oktober 1964
Vandaag
Vandaag is er een kleine opstand uitgebroken in een Afrikaanse staat; er is een groot ongeval geweest in China; er zijn enkele rampen geweest in Amerika; er is door een kleine groep een nieuw besluit genomen tot revolutie in een van de kleine Zuid-Amerikaanse staten. Zo te zien alles als gebruikelijk. Wat we echter over het hoofd zien bij dat gebeuren van vandaag, is een wel wat nog verborgen maar toch steeds duidelijker tot uiting komende tendens, die eigenlijk een omverwerping van vele dingen a.h.w. voorspelt. Het is voor de mens belangrijk om reeds nu te beseffen wat er zich afspeelt. En daarom wil ik in dit onderwerpje allereerst wat aandacht wijden aan deze onderstroom in het hedendaags gebeuren.
Overal zien wij problemen ontstaan, die op zichzelf niet zo ernstig zijn. Ik wil er een paar noemen In Nederland kennen wij, naast de REM en het tolgeld-probleem op het ogenblik bv., verschillende problemen in de verhouding werkgever–werknemer. In België is op het ogenblik een nieuwe strijd in voorbereiding tussen Walen en Vlamingen. In Frankrijk is er tussen boerenstand en regering voor de zoveelste maal een ernstig conflict uitgebroken, waarbij de arbeiders binnenkort partij zullen kiezen; en wel voor zich en niet voor de boeren. In Zwitserland bestaan op het ogenblik wat moeilijkheden — nog niet naar buiten gekomen — over het internationaal monetair verkeer en de rol die Zwitserland daarin speelt. Over de moeilijkheden in Duitsland, Italië en Griekenland behoef ik u niet eens verder voor te lichten.
Waar ter wereld wij ook kijken, overal blijkt de eigenlijke crisis er een te zijn van gezag, van prestige. Het kenteken van vandaag is de prestigestrijd, die niet wordt gevoerd op een reële grondslag, maar die wordt gevoerd van uit een gezagsverhouding, die in wezen misschien niet eens bestaat. Hoe komt dit?
Er is in de afgelopen 20 jaren de neiging geweest om steeds meer macht te delegeren. Dit ging niet alleen van uit een volk ten opzichte van zijn regering, maar het ging uit van een bepaalde belangengroep (arbeiders, middenstanders e.d.) ten opzichte van hun bonden of verenigingen. Ja, zelfs wat betreft de zuiver sociale verhoudingen is er steeds meer een delegeren van gezag geweest, waardoor op den duur naast de gewone mens een aantal mensen opkwamen, die zich verbeelden dat zij alleen het recht hadden tot oordeel. Nu heeft niemand alleen het recht tot oordelen. En als iemand zich dat recht toch aanmatigt, dan zal hij steeds meer gezag tot zich moeten trekken om het bestaande te kunnen handhaven. Zo ontstond er overal een centralisatie van gezag, van invloed, van verhoudingen.
Tot zover zouden wij kunnen zeggen, is dit een normaal sociaal verschijnsel, dat wij in de tijd regelmatig tegenkomen. Overal zien wij op een gegeven ogenblik een centraliseren van het gezag. Kleine groepen, die met grote heftigheid hun wil doorzetten. Soms in een dictatoriaal systeem, maar elders — zoals indertijd bv. in de Griekse staten — kan dit ook voortkomen uit bepaalde pressiegroepen in het volk binnen een democratie, die meer reëel democratisch is dan enig systeem dat zich in de huidige tijd zo noemt, ook maar zou kunnen zijn. Het is dus een normaal verschijnsel.
Maar nu valt dit verschijnsel in een zeer moeilijke periode. Wij hebben te maken met een wereld, die qua groei van bevolkingsaantal, qua technische ontwikkeling en ook qua welvaartsverschijnselen in vele delen van de wereld als het ware ver vooruit is gelopen op de innerlijke en de morele ontwikkeling van de mens. Dat wil dus zeggen, dat deze gecentraliseerde gezagsuitoefening — daar komt het op neer — plaatsvindt volgens methoden en met gebruik van middelen, die niet kunnen worden beheerst van uit een menselijk en persoonlijk begrip. Er was dus in die afgelopen 20 jaren zeker sprake van een zekere ontmenselijking van sociale verhoudingen maatschappelijk verkeer.
Hetzelfde vinden wij terug in de godsdiensten waar zich dus ook de neiging tot opstandigheid en pressiegroep-vorming enerzijds en grotere centralisatie anderzijds kenbaar maakte. Wanneer wij de standpunten zien, welke bestaan binnen een oecumene-beweging zoals deze tot uiting komen in Rome maar ook de pogingen van de Islam om weer tot een grotere eenheid te komen, dan zullen wij moeten toegeven dat het verschijnsel, dat wij zo even maatschappelijk beschreven, religieus eveneens een rol speelt. En daarbij rijst bovendien nog een andere vraag: Is de eis tot geloven niet even ver achter in de tijd ten opzichte van het hedendaags mensdom als de eis tot technische beheersing en de technische middelen vooruit zijn bij het geestelijk peil van de mens van deze tijd? Een moeilijke kwestie, zoals u begrijpt.
In deze periode nu maken wij een overgang door, waarin een bepaalde op het materialisme gerichte tendens van uit de kosmos gaat plaatsmaken voor een tendens, die — ofschoon zich ook wel baserend op meer dierlijke factoren — toch hoofdzakelijk uitgrijpt naar het geestelijke, het mentale, ja zelfs het mystieke. In de overgangsperiode zullen alle kleine invloeden van buitengewoon groot belang worden. Wij weten allen, dat een windstoot — wanneer wij een evenwicht hebben bereikt dat maar net op het kantje af evenwichtig is —dat evenwicht kan verstoren.
En zo is het nu ook hier. Alles, wat er op het ogenblik bestaat, schijnt stabiel. Men meent, dat men alles nog in de hand heeft. Maar de allerkleinste storing kan voldoende zijn om de zaak te doen omslaan. Wanneer je daar als gewoon daartussen zit, dan kan ik mij voorstellen dat het erg moeilijk is je te oriënteren. Om maar bij Nederland te blijven: Is bv. de wet installatie Noordzee-plateau juist? En dan moet je zeggen: Ja, juridisch is ze volledig juist. Maar emotioneel kunnen vele mensen haar niet verwerken. Wat moet ik nu doen? Moet ik kiezen voor de wet of moet ik kiezen voor iets wat ik toch ergens als een soort onrecht beschouw? De doorsnee-mens zal dan rustig zijn gevoelens volgen en zeggen: Wij vinden die clandestiene uitzendingen erg aardig, waarom zouden wij het dus eens zijn met de juridische aspecten? Dat is volkomen begrijpelijk.
Begrijpelijk dat we ons gaan richten tegen een teveel aan overheidsbemoeiingen, vooral wanneer die bovendien nog betekenen dat zo’n groep eigenlijk minder krijgt dan ze meent te kunnen krijgen. En dan krijg je een situatie, zoals in Frankrijk. Wie heeft er daar nu eigenlijk gelijk? De regering, die de melkprijs laag wil houden of de boer die zegt: “Deze prijs is niet rendabel, ze moet hoger.” Gezien van uit het standpunt van de boer, heeft deze volkomen gelijk. En als je een boer bent, ben je geneigd te zeggen: “Ja, dat is in orde.” Ben je iemand, die melk verbruikt, dan zeg je: “Elke prijsopdrijving in deze tijd is onaanvaardbaar. De regering heeft gelijk.”
Maar hoe staat het werkelijk? Je kiest partij bij zo’n vraag. Maar is dat partij-kiezen nu werkelijk gebaseerd op een erkennen van een toestand, van feiten? Ik meen, dat dat bij de doorsneemens niet het geval is. Want wat is in Frankrijk de feitelijke verhouding. Gezien het gevaar, dat daar voor de volksgezondheid ontstond door overmatig gebruik van alcoholica (wijn e.d.), was een goedkope melkprijs zeer belangrijk. Als zodanig is het begrijpelijk, dat de prijs van melk beneden die van andere dranken moet liggen om zo een verbruik daarvan te stimuleren. Dus van uit het standpunt van de ontwikkeling der mensheid is die lage prijs daar en juist daar plaatselijk noodzakelijk. Nu kunnen wij zeggen: “Dus dan is dat in orde.” Maar daaruit vloeit weer een onrecht voort tegenover de boerenstand. De enige oplossing zou zijn om de alcoholica zowel zwaarder te belasten, dat hierdoor de goedkopere verkoop van de gezondere melk mogelijk zou zijn. Iets wat men waarschijnlijk niet zal aandurven.
Ik geef u deze voorbeelden, die naar ik meen toch wel van zeer recente datum zijn, om u duidelijk te maken dat je eigenlijk geen keuze kunt doen zonder meer. Alles, wat er in deze dagen bestaat, is niet zoals het zich laat aanzien. Het is altijd weer net een tikje anders. En dan kunnen wij protesteren tegen dingen, die onaangenaam zijn, maar geestelijk gezien zullen wij daardoor vaak schade lijden. Want, of we dat toegeven of niet, we begaan een zeker onrecht en ergens beseffen we dat wel. We beseffen, dat er heel veel onrechtvaardigheden bestaan. We weten niet, hoe wij ze in orde kunnen maken en dus rijzen er allerhande vragen en problemen, politiek en religieus, die voor de menselijke mentaliteit gevaarlijk zijn.
Ik wil hier alleen maar wijzen op de neiging, die erop het ogenblik in Engeland bestaat om een verkiezing als het ware door te zetten of af te dwingen door gebruik te maken van stakingen en stakingsleuzen. Dit is absoluut ongezond. Dit heeft niets meer te maken met de werkelijkheid van de mens, die zo goed mogelijk wil leven. Ik zou kunnen wijzen op de manier, waarop men elders omgaat met wat dan heet: het kiezerscorps, het nationale belang e.d. Blijven we daarbij, dan is het eenvoudig genoeg om deze tijd te ontleden. Zo is onevenwichtig. We kunnen op grote verstoringen rekenen. Een kwestie als bv. de REM of het weggeld kan politiek een heel wat grotere invloed hebben dan men op het ogenblik in regeringskringen in Nederland vermoedt. Het probleem van de melkprijs kan voor De Gaulle ten slotte een veel grotere slag betekenen dan hij op dit moment beseft. En zo zouden wij ook kunnen zeggen, dat die kwestie over de verhandeling van valuta in Zwitserland een herziening van wetten, maar ook van de verhouding met andere landen tot stand kan brengen, die voor de doorsnee Zwitserse burger nu niet zo erg aanvaardbaar is. Ik kan zo voortgaan. Maar daarmee zijn wij er niet.
Wat is de kern van het gebeuren van vandaag? In de eerste plaats: De mens staat geestelijk onder spanning. Deze spanning wordt bepaald door afwisselende golven uit de kosmos. In de tweede plaats: De mens heeft het overzicht verloren over zijn eigen leven. Door een teveel uitzien naar de wereld als geheel is hij niet meer in staat zijn persoonlijke ontwikkeling, mogelijkheden en de juiste relaties in zijn eigen milieu te beoordelen. In de derde plaats: de mens van heden vraagt een bewijs. Zodra het komt op het niet-bewezen terrein van het geloof, zo eist hij een bewijs ofwel een voor hemzelf zo aanvaardbare praktijk, dat hij voor de gunstige resultaten bereid is de logica terzijde te stellen.
Dat is misschien allemaal een beetje algemeen. Wanneer ik uw eigen milieu bekijk, dan hebt u te maken met de Orde der Verdraagzamen. Er zijn er onder u die geneigd zijn te stellen, dat op dit terrein alleen de ODV van betekenis is. Dat is misschien een wat vleiende en voor ons prettige overschatting van ons werk. Maar we zijn slechts één kleine, misschien niet eens zo belangrijke factor in een totaal werk over de gehele wereld. Zodra de mens dat gaat begrijpen, komt hij vanzelf tot een inzicht, waarbij onze woorden, onze leringen invloed hebben, maar waarbij hij zelfstandig zoekt naar een evenwicht, een aanpassing, niet alleen bij de stellingen van de Orde maar bij de geestelijke teneur van de gehele wereld. En dat gebeurt niet altijd.
Datzelfde zien wij op het ogenblik bv. in het Christendom, waar vele mensen steeds meer gaan praten over de mogelijkheid van de terugkomst van Jezus. En er zijn richtingen, die verkondigen dat binnen niet al te lange tijd Jezus tot ons zal komen, gezeten op de wolken om te oordelen over de mensen. Dat is een heel mooie stelling. Maar is die juist? Hier zoekt de mens naar een oplossing voorzijn eigen onvermogen. Want hij weet innerlijk heel goed, dat een wederkomst van de Christus niet op deze wijze zal plaatsvinden. Dat die wederkomst eerder zal plaatsvinden in de mens zelf en in het menselijk besef. Dat de uiterlijke vertoning van zelfrechtvaardiging die men daarvan verwacht niet past bij de mensheid, niet past bij het begrip van goddelijke Liefde, niet past bij de weg die Jezus wilde zijn.
Wij moeten heel voorzichtig zijn, want we zijn zo heel snel geneigd om geestelijk nu maar uit te grijpen naar datgene, wat voor ons prettig en aanvaardbaar is. De werkelijkheid is ook vandaag anders.
Er is het leven. We behoeven daarbij niet uit te gaan van een God. Er is een God. Goed. Voor mij. Of Hij voor u bestaat of niet, is niet belangrijk. Wij hebben het leven. Dat leven stelt zekere eisen. Die eisen zijn niet gebaseerd op het genoegen dat we zullen hebben, op het plezier dat we maken, maar ze zijn in de eerste plaats gebaseerd op een beantwoorden voor onszelf, aan datgene, wat we stellen te zijn; en op aarde dus mens. In de tweede plaats op een gelukkig leven binnen het kader van dit menszijn.
Dat zijn heel belangrijke dingen. Zodra wij die overboord gaan gooien, verliezen wij eigenlijk alles. Dan verliezen we in onze stellingen en onze theorieën de mogelijkheid om praktisch te leven en praktisch te werken.
Nu is er natuurlijk altijd weer die ingrijpende macht (op aarde bv. de Witte Broederschap o.m.), die deze mensheid dan toch wel in het goede spoor zal houden. En nu zien wij weer die oude neiging tot het delegeren van macht. Wij kunnen het niet doen, maar de Witte Broederschap zal de wereld voor ons bevrijden. En onze voormannen zullen zorgen dat wij voldoende loon krijgen. En onze regering zal ervoor zorgen dat wij met steeds minder werken steeds meer krijgen.
Dat is dwaasheid. Zo min als een regering u rijk kan maken (arm maken zou misschien nog gaan, maar rijk maken niet), zo min als een godsdienst u zonder meer het innerlijk contact met God kan verschaffen alleen door uw deelgenootschap, zo min kan de Witte Broederschap de aarde een verbetering van menselijk zijn en leven verschaffen zonder de mens.
Dat is eigenlijk het wonderlijke van dit alles. Wij staan niet alleen tegenover een sociale omwenteling, ofschoon die heel wat dichter bij is dan menigeen denkt en in de komende paar jaren heel wat mensen, die denken nu nog zeker te paard te zitten, een smak zullen maken die hen hun leven lang zal heugen, als ze het leven althans behouden, maar we hebben te maken met de noodzaak tot een aanpassing in zeer korte tijd aan een persoonlijk bestaan plus aan een kosmische kracht met een andere geaardheid.
Nu weet ik wel, die kosmische kracht moet u dan maar geloven, en als u het niet gelooft, dan kunt u kijken naar de feiten in de wereld en zult u moeten toegeven dat er inderdaad tendensen zijn, waaraan u zich zult moeten aanpassen. Hierdoor komen wij dus allereerst te staan voor de persoonlijke vragen en de persoonlijke eisen van vandaag. Die persoonlijke vragen en eisen zijn eenvoudig te formuleren; alleen voor de meesten wat moeilijk in praktijk om te zetten.
Wij moeten in de eerste plaats terug naar een zekere onafhankelijkheid. Zowel mens als geest kan zich niet lange tijd in de geborgenheid van de massa blijven bewegen, zonder het essentiële van zijn mens-zijn of van zijn geestelijk bewustzijn te verliezen. Juist door ons los te maken uit de massa en gelijktijdig ons aan te passen aan de omstandigheden, die ons dwingen (want die zijn er ook), kunnen wij komen tot een persoonlijke en duidelijke beleving van ons eigen bestaan en daarmede van ons bewustzijn.
In de tweede plaats: Wij hebben de neiging om op middelen te vertrouwen. Wanneer men te vermoeid is, dan zegt men niet. “Ik ga trainen, opdat ik minder vermoeid zal zijn.” Men zegt ook niet: “Ik ga rusten.” Men zegt: “Ik neem een pil, en de vermoeidheid is voorlopig voorbij.” Datzelfde mag gelden voor andere problemen als daar zijn: Vermagering, ophouden met roken noemt u maar op. Alles moet met een pil. Het moet automatisch, gemakkelijk gaan.
En zo eisen we ook een wereldvrede. Maar we maken die zelf niet, die willen we maken door middel van een atoombom of iets ergers. We zullen terug moeten naar het begrip dat niets; niet de beste machine, niet het mooiste preparaat, een vervanging kan vormen voor menselijke wilskracht en menselijk bewustzijn.
Een persoonlijke scholing van elke mens is noodzakelijk en de mogelijkheden van scholing werden bepaald door het milieu, waarin hij leeft. Hij zal zich moeten aanpassen aan dit milieu en desondanks zichzelf moeten trainen zowel in het bevorderen van wilskracht en zelfbeheersing als van een juister begrip voor persoonlijke aansprakelijkheden. Dan krijgen we nu misschien wel het meest opvallende punt van deze huidige tendens, van deze huidige periode.
We hebben de neiging om alles door te trekken tot in het extreme. De menselijke gevoelens en emoties vragen over het algemeen fellere prikkels dan in het verleden. Wanneer wij willen kijken naar bv. eenvoudige lectuur van weekbladen e.d. dan ontdekken wij dat de humor of de mededeling op de titelpagina van het verleden heeft moeten plaatsmaken voor de ofwel schokkende gebeurtenis, dan wel voor de seksuele attractie.
Het is duidelijk dat we terug moeten keren naar een grotere gevoeligheid. Een mens moet zijn tastzin ook ten opzichte van zijn emotie beter ontwikkelen. Hij moet de kleine nuances meer leren waarderen. Hij moet terug naar een niet door allerhand automatische impulsen bepaalde persoonlijke instelling. En daarmee heb ik naar ik meen al een paar zeer belangrijke punten van vandaag genoemd. Maar ik ben er toch nog niet, want vandaag brengt ons meer.
Indien wij ons de moeite getroosten om na te gaan, hoe de werkelijke verhoudingen vandaag de dag liggen, dan ontmoeten wij twee uitgesproken richtingen, die met elkaar weinig of niets gemeen schijnen te hebben. We zien enerzijds een steeds groeiende stortvloed van woorden, anderzijds — en daarvan schijnbaar geheel losstaande — een steeds groeiende stortvloed van feiten. Feiten en woorden zijn niet meer met elkaar in overeenstemming. Het gaat tegenwoordig niet meer om de waarheid van hetgeen men zegt, maar enerzijds om het logische verband in hetgeen wordt gesteld en anderzijds om het gebruikmaken van de omstandigheden, welke los van die woorden staan.
Ik kan u ook daarvan voorbeelden geven, maar ik geloof dat wij ons hier kunnen beperken tot het overzien van de vele conferenties (ronde tafel, vierkante tafel, topconferentie, Kamer-conferentie, commissieconferentie e.d.), die in deze dagen in een stortvloed de nationale en internationale wereld overstromen. Datgene, wat hierin wordt gesteld, wordt besproken en overeengekomen, is over het algemeen beschouwd binnen het kader der stellingen waarvan men uitgaat, logisch juist en goed. Indien wij het echter vergelijken met de bestaande feiten, dan ontdekken wij steeds groeiende discrepanties tussen het gesprokene en daardoor het door de mens nagestreefde en wat is.
Ook voor onszelf zullen wij die neiging hebben. Wij zullen aan de ene kant het met elkaar eens zijn dat we tot het uiterste moeten gaan om een geestelijke bewustwording en een redding van de mensheid te bevorderen, aan de andere kant zijn wij toch wel geneigd om daar heel strakke lijnen te trekken, waarbinnen wijzelf dan eventueel daaraan zouden meewerken.
Enerzijds de erkenning van een absolute noodzaak en anderzijds de aanvaarding van alleen beperkte middelen. Dat is natuurlijk niet logisch en het is niet juist. Maar dat is de situatie van de wereld van vandaag. Woorden vergaan op een gegeven ogenblik. Feiten dragen hun eigen gevolgen in zich en zijn dus van een werkelijke en blijvende invloed.
Ik meen dan ook dat de mens van vandaag, indien hij zich wil aanpassen bij al datgene, wat er op het ogenblik gaande is, zal moeten terugkeren naar het feit. Niet, wat stelt men, maar wat is er. Niet wat wens ik, maar wat is mogelijk. Niet wat lijkt mij theoretisch juist, maar wat is nu op dit moment feitelijk verwerkelijkbaar. Ook dit element speelt een grote rol in de geestelijke ontwikkelingen. Ik meen dan ook daarmede dit meer mundane deel van mijn betoog wel te kunnen besluiten.
Nu zal het u duidelijk zijn, wat vandaag ook de geest omvat. Ja, zelfs God, al zal niet iedereen God op dezelfde wijze erkennen. Wanneer ik dus nog een korte aanvulling geef op het voorgaande op meer abstracte basis, dan moet u mij dat maar vergeven. De goddelijke Kracht in zichzelf is altijd gelijk. Zou zij wisselen, dan zou ze niet absoluut goddelijk zijn in de zin, waarin het woord op dit ogenblik wordt gebruikt. Indien er dus variaties van goddelijke Kracht optreden, zo kan dit alleen worden verklaard door het afwisselend beleven van de altijd aanwezig zijnde aspecten van het Goddelijke. De beleving zal nimmer worden bepaald door het Goddelijke; zij wordt bepaald door het bewustzijn, dat het Goddelijke ondergaat.
Op grond hiervan mogen wij dus stellen, dat wat er vandaag de dag aan geestelijke werkingen in waarden op aarde kenbaar wordt evenals wat er in en rond de mens zich als invloeden, als golven van kracht openbaart, wordt bepaald door het bewustzijnspeil van de mensheid als zodanig. Het houdt verder in, dat het beperken van dit alles door de mensheid alleen goed is, zolang men aan de norm van die mensheid beantwoordt. De mens, die onder of boven de norm van deze doorsnee-mensheid staat, zal meer of minder van die goddelijke waarden ervaren en dus zal de intensiteit van de geestelijke werkingen altijd worden bepaald door het bewustzijn, terwijl de uitgebreidheid van het bewustzijn het aantal van die verschijnselen bepaalt. Een misschien wat abstracte redenering, maar wij moeten daar toch wel van uitgaan. Want wanneer wij ontdekken, dat één en dezelfde kracht binnen één en dezelfde omgeving voor de één betekent een groeiende helderziendheid, een sterkere beleving van geestelijke wereld en waarden en voor de ander alleen maar een afstomping ten opzichte van het geestelijke, dan moeten we het bewustzijn wel in het geding brengen.
Het bewustzijn van de mens op geestelijk terrein is volgens mij in deze dagen wel heel sterk gebonden aan wat men zuiver stoffelijke beredeneringen en mogelijkheden zou moeten noemen. Zolang u probeert een geestelijke waarde te definiëren aan de hand van stoffelijk kenbare, wetenschappelijk constateerbare feiten of mogelijkheden, zult u altijd aan de norm gebonden zijn.
De norm van de mensheid in geestelijk opzicht is haar materiële kennis en haar toepassing daarvan ten opzichte van het geestelijke. Wil men boven die norm uitgaan, dan zal men dus niet meer zijn kennis vergroten want het uitdrukbare is immers al de norm geworden, maar men zal moeten zoeken boven het uitdrukbare. Om de kosmische tendensen van heden sterk te ondergaan zullen we vaak meer hebben aan, een vorm van concentratie, meditatie, contemplatie enz. om tot een beleving of een erkenning te komen dan aan bv. een zuiver filosofisch betoog, dat op feiten is gebouwd.
Er is dus vandaag — geestelijk gezien — een strijd aan de gang tussen absolute redelijkheid en het redelijke, aangevuld met het bovenredelijke. Het bovenredelijke moet in de komende tijd wel de beslissing brengen. De kracht, die langzaam maar zeker haar invloed sterker en sterker doet gelden op aarde, is er één die het bovenredelijke wil betrekken in het verwerken van het redelijke. En dus zal de intuïtieve werking en de intuïtieve tendens bij de bewuste groter worden dan voorheen. Voor de onbewuste betekent ditzelfde echter, dat zijn instincten een veel grotere rol gaan spelen dan in het verleden. Deze blijft op het materieel terrein, hij blijft binnen het uitdrukbare. En de mens, die het instinct gebruikt — zonder daarbij eerst de geestelijke achtergrond, de noodzaak, de gerichtheid te beseffen — zal over het algemeen onder de norm dalen en zal de geestelijke invloed en mogelijkheid in sterk verminderde mate ondergaan.
Dan volgt hieruit weer de zeer belangrijke stelling, dat in deze wereld het weten moet worden aangevuld door het innerlijk besef en dat de zo ontstane wijsheid alleen de mogelijkheid geeft tot een juist besturen van de mens en zijn mogelijkheden op aarde. Wijsheid is een vorm van begrip, die niet alleen kan worden uitgedrukt in woorden. Het is een aanvoelen van innerlijke waarden, die niet verklaarbaar is en waarbij de gekende mogelijkheden of eventuele feiten langs redelijke weg kunnen worden benaderd. Het is dit punt, dat vandaag sneer en meer op de voorgrond gaat treden, Je kunt niet meer alleen op grond van een argument of alleen op grond van een feit reageren en zeker zijn dat je goede gevolgen krijgt. Je hebt die vreemde intuïtie, die innerlijke waarde nodig. De kosmische krachten, die wij ons het best kunnen voorstellen als de verschillende vormen van zenuwkracht, vitaliteit e.d. bereiken de aarde en stimuleren de mens. Maar hij kan die stimulans alleen op de juiste manier gebruiken, indien hij daarbij ook weer dat bovenredelijke element inschakelt. Hetgeen mij voert tot de volgende eenvoudige regels voor hen, die zich willen aanpassen aan de mogelijkheden van deze tijd.
- Ga uit van uw intuïtie. Kom daardoor tot een punt van uitgang, dat verder redelijk moet worden bezien.
- Ga nimmer uit van een vaste stelling, doch laat elke dag die stelling gelden, welke op dat ogenblik hanteerbaar en juist is.
- Probeer nimmer uw geloof of uw innerlijk beleven voor uzelf volledig te omschrijven. Tracht slechts een uitdrukking daarvoor te vinden, die voldoende concreet is.
- Besef, dat in een spel tussen licht en duister, tussen goed en kwaad zoals de mens het ziet, uw eigen “ik” geen enkele definitieve gerichtheid bezit krachtens kosmische waarden. U zult voortdurend zelf moeten kiezen. U zult voortdurend zelf een weg moeten zoeken.
En daaraan voeg ik ter waarschuwing toe: Verwacht niet, dat de kameraadschappelijkheid en de algemeenheid, die wij toch kennen als één van de kentekenen van Aquarius’ activiteit in de komende tijd, zo buitengewoon sterk naar voren zullen treden. Dat duurt nog wel even.
Aquarius legt dit inderdaad als een mogelijkheid voor ons neer, maar wij zullen de zuiver persoonlijke harmonie moeten zoeken en een persoonlijke benadering van het geheel, waarbij algemene maatstaven, ja, zelfs een algemene samenwerking geen rol kunnen spelen. Alle harmonie moet voor de komende jaren in de eerste plaats worden gezocht op het persoonlijk vlak, in de innerlijke beleving en benadering van de wereld en niet in het haast organisatorisch vinden van die harmonie met anderen. Met deze punten, vrienden, heb ik mijn eerste betoog beëindigd.
De tijdsspiraal
De theorie, dat de menselijke historie kan worden vergeleken met een spiraal, waarbij steeds dezelfde momenten zich op een andere niveau herhalen, is oud. En op zichzelf zijn er heel wat punten aan te halen, welke die theorie aanvaardbaar maken. Ik zou echter het geheel graag van uit een wat ander standpunt bezien.
Wanneer wij een spiraal tekenen, ergens zo maar op een blad papier, dan loopt zij van buitenaf naar een middelpunt, waar zij ophoudt te bestaan. Als wij die wendingen bezien, kunnen wij zeggen: De buitenste wending is veel groter dan de binnenste. Zeggen we nu eens van uit menselijk standpunt te zien, dat bv. een centimeter op die spiraal gelijk staat aan 100 jaar, dan kunnen wij zeggen dat de ontwikkeling van een eerste rondgang X eeuwen bedraagt, terwijl de tweede rondgang X eeuwen — Y bedraagt; ofwel om het in heel eenvoudige woorden te zeggen: De herhaling der feiten geschiedt steeds sneller. De ontwikkelingen geschieden steeds sneller en zo zal dus aan het einde van de spiraal in één jaar zich hetzelfde kunnen afspelen als in het verleden bv. in 20 eeuwen. Dit is niet alleen belangrijk om de ontwikkeling en het tempo van leven na te gaan. Het is ook wel degelijk belangrijk om na te gaan wat er zich eigenlijk op die manier afspeelt. En dan kom ik tot de conclusie, dat naarmate de mens verder verwijderd is van het kernpunt (dus van het eindpunt der menselijke bereiking) — hij ook langzamer zal leven en zelfs langer zal leven.
Nu zullen de theoretici van deze dagen hier onmiddellijk tegenwerpen, dat dat natuurlijk niet waar is. Per slot van rekening, zo zullen zij zeggen, de gemiddelde leeftijd was in het jaar 1900 circa 37 jaar en nu zijn we aan de 70 jaar toe. Dan zeg ik: Binnen dit kleine stukje tijd hebt u ongetwijfeld gelijk. Maar wanneer ik nu ga kijken naar bv. een gemeente in Rusland (er zijn ook nog dergelijke gemeenten in bv. Mexico en zo, waar de mensen nog helemaal leven volgens de oude stijl), dan ontdek ik dat daar leeftijden van 100 en 120 jaar regelmatig voorkomen, en dat daar dus de gemiddelde leeftijd hoger ligt dan in uw zeer gesaneerde en gesocialiseerde maatschappij. Het levenstempo wordt klaarblijkelijk niet alleen bepaald door de maatschappij, waarin men leeft. Die mensen in Mexico leven toch ook in de moderne wereld. Maar hun benadering van die wereld is een andere. En dat zal in Rusland en ook in bv. Turkije precies zo gelden. Zij staan nog voel eenvoudiger tegenover de wereld. Voor hen is de wereld alleen iets, waarin je gelooft, waarin natuurgeesten zijn, waarin spoken ronddolen, waarin het toeval een wonderlijke rol speelt en waarin je zelf niets anders te doen hebt dan je over te leveren aan de elementen op goed vertrouwen. Kijk, dan kun je ook lang leven, want het totaal van de levenskracht van die mens wordt dus gebruikt om te bestaan. De vorm van zijn maatschappij, zoals hij die zelf ziet, is een toevalsproduct. Hij vormt deze niet, hij heeft er niet bewust deel aan, maar hij maakt er slechts deel van uit.
Zo vinden wij in het verleden allerhand toestanden, die wij met het heden kunnen vergelijken. Wanneer ik bv. denk aan de ontwikkelingen, zoals die zich op het ogenblik hier in Europa met Rusland en de rest van Europa afspelen (daar staan twee machten tegenover elkaar, dan denk ik onwillekeurig aan de tijd dat het Boven-Egyptische en het Beneden-Egyptische rijk met elkaar in strijd waren. We weten ook hoe dat is afgelopen. Ze zijn tenslotte met elkaar versmolten. Wanneer ik de problemen. zie van bv. het kolonialisme en de problemen, die men kent in Europa met Azië, dan denk ik aan de geschiedenis van de Hellenen, die o.m. met Troje ongeveer dezelfde moeilijkheden hebben gehad. Er is weinig nieuws onder de zon, zeker. Maar de verhoudingen liggen een beetje anders.
Vroeger was bv. het grote conflict met Troje eigenlijk er niet één van politiek belang. Het ging doodgewoon om de handel, de centjes, de schatten. Troje had zich zelfstandig gemaakt en begon een steeds groter deel van de handel op de toenmalige wereldzee (de Middellandse Zee) te beheersen, en het was duidelijk, dat de oorspronkelijke kolonisatoren zich daartegen moesten gaan verzetten. Zij wilden de revenuen hebben van hun kolonie en de kolonie zelf wilde de revenuen zelf houden. De resultaten kent u: De Trojaanse oorlogen en alle mooie legenden erbij, die wij in de Ilias terugvinden.
Daar waar we ook kijken, we vinden altijd één verschijnsel. Het typische is, dat wij nl. in elke tijd een openbaring vinden. En het is geloof ik zelfs zeer verhelderend om op de tijdsspiraal na te gaan, welke vorm die openbaring heeft gehad. Gaan wij naar de zeer primitieve mens, dan is de openbaring er één van waanzin, van razernij. Het is een onlogisch moment van de mens, die zichzelf verliest en die de stemmen van goden en geesten weergeeft. Hij is niet eens een profeet; hij profeteert niet. Hij dicteert namens de goden. De sfeer, die hij uitstraalt, is vaak van veel groter belang dan wat hij zegt. Dezen zijn de eersten, die de mensen bepaalde wetten openbaren. En in hun razende dans, hun hoofdschudden, hun zelfverwonding, hun roes, vormen zij voor de mens een houvast, een contact met het Hogere, met het Eeuwige.
Wanneer die mens wat meer gaat groeien en hij een maatschappij gaat vormen, dan wordt ook het karakter van degenen, die zich aan hem openbaren, die het Goddelijke weergeven, een andere. Zij worden vorsten en vorstenzonen, zij worden priesterkoningen, godenzonen, die op. aarde regeren en gelijktijdig een goddelijke wil openbaren. Zo krijgt de maatschappelijke structuur dus als het ware haar impulsen van het Goddelijke.
Gaan wij nog wat verder, dan blijkt dat de openbaring zich meer tot het volk moet richten. En dan treedt de profeet (degene, die zich openbaart) niet meer op binnen het maatschappelijk kader of als deel ervan, maar daarbuiten. Hij krijgt het karakter van een hervormer, een rebel. En ja, dan zijn wij al heel dichtbij de hedendaagse tijd gekomen. Want Boeddha was een rebel in zijn tijd. Jezus was een rebel. Mohammed was een rebel en zo zijn er meer. Daarna krijgen wij een heel eigenaardig iets. Meer en meer krijgen we te maken met mensen, die zich representanten noemen van het Hogere namens iets anders, iets onzichtbaar. En de oude situatie is dan als het ware hersteld. Maar in plaats van dat het de waanzin is waarin de goden spreken, is het nu de rede, het menselijk streven, waarin een Godsgedachte tot uiting komt.
We vinden dat evengoed bij sommige grootmeesters van esoterie en mystiek als bij tot heilig verklaarden, zoals bv. Franciscus van Assisi. Daaruit blijkt, dat de groei naar een onpersoonlijke God gaat, naar het onpersoonlijk contact. Niet de God, Die Zich onmiddellijk openbaart, Die als een stamgod, als een fetisj als het ware deel heeft aan het menselijk leven, maar een God, Die steeds verder daar vanaf komt te staan. Een God, Die een onzichtbare invloed wordt. En kijken wij naar de laatste Wereldmeester, dan zien we dat wat hij doet eigenlijk is: De mens wijzen op die onzichtbare God aan de hand van zijn eigen bereikingen. Iets wat tot op dat ogenblik nog niet voorkomt.
God is altijd iets, wat je moet zien als staande buiten de menselijke rede. En nu komt de laatste Wereldleraar en maakt van God iets, dat als het ware opbloeit uit en boven de menselijke rede. Wanneer de spiraal verdergaat, dan zullen wij te maken moeten krijgen met een Godsopenbaring, die zelfs geen bevoertuiging meer vergt, die niet wordt gebracht door een profeet en die niet op aarde belichaamd behoeft te worden of een stoffelijk gezag moet zijn, maar die zomaar een invloed is. En dan kunnen wij aan de hand daarvan dus een aardige conclusie trekken: Gezien die verschillende vormen van openbaring wordt aan de mens steeds een andere eis gesteld en die eis is kennelijk. een groter besef van zijn eigen eeuwigheid en gelijktijdig een meer loskomen van zijn gebondenheid aan stoffelijke verhoudingen en stoffelijk gezag. Ik geloof, dat je deze tendens niet alleen maar vindt in de godsdienst, in de openbaring. De eerste wetenschap was het toevallig gevonden feit Van het toevallig gevonden feit. komen wij — en dat in ongeveer gelijke fasen; we kunnen dat inderdaad in een spiraal tegenover elkaar zetten — tot het onderzoek der dingen, dat op waarneming berust. Denk bv. aan de Chaldeeën. Denk aan de studies van de Egyptenaren enz. Dat is waarneming. Een waarneming, die nog niet is gebaseerd op een directe erkenning van wetten, maar die voor zichzelf spreekt
Van daaruit gaan we langzaam maar zeker — en dan zitten we al rond de tijd van Jezus geboorte — naar een periode, waarin die wetenschap dus wel een theorie heeft en waarin de stelling belangrijk wordt. Als wij bv. Aristoteles zien, die voor de wetenschap een lange tijd een beslissende figuur was (een filosoof), dan komen wij te staan tegenover de stelling, die feiten tracht te verklaren. Van daaruit komen wij tot een verklaren van de wetten uit de feiten. (het omgekeerde). En van daaruit weer moeten wij natuurlijk nog verder komen. We moeten komen tot het erkennen van de eenheid van wet en feit en vervolgens tot de eeuwigheid van de wet, onafhankelijk van het feit.
Dat is een logische cirkelgang. Waar we ook gaan en hoe we ook kijken (of we dat nu doen in de zin van grote persoonlijkheden, van fasen met bijzonder veel wereldoorlogen of bijzonder grote rampen in de oude of in de nieuwe tijd, we vinden dat de schaal misschien wat verschilt ten opzichte van de huidige, zoals het aantal mensen verschilt in de verschillende perioden, maar dat eigenlijk de feiten in hun schijnbare gelijkheid een klimmende tendens vertonen.
De eerste grote oorlogen waren eigenlijk kwesties van roof, dus zuiver bezit. Van zuiver bezit komen we naar gezag, naar aanzien. Aanzien plus bezit bepalen de volgende fase van grote oorlogen. Daarna krijgen we oorlogen, die in feite zijn gebaseerd op verdediging dus de op staatsgrens gebaseerde oorlogen. Van daaruit komen we tot de uitbreiding, de kolonisatie-oorlogen. Waarbij het niet alleen gaat om eigen grens maar om het overal uitbreiden van eigen gezag. En vanaf dat punt komen wij tot de oorlogen, die gebiedsfrustratie-oorlogen kunnen worden genoemd, zoals de eerste en de tweede wereldoorlog waren. Hierbij speelt dus de voorstelling van wat men zou kunnen veroveren een rol en niet meer het feit van de verovering. Het gaat meer om het denkbeeld. Wanneer wij van daaruit verdergaan, dan zal de volgende oorlog er één moeten zijn, waarbij het gebied wegvalt, het economisch belang wegvalt en waardoor we dus de oorlog zouden krijgen om de theorie, en van die theorie zouden we moeten komen tot een strijdloosheid, die op een wetserkenning is gebaseerd. Het is altijd dezelfde gang van zaken.
Om de tijd te begrijpen, waarin je leeft, kan het dus wel helpen om een vorige spiraal met gelijke werkingen na te gaan. Maar je moet je toch niet te veel vergissen. In de eerste plaats zal in het heden het tijdsverloop altijd aanmerkelijk sneller zijn; dus de ontwikkeling zal sneller zijn dan in het verleden. In de tweede plaats zal de waarde van die ontwikkeling een vooruitgang betekent t.o.v. de waarde in het verleden. In de derde plaats zullen de middelen van geloof, van strijd, van wetenschap dus eveneens geëvolueerd zijn; niet alleen naar een grotere bruikbaarheid maar naar een andere grondslag.
En zo kom ik vanzelf op een zeer belangrijk punt in deze voorstelling. De spiraal der historie is als het ware een vooruitgang van de mens, waarbij de herhaling van feiten slechts een aanduiding is van het doormaken van dezelfde bewustzijnsfasen op een ander niveau. En dat impliceert weer, dat de fasen door hun grotere snelheid en grotere intensiteit gelijktijdig aanduiden: Een dichter liggen bij het centrum, het middelpunt.
Men zou hieruit conclusies kunnen trekken, die op zijn minst genomen eigenaardig zijn in de ogen van vele mensen en gelovigen van deze tijd. Want zowel het goed als het kwaad waren in het verleden meer uitgerekt; zij waren lang. In deze tijd zijn goed en kwaad felle, korte, hevige conflictwaarden. Vroeger waren de dingen vaak bijna kinderlijk, Tegenwoordig zijn zo haast verstard en verouderd, maar juist daardoor in hun conflict zoveel ontzaglijker en geweldiger.
Iemand, die in deze tijd zegt: Maar de mensheid moet toch wel slecht zijn, want er zijn nog nooit zulke verschrikkelijke dingen gebeurd op deze aarde als nu, vergeet één ding: Dat men in een periode van 5 of 10 jaren misschien eeuwen van het allereerste verleden samenperst. En dan kan men dus ook de conclusie trekken: De weg naar God is niet meer een afwisselen van goed en kwaad of een eenzijdigheid, maar het is een zo snel naast elkaar stellen van grote waarden en van goed en kwaad, dat deze beide op den duur niet meer van elkaar worden onderscheiden. Dat ze dus één geheel zijn. Op het ogenblik dat het tempo van leven zo is versneld, dat de waarden niet meer afzonderlijk worden gezien, ontstaat er een moment van maximum energie, van maximum beleving, maar gelijktijdig een minimum aan daad of ontwikkeling. het eindpunt van de spiraal mensheid.
Nu begrijp ik wel dat als ik het over de tijdsspiraal heb, u van mij meer verwacht dan alleen een algemene beschouwing. Ik wil daarom graag ook het leven van de mens zelf nog even bezien, zoals dat zich heeft veranderd en ontwikkeld. De eerste mens leeft zonder planning. (Dat heerlijke woord, dat op het ogenblik de hele maatschappij verpest). Hij leeft als het ware op het moment. Hij kan zich binnen 5 minuten tweemaal volkomen tegengesteld gedragen of richten en in eerlijke overtuiging blijven handelen. We zien daarbij dat die mens trekt; dus door het noodlot wordt gejaagd en getrokken. Het is de omstandigheid van buitenaf, die een door hemzelf niet eens zo beleefde verandering betekent. Bijvoorbeeld: De stam wordt te veel bedreigd door verscheurende dieren, de stam trekt. Voor ons zou die trek een reuze reis zijn, een beleving, een avontuur.
Maar voor de mensen van die tijd niet. Het was alleen een beetje ongemak in het wonen. Je woonde een beetje anders, maar voor de rest: Business as usual. Wanneer je dat later gaat bekijken, wordt het al anders. De reis is dan niet belangrijk. Denk bv. aan de tocht van Alexander de Grote. Een reis, waarbij je de mensen (soldaten, doodgewone vrijwilligers) zomaar meeneemt 15 jaar lang, weg van huis. Dat lijkt tegenwoordig ondenkbaar. Maar voor hen? Och, dat was zo de gang van zaken. Ze aanvaarden dat maar. Ze vormden echter ook een eigen milieu, dat zich wisselend aan het land aanpaste. Als je bv. een vergelijking maakt tussen het leven van de Griekse soldeniers in Babylon (Assyrië) of bv. in de valleien van de Ganges en de Indus, dan zie je een heel groot verschil. Het is net, of die mensen anders worden. De mens ziet de reis nog niet als het belangrijke, maar in zijn beleving past hij zich meer aan het milieu aan. Hij blijft meer zichzelf. Nu weet ik wel, dat ik een grote sprong in de historie neem (in de spiraal), maar de verandering in de mens is dan ook wel een enorme.
Wat zien wij op het ogenblik? De reis zelf wordt meer gezien als een tijdelijke verwijdering van huis. De mens is dus veel meer op een bepaald punt gefixeerd dan vroeger. Zijn reis is voor hem over het algemeen geen aanpassing meer, gaan verandering van zijn leven, maar alleen het constateren van het feit, dat anderen anders leven. En dat is een heel groot verschil. Hierdoor zie je dus, dat een mens wel verandert. Maar zijn verandering is er één die meer en meer op hemzelf is gebaseerd. De mens, die op het ogenblik op reis gaat, vraagt niet naar biefstuk en gebakken aardappeltjes, omdat dat het enige is dat hij lust, zo gek als het klinkt, maar hij grijpt over het algemeen daarnaar terug, omdat dit een deel van hemzelf is. U neemt uzelf mee op reis. U verplaatst uzelf niet in de wereld, maar u verplaatst alleen de wereld ten opzichte van uzelf. En daaruit blijkt wel, dat de mens van vandaag veel meer een gefixeerd punt is. Voor zichzelf geestelijk, maar ook ten opzichte van de wereld. Dat zijn aanpassing als het ware veel meer door een egocentrisch beleven wordt bepaald dan vroeger toen men vaak in zijn benadering van de wereld bijna excentrisch was. Tegenwoordig zou je zeggen: Excentriek. Wat dit te betekenen heeft, gaat men pas begrijpen, als men zich realiseert dat de mens in zich een eeuwige waarde heeft. En ofschoon men die eeuwige waarde niet kan uitdrukken in biefstuk, doperwten en gebakken aardappeltjes, kan men haar wel uitdrukken in een persoonlijke beleving van het bestaan. Ik meen, dat — naarmate de tijdsspiraal verdergaat — de fixatie binnen de wereld, ontstaan door het persoonlijk “ik”-zijn dat de wereld beleeft maar niet in de wereld ondergaat, steeds groter wordt. En dat lijkt misschien een beetje ongunstig, maar ik geloof niet dat dat waar is, indien wij tevens begrijpen dat er door de hele spiraal heen bepaalde dingen lopen, welke voor alle mensen gelijk zijn en die vandaag aan de dag eigenlijk nog even belangrijk zijn als vroeger.
Vroeger danste Salomé de dans der sluiers voor Herodus en tegenwoordig zijn er duizenden, die — al dan niet Salomé hetend — dit doen in de nachtclubs. Vroeger heette dat een koninklijke dans. Tegenwoordig heet het striptease, maar in wezen is het hetzelfde. De seksualiteit heeft haar waarde (dus de waardering) maatschappelijk gezien vaak aanmerkelijk veranderd in de historie. Maar zij blijkt één van de belangrijke instinctieve drijfveren te zijn in alle tijden. Wij zien dat de angst voor het onbekende praktisch vanaf het begin der mensheid tot heden altijd weer het aanzijn geeft aan haat, aan wreedheid, aan onbegrip; en ook dat blijft hetzelfde.
Er zijn dus een aantal menselijke eigenschappen, die gelijk blijven. Maar ze zijn stoffelijk. Wanneer dit stoffelijk wordt beheerst door een steeds meer gefixeerd innerlijk, dan zullen die eigenschappen een tijdlang wel heel erg in het oog springend zijn. Want pas wanneer het lichamelijke (en daarmee noem ik dus niet alleen maar zuiver het lichaam maar ook het stoffelijk mentale hier lichamelijk) wordt gedomineerd door de geest, die bewust wordt van zichzelf — en daarvoor is ergens die fixatie nodig — kunnen wij zeggen, dat de angst verdwijnt en dat de seksualiteit in haar huidige spanning verdwijnt. Ze zal waarschijnlijk wel blijven, maar anders. Ik zou zeggen, milder met minder ferociteit.
Zo bezien zal men de mens dus kunnen beoordelen aan de hand van de fluctuaties, die zijn houding ten opzichte van de buitenwereld doormaakt, mits we gelijktijdig rekening houden met stoffelijke eigenschappen, die dus de verschijnselen voor een gedeelte bepalen. En dat voert mij — althans voor heden — tot enkele conclusies, die misschien voor u wel interessant zijn.
Men heeft in deze tijd een verhoogd tempo, waarbij men niet alleen maar geestelijk, maar ook ten opzichte van het stoffelijke op elk terrein een tendens tot verhoogde consumptie (laten we het zo maar beleefd uitdrukken). Dit geldt voor angst, voor haat, voor wreedheid, voor seksualiteit, kortom voor al datgene, wat tot het stoffelijke, tot het lichamelijke behoort. Juist door deze verhoogde consumptie (dus de versnelde afwisseling als het ware) moet er een ogenblik komen, dat er geen verschilwaarden meer zijn. De dingen zijn versmolten tot één geheel. Dat geheel is dan stoffelijk gezien misschien wel niet mooi, maar het is door de geest gezien een harmonie.
Het is voor het eerst een apparaat, waarin alle bedieningsorganen binnen het bereik van de bestuurder liggen, zodat hij niet afwisselend het ene terrein of het andere kan besturen, maar alles tegelijk kan overzien. Daaruit valt af te leiden, dat juist in de schijnbare verwarring en de toename van allerhand bandeloosheid wel degelijk de mogelijkheid steekt tot een onverwacht snelle en grote evolutie op stoffelijk terrein, voortkomend uit een bewustwording op geestelijk terrein. En dat betekent voor de mens zelf in de dagen dat zo iets voorkomt natuurlijk, dat hij zich nimmer geheel kan onttrekken aan die snelle veranderingen van waarden in de stof, aan dit steeds meer gelijktijdig optreden van verschillende impulsen en tendensen.
Ik geloof, dat dat in deze dagen wel belangrijk kan zijn. Want ik kan mij wel voorstellen dat er heel wat mensen in de war zijn, omdat ze hun gevoelens, hun reacties en hun eigen wezen eigenlijk niet eens meer kunnen begrijpen. Ze wisselen te vlug om voor zichzelf daarvan een denkbeeld te hebben. Als men zich echter gaat realiseren, dat het een homogeniseren is van zijn wezen, dan staat men er misschien wel een tikje anders tegenover. Daarnaast blijkt het van groot belang te zijn, dat men tot een grotere harmonie met zichzelf komt. Men moet dat “ik” niet beoordelen naar de afzonderlijke verschijnselen. Men moet in dat “ik” een zo groot mogelijk bewustzijn van een geestelijk doel of een geestelijke waarde zien en dat dan maar in het geheel van dat stoffelijke beleven en tot uiting brengen. Op die manier kunt u aan de snelheid van wisselingen ontkomen. Anders wordt u heen en weer gezwabberd tot het lijkt, of u op de één of andere geestelijke cakewalk rondwandelt. Door echter uit te gaan van het gefixeerde innerlijk besef, dat in zich misschien weer een ontwikkeling kent (maar dat gaat ons niet aan, dat qua doel op aarde is gefixeerd en dit doel mee te delen aan alle tegengestelde gebeurtenissen, komen wij tot een harmonie met ons eigen wezen en is dit samentrekken van alles tot en geheel voor ons aanvaardbaar geworden.
Ik meen nl. dat op het ogenblik onder de heersende invloeden, mede als gevolg van de verschillende kosmische golven van de laatste tijd (want er zijn een paar mooie klappen bij geweest), voor heel veel mensen die versnellingen en de wankelmoedigheid eigenlijk zijn toegenomen. Zij willen kiezen tussen het één en het ander en dat gaat niet. Maar als u nu dit beseft wat ik hier heb uitgelegd, dan gaat u zeggen: Neen, ik moet een synthese vinden. Ik moet iets vinden, waarin al die dingen ook voldoende aanwezig en mogelijk zijn.
Je kunt natuurlijk een keuze doen en die zal in deze dagen heel vaak betekenen: Een absolute onderwerping, een absolute gehoorzaamheid, een absolute gebondenheid aan een bepaald principe. Maar dat is niet altijd aanvaardbaar, dat kan ik mij best voorstellen. Bovendien, al erkent men de juistheid ervan, men kan voor hetgeen als geestelijk aanvaardbaar, als binnen het bewustzijn passend, wordt erkend geen stoffelijke weg vinden. Daarin zit de moeilijkheid. En dan zeg je dus: Het gaat mij niet om de gebondenheid of om de aanvaarding op zich of wat het ook is, het gaat mij om het erkende doel. En dit ga ik nu in alles (in het goede en in het kwade) in alles wat ik rond mij zie projecteren. Ik wil alles aaneen smeden tot een geheel. Dat lijkt mij werkelijk voor veel mensen een mooie oplossing in deze dagen. Want de uiterlijke waarden schijnen zo snel te wisselen. Indien wij begrijpen, dat het doel niet wisselt, dan kunnen wij met die bewegingen tevreden zijn.
Het is net als met een wiel van een locomotief. Wanneer je naar de zuiger kijkt, zeg je: Die zuiger gaat nu naar voren en dan weer terug. Wat heeft dat voor zin? Maar begrijp je dat het gaat om de krukas, waarmee het wiel aan het draaien wordt gebracht, dan zeg je: Hé, het is niet heen en terug, het is een tegenstelling van beweging, die wordt omgezet in een gelijkmatigheid van richting, van doel. Dat moet ik met mezelf ook doen. En zo zijn er meer van die punten.
Er is een tijd geweest dat op aarde onderworpenheid van het hoogste belang was. En dan wil ik niet alleen uitgaan van de slaven-mentaliteit, die we hebben gekend. Vroeger was het zo: Slaven waren vaak mensen, die niet eens goed vrij konden zijn. Degenen, die vrij konden zijn, bleven voor het gemak toch maar slaaf met zelfstandige mogelijkheden. Maar die mentaliteit van gebondenheid, van onderworpenheid bestaat eigenlijk vandaag nog. Er zijn heel veel mensen, die eigenlijk niet meer in de bijbel geloven, zoals het zou moeten, maar zo gaan toch regelmatig naar de kerk. Er zijn mensen, die het helemaal niet eens zijn met de regering, met de militaire opdrachtgevers of met wie dan ook, waar zij onderstaan. Maar zij durven of willen de consequenties niet aanvaarden van een zich buiten dat geheel stellen. Die slaven-mentaliteit kan alleen maar goed zijn voor iemand, die geen bewustzijn heeft. Iemand, die wel bewustzijn heeft, zal zeggen: Ik kan die slavernij op zich niet accepteren. Ik aanvaard de gebondenheid alleen in zoverre zo voor mij doelmatig is. En dan krijg je een heel ander verschijnsel. De slaaf is ongeacht het al of niet harmonisch zijn onderworpen aan zijn meester. De vrijwillige dienaar is aan zijn meester onderworpen, zolang hij diens wijsheid boven zijn eigene erkent, ofwel een gelijkheid van doel en streven met die meester kent.
En dan komt het mooiste punt: Je moet op een gegeven ogenblik ook nog zo ver kunnen komen, dat je in de maatschappij een maximum aan harmonie, aan eenheid van streven en handelen zoekt, zonder dat je daarbij ooit jezelf verloochent. En kijk, dan geloof ik dat je het punt hebt bereikt, dat in deze tijdsspiraal de maximale ontwikkeling betekent. Je kunt op het ogenblik nog niet komen tot de volledige beleving van het geestelijke, waarbij het stoffelijke onbelangrijk is, al zou je het nog zo graag willen. Maar je kunt komen tot een vrijheid van keuze in je beleving, in je dienstbaarheid, waarbij de harmonie met de wereld bepalend is voor de wijze, waarop je uitvoering geeft aan hetgeen geestelijk in jezelf leeft.
Als we nu in deze cursus over aanpassing spreken, dan zou ik zeggen: Dat is het criterium van de juiste inpassing geworden. Omdat in deze draaiing, deze wenteling van de tijdsspiraal alles zoveel sneller gaat, moeten wij ons buitengewoon gemakkelijk blijven aanpassen aan alles.
Moeten wij als het ware zo lenig zijn, dat wij meekronkelen met alles, wat er rond ons kronkelt. Maar… (punt 1) wij moeten dat doen zonder onszelf, ons geestelijk principe te verloochenen en (punt 2), zonder ooit een disharmonie te scheppen met onszelf. Wees eerst jezelf volgens je beste geestelijk bewustzijn. Transponeer dat in een stoffelijk gedrag, dat zoveel mogelijk aan je wezen en je wensen beantwoordt, maar dat gelijktijdig een maximum aan harmonie reet de wereld mogelijk maakt.
Zo ziet u, dat ook het beschouwen van deze historische spiraal, deze tijdsspiraal, ons kan brengen tot een beter begrip van onze eigen tijd. Er zijn daarin heel veel punten, die een afzonderlijke belichting verdienen. Misschien komen wij daar nog wel eens aan toe. Ik denk bv. aan de kunstuitingen. Ik denk aan het inspiratief moment, dat loopt van ingeving, profetie tot een beredeneerde ontwikkeling aan de hand van een eenzijdig onderzoek door de intuïtie veroorzaakt. Er zijn duizenden wegen en mogelijkheden om binnen deze spiraal van tijd onszelf terug te vinden, ook in de tijd van nu en vooral om te begrijpen, dat de wereld van vandaag niet alleen maar een weerspiegeling van het verleden is, maar gelijktijdig een in de tijd gecomprimeerde weerspiegeling, die van ons een steeds groter bewustzijn en steeds grotere bereidheid tot aanpassing enerzijds en anderzijds een gefixeerd bewustzijn van het Hogere in onszelf zal vergen.
Eenheid der tegendelen
Hoe ken ik het wit zonder het zwart? Hoe weet je dat het licht is, als er geen duister bestaat? Hoe kan een man als man bestaan, als er geen vrouw naast hem gaat? En hoe kan een vrouw een vrouw zijn, zo er geen man is en geen kind.
Al heeft zijn eigen kracht, zijn eigen uiterlijk, zijn eigen uiting, zijn eigen waarde. Maar zo we het goed bezien, vullen de waarden slechts elkander aan en is dat, wat wij zien als absolute waarde in het bestaan, slechts de helft van een cirkel, die de eeuwigheid omschrijft.
Waarlijk, een eenheid van tegendelen bestaat te allen tijd voor hem, die wel beseft hoe juist het bestaan van tegendelen leidt tot het erkennen van een totaal, een afgeronde eenheid, waardoor het “ik” zichzelf erkent en zo zichzelf verheft tot hoger zijn en hoger doel.
Een eenheid van de tegendelen. Hoe kun je anders ooit zo iets verstaan? Er was een weg. Een weg, die je moet gaan. Niet van links naar rechts, maar in een wereld, waarin links en rechts omschrijven wat voor weg je eigenlijk gaat. Hoe kun je spreken over noord en zuid en oost en west, tenzij om aan te geven, hoe de rest van de wereld rond je bestaat?
Het “ik”, dat is de eenheid, waarin alle tegendelen samenvloeien tot één besef. En het bewustzijn is het product van al wat rond het “ik” als tegenstelling schijnbaar strijdig voortdurend voortbestaat. Ja, zelfs het gelovig “ik”, dat — terwijl het tot de hemel op wil zweven — naast zich de afgrond ziet van hel. En in een vrees voor hel als vluchtend ten hemel gaat. Zo, niet ten hemel gaand, werd het niet door hel tot hemel zijn gedreven.
En was geen hemel in het “ik” als waar besef aanwezig, men zou zelfs in de hel als in een hemel leven. Het is het verschil, dat ons beseffen doet, maar het is de aanvulling van tegenstellingen, waartussen wij bestaan en leven, die ons de waarheid van het eigen “ik” verschaft. In ons zijn alle waarden neergeschreven en niet slechts één punt. Een enkele richting of alleen maar licht uit tegenstellingen opgebouwd vermogen wij pas werkelijk tot de waarheid te gaan of te streven. Daarom lijkt mij het antwoord op het gestelde onderwerp eenvoudig. De eenheid van de tegenstellingen, mijne vrienden, is het leven. En wie het leven wel verstaat, beseft hoe schijn van tegenstelling in het einddoel ondergaat tot eenheid van het zijn, waarin het “ik” zichzelf erkent en in het ware zelfbeleven erkent: Er is geen tegendeel, maar slechts bewustzijn door de kracht, die alles schept aan mij als een weerkaatsing of een beeld van het oneindige bestaan binnen mijn beperking gegeven.
Definities van Henri
Eenheid. Eenheid is datgene, wat men voortdurend nastreeft, zonder het ooit te bereiken, omdat men altijd wenst dat anderen één met u zullen zijn, maar niemand zichzelf één wil zien niet anderen.
Drie-eenheid. De Drie-eenheid is het resultaat van ons onvermogen om God volledig te zien als gelijktijdig geuit en ongeuit, als geest en materie, als kracht en rust.
Goddelijke eenheid. Dit is de terugkeer tot het goddelijk Wezen, dat echter voor de mens alleen aanvaardbaar wordt, indien hij zijn ideeën van eigen belangrijkheid over boord zet. Vandaar dat het voor zovelen zoveel levens pleegt te duren.
De dood. De dood is voor de mens een blijvend afscheid. Voor de geest een bevrijding en in wezen niets anders dan één stap verder op de weg- naar de eindbereiking.
Henri.
overzicht | volgende tekst → |
