mei 1964
Golven van mentaliteitsverandering
In de historie van de mensheid is het misschien erg moeilijk na te gaan waar wel en waar niet de mentaliteit van de gemiddelde wereldburger op zeer korte termijn aanmerkelijk veranderde. Maar als wij de meer moderne geschiedenis nagaan, kunnen wij toch zien dat de denkwijze, ja, de leefwijze van de mens pleegt te veranderen in de betrekkelijk korte tijd van ongeveer 20 tot 25 jaar, waarbij zijn religieus en zijn moreel besef, zijn stoffelijke toestand en ook vaak zijn geestelijk heil een totaal andere richting krijgen. Eenmaal bereikt, zal een dergelijke mentaliteit weer ongeveer 3 à 4 geslachten lang regeren, daarna krijgen we weer een soortgelijke ommekeer.
Een vorige maal hebben wij het al eens gehad over de kwestie van de mechanisatie en de veranderingen, die daardoor rond het jaar 1900 tot stand zijn gebracht. Ik geloof niet dat die golven op zichzelf voor ons erg belangrijk zijn, of het zou moeten zijn, omdat wij inzicht willen krijgen in de waarde van de historie. Maar als verschijnsel op zich en daarmee als een verklaring voor hetgeen er in de wereld gebeurt en wat zich ook in de mens afspeelt, acht ik ze toch wel interessant.
Elke maal wanneer er een dergelijke vernieuwing plaatsvindt (een vernieuwing van mentaliteit wel te verstaan), blijkt zich een zeer sterke splitsing onder de mensen voor te doen. Wij kregen extremisme in de richting van het nieuwe en aan de andere kant zien wij een bijna even grote groep van extremisten die het oude willen herstellen. In de gevallen, zoals bv. in de barokperiode, dat de mens te zeer gaat teruggrijpen naar het verleden, krijgen wij ook een verzet; en dan blijken de behoudzuchtigen vaak moderner te zijn dan de progressieven.
De historie en daarmee het menselijk lot worden hierdoor heel sterk beïnvloed. Want op het ogenblik dat bepaalde waarde bon ton worden, zal men deze overal propageren als de enige. We zien dan een eenzijdige verschuiving, die zich vooral pleegt voor te doen in de bestuursinstellingen van de verschillende landen. De benadering van de problemen wordt een totaal andere. Om een voorbeeld te geven:
In de jaren 1900–1920 kende Nederland als staat nog steeds een kasfinanciering, waarbij langlopende projecten als leningsfinanciering werden beschouwd en een leningsafschrijving plaatsvond over de tijd die nodig was om dergelijke projecten ongeveer rendabel te maken. In de moderne tijd zien wij zelfs daar, waar het anders mogelijk zou zijn, een bewuste deficitfinanciering optreden, waarbij men dus bewust kiest voor het uitgeven van niet in kas zijnde, nog niet ontvangen gelden. Het eigenaardige is daarbij, dat men dus in veel mindere mate kredieten opvraagt in de vorm van werkelijke renteleningen en dat men vooral met termijngelden pleegt te werken.
U zult zeggen: Dat is niet belangrijk. Maar als wij dat bij regeringen zien, dan kunnen wij ook zeggen: Tussen 1900 en 1920 waren praktisch alle aankopen zoveel mogelijk contant. Niemand wilde iets schuldig zijn of schuldig blijven, indien het anders mogelijk was. Op het ogenblik is het voor de doorsneemens eerder bon ton om op afbetaling te kopen of op andere wijze rekeningen te laten oplopen. Als men denkt aan de verschillende verenigingen van toeristenorganisaties, clubs, dinnerclubs enz., die dus speciaal op deze kredietverlening zijn gebaseerd, dan moet men toch wel even met het hoofd schudden.
Indien dit slechts een financiële kwestie is, dan hoeft men zich daarover natuurlijk geen zorg te maken. Maar wat blijkt? De neiging om voorschot te nemen is op elk terrein toegenomen. Er is slechts één gebied, waarop het ongeveer gelijk is gebleven, alleen wordt het wat openlijker toegegeven. Maar op elk ander terrein is men steeds meer geneigd om als het ware vooruit betaling te vorderen voor zijn taken; en waar men zelf betalingen moet verrichten krediet te vragen.
Dit geldt ook voor de morele kant van de zaak. De moraliteit van deze dagen loopt vooruit op mogelijke toekomstige ontwikkelingen en rechtvaardigt daardoor een gedrag dat voor kort nog immoreel werd genoemd. Hier blijkt dus wel uit dat zo’n omwenteling de economie, maar noodzakelijkerwijze ook de politiek en de sociale structuur verandert. En nu leven wij in een tijd, waarin die vernieuwing plaatsvindt en waarin we dus een aantal eigenaardigheden zien optreden, die volgens mij zowel geestelijk als stoffelijk een verklaring kunnen geven voor de typische eigenschappen van de mens in deze dagen.
In de eerste plaats krijgen we dan te maken met een overbesteding op elk terrein. Om u een voorbeeld te geven:
Een besteding, zoals die tegenwoordig voor de krijgsmacht plaatsvindt, is in feite in strijd met de Hollandse aard en het Hollandse karakter. Dat geldt ook voor de U.S.A. Dat geldt voor praktisch elk ander land. Men koopt in vele gevallen materiaal, dat op de keper beschouwd niet veel anders is dan strategisch speelgoed. Waarom? Omdat men het aanzien baseert op wat men heeft; niet op de kwaliteit, maar op de kwantiteit.
Als wij de gewone mens zien, dan blijkt hij eveneens meer op de uiterlijkheden te letten dan op de werkelijke waarde. Voorbeeld:
Er zijn mensen die een auto hebben. Dat voertuig wordt door hen weinig of niet gebruikt. Laat ons zeggen dat hun maximum ligt op 100 kilometer per week. Dat wil zeggen dat zij hoge kosten hebben en dat zij hetzelfde comfortabeler tegen een geringer prijs op een andere wijze zouden kunnen verwerven. Maar daaraan denken ze niet, want je moet een auto hebben.
Er zijn mensen, die op dezelfde manier een geestelijke expressie zoeken. Vroeger was vroomheid in de eerste plaats een zaak van jezelf. Iets dat binnen de eigen gemeenschap misschien nog wel wat extrovert kon worden beleefd, maar dat verder toch binnenskamers hoorde. Tegenwoordig is vroomheid vaak oppervlakkig, maar wordt zij met grote ferociteit aan de buitenwereld getoond en opgedrongen. Excessen zijn juist in deze tijd bijzonder groot, omdat men te oppervlakkig is om de werkelijke waarde van een godsdienst of lering innerlijk te beseffen.
Dan kunt u daaruit de conclusie trekken, dat stoffelijk gezien de mens op het ogenblik eisen stelt aan het leven en waarschijnlijk ook aan zichzelf, die zijn mogelijkheden en middelen verre te boven gaan. Hij zal daarom steeds meer naar een kunstmatig en minder menswaardig leven moeten grijpen om deze tendens te kunnen voortzetten.
Geestelijk gezien kunt u stellen, dat de neiging om de resultaten vóór alles naar buiten toe kenbaar te maken, zal leiden tot een zelfmisleiding, waardoor de werkelijke krachten die men in zichzelf draagt worden overschat of terzijde gesteld en de innerlijke betekenis van de waarden plaats maakt voor de belangrijkheid van bereikte graden, bereikte inzichten of gewonnen zielen. Dat daarmee dus een periode aanbreekt, waarin de gedachte van verantwoordelijkheid, van aansprakelijkheid, van verplichting sterk moet verschillen van de voorgaande tijd, is duidelijk.
Maar er is nog een tweede punt. Na een periode van in verhouding grote democratie zien wij overal de neiging tot absolutisme. Dat toont zich niet alleen in staten, in regeringen, wij vinden het evenzeer in het bedrijfsleven, waar bepaalde personen of groepen proberen een absolute macht te verwerven. Wij zien het ook in het gedrag van de mensen onderling, die ten opzichte van elkaar als heersers trachten op te treden. Ook dit is een vorm van extrovert gedrag. Het is een uiten van eigen belangrijkheid en het strookt dus met het voorgaande.
Daartegenover zien wij dan altijd een groep mensen, die uit verzet alle gezag verwerpen. Mensen die het bestrijden van de conventie zo conventioneel hebben gemaakt, dat hun niet-conventioneel en niet-moreel gedrag volgens de buitenwereld onder hen zelf reeds weer een aan strenge regels gebonden conventie is geworden. Ook deze mensen met hun verzet tegen alle gezag zijn talrijker dan u zou denken.
De strijd tussen deze twee groepen geeft ons weer te denken. Want niemand is in staat de volledige verantwoordelijkheid te dragen voor zijn naaste. Indien hij dit toch doet of pretendeert te doen, zal hij zichzelf overschatten, zichzelf misleiden en op den duur zelf aan zijn waan ten onder gaan. Indien men alle gezag en conventie verwerpt, bestrijdt men niet de maatschappij met haar fouten, maar bestrijdt men in feite de uiterlijkheden van die maatschappij. Men kan dit alleen doen door een andere uiterlijkheid en veruiterlijking daar tegenover te stellen.
Het is duidelijk, dat ook dit invloed moet hebben op het gedrag en op de geestelijke waarden buiten alle maatschappelijkheid om. Een mens is vrij om te leven zoals hij wil. Ik geloof niet dat er iemand is, die hem dit recht mag en kan ontzeggen. Maar geen enkele mens heeft het recht te vergen, dat dit gedrag zonder consequenties zal zijn. Niemand mag verwachten dat zijn gedrag, zijn leven, zonder kritiek van anderen zal verlopen. Omdat men dit laatste en vooral dit verwerpen van kritiek in zichzelf maakt tot een kernpunt van eigen leven, zal men de wereld maar ook de geestelijke waarden verwerpen.
In het Christendom zien wij groepen ontstaan, die niets meer weten van God, van Christus. Die alleen nog weten omtrent hun eigen gelijk, hun eigen verhevenheid, ongeacht waarop ze die baseren. Iets dat volkomen fout is. Deze strijd is geestelijk en stoffelijk nadelig.
Een derde punt dat ik nog onder uw aandacht wil brengen in dit verband is wel de verarming van de menselijke geest.
Nu behoeft u niet bang te zijn dat ik hier ga spreken over radio, televisie, populaire muziek of moderne kunst. Want deze dingen zijn op zich niet een verarming van het leven. De verarming is gelegen in het verwerpen van eigen uitdrukking; een teniet doen van de voorwaarde, die in leven en kunst toch eigenlijk de grootste is: begrip. Hierdoor ontstaan richtingen die het absurde verheerlijken als het enig juiste. Zij doen dit misschien in de kunst en dan kan men er eens om lachen, ofschoon menig criticaster, die alles veroordeelt, juist het onbegrepene pleegt te verheerlijken.
Wij zien het ook in het zakenleven, in de politiek, waar praktijken, die op zichzelf absurd zijn, tijdelijk resultaten afwerpen, maar gelijktijdig worden verheerlijkt als het enig juiste systeem. Op het ogenblik dat wij de werkelijkheid prijsgeven en daarvoor een schijnwereld verheerlijken, moeten wij toch vastlopen. Dat is duidelijk.
Als u het voorgaande nu neemt in al zijn onvolledigheid en u beziet de werkingen in de wereld van vandaag, dan zult u ontdekken dat juist deze mentaliteit en de mentaliteitsverandering bepalend zijn voor het gedrag van vele grote staten.
De kwestie Vietnam bv. kan hier worden gezien als een ten koste van alles handhaven van eigen aanzien, dat men in wezen niet bezit. We kunnen de wijze, waarop bv. Nederland probeert internationaal mee te spelen in vele gevallen zien als een loze pretentie, daar men niet over de zeggenschap en zeggingskracht beschikt, die men – gezien de offers die men wil brengen – schijnbaar althans wil bezitten. Die zelfmisleiding zal dus conflicten scheppen. En die conflicten worden groter naarmate irreële en immateriële waarden voorop worden gesteld.
Dit is een golf van verandering.
De mentaliteit van de mens heeft in korte tijd een bijzonder scherpe verandering ondergaan. En dat betekent dat het oude niet meer kan terugkeren, maar ook dat het nieuwe alleen kan bestaan, indien het een op realiteit gebaseerd compromis tussen de bestaande richtingen met zich brengt. En dit kan geen compromis zijn dat wordt gesloten. Niemand kan zeggen: Ik zal dan het absurdisme of het concretiseren wel aanvaarden. Men moet daarnaartoe groeien.
Die veranderingen hebben vaak heel eigenaardige nevenverschijnselen. Zo zien wij bv. dat juist het verval van de imperiale macht van Rome gepaard is gegaan met de groei van de religieuze macht van Rome. Zo kunnen wij zien dat de ondergang van de Germaanse staten als zelfstandige stammen gevoerd heeft tot het ontstaan van een totaal nieuwe cultuur, waarbij juist die Germaanse invloeden bijzonder sterk zijn. Het eigenaardige is bv. dat nog op dit ogenblik de cultuur-beïnvloeding vanuit het noordelijk of Germaanse deel van Europa aanmerkelijk groter is dan uit het zuidelijk deel. We kunnen wel zeggen: Dat is niet zo. Maar het noorden bepaalt praktisch alles, behalve de kunst. De kunst is steeds vanuit het zuiden gekomen. Hieruit kunnen we dus wel afleiden dat de verhoudingen in de wereld moeten gaan veranderen en dat die verandering zich in korte tijd zal moeten afspelen.
Nu heb ik u reeds gezegd: Een dergelijke omslag in de mentaliteit van de mensheid vergt over het algemeen rond 20 jaren. Indien wij aannemen, dat deze omslag van mentaliteit eerst werkelijk is begonnen rond het jaar 1950, dan betekent dit dat rond het jaar 1970 een synthese, een totaal nieuwe mentaliteit zich moet hebben gevormd. Men zou hier aan het voorspellen kunnen gaan. Men zou kunnen zeggen: Op grond hiervan is het duidelijk waarom vanaf het jaar 1970 een nieuwe periode van bv. opbouw wordt verwacht. We zouden ook kunnen zeggen: Het is duidelijk dat hierdoor de invloed op de materiële toestand in de gehele wereld in 1970 van een andere zijde zal komen dan de nu nog gehandhaafde. En in alle gevallen zal dat ongeveer juist zijn.
Op zich is dat echter niet zo belangrijk. Want wie ook de sterkste is op aarde, wie er het gezag uitoefent, wat de godsdienst is en wat de publieke moraal ook zegt, de mens blijft een mens. Hij zal met de nieuwe normen en de nieuwe maatstaven net zoveel kunnen bereiken als met de oude, of net zo weinig. Het is in de overgangstijd dat hij stilstaat. Het is in de overgangstijd dat hij door de vele conflicten niet in staat is de werkelijkheid helemaal te beseffen. Daarna krijgt hij weer de kans om te bouwen.
Een golf van mentaliteitsverandering is dus direct bepalend voor het lot van de gehele wereld en niet slechts voor een deel daarvan in de volgende periode. Wij kunnen wel in bepaalde delen van de wereld een ander tijdstip zien, waarop zich die nieuwe mentaliteit gaat openbaren. Maar ook deze verschillen zijn niet zo buitengewoon groot. Om u een voorbeeld te geven:
In de tijd dat de Hofmeiers en later Keizer Karel Europa een nieuwe gestalte geven, is gelijktijdig het kalifaat op zijn hoogtepunt; vinden wij gelijktijdig in India Akbar de Grote, die eveneens een keizer is van buitengewoon groot belang. Wij zien bij Karel de zendingsdrift van het Christendom. We zien in diezelfde tijdsperiode in het kalifaat de zendingsdrift van de Islam zich ontwikkelen. En wij zien typisch genoeg bij Akbar vooral de filosofie zich ontwikkelen. In alle drie de gevallen kunnen wij zeggen: Het resultaat is – ongeacht de geheel verschillende omgeving en omstandigheden – ongeveer gelijk. Ik geloof dat wij dat ook voor de komende tijd zullen mogen zeggen.
Ik wil kort nog even releveren wat de conclusies zijn die ik hieruit dus moet trekken.
In de eerste plaats: rond het jaar 1970 zal dus de omslag in mentaliteit, die op het ogenblik gaande is, een vastere vorm hebben aangenomen. Dit betekent dat bestaande conflicten aanmerkelijk zullen afnemen; dat onderling begrip en ook de mogelijkheid tot samenwerking aanmerkelijk toeneemt. Het houdt ook in dat de zucht naar prestige, die in deze dagen zeer sterk is, terugloopt en daarvoor in de plaats komt een drang tot bereiken, gebaseerd op reële waarden.
In de tweede plaats houdt het in, dat alle nu lopende conflicten vóór die periode hun werkelijke oplossing reeds hebben gevonden, ook al zal de praktische doorvoering van die oplossingen misschien nog 10 à 20 jaren nadien vergen.
Een zekere belofte zit hierin. Toch mogen wij niet denken aan een duizendjarig rijk, aan iets wat nu voorgoed bereikt is. Daarvoor blijken die mentaliteitsveranderingen te vaak en te stormachtig voor te komen. Ik wil proberen u een inzicht te geven in de kernwaarden waarop ze zich baseren en in de periodiciteit waarmee ze ongeveer voorkomen.
De eerste golf: religieuze vernieuwingen
De periodiciteit voor religieuze vernieuwingen is ongeveer 320 tot 330 jaren. Elke mentaliteitsverandering betekent – hetzij binnen bestaande religieuze groepen of binnen nieuwe religieuze groepen – verandering van inzicht; en als gevolg een tijdelijke splitsing of misschien zelfs reformatie, welke voert tot vastgelegde en weer ongeveer gedurende 300 jaar gehanteerde maatstaven voor de toekomst. Dergelijke golven zijn esoterisch en geestelijk gezien van minder bewustzijn dan men denkt, aangezien het hier hoofdzakelijk gaat om vorm en niet om inhoud.
Een tweede golf: een verandering van rechtsbesef
Deze periodiciteit ligt aanmerkelijk sneller. Zij komt gemiddeld voor ongeveer per 189 à 192 jaren. Een dergelijke golf heeft ook een kortere aanlooptijd. Zij zal over het algemeen, om tot ontwikkeling te komen, 16 à 17 jaren nodig hebben. Minder dus dan 20 jaren.
Hier zien wij een zeer belangrijk iets: de visie op het persoonlijk leven kan zich in een betrekkelijk korte periode geheel wijzigen. Degenen die zich daarbij niet aanpassen, worden geïsoleerd. Rebellie en zelfs gewelddadigheid vloeien vaak uit deze revoluties voort. In alle gevallen kan worden gezegd, dat in deze cyclus de verliezer onmiddellijk wordt aangegrepen, bestraft en verslagen door zijn zegevierende tegenstanders.
De derde golf is de zgn. sociale omwenteling
Deze sociale omwentelingen vinden eveneens plaats met een tussenruimte van ongeveer 160 tot 170 jaren. De aanlooptijd is aanmerkelijk langer. De ontwikkelingstijd van de mentaliteitsverandering vergt rond 30 tot 34 jaar. Het resultaat is over het algemeen niet een werkelijke sociale vernieuwing, maar een verwisselen van plaats tussen de belangengroepen in de maatschappij. Het resultaat is hier dus vaak het ontstaan van geheel nieuwe cultuurnormen, het ontstaan van totaal nieuwe gedrags- en leefregels en als gevolg daarvan een verandering in productieprocessen.
Vierde golf: de verandering van feitenabsorptie
Er is nog een golf die wij, naar ik meen, onder de materiële kunnen rangschikken. Dat is nl. de verandering van feitenabsorptie. Dat klinkt misschien wat vreemd, maar de mens baseert zijn leven en zijn reacties op de omwereld, op de absorptie van feiten, gegevens en beoordelingen uit de wereld rond hem. De wijze waarop hij deze verwerkt en in zich opneemt, wijzigt zich voortdurend. Ongeveer eens per 500 à 600 jaren zien wij een dergelijke verandering optreden.
Doordat de mens zijn benadering van de buitenwereld in ongeveer 25 jaren sterk wijzigt, krijgt het leven, zelfs als de vormen nog een tijdlang worden gehandhaafd, voor hem een nieuwe betekenis. Hij zal zijn doel in het leven anders kiezen als gevolg van een dergelijke omwenteling.
Geestelijke tendensen
Naast deze periodiciteiten, die ten dele soms samenvallen, zoals uit het verschil en de duur wel blijkt, ten dele ook voortdurend gescheiden blijven, zien wij dan geestelijke tendensen met een vaak langere looptermijn, waarvoor vreemd genoeg geen vaste tijd is aan te geven die binnen de mensheid een dergelijke ommekeer teweeg brengen.
Wij kennen allereerst de ommekeer van de esoterische benadering. Dit valt wel degelijk onder mentaliteit. Want de wijze waarop men zich tegenover zijn God en zichzelf stelt, is bepalend voor de esoterische weg die men kiest. Wanneer men die weg heeft gekozen, zal men daarop zijn innerlijke bereiking baseren en ook de krachten die men aan de Eeuwige ontleent; dus de krachten van de Eeuwige, die men openbaar ziet worden in zijn eigen wereld.
De periode, waarmee dit optreedt, is ongeveer 1100 jaar. Dat wil dus zeggen dat, als wij van Christus uitgaan, wij tot het jaar 2200 moeten gaan voordat wij een soortgelijke intense omwenteling mogen verwachten; en dat wij daar vóór een zeer intense omwenteling van dit denken hebben gevonden rond het jaar 1100. Als u de historie nagaat, dan zult u zien dat dit aardig klopt.
De omslagtijd echter is moeilijk te bepalen. Als het beeld eenmaal actief is (als dus het nieuwe beeld van esoterische waarde bestaat) pleegt 1/3 van de mensheid dit betrekkelijk snel te accepteren; en wel binnen de tijd van 10 à 12 jaren. De overige 2/3 echter komen er achteraan in een periode die tot 140 jaar kan duren. Wij hebben hier dus altijd te maken met een zekere voorhoede en met een aantal volgers.
Esoterisch gezien is een omwenteling van deze aard natuurlijk bijzonder belangrijk, omdat zij nieuwe wegen tot het terrein van de geest, tot het begrip van God en zelfs voor de levensrechtvaardiging van de mens openlegt. Daarnaast echter vinden wij – en deze zou ik toch ook als geestelijk willen beschouwen – de golven van krachtsbesef.
Golven van krachtsbesef
Er is altijd een tijd dat de mens in zich een goddelijke Kracht vermoedt, beseft en gebruikt. De wijze waarop hij dit doet, zelfs de redenen ‘waarom’, zijn van weinig belang. Wanneer de mens wordt gedreven door zichzelf, is hij door zijn eigen belangen beperkt in zijn eenzijdigheid. Op het ogenblik dat hij zich door geestelijke waarden bezield acht, maar door geestelijke kracht gedreven acht, kent hij geen voorbehoud, ook niet waar het hemzelf betreft. Wij hebben dan te maken met perioden, waarin de mensen naar buiten toe erg fanatiek zijn, waarin zij door de strafheid, waarmee zij dit levensbesef tot uiting brengen, gelijktijdig echter ook grote krachten in zich verzamelen en op de wereld openbaren.
Gemiddeld komt dit eens per 720 jaar voor. Een dergelijke periode van kracht zal als aanlooptijd ongeveer 40 jaar hebben en als uitlooptijd (dus na het verkregen besef) een periode van wonderen of eigenaardige gebeurtenissen en bereikingen van ongeveer 140 jaren.
Hier wordt de mens dus geactiveerd. Zijn besef van een goddelijke Kracht maakt het hem mogelijk het onmogelijke te doen. Hij doet dit niet alleen door mirakelen, maar ook door een totaal nieuwe visie op het leven, op de wereld en zelfs op de mogelijkheden die er technisch of anderszins in die wereld bestaan. Het is een vernieuwing van zijn zien van de wereld. Het is gelijktijdig een vergroting van zijn levensdoel en voor zichzelf een intensifiëring van de inhoud van het leven.
Gezien het grote aantal door mij genoemde tendensen, zal het u duidelijk zijn dat zo nu en dan een groter aantal van deze golven samenvallen. Er kan onder omstandigheden een vijf-, zes- of zevental van deze invloeden in een korte periode optreden. Wanneer dit gebeurt, is er sprake van een voortdurende omwenteling. Het is een gistingsproces, waardoor de gehele wereld komt tot een totaal nieuwe visie, die niet slechts één terrein beslaat, maar alle terreinen. En ik meen dat de huidige periode één van die zeldzame tijden is.
Het is 21000 jaren en nog wat geleden, dat een dergelijke grote reeks golven van kosmische kracht, maar gelijktijdig ook cycli van mentaliteitsveranderingen optraden binnen honderd jaren. In het verleden hebben wij gezien – al zal uw historie dat misschien niet beseffen – dat de gehele maatschappelijke vorm en verhoudingen, maar ook het geestelijk leven veranderden. In de oudheid was dit een keren van de kleine staatsvorm naar de grotere staatsvorm, van een praktisch fetisjistisch plaatselijk godsgeloof naar een godendienst die grotere goden en pantheons meer algemeen voor grote gebieden omvatte.
Verder betekende het dat de overleveringen van vader op zoon, die in de oudheid van buitengewoon groot belang waren, gedeeltelijk werden vervangen door inwijdingsscholen en inwijdingsleringen die – al dan niet onder bescherming van een bepaalde god of godin – deze filosofische waarden voor anderen toegankelijk maakten. Het is hierdoor dat de cycli van het gebruik van geestelijke kracht ook daarna (van ongeveer 300 v. Chr. tot 400 n. Chr. dat zijn twee cycli) van zo’n buitengewoon groot belang waren voor de menselijke filosofie, het menselijk denken.
In die oudheid wijzigde zich het levenspatroon van de mens, de sociale verhouding, zijn verhouding tot de godheid, zijn gebruikmaken van de omstandigheden in de wereld en van de middelen welke er in die wereld bestonden. Het veranderde verder ook zijn gezagsverhoudingen. Het is in die tijd voor het eerst, dat wij bv. vorsten met schatplichtigheid zien optreden.
In deze nieuwe tijd kun je natuurlijk niet verwachten, dat het oude zich precies zo herhaalt. Maar je kunt toch wel zeggen dat – zoals die oude tijd eenheden tot stand bracht uit vele kleine groepen – ook de moderne tijd dit zal moeten doen. Men kan daaruit de conclusie trekken, dat de godsdienstige waarden van voorheen een even grote wijziging zullen moeten ondergaan als de sjamanengebruiken van vroeger, die werden overgedragen in de priestergroepen, welke zich baseerden op magische kennis en magische macht.
Wij zouden ten laatste moeten wijzen op het feit, dat er een totaal nieuwe vorm van welvaart ontstond. 21000 jaar geleden, vanaf heden gerekend nl., zien wij voor het eerst bepaalde geldmiddelen tot stand komen. Wie zien in die periode eveneens voor het eerst het gebruik van naamzegels; en deze naamzegels zijn eveneens kredietmiddelen: het eerste wisselverkeer. Het is uit die periode van vernieuwing, dat de u bekende grote handelssteden van het verleden zullen opbloeien. Het is eveneens uit de omwentelingen van dit verleden, dat bv. de veroveringstochten in het huidige Perzië zullen plaatsvinden. Dat de strijd tussen Babyloniërs en Perzen plaatsvindt.
Wanneer dit alles mogelijk is, dan moet dus deze periode, deze tijd, voeren tot vernieuwingen die nu nog niet voorstelbaar zijn. En gezien de totale reeks van op elkaar volgende en ten dele elkaar overlappende veranderingen van mentaliteit, die wij eveneens hebben gezien in de laatste 70 à 80 jaar, mogen wij verder wel de conclusie trekken dat de beslissende verandering zal zijn bereikt rond 1987. Dan zal de nieuwe mentaliteit haar werkelijke vorm hebben gekregen.
Als u nu in de wereld rond kijkt, dan valt het heel erg moeilijk te begrijpen waarom de mensen zijn zoals ze zijn. Waarom ze denken zoals ze denken. Het is heel moeilijk te begrijpen waarom bepaalde feiten waar zijn, terwijl ze toch strijden tegen je ideaal. Het is buitengewoon moeilijk te beseffen dat bepaalde dingen, die je als een recht meent te mogen eisen, in feite een onrecht betekenen. Want de wisseling van waarden is zo snel, de nadruk op de mentaliteit van de mens verandert zo snel van het ene punt naar het andere, dat het haast onmogelijk is de samenhang te erkennen. Maar als je de achtergronden weet en dus beseft hoe naast de voortdurende voortgang van een bewustwording op aarde ook deze schoksgewijze wijzigingen van mentaliteit voorkomen, dan ga je beter begrijpen, waarom er in deze tijd zo veel tegenstellingen zijn. Je kunt dan ook begrijpen, waarom er zo veel felle zelfzucht en geweld, waarom er zo veel verkeerd gerichte edelmoedigheden bestaan. Je gaat begrijpen dat je leeft in een wereld van zovele veranderingen, dat geen enkele maatstaf voor jezelf werkelijk en blijvend hanteerbaar is, behalve misschien die ene: je innerlijke band met het Goddelijke.
Het feit dat we in de huidige periode, die toch weer een aanloopperiode kan worden genoemd, geestelijke krachten zich sterker en feller zien openbaren, moet ons verder doen vermoeden dat bv. de menselijke wetenschap binnen niet al te lange tijd een sterke ommekeer zal ondergaan. Nu kunt u dat misschien nog niet zien, maar u voelt het overal aan. Het ogenblik dat de wetenschapsmens zich gaat bemoeien (vanuit zijn wetenschappelijk standpunt trachtend het paranormale daarmee praktisch te bewijzen) met God en de goddelijke krachten, met geest en met ziel, is het ogenblik waarop de grens tussen wetenschap en magie in feite reeds wordt overschreden en waarbij de mechanisch-logische hantering van middelen overgaat in een mystieke hantering van middelen, zonder dat men dit zelf beseft.
Veel van wat er in uw wereld nu gebeurt, is ook het gevolg van een dergelijke verwarring. Men kan de dingen nog niet bij elkaar brengen. Men weet zelf niet dat men anders is. En als u dus in die wereld wordt geconfronteerd met conflicten, dan zult u die gemakkelijker kunnen aanvaarden. U zult gemakkelijker leren inzien, dat het nu alleen maar voor uzelf mogelijk is de weg te kiezen, die voor uzelf redelijk aanvaardbaar en juist is.
U zult bovendien beseffen, dat de waarheid van deze dagen een uitermate variabele factor is. Zij wordt niet bepaald door de feiten, maar door de wisselende mentaliteit van de mensheid. Als u inzicht wilt hebben in deze tijd, in de gebeurtenissen ervan, dan mag u daarom ook deze factor, deze golf van mentaliteitsverandering niet over het hoofd zien.
Wij kunnen hieruit nimmer vaste conclusies trekken voor de toekomst. Maar we kunnen wel met zekerheid stellen, dat het oude een totale ommekeer tegemoet gaat. U daarop richten en daarop baseren is van het grootste belang.
Om dit onderwerp te besluiten, nog een paar eenvoudige aanwijzingen die voor deze dagen van groot belang zijn.
Er bestaat op dit ogenblik geen enkele concrete en reële rechtsverhouding tussen de mensen. Er is in deze periode altijd een interpretatieve berechting, waarbij argumenten en stemmingen een veel grotere rol spelen dan het wettelijk artikel. Houd daar rekening mee. Wat naar buiten toe schijnt te bestaan als een rechtsverhouding, een zedelijke norm, is geen concrete waarde; het is een interpretatieve waarde. Het betekent dat de persoonlijke interpretatie daarvan evenveel betekent als elke andere interpretatie, zolang het het eigen “ik” betreft en dat de algemene norm alleen kan worden gehanteerd in samenhang met een totaliteit, die althans uiterlijk dezelfde norm wil aanvaarden.
Het houdt verder in, dat u voor uzelf in deze dagen bijzonder moet letten op die eigenaardige dingen die van binnenuit spreken: uw dromen, visioenen, uw eigenaardige belevingen, uw misschien sterker dan vroeger tot uiting komen, van leven met pech en met geluksperioden bv. zijn voor u een aanwijzing hoe u kunt reageren. Want dat, wat in uzelf ontstaat, is een projectie van geestelijke kracht en daarom ook van geestelijk weten, dat wel niet volledig wordt beseft, maar dat in uw huidig bewustzijn wel is geprojecteerd. Deze dingen geven u aan wat is en wat gaat worden. Niet precies zoals de droom of zoals het denkbeeld is, maar dat doet minder ter zake. De richting ervan wordt heel vaak aangegeven. En wie zijn eigen gedachten kent, zal uit dromen, inspiraties, visioenen e.d. in deze dagen veel voorlichting kunnen puren.
Hetzelfde geldt voor krachten. Indien u ontdekt dat u periodiek bepaalde mogelijkheden hebt, gevoeligheden voor de toekomst, mogelijkheid tot genezen, of iets anders, dan zult u – wetende dat die periodiciteit zich voorlopig wel zal handhaven, ofschoon uw besef daaromtrent zich zal wijzigen – gebruik maken van die krachten volgens het besef en volgens het patroon waarop die krachten zich nu in uw leven manifesteren.
Het heeft geen zin zich een beeld van de toekomst te bouwen. Juist de wijziging van mentaliteit, die op het ogenblik plaatsvindt, de kosmische invloeden, die in grote mate ook het lot op aarde beïnvloeden, dragen er gezamenlijk toe bij dat geen enkele menselijke voorstelling van de toekomst volledig realiseerbaar is. Maak u dus geen voorstellingen van de toekomst, maar perfectioneer vanuit uw eigen wezen en standpunt uw gedrag en mogelijkheden in het heden, voor zover en zo goed als u kunt. Wetende dat wat nu plaatsvindt in het verleden vele malen heeft plaats gehad, hoeft u zich in deze periode niet te laten leiden door een gevoel van bijzondere lotsbestemming. Het is voldoende normaal te zijn. En zelfs indien esoterische, mystieke en/of geestelijke krachten in het geding zijn, zo mag u niet vergeten dat in deze periode al deze dingen werkzaam zijn voor de mens en benaderd worden door de mens vanuit een stoffelijk standpunt. U kunt geen enkele andere norm hanteren en toch succes behalen, toch resultaat bereiken, in uw wereld.
Hanteer dus uw begrippen en ook de geestelijke waarden en krachten in verband met de materie, met besef van de materiële mogelijkheden of de althans materieel bestaande beelden.
Ten laatste wil ik u erop wijzen, dat de zgn. kritieke punten, die ook dit jaar heeft gebracht en nog gaat brengen, eveneens worden beïnvloed door al die processen welke ik u omschreef. Wanneer een juiste omslag van mentaliteit plaatsvindt, dan kunnen wij er niet voor zorgen dat zij een andere waarde krijgt. Wij kunnen haar echter versnellen of vertragen. Het gebruik van eigen gedachtekracht, eigen gedrag, eigen optreden tegenover anderen (dus in de zin van de meest gewenste mentaliteit in deze periode) verdient dan ook aanbeveling. Hierdoor zal men vele gebeurtenissen iets kunnen afremmen, waardoor hun betekenis verandert, en men zal kunnen voorkomen, dat bepaalde conflicten of gebeurtenissen fatale gevolgen krijgen, terwijl zij toch in wezen, indien ze nu worden afgehandeld, alleen maar een zeer tijdelijk en beperkt belang hoeven te hebben.
Dit alles samenvattende wil ik dus besluiten met de raadgeving: Erken de periodiciteit van uw eigen mentaliteit en van die van anderen evenzeer als de kosmische, goddelijke en geestelijke krachten. Baseer u erop voor zover u ze kent. Ga in ieder geval bij uw benadering uit van de materie, maar zoek steeds daarin het maximum aan kracht en begrip te vinden, dat voor u nu bereikbaar is.
Televisie en bewustwording
De televisie speelt in Nederland en in een groot gedeelte van Europa op het ogenblik een zeer belangrijke rol. Zij krijgt de taak toegemeten van opvoeder van de massa. Zij krijgt verder als inhoud nog toegeschreven: de verrijking van de menigte met de geestelijke cultuurgoederen van het volk.
Uit de aard van de zaak interesseert niemand zich daarvoor. Want als een mens wordt opgevoed, dan bereik je dat over het algemeen niet door hem iets voor te leggen dat moet gelden als vermakelijkheid. Hij voelt zich geïrriteerd en verzet zich automatisch tegen de inhoud van hetgeen hem wordt gepresenteerd.
Wanneer wij in dit verband de invloed willen zien die de jeugd op de televisie heeft, of omgekeerd de televisie op de jeugd, dan komen wij tot de volgende conclusie:
De jeugd eist van de televisie tempo, wat deze bv. in Nederland zeker niet bezit. Zij eist daarvan verder een amusement. Zij eist van de tv indien er een probleem wordt aangesneden, ook tenminste één aanvaardbare oplossing voor dit probleem. Zolang de televisie hierin tekort schiet, zal zij door de jeugd alleen worden geïnterpreteerd als een amusement, waarbij men voorbeelden kan nemen aan imaginaire helden, omdat de werkelijke waarden die worden gepresenteerd, eenvoudig op een onaanvaardbare wijze naar voren komen.
Men zegt wel eens dat de gewelddadigheid onder de moderne jeugd te wijten is aan de vele gewelddadigheden die voorkomen in de verschillende tv-drama’s met wildwest of andere moorden assortis. Ik geloof niet dat dat waar is, want ik meen mij te herinneren, dat toen de jeugd in de jaren 1900 – 1910 wat opstandiger en agressiever werd, de psychologen en denkers van die tijd beweerden dat dit de schuld was van het sprookje.
In het sprookje immers werd voortdurend bloedvergieten geëtaleerd. Roodkapjes werden opgegeten door hongerige wolven en kwamen toch nog levend uit de buik van het ondier. Grootmoeders werden verzwolgen. Reuzen werden door vliegendoders neergeslagen en wat dies meer zij. Men meende dat het sprookje invloed had op de mentaliteit van de jeugd. Iets wat even onzinnig is als aan te nemen dat het televisiesprookje invloed heeft op de mentaliteit van de jeugd.
De jeugd van vroeger zocht in het sprookje de mogelijkheid om even te ontkomen aan een al te gedisciplineerd bestaan in de werkelijke maatschappij. Zij zocht daarin het avontuur en het tempo, dat in de gebruiken van haar tijd niet was toegelaten. In de huidige televisie zoekt de jeugd precies hetzelfde. Ze zoekt het sprookjesland, dat haar een ogenblik kan vrijmaken van de beperkingen van eigen wereld. Ze zoekt de mogelijkheid om haar dromen voor een ogenblik op het witte scherm te zien. Maar of daardoor de tv invloed op haar heeft, betwijfel ik.
Als wij in het bijzonder de Nederlandse televisie willen bezien (voor zover ik recht heb hierover te spreken, aangezien wij noch op de eerste, noch op de tweede zender zijn aangesloten), zo zou ik willen opmerken dat de zelfgenoegzaamheid en zeker ook het verouderde aanpakken van de zaken bij de verschillende Nederlandse programma’s de oorzaken zijn dat de televisie haar greep op jeugd allang heeft verloren en dat zij zelfs als schooltelevisie slechts met zeer veel moeite iets van het verloren terrein zal kunnen terugwinnen.
De invloed van de jeugd op de televisie daarentegen is een voortdurende stimulans, want men wil de massa pakken; en men kan die alleen pakken door aan die massa tegemoet te komen.
In andere landen heeft men dit beseft. Men heeft een rijke keuze gegeven en men heeft zich daarbij niet afgevraagd wat nu wel en wat niet psychologisch, moralistisch of anderszins wenselijk is. Men heeft zich eenvoudig afgevraagd wat men aan goeds kon brengen. En daarmede heeft men inderdaad een verbetering van smaak tot stand gebracht. Ik geloof dat dat op het ogenblik voor de jeugd precies hetzelfde is.
Op het ogenblik dat de televisie iets brengt wat haar interesseert – al is het maar een voetbalwedstrijd – is zij gebonden en gekluisterd aan het kleine scherm. Ze leeft erin mee en laat zich erdoor beïnvloeden. Op het ogenblik dat de televisie begint cultureel verantwoorde programma’s te brengen, zoekt zij haar heil hetzij bij straatschenderij en kattenkwaad, hetzij bij plaatjes waarvan het ritme alle melodie reeds lang verdrongen heeft.
Ik meen hiermede het eigenlijke probleem reeds te hebben toegelicht. Maar er zijn in dit geheel toch nog enkele aspecten, waarvoor ik toch ook nog even de aandacht wil vragen, nl. de kwestie dat televisie een zeer indringend massacommunicatiemiddel is.
Men kan door zien en horen plus eventuele commentaren op een geïnteresseerde kijker een zeer grote indruk maken. Men kan bij die kijker een zeker enthousiasme doen ontstaan. Men kan zelfs die kijker opzwepen tot een zekere hysterie. Een regering of een groep die invloed of macht zoekt, zal geneigd zijn om van zo’n middel gebruik te maken om zichzelf te etaleren, om de massa onder de indruk en invloed te brengen van haar idealen, oprechtheid, macht e.d. Er is echter één ‘maar’ bij. Zodra zo iets wordt overdreven, valt de betekenis ervan weg.
Een prediker die zegt te willen bekeren, maar zo saai predikt dat hij alleen de gelovigen tot luisteren kan bewegen, zal nooit resultaat boeken. Dit geldt ook voor de televisie.
In de moderne wereld moeten wij de tv dus niet zien als een beïnvloedingsmiddel in de eerste plaats. Daarvoor wordt het te dom gebruikt. Het is iets anders geworden. Het is een brandpunt geworden voor de gemakzuchtigen, die in hun eigen woning zonder al te veel te denken zich wensen te laten amuseren, onderhouden of beleren. Het is daarmede een kern geworden van het huiselijk leven en voor velen zelfs een kern van het geestelijk leven. Dat zij daardoor de werkelijkheid van het huiselijk leven en van geestelijk leven ontberen, beseffen zij niet.
Er ontstaat als gevolg van deze tv-werking op de mens een soort honger. Deze honger uit zich op een zeer eigenaardige manier. Er zijn zeer veel mensen die voor de televisie in slaap vallen, ook wanneer het programma toch werkelijk interessant is. De oorzaak hiervan is een onbevredigdheid in henzelf. Zij wensen te ontkomen aan het denkbeeld dat het anders en beter met hen zou kunnen zijn; en daarom vallen zij in slaapt, daarom hebben zij geen interesse, daarom trekken zij zich terug, zelfs indien een dergelijke uitzending goed en interessant is geprogrammeerd.
Dit is een probleem dat in deze tijd van groot belang is: de mens, die hongerig is en zelf niet weet waarom. De mens, die in sluimering of in rumoerigheid ontvlucht aan de feiten en zelfs aan de voorstellingen en dromen van zijn wereld, die deze hem nog kan bieden. De ontevredenheid die niet alleen in Nederland, maar ook in het door de steller van dit onderwerp zozeer geroemde gebied van de VS, bestaat, is de uiting van een doelloosheid of ledigheid in het leven van velen. Er is geen uitweg; en die uitweg terug vinden is buitengewoon moeilijk. Want om hem te vinden zal men zonder meer moeten leren eigen maatstaf niet alleen aan de televisie, maar ook aan het hele leven, aan te leggen. Men zal moeten leren leven vanuit zichzelf en niet vanuit een massaproduct, vanuit een massamoraliteit, een massaal geestelijk beleven, werken e.d. Het terugkeren tot de persoonlijkheid dat in schijn wordt bevorderd door de binding die het kleine tv-scherm aan menig gezin geeft, wordt teniet gedaan door het isolement, waarin men over het algemeen de vertoningen ondergaat.
In het leven is het precies hetzelfde. De mens zoekt naar gemeenschapszin en eenheid. Hij zoekt daarnaar in verenigingen of in groepen, zoals de jeugd dit bv. doet. Maar daar luistert hij niet naar anderen, doch hij probeert anderen te overschreeuwen. Daar gaat hij niet in op het totale en werkelijke gebeuren van een vereniging, een groep, een maatschappij, maar alleen op die aspecten, welke voor hem een zelfbevestiging kunnen betekenen. En al datgene wat niet daaraan beantwoordt, is hij geneigd af te keuren. Hij kan het niet volgen. Het is te ingewikkeld. Het is te saai. Het is te luchtig, niet passend; en zo kan ik doorgaan. In wezen zegt men daarmee niet: Het programma, de sprekers of het werk van onze vereniging of van de vergadering die ik bijwoon is niets waard. Men zegt eenvoudig: Ik heb in mijzelf geen enkele waarde te stellen, waardoor ik de eventuele tekorten kan aanvullen.
Zelfs het kijken naar de televisie is in feite een herscheppende werkzaamheid. Men moet aan het vlakke beeld, aan het onvolledige gebeuren met zijn vaak vreemde tijdssequenties, een eigen inhoud geven. Men moet er een eigen betekenis aan geven. Men moet er zijn helden en zijn schurken kiezen. Men moet zijn sympathieën en antipathieën als het ware doen uitstromen naar die beelden; en dan leeft het geheel. Dan wordt niet alleen de tv ervaren, maar dan wordt er in het “ik” meteen ook een drama afgespeeld. Dan wordt het “ik” verrijkt.
Als ik in de maatschappij, of onverschillig waar, alleen oog heb voor datgene wat mij persoonlijk interesseert, als ik niet bereid ben het totaalbeeld op te nemen, als ik mij niet wens te identificeren met onverschillig wat (hetzij een geestelijke waarheid of een stoffelijk streven), dan zal ik zoals zovelen mopperend, afkeurend, verwerpend het geheel bezien, omdat aan mijzelf een zekere inhoud ontbreekt.
Ik weet dat dit een hard oordeel is. Dat menigeen zal zeggen: Nu ja, er is zoveel onzin. Wij mogen daarvan toch wel zeggen dat het beter zou kunnen. Het is uw volste recht te zeggen dat het beter zou kunnen. Maar het is uw plicht om – zo u er zich mee bezighoudt – de werkelijke betekenis en waarde die erin gelegen zijn, zelfs indien dit de antithese zou betekenen, te putten.
De mens moet leren verwerken. Het leven moet niet de mens verwerken. De mens moet in zich geestelijk (mentaal) de wereld doen leven: een oplossing vinden voor problemen. Hij moet desnoods durven dromen en fantaseren. En hij moet daaruit voor zichzelf een beleving van het geheel weten te putten. Wat hij ook is, wat hij ook doet, doet niets ter zake. Zomin als het veel ter zake doet wat dat kleine scherm nu eigenlijk uitstraalt. Want de invloed komt niet van buiten; ze komt van binnenuit.
Als ik dit erbij ga zeggen, dan zult u begrijpen, dat het probleem heel wat meer omvat dan het door u gestelde. De invloed op de jeugd door middel van de televisie is zo groot niet. Maar het is gemakkelijk daaraan de schuld te geven. Het is gemakkelijk te zeggen: De jeugd wordt door de televisie tot misdadigheid gedreven. Want dan behoeft men zich tenminste niet af te vragen welke fouten er in de eigen maatschappij, in de eigen wijze van leven, streven en optreden, ja, in eigen idealen aansprakelijk is voor de mentale aberraties, voor de eigenaardige maatschappelijke misvormingen, die vele jongeren vertonen. Zoals het gemakkelijker is te zeggen dat eenieder, die de waarheid niet inziet van onze leer, een dwaas moet zijn, dan ons af te vragen, waarom die ander niet kan aanvaarden en in onszelf iets te scheppen, wat ons niet alleen bevredigt, maar wat ons ook voor die ander doet leven in die betekenis.
Dat geldt ook voor het Christendom. Een goed Christen zijn, mijne vrienden, betekent heus niet kerks zijn. Het betekent zelfs niet braaf zijn volgens de geldende normen. Het betekent alleen maar, dat je in je leven een bewuste en actieve dienstbaarheid ten opzichte van anderen voortdurend weet te handhaven en dat je daarmee gepaard doet gaan geweldloosheid en een niet-gebonden zijn aan mensen of materie.
Je kunt een goed democraat zijn. Maar als je als democraat probeert je eigen partij koning te laten kraaien, ben je al geen goed democraat meer; dan ben je een beginnend dictator. Indien je een systeem aanvaardt dat is gebaseerd op persoonsverheerlijking of op verheerlijking van één richting, met uitsluiting van alle andere, dan kun je nooit een werkelijke democratie hebben. Dit wil men niet accepteren en begrijpen. Men wil niet begrijpen, dat het mogelijk is aan de ene kant met de volle inzet van eigen wezen en met een besef van het juiste van wat in het “ik” leeft anderen te aanvaarden, hen niet bestrijdend, hen niet door eigen gezag overdonderend, maar hen brengende vanuit jezelf tot een zekere dienstbaarheid door het inzetten van je persoonlijkheid en mede door het begrip tot een aanvaarden, zo al niet tot een
bevorderen en erkennen van datgene wat voor jou belangrijk is.
In de moderne maatschappij leeft alles van buitenaf. Als er morgen twee gewonden op de straat liggen, dan is de kans groot dat de omstanders zeggen: “Het is tijd dat de G.G.D. komt; en waar blijft de politie?” En dat ze rustig de patiënten laten doodbloeden. Dat wanneer een paar jongelui een oude man doodslaan – wat gebeurd is – ze doorlopen en zeggen: “Het wordt hoog tijd, dat iemand de politie belt en dat die hieraan iets doet.” Men gaat doodeenvoudig uit van het standpunt: het moet van buitenaf komen. En niets in het leven is alleen van buitenaf bereikbaar. Niets kan door uiterlijke omstandigheden alleen worden bepaald. Wat je in jezelf bent, wat in je leeft, de denkbeelden die in je worden gevormd, je eigen reactie op de wereld (een bewuste, een positieve reactie als het even kan) is bepalend voor wat je bent en wat je betekent.
Als de mensen dit niet kunnen begrijpen, dan zullen ze altijd wel blijven mopperen: over de televisie, over de slechte invloed van film, tv enz., op de jeugd, zoals men vroeger mopperde over de fatale invloed van het volkstoneel. Dan kan men blijven mopperen over de fouten die de politici maken, over de fouten van de econoom, de dwaasheden van de arbeiders. Maar zolang niemand er iets aan doet, niemand begint zich een voorstelling te maken van een oplossing, van het mogelijke en deze in praktijk brengt, dan gebeurt er immers niets. Dan kunt u die anderen wel de schuld geven, maar de schuld ligt bij uzelf.
Dat is het probleem dat u onwetend hebt aangesneden. Niet het probleem van een bepaalde vorm van uitgestraald massavermaak, maar de status van een mens in deze overgangstijd. Een status die nooit kan worden bepaald door wat er van buitenaf komt, maar alleen vanuit jezelf. Niet wat de wereld u geeft, maar wat u zoekt in de wereld is van belang. Niet datgene wat anderen zijn, maar wat uzelf kunt zijn voor anderen is belangrijk. Als u dit begrijpt, dan krijgt u ook de mogelijkheid om alle positieve tendensen en de periodiciteiten, die toch op het ogenblik veelvoudig voorkomen, te gebruiken. Dan bent u niet meer de pion die wordt geschoven, de machteloze eenling die verdrinkt in het geweld van de massa. Dan bent u iemand die wat betekent. Dan bent u iemand die wat kent. Dan bent u iemand die zelfs uit de meest dwaze, de meest zinloze, de meest misdadige dingen desnoods, leert en daaruit geestelijke waarden, krachten en waarheden put.
Het ligt bij u; niet bij een ander. Het ligt in de mens; niet in dat wat rond de mens bestaat. Het ligt niet in de droombeelden die men hem voorgoochelt. Het ligt in de dromen die hij in zichzelf durft dromen en waar durft maken.
De incongruentie van het menselijk gedachte- en begeerteleven en het menselijk daadleven is één van de grote nadelen en gevaren van deze periode. Het is daaruit dat gewelddadigheid, roekeloosheid, onmenselijke hardheid en wat dies meer zij, voortvloeien. Het is op dat punt dat er verandering moet komen. En de oplossing van het geheel ligt voor de hand.
We weten immers dat de spanningen in de wereld oplopen. We weten immers dat – ongeacht alle verklaringen, dat er nog veel welvaart is en dat alles zo goed gaat – steeds grotere tegenstellingen worden geboren tussen de mensen. Dat er economisch, politiek en anderszins steeds grotere problemen en moeilijkheden rijzen. Wanneer men daarmee wordt geconfronteerd, dan zal men op een gegeven ogenblik moeten ageren vanuit zichzelf. Dan zal men vanuit zichzelf moeten denken, handelen en optreden. Dan zal men moeten zoggen: Ik bouw mijn eigen leven. Ik laat mij niet een waanleven door anderen voorgoochelen. En ik geloof, dat dit wel de belangrijkste invloed en belangrijkste inhoud van deze dagen is.
Wie van u zich daarvoor interesseert, moet nu eens niet kijken naar de fatale invloed van boekjes, films, tv-voorstellingen e.d. op de jeugd of op de misleidende werking van bepaalde publicaties voor de ouderen. Hij moet eens proberen de reacties van de mensen te zien. Te ontdekken hoe ze steeds onrustiger worden door steeds meer – zij het vaak verkeerde – eigen wens- en droombeelden te gaan najagen in de praktijk. Hoe zij steeds trachten – zelfs in hun gevoel van machteloosheid in de maatschappij – zelf weer iets te zijn, zelf iets te doen. Wie dat beziet, kan – naar ik meen – stellen, dat deze dagen hoopgevend zijn ondanks hun spanningen en moeilijkheden. En wie dat beseft zal ook wel afstand willen doen van de vele psychologische en pedagogische argumenten, die op het ogenblik worden gebruikt om de buitenwereld de schuld te geven van iets wat eigenlijk in de mens mis is.
Drempels
Drempels kom je in het leven steeds weer tegen. Je denkt je wereld te kennen en dan is er een deur ….een onbekende mogelijkheid. En als je de drempel hebt overschreden, dan is het leven veranderd en het wordt nooit meer hetzelfde.
In de geest zijn er ook drempels. Je meent geestelijk evenwichtig te zijn. Je meent geestelijk het juiste en goede bepaald te hebben. Je meent te weten. En dan zie je een enkele opening. Je vraagt je af: Wat zou er achter liggen? Je stapt er doorheen en treedt een nieuwe wereld binnen. Je oude orde is verbroken. Je oude denken, je oude leven wordt vervangen door iets nieuws en er is geen terug. Want de drempels die de mens in zijn leven, ook zijn geestelijk leven, kent, liggen ergens in de tijd. Ze liggen in het bewustzijn. Je kunt de drempels tenslotte niet vermijden. Je kunt niet steeds hetzelfde zijn en blijven. Je moet veranderen.
Afwisseling is een noodzaak. Zonder dat leef je niet. Maar elke keer als je een grote verandering aanvaardt, als je een grote stap doet, overschrijd je een drempel; en achter je ligt het verleden, dat nooit meer terugkeert. Achter je ligt een toestand van onwetendheid, die nooit meer terugkeert.
Het lijkt vaak alsof drempels iets nadelig zijn, want ze betekenen innerlijke oproer en veranderingen. Ze betekenen moeilijkheden, strijd, zoeken, nieuw streven. En als je denkt er te zijn, dan zijn er weer drempels. Ze doen je werken en streven; ze brengen je lijden. Maar zonder die drempels zou je niet waarlijk leven; dan zou je alleen maar vegeteren. Zonder steeds weer drempels te overschrijden, zou je niet uit de kleinheid van eigen besef kunnen komen tot besef van de grote Kosmos, de grote Werkelijkheid. Zonder die drempels zou je niet kunnen komen tot een ingewijd zijn in de werkelijkheid van het leven en tot een erkennen van de innerlijke kracht die in je bestaat.
Drempels zijn niet alleen noodzakelijk, ze zijn een van de beste delen die het leven geeft: het begin van iets nieuws, een nieuwe beleving, een nieuwe kracht, een nieuwe ervaring, een nieuw inzicht. Zij zijn het die de mens in zijn leven inhoud doen vinden. Zij zijn het die de geest steeds nieuwe werelden en sferen openen. Zonder de drempels zou er geen vrij inzicht zijn en zou er geen sprake zijn van een mens die ingaat tot zijn God.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
