Aanpassing – Les 07 – Bewustzijnsprogressie in de tijd

image_pdf

april 1965

Bewustzijnsprogressie in de tijd

De opvattingen, die de mens pleegt te hebben over de evolutie en daarbij ook over de geestelijke evolutie, zijn helaas nogal eens in strijd met de feiten. Als wij hoogstaande beschavingen, als bv. die van Griekenland, vergelijken met wat later ontstaat in Rome en we vergelijken de grootsheid van Rome met bv. het rijk van Karel de Grote, dan blijkt ons dat er in feite geen sprake is van een evolutie, maar dat er kennelijk ook regressies optreden.

Wanneer wij de geschiedenis doorwandelen, dan treffen wij deze op– en teruggaande beweging van de menselijke cultuur, van de menselijkheid op zichzelf en van de beschaving steeds weer aan. En omdat het altijd aardig is om de tendensen te kunnen bepalen, waarin men zelf leeft, zou ik vandaag daaraan aandacht willen besteden. Wij beginnen dan maar heel eenvoudig met enkele grondstellingen, waarover u dan maar eens moet nadenken.

  1. Elke bewustwording kan binnen een menselijk milieu slechts gaan tot een bepaald punt; daarna kan zij zichzelf wel uitbreiden op meer horizontaal vlak (dus meer omvattend), maar zij kan niet meer stijgen en tot nieuwe concepten komen.
  1. Op het ogenblik, dat een feitelijke bewustwording tot stilstand komt, zien wij in de menselijke samenleving een verschuiving van het aspect “kennis” naar het aspect “macht”.
  1. Altijd weer wanneer het menselijk bewustzijn op macht — ongeacht in welke vorm — wordt gericht, zal de kennis als dienstbaar worden beschouwd; en hierdoor zal de macht de ondergang van de bestaande kennis in de hand werken.

Dat zijn drie eenvoudige punten. Misschien kunnen wij ze het best illustreren met een wat modern voorbeeld. Er is een tijd geweest, dat uitvindingen het meest belangrijke waren dat men zich kon denken. Dat was zo bv. omstreeks 1900 toen uitvindingen van machinerieën, van nieuwe processen en van vervoersmiddelen in wezen het karakter van de beschaving wijzigden. De mens werd door nieuwe concepten omtrent het Al, ja, zelfs ontdekkingen als het begrip “evolutie”, het ontstaan van de eerste visie op relatieve waarden geprikkeld om boven zichzelf uit te stegen. In die tijd waren alle geschillen in de wereld geschillen die open waren. Er was wel oorlog, maar de oorlogvoerenden respecteerden elkaar. Zij zochten elkaar desnoods op en van spionage was in heel wat mindere mate sprake dan in deze dagen. Indien het ging om spionage, dan ging het om belangrijke dingen. Zo was het dus.

In deze tijd worden de meest onbelangrijke dingen al snel tot staatsgeheim verklaard. Naarmate de geheimhouding toeneemt, neemt het wederzijds respect af. Er is niet zozeer de behoefte aan het nieuwe denkbeeld, als wel aan de methode om het bestaande zo te isoleren, dat men daarover alleen de beschikking heeft. De kennis wordt niet gezien als middel om eigen wereld te ontwikkelen, maar in de eerste plaats als middel om eigen macht veilig te stellen. Daartegen is natuurlijk wel het een en ander in te brengen, dat weet ik wel. Maar op zichzelf is het niet onjuist.

Als ik spreek over 1900, dan spreek ik over nieuwe processen en ontwikkelingen, die hoofdzakelijk commercieel van belang zijn. En zelfs in de oorlog van 1914 – ’18 waar wij toch te maken krijgen met onderzoek, oorlogsindustrie e.d. blijkt het aantal uitvindingen, dat specifiek voor de oorlog en nergens anders voor bestemd is, klein te zijn. Als wij daarentegen gaan kijken naar de jaren 1936-’37, dan zien wij dat uitvindingen steeds meer worden gericht op macht en machtsbehoud.

In de tweede wereldoorlog is het menselijk vernuft, dat voor destructieve doeleinden wordt gebruikt, dus veel groter dan tevoren. Daarna blijkt er niet eer opleving te zijn van het richten van het intellect op humanitaire doeleinden, maar blijft de neiging tot geheimhouding, waarbij zelfs voor iedereen zeer bruikbare uitvindingen in feite worden stil gehouden, omdat ze misschien een zeker machtspotentieel bij een oorlogvoering zouden kunnen inhouden. Dat is natuurlijk allemaal heel mooi. Maar wat betekent dit eigenlijk? Het betekent, dat er een ogenblik komt, waarop het menselijk bewustzijn op aarde een maximum aan mogelijkheden heeft gevonden. Er is nog steeds dezelfde mogelijkheid tot strijd, tot expressie, tot vernieuwing, maar de mens kan dit niet meer verwerken. Het is net alsof hij op dit terrein doof of blind wordt. Vanaf dat ogenblik is de neiging van zijn gehele beschaving dus destructief. Hij bouwt in wezen niet meer op, hij probeert te bevestigen. Door het bevestigen van bestaande waarden en het voorkomen van niet gewenste ontwikkelingen, zoals men dat noemt, verkrijgt hij dus ook een beperking van datgene, wat geestelijk toelaatbaar is; dus het denken dat toelaatbaar is. Een aardig voorbeeld hiervan kunnen wij ook vinden in de kerken.

In de tijd, dat het Christendom pas begint, gaat het om de beleving van het Christendom en is de vorm ervan een bijkomstigheid. In de tijd van de apostelen is het onderlinge verschil van rite — zo er al van een rite mag worden gesproken — in vele gemeenschappen zeer groot. Dit is niet belangrijk. De erkenning van Christus is het enig belangrijke.

Als we dan gaan kijken naar bv. 1400-1500, dan blijkt dat het meest belangrijke de rite is, de erkenning van het gezag en dat de beleving van het geloof een quantité négligeable is geworden; het gaat daar niet meer om. Er komt een reformatie, geboren uit diezelfde machtslust; maar het is een beweging. De reformatie drijft terug naar het beleven in een vaak overdreven vorm, waardoor men kunstwerken vernietigt, die heus niet schadelijk waren voor het Christendom.

Wanneer die beleving eenmaal een zekere top heeft bereikt, dan schakelt men over van de vrije bijbelbeleving, die de reformatie ten slotte toch wil brengen, naar de theologische leer, naar de vorm, de formule. En vanaf dat ogenblik begint ook de reformatie te proberen haar eigen orthodoxie ten koste van alles te bewaren. Als u dit nu eens moet uitdrukken zuiver in de termen der bewustwording, dan kunt u dus stellen: Wanneer een bepaalde ontwikkeling op het punt komt, waar zij zichzelf tracht te handhaven, dan begint zij zichzelf te vernietigen door het eenvoudige feit dat het menselijk bewustzijn en de menselijke wil niet meer in staat zijn daaraan werkelijk deel te hebben. Bij het ontbreken van deze punten zal elke mens, die nog voldoende levensvatbaar is, zoeken naar het nieuwe buiten de heersende situaties en de heersende waarden om. Het resultaat is een revolutie of een opstandigheid. Soms een verplaatsen van de macht van de ene staat naar de andere of van de ene kerk naar de andere, maar altijd weer een totaal nieuwe ontwikkeling, waarbij dus onnoemelijk veel verbeteringen worden bereikt en de mens weer dichter komt te staan bij het geestelijk beleven.

Dit nu is niet alleen maar een kwestie van een bepaalde frequentie van gebeuren. Neen, wij kunnen in de gehele menselijke historie — of wij nu willen teruggaan naar de allervroegste vormen van leven, die mens genoemd mogen worden in de lang vergeten rijken van de oudheid of naar vandaag — zien dat die ontwikkeling steeds weer gaat van de ene pool naar de andere. Er is een haast onvermijdelijke wisselwerking: Het geestelijk elan, het geestelijk beleven uitgedrukt in de materie.  Dan materiële verstijving, breken van het elan: Revolutie.

Een revolutie, die tot een langzame ontwikkeling komt en ten slotte wordt tot een macht. Als macht een nieuwe beleving erkent en schept en verdergaat. Zouden wij moeten aannemen dat het daarbij bleef, dan zouden we zeggen: De mensheid draait in een kringetje rond. Indien men echter de belevingen van de mens nagaat (bv. de innerlijke beleving, de esoterische inwijdingen enz.), dan komt men tot de conclusie dat er geen sprake is van een directe herhaling. Er wordt steeds in de periode van beleven een waarde geschapen, die later wordt geïntegreerd met de meer materiële en behoudzuchtige beschaving. Zij gaat dus wel degelijk een stap omhoog. En daaruit komt de vernieuwing, die niet teruggrijpt naar het verleden — ook al denkt ze dit soms te doen — maar die in feite zoekt naar een nieuwe weg, een nieuwe mogelijkheid, die een trap hoger ligt. Vandaar dat wij wel eens spreken van de Spiraal der Bewustwording binnen het kader der historie.

Zoals u nu vandaag aan de dag leeft, zit u in het punt dat wij verstarring kunnen noemen. Er is dus een zeer grote horizontale uitbreiding van de kennis. Maar de kennis is geen beleving. Zij heeft geen verticale, geen God-gerichte waarde. Het resultaat is dus, dat er revolutie ontstaat. En daarom zeggen wij: Dit is de tijd der vernieuwing. Wat daaruit voortkomt, kan niet 100% rationeel zijn. Het wil uitgrijpen boven het bereikte peil van redelijke kennis. Het baseert zich bv. niet op de wetenschappelijke bewijzen, maar op de in het “ik” beleefde waarden, hoe krankzinnig die misschien ook van uit een wetenschappelijk standpunt mogen lijken en hoe vreemd ook de praktijken, waartoe zij mogen voeren. Dit is een proces, dat op een gegeven ogenblik het aanzijn geeft aan een nieuw en nu weer verstandelijk te vatten hoger peil van bestaan.

Het is voor iemand in uw dagen dus wel hoopgevend, dat de schijnbare ondergang van belangstelling en strijdvaardigheid in de mens in feite alleen maar een rustfase is, die onvermijdelijk wordt gevolgd door een verandering en een nieuwe activering. En misschien is het nog meer hoopgevend, indien wij eens nagaan wat dat in het verleden eigenlijk heeft betekend.

Er zijn er maar weinigen onder u, die zich realiseren dat de godin van het verstand, die in praaloptochten tijdens de Franse Revolutie werd gevierd, niets anders was dan een uitbeelding van een begrip, dat scheen te zijn ondergegaan met de dood van het werkelijke Griekse rijk en de werkelijke Griekse beschaving, nl. het instituut van de vrije denkers.

De gedachte van een vrij denken betekende het verwerven van een orde. En als wij de rede willen aanbidden, dan is dat niet een bewijs dat wij haar zo hoog achten. Het is alleen een bewijs dat wij voor onszelf de redelijkheid van ons bestaan hoger achten dan alle bestaande bewijs. En wanneer we nu teruggaan — of u zich nu wilt bezighouden met de oude filosofen als Zeno, Plautius e.d. — dan komen wij tot de ontdekking dat in het oude Griekenland de beleving van een waarheid eigenlijk veel hoger stond dan die waarheid op zichzelf.

Het is zelfs nog in de 19e eeuw voorgekomen, dat men zich beriep op de filosofen van Griekenland. Deze filosofen gingen echter niet uit van datgene, wat aantoonbaar was of wat paste in hun maatschappij. Zij gingen uit van datgene, wat zij in zichzelf als waarheid konden ervaren. Daardoor presenteerden zij aan hun leerlingen voorstellingen en beelden, die aanmerkelijk verschilden van het doorsnee-beeld van het leven. In die dagen zijn ze daarvoor vaak vervolgd en onderdrukt. Er zijn er geweest, die zo van uit de stoa werden weggehaald en op transport gesteld. Men wilde hen wel niet doden, maar dan moesten ze maar in ballingschap en daarvoor was niet eens een schervengericht nodig. Deze denkers leefden dus weer op in de Franse revolutie, maar op een andere manier. Er is echter een parallel.

Uit het godengeloof van de eenvoudige Griek komt de dichterlijke opvatting van de Olympus. De opvatting van een godenwereld, die met al haar hybride verschijnselen de mensenwereld als het ware op een hoger vlak uitbeeldt. Maar gelijktijdig komt achter die godenwereld de beleving en die is er niet één van een machtige Zeus bv.. Juno en Zeus zijn aardige figuren, maar ze hebben er niets mee te maken. Er is de daemon: Het licht in mij. Er is de verlichtheid, die de continuïteit van het leven openbaart in tegenstelling tot de dood. Er is een begrip van een niet-persoonlijke continuïteit in tegenstelling tot het wel zeer persoonlijk prediken van een voortbestaan voor enkelingen, dat elders het gebruik is.

De levende wereld van Griekenland herleeft. In het begin — net als in Griekenland — met degenen, die de bekende waarden aantasten en die daarmee werken. Denk aan de encyclopedisten. Denk aan de mensen die afbreken, of ze nu Voltaire heetten of misschien in een wat latere fase Anatole France.  Zij zien het ridicule van het bestaan in. Ze zijn scherp in hun spot, zoals de oude filosofen. En ze zijn nog veel scherper in hun omschrijving van hetgeen er voor hen belangrijk is.

Het is een school. Men kan niet zeggen: de Griekse School loopt van dat jaar tot dat jaar. In vele gevallen lopen verscheidene richtingen parallel. In Frankrijk zien wij datzelfde. Maar één ding is zeker wanneer die School zich heeft uitgewerkt, dan is er een nieuw begrip ontstaan. En wat nog opvallender is, de mensheid blijkt daarvoor open te staan.

Als wij bv. eens nagaan hoe groot de invloed van de Griekse filosofen is geweest op de toch op zich zeer behoudzuchtige rijken als bv. Egypte. Hoe zelfs de invloed van het Griekse denken is geweest op de Brahmanen, de Hindoes. Zo sterk zelfs dat wij in de kalifaten (dus honderden jaren later) de Griekse stellingen en denkbeelden vinden als basis van een overigens op de Islam gebaseerde wereld, dan kunnen we hen niet verachten of terzijde stellen, want zij hebben iets positiefs gegeven. En dat positieve openbaart zich zeker ook in maatschappelijke revoluties. Maar het openbaart zich vooral in een nieuw wereldbeeld.

De huidige wereld dankt haar wereldbeeld niet, zoals zij misschien meent, aan de denkers van de 19e eeuw. De filosofieën, zelfs de staatkundige en economische zo goed als de wetenschappelijke, kunnen wij terugvinden in de jaren 1400 tot 1600. Dan wordt er een nieuwe benadering van de natuur gevonden. En als men die principes nu toepast op atomen in plaats van op eenvoudige moleculen, als men in plaats van de chemie der elementen te zien nu de chemie der kleinste delen gebruikt, dan is het verschil niet zo groot. Een andere trap misschien, ja, maar in wezen gelijk.

In die tijd is het denken ontstaan, dat wij nu bv. terugvinden als leidend bij het marxisme, het communisme, maar bv. ook bij het z. g. kapitalistisch denken. De gemeenschapsgedachte van de besloten gemeenschappen met hun rituele achtergronden, die wij in de middeleeuwen vinden, vinden nu in bepaalde vakverenigingen en vakbonden soms nog een aardige weerkaatsing. Alleen zijn het nu geen bonden meer van vakgenoten, maar van mensen die een geestelijk vak beoefenen. Vroeger waren het degenen, die een stoffelijk vak hadden. Er is in die tussentijd een progressie geweest. De beheersing van de materie werd groter en aangezien in de periode rond 1600 de mens geestelijk een vernieuwing onderging, kunnen wij ook nog zeggen: De vernieuwing, die de wereld nu ondergaat (in de eerste plaats dus een materiële) betekent het doorbreken van een geestelijke verstarring, waar de 16e eeuw juist een doorbreken van een materiële verstarring inhield.

We zitten nu dus aan de andere kant van de spiraal. Maar wat is geweest, keert terug. Nooit in gelijke vorm, maar wel met gelijke tendens. Die tendens is voor de periode van 1400-1600 geweest: Van een vorm van verdeeld of gespreid bestuur naar gecentraliseerd bestuur. Van gespreide, van persoonlijke beleving naar communale belevingen. Van open geestelijke kennis naar verborgen geestelijke kennis. En dan moeten wij nu dus rekening houden met een omkering daarvan.

Wanneer eens de centralisatie in de vorige periode een rol speelde, zo moet de decentralisatie in deze tijd ook een rol spelen. Wanneer het massa-beleven steeds belangrijker werd, dan moeten wij aannemen dat nu het massa-beleven gaat verbrokkelen.  De uitkomst kunnen wij misschien ook nog wel berekenen. Want elke keer als de mensheid die geestelijke tijd achter de rug had, is ze een tijdlang uitermate star geweest. Ik denk hier bv. aan de strijd, die bepaalde remonstrantse leraren in Nederland hebben gevoerd tegen collegae, die niet zo netjes waren in hun keuze van argument. Ik denk aan de stijf-christelijke beschaving. Maar deze vorm gaf dus rust. En als wij Nederland bezien met al zijn sociale strijd en verdere ontwikkelingen vanaf ca. 1820 tot ca. 1910-1920, dan kunnen wij zeggen: In die periode is rust en geleidelijkheid belangrijk geweest. In diezelfde periode werd echter ook de grootheid van Nederland voorbereid. Nederlanders vergeten altijd hun werkelijke grootheid omwille van de meer spectaculaire grootheid van een verleden, dat zij niet kunnen imiteren. Aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw heeft Nederland bv. een zeer groot aantal belangrijke denkers op wetenschappelijk en ander terrein voortgebracht. Indien u alleen de straatnamenlijst maar eens nagaat, dan zult u met verbazing ontdekken dat er heel wat Nederlanders zijn geweest, die op allerhand ontdekkingen (o.a. de temperatuursinvloeden op elementen) invloed hebben gehad. Ja, zelfs filosofen van groot belang zijn er geweest. Op deze manier gaan we nu dus, de tijd van de revolutie, van de verwarring tegemoet.

Het jaar 1600 dat een soort summum summarum van kunst en van wetenschappen is geweest, werd gevolgd door een periode, waarin men redeloos, radeloos en reddeloos was. Het is nl. typisch van de Nederlandse geschiedenisboekjes, ze registreren voortdurend de tijd dat hun volk reddeloos en radeloos was. En om dat een beetje een evenwicht te geven spreken ze over de grootse overwinningen, die een vlooiensprongetje waren vergeleken bij de reuzenschreden van de rest van de wereld. Wij zien dan dat het een tijd van zeer grote verwarring was. In die tijd was er ook woningnood. Er waren overstromingen. Men wist met het land geen raad. Er waren allerhand ontwikkelingen. Men zou tegenwoordig zeggen industriële ontwikkelingen. Dus een ommekeer in bepaalde vakkringen, die van het hoogste belang zijn. Kijk, dat krijgen wij weer. En als we dat alleen uiterlijk bekijken, dan worden we er een beetje misselijk en ziek van.

De verwarringen moeten dus voeren tot een vergroting van het persoonlijk element in het persoonlijk denken. De bewustwording evolueert kennelijk dus wel, de mens niet. En hier kom ik op een punt, dat heel vaak verwarrend werkt. Men denkt, dat wanneer het bewustzijn van de gemiddelde mens op aarde stijgt — hetzij geestelijk of in stoffelijke kennis en beheersing — dan moet dus het peil der mensheid evolueren. Maar dat is niet waar. Want tegenover alles, wat wij in deze bewustzijnsevolutie zien, staat een andere evolutie of misschien revolutie, waarbij de negatieve waarden eveneens sterker worden. Kijkt u eens naar deze tijd. De snelvaart is groter maar gelijktijdig de onderlinge onverschilligheid; stoffelijk voordeel — geestelijk nadeel. Daarvan kan ik u een aantal voorbeelden geven. Er is sprake van een verschuiving van evenwicht voor diegenen, die in menselijke vorm op aarde komen. Gelijktijdig is er dus een andere mogelijkheid tot bereiking en bewustwording.

En dit voert mij tot de tweede reeks punten, die misschien het voorgaande voor u nog wat duidelijker maken.

  1. Het gemiddeld bewustzijn van hen, die op aarde vertoeven, zal te allen tijde ongeveer gelijk zijn, gezien van uit een geestelijk standpunt.
  1. In perioden van een top — hetzij van stoffelijk of van geestelijke bewustwording — zullen de tegenstellingen tussen de geestelijk hoogst ontwikkelde en de geestelijk laagst ontwikkelde typen op aarde het sterkst zijn.
  1. Uit de verschillen tussen de hoogste en de laagste geestelijke vorm op aarde levend vloeit de feitelijke bewustwording en vorming voort.

Met deze 3 punten hebben wij dan de spiraal van de geestelijke bewustwording ook wat beter kunnen definiëren. De bewustwordingsmogelijkheden zijn het sterkst op die punten, welke van uit een zuiver menselijk standpunt bezien vaak dieptepunten of punten van verandering zijn. De rustpauzen, die daartussen liggen, zijn niet qua bewustwording interessant maar alleen qua herwinning van evenwichten op aarde. Hoe evenwichtiger de mens en de mensheid zijn, des te geringer de bewustwording. Hoe sterker de ontplooiing is van het bewustzijn, te onevenwichtiger de wereld zich als geheel zal tonen.

Die conclusies moeten eens goed worden overdacht. Want het is nu wel aardig daarover, te spreken, maar eerst wanneer men zich realiseert dat voor de mens niet in het gemiddelde peil de mogelijkheid tot bewustwording en stijgen ligt (want hij is gebonden aan een gemiddeld mentaal peil, waarin hij zich kan openbaren), maar juist in de verschillen die er op zijn wereld bestaan, waardoor hij wordt gedwongen tot, en komen kan tot een duidelijker definitie van zichzelf. En dan pas zal men de wereld, zoals ze is kunnen waarderen. Het is heel aardig te spreken over de grote tijd; waarin wij leven. Maar iedereen weet dat die grote tijd er dan toch hoofdzakelijk één is van grote problemen. Dat is in het verleden geweest en dat is nu nog ze. Het kan heel prettig klinken, als men u vertelt, dat nimmer tevoren de mensheid in zo’n groot aantal (het gemiddelde mensdom) een zo grote welvaart heeft bereikt, maar in feite is het kolder. Er zijn tijden geweest dat bekwame slaven het beter hadden dan vaklieden in deze tijd. De verhouding was een andere, inderdaad. Maar die verhouding was, gezien hun tijd, niet zo belangrijk.

Wij moeten ons niet laten verblinden door de schijn van “deze tijd is beter of slechter”. Wij moeten ons baseren op het punt van uitgang, en dat is het bewustzijn dat men bezit. Dat bewustzijn wordt bepaalt door de gemiddelde voorstelling van de wereld, die men heeft; door de gemiddelde kennis omtrent de wetten en werkingen in die wereld die men kan bezitten en op de mogelijkheid om door innerlijk een juiste gradatie van belangrijkheid aan te brengen in de punten, die men kent. Zonder deze gradatie is elke bereiking weer waardeloos.

Dan is de eindconclusie voor deze lezing misschien wel de meest eenvoudige van alle: Zodra wij in staat zijn om in onszelf een juiste rangorde te vinden in de belangrijkheid der gekende verschijnselen en ons op deze volgorde baserend, ons bewustzijn kunnen doen uitgaan naar het ongekende. Waardoor wij ons ergens toch steeds weer gedreven voelen, zullen wij het maximum aan bewustwording bereiken, dat op dit punt van de bewustwordingsspiraal bereikbaar is. Er is geen enkele uitdrukking aan te geven in stoffelijke zin. Er is geen graadmeter aan de hand van vergelijkbare esoterische ervaringen. Er is slechts te zeggen: Hoe juister en groter voor het “ik” de rubricering van belangrijkheid is en hoe bewuster deze wordt beleefd, des te groter de bewustwording.

De mens, die op deze manier stijgt naar wat ik zou willen noemen de upper-ten van de mensheid van vandaag, is degene die de volgende cyclus mogelijk maakt. Wanneer de spiraal een volgende keer grotere mogelijkheden tot bewustwording, tot beleving geeft en gelijktijdig een mensheid toont, die is ontgroeid aan haar kinderlijkheid, dan is dit te danken aan hen, die in deze dagen een rubricering tot stand brachten. Want het is altijd de top die vandaag leeft, die de norm van morgen bepaalt.

Het wezen: de mens

Datgene, wat wij onder “mens” verstaan, is een van de eigenaardigste samenstellingen, die kenbaar zijn in het gehele Al. Een wezen, dat enerzijds behept is met dierlijke tendensen, maar deze ontkennende anderzijds vaak aspireert naar geestelijke grootheid. Een wezen, dat geestelijke grootheid bezit en deze vaak vergeet of niet erkent. Het is daarom misschien goed in verband met de bewustwording van de mensheid en het verloop van deze dagen de mens zelf een ogenblik nader te beschouwen.

De mens zal in zich een beeld dragen van de wereld, dat hij ten koste van alles verdedigt, ook tegen de werkelijkheid. De mens draagt in zich wat hij noemt: Zijn idealen, zijn dromen. Maar in vele gevallen zijn die niets anders dan een uitvloeisel van zijn persoonlijkheid; een projectie van zijn wensen op de omstandigheden, die hij kent. Door de wijze, waarop hij zijn gedachten uitstraalt, beschikt de mens over een vermogen, dat — gerekend ten opzichte van soortgelijke vertebraten — zeer groot is en waarmee hij op zijn omgeving een buitengewoon grote invloed kan uitoefenen. Zonder het te beseffen zal hij niet slechts zijn gedachten in beperkte mate maar ook zijn gevoelens overdragen op al wat hij beroert. Zo wordt de innerlijke gesteldheid van de mens en vooral zijn emotionele inhoud steeds weer overgedragen aan de wereld, waarop hij woont en zullen de reacties van deze wereld voor een groot gedeelte worden bepaald door de wijze, waarop de mensheid denkt en reageert.

De bewuste mens, die dit alles beseft, zal daarom trachten zijn innerlijke gesteldheid op een juiste wijze te doen uitklinken in de wereld. Hij zal trachten tussen zijn denken en zijn daden een overeenstemming tot stand te brengen. Deze overeenstemming houdt geen rekening met goed of kwaad, met menselijke idealen of menselijke vooroordelen, zij gaat uit van het eigen “ik” en zegt. Zolang ik de waarheid ken, zal mijn emotie waar zijn en zal zij een juiste reactie betekenen op mijn omgeving en van uit deze omgeving ook de juiste gevolgen tot stand brengen.

De meeste mensen echter kunnen niet zo ver komen. Zij zullen trachten de werkelijkheid te veranderen. Zij trachten in zichzelf bepaalde delen te onderdrukken. De zo ontstane spanningen en emoties liggen op een vlak, dat uiterlijk niet meer kenbaar is. De angst voor eigen minderwaardigheid wordt soms uitgedrukt in een gevoel van zekerheid tegenover de buitenwereld. Maar de onzekerheid wordt weergegeven in alles rond u. En wanneer zo iemand voortdurend kopjes breekt, dan is dat niet omdat de kopjes slecht zijn of omdat die mens onhandig is. Maar dan is dat doodgewoon, omdat er in hem een onzekerheid is, die op deze manier een uitweg zoekt. Maar kopjes zijn betrekkelijk klein, de wereld is groot.

De gehele mensheid van deze dagen is onzeker en uit haar onzekerheid heeft zij een steeds sterkere en destructieve werking gehad op zowel de wereld zelf als op dat deel van het Al, dat zij op het ogenblik tracht te bereiken en te zien: in casu de zon en de planeten. Die wisselwerking is zo groot en zo sterk geworden, dat hierdoor mede het aspect wordt bepaald dat in de vernieuwing. van deze dagen tot uiting komt. Wanneer de aarde beeft, dan is het niet alleen de aarde, die bepaalde fouten heeft en scheuren vertoont. Het is de mensheid, die de fouten in de aarde activeert. Wanneer de stormen op een ongewone wijze door de hemelruimten gaan, dan is het niet alleen de natuur, die afwijkt van haar gekende normen. Dan is het de mensheid, die door haar eigen uitstraling die afwijking heeft veroorzaakt. En dit beseffen betekent inzicht eisen in jezelf. Trachten het wezen mens te definiëren op een wijze, die met de werkelijkheid overeenstemt. En dan begin ik: De mens verlangt de eeuwigheid. Maar in vele gevallen projecteert hij onbewust deze eeuwigheid in zijn nageslacht. Hij komt hierdoor tot een heilig stellen van het nageslacht en het verkrijgen ervan is in strijd met de werkelijke belangen van zijn wezen en zelfs van zijn zelfbehoud. De onzekerheden, die zo ontstaan, projecteert hij niet op zijn nageslacht of op eigen persoonlijkheid, maar op de mensheid als totaal. De ressentimenten, die hij op deze wijze uitstraalt, zelfs als hij ze niet weet uit te drukken in woorden of in daden, zijn oorzakelijk  voor de voortdurende oorlogen, die de mensheid treffen en schaden.

De mens zal over het algemeen de hoop hebben meer te zijn dan een ander, maar gelijktijdig vreest hij overal de mindere te zijn. Door zijn angst voor deze minderwaardigheid zal hij in zijn experimenten, zijn wetenschap en zijn geestelijke waarderingen steeds weer het gevoel van minderwaardigheid produceren. Hij bereikt daarmee, dat de gemiddelde norm altijd ver beneden het gemiddeld geestelijk peil komt te liggen. Hij zou graag naar beneden toe willen reageren, daar immers voelt hij zich zeker. Het gevolg is, dat hij zijn medemensen voortdurend lager aanslaat dan zij in wezen staan. Hij bereikt daarmee, dat door het gezamenlijk aanvaarden van de minderwaardigheid van anderen niet alleen zijn leerstof, zijn geestelijk en ander denken, maar vooral ook zijn wetgeving en zijn economische en sociale ordeningen liggen beneden datgene, wat op grond van het werkelijk menselijk bestaan bereikbaar zou zijn.

Hier toont de mens ons aan hoezeer men kan falen, als men een schijn tracht te handhaven tegenover de buitenwereld en dit voor zichzelf eigenlijk toch niet kan doen. Er zijn bepaalde dingen in de mens, die onnoemelijk sterk en groot zijn. ik denk hier bv. aan verscheidene van zijn geestelijke voertuigen, aan zijn vermogen om — zij het misschien niet helemaal verstandelijk — de hoogste kracht te ervaren en te aanvaarden. indien de mens dit echter doet, moet hij ook rust scheppen en deze rust betekent een confrontatie met zijn werkelijk “ik”. Hij mijdt rust, omdat hij de confrontatie met zichzelf wil vermijden en daardoor gaat hij voorbij aan de werkelijk belangrijke geestelijke belevingen, aan de werkelijke ontplooiing van de totale, de geïntegreerde persoonlijkheid, die mede het geestelijke omvat: Ook dit zal zonder enige twijfel een uitwerking moeten hebben in de mensheid. Als wij denken aan de grote leraren van de mensheid — of ze nu Krishna heten of Christus, Mohammed of Boeddha worden genoemd — dan zien wij steeds weer een mens, die deze minderwaardigheidsgevoelens opzij heeft gezet. Wij zien steeds weer een mens, die in de plaats van een uiterlijke meerwaardigheid zoekt naar een geestelijke verbondenheid en deze bereikt hebbende volgens zijn eigen niveau, zijn eigen omgeving en zijn eigen leven, komt tot daden, tot stellingen en vooral ook tot leringen, die de waarheid dichterbij brengen.

Waarom dan zijn deze Meesters en Leraren van de mensheid zo weinig in aantal? Is het omdat een God dit niet toestaat? Ach, dat is een uitvlucht, zoals er vele zijn. Een poging om de verantwoordelijkheid voor een niet volledig bewust geestelijk leven van je af te schuiven. Dat er zo weinig Meesters en Leraren op deze wereld kunnen bestaan, is te wijten aan de mensheid, die steeds weer alles liever heeft dan de ontmoeting met eigen wezen, zoals het is. Het moeilijk voor de mens zichzelf te zien als een dier ternauwernood enkele miljoenen jaren geleden aan het dierlijk jagend bestaan in de wateren ontkomen. Het is voor de mens moeilijk te beseffen hoe al datgene, wat op het ogenblik in bos en veld prooi zoekt nog met hem verwant is. Het is voor de mens moeilijk in te zien dat hij met al zijn sociale grandeur niet veel verder is gekomen dan een mier, de termieten of de bijen. Hij wil iets uitzonderlijks, iets bijzonders zijn. Niet alleen onder de schepselen van deze wereld, dat zou hij nog waar kunnen maken, maar in het gehele Al. En juist daardoor schept hij ook een isolement tegenover dit heelal.

Er zijn krachten, die van uit de sterren zouden kunnen reiken tot de mens. Er is een bewustzijn dat overal leeft. Dat bewustzijn zou ook de mens willen toespreken, willen beroeren. Maar de mens kan dit niet aanvaarden, want zodra hij het hogere inzicht bewust accepteert, meent hij zichzelf en zijn waardigheid te moeten prijsgeven. Dit is reeds de oorzaak van zeer veel onheil. Dit is de oorzaak van de zich steeds herhalende ondergang van de menselijke beschavingen. Men wil niet weten wie en wat men is.

Een tweede factor in het wezen mens en al even belangrijk is wel de geneigdheid het leven te willen zien als het meest belangrijke op aarde. En toch is dit leven alleen maar een fase in een eindeloze keten van bestaansmogelijkheden. Het is niet iets uitzonderlijks. Het is niet meer dan één ademtocht in een dag vol ademhalingen. Maar hij wenst dit leven als iets bijzonders te zien. Hij wil de verhoudingen van dit leven gestabiliseerd zien voor alle eeuwigheid. Hij wil de pogingen van dit ene leven beoordeeld zien ten goede of ten kwade en daaraan een eeuwigheid ontleren. Kort en goed, hij heeft geen begrip voor de verhoudingen.

Hij beschouwt zijn eigen aan jaren van ervaring belangrijker dan de ongetelde miljoenen jaren, dat andere entiteiten misschien hebben bestaan. En hij brengt alles weer terug tot diezelfde relatie van belangrijkheid: Mijn tijd, mijn leven, mijn bestaan.

Maar door de belangrijkheid, die hij aan dat bestaan toemeet, kan hij de belangrijkheid van het totaal bestaande nimmer zien. Hij interpreteert zelfs God in de termen van zijn eigen leven en bestaan. Hij kan niet buiten deze beperktheid en door die beperktheid maakt hij het zichzelf onmogelijk de werkelijke en concrete eeuwige waarden, die in de mensheid zoals in alle schepping aanwezig zijn, voldoende te ervaren.

Het gevolg is, dat hij zich in zijn streven steeds weer richt op het beperkte en in vele gevallen op het destructieve. Want een opbouwende Godheid aanvaarden, een prijsgeven van de gedachte dat wat je nu doet van belang is en dat dat morgen is niet telt, dat is voor hem moeilijk. En toch zijn er vele mensen, die de kernspreuk citeren: “De eeuwigheid is het eeuwigdurend nu.”  Het nu bestaat altijd. Maar juist het woord “nu” wordt het meest misbruikt. Het is kentekenend voor de mens, dat hij “eeuwig” niet erkent en gelijktijdig gebruikt als een rationalisatie voor zijn eigen behoefte tot tijdloosheid.

Tijd is een illusie. Het is niet voortgekomen uit de wil van een Schepper of uit de rotatie van planeten of uit de pulseringen van een zon. De tijd is voortgekomen uit het bewustzijn van de mens. De mens, die niet kan volstaan met de vlucht der gebeurtenissen over zich heen te laten gaan en gelijktijdig daarin zichzelf te zijn; steeds concreter steeds echter, steeds meer waar en eeuwig.

Eeuwigheid kun je niet vinden in de tijd. En toch verlangt de mens naar eeuwigheid. Daardoor komt hij ertoe zijn tijd steeds meer te misbruiken, steeds meer de tijd na te jagen in plaats van de werkelijke waarden van het bestaan. En juist door deze gehaastheid komt hij tot een oppervlakkigheid van denken en voelen, een oppervlakkigheid van begrip en in vele gevallen een gebrek aan wijsheid en inzicht, die aansprakelijk kunnen zijn voor de invloed, die hij heeft op zijn omgeving.

Kijk naar de razende, kokende wereldsteden van deze dagen, vol van ongeduld, vol van een eeuwige jacht op de seconde, die waardeloos is, indien ze werkelijk wordt bespaard en ge zult weten wat ik bedoel. Het is niet het winnen van tijd dat belangrijk is. Zomin als het belangrijk is om een grote afstand af te leggen. Het is datgene, wat de tijd in u is. Het is datgene, wat die afstand die ge aflegt, u vertelt en leert en u doet bereiken.

De verwarring van waarden is aansprakelijk voor de vele verwarrende facetten der vernieuwing van deze tijd. Over het algemeen spreken wij over deze vernieuwing als van een grootse omwenteling. Maar kan zij dit in wezen wel zijn? Zij kan geen omwenteling zijn ten opzichte van God, want God is onveranderlijk. Zij kan geen werkelijke omwenteling vormen in het bestaan van de mens op zich, want in wezen is hij een eeuwig wezen en kan de verandering van enkele jaren of desnoods een verandering, die zich over enkele eeuwen uitstrekt, weinig of niets voor hem betekenen De vernieuwing is misschien alleen maar de mogelijkheid tot een nieuwe realisatie: Een verandering van de gevoelswereld, waarin de mens leeft. Zodra we dit punt gaan begrijpen, zeggen we: De mens is zo belangrijk als de gevoelswereld, die hij uit zichzelf produceert. Naarmate die gevoelswereld concreter, echter en eerlijker is, zal zij misschien in de ogen van de hedendaagse mens ook harder, wreder …. misschien zelfs zondiger zijn, maar zij brengt dan ook de mogelijkheid om het innerlijke leven en het uiterlijke leven als één geheel te beleven. Om een concrete werking ervan te maken, die niet wordt beperkt tot een bepaalde persoon, een bepaalde tijd of tot een bepaalde omgeving, maar die permanent kan doorgaan overal en te allen tijde.

Ik zei reeds: De mens is een eigenaardig wezen. De eigenaardigheid van dit wezen ligt wel in het feit, dat het — eeuwig zijnde, zijnde een vorm van reine energie, bezielende een materiële structuur die betrekkelijk weinig verwantschap heeft met het werkelijke wezen — prefereert zich in zijn gevoelswereld zowel als in zijn denkwereld te zien als een stofwezen. Indien wij de geest verwaarlozen die in de mens leeft, indien wij de geestelijke verbondenheid die er met alle dingen bestaat verwaarlozen om daarvoor in de plaats te stellen het isolement dat de materie kan brengen, dan moet er wel een milieu ontstaan, dat niet kan beantwoorden aan de feitelijke bestaanswaarden van de mens. En dan verbaast men zich erover dat de aarde beeft. Dan verbaast men zich erover dat stormen losbreken. Dan verbaast men er zich over dat bergen plotseling sidderen en vallen. Dan verbaast men erover dat in de steden de meest eigenaardige dingen plotseling gebeuren. Dan verbaast men zich over de vreemde gevoelloosheid van mensen, die tienduizenden willen opofferen aan hun eigen begeerte naar macht. Maar zijn deze dingen niet vanzelfsprekend? Vloeien zij niet voort uit de wijze, waarop de mens leeft? Dan kan hij uitroepen: “Maar ik kan niet anders.” En dan is mijn antwoord: Gij kunt anders. Als mens kunt ge terugkeren tot de werkelijke waarden van het bestaan. Maar dan moet ge het dramatiseren van uzelf, van uw omstandigheden en van de wereld terzijde stellen. Dan moet ge de dingen nemen, zoals ze zijn en ze niet omhangen met een mooi kleed.

De mens geeft in de beschaafde wereld misschien wel het beste voorbeeld van deze eigenaardigheid. Hij schaamt zich voor zijn naaktheid. En toch is die naaktheid de werkelijke mens. Al het andere is versiering en in vele gevallen bedrog. Hij weet dat. Toch hangt hij aan dit bedrog en wordt naaktheid in vele gevallen een taboe.  Zo gaat het met de geestelijke waarden. Hij weet wel dat die geestelijke waarheid bestaat. Hij weet dat het leven in feite niet sentimenteel is, maar ergens hard en sterk. Maar hij wil het omgeven met gevoelswaarden. Hij wil het omgeven met onoprechtheden. Hij wil het geven met dramatisering, waardoor hij aan zijn persoonlijkheid een belangrijkheid meent te verlenen of waardoor hij de wereld mooier en zonniger denkt te maken dan zo is. Maar kun je een mens mooier maken door hem te kleden? Neen. Je kunt hem slechts een schoner beeld van zichzelf geven.

Kun je de natuur mooier maken door te spreken over de liefde van de Schepper en te vergeten dat de wetten der natuur hard, wreed en onverbiddelijk zijn? Indien de mens dit beseft, indien hij wil terugkeren tot de waarheid, tot de feiten van het leven, dan zal hij ook leren zichzelf op de juiste manier te waarderen. Niet in illusies maar in feiten. En als hij zichzelf in feiten kent, dan staat hij onnoemelijk dicht bij zijn God. Want dan wordt de tijd minder belangrijk, dan wordt het gebeuren ook minder belangrijk. Dan wordt het beleven het belangrijke. Dan wordt in dit beleven het eeuwige beleven, het tijdloze moment, dat in de tijd zelfs voor de mens soms is te vinden, het meest belangrijke.

Zo denkend en zo levend kan de mens dan een milieu vormen voor een wereld, die op de gedachten van de mensheid niet reageert met lusteloosheid of opstandigheid, met de verscheurende angst voor een aardbeving of voor de grollende donder van een uitbarstende vulkaan, maar met een harmonisch, ja, een symbiotisch leven met de mensheid. De mens strijdt tegen de wereld, omdat hij de wereld niet juist kent. De wereld strijdt niet tegen de mens. Maar de mens strijdt tegen de wereld, omdat hij zichzelf en zijn eigen behoefte heeft gedramatiseerd tot zijn peil was bereikt en de aarde daaraan niet kon tegemoet komen.

Het absolute

Datgene, wat al omvat, wat alle dingen is, wat is dat anders dan het denken dat zich volbewust is van zichzelf? Er bestaat voor ons niets, wat absoluut kan zijn buiten de absolute erkenning van ons eigen wezen. Al het andere is een illusie.

Waar ik de sluiers van de waan doorbreek en sprekend werkelijkheid mijzelf weet te zijn, daar is het absolute zelfs God, de kracht met al verweven mijn.

En in mijn wezen waar bevat en waar bevangen, daar stilt zich zelfs het sterkst verlangen en keert de eeuwigheid mij weer, omdat ik zelf zijn mijzelf kennend leer: Slechts ik ben voor mijzelf van, alle zijn het eind.

En ben ik meer dan ik besef omtrent mijn eigen wezen, het absolute zal omvatten —’k behoef voor verliezen niet te vrezen — mijzelf en wat ik ben.

Maar dan in ’t juiste zijn, de juiste band, de juiste sfeer en meer: In juiste actie tussen acties in het Al — van de grootste actie van het Al; de schepping — waar verweven.

Het absolute is het erkennen, dat geven is te ontvangen. Dat ontvangen is het geven. Dat sterven is te leven en leven is te sterven. Dat is de werkelijkheid.

Het absolute is de eenheid, die onszelf wordt aangetoond en in het Al ons steeds uit alle dingen weer volledig wordt gegeven.

Het absolute is de waarde, die onze eigen volledigheid uitdrukt.

Het absolute is dus: Altijd wat ik ben, kan zijn, geweest ben of zal zijn, tezamen in één bewustzijn. En zodra ik dat heb bereikt, dan valt al het andere als een functie van dit zelf samen met dit zelf en blijft er dus niets anders meer over. Zo geredeneerd zou men kunnen zeggen: Voor ons is God een functie van ons bestaan, die eens alle bestaan zal samenbundelen tot een totaliteit, zonder daarom voor ons het behoren tot het eigen “ik” ooit te verliezen.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf