Aanpassing – Les 06 – Geestelijke evolutie

image_pdf

maart 1965

Geestelijke evolutie

In deze dagen wordt in vele kringen de naam van de Witte Broederschap bij voortduring gebruikt. Deze wat geheimzinnige groepering met leden in de geest en leden in de stof is de achtergrond van de geestelijke heerschappij over deze wereld. Gij is gelijktijdig uitvoerend orgaan en plannenmakend systeem. Gij is erkenning van geestelijke waarden en bevordering van bewustwording op alle vlakken. Voor degenen, die met dit broederschaps-idee vertrouwd zijn, zal dat wel zonder meer aanvaardbaar zijn. Zij zullen zich echter niet realiseren, dat zoals de mensheid en de aarde evolueren — in zekere zin althans — ook de geestelijke broederschap moest evolueren.

Als wij teruggaan tot de tijd, waarin de Witte Broederschap voor het eerst op aarde in verschijning treedt (voordien heeft het geestelijk deel daarvan wel bestaan, maar het was niet actief), dan moeten wij teruggaan tot ongeveer de glorieperiode, de middenperiode van het Atlantische rijk.

In Atlantis ontwikkelde zich nl. een sterk geestelijk contact tussen de z.g. witte priesters en de geest. Naarmate zij zich meer isoleerden van de mensheid in haar eenzijdige bestrevingen en denkwijzen, werden zij meer en meer instrumenteel voor het beïnvloeden van die mensheid. In de eerste fase is de Witte Broederschap gemakkelijk te omschrijven: Een samenwerking van de geest met een aantal mensen in de stof, waardoor raad kan worden gegeven en aanwijzingen kunnen worden verstrekt. Verder niets. Geen leger van ingewijden of bewusten op aarde, die elk voor zich trachten de taak, die de Broederschap voor zich heeft gezien, ten uitvoer te brengen. Geen grote bijeenkomsten, die wij later zien onder de naam Wessac feesten. Alleen maar een samenwerking. En pas wanneer Atlantis dreigt te vergaan; wanneer reeds de helft van dit rijk is weggevaagd, ontstaat er een nieuwe factor.

De Broederschap — zo mogen. wij haar wel noemen in die tijd — zoekt steeds meer leden, steeds meer ingewijden aan te trekken. De -adepten hebben toegang tot de kennis, de stellingen, de geloofswaarden van dat Atlantis. Het is noodzakelijk dat deze waarden voor het bewustzijn van de mensheid blijven bewaard. En zo ontstaat de eerste actie, waarbij wij de Witte Broederschap in de eerste plaats de functie van archivaris zien vervullen. De kunstschatten, die uit Atlantis worden weggevoerd, zijn niet zo veel. De meeste daarvan gaan in de richting van Zuid-Amerika. De boekwerken, de leringen, de kennis, de instrumenten van de Atlantische magie worden ook grotendeels weggevoerd. Zij trekken via Afrika naar India en verder naar China en Tibet. Hier is een verbreiding ontstaan, die niet meer alleen door enkele openbaringen in stand kan worden gehouden.

In het begin zien wij een poging om een soort wereldregiem in te stellen. Adepten van deze Broederschap treden op als priester-koningen. Zij stichten rijken, die pas veel later werkelijk gestalte krijgen. Zij trachten bv. de mensen landbouw te leren en een zekere vorm van staathuishoudkunde bij te brengen. Zij brengen de mensen ook ideeën bij omtrent sociale ordening, waarin dus een ieder op zijn plaats een zo snel mogelijke bewustwording kan doormaken. Restanten daarvan vinden wij overal terug.

Het resultaat van het optreden van deze adepten is echter niet zoals men had verwacht: een rationele aanvaarding door de meer primitieve mensen, die als trekkende stammen of als kleine land bebouwende groepen over de gehele wereld bestaan. Zij zien in deze mensen goden. Zij zijn onsterfelijken, en slechts door een beroep te doen op dit god-zijn zijn al die mooie theorieën tot uitvoering te brengen.

Het geven van orakels, het trainen van priesterschappen of vaak ook in het begin van sjamanengroepen, die de oude kennis van Atlantis voor telepathisch contact e.d. gebruiken, is evenmin voldoende. Het blijkt nl. dat juist die priestergroepen er al heel gauw op gesteld zijn hun eigen macht boven alles te bevorderen en gelijktijdig een uitzonderingspositie voor zichzelf te bedingen in een langzaam groeiende maatschappij.

De Broederschap trekt zich terug. Zij gaat optreden als openbarende factor. Degenen, die ingewijd zijn in de stof — het zijn er nog steeds niet velen — vormen rond zich groepen van mensen, die waarlijk ingewijden kunnen worden. Het zijn de eerst inwijdingsscholen. Wegen tot inwijding in de materie worden op velerlei gebieden geopend, maar worden ook al snel, zoals bv. gebeurde met de school in het Zevengebergte, geperverteerd Deze werd nl. zuiver een centrum van zwarte magie.

Ook elders kunnen wij soortgelijke ontwikkelingen zien. De geest stelt zich nu ten doel om met een zo groot mogelijke, kracht en een zo groot mogelijk gezag in te grijpen. De gebeurtenissen in die tijd maken het gemakkelijk in te grijpen. De volkeren zijn betrekkelijk klein. Om de gehele beweging van een volk van bv. een miljoen zielen te bepalen is het vaak voldoende één of twee raadslieden en één vorst te beïnvloeden. Zo kan er een schaakspel worden gespeeld, waardoor de belangrijkste waarden, die nog steeds uit Atlantis zijn overgebleven, worden verbreid en die praktisch overal kan plaatsvinden. In de meeste gevallen worden — vermoedelijk omdat dit het best ligt voor de mensen aan wie men het leren wil — deze gehele leerstellingen, de gehele esoterie gekoppeld aan de maan. Deze maandienst met haar aspecten zullen wij vele eeuwen, ja, duizenden jaren, aantreffen over praktisch geheel de wereld.

Ondertussen wordt er gewerkt aan een uitbreiding van bewustzijn. En op een gegeven ogenblik blijkt de wereld voor een soort ééngodendom vatbaar te zijn. De Witte broederschap is hierbij zeker niet zo abrupt als volgens de overlevering bepaalde goddelijke krachten zouden zijn geweest. Zij gaat niet uit van het standpunt: Wij moeten nu ineens alleen één God eren.   Maar zij verkondigt overal de oergod. De God, Die achter alle dingen schuilt, Zij leert het begrip van de Godheid met vele facetten, die vele verschijningsvormen kent, maar toch in zich bestaat. Hieruit ontstaan dan de volksgoden, zoals u op het ogenblik nog de God der Israëlieten kent, Jahwe of Jehova.

Deze fase van ontwikkeling vergt echter meer. Zij vergt een voortdurende reeks stimulansen, opdat alle godsdienstige verstarring wordt voorkomen.  Opdat culturen niet zozeer in zichzelf besloten zullen raken, opdat zij geen enkel punt van contact met de buitenwereld behouden. Want hierdoor zou de bewustwording van de mensheid en vooral zijn eenwording aanmerkelijk worden beperkt,

Uit de scholen der ingewijden zien wij nu — en met opdrachten — velen rondtrekken om overal schijnwonderen te doen, om leerstellingen te verkondigen en vooral om eerbied af te dwingen voor de ene God en begrip voor de vreemdeling. Dat laatste lukt nu niet zo bijster, maar toch weten wij dat er een groot aantal van hen als profeten en verkondigers over vele rijken invloed hebben gehad. Denkt u bv. maar eens — om een bijbels voorbeeld te nemen — aan Jona. Jona, die een ander volk bezoekt, waar hij eigenlijk niets te maken heeft. Iets ongehoords. De profeet van een bepaalde God, die wordt uitgezonden om afgodendienaren te waarschuwen. En wij vinden die voorbeelden steeds meer. Omgekeerd zien wij dat groten, die niet tot het Joodse volk behoren, invloed uitoefenen op de ontwikkeling en de geschiedenis daarvan. Ik denk hier bv. aan het optreden van Melchizedek.

Later worden de z.g. verlichten op aarde geboren. Men begrijpt dat het noodzakelijk is om op aarde bewuste zielen te plaatsen met een kennis, die zelfs de ingewijde niet zo gemakkelijk geheel bereikt. Er volgt een groot aantal Boeddha’s en grote Meesters. Maar als eenmaal de wereld zover is gekomen, dat zij rijp is voor een ééngodendom (het begin van de christelijke era), dan zal de Broederschap zich wat moeten terugtrekken. Het is niet meer mogelijk haar inwijdingen te laten verlopen, zoals in het verleden. Zij weet, dat dit strijd zou uitlokken. En strijd moet in dit beginstadium voor alles worden voorkomen. Vandaar dat enkele godsdiensten en riten, die werkelijk op de magische inwijding zijn gebaseerd (zoals bv. de dienst van Mithras en van enkele andere, ja zelfs de Isis-mysteriën, die ook in Italië rond die tijd hebben bestaan) langzaam verdwijnen. Hun invloed wordt steeds minder groot.

En daarbij is het wonderlijke, dat ze hun hulp aanbieden aan de hen schijnbaar bedreigende christelijke gemeenschappen. Zij dragen een deel van hun waarden over. Zo kan de ontwikkeling van het Christendom plaatsvinden. De gedachte van naastenliefde, het geloof aan een gelijkheid is voldoende: De Witte Broederschap treedt wat terug.

In Azië gaat zij verder met haar werkzaamheden en werkt ze bv. van uit het Hindoe-systeem om tot een doorbreken van het daar al te sterk gegroeide kastensysteem te komen. In China, waar het bijgeloof hier en daar hand over hand is toegenomen, bevordert zij steeds meer de filosofie en brengt zij ook enkele verlichte filosofen voort. In Amerika, in Zuid-Amerika hoofdzakelijk, reguleert zij de trek van bepaalde volkeren, opdat zij in staat zullen zijn om in dit gebied althans een basis voor bewustwording te leggen. In het hoge noorden wordt eveneens een trek mogelijk gemaakt en zien wij mensen wegtrekken uit Europa naar het noorden van Amerika, waar zij zich met de Indianen vermengen en de noordelijke stammen vormen, die in hun geloof eveneens aanmerkelijk afwijken van wat wij verder in het zuiden vinden en wier besef van de Manitou’s (de goddelijke waarden, gepersonifieerd in dit geval) aanmerkelijk beter en groter is dan wij bv. vinden bij de Indianen in het zuiden rond Texas en Nevada. Hier is dus een ontwikkeling die betrekkelijk geleidelijk gaat.

Rond 800 n. Chr. blijkt echter, dat het Christendom toch niet meer verder kan. De daarin ontstane en voor de Witte Broederschap belangrijke esoterische groepen en genootschappen worden vervolgd. Er ontstaan steeds meer schisma’s en scheuringen. De belangenstrijd en de machtsstrijd nemen meer en meer de plaats in van de innerlijke beleving. In deze tijd wordt een aantal inwijdingswegen geopend en worden de oude mysteriescholen opnieuw gesticht. In vele gevallen worden de kleine kernen wat uitgebreid en zien wij in de periode tussen 800 en 1400 een activiteit, die hoofdzakelijk is gericht op het scheppen van een wat verborgen, een soort ondergronds net van bewusten. Deze bewusten kunnen door middel van een bepaalde symboliek met elkaar in contact treden. Zij worden geïnspireerd en beschikken soms over geestelijke machtsmiddelen van behoorlijke grootte. Helaas echter lijden ook deze mensen aan de behoefte volgelingen te maken. En zij vinden volgelingen bij al diegenen, die in het normale bestaan zich niet prettig voelen en die binnen de beperkingen van het kerkelijke het verlies van contact met hun natuurgoden smartelijk ondergaan. Zij brengen de natuurvereerders, de magie van het westen op de voorgrond. Maar deze aanbidden niet alleen hun kerkelijke God. Hun Godsbegrip is een ander en zij moeten worden vervolgd. Het resultaat is dat de praktijk, zoals die gedurende een periode van ongeveer 300 jaar heeft bestaan, teniet wordt gedaan en dat al wat er overblijft een theoretische kennis is, vaak zelfs nog vermomd als kerkelijke activiteit.

In het westen blijft het hierbij. In het oosten is men ondertussen in staat geweest een totaal nieuwe impuls te scheppen en als het ware de kroon te zetten op de bewustwording, zoals die in het Hindoeïsme wordt aangeduid. U zult beseffen, dat wat ik tot nu toe omschrijf eigenlijk een actie is, gericht op bewustwording, maar met de gewone, de gebruikelijke stoffelijke middelen. Het is een geestelijk werk, waarbij bv. in de politiek en in de economie haast niet wordt ingegrepen. Slechts enkele malen zal men door beheersing van natuurkrachten een spectaculair feit tot stand brengen, maar dat is betrekkelijk zeldzaam.

Rond 1500 echter verandert de zaak. U moet niet vergeten dat in Azië in deze periode een aantal grote rijken zijn opgekomen en ten onder zijn gegaan. Er is verder sprake van de zich uitbreidende Islam, die echter ook alweer haar grootste doorslagkracht heeft verloren en die in het zuiden van Azië en in het noorden van Afrika de kalifaten langzaam ziet ondergaan. Nu is de tijd gekomen om een andere weg in te slaan. Na een bijeenkomst, waaraan bijzonder veel mensen in de stof persoonlijk deelnemen, wordt besloten verder een inspiratieve weg te gaan. Dit inspirerende werk heeft eigenaardige resultaten. Wij zien — en wel rond het jaar 1500, dus begin 16e eeuw — de kunst op vele plaatsen opeens een verandering en een vernieuwing ondergaan. Dit blijft niet beperkt tot Europa, zoals u misschien denkt, zij is ook terug te vinden in bv. andere laktechnieken in China, het gebruik van andere snij- en beeldhouwtechnieken in bv. India en zelfs in Indonesië. Verder blijkt de inspiratie te zijn gericht op uitvindingen.

In korte tijd worden er een onnoemelijk aantal uitvindingen gedaan. Ik mag hier erop wijzen, dat een aantal van die uitvindingen geen toepassing vinden. Zij worden veel later nog eens uitgevonden en nog eens, tot de tijd rijp ervoor is. Daarnaast wordt de mens een geestelijke kennis gegeven, die hem in staat stelt zijn stoffelijke kennis te integreren met occulte en geestelijke waarheden. De ingewijden van die dagen zijn niet meer de geheimzinnige zendelingen, de vreemden die soms opduiken. Ze zijn vaak personen, die in de society zeer gezien zijn en hebben vaak als filosoof, als wetenschapsman of als regeerder een grote roep.

In die periode vormt men de mogelijkheid voor een nieuwe maatschappij. Maar alweer, het is niet door te voeren. Ongeacht het ontstaan van loges overal, het heropleven van oude inwijdingsgeheimen, ja zelfs het een tijdlang geven van directe en stoffelijke inwijdingen in het zuidelijk deel van Italië, kan men de massa niet regeren.

Zo besluit men — en dat is rond het jaar 1650 — om deze ontwikkeling stop te zetten. Men wil niet meet uitgaan van het inspireren van de eenling, men gaat — en dat is na lange tijd voor het eerst eigenlijk in de geschiedenis van de Broederschap — de massa’s manipuleren. Degenen onder u, die historisch enigszins belezen zijn, weten dat tussen 1650 en 1850, dus globaal 200 jaar, een zeer groot aantal belangrijke omwentelingen heeft plaatsgevonden, Een zeer groot aantal revoluties eigenlijk, maatschappelijk, politiek zowel als kerkelijk ook mede hun beslag krijgt. En u weet ook, dat er hierbij voor het eerst misschien ook niet op verliezen wordt gelet. Het gaat niet meer om de vraag: Kunnen wij elke mens een gelukkige, bewustwording bezorgen? Het gaat om: Kunnen wij een klimaat scheppen, waarin die bewustwording nog mogelijk is?

Als we het jaar 1850 hebben gehad, dan realiseert men zich opeens dat het tijd wordt om nog wat te doen. Want de veranderingen, die u nu langzaam maar zeker tot waarheid ziet worden, kondigen zich reeds aan. Er wordt een aantal Meesters afzonderlijk beschikbaar gesteld voor een aantal materiële inwijdingen. Een deel daarvan heeft zeer goede resultaten, maar blijft grotendeels geheim. Enkele anderen treden mede in de openbaarheid en brengen daarbij een wonderlijk spel van ernst, van zelfbegoocheling en van verwaandheid naar buiten toe. Dat is te betreuren. Maar alles bij elkaar kan worden gezegd, dat tot bijna 1900 toe een 70-tal verschillende inwijdingen plaatsvinden. Inwijdingen, die later kunnen worden omgezet in een leersysteem of een filosofie. Deze 70 systemen overigens zijn merendeels geheim. Er zijn maar een 5-tal systemen van inwijding uit die periode, welke direct resulteren in een naar buiten optredende groepering.

Dan wordt de weg gesloten. De Raad heeft besloten om — nu eenmaal de stoffelijke inwijding is weggevallen — een versnelde bewustwording, maar vooral ook een versnelde verandering van de maatschappij mogelijk te maken. De aanloopperiode hiervan ligt er reeds ongeveer in.  Maar pas rond 1905 beginnen eigenlijk de eerste moeilijkheden. Vanaf dat ogenblik zult u weer uitvinding na uitvinding, ontwikkeling na ontwikkeling zien.  Maar ook toegespitste geschillen. En voor het eerst het wankelen van de macht der kerken en van de God-gewilde heersers; de keizers en de koningen. Tot op dat ogenblik zijn deze laatsten gevallen door een revolutie en dat heeft men gezien als een ramp. Nu is het eerder een wonder dat ze hun plaats nog zo lang weten te behouden. En als dan toch blijkt, dat een werkelijke omwenteling, waarbij alle mensen meer kans tot gelijkheid moeten krijgen in eerste instantie niet gelukt, dan zien wij — kennelijk uitgelokt — de wereldoorlog. In die wereldoorlog wordt een balans moeizaam bevorderd mede door de Witte Broederschap. Haar inspiratief ingrijpen is te zien in vele resultaten. Zelfs in het optreden van de bekende maarschalk Foch kunnen wij enkele plotselinge ideeën zien, die bij zijn verdere persoonlijkheid eigenlijk niet geheel schijnen te passen. Wij zien datzelfde in de USA gebeuren.  Kortom er wordt gewerkt aan alle kanten. Niet om geestelijk inzicht te geven, maar om de beperkingen van inzicht en leven te doorbreken.

Ik vraag mij weleens af, of men in de Broederschap beseft heeft, waartoe dit zou voeren. Misschien heeft men gedacht dat het levenstempo langzaam zou worden verhoogd en dat men daardoor de bewustwordingstempo eveneens aanmerkelijk zou kunnen opschroeven. Maar hoe het ook zij, in 1924 vindt er wederom een grote algemene Raad plaats, zoals deze ook het afgelopen jaar plaats had. Bij deze algemene Raad wordt besloten de mensheid te schiften. Men gaat nu uitdrukkelijk verschil maken tussen degenen, die een zekere rijpheid bezitten en zij, die dit niet bezitten. Resultaat: Een crisis. Maar dan ook een crisis, die vele eigenaardige aspecten met zich brengt. Misschien dat men nu reeds enigszins de perspectieven van die tijd kan zien. Misschien dat het aan historici van later is voorbehouden. Zeker is, dat juist deze crisisperiode een totale omwenteling in de menselijke verhoudingen gaat vormen. En dat is de bedoeling.

Rond 1935 is de zaak uitgekristalliseerd. Er is een aantal nieuwe denkbeelden en menselijke verhoudingen geschapen, doch zij kunnen niet worden doorgezet. Men laat een aantal groeperingen tegen elkaar in het strijdperk treden. Het resultaat is: De tweede wereldoorlog. Een wereldoorlog, die m.i. niet zo verschrikkelijk is bedoeld als ze is geworden, maar die zeker noodzakelijk was als geschil. In deze tijd wordt de mens losgeslagen. Al, wat in de maatschappij nog vast was tussen de beide wereldoorlogen, gaat teloor. De binding met de religie, met de staat zelf, ja zelfs de denkbeelden van persoonlijke vrijheid ondergaan aanmerkelijke wijzigingen. En het is opvallend, dat wij gedurende de gehele oorlog en de eerste 5 à 6 jaren daarna, van deze grote Broederschap een zeer handig manipuleren zien, waarmee zij de ontwikkeling stimuleert van denkwijzen, die van het normale afwijken. Geen abnormaliteiten, zeker niet. Maar toch een denken dat a-normaal is voor de moraliteitsopvattingen van die dagen. Een gemeenschapszin ook, die op het ogenblik alweer teloor dreigt te gaan, maar welke in die dagen de mensen toch een beetje prettiger tegenover elkaar deed staan. Ik sla natuurlijk een groot aantal aspecten over om te voorkomen dat deze lezing eindeloos zou zijn.

Wij weten verder, dat een aantal invloeden op aarde aan het afnemen zijn. Die jaren 1961 — 1963 betekenen een intense voorbereiding. Van daaruit zal de reeks kosmische invloeden steeds sterker en steeds wisselender optreden met hoogtepunten in het jaar 1965. Vanaf 1952 worden er voorbereidingen getroffen. Geestelijk doet men dat door het aantal inwijdingen dat mogelijk is op te voeren.   Al zijn deze inwijdingen geestelijke en vinden zij dus niet — zoals vroeger — in de materie plaats. Op sommige plaatsen in bv. Azië worden grote aantallen ingewijden van vele naties samengebracht. Zij worden geschoold en trekken vervolgens uit. Zij trekken de gehele wereld over. De schatten, die tot het stoffelijk eigendom van de Witte Broederschap behoren, worden verdeeld, getransporteerd en op nieuwe plaatsen verzameld. Men is klaar voor het grootste en misschien moeilijkste spel, dat de Witte Broederschap ooit heeft gespeeld. Een spel. Misschien is dat geen juiste naam. Het is een strijd op leven en dood, want rond de aarde is het demonische sterk geworden. De krachten, die uit de tweede wereldoorlog zijn losgebroken en die reeds tevoren aanwezig waren, hebben op de zielen van de mensen grote vat gekregen. In de geest wordt er een leger samenbracht. Het is lang geleden, dat er zulke heirscharen van geesten de strijd hebben aangebonden om vooral de astrale sfeer rond de wereld te reinigen van alle uitvaagsel. Men blijft vechten.

Rond 1961 is men er praktisch in geslaagd om alle duistere krachten te bannen. Maar men heeft het denken van de mensen nog niet kunnen veranderen. Nog steeds wordt die mensheid door bezitszucht, door machtslust, door egoïsme gedreven. Nog steeds zijn de uiterlijke vormen belangrijker dan de innerlijke waarheid. En nu maakt men zich klaar om de mensheid zo te manipuleren dat zij aan deze in haar bestaande waarden niet ten onder zal gaan. In 1963 wordt een wereldoorlog voorkomen. Dit is niet algemeen bekend, maar het vindt desalniettemin plaats.

In 1964 is het wat rustiger. Maar wederom wankelt de wereld verschillende malen op de rand van een algemene strijd. Het wordt voorkomen. Mensen worden uitgeschakeld. Er wordt sterker dan ooit ingegrepen via inspiratie, via geestelijke werkingen en na lange tijd ook weer door het hanteren van natuurkrachten. Het net van ingewijden over de wereld is steeds groter geworden. Daardoor heeft men de mogelijkheid om verschillende volkeren en groepen als een geheel te beïnvloeden. Men heeft de mogelijkheid om infiltrerend binnen de verschillende godsdiensten daarin ideeën naar voren te doen treden, waardoor zij een meer direct en ook een meer materieel belangrijk deel van het menselijk bestaan kunnen worden.

Zo is dan de situatie wanneer de laatste grote crisis gaat beginnen. De Witte Broederschap komt weer in grote Raad bijeen. Er heeft wederom bijzondere uitstortingen van kracht en uitwisselingen tussen sferen en werelden plaats. Zij heeft een grote Raad, die niet zoals anders na enkele dagen uiteen kan gaan, maar die weken voor beraadslagingen bijeen blijft. Stof en geest worden als het ware samengesmeed tot één hechte band. Want men weet, dat dit het kritieke punt wordt. Men zou de mens geestelijk willen beïnvloeden. Dat heeft men overigen ook vanaf rond 1900 van uit de geest gedaan door vele commentaren, boodschappen en gezondenen. Men heeft dit gedaan, zoals reeds is gezegd, door inspiratie en ingrijpen. Maar nu is er geen tijd meer om alles langzaam op te bouwen. Het is, alsof men een huis heeft gebouwd, waarop het dak nog niet gezet is en nu dreigt de storm. Alles moet worden beschermd. Veel van de maatregelen, die er worden genomen, komen de onbevooroordeelde beschouwer enigszins als lapmiddelen voor.

Er is in het optreden van de witte Broederschap ook een element van grotere onzekerheid te bespeuren. Niet dat men radeloos is of niet weet wat men zal moeten doen, maar men beseft steeds meer dat de mensheid, gedurende lange tijd zo zorgvuldig opgekweekt tot een zeker mate van zelfstandigheid, over geestelijke krachten beschikt, die niet zo gemakkelijk door een broederschap of genootschap zijn te beheersen.

Men bereidt zich voor. Uit de wereld worden wat belangrijke personen op verschillende plaatsen weggenomen. Men bereidt omwentelingen voor. Men probeert in tegenstelling tot voorheen niet een zekere vredigheid te veroorzaken of desnoods een directe strijd te forceren. Men gaat er van uit, dat men zijn eigen belachelijkheid, zijn eigen onmogelijkheid moet bewijzen. Vanaf 1962 wordt door de groten dezer aarde een stortvloed van onbegrijpelijke fouten over de wat verbaasde massa uitgestort. Maar de meesten realiseren het zich niet. Men gaat verder. Wanneer er oorlogsgevaar dreigt, dan wordt gelijktijdig een machtsgreep voorbereid en zo kan die oorlog worden voorkomen. Wanneer een ogenblik later de gewelddadigheid naar buiten toe te ver schijnt op te lopen, probeert men wederom in te grijpen. Men remt een algemene agressie af. Men brengt in de mensen een onrust. Bij een toenemend materialisme, een toenemende verwarring, die zelfs in haar perfectie van regelingen vaak anarchistisch aandoet, zien wij langzaam maar zeker het patroon ontstaan dat deze dagen beheerst: Het scheppen van een uitlaat voor de te grote spanningen in de mens.

Het veranderen van diens inzichten en mentaliteit op korte termijn. Daarvoor is geweld noodzakelijk. Dat kan niet worden ontbeerd. Maar het moet beperkt zijn. Het is het tegenvuur, waardoor men een overslaande brand, die alle bossen kan vernietigen, wil voorkomen. De resultaten kunt u in uw dagbladen vinden. Dat is dan in enkele fasen geschetst de bewustwordingsgang van de mensheid in verband met de Witte Broederschap. Het is voor u, die zich toch ook wilt scholen in een aanpassingen aan deze tijd, misschien ook belangrijk te beseffen hoe de stand van zaken op dit ogenblik is, het ogenblik dat ik spreek.

De geschillen in Azië zijn aanmerkelijk toegenomen. Zij zijn zeker niet vrij van oorlogsgevaar. Indien dit gebeurt, zal dat binnen ongeveer 4 à 5 maanden moeten blijken. Er zijn echter in deze geschillen elementen van wereldopinie, van onderlinge strijd en vooral gebrek aan samenhang gemengd, waardoor het mogelijk is een al te grote zelfverzekerd optreden van één der deelnemers te voorkomen.

Men heeft de psychologische achtergronden geschapen voor een vrede; ook wanneer die vrede alleen kan worden gevonden door de schijn van strijd verder voort te zetten. Gelijktijdig heeft men in Afrika, dat gevaarlijk was juist door zijn onbedrevenheid in werkelijk regeren, in werkelijke staatkunde, de verwarringen eveneens opgevoerd. Een verdeel-en-heers politiek zou men misschien zo zeggen. Maar daardoor is het mogelijk, dat een deelnemers  groep — voorlopig althans — niet in staat is werkelijk invloed op het wereldtoneel uit te oefenen.

Het is echter nog niet voldoende. Men moet bepaalde centra op aarde gedurende enige tijd kunnen normaliseren of desnoods uitschakelen. Enkele besmettelijke ziekten worden in omloop gebracht. Zij zullen — mits op de juiste wijze toegepast en van te voren enigszins gerationaliseerd, zodat men niet van verwondering afvraagt of het een vijand is die dit tot stand brengt — kunnen dienen om beslissingen uit te stellen of onmogelijk te maken. De netten van ingewijden en bewusten hebben hun activiteiten ondertussen ook voortgezet. Zij vormen overal kleine onafhankelijke pressiegroepen. En veelal weten degenen, die door hen worden gedreven, niet eens wat er eigenlijk aan de hand is. Zij ondernemen een zeer sterk geladen poging om al die regels, al die vaste waarden en normen waarin het gevaar voor deze tijd schuilt, te breken. Zij doen dit op de meest belachelijke manier van uit een menselijk standpunt, maar zij slagen erin. Zij weten inderdaad zeer vele ergerlijke ontwikkelingen te voorkomen.

Daarnaast wordt het dit jaar nodig een groter isolement te scheppen voor dat ene centrum dat men zich heeft gekozen als punt van samenkomst en van geestelijke werkzaamheden. Men heeft dit gedaan door enkele natuurrampen en waarschijnlijk binnen enkele dagen zal men zelfs door aardbevingen etc. die afzondering nog vergroten. Men weet precies wat men doet. Het vormen van een 6-tal subcentra, waardoor geestelijk zeer sterk kan worden ingewerkt, een zeer grote suggestie kan worden gegeven en inspiraties kunnen worden verstrekt op het gunstige moment, heeft eveneens bijgedragen tot de vergroting van de directe invloed van de Witte Broederschap.

De gewone mens weet er weinig van. Wanneer hij vraagt: Hoe kan ik meewerken? Dan moet het antwoord helaas in deze dagen wel luiden: Ach, probeert u maar zo gewoon, zo optimistisch mogelijk te zijn. Probeer het in uw eigen omgeving zo prettig en zo goed mogelijk te maken. Dat is alles wat u kunt doen. Want als je een gespecialiseerde actie wilt ondernemen dan heb je daarvoor specialisten nodig. Je kunt niet een zeer ingewikkelde militaire manoeuvre uithalen met rekruten, die ternauwernood weten wat een geweer is. Je kunt met degenen die op dit moment niet volledig zijn ingeschakeld, weinig doen, zolang een zeer speciale taak en zeer speciaal werk noodzakelijk is.

De opbouw in deze dagen is voor u natuurlijk zeer belangrijk, want daarin ligt de mogelijkheid een wereldoorlog — rond de maand september — oktober te voorkomen. En juist het stellen van al deze maatregelen geeft een redelijk grote zekerheid, dat de Witte Broederschap ook deze maal zal slagen. Belangrijker van uit de geest gezien is echter het voortzetten van het evolutieproces van de geest. Het voortzetten van een vrijere en grotere bewustwording door allen, die in de stof zijn. En dit kan alleen worden bereikt, indien via de spanningen van deze dagen een ommekeer in maatschappelijke verhoudingen, rechtsverhoudingen, morele opvattingen e.d. tot stand wordt gebracht. Zoals de wereld nu bestaat, is zij te beperkend voor degene, die vrijheid wenst. En daarop moet verder worden gewerkt naar die vrijheid toe.

Het is misschien voorbarig hieraan nog enkele conclusies omtrent de toekomstige fasen te verbinden. Wanneer ik dat toch doe, is dit hoofdzakelijk, omdat dit een juiste afronding lijkt van al hetgeen ik u heb verteld.

Wanneer in een top van spanningen een aantal concessies moet worden gedaan, dan zal hierdoor het aanzien van degenen, die de concessies doen, aanmerkelijk moeten lijden. Er zal dus een verschuiving van gezag plaatsvinden over de wereld. bij die verschuiving zullen ook directe belangen een grote rol spelen. Men heeft dit voorzien. Al datgene, wat te zeer egoïstisch of tijdgebonden is, kan men juist in deze periode een betrekkelijk snelle ondergang verzekeren. Gelijktijdig kan men er zorg voor dragen, dat er toch geen te grote haatgedachten uit voortkomen. Men kan er voor zorgen, dat in plaats van een in zich keren zonder verder uitzicht de mensheid een intenser beleven en erkennen gaat vinden.

De tijd, die daarvoor is uitgetrokken, is niet zo lang. Een 5-tal jaren en deze eerste fase is voltooid. De mensheid ziet haar wetten, haar regels en zekerheden op allerhand terrein, zelfs op het wetenschappelijke, zozeer geschokt, dat zij beseft een totaal nieuwe weg te moeten inslaan. En daarmee is de mogelijkheid geschapen om met de juiste inspiraties en de juiste suggesties ongetwijfeld deze eeuw te voltooien in een opbouw. Een opbouw, die voorlopig nog zeer moeilijk zal zijn. Waarbij de massa’s en helaas vooral de grote massa van minder bewusten en minder ontwikkelden op aarde een grote rol spelen.

Naarmate wij echter het gemiddeld bewustzijn van de mens kunnen doen stijgen door het aantal bewusten (en nu niet ingewijden) op aarde te vergroten, zo zegt de Broederschap, zullen wij ook in staat worden gesteld om opnieuw stoffelijke inwijdingswegen te openen en opnieuw vol-ingewijden met hun zending over de gehele wereld te zenden. Het zal mogelijk zijn om alle nieuwe principes, die in deze dagen zijn ontdekt (al zijn de meeste topsecret) openbaar te maken en een algemeen gebruik van die nieuwe principes te bevorderen. Men zal in staat zijn om de mensen op aarde — ongeacht de storingen en de onrust die daar nog is — langzaam maar zeker tot een hechte eenheid aaneen te smeden. En daarmede de geest van de mensheid klaar te maken voor een contact met vele andere werelden.

Ik bedoel hier vooral de werelden van de geest, ofschoon over een redelijk groot aantal jaren volgens mij ook wel openlijk stoffelijke contacten met andere volkeren buiten deze aarde kunnen worden verwacht.

De bewustwording heeft de mens dan zover gebracht dat hij zonder angst, zonder een terugtrekken in zichzelf, zonder een vergoddelijken, kan leven in direct contact met de werelden van de geest. En wanneer dat is bereikt, zal volgens mij de taak van de Broederschap opnieuw gaan veranderen. Dan zal, zoals in het verleden meermalen is gebeurd, haar structuur zich gaan wijzigen. Het in niet aan mij te zeggen hoe. Ik kan slechts stellen: Deze Broederschap, die door velen als een hypothese wordt beschouwd zonder enige werkelijke achtergrond, deze bond van geest en materie, is instrumenteel geweest voor menige betrekkelijk snelle verandering in het bewustzijn der mensheid. Wij weten verder, dat deze groep heeft geleerd gebruik te maken van tendensen en krachten van kosmos en aarde op een haast verbluffend zekere manier. Ja, dat het haar hierdoor mogelijk is geweest resultaten tot stand te brengen, die niet onmiddellijk aan haar kunnen worden toegeschreven, maar die toch steeds kentekenend zijn voor haar optreden: Nl. bijna overal gelijktijdige ontwikkelingen en ontdekkingen, overal gelijktijdig veranderingen.

Het versnelde tempo van gebeuren in dergelijke perioden zal steeds weer het kenteken zijn van de Witte Broederschap. Zij heeft zeker voor de mensheid op aarde een vergroting van bewustzijn mogelijk gemaakt en zal in de toekomst het doordringen in het z. g. occulte, in de verborgen waarheden van het verleden mogelijk naken. Zij zal haar inwijdingen hier hieraan zelfs aanpassen en daardoor steeds meer aan de daarvoor klaar zijnde mens de kans bieden bewust in en met de werelden van de geest te leven, zonder de aarde daarom voorgoed te verlaten.

Reële verdraagzaamheid

Het begrip verdraagzaamheid wordt nogal eens misbruikt. Soms gebruikt men het voor lijdzaamheid, soms om een gevoel van meerwaardigheid aan te duiden.  Men is te verstandig om te reageren, men verdraagt het maar. Of men moet alles verdragen, omdat het nu eenmaal zo geschreven staat. Het zal u duidelijk zijn, dat geen van beide opvattingen reëel is en zeker in deze tijd niet op haar plaats.

Indien wij het begrip verdraagzaamheid zo realistisch mogelijk willen definiëren, zullen wij heel wat abstracties en algemeen nogal eens gebruikte dooddoeners terzijde moeten stellen. Ik voor mij zou dat als volgt willen doen. Verdraagzaamheid is het vermogen om het andere naast jezelf te verdragen, zolang het geen volledige aantasting van je eigen wezen betekent. Dat is misschien erg kort, maar het geeft weer wat ik bedoel.

In deze tijd wordt er vaak enorm veel gestreden bv. over de vraag of het communisme nu wel of niet bon-ton kan zijn. Ik zou zeggen: Wij hebben niet te maken met het communisme. Het is een systeem, dat kan bestaan naast elk ander systeem. Onze verdraagzaamheid mag nooit worden bepaald door de vraag, of het communisme aanvaardbaar is. Het moet worden bepaald door de vraag, of de communist en zijn gedragingen aanvaardbaar zijn. En op deze wereld zien wij heel vaak, dat die verdraagzaamheid niet bestaat daar, waar zij eigenlijk hoogst noodzakelijk is. Om u een voorbeeld te geven.

Als u tot een kerk behoort en u wenst dat een ieder tot die kerk behoort, is dat uw goed recht. Indien u daarom echter niet wilt aanvaarden, dat iemand met een ander geloof of desnoods zonder geloof naast u bestaat en toch als uw gelijke moet worden beschouwd, dan bent u onverdraagzaam.

Het grootste deel van de geschillen, die er op het ogenblik op aarde bestaat, konen voort uit een soortgelijke onverdraagzaamheid. Als wij eerlijk moeten zijn, dan zullen we toegeven dat het verschil tussen bv. Noord-Korea en Zuid-Korea een verschil van dictatuur is. Verder niet. De wijze, waarop men in beide gebieden leeft, is ongeveer gelijk. De manier, waarop het volk wordt geregeerd in beide gebieden, is ongeveer gelijk. Alleen, in het ene gebied gaat men uit — naar men zegt — van het communisme in elders van vrijheid of democratie of Amerikanisme. Die motivering van het gedrag is voor ons niet belangrijk. Het gedrag op zich wel.  Als wij bv. Vietnam nemen, dan rijst bij mij de vraag, of hier verdraagzaamheid niet op haar plaats zou zijn. In Noord-Vietnam heerst — of we dat willen toegeven of niet — meer orde dan in Zuid-Vietnam. De werkelijke kracht, de slagkracht van bv. een Vietcong staat tegenover de slagkracht van het Zuid-Vietnamese leger wel zeer gunstig. Dat zijn de feiten. Als wij zien wat er in Zuid-Vietnam gebeurt, dan moeten wij zeggen: Deze mensen vechten onder elkaar voor de macht en ze gebruiken daarvoor een leuze. De leuze: Wij zijn voor het westen. Maar is dat juist? Neen. Mogen wij voor de doorsnee-burger in die streken een beter en geordend bestuur afwijzen alleen omdat het een andere denkwijze heeft? De verdraagzaamheid zegt. Neen. De wereld van vandaag roept luidkeels: Ja. En dat, mijne vrienden, is het reële probleem van de verdraagzaamheid. Het vergt niet dat men zich laat overweldigen, naar het vergt wel een respect en een begrip voor de tegenstander. Het vraagt niet een bestaan geheel zonder strijd, maar het eist wel dat die strijd alleen op feitelijke waarden en normen mag zijn gebaseerd; en dat die feitelijke waarden en normen direct moeten samenhangen met eigen feitelijk bestaan, leven en werken. Geen lijdzaamheid.

Wanneer er iemand komt, die u dwingt anders te zijn, te denken en te leven dan u wilt, dan hebt u het volste recht u daartegen te verzetten. Wanneer een verzet zonder geweld met geweld wordt beantwoord, dan bent u zelfs binnen de verdraagzaamheid gerechtigd om geweld tegenover geweld te stellen. In de naastenliefde bent u dat niet. Dan moet u dulden, opdat niet meer haat ontstaat. Maar in de verdraagzaamheid moogt u zich verzetten. Maar het feit dat u verdraagzaam bent, maakt u niet tot de meerdere, van een ander. U bent misschien verstandiger, maar omdat u verstandiger bent, hebt u grotere verplichtingen, niet grotere rechten. En ook dat is een misvatting, die op het ogenblik algemeen aanwezig schijnt te zijn. Men verzet zich bv. tegen laat ons zeggen een wat positieve instelling in Europa, zoals wij die vinden in Frankrijk (De Gaulle). Nu behoeven wij het met zijn motieven en zijn redeneringen zeker niet eens te zijn. Maar wij mogen niet zeggen, dat de man het recht niet heeft zo te denken. Vooral wanneer hij met deze denkwijze kennelijk een groot deel van het Franse volk vertegenwoordigt.

Als Nederland nu zegt: “Ja, maar wat hij doet is onjuist,” dan zeg ik: Hier moet De Gaulle, verdraagzaam zijn. Hij moet accepteren dat Nederland anders denkt. Als Nederland echter zegt: “Daarom moeten wij die De Gaulle maar zien als iemand, die minder waard is dan wij met onze verdraagzaamheid en trouw,” dan zeg ik: Nederland, je overschat jezelf. Je bent veel minder waard dan die De Gaulle, als je verdraagzaamheid en trouw alleen maar een zelfrechtvaardiging zijn en niet voortkomen uit een even sterk innerlijk begrip, dat je handelwijze juist is.

U merkt het, ik trek het nogal in het reële vlak. En wij kunnen die realiteit nog veel verder doorvoeren. Laat mij proberen recente voorbeelden te vinden. Ik meen gehoord te hebben, dat de vakbonden in Nederland een ieder — ook die niet bij de bond is aangesloten — zouden. willen dwingen om voor de diensten van de vakbonden te betalen, of althans iemand zou dat willen. Ik ben niet geheel op de hoogte. Nu zou ik zeggen: Dat de vakbond bestaat en dat zij voor zich een recht van bestaan kan hebben, dat moeten wij erkennen. Dat is verdraagzaamheid. Dat zij volgens haar beste weten optreedt, ook al vinden wij dat optreden misschien niet helemaal redelijk, dat moeten wij erkennen en aanvaarden. We behoeven hen niet hun gang te laten gaan. Dat is geen kwestie meer van verdraagzaamheid, dat zou onderwerping zijn. Indien er naast die vakbond anderen bestaan, die zich daarin niet thuis kunnen voelen of die menen dat ze het beter op hun eigen manier kunnen doen, dan hebben we echter geen recht hen te dwingen zich aan de normen van die vakbond te houden. Ik zou het zo willen stellen: Indien een vakbond een cao afsluit en iemand is geen lid van de vakbond, dan moet die man het recht hebben buiten de bedingingen van de cao op eigen voorwaarden elders een werkverbintenis te sluiten. Dat zou verdraagzaam zijn. En dan kunt u zeggen: Dan zou het werk van de vakbond ongedaan worden gemaakt. Als dat het geval is, dan is die vakbond te zwak. U zoudt kunnen zeggen: Dan gaat onze marktbeheersing naar de maan. Dat is mogelijk. Maar indien uw marktbeheersing voortvloeit uit een reëel besef en een reële noodzaak, dan zal ze ondanks dat in stand kunnen worden gehouden. En dat is nu eigenlijk de werkelijkheid in de verdraagzaamheid. Je moet naast elkaar kunnen leven. Er zal niemand van de vakbond vragen, dat deze gaat inspringen voor een niet-vakbondsman die in nood komt. Dat heeft die niet-vakbondsman zelf ook niet gewild. Hij moet nu ook zijn eigen boontjes doppen, dat is logisch. Omgekeerd moet de niet vakbondsman het kunnen accepteren, dat een wel-vakbondsman door die vakbond wordt bijgestaan en geholpen op punten, waar hijzelf door zijn niet daartoe behoren werkeloos is of machteloos staat. Het is het erkennen van de ander.

Dat die erkenning over het algemeen nogal misloopt, daarvan heeft u voorbeelden te over. Ik denk bv. aan de kwestie geboortebeperking, die in Engeland (waar wij ook in verschillende groepen werken) nog heel wat opzien heeft gebaard. Enkele ondeugende priesters hebben de moed gehad over die dingen te spreken en zelfs als een noodzaak.  Terwijl de hogere geestelijkheid had gezegd dat dat niet mocht. (Niet alleen het spreken, maar ook dat andere niet.) Dan begint er bij mij iets te roeren, als men zegt dat die kerk verdraagzaam is. Zij is niet verdraagzaam. Zij kan eenvoudig niet hebben, dat iemand de moed heeft iets anders te zeggen dan zij dicteert. En daardoor bewijst ze haar kleinheid. Want aan verdraagzaamheid zit een andere kant.

Juist daar, waar wij niet verdraagzaam zijn, zijn wij het zwakst. Dat klinkt misschien gek. Maar het is waar. Ik wil dat voorbeeld eens uitbreiden. Wanneer de kerk zelf een morele, een redelijke of reëel verantwoorde oplossing zou hebben voor het probleem van wel of geen geboortebeperking, dan zou ze alleen maar behoeven te zeggen. Wij hebben een betere weg. Klaar. Zij heeft het niet en dus handelt zij onverdraagzaam tegen degenen, die proberen zo’n weg te vinden. Als u hier in Nederland leeft en een ieder roept: “Oranje boven” en iemand zegt: “Ach, laat die koningin barsten”, dan kunt u zeggen: “Dat is majesteitschennis. Maar als een majesteit kan worden geschonden door dergelijke woorden of desnoods ergere, dan rijst bij mij de vraag, of die majesteit dan zo werkelijk is als men het wil doen voorkomen. Als men zegt: “Dit is echt goud en daarom mag je het niet met zuur beproeven,” dan rijst er bij mij een wantrouwen. Toch is de hele wereld vol van dergelijke ideeën.

“Wij hebben een groot geheim wapen.” “Welk wapen, excellentie?” “Ja, dat mag ik u om ’s landsveiligheid niet zeggen.” Had dan niets gezegd. Maar nu men het ene zegt en het andere niet, trekt men zijn eigen woorden in twijfel.

Nu kan ik wel zeggen: Het is erg verdraagzaam om dat dan maar voor waar te accepteren, maar dat is nu juist geen verdraagzaamheid. Dat is gewoon stomheid. Indien iemand iets zegt, moet hij ook verder spreken, of hij moet helemaal zwijgen. Ik weet wel dat dat soms erg moeilijk kan zijn, maar dan moet hij desnoods zijn woorden terugnemen. Dan moet hij desnoods zeggen: Wij hebben niets. Dan wil ik het ook accepteren. Maar niet half. Het is deze halfheid, mijne vrienden, die de verdraagzaamheid maakt tot een wapen. Niet het wapen van onderling begrip, van juiste verhouding, van de reële erkenning van het andere met al zijn rechten van bestaan, van zijn, van het zichzelf zoeken op eigen wijze, maar het raakt tot één doekje voor het bloeden.

Opvallend is ook dat degenen, die het minst verdraagzaam zijn deze dagen van anderen het grootst mogelijke begrip en in wezen de grootst mogelijke verdraagzaamheid vergen. Dit vinden wij op politiek vlak en wij vinden het ook elders.

Verdraagzaamheid kan echter alleen gebaseerd zijn — en dat moeten wij goed begrijpen — op eerlijkheid. Dat wat niet echt is, wat niet volledig is, behoeven wij niet te verdragen. Datgene wat echt is, zullen wij moeten verdragen, omdat het echt is, ook al past het niet bij ons denken, ons wezen, ons leven.

En daarmee hebben wij het probleem grotendeels omschreven, geloof ik. Wanneer ik er dan toch nog het een en ander aan toevoeg, dan is dit vooral wel, omdat ik meen dat dit tot een juister inzicht in de wereld en misschien ook tot een juister aanpassing aan de wereld kan bijdragen.

Het kleurlingenprobleem is een toppunt van onverdraagzaamheid, zoals u bekend zal zijn. Maar — en er is een heel groot “maar” bij — van een wederkerige onverdraagzaamheid. Want hij die zichzelf tot martelaar maakt, is even onverdraagzaam als hij die martelaren maakt. Er is wederkerig een gebrek aan begrip. Er is wederkerig een gebrek aan erkenning. De Ver. Staten weigeren de negers te erkennen en dat zij in vele gevallen onder betere condities leven dan de blanken, die erg arm zijn, en die bestaan er ook. In de Ver. Staten eisen de negers dat de blanken nu en onmiddellijk een gelijkheid doorvoeren, waarvoor zijzelven kennelijk nog niet klaar zijn, want zij kunnen nog niet precies omschrijven wat zij willen. Er zijn enkelen die dat voor hen doen.  De menigte volgt betrekkelijk kritiekloos. Indien de blanke kan verdragen dat de neger zijn gelijkwaardigheid bewijst en de neger kan verdragen dat men van hem het bewijs van zijn gelijkwaardigheid verlangt, dan geloof ik dat het probleem al opgelost is. Maar het zijn juist degenen bij beide partijen, die zich verzetten.

De blanke, die vreest zijn macht, welke niet berust op zijn bekwaamheid en op de feiten maar op een toestand die onrechtvaardig is, te verliezen, is de negerhater. De neger, die niet de feitelijke bekwaamheden bezit om zich de leefwijze, de mogelijkheden van een blanke en ergens ook de beschaving van een blanke eigen te maken, schreeuwt het hardst om zijn rechten.

Als u dit wilt overzetten op onverschillig welk probleem in de wereld, zult u moeten constateren dat de hardste schreeuwers altijd degenen zijn, die het minst recht van spreken hebben. In uw Kabinet is fel opgetreden tegen de ministers door een bepaalde partij bij monde van haar voorman. Maar deze partij heeft zover mij bekend in vele gevallen de waarheid terug gehouden van het volk en zelfs van de Kamer in de tijd, dat zij het gezag had. Zij schreeuwt ongetwijfeld zo luid, omdat zij beseft welke machinaties. mogelijk zijn. Zij is niet verdraagzaam helemaal niet. Zij is alleen maar bang, dat anderen haar zullen doen, zoals zij anderen heeft gedaan.

Als de zaken er zo voor staan — laten wij alle verder voorbeelden naar achterwege laten — dan is het misschien goed om hier ten aanzien van de reële verdraagzaamheid te concluderen: Het zijn de vele zwakheden van de mensen, die zij voor elkander en anderen niet willen erkennen, die hen voeren tot een steeds grotere onverdraagzaamheid en in vele gevallen zelfvernietiging doet prefereren boven de erkenning van de gelijkheid met anderen.

Het is duidelijk, dat iemand, die in deze wereld verdraagzaam wil zijn, nimmer lijdzaam alles over zich heen mag laten gaan. Wanneer men hem aanvalt met een argument, dan mag hij zijn eigen argument wel degelijk daartegenover stellen. Wanneer men hem aanvalt metterdaad, dan mag hij zich verdedigen. Het enige wat men niet mag doen is stellen, dat de ander a priori fout is, omdat hij het “ik” aantast.

Het enige wat men niet mag stellen is, dat men zelf altijd goed is, of dat men de betere is. Het naast elkaar erkennen van vele mogelijke standpunten en van vele wegen om een probleem op te lossen is noodzakelijk wil men tot verdraagzaamheid komen.

Als u dit in uw eigen kring, in uw eigen leven voortdurend in praktijk brengt, niet slechts theoretiserend of alleen met woorden werkend, maar ook metterdaad die gelijkheid en die mogelijke gelijkheid erkennende. dan heeft u met de verdraagzaamheid in de praktijk iets bereikt. Want waar u de gelijkwaardigheid van anderen erkent, zullen zij eerder de gelijkwaardigheid in u willen aanvaarden.

De vraag is: Wie heeft de moed dit het eerst te doen. Zeker niet de grote groeperingen, de grote instanties. Die kunnen en durven dat niet. Laat dan de eenvoudige mens daarmee beginnen en zonder lijdzaamheid, in de erkenning van de gelijkwaardigheid en eventuele gelijke mogelijkheden in anderen zijn weg te gaan. Dan zal de wereld ongetwijfeld beter worden.

Waarheid

Ik ken de waarheid, zei de dwaas en dacht zichzelf het Al. En zag niet werelden en wezens zonder tal gelijk aan zichzelf en even waar en evenzeer in zich beperkt.

Wie met een begrip als waarheid werkt, moet weten dat de waarheid voor een mens nimmer volledig en vast kan bestaan: Men kan zoeken naar waarheid en meer waar zichzelf tonen aan zichzelf. Maar een waarheid bezitten blijft waan.

Waar zijn betekent nimmer bewust handelen of spreken tegen wat in je leeft. En waar je zoekt of werkt of streeft, eerlijk te blijven en in eerlijkheid dat Al beleven. Dan kun je in het zijn — hetzij nemend hetzij gevend — vinden al wat werkelijkheid betekent voor jezelf.

Waarheid is God. En alleen in God is de waarheid objectief. De waarheid, die u zozeer mint, is niet de waarheid die leeft in uw God. Het is geen waarheid in werkelijkheid. Het is een waan, waarmee ge uzelf van twijfels en minderwaardigheidscomplexen bevrijdt.

De waarheid in God, die zullen wij kennen, wanneer de weg des levens is voltooid. En tot die tijd moeten wij het gemis aan een absolute waarheid verdragen. Wij moeten weten dat zelfs — zo wij waarheid zoeken en willen zijn in waarheid — dit altijd vragen met zich brengt, die nog geen antwoord dulden. Maar waar wij de waarheid gebruiken als middel voor ons subjectieve doel, waar wij die waarheid aanpassen aan ons gevoel en ons denken en ons werken, zonder te vragen, of wij daarbij eerlijk zijn, daar ketent de waarheid ons steeds weer aan. het “ik” en aan beperkingen in het “ik” geboren. En nimmer worden we daarvan vrij, voordat we leren dat geen waarheid volledig bestaat, maar dat waarheid voor het “ik” is gelegen in al wat het erkent en ondergaat door alle tijd.  De waarheid is de som van alle zijn.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf