelijkheden over.
Heel veel mensen hebben bij de overgang het gevoel in een soort draaikolk te vallen, waarna zij even in het zwart terechtkomen voor zij weer licht gaan zien. Een overdrachtelijk beeld, dat echter gemakkelijker te begrijpen valt wanneer u zich realiseert, dat soortgelijke voorstellingen wel voorkomen bij patiënten die met een gehele of gedeeltelijke amnesie ontwaken na bv. een ongeluk. Hun gedrag is eveneens wonderlijk: door het geheugenverlies staan zij opeens in een wereld, waarin zij bepaalde dingen niet beseffen en toch ergens het gevoel hebben dat die er zouden moeten zijn, al kunnen zij het gemis ook niet geheel omschrijven.
Dit gevoel zal eveneens kort na de overgang wel eens een rol spelen. Maar daar de waarden, die niet in de geest waren verankerd, niet meer te hervinden zijn, lijkt het mij beter te stellen dat er sprake is van een algehele scheiding tussen mentaal besef en geestelijk bewustzijn vanaf het ogenblik van de overgang. Ik meen daarom dat het misleidend kan zijn, wanneer je blijft spreken over een overdracht.
Er is een overdracht tussen stof en geest, maar die vindt, als omschreven, plaats gedurende het leven. Uw dood is nog een ervaring van het lichaam en zoverre hiermee emoties gepaard gaan – dus mentale processen en lichamelijke processen, die de geest opneemt, is het mogelijk dat deze in de geest ook een rol zullen spelen. Maar alleen dan. U dit realiserende, zult u mogelijk ook beter beseffen waarom er geesten bestaan, die het lichamelijk dood zijn niet kunnen aanvaarden. Zij worden beheerst door emotioneel sterke belevingen in de stof kort voor de dood, die zelf echter niet wordt beseft of beleefd. Zij bevinden zich dan in een soort draaimolen waarin zich voortdurend het laatste deel van het leven en de laatste drijfveren herhalen. De indrukken die bij de dood zo sterk waren dat zij emotioneel werden overgebracht, domineren tijdelijk ook het besef van de geest die echter een einde van de ervaring – de dood – niet als signaal heeft ontvangen en door de pressie van de emotionele indrukken de kans niet krijgt, zich dit eigen wezen en wereld tijdig bewust te worden. Dergelijke gevallen zijn tragisch. Maar om het eenvoudig uit te beelden, kunt u zich een automobilist voorstellen, die uit zijn auto stapt, maar nog voortdurend probeert middels het stuur zijn eigen richting te veranderen en reageert op erkende noodzaken door een poging tot remmen of schakelen en niet lichamelijk daarop reageert. Pas wanneer je aanvaardt dat dit maar een klein deel is van je werkelijke inhoud staat de molen stil en ga je inzien, dat dit als ervaring deel is van een geheel.
In vele leerstellingen van esoterische en andere aard zult u ook geconfronteerd worden met de zgn. drie dagen – soms noemt men een andere periode – van bezinning na de overgang. Een werkelijk je bezinnen is het niet. Het is eerder een periode van weder herkenning, omdat je na lang geconcentreerd te zijn geweest op een betrekkelijk klein deel van je werkelijke ervaringen en bewustzijn als geest, je nu eerst weer geheel bewust moet worden van alle inhouden van eigen wezen en de betekenis, die de laatste ervaringen hebben in het geheel van het bewustzijn dat langzaam weer begint terug te komen naar je besef. Daarom is het nog niet zo gek wanneer men stelt dat er een bezinningsperiode volgt na de dood, ook al is de werkelijkheid nog wel enigszins anders.
Ik vertel u dit alles alleen maar, om u nogmaals duidelijk te maken dat er geen sprake is van overdracht van mentaal bewustzijn naar geestelijk bewustzijn op het ogenblik van de overgang. Integendeel: wanneer de overgang plaats vindt, is de overdracht, zover die mogelijk is tussen mentaal en geestelijk bewustzijn of omgekeerd ten einde.
Is dit voldoende? U ziet het, wij doen steeds weer alle moeite om alles zo duidelijk mogelijk te stellen. Wanneer ik echter naga, wat van het eerste deel van mijn betoog door de aanwezigen is begrepen, zo twijfel ik aan mijn eigen vermogen tot duidelijkheid en moet dan ook zeggen dat ik zowel de moed als het begrip van de vraagsteller zeer op prijs stel.
Hoe is de verhouding tussen het mentale deel en iemand die uittreedt? Men blijkt vaak uittredingen op aarde heel goed te kunnen beschrijven, maar men geeft ook wel beschrijvingen van een uittreden naar de wereld van de geesten. Hoe komt dit mentale beeld tot stand?
Allereerst moeten wij verschil maken tussen uittredingen naar de sferen, waarbij alleen de “geest” betrokken is en uittredingen op aarde, waarbij ook het astraal een grote rol ploegt te spelen. Dit is een fijnstoffelijk deel, verbonden aan en grotendeels afhankelijk van het lichaam, dat naar de sferen niet, naar elders wel meegaat.
Bij uittredingen op de eigen wereld gaat het astraal mee en dit heeft directe mogelijkheid tot stoffelijke beïnvloeding van de hersenen. In dat geval is het of u met microfoon en camera of een van beiden, signalen vastlegt in de bandrecorder – uw hersenen. U spreekt beelden in, maar wanneer u over uw waarnemingen tegen eigen lichaam zou zwijgen, zou ook niets worden vastgelegd in de hersenen,
Bij uittredingen naar werelden van de geest ligt de situatie anders. U hebt dan geen astraal en daardoor ook niet de mogelijkheid, een continu signaal naar de hersenen te zenden. Het zijn nu steeds weer korte, gebundelde reeksen die u uitzendt. Elk signaal omvat een aantal waarden, die echter niet stoffelijk vastgelegd, in de hersenen reeds gefixeerd, zijn. Deze impulsen worden door de hersenen opgeslagen en vertaald, maar er is geen redelijke samenhang, zodat de hersenen overgangen toevoegen om een redelijk aanvaardbaar geheel tot stand te brengen. Het doet denken aan een effect dat u mogelijk op tv wel eens hebt kunnen zien. Men gebruikt daar een computer die, wanneer het signaal even wegvalt, het laatst ontvangen beeld vasthoudt en als het ware herhaalt. Er is een soort geheugen dat het laatste beeld herhaalt tot weer nieuwe signalen worden ontvangen. Het gevolg is, dat er een schijn van continuïteit ontstaat, ofschoon het beeld in feite een tijd niets heeft getoond. Wanneer u nu uitreedt naar de geest, zult u een kort en gebundeld signaal naar de hersenen zenden. Deze houden dan de laatste impuls vast tot er een volgende arriveert. Nu kan tussen die beide impulsen een gehele wereld van ervaring liggen, maar die wordt niet geregistreerd. Daarbij komt bovendien dat elk beeld dat u wel vanuit de geestelijke wereld naar uw lichaam zendt slechts ten dele vertaalbaar zal zijn. Voorbeeld: een machine die Russisch – Nederlands vertaalt, maar op het ogenblik dat er een Duitse of Chinese term tussenkomt, die niet kan vertalen of weergeven. Iets dergelijks gebeurt met uw hersenen ook. In de werkelijke signalen blijven dus, bezien vanuit het later redelijk besefbare, altijd hiaten bestaan. Om die hiaten op te vullen, zoekt de computer in dergelijke gevallen wel eens naar een zgn. redelijke analoog. Dat betekent een woord dat in de totale zinsstructuur past en niet in tegenspraak schijnt te zijn met het voorgaande. De hersenen doen iets dergelijks. Er ontstaat dus een redelijk afleesbaar beeld dat maar een klein deel bevat van het werkelijk tijdens de uittreding beleefde, maar toch een schijn van compleetheid bezit. Verder zal het geheel vele analogieën bevatten, die worden gebruikt in de plaats van geestelijke belevingen die in wezen niet juist worden weergegeven, maar waarbij deze “vertaling” en zelfs aanvullingen onontbeerlijk zijn voor de sequenties die mogelijk zijn binnen het kader van een althans nog enigszins redelijk denken.
Ik begrijp dat het mentale deel in zekere zin logisch wil opgebouwd worden, in zekere zin zeker.
In het menselijke denken probeert men altijd op grond van gegevens een logisch en sluitend beeld op te bouwen. Dit betekent zelfs dat men gegevens van plaats doet verwisselen in de rangorde van binnenkomst. Iets wat voor de mens, die het geheel beseft niet zonder meer constateerbaar is, tenzij er externe controle bestaat. Een typisch voorbeeld van dit “ordenen” vinden wij bij vele wekdromen. U hoort de wekker. U wilt niet wakker worden, dus dat geluid moet iets anders betekenen. U zegt dat het een bel van de brandweer moet zijn. Dus moet er in de buurt brand zijn. Wanneer iets dergelijks gebeurt, gaat u normaal kijken, dus ook in uw droom. U gaat dus de straat op, maar brand in uw eigen straat is niet helemaal aanvaardbaar. Dus komt u uit uw eigen deur in een andere straat terecht. U hoort een enorm lawaai. Volgens u storten de muren van een brandend gebouw in. In feite is het alleen maar een van uw gezinsleden die op de deur klopt met de vraag of u opstaat. Opeens voelt u hitte en onmiddellijk wordt een straal bluswater op u gericht. U schrikt wakker en ontdekt dat men u een kopje thee op bed heeft willen geven en per ongeluk een druppel op uw gezicht of hand liet vallen. Deze indrukken komen dus door elkaar tot stand, maar u droomt van een brand waarnaar u stond te kijken toen er een brandweerwagen aankwam. Op dat ogenblik storten de muren in, u werd door vuur getroffen. Brandweerlieden richtten toen met grote tegenwoordigheid geest een straal op u. Daarna schrok u wakker. Tenminste, zo vertelt u het wanneer u er over praat. Maar hoe zit het nu werkelijk met dit schijnbaar logische droomverhaal? U begon met de brandweer, ging pas toen naar buiten, zag pas later de muren instorten en werd eerst enige tijd daarna getroffen door hitte en vocht. U hebt dus de volgorde veranderd en zult in uw verhaal bovendien ontbrekende elementen invoegen. In feite hebt u dus heen en weer gegrepen, vroegere en latere indrukken door elkaar gehaald om zo tot een geheel te komen. U zult de droom dus altijd in een “logische volgorde” vertellen. Het zal u duidelijk zijn dat een dergelijk proces zich ook zal afspelen wanneer het gaat om het weergeven van de ontvangen indrukken tijdens een uittreding. De ervaringen worden dus in een schijnbaar logische sequentie geplaatst die niet in overeenstemming is met de volgorde waarin de ontvangen prikkels optraden en die dus geen werkelijke weergave vormt van de geestelijke signalen, die door konden dringen tot uw bewustzijn de stof.
Dan zal ik hiermee mijn bijdrage aan deze bijeenkomst maar gaan beëindigen. Ik heb mijn best gedaan om duidelijk te zijn. Dit is een van de moeilijkste dingen die er voor ons bestaan. Om hetgeen ik wilde zeggen voor u meer aanvaardbaar en verteerbaar te maken, heb ik gebruik moeten maken van analogen, beelden dus die niet precies de werkelijkheid weergeven, maar daarmee dermate parallel lopen, dat men de waarde van het beeld wel degelijk kan overdragen op het onderwerp waarover men preekt zonder onduidelijkheid te bevorderen. Sommige zaken laat je weg en behandelt ze in feite bij implicatie.
In het eerste onderwerp spraken wij over mentale en geestelijke functies. Dit is niet duidelijk te maken, zonder eerst het geestelijk en mentaal bewustzijn tegenover elkaar te stellen en te vergelijken. Door het tweede te doen, heb ik betekenis en waarde van het eerste geïmpliceerd.
Onthoud verder dat een analoog nooit volledig vervangend is. Zij kan echter door de associaties die bij u worden gewekt u toch in staat stellen een bepaald beeld met grotere juistheid te benaderen.
Vanuit dit standpunt reageerde ik op uw vragen. Ook heb ik geprobeerd u de werkelijkheid van o.m. het geestelijk bestaan iets duidelijker voor ogen te stellen, zoals ik heb getracht u duidelijk te maken, dat je in feite stoffelijk en geestelijk bestaan vanuit een menselijk standpunt het beste gescheiden kunt beschouwen, daar het twee geheel verschillende waarden in het ego betreft, die gedurende een korte tijd parallel lopen en gedurende deze periode bij piekindrukken elkander kunnen bereiken en dus ook beïnvloeden.
Het is schijn en werkelijkheid, ook hier. Want met de schijn van redelijkheid in alles wat ik heb gezegd, heb ik het nog niet meer menselijk redelijk genaakt. Maar de werkelijkheid kun je alleen maar beschrijven in termen, die het begripsvermogen van een ander nog kan aanvaarden. Ook wanneer die beelden dan daardoor niet meer geheel stroken met de werkelijkheid. De moeilijkheid om geestelijk weten, ervaren en bestaan stoffelijk begrijpbaar aan u over te dragen, speelt ons steeds weer parten. Dit zal ongetwijfeld ook mij gebeurd zijn. Wat u mentaal van dit alles behoud, is overigens niet zo heel belangrijk. Er zijn echter enkele punten onder, waardoor u innerlijk iets ervaart, waardoor u voelt, dat dit wel eens waar zou kunnen zijn. Op het ogenblik dat dit optreedt, is het mogelijk dat u door het overdragen van de analoog als een geestelijke prikkel aan uw geestelijk bewustzijn daaraan een waarde toevoegt die mede mogelijk een nadere beïnvloeding van stoffelijk ik voor de geest mogelijk maakt
Krishnamurti, zijn leven en werken.
Krishnamurti was bijna mortibus door de illusies die andere mensen aan zijn persoon en wezen hadden vastgebonden. Gelukkig kwam hij tijdig tot de conclusie dat hij geestelijk gewurgd werd door alles wat men geestelijk van hem eiste, zodat hij besloot zich daarvan vrij te maken.
Hij dacht toen dat hij voor zijn gezondheid best een “Besantje” kon laten. Hij vluchtte weg van een “meestertje spelen” naar een meer normaal menselijk leven, waarin hij dankzij zijn filosofische diepte en persoonlijke inzichten toch haast ondanks zichzelf een geestelijk belangrijke rol zou blijven spelen. Hij studeerde nogal wat en deed daarnaast aan verzekeringen. Ik vermoed dat dit laatste symbolisch was: hij wenste anderen meer zekerheid te geven door hen te laten geloven in zijn eigen meesterschap en daarom verzekerde hij hun nu tegen de gevolgen van hun eigen onveiligheid.
Dit gedaan hebbend werd hij zakenman, maar gelijktijdig keerde hij weer steeds meer terug naar de filosofie. Hij voelde de behoefte weer het een en ander neer te schrijven en omdat hij nu eenmaal bekend was onder de naam Krishnamurti werd hij ook hier en daar weer als spreker gevraagd. In het begin hield hij zijn lezingen in de V.S., maar later kwam hij ook meerdere malen naar Europa. Zijn uitstraling had zich ondertussen dermate versterkt, dat het hem mogelijk was de mensen op nogal eenvoudige wijze tijdens een korte concentratie te beïnvloeden. Hij was zo sterk hierin geworden dat de mensen hun mond al hielden voor hij zijn concentratie weer verbrak en dus lang voor hij de zaal binnenkwam. Wat ik tegenover een Nederlands publiek een hele prestatie vind, vooral wanneer de helft of meer dames bestaat. Daarom zeg ik ook de helft of meer. Wanneer de helft uit dames en de helft heren bestaat, kunt u dan zelf altijd nog uitmaken, wie het hardst plegen te kletsen.
Steeds meer en steeds duidelijker leerde hij de mensen dat men zich vooral met het heden bezig dient te houden. In het heden ligt het antwoord en in jezelf de mogelijkheid. Alle geloof in en verklaring of beschrijving van een hiernamaals of een voorbestaan helpen je niet om in het heden je beter voor te bereiden op het volgende ogenblik en desnoods op het hiernamaals. Kortom, wie vandaag leeft, moet vandaag aan zijn bewustzijn werken met de middelen waarover hij beschikt en zich niet bezighouden met sprookjes over een toekomst, die hij niet kan overzien.
Zo heeft hij volgens mij vele mensen een ruimere wijze van denken en een juistere wijze van leven kunnen bijbrengen op een wijze, die geheel bevrijd is van het toch wel eens te gnostische denken van bepaalde theosofische richtingen. Hij heeft dacht ik daardoor voor de mensheid een grote betekenis gekregen, ofschoon zijn boeken en leringen naar ik vrees eerst door de mensen ernstig genomen en begrepen zullen worden, wanneer hijzelf reeds lang aan onze zijde is en zich voorlopig nog dood kan lachen over de uitleggingen die zgn. deskundige sprekers aan zijn woorden proberen te geven.
Ik dacht dat Krishnamurti alle bestaan na de dood ontkende…
Wacht eens even. Nu maakt u zichzelf tot een van die uitleggers die hem na zijn dood reden geven zich nog eens dood te lachen. Hij heeft nooit ontkend dat er een leven na de dood bestaat, maar slechts gesteld dat dit zaken zijn, die men nu niet kan overzien. Houd u dus bij het heden, leef vandaag, leef uw eigen wereld, want alle verhalen over later kunnen u niet helpen nu een hoger bewustzijn te bereiken.
Wat overigens een vrije en samenvattende vertaling is van zaken die door hem in het Engels werden gezegd. Indien u zijn mening op dit punt nader wilt bezien, verwijs ik u naar de lezingen die hij gaf in India en wel over de spiegelende vijver en daarnaast zijn lezing in – naar ik meen, 62 of 65 in uw eigen land gegeven – waarin hij spreekt over de dood als de grens, waarop wij ons voorbereiden zonder haar te kunnen omschrijven.
Beide lezingen tezamen zouden u duidelijk kunnen maken dat hij niet het voortbestaan zonder meer ontkent, maar dat hij de zin en belangrijkheid van een voortdurend juist hiermee bezig zijn, ontkent, omdat naar zijn mening de mens zichzelf vandaag moet vormen en niet pas later.
Hij heeft het verleden ook steeds losgelaten.
Ongetwijfeld. Want wanneer leeft u eigenlijk? In het heden. En waar bent u mee bezig als mens? Meestal met hetgeen u gisteren hebt gedaan en wat u morgen moet doen. Waardoor u er niet toe komt datgene volledig te waarderen wat u in het heden wordt gegeven. Dat geldt overal en voor alles. Zelfs voor deze lezing.
De Minoïsche cultuur
Een cultuur waarin de mensen gezien de naam wel stierlijk het land in gehad moeten hebben. U zou ook kunnen zeggen dat het het land is van de stieren. Wat ook tot zekere hoogte waar is, want de stier was het symbool voor de beest-mens in ons allen, dus ook de burgers van die tijd.
De gehele cultuur is in feite een restant van een vroegere beschaving waardoor deze mensen een veel hoger peil bereikt hadden op het gebied van cultuur dan de omringende landen. Het verhaal over Minos, de minotaurus maakt niet duidelijk, dat Minos een monster werd wanneer hij, stierlijk het land in had en dan alle vrouwen en meisjes lastigviel en alle mannen doodde, maar wijst op inwijdingsgebruiken en verhalen.
Ook technisch had men een voor die tijd hoog peil bereikt, zoals ook een redelijke mate van luxe beschikbaar was die men elders in die vorm voorlopig nog niet zal aantreffen. Ik denk aan waterleidingen, de vorm van verwarming, de baden, de toiletten en de mode. Die mode was zo modern dat men er nu zelfs nog niet geheel aan toe is. Wat de damesmode betreft, verkeerde men toen kennelijk in de appelen tijd.
Opvallend is verder dat men in deze cultuur een voor die tijd wel zeer grote kennis bezit omtrent de stand en loop der sterren en zeker in dit opzicht veel verder is dan alle volkeren in omliggende gebieden.
De godsdienst heeft te maken met een vereren van de vruchtbaarheid en van de maan , voornamelijk een bepaalde fase, de wassende maan. Dit zou kunnen voeren tot associaties met bv. Babylon en Egypte, waar een dergelijke eredienst voorkomt. Maar hier is sprake van een mannelijke en niet van een vrouwelijke godheid, wat toch weer een groot verschil uitmaakt.
Belangrijk is ook de wisselwerking tussen hemel en aarde welke vruchtbaarheid betekent. Deze wordt uitgebeeld door de man en niet door de vrouw. De man is de schenker van vruchtbaarheid.
Opvallend is ook de sociale structuur waarbij handel een grote rol speelt en de indeling van de standen op oud Atlantische basis schijnt te berusten.
De handel in waren, maar ook in denkbeelden, tussen deze staat en de omringende gebieden is dermate groot, dat op technisch en cultureel gebied de invloed van dit eiland moeilijk kan worden overschat. De invloed sterkt zich uit tot Griekenland, Zuid-Italië, Egypte en de gehele kust van Noord-Afrika.
Een zeer opvallend punt is dat er, ofschoon in het land zelf geen grotten van grote omvang natuurlijk voorkomen, toch de gehele eredienst mede te maken heeft met kunstmatig en boven de grond aangelegde grotachtige tempels en een labyrint dat beroemd is geworden.
Dit alles heeft kennelijk te maken met de inwijdingsgedachte, die hier kennelijk een grote rol speelt. Ook het stierdansen blijkt eerder te maken hebben met het oefenen en overwinnen van jezelf dan met een zuivere sport. De doolhof betekent een tocht door het verborgene, waarbij men geconfronteerd wordt met alle krachten van de natuur – iets wat wij overal aantreffen – plus de ontmoeting met de Minotaurus, die schijnbaar voornamelijk de onverwachte ontmoeting met het eigen ik verbeeldde. Maar het is niet voldoende, jezelf te overwinnen, want wanneer je dit al hebt bereikt, dan bestaat er nog de noodzaak, de weg terug te vinden. De draad van Ariadne is mogelijk van deze inwijdingen afgeleid. Dan betekent het dat de mens door de draad van medemenselijkheid en rede uit de chaos van de geestelijke belevingen terug kan keren tot de werkelijkheid en gelijktijdig toch zijn doel zal kunnen bereiken.
Dit gezegd hebbende, blijft in het korte verband, waarin ik dit onderwerp behandelen moet alleen nog het volgende over: Het feit dat er een cultuur bestaat, die in vele opzichten veel hoger is dan in alle omringende gebieden in die periode, maakt duidelijk dat wij hier zeker te maken hebben met een afwijkende invloed en beschaving. Er zijn zelfs mensen die stellen dat de stichters van deze cultuur Atlantiërs geweest moeten zijn, ofschoon de bouw van de stad zelf, zowel als de bouw van de tempel en de gebruikte symbolen duidelijk aantonen, dat dit niet in directe zin het geval zal zijn. Wel hebben wij kennelijk te maken met een tak van een cultuur. Nagaande hoe bepaalde halfgoden worden voorgesteld – visachtig – is het redelijk aan te nemen, dat dit een zeevarende cultuur geweest moet zijn.
Ik zou willen veronderstellen, dat wij hier wel te maken hebben met mensen, die een sterke invloed van Atlanten hebben ondergaan en daarna in isolement een afwijkende ontwikkeling doormaakten. Door de eilandsituatie was dit eenvoudiger en gemakkelijker mogelijk dan op andere plaatsen, waar eveneens Atlantische invloeden een grote rol hebben gespeeld, zoals in het zuiden van het Iberische schiereiland het geval is geweest. Mogelijk stamt de Minoïsche cultuur uit een vestiging van de handelaren die indertijd een zeer grote stad met Atlantische structuren hadden nabij het huidige Cadiz
Mijn conclusie: de Atlantische beschaving heeft althans in technisch opzicht grote invloed gehad op de Minoïsche cultuur. Denkbeelden en vereringswijzen doen denken aan zuidelijk Spanje, maar ook aan bewoners van of rond de Atlantische Oceaan. Er is dus sprake van een tijdelijk besloten ontwikkeling op basis van een veel oudere cultuur, waardoor het verval van de oudere cultuurwaarden trager en minder sterk was dan elders, terwijl een zich al deels aanpassen aan de culturen van landen waarmee men handel dreef voor andere aspecten van deze cultuur aansprakelijk is.
In welke tijd moet men deze cultuur plaatsen?
Wanneer u de Minoïsche cultuur tot aan haar basis op het eiland wilt volgen, kunt u gaan tot rond 500 v. Chr. Zoekt u de Spaanse basis, dan tot rond 10.000 v. Chr. Haar eerste hoge ontwikkeling ligt rond 3000 v. Chr. haar tweede hoogtepunt tussen 1600 en 1300 v. Chr. Wilt u de laatste vervalfase aanduiden, waaruit de meeste overblijfselen resten, dan ligt die periode van rond 300 v. Chr. tot rond 600 n. Chr.
Hoe komt het dat die cultuur zo vervallen is?
Elke cultuur wordt kul zodra die niet meer gedragen wordt door het innerlijk bewustzijn van diegenen er deel van uitmaken. Op het ogenblik dat iets alleen nog maar op uiterlijkheden berust, begint het in feite zichzelf te vernietigen. Nog niet geheel besefte drijfveren, die van het cultuurpatroon afwijken zullen een anarchisch element in het geheel introduceren met als gevolg een zeer snel verval. Hetgeen resulteert in een andere, maar lang niet altijd betere cultuur na stabilisatie.
Het Tibetaanse dodenboek
Dit is door levenden geschreven. Het is in feite een magische omschrijving van alle mogelijkheden die na de dood zouden kunnen ontstaan, plus de samenhangen die tussen leven en dood voortdurend bestaat. Als zodanig kunt u het nog het beste zien als een magische uitdrukking plus een reeks vergelijkingen, bestemd om richting te geven aan de mensen die op aarde bestaan.
Het doet wonderlijk aan door een samenvoeging van boeddhistische begrippen en de leringen van dorjès, de tovenaars, die in feite natuurvereerders waren. Door deze wonderlijke versmelting toont het beelden die niet consistent zijn met latere boeddhistische benaderingen van het onderwerp, terwijl de gegeven beelden en conclusies ook sterk afwijken van de inhoud van de oorspronkelijke natuurverering in dit land.
Wilt u het boek lezen, dan dient u zich te realiseren dat elk beeld daarin overdrachtelijk bedoeld is en dus niet zonder meer mag worden beschouwd als een weergave van een werkelijkheid die na de dood zou bestaan.
Het is een schepping waarin een aantal beelden worden gegeven waardoor het ego zich kan bevrijden van omstandigheden na de dood. Terwijl het bovendien een reeks tekeningen bevat van consequenties die daden hebben in het hiernamaals, zodat de mens hierdoor mogelijk gebracht zou kunnen worden tot een zich op aarde juister aanpassen aan de totale behoeften van de eigen persoonlijkheid, plus de wetten van de gemeenschap waarin hij leeft. Hierdoor zou het de mens mogelijk zijn een grotere innerlijke harmonie te bereiken.
Wat hopelijk voldoende is. Of had u meer verwacht in de tijd, die mij ter beschikking staat voor al uw onderwerpjes? Maar ik dacht dat ik mijn antwoorden netjes en nogal omvattend had geformuleerd. Bovendien zijn mijn antwoorden juist. Op aarde kont het niet zo vaak voor, dat een verklaring eerlijk en bovendien nog geheel juist is zover zij reikt. Maar elke verklaring was zodanig gericht op de steller, dat de essentiële punten wel degelijk werden aangestipt, ook al zijn er hier die menen dat juist dezen ontbraken. Wat volgt?
Het sekoms ahara(?), het dragende midden van de mens.
Wanneer wij denken aan de Japanse cultuur dan moeten wij beseffen dat deze een groot idealisme omvat, waarbij men een zelfbevestiging zoekt van eigen grootheid, gedragen door een paar kromme benen.
Ahara hangt samen met ama, wat weer voortkomt uit amatusura(?) De zon van de goden. Door latere Invloeden van o.m. het tendai en shingon boeddhisme ziet men de mens als iemand met een kern, die het geheel van zijn waarde en waardigheid tegenover anderen omvat. Door de echte Japanner wordt tussen deze beiden geen feitelijk onderscheid gemaakt.
Hij ziet alle bereiking die harmonisch en ethisch verantwoord is als gelijkwaardig. Het is bv. kentekenend dat men in Japan even grote en even vereerde leermeesters kent in bv. het bordspel Go, de gevechtssporten, het sumoworstelen e.d. Deze meesters worden evenzeer geerd als degenen die alleen een mentale discipline leren en geen van deze sporten e.d. kan bestaan zonder een geestelijke en mentale achtergrond.
Voor de westerling zal het vreemd zijn, dat men dus ook bij Go-spelers spreekt over een meester van de zoveelste dan. Maar ja, wanneer je die meesterschappen naar het Westen overbrengt wordt het geestelijke doel ervan eerder een zo nu en dan.
Het gaat de Japanner steeds weer om het kleinste dat de hoogste waarde kan uitdrukken. In zichzelf kent hij punt een dat hij beschouwt als de zetel van zijn leven en waardigheid. Hij plaatst dit centrum traditioneel rond 20 cm onder het hart in het abdomen. Het is mij niet bekend of dit nog een nevenbetekenis heeft, bv. ten aanzien van een chakra.
Zeker is dat je door met deze kracht te werken en desnoods deze kracht te bevrijden – het beruchte hara kiri – een vrijheid van het werkelijke bestaan kunt herwinnen.
De waardigheid of onwaardigheid die stoffelijk is ontstaan, kan op deze wijze worden achtergelaten en de werkelijke persoonlijkheid in zijn volledige betekenis en waardigheid doen herontstaan. Dit laatste werd zodanig algemeen erkend dat iemand die de zgn. eredood koos – waarbij deze kracht vrij zou komen – en door het verbreken van de band tussen deze kracht en lichaam, een einde maakte aan zijn eigen leven, onmiddellijk weer beschouwd wordt als geheel in ere hersteld, zodat ook het geheel van zijn familie en degenen, die bij zijn fout betrokken waren, hierdoor wederom eerbaar werden en als volledig in eer hersteld worden beschouwd.
Vanuit een westers standpunt hebben de Japanners wel soms wonderlijke opvattingen, zodat zij ergens moeilijkheden hebben met de hen in feite opgedrongen waarden van het Westen zoals vrouwenemancipatie en massaproductie. Aan de andere kant weten zij dat de uiterlijkheden alleen dienen te bestaan om de algehele harmonie van het innerlijke ik te bevestigen.
Daar waar het innerlijk ik beantwoord aan de juiste waarden overeenkomt met de als juist ervaren disciplines vooral ook, is het gelijktijdig deel van de goddelijke kracht. In zijn diepste zin betekent aharu dan ook licht.
Het deel zijn van het geheel en daardoor van het goddelijke licht – in vroeger tijden het licht van de zonnegod – is dan ook nu nog de basis voor het leven en handelen van een groot deel van het Japanse volk – ofschoon het ergens ook weer niet bepaald erg vroom is.
Je kunt dus zeggen dat het vanuit het Japanse standpunt verkieselijker is je bezig te houden met hara kiri dan met Hare Krishna, want het is verkieselijker te sterven in de waardigheid van je eigen ontwikkeling, hoe onvolkomen die ook is, dan je over te geven aan de roes waarbij je jezelf verliest in het andere.
Jezelf zijn is het magische beginsel van de Japanner en deel zijn van het geheel is zijn wet. Zijn strijd om zichzelf te zijn wordt dan ook vele malen uitgebeeld in oude legenden en sprookjes.
Bekend zijn de zgn. vossenlegenden, waarbij de vos soms optreedt als vriend, maar vaak ook de vijand is van de mens. Maar in alle gevallen zal degene die zijn innerlijke waardigheid behoudt alleen reeds daardoor worden gered voor de listen en lagen van de vossen. Hij zal vaak zelfs niet bemerken dat zij bestaan of hen alleen zien in de vorm waarin zij zich aanbieden zonder ooit door hen verleid of bedrogen te worden. Hij loopt door alle spookbossen heen en blijft door demonen onberoerd, terwijl vele anderen hen ten slachtoffer vielen. De mens is trouw aan zijn beginselen, aan zijn aangedane verplichtingen en daardoor aan de lichtkracht in zijn eigen wezen.
Dit is de reden voor dat vreemde eergevoel, dat zo sterk opvalt in de Japanse gedragscodes. Het is gelijktijdig de trouw, die men kent in alle samenhangen van het leven. Want de trouw vindt niet zijn basis in de persoon of in de instanties of bedrijven aan wie men zich verbindt, maar in het eigen ik, de eigen eer, het eigen innerlijk. Kortom: de trouw komt altijd weer voort uit een persoonlijke betrokkenheid, waarbij de persoon zich alleen kan ontwikkelen en blijven aanvaarden door een zich strikt houden aan aangegane verplichtingen en relaties.
Aan de andere kant betekent dit in feite dat overal, waar die verhoudingen niet bestaan en niet aan het eigen gevoel voor waardigheid en eer tegemoet gekomen wordt, men het recht, ja zelfs de plicht heeft om jezelf aan anderen op te leggen, opdat een dergelijke eer-verhouding en door jou en door de ander bereikt kan worden.
Men is verplicht om de vijand te eren wanneer het geheel van zijn eer onaangetast blijft. Wij zien dan ook bv. dat in de laatste oorlog de Japanner gelijktijdig royaal eer betoonden aan de resten van vijanden die in een wanhopige strijd waren gevallen en minachting hadden voor degenen die zich overgaven, de mensen die door hen als koeli’s werden misbruikt en hun geminachte gevangenen waren, niet veel meer dan slaven of in enkele gevallen misschien huisdieren,
Het is een mentaliteit die het Westen niet zo snel zal begrijpen, maar die toch duidelijker wordt wanneer je uitgaat van het denkbeeld dat de kern van het eigen wezen een waarheid is die zich voortdurend moet ontwikkelen en die in elke aangegane relatie en verplichting zich volledig en met inzet van leven en persoonlijkheid waar moet worden gemaakt om zelf niet geestelijk ten onder te gaan.
Wat zeker niet alle aspecten van ahara omvat, maar voor u hopelijk voorlopig voldoende is.
Wanneer een japanner een vechtsport beoefent, worden dan zijn bewegingen ook letterlijk uit dat centrum gemaakt?
Men pleegt het centrum wel op een bepaalde fysieke plaats te veronderstellen, maar het beroep op de kracht is eerder gebonden aan een patroon van juistheid dan aan dit fysieke centrum. Elk patroon van werken, kracht, beweging dient een innerlijke evenwichtigheid te bezitten, zodat daardoor het evenwicht van anderen erkend en zo nodig ook verstoord zal kunnen worden.
In de Japanse vechtsporten valt dan ook op dat er altijd sprake is van vloeiende en samenhangende bewegingen, die samen een gehele figuur vormen en eenmaal begonnen, in feite na een eerste aanzet ook geheel ten einde gebracht dienen te worden om erkenning te vinden. Hierbij wekt men zijn krachten vaak op door andere factoren zoals kreten e.d. aan het patroon toe te voegen.
