november 1976
Religie
Als je zegt “religie”, dan denken de meeste mensen onmiddellijk aan kerken en kerkelijke instellingen. Ze vergeten dat er eigenlijk heel wat aan vooraf is gegaan. Je zou kunnen zeggen, dat de religie tot op zekere hoogte zelfs (!) het sociale milieu weerspiegelt. Het klinkt wat ambitieus als je dat zo zegt aan het begin van een lezing. Als we echter rekening houden met bijvoorbeeld de oude Atlantische geschiedenis, dan zien we dat de basis ervan eigenlijk is gelegen bij de Witte Priesters. Dat zijn wijzen, die meestal op een afstand van de mensen leven, die geen orakels verschaffen maar wel over geheimzinnige krachten schijnen te beschikken en in staat zijn om de mensen op de een of andere manier rust en zekerheid te geven.
Zolang het een milieu is van voornamelijk vissers, landbouwers, gaat het allemaal goed. Maar zodra het handel wordt en de eerste steden worden gebouwd, verandert er iets. De mens die dicht bij de natuur leeft, voelt zich eigenlijk zo verbonden met het onbekende dat hij de openbaring daarvan als iets natuurlijks, iets wat in en rond hem plaatsvindt, kan aanvaarden. Maar iemand die in een wat kunstmatiger milieu leeft, staat er toch anders voor.
In de eerste plaats worden zijn levensritmen langzaam maar zeker anders dan die van de natuur. Dat speelt daarbij een rol. In de tweede plaats leeft hij veel meer in contact met zijn medemensen, maar op een andere manier dan de eenvoudige boer of visser. Zelfs de kwestie van samenwerking is een andere. Samenwerking op het land, op zee, dat is een kwestie van elkaar helpen om in leven te blijven. Het is vanzelfsprekend. In een stad, (handels) beschaving, is het eerder een kwestie van: hoe kan ik wijzer van je worden? Daarom is er veel meer behoefte aan raad, aan een ingrijpen van buitenaf, aan hogere bronnen. Hierdoor ontstaan de stadspriesters compleet met tempels, orakels en wat dies meer zij. Waar wij ook gaan kijken op de wereld, overal worden wij met hetzelfde geconfronteerd. Op de eerste plaats komt het leven met het onbekende. Daaruit komen weer wetten en regels voort waaraan men zich moet houden. Ook al weet men niet waarom. Je weet ook dat er bepaalde zaken zijn die je gelukkiger kunnen maken. En als je dat nu weet, dan gaat alles goed.
Nu komt er een stam die een eigen gebied heeft. Dan krijg je te maken met de buitenstaanders. Je moet toch zorgen dat ze niet de beste stukken wild uit je jachtterrein weghalen. Dus heb je iemand nodig die je helpt. Er ontstaat een behoefte aan raadslieden en in zekere zin aan verdedigers. Wat de raadslieden betreft, is dat eenvoudig genoeg, er zijn wijze voorvaderen. Als je die nu maar kunt oproepen, komt de rest wel voor elkaar. Zij vertellen je dan wel wat je moet doen. De voorouderverering is een van de oudste vormen van religie. Mensen die nog niet aan God dachten, raadpleegden wel hun stamhoofden of wijzen uit het verleden.
(Het is voor de spiritisten misschien een blijde mededeling: deze manier van beschouwen van het bestaan, is ouder dan alle bekende godsdiensten.)
Als je eenmaal zover bent dat je ook macht nodig hebt, dan zoek je iemand die sterker is dan alles wat je kent. Het worden goden of godinfiguren, soms in symbolen of in natuurverschijnselen uitgedrukt, waarvan de hoofdeigenschap is dat ze bij de groep, de stam of het volk behoren. Ze zijn als het ware de geestelijke verdedigingskracht van de groep tegen de buitenwereld. Alle magie, die daarmee gepaard gaat, heeft dan ook ten doel om die bescherming intenser te maken en eventueel de god een beetje achter de vodden te zitten, indien hij de vijanden te veel speelruimte laat. Maar goden gehoorzamen niet altijd aan wat de mensen verlangen. En aangezien de goden wel iets moeten weten, begint men weer, zoals men dat ook bij de voorouderverering al heeft gedaan, te zoeken naar kanalen om met hen in contact te treden.
De orakels ontwikkelen zich en langzamerhand ook een eerste vorm van astronomie, astrologie, sterrenwichelarij, het beschouwen van de verschijnselen aan de hemel. De goden worden steeds meer geïdentificeerd met bepaalde voorwerpen of bepaalde krachten. Hoewel, de goden stellen nog geen wetten. De wetten, dat is allemaal nog een kwestie van degene die de macht heeft. Die goden hebben wel hun eigen attributen. Wanneer bijvoorbeeld een kraai op een bepaalde manier over je pad vliegt, dan betekent het dat je je reis niet moet voortzetten. Als er plotseling een stroomversnelling komt in het water waar je doorheen wilt trekken, dan betekent het dat je voorzichtig moet zijn en alleen langzaam en overlegd voorwaarts moet gaan.
De situatie wordt een beetje anders wanneer de kleine machthebbers langzamerhand worden samengebracht onder een hoofd, een vorst, koning, keizer, sjah, emir en dergelijke, geef er maar een naam aan. Deze nu heeft op een gegeven ogenblik behoefte aan meer gezag dan hij alleen uit zijn mannen kan halen en dus gaat hij praten met de priesters, die de goden vertegenwoordigen en de bemiddelaars zijn geworden tussen goden en volk. Deze priesters zeggen dan dat er een uitverkiezing is. Als er een kindje komt, dan wordt er gezegd: Kijk, dat heeft de god gedaan. Iedereen gelooft dat, behalve de vorst zelf. Het resultaat is dat bepaalde vorstengeslachten pretenderen een goddelijke origine te hebben. Dat bestaat trouwens nu nog. De tenno, de keizer van Japan, is ondanks alle democratisering achter alle mythen nog steeds de Zoon van de Zon zelf. Zoals in Egypte Farao ook de stoffelijke vorm van de god was, de zoon van Ra of van welke god toevallig in de mode was.
Het is duidelijk dat op deze manier, juist bij de meer ingewikkelde structuren van de maatschappij en bij de samenhangen waarin de sociale verschillen groter worden, God een belangrijker plaats krijgt. God is als het ware degene die het bestaande in stand houdt. God is de onzichtbare orthodoxie waarbinnen de gemeenschap zich heeft te bewegen. En al heel snel zien we dan ook dat er wetten komen die niet meer aan de vorsten worden toegeschreven maar die uit de tempel worden verkondigd en goddelijke wetten heten te zijn. Nu zijn het er in het begin niet veel, want de meeste vorsten voelen er niets voor de priesters de kans te geven om hun eigen gezag te kleineren of te beperken. Maar als er omstandigheden zijn waardoor een volk eigenlijk geen leider heeft die door een priester wordt geschraagd, dan wordt een goddelijke wet noodzaak. Dat zien we bij het joodse volk.
De wetten van Israël zijn eigenlijk nog niet opgetekend in de tijd van Abraham. Zelfs toen Mozes prins van Egypte was, was er nog geen sprake van een definitieve wet. Die wet komt wanneer tijdens de uittocht de verschillende groepen, waaruit dit eens te vormen volk is samengesteld, grote verschillen van mening krijgen. Men zegt: toen Mozes de berg opging, aanbaden de Israëlieten het gouden kalf. Maar Mozes zou die berg waarschijnlijk nooit zijn opgegaan om de Wet te ontvangen, indien niet velen tot een afgodendienst hadden willen terugkeren en daarmee de eenheid van het volk zouden verstoren. Men mag dat zo niet zeggen, maar historisch gezien is dat toch wel juist.
Wij zien dat de religies eigenlijk hand over hand de macht naar zich toehalen. In Egypte zien we daarvan een heel mooi voorbeeld als we denken aan Ichnaton. Ichnaton was iemand die de mensen wilde vrijmaken van de heerschappij der priesterkaste. Dat is niet altijd voldoende begrepen. Elke mens kon met God in contact treden. Daarvoor waren er geen priesters en orakels nodig. Dit dreigde echter de werkloosheid van de priesterstand aanmerkelijk te doen toenemen. Daar hebben zij zich tegen verzet. Het resultaat is dan ook geweest dat deze dichterlijke ziener, de profeet van een oude en toch weer nieuwe waarheid, te gronde werd gericht. Zelfs heeft men de stad die hij heeft gebouwd, weer aan de woestijn overgeleverd. Daarvan mocht niets overblijven. Het was de macht waar het om ging. De goden werden de steunpilaren van de macht van de priesters.
Velen van u zullen zeggen: dat was wel zo in het verleden en in het heidendom, maar in deze dagen bestaat dat niet meer. Wacht u eens. God speelt een grote rol, overal. Hoe komt het, denkt u, dat Constantijn de Grote de overwinning heeft behaald? U kent de bekende legende: Er verscheen een engel die zei: “In hoc, signo vinces”. Constantijn nam het teken van het kruis aan en hij overwon. De werkelijkheid is natuurlijk een beetje anders geweest. Er waren nogal wat christenen in zijn rijk die wel wat invloed hadden aan het Hof. Constantijn had daar niet zoveel op tegen. Toen hij ontdekte dat zijn eigen macht in groot gevaar kwam, vroeg hij hen om hulp. De christenen hebben gezegd: dat willen wij wel doen, maar wij kunnen alleen vechten voor Jezus Christus. Dus moet u het teken van Jezus Christus op de krijgsbanieren zetten. Dat heeft Constantijn prompt gedaan. Hij dacht er zo met een koopje van af te komen.
Maar zo goedkoop was het ook weer niet. Want omdat hij dit moest verklaren, zei hij dat hij dat in een droom, een visioen had gezien. En toen hij had overwonnen, zat hij er meteen aan vast: hij was christen. Van dat ogenblik af werd hij in feite voor een groot gedeelte geregeerd door priesters en door monniken. Zij wisten precies uit te leggen wat God wel wilde en wat Hij niet wilde. Onder ons gezegd en gezwegen, ik meen dat zowel de culturele bloei van het Oost-Romeinse rijk als de ondergang daarvan mede aan dit verschijnsel te wijten zijn.
Een ander voorbeeld: In Afrika bestond het nationalisme al een heel lange tijd. Het nationalisme was er al voordat er Engelse koloniën waren in Afrika. U kunt nagaan hoe lang dat geleden is. De Engelsen hadden daar hun macht. Gelukkig was er een profeet die de heilige oorlog had verkondigd. En ja, als je dan iemand moet aanmoedigen om alles te riskeren, wat zeg je dan? Als je valt in een heilige oorlog, dan zul je onmiddellijk binnengaan in het paradijs. Hetzelfde trucje eigenlijk dat ook de baas van de hachichins (de moordenaars) heeft uitgehaald. Hij liet hen in een soort roes een paradijsachtige toestand beleven. Toen zei hij: “Ga nu maar iemand vermoorden; als je er zelf bij sterft, is dat niet erg want dan kom je meteen in het paradijs.” Al die sukkels geloofden dat.
U heeft misschien wel gehoord van het beleg van Khartoem waarbij een heel garnizoen heldhaftig ten onder ging. Waarom verloren ze van slechter georganiseerde en bewapende mensen? Omdat ze eenvoudig wilden sterven. Want sterven op het slagveld was de zaligheid vinden. In het leven hadden zij niet veel, dus kon het later nooit slechter maar alleen beter worden.
Op dezelfde manier gebeurt het nu nog in bepaalde landen dat men de mensen toeroept: “Het is Gods wil dat wij de vrijheid van godsdienst, de democratie van het volk verdedigen. God is met ons en in deze gerechtvaardigde strijd zal Hij uw offers belonen.” Jawel. De religie is eigenlijk heel wat anders dan het innerlijk beleven. Toch heeft ook dat zijn ontwikkeling gevonden. Het is misschien wel aardig daar verder op in te gaan om een vergelijking te kunnen maken.
De oorspronkelijke Witte Priesters van Atlantis waren eerder mystici, filosofen dan dat ze priesters waren. Dat wil zeggen, zij waren niet in de eerste plaats bemiddelaars tussen mensen en goden. Zij waren eerder belevers van een andere werkelijkheid waaruit ze soms de kracht konden putten om een medemens te helpen. Maar dat was voor hen zelfs bijna incidenteel. Zij leerden werelden kennen van allerlei natuurkrachten en van geestelijke krachten. Voor hen was dat heel natuurlijk. Je kwam met hen normaal in contact. Je voelde dat aan, je leerde dat beleven. Iemand hielp je misschien een beetje en voordat je het wist was je zelf een Witte Priester.
Toen de eerste ramp van Atlantis te gebeuren stond, zijn een groot aantal van die Witte Priesters weggetrokken. Een deel van hen is terechtgekomen in het ondertussen weer ontruimde Tibet, andere groepen van hen hebben zich ook begeven naar Zuid Amerika. Zij vonden daar echter een heel andere situatie want ze zaten als buitenstaanders in een land met een andere bevolking. Daarom was het nodig hun eigen heiligheid te bewijzen, wilden ze daar rustig kunnen existeren. Het gevolg was, dat zij zich tot een soort geestelijke leiders opwierpen waarbij zij echter niemand verplichten. Let wel, zij brachten de mensen geen geboden van de goden maar ze brachten tekenen waardoor de mensen wisten: daarin schuilt een hogere macht.
De eerste leerlingen kregen zoals gebruikelijk toestemming om in hun nabijheid te vertoeven. Dat is iets wat in India soms nu nog bestaat, waar een deel van het geestelijke leren bestaat in het samen met de Meester te mogen mediteren in absolute stilte. Zo begon dat, maar al snel werden dat inwijdingsscholen want de geestelijke kennis werd doorgegeven, maar vaak ook restanten van meer technische kennis die uit het Atlantische rijk afkomstig waren. Het eindresultaat was een aantal inwijdingsscholen verspreid over de gehele toenmaals bekende wereld, zelfs tot in het zuiden van Afrika toe. Dus niet alleen maar, zoals u zult denken, Zuid-Amerika en Azië. De meeste scholen werden op den duur zozeer gezocht dat het nodig was een selectiesysteem toe te passen. Die selectie werkte ongeveer als volgt: Je kon nooit direct bij een Meester terechtkomen. Je wist ook niet waar hij zat of wie hij was, maar er waren wel mensen, die je iets leerden. Het is als het volgen van kleuteronderricht, lagere school, middelbaar onderwijs en dan, als je alles goed had gedaan en ook een paar proeven van hogere bekwaamheid had afgelegd, was je pas geschikt om bij de Meester te worden toegelaten.
De Meesters gaven hun leerlingen dan ook de vrijheid om de werken van de oude filosofen en denkers (wat daarvan was vastgelegd) in te kijken. Zij gaven hun de mogelijkheid om te experimenteren met de krachten die ze hadden. Zo ontstonden de geestelijke inwijdingsscholen die eigenlijk voornamelijk ten doel hadden om de innerlijke waarde, het contact met een grotere werkelijkheid mogelijk te maken. Maar elke keer als er zoiets tot stand komt, zijn er ook mensen die denken: “Aan al dat mediteren heb ik niet zoveel. Als ik nu maar een paar wonderen kan doen of ze zelfs maar kan imiteren, dan zit er een goede broodwinning in, dan ben ik iemand.”
Zo kwamen er inwijdingsscholen die helemaal geen inwijdingsscholen waren, maar eerder technisch onderricht gaven: hoe kun je zover komen dat je bepaalde zaken kunt vertonen. Daar ging het eigenlijk om. Het is duidelijk dat juist deze scholen zich in vele gevallen ook nog ontwikkelden tot uitgebreide technische scholen waarin kruidkunde, geneeskunde, lezen en schrijven en dergelijke dingen werden onderwezen.
De geheimscholen zijn eigenlijk voor een groot gedeelte gescheiden van de religie. In enkele gevallen vloeien ze daarmee samen, omdat het gezag van de priesters eenvoudig niet te ontwijken is. Dat is in Egypte enige tijd zo geweest. Maar zelfs dan vinden wij de werkelijke inwijdingen vaak in aparte nederzettingen of kloosters diep in de woestijn of op een andere manier geïsoleerd van de rest van het volk. Deze groeperingen laten weer onderricht na dat zich voortdurend vervormt want de invloed van een religie kun je niet teniet doen. Zodra er een goddelijk gezag of een goddelijke wet is gestipuleerd, zal de gehele gemeenschap meer en meer gaan reageren alsof die wetten onontkoombaar zouden zijn. Men gaat dan zelfs zo ver dat men elke onaangename gebeurtenis als een verwijt of een straf van God gaat beschouwen, behalve in het christendom. Daar wordt gezegd dat God juist zijn liefste kinderen beproeft. Waarschijnlijk om duidelijk te maken dat ook de vroomste mensen wel eens tegenslag kunnen hebben.
Als je dit alles overziet, dan kom je als vanzelf bij de rol die de godsdienst in de moderne tijd speelt. Is het u wel eens opgevallen dat bijna geheel West-Europa, ongeacht de ontkenning ervan, eigenlijk wordt geregeerd door christelijke dogmatici, door mensen die goddelijke wetten, zoals zij die menen te kennen, aan een ieder willen opleggen? Deze mensen noemen zich vaak democraten en zijn dat ook onmiddellijk zodra je het met hen eens bent. God wordt een soort strijdmiddel. God is de rechtvaardiging van de houding die je inneemt tegen andere systemen. Het kan nooit Gods wil zijn dat we communisten worden. Godloochenaars kunnen door God nooit worden aanvaard. Ze kunnen misschien zalig worden door hun manier van leven, maar zij volgen de wet niet en wij wel. Voelt u waar het om gaat?
De godsdienst, hoe eerlijk ook de leer, hoe intens ook als innerlijke waarheid ervaren, kan eigenlijk alleen zijn zin en betekenis ontlenen aan de innerlijke beleving van de mens maar die geldt alleen voor hemzelf. Door er echter een organisatie van te maken, maak je er een macht van. En het is juist de macht die een dergelijke organisatie bekleedt, die haar zo aantrekkelijk maakt voor een zeker soort mensen.
Heeft u wel eens de kardinalen van de Curie (pauselijke ministeries) bijeen gezien? U moet eens kijken naar deze mensen. Natuurlijk, zij voelen zich vroom en hun uiterlijk is misschien vroom, maar kijk ook eens naar die verbeten, heerszuchtige trekken. Kijk eens naar die bleke, wat ingetrokken lippen. Kijk naar die wat toegeknepen, stekende ogen en leg nu daarnaast een aantal overtuigde dictators. Bij al die mensen die beweren Gods wil uit te voeren door hun medemensen om te brengen, ziet u hetzelfde type. Je ziet dezelfde gelaatstrekken. U ziet dezelfde nauwelijks aan verwatenheid ontkomende nederigheid gepaard gaand met een begrip van “ik ben sterker en meer dan jij, want ik heb de macht Gods.”
Dat is nu typerend voor al die dingen. Of u dat nu probeert te zien in een christelijke wereld of u gaat naar een moslimwereld of u gaat zelfs naar de belangrijkste brahmanen van India, u gaat kijken bij de werkelijke leiders van de grote taoïstische en andere bewegingen zoals ze nog elders bestaan, u zult dezelfde eigenschappen, dezelfde gebaren, dezelfde eigenaardige gelaatstrekken zien. Natuurlijk, je ziet een glimlach. Maar is die glimlach echt? Ik geloof, dat het “say cheers” eigenlijk is afgeleid van een veel ouder gezegde “Zeg Jezus”, dan heb je ook dezelfde grijns om de lippen.
Het gaat ons niet alleen om de betekenis en de waarde van de godsdienst in het verleden. U zit vandaag de dag ook opgescheept met de godsdienst. Neemt u mij niet kwalijk dat ik het zeg, een CDA (politieke partij in Nederland: Christen-Democratisch Appèl, red.) is een Volkswagen die op God moet lopen, maar je weet niet waar je hem moet tanken. Een CDU (politieke partij in Duitsland: Christlich Demokratische Union, red.) is precies hetzelfde. En zo zou ik er meer kunnen noemen. Al deze groeperingen zijn machtsgroeperingen. Maar juist door hun duidelijk streven naar macht, naar orthodoxie (vergeet niet, God is de behoudzuchtige factor), naar de uiterste voorzichtigheid opdat er niet teveel verandert, opdat de boot vooral niet aan het schommelen raakt, verwijderen ze gelijktijdig veel mensen niet alleen van hun machtsstreven maar ook van hun religieuze zekerheden.
Het wordt steeds duidelijker in deze tijd dat er een groot verschil is tussen datgene wat Jezus heeft gepredikt en wat men in zijn naam probeert te doen. Dat er ook een heel groot verschil is tussen de voorschriften en wetten zoals ze in de soera’s van de Koran staan en datgene wat de politici in naam van alle moslims ter wereld tot stand proberen te brengen. Daarom is er sprake van een ontkerstening, een verdwijnen van godsdienstigheid bij zeer velen. Je kunt naar een uitvlucht zoeken, en dat gebeurt ook in ruime mate. Je kunt je begeven in een groep mystici die hun eigen mystiek beleven en vaak daarbij ook bepaalde gezonde filosofieën uitdrukken in beelden van oude godsdiensten en ze misschien baseren op eenzelfde geloofswaarde, maar die hun hele benadering van het bestaan zo totaal anders richten dan dit kerkelijk normaal geschiedt, dat je hen eigenlijk niet meer kunt rekenen tot de christenen in de oude gevestigde zin van het woord.
Anderen trekken naar groepen die misschien geen goddelijk gezag hebben en daardoor een beetje meer inspraak willen verdragen, die niet alleen vaderlijk willen bepalen wat goed voor je is en je soms je zin geven, maar die je een eigen verantwoordelijkheid opdragen die je de kans geven om op je eigen manier en zonder een enorm machtsmisbruik een weg te zoeken in de wereld. Dat is een situatie waarin men op het ogenblik verkeert in de meeste landen van de wereld. De invloed van de godsdienst op de mensen wordt steeds groter. Veel belijdenis is in feite lippendienst geworden. Maar er zijn steeds meer mensen die in zich een wet gaan ervaren die voor hen goddelijk is, maar die ze beseffen niet aan anderen duidelijk te kunnen maken of op te leggen. Deze mensen vormen op het ogenblik het grote leger van hen die in God geloven, die proberen Gods wil te leven en tevens toch niet als zendelingen of missionarissen, machthebbers, zelfs politieke organisatoren willen optreden.
Het is deze onbekende en veelal zwijgende groep die een grote rol speelt in de ontwikkeling van de religie en het geloof van morgen. Het is dan ook duidelijk: in deze tijd wil de mens niet meer geloven in de noodzaak om orakels te raadplegen en het gezag van iemand te aanvaarden waarvan men nu wel weet dat hij eigenlijk ook maar een mens is. Dit intensiveert het verlangen naar innerlijke bereiking. De manieren die daarvoor worden gebruikt, zijn vele. Ze lopen in het Westen uiteen van oosterse filosofieën, de Krishna-groepen, bepaalde groepen van Jesus People, Baptistische gemeenschappen die soms zeer progressief zijn tot Vrijmetselaars, Rozenkruisers en alle andere groepen die een bepaalde geheimleer aanhangen. Deze mensen ondergaan een innerlijke verandering. Hoe ver die innerlijke verandering zich zal kunnen doorzetten, is voor een deel afhankelijk van de vraag hoezeer de groep waartoe zij behoren geïnstitutionaliseerd is. Naarmate het meer een lichaam is geworden met vaste hiërarchieën, gezagsverhoudingen en regels, hoe kleiner de kans op een volledige innerlijke ontplooiing. Maar de verschuiving is in ieder geval naar het innerlijke.
De religie is het uiterlijke beleven, het uiterlijk kenbaar maken van het geloof geworden. Maar gelijktijdig het uiterlijk beleven van een goddelijk gezag door wetten, die je iedereen oplegt en waaraan je je natuurlijk zelf niet helemaal houdt. Deze dingen gaan wel weer voorbij. Ik meen niet dat de religie uit de mensheid is weg te branden. Zelfs atheïstische of God ontkennende groeperingen beginnen langzaam maar zeker een soort ideaalbeeld te ontwerpen, een hemels Jeruzalem, uitgevoerd in rood en met Marx in plaats van het kruis in top. Maar de droom blijft en in die droom de mystiek van het innerlijk verweven zijn met het onbekende. Dat kun je niet teniet doen.
De goddelijke wetten, de kosmische wetten, die in elke mens een rol spelen, kun je ook niet wegvagen. Maar de godsdienst moet vrij komen te staan van macht. De godsdienst moet een innerlijk beleven voor elke mens mogelijk maken en niet alleen maar een uiterlijke vorm bieden waarin men zich geborgen kan voelen. Religie behoort strijd te zijn, maar dan wel een strijd met jezelf in de eerste plaats, niet een strijd om macht over anderen te verkrijgen. Als je dit gaat beseffen, dan zeg je: de verandering in de mens die zich in zijn leven weerspiegelt, zal op de toekomstige vorm van de maatschappij, van de samenleving een veel grotere invloed uitoefenen dan alle uiterlijkheden. En misschien is het wel daarom dat veel van deze zich op God baserende politiek zo vertekend is, zo karikaturaal wordt dat ik het haast een dwaasheid zou willen noemen.
Wat de mens bidt, is zijn eigen zaak. Dat hij dikwijls bidt op een dag, is zijn eigen zaak. Dat hij zich daardoor met God verbonden gevoelt, is een zegen voor hem. Maar zodra hij dit als politiek argument gaat gebruiken in verkiezingen, neemt hij de gehele waarde en betekenis er van weg. Als je dat eenmaal begrijpt, ga je zoeken naar de innerlijke mensen, de innerlijke kracht. Dan kom je terecht bij inwijdingen, zeker. Maar geen inwijdingen waardoor je macht krijgt in de wereld. Eerder inwijdingen waardoor je de wereld anders ziet en beleeft. De mensheid staat volgens mij op het ogenblik op een kruispunt. Ze kan nog alle kanten uit. Teruggaan zal ze wel niet. Zou ze verdergaan in de richting van een innerlijke ontplooiing, dan zal de mensheid in korte tijd volwassen zijn. Dan zal ze met een nieuwe geestelijke rijpheid in staat zijn om haar innerlijke zowel als haar materiële problemen te regelen en dit zonder de honger naar bezit of macht voorop te stellen. Of ze kan grijpen naar machtsstrijd, het bewust creëren van tegenstellingen. Dan zal deze mensheid in afzienbare tijd zichzelf te gronde richten. Of ze kan alleen haar eigen denken en niet haar eigen beleven van waarde gaan achten. In dat geval maakt ze zichzelf tot een mierenstaat waarin eigen denken en gedrag alleen in zoverre toelaatbaar zijn als ze zich als aanvullende factor voegen in het bepaalde orthodoxe geheel.
Het is duidelijk dat in al deze vormen de religie een rol kan spelen. Maar het is ook duidelijk dat God als een werkelijke factor alleen langs de weg van inwijding beleefbaar wordt, want godsdienst is er niet om werelden te scheiden. Een religie is er niet om te vertellen wat er later komt. Ze zijn er om duidelijk te maken wat nu bestaat, wat er nu is. En om door de beleving van het nu zijnde, van de krachten van het nu bestaande – ook in u – u de erkenning van een leven dat anders is dan men het op aarde pleegt voor te stellen, het nieuw en anders beleven van de betekenis van dood en lijden, de mens te maken tot een wezen dat waarlijk de kosmos kan betreden zonder ooit terug te schrikken voor zaken die deel zijn van het geheel en van de kosmische wetmatigheden die de uitdrukking zijn van Gods wet in alle schepping.
Houdt God de godsdienst samen?
Of God de godsdienst samenhoudt? Eerlijk gezegd, geloof ik het niet. God behoeft geen godsdienst samen te houden, omdat Hij het geheel van zijn schepping is. Daar we duidelijk kunnen zien dat alle godsdiensten voor de meerderheid in feite een verminking van de mens in zijn persoonlijk beleven van God tot stand brengt, kan ik niet geloven dat God deze techniek om leven van hem te isoleren, op enigerlei wijze in stand zou willen houden.
Onthoudt u een ding: Jezus heeft geen kerk gesticht, maar een gemeenschap. Als christenen een gemeenschap zijn, dan kan het beleven van de Christus God inderdaad in hen manifesteren, innerlijk kenbaar maken. Maar we mogen niet door het bestaan van kerken afleiden dat God daarin zit. Anders komt u in de richting van Boccaccio (n.v.d.r. °1375, dichter, schrijver en humanist) die in zijn vele, vaak zeer smeuïge en kruidige vertellingen, het verhaal opneemt van de jood die naar Rome ging. Men zei hem: je moet je bekeren. Er waren in die tijd enorme schandalen: de pausen misdroegen zich, er was een oorlogje tussen bisschoppen e.d. Toen de jood terugkwam, dacht iedereen: hij zal zich wel niet bekeerd hebben. Maar de jodenman zei: “Als ondanks dat alles die zaak al bijna 1500 jaar bestaat, wil ik aandeelhouder worden”.
Dit is maar een verhaaltje. Het heeft niets te maken met de werkelijkheid. Het is propaganda. De werkelijkheid is deze: Alleen de mens die zich innerlijk gesterkt voelt, ongeacht de regels en het afwijken van regels die buiten hem een rol spelen, beleeft op zijn manier het hogere en kan de kracht van die beleving, maar niet de beleving zelf, delen met anderen. Ik vrees dat dit in de meeste kerken te weinig het geval is om hierin een directe manifestatie van Goddelijke Kracht te zien. U moet mij dat vergeven. Ik ben waarschijnlijk een oude agnosticus, al ben ik in mijn tijd natuurlijk ter kerke gegaan, al was het alleen maar om de gezellige borreltafel daarna.
Commentaren
Als je je bezighoudt met de geschiedenis van de religie, dan probeer je bepaalde dingen netjes neer te zetten. Ik kom dan tot de volgende conclusies:
Elk geloof is een poging van de mens om zich te ontdoen van het onbekende door het een naam te geven.
Hoe meer mensen geloven, hoe meer mensen beter worden van de gelovigen.
Alle krachten die door het geloof worden opgeroepen, werken in de mens zelf. Alle krachten die door de godsdienst worden opgeroepen, werken buiten de mens om.
Het is misschien vervelend om dat zo te zeggen, maar heel wat nationale helden en heldenfiguren hebben ten slotte hun avonturen te danken aan een godsdienst en niet aan hun eigen geloof. Neem nu maar Godfried van Bouillon. Deze mens zou nooit zo bekend zijn geworden als hij niet zoveel gekke dingen had gedaan en als er geen Peter van Amiens was geweest. Hij was als het ware de propaganda-agent van de nieuwste rooftochten in naam van het H. Graf.
En als je zo de hele wereld rond gaat, dan vraag je je wel eens af: hoe komt het toch dat zoveel mensen hun geloof gebruiken als rechtvaardiging voor het onrecht dat ze anderen aandoen? De meeste mensen zeggen: onze God is een machtige en rechtvaardige God. Kennelijk vinden ze dit iets wat niet navolgenswaard is, want in hun onmacht zijn ze voortdurend onrechtvaardig. Hun onrechtvaardigheid trachten ze te beschouwen als een bron van macht.
Wie nu het geheel van de geestelijke ontwikkeling in de inwijdingsscholen nagaat, kan wel zeggen: zolang er sprake is van inwijding, is er eigenlijk geen sprake van school. Zodra het meer school wordt, is er minder sprake van inwijding. Want inwijding is een innerlijk proces, dat kun je niet leren, dat moet je ervaren.
Als je zegt dat je iemand kunt leren hoe hij moet ervaren, beïnvloed je hem dermate in je eigen richting dat hij door de eenzijdigheid zijn innerlijke waarheid niet meer geheel kan beseffen.
Nu kan ik begrijpen dat er mensen zijn die zich boos maken over iedereen die iets kwaads durft zeggen van het geloof. Dat komt omdat zij in het geloof geloven. Maar het zijn vaak degenen die in het geloof geloven wat het geloof zegt wat ze moeten geloven, die in een innerlijk geloof meer tot stand brengen dan anderen, die handelen volgens hetgeen het geloof hun zegt te geloven. Het is ongeloofwaardig, als je het zo bekijkt. De werkelijke ontwikkelingen komen echter zelden uit de discipline voort, maar van daarbuiten. Zelfs in het christendom kunnen we dergelijke voorbeelden vinden.
Luther was een opstandeling. Ook Thomas van Aquino, die de “vader van de theologie” wordt genoemd door de mensen die hem niet begrijpen, was in feite een opstandeling. Thomas à Kempis was een groot mysticus, maar hij werd tevens voor velen de rechtvaardiging van pretenties, die ze alleen in eigen droomleven voor een enkel ogenblik kunnen waarmaken. Ik heb het gevoel dat zeer veel van hetgeen een geloof zegt te zijn, is opgehangen aan degenen die al dood zijn. Bij voorkeur aan degenen die zijn opgehangen om hun geloof of op andere wijze wreedaardig om het leven zijn gebracht. Het is toch eigenlijk wel zielig dat je als heiden plotseling tot heilige wordt als je sterft voor het geloof, als het maar het juiste is.
Ik kan dat natuurlijk niet geloven en heb dan ook altijd de neiging te vragen: hoe komen jullie eigenlijk ertoe uit te maken wat God doet? Als we eerlijk zijn, zeggen we: er is in ons een beleven van God. Of dat de totaliteit is, weten we niet, maar daaruit kunnen wij voor onszelf wel een reden van ons bestaan en denken vinden. Laten we ons daar dan maar aan houden, dan vinden we voortdurend de innerlijke kracht om alles uiterlijk waar te maken. Maar op het ogenblik dat wij gaan zeggen: “In mij heb ik een begrip van God en dat is de enige waarheid”, zijn we zo verwaand geworden dat we niet meer in staat zijn te zien waar we falen.
De godsdienst is in de loop der tijden in wezen een machtsinstrument geweest in handen van degenen die het hanteerden. Dat hebben zij zelf waarschijnlijk niet beseft. Wij moeten niet denken dat degenen die misbruik maakten van wat in een kerkelijk geloof is vastgelegd, dat deden omdat ze misbruik wilden maken. Integendeel, zij overtuigden zichzelf ervan dat wat zij deden, het enig juiste was. Want mensen bedriegen zichzelf nu eenmaal graag. Maar dat kun je alleen doen indien je God niet in je innerlijk toelaat.
Mogelijk denkt u dat ik nu bezig ben een aantal hatelijkheden te spuien. Dat is misschien wel waar gezien vanuit een bepaald standpunt, maar aan de andere kant probeer ik toch ook een beetje de waarheid te spreken. Ik geloof, dit is mijn persoonlijk geloof dat ik niemand wil opdringen, dat wij de kracht die wij in ons ervaren, waaruit we steeds beter beseffen te leven en waardoor we voortdurend meer van dit leven bewust zien, God mogen noemen. Ik geloof dat dit voor mij God is. Ik geloof dat we door deze kracht een inhoud vinden in ons wezen, die niet is te formuleren en waarvoor elke formulering als tijdelijke omkleding bruikbaar is. Ik geloof dat ons werkelijk leven zo veelomvattend is dat door te stellen dat dit leven het voornaamste is en dat Gods wil hierin het voornaamste is in de vorm waarin zij door anderen wordt verkondigd, dit gelijktijdig een vervreemding betekent van onze werkelijkheid.
Dit zijn geloofszaken. Maar per slot van rekening, iedereen verkondigt tegenwoordig zijn geloof. (Ik heb net weer gehoord dat de een of andere minister heeft gezegd dat het volgend jaar economisch beter zal worden. Als je naar de gegevens kijkt, is dit een geloof). Ongetwijfeld hoop ik dat de gelovigen de kracht zullen vinden om hun geloof waar te maken. Maar als alles in feite een beetje geloof is, waar blijf je dan?
Je moet maar eerst beginnen te constateren dat de hele wereld is opgebouwd uit geloof. Als u van de giro een papiertje krijgt waarop staat dat uw tegoed op het ogenblik f 1.722,33 is of zoiets, gelooft u dan dat u het geld werkelijk heeft? Gelooft u dat het er werkelijk ligt? Vergeet het maar. Het staat alleen met een paar getalletjes op papier. Dit is een illusie. Maar als iemand u vertelt dat u, door deze of gene daden te stellen, van God bepaalde genaden zult verwerven en u krijgt alleen maar de bevestiging dat het nu in orde is zonder dat er iets gebeurt, dan heeft u toch met hetzelfde te maken. Anders gezegd, het geloof is vaak een giro instelling waarbij de onderlinge onregelmatigheden van het menselijk ras in een voortdurende uitwisseling een schijnbare progressie van persoonlijke en geestelijke gegevens mogelijk maken zonder dat er daardoor een feitelijke verandering optreedt.
Nu is daar nog de vraag of wij een geloof kunnen delen met een ander. Ik geloof dat je het geloof met een ander kunt delen indien je bereid bent hem zijn eigen waarde te laten. Op het ogenblik echter dat je de waarde van je godsdienst of lering aan een ander oplegt, ongeacht zijn inhoud en wezen, vernietig je hem daarmee of je vernietigt de waarde van je godsdienst. Er zijn mensen geweest, die anderen hebben gezegd, kiezen of delen, geloven of vierendelen. Dat is dan ook gebeurd. Er zijn mensen geweest die, zoals Karel de Grote, de Saksers bekeerden, anderen bekeerden met een eenvoudig proces: “Gelooft gij in Jezus Christus? Zo ja, loop door. Zo neen, kop eraf”. Wat natuurlijk zeer bijdraagt tot de eenvormigheid van het geloof in je eigen milieu. Maar kom je daar werkelijk verder mee?
Wat is de waarheid van al deze dingen? Soms vraag je je dat af. Dan denk ik aan Jezus Christus. Ik denk aan de legende die ze van hem hebben gemaakt. Dan zie ik daarachter een sterke lichtende werkelijkheid en ik weet dat die bestaat. Dan kijk ik naar iemand die ze de enige profeet hebben gemaakt, Mohammed. Ik zie een mens die innerlijk verlicht was en die ondanks alles zelf veel van de goddelijke waarheid heeft beleefd. Ik zie een Gautama Boeddha, die erkende hoe eenvoudig het leven moet zijn en hoe rechtlijnig als je God voortdurend wilt beseffen. En ik zie ook wat ze ervan hebben gemaakt. Als je het mij vraagt, dan is ook daar de bewustwording zoek.
Ik kijk naar al die dingen, die op zich waar zijn, maar die onwaar worden omdat de mensen er het hunne aan hebben toegevoegd. Soms denk ik wel eens: er zou op aarde een godsdienst moeten zijn, maar er zijn teveel koks. De een gooit er teveel peper in, de ander teveel wijn, een derde zout het nog wat bij, weer een ander vindt dat er nog wat foelie en kruidnagel bij hoort en als je het dan proeft, kun je kiezen: walgen of tegen wil en dank beleefd slikken.
Ik meen, dat er een waarheid is. Als ik vanuit mijn eigen bestaan God beleef, dan is dat een bewijs dat God bestaat, voor mij. Wanneer ik vanuit mijn eigen bestaan voortdurend zie hoe datgene wat ik ben, wordt beïnvloed door mijn beleving van mijn God, dan moet ik toegeven dat ik in zekere zin godsdienstig ben omdat ik voortdurend probeer te beantwoorden aan datgene wat ik van die God in mij meen te herkennen. Maar gelijktijdig geef ik toe dat ik een hekel heb aan een godsdienst die mij vertelt hoe ik innerlijk moet voelen. Ik moet dan ook zeggen dat ik nog steeds blijf bij de stelling dat theoloog alleen vervoegd kan worden. Theo liegt nog steeds. Want alle filosofie en alle schijnbare kennis en pseudo logica omtrent het hogere moet altijd stranden op de innerlijke beleving die noodzakelijk is om die zaken waar te maken.
De waarheid is in de loop der geschiedenis steeds meer verdrongen door de menselijke behoefte daarvan profijt te trekken. Als je optimistisch de toekomst tegemoet wilt gaan, moet je denken aan een wereld waarin mensen en geesten versmelten tot een eenheid waarin God niet meer een mythos is of een kracht die je naar believen kunt ontkennen, erkennen of alleen in een bepaald systeem erkennen. Dan moet God iets zijn wat in elke mens leeft en voor eenieder in al het zijnde op enigerlei wijze manifest is. Mijn commentaar op het geheel is tamelijk gauw en eenvoudig gegeven: Altijd weer heeft de mens in zich het geheim, het onbekende aangevoeld. En altijd weer heeft hij daarin iets ontmoet wat we God kunnen noemen. En altijd weer hebben anderen daarvan misbruik gemaakt om de mens aan banden te leggen en hem zo willens en wetens vaak vervreemd van de krachten die in hem wonen.
Indien de mens ooit zijn werkelijk erfdeel wil ontvangen (er zijn nogal wat groepen die leren dat wij allen kinderen Gods zijn), dan zal hij eerst moeten beginnen met zijn Vader te zoeken, niet met hem te verkondigen. Wanneer wij in onszelf de waarheid vinden en deze leven, dan is dat de enig juiste verkondiging van de kracht die ons allen voortbrengt. Ik meen dat de toekomst voor steeds meer mensen de behoefte zal scheppen om God metterdaad waar te maken. Ik geloof dat dit zal voeren tot een vergroting en intensivering van al datgene wat wij mystieke beleving van God noemen, maar dat dit tevens betekent een verduidelijking van het gedrag van de mensen waarin eeuwige wetten een steeds grotere rol zullen spelen.
Ofschoon mijn geëerde collega en voorganger meent dat er andere wegen zijn die de mensheid kan inslaan, ben ik zo vrij om te veronderstellen dat dit niet het geval is. Want als jullie een andere kant uitgaan, dan blijft er geen mensheid meer over. Dus kan de mensheid alleen die richting inslaan. Indien de mensheid zou falen en in stoffelijke vorm te gronde gaat, dan ben ik er nog van overtuigd dat de geesten van de mensheid op de ingeslagen weg zullen verder gaan. Desnoods zullen incarneren ergens aan de andere kant van deze Melkweg op een andere planeet, maar levend en zoekend naar dezelfde krachten die zich op dit ogenblik in toenemende mate in de mensheid roeren.
Hiermee wil ik eindigen. Het is niet dat ik niet wil doorgaan, maar als je zegt “commentaar”, dan is dat gegeven, meen ik. Ik wil er nog dit aan toevoegen en dat is voor degenen die soms boos zijn, een klein denkertje: De meeste mensen worden niet al te boos als je slechte dingen van hen vertelt, behalve natuurlijk als het waar is. Mogelijk kunt u dit eens overwegen als u emotioneel zou reageren.
Contact
Toen de luchtvaart pas begon, was één van de kreten: Vóór vrij? Contact.
Wanneer wij een ogenblik vrij zijn van de remmingen die ons wezen voortdurend en in velerlei vormen dwingen op de grond te blijven, dan kan onze geest opwaarts wieken en de werkelijkheid van het Goddelijke beleven.
Contact met God, met de geest, met al die werelden die zo vlak bij de mensheid staan, is alleen mogelijk indien je kunt loskomen van je te sterke gebondenheid aan aardse redeneringen, menselijke logica en dogmatiek. Daarom zeg ik tot u: als u vrijheid zoekt, zoek uw eigen vrijheid. De vrijheid die in de eerste plaats innerlijk is. Zoek in die innerlijke vrijheid het intense contact met de werkelijke krachten van het zijn te vinden. Dit alleen kan u helpen uzelf waar te maken op een wijze die door geen eeuwigheden van tijd weer ongedaan kunnen worden gemaakt.
Geduld
Wat is geduld? Het vermogen om te wachten. Maar wacht je werkelijk wel als de wereld verder gaat en al verandert? Geduld heb je eigenlijk alleen als je eigen drift, noodzaak en illusie weet uit te stellen. Als je zegt: het zal nog wel komen. En zo je droom niet de werkelijkheid opdringt terwijl je die nog niet geheel kunt verdragen.
Geduld betekent ook het vermogen te aanvaarden dat wat je niet beheerst, jou steeds zal beheersen en dat verweer maar weinig baat, tenzij het “ik” een eigen wet erkent en deze voor de kosmos laat gelden waarin het ooit zich zelf beseft.
Wie geduld tot deugd verheft, gaat wat ver, vrees ik. Maar wie zegt: geduld is een werkelijkheidsbegrip waarbij het nutteloze jagen, het steeds voortgaan in de tijd kan plaatsmaken voor een wachten in een besef van doelmatigheid, van rustig zijn zolang er geen dwang bestaat, die leert voor het eerst iets van de eeuwigheid erkennen waarin het Al, dat toch tegelijkertijd aanwezig is, afwisselend wordt beleefd. Wie zo in geduld met al wat rond hem is z’n zijn en krachten geeft aan de mogelijkheid die nu bestaat, hij vindt niet slechts de eeuwigheid, maar ook een wereld die beter hem en die ook hij veel beter steeds verstaat. Als je denkt dat je geduldig bent, ben je al ongeduldig. Maar wanneer je werkelijk wacht in de erkenning van de noodzaken en mogelijkheden zonder verzet, dan spaar je zoveel krachten dat anderen hun geduld wel eens verliezen door het tempo dat je ondanks je rust ontwikkelt.
Mag ik u toewensen dat u ook in geestelijk opzicht op deze wijze verder zult komen?
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
