juni 1965
Instinctieve reacties
Deel 1
Als de mens in zijn bestaan wordt bedreigd, dan zal hij heel vaak instinctief reageren op het gevaar, ook indien deze reactie volgens zijn redelijke vermogens, volgens zijn werkelijke inzichten, absurd, onmogelijk en onbruikbaar is.
Dit klinkt voor de meeste mensen aanvaardbaar, zolang wij spreken over bv. paniek. Een panische angstontwikkeling leidt nu eenmaal tot onlogische reacties; dat weet men en dat wil men accepteren. Niet zo gemakkelijk wil men aanvaarden dat de instincten van de mens ook op een andere wijze betrokken zijn bij het wereldgebeuren, dat zij vaak tegen de eigenlijke wil en bewustzijn van de mens in, daarop een zeer grote invloed kunnen uitoefenen.
Als de mens voortdurend wordt geconfronteerd met eenzelfde gevaar en dit gevaar zich nimmer volledig realiseert, zal zijn verweer, maar ook zijn aandacht voor het verschijnsel steeds afnemen. Dit betekent dat zijn onachtzaamheid ten opzichte van het gevaar steeds toeneemt. Hij zal daardoor sneller bij ongevallen of ongelukken betrokken worden. Hij zal ook sneller een foutieve reactie vertonen, want hij meent dat het gevaar immers alleen fictief is.
Deze reactie kunnen wij op dit moment zien in bv. de VS. Men gelooft daar wel aan de mogelijkheid van een wereldomvattend conflict met Rusland. Men gelooft echter niet, dat kleinere conflicten en het ingrijpen van de USA aanleiding kunnen zijn tot een wereldomvattend conflict. Men realiseert zich kennelijk niet, dat bv. de controverse in Vietnam op een gegeven ogenblik zozeer een prestigekwestie kan worden voor de twee partijen, dat zij beide – aannemende dat de tegenpartij niet verder zal gaan met ingrijpen – een maximum aan middelen inzetten en gebruiken en daardoor een feitelijke oorlog mogelijk maken. Hier toont zich slechts één van deze verschijnselen.
Over de gehele wereld leven steeds weer spanningen op en verdwijnen weer. Er zijn reacties; maar die reacties hebben geen gevolgen. Men neemt dus aan dat dit een blijvende situatie is. Wij spreken hier dan van een instinctieve gewoontevorming, welke een bepaalde blindheid (mentaal en zelfs ook visueel) inhoudt.
Die verblinding bestaat natuurlijk niet alleen in de grote wereld. Zij bestaat evenzeer in het eigen milieu van de mens en zal hem vaak aanmerkelijk hinderen bij zijn poging zich in die wereld op een zo harmonisch en aangenaam mogelijke wijze te bewegen. Voorbeelden zijn hiervoor te over te vinden, maar ik neem nu één van de meest eenvoudige:
Een traproede ligt voortdurend los. Er valt nooit iemand over, dus is het niet gevaarlijk en kan een reparatie best worden uitgesteld. Op den duur is het eigenlijk overbodig. Als die overbodigheid bestaat, kan één moment van onachtzaamheid een levensgevaarlijk letsel betekenen voor iemand die toevallig wel verkeerd stapt en door die losliggende traproede getroffen wordt. Dit klinkt misschien overdreven. Maar in het dagelijks bestaan van de mens zien wij dat hij een zekere blindheid en een zekere doofheid cultiveert. Deze methode van uitsluiten van het gevaar, zodra het regelmatig voorkomt, is niet typisch menselijk.
Een ander voorbeeld kunnen wij vinden bij een kudde gazellen die rustig grazen in de nabijheid van leeuwen en alleen in de tijd dat de leeuw op jacht gaat (zijn voedertijd), aannemen dat er gevaar dreigt en vluchten. Aan deze instinctieve gewenning, aan het gevaar van het verscheurende dier, vallen voortdurend leden van de kudde ten offer. De kudde blijft het gedragspatroon handhaven, want het gevaar heeft nog niet de levende individuen getroffen en wordt dus niet gezien als een persoonlijk reëel gevaar.
U zult nu misschien denken dat dit alles is. Neen. De instincten van de mens gaan veel verder dan dit. Hij heeft bv. de behoefte zijn gezag uit te drukken. Er bestaat daarbij zelfs een zekere rangorde, zoals wij die ook in de kippenren kunnen vinden. Als je in een kippenren 12 kippen hebt, dan zal kip A iedereen pikken en door niemand worden gepikt. Kip B pikt iedereen, behalve kip A. en de laatste van de 12 wordt door iedereen gepikt en kan niet terugpikken.
In een maatschappelijk bestel bestaat er ook een dergelijke instinctieve rangorde. Wij kunnen wel spreken over democratie, over menselijke vrijheid en menselijke rechten. Maar de mens tracht voor zichzelf een gezagsverhouding te creëren, waardoor hij aan een bepaalde partij slagen kan uitdelen en tegenover een andere partij altijd neutraal is en de slagen rustig in ontvangst neemt. Een instinctieve reactie, die in het kuddeleven eigenlijk overal bestaat. Ook bij de wolven. Ook daar is er één die iedereen mag bijten en wegdringen en dat recht voortdurend verdedigd. Er is er ook één die voor iedereen uit de weg moet gaan.
In de maatschappij kun je dat natuurlijk niet meer zo daadwerkelijk doen als in de kippenren of in een wolvenroedel. Neen, hier moet het op een andere wijze tot uitdrukking komen; en dat zal bij de mens over het algemeen een uitdrukking zijn in ideeën.
Er is één idee die altijd juist is. Niets kan of mag tegen dit idee worden aangevoerd. Daarvan zijn de ideeën afgeleid die ook het grote gezag hebben. Om u een voorbeeld te geven:
De staat is in de staat onaantastbaar. Zij kan overal verwijzen uitdelen en kan zelfs de kerk reguleren. De kerk op haar beurt reguleert niet de staat, maar wel al datgene wat als gezag van de staat uitgaat en al datgene wat onder dat gezag valt. Zij probeert hierin haar invloed uit te oefenen. Daaronder staat bv. weer een vakbond, die zich onderwerpt aan bepaalde ideële of kerkelijke regelingen alsmede aan het staatsbestel, maar die in de maatschappij verder weer druk uitoefent op iedereen. En zo ga je verder, tot Jan Publiek komt, die misschien denkt dat hij veel te zeggen heeft, maar die het recht niet heeft zich tegen deze ideeënvolgorde van bovenaf te verzetten.
Een bestraffen van zo’n vergrijp betekent in de kippenren, dat de schuldige wordt aangevallen door alle kippen die onder haar staan en haar normaal dus niet mogen pikken en ook door die boven haar staan. In de wolvenroedel betekent het het uitvechten in een tweegevecht met degene die heeft gebeten. Slaagt hij niet, dan wordt hij door de gehele horde doodgebeten. In de mensenwereld betekent het, dat zijn idee wordt uitgekreten voor iets wat het misschien helemaal niet is. Het wordt bv. communisme genoemd of fascisme en dat hij op grond van deze benaming uit de maatschappij wordt gestoten, achtervolgd en dat hem het leven onmogelijk wordt gemaakt.
Dit is geen redelijke reactie. Er is wel sprake van een rationalisatie, maar die gaat uit van de instinctieve “pecking order”, de instinctieve regeling van rangen en standen. Zelfs als wij alle rangen en standen officieel verwerpen, blijft dit van kracht.
Ook hierin is een gevaar gelegen, dat zult u begrijpen. Het gevaar is, dat er een buitenstaander in de ren komt. In Nederland bestaat zo’n buitenstaander: een zekere boer Koekoek, die niet past in de opvattingen van het staatkundig-religieus bestel en van de geleide economie. Hij wordt door eenieder vervolgd, maar gelijktijdig is iedereen een beetje schichtig, een beetje bang. Want je weet niet precies waar hij in feite in de rangorde behoort.
In de wereld zie je een dergelijk verschijnsel. Een goed voorbeeld hiervan is de politieke houding van Frankrijk. De wijze waarop Frankrijk zich gedraagt in het economische, zowel als in het internationaal politieke verkeer, is volgens de geldende orde van de westelijke democratieën onaanvaardbaar. Het is ook volgens de stelregels van de geestelijke samenwerking onaanvaardbaar. Maar niemand weet wat de eigenlijke potentie van dit Frankrijk is. Het heeft al een paar gekke dingen gedaan. Het is niet een Frankrijk, dat zich zonder meer laat inpassen in de organisaties; en juist daardoor is eenieder een beetje bang om in te grijpen, om iets te doen. Door die instinctieve reactie kan dus een partij, een groepering, een volk, dat op zichzelf geen werkelijke betekenis heeft, zij het ten opzichte van het zgn. defensief vermogen, economisch vermogen of politieke belangrijkheid, dus een zeer grote invloed uitoefenen op het wereldbestel.
Als men al die dingen niet begrijpt, vraagt men zich altijd weer af: waarom en hoe? Men kan niet goed begrijpen hoe men bv. een politieke strijd levert als in Engeland, waarbij het aankomt op één enkele stem en die stem wordt dan gegeven door iemand van de tegenpartij alleen maar om wat de “pecking order” is in stand te houden. Dat wordt zo niet beredeneert, doch veel van het onverklaarbare dat er in de wereld voorkomt en veel van de onverklaarbare situaties en verhoudingen in uw eigen omgeving, kunnen aan dit instinct van een zich invoegen in een bepaalde rangorde worden toegeschreven.
Ook geestelijk zien wij een aantal soortgelijke verschijnselen. Vele mensen hebben zeer grote vermogens tot mystieke ervaring. Zij beschikken over geestelijke en occulte capaciteiten. Toch voelen zij zich niet gelukkig, tenzij zij zich met deze eigenschappen hebben ingevoegd bv. in een kerkelijk of een sterk gereglementeerd esoterisch bestel. Er moet een machtsverhouding zijn. Zij moeten weten waar zij qua bewustzijn staan ten opzichte van anderen. Een absolute vrijheid, een zelfstandigheid is voor hen niet aanvaardbaar. En bij dit zoeken naar een “pecking order”, zoekt degene die houvast nodig heeft, altijd weer een structuur uit, waarbinnen hij een zo groot mogelijke rang kan bereiken; dus waar hij zoveel mogelijk kan pikken en zo weinig mogelijk wordt gepikt.
Alles bij elkaar gezien, zal dit instinct dus ook de wijze waarop men geestelijk streeft, helpen bepalen. Is men er zich van bewust dat de reactie een instinctieve is, dat de gezagsaanvaarding niet voortkomt uit een erkennen van recht of van meesterschap, maar alleen uit de behoefte om in een bepaalde rangorde actief te zijn, dan kan men er iets aan doen. Evenals men zich zou kunnen verweren tegen de definities van “communistisch” en “fascistisch” voor bepaalde groeperingen en handelingen, indien men zich zou realiseren waaruit die voortkomen. Maar men realiseert het zich niet.
Voor de bewustwording kan dit erg schadelijk zijn. Want de mens is – het klinkt natuurlijk niet prettig, maar het is toch waar – een dier met alle instincten die een dier eigen zijn. Daarnaast is de mens een denkend wezen met een potentie tot individueel denken. En dan is de mens ook nog een keer een wezen, dat geestelijk bewust kan zijn; dat vanuit geestelijke kracht en drijfveren dus ten opzichte van zijn instincten een gerichtheid kan ontdekken. Maar de instinctieve waarden blijven bestaan.
De mentaliteit van de mens op zichzelf en de voortdurende wisseling daarin krijgen bijzondere nadruk als wij die instincten bezien. Wij moeten begrijpen, dat de kern van de menselijkheid eigenlijk ook nog weer is: het dierlijk instinct. Of wij dat nu nestdrang noemen (die wel degelijk bestaat), de instandhouding van de soort (een instinctieve drang die altijd weer optreedt), of dat wij spreken over de bewuste “pecking order”, de angstsyndromen, de zelfvernietigingsdrang die ontstaat uit een te groot aantal in een kudde, het is allemaal een en hetzelfde. De mentaliteit is belangrijk. Maar zij bepaalt de vorm die de instinctieve verschijnselen aannemen, tenzij zij als zodanig gekend zijn; en dat gebeurt veel te weinig.
Nu heeft het weinig zin de instincten van de gehele wereld te gaan ontleden. Ik zou erop kunnen wijzen dat bv. de seksualiteit in de wereld een grote rol speelt. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de voorliefde die de USA een tijdlang voor de verslagen tegenstander Duitsland heeft gekoesterd, te danken is aan het feit dat Amerika Uncle Sam is en Duitsland Gretchen.
Het is mogelijk te stellen, dat de eeuwige strijd tussen Marianne en John Bull in feite een echtelijke strijd is, die op een zekere gelijkheid van mentaliteit is gebaseerd; en dat ligt dichter bij de waarheid dan menigeen op het vaste land van Europa beseft.
Maar evenzo is het in de geestelijke leringen. Als u kijkt naar de Levensboom, dan worden het mannelijk en het vrouwelijk principe tegenover elkaar gesteld. En als u bv. kijkt – en dat is wel heel typisch – naar de dracht van een priester, dan zult u zien dat dat gewaad meestal enigszins vrouwelijk gedrapeerd is. Dat geldt zowel voor een boeddhistische monnik als voor een rooms-katholieke geestelijke. U zult verder ontdekken dat het de tegenstelling mannelijk-vrouwelijk doorvoert in de kleuren. De rooms-katholieke priester trekt, als hij zijn functie uitoefent, over een zwart gewaad een wit gewaad aan. Dit zijn maar een paar punten.
In de partijverhoudingen zien wij precies hetzelfde. U zou bv. kunnen zeggen, dat in Nederland het mannelijk standpunt wordt vertegenwoordigd door de P.v.d.A. die daardoor zijns ondanks een bijna fatale aantrekkingskracht heeft voor de K.V.P. Een beetje vreemd misschien, maar het is waar.
De seksualiteit is niet alleen het man-vrouwelijke in de directe relatie, zij betekent bepaalde gevoelsrichtingen die op elkaar inwerken. Het betekent neigingen van bepaalde volkeren, die juist daardoor afstoting of aantrekking veroorzaken. En dat punt zal geestelijk zelfs nog sterker meespreken dan in de normale wereld.
De man zal zich geestelijk aangetrokken voelen tot een wereld die zijn ideeën ontvangt. De man is iemand van projectie. Hij wil zichzelf kunnen projecteren. De vrouw daarentegen, die in zich reeds een grote wereld kan bevatten, vraagt juist innerlijk de opbouw van een denkbeeld. Zij vraagt een toevoeging aan haar wezen, waar de man in de eerste plaats zoekt naar een uiting. Wij kunnen dit ook weer aardig zien.
Die groeperingen in de esoterie en ook in de magie, waarbij specifiek het denken, de persoonlijke ontwikkeling in de eerste plaats komt, zijn over het algemeen bestemd voor mannen of worden althans hoofdzakelijk door mannen aangehangen. Krijgen we te maken met esoterische scholingen en ontwikkelingen, die typisch de leerstelling zijn toegegaan, dan zien we juist een overwegend vrouwelijke aanhang. Vergelijk bv. de Logegemeenschappen tegenover de Rozenkruisersgemeenschappen. Deze benadering is misschien instinctief, maar zij is van zeer grote betekenis voor het eigen beleven. De vrouw zal daardoor sterker visionair begaafd zijn dan de doorsneeman. Zij zal veel ontvankelijker zijn voor intuïtieve invloeden. De man daarentegen is veel meer voor structurele invloeden ontvankelijk, waarin hij zichzelf ook mee kan verwerken. Zelfs als het aankomt op de oriëntatie ten opzichte van de tijd, wordt deze ergens door de seksualiteit tot stand gebracht.
En nu vindt u misschien, dat ik hier te ver ga met mijn beelden. Maar als u zich realiseert wat er in de wereld gebeurt, dan ziet u: agressie.
Ofschoon bij de vrouw agressie zeker niet uitgesloten is, wordt dit beschouwd als een mannelijke eigenschap. Wij zien een verweer en in vele gevallen een strijd die – men gebruikt de term zelfs in de beschrijving daarvan – de verkrachting inhoudt van een bepaald onschuldig land. Wat is het resultaat? Dat er een nieuwe maatschappelijke vorm, maar ook een nieuwe mentaliteit wordt geboren Deze worden pas aanvaardbaar door de strijd, door de uitstorting van krachten en emoties die de gelatenheid en ook een zekere zorgzaamheid met zich brengen.
U zult zeggen: Dit gaat toch wel wat ver. Neen. Wanneer u de wereld en de wereldgeschiedenis wilt gadeslaan, als u wilt zien wat er in deze tijd aan de gang is, dan zult u zelfs ontdekken dat binnen een bepaalde natie bv. afwisselend typisch vrouwelijke en typisch mannelijke eigenschappen naar voren treden. (Heren, weest u niet beledigd, ook niet wanneer u dit leest.)
Het optreden van bv. senator MacCarthy werd bepaald door de typisch mannelijke instinctreacties binnen het Amerikaanse volk. Het optreden van Kennedy betekende echter een veel sterkere vrouwelijke reactie. Dat wil niet zeggen dat het gehele volk als zodanig in zijn gevoelens omdraait, maar wel dat een emotionele gesteldheid, die minder agressief is, overheerst. Nu op het ogenblik is president Johnson aan het woord; en wij zien automatisch de reacties weer omzwaaien in de richting van het mannelijke. Dat betekent dat er in zo’n volk groeperingen zijn die – ongeacht hun sekse of ouderdom – voor instinctreacties als het ware een bepaalde sekse vertegenwoordigen.
Deze evenwichtigheid of onevenwichtigheid is ook bepalend voor alle vooruitgang. Wanneer de seksualiteit bij de dieren niet bestaat, sterven ze uit. Wanneer deze op een veel hoger niveau liggende groepsseksualiteit niet in de mensheid aanwezig is als instinct, zal het treffen van de groepen uitblijven, dat de vernieuwing van de idee geeft, maar gelijktijdig ook van de levensvorm.
De instinctreacties gaan overigens nog veel verder. Ik zou u kunnen bewijzen hoe vele vaak veroordeelde en dierlijke instincten, zoals de bloedhonger, die bij een roofdier kan ontstaan als het eenmaal bloed heeft geproefd, de onredelijkheid van woede als een bepaald punt van prikkeling wordt overschreden (bij vele dieren bekend, o.a. bij honden), als die instincten bij de mensen optreden, vertonen ze ook daar soortgelijke reacties.
Ik geloof echter voldoende te hebben aangetoond, dat de instinctreacties een veel grotere rol spelen binnen het lot van de mensheid en ook in haar vorm van samenleving en bewustwording dan men algemeen pleegt te vermoeden en aan te nemen. Het wordt daarom tijd conclusies te gaan trekken.
- Aangezien het instinct een waarde is, vergroeid met de wezensvorm van de mens, zal deze instinctieve reactie nooit kunnen worden uitgeroeid. Bij onderdrukking van het instinct op een bepaald vlak zullen wij noodgedwongen een uiting van dit instinct op een ander vlak krijgen. Misschien even ter verduidelijking: er zijn kerkelijke groeperingen, waarin bepaalde instincten van agressie of van stoffelijke seksualiteit zozeer uit den boze zijn, dat ze worden onderdrukt. Het is typisch dat wij bij deze groepen op een ander terrein een zeer grote agressiviteit aantreffen. De onderdrukking van de normale agressie tegenover de wereld zal weliswaar voeren tot een vreedzaam gedrag tegenover anderen, maar gelijktijdig tot een voortdurend beroep op de Here om te wreken. De onderdrukking van de normale seksualiteit leidt tot vormen van zelfkastijding en ook tot achtervolging van anderen, waarbij op een ander niveau de seksuele drift wordt ontladen. Houdt u dat goed in het oog. Daarom stel ik: Het is onmogelijk menselijke instincten en instinctieve reacties te onderdrukken en zo de mensheid te verbeteren.
- Ofschoon de mensheid het niet beseft, is haar gehele samenleving, haar cultuur en haar geestelijke belevingsmogelijkheid in de stof, gebaseerd op haar instincten. Ongeacht haar verandering van mentaliteit en de inwerking van geestelijke krachten zullen deze instincten altijd actief blijven. Daarom is het niet belangrijk een poging te wagen de instincten van de mens te wijzigen, maar wel om de wijze waarop zij tot uiting komen vrijer en gelijktijdig met minder mentale en misschien ook ten opzichte van schuldgevoelens mindere gewetensgevolgen te doen plaatsvinden.
- Omdat elke regelmaat een instinctief insluimeren betekent, zal de mensheid zowel in haar cultuur, haar sociaal, economisch als in haar godsdienstig bestel en geestelijk leven er zorg voor moeten dragen, dat de regelmaat voortdurend wordt onderbroken. Alleen hierdoor zal de mensheid in staat zijn elk gevaar onmiddellijk te beseffen en daarop te reageren. Alleen hierdoor zal ook de mensheid in staat zijn elke nieuwe weg of mogelijkheid onmiddellijk te beseffen en daarvan daadwerkelijk gebruik te maken.
- De mensheid verloochent te zeer de dierlijke achtergronden van haar maatschappij en samenleving. Juist hierdoor brengt zij een overbelasting van haar mentale en geestelijke capaciteiten tot stand. Eerst als de mens terugkeert tot het besef, dat hij in zijn drijfveren mede door het dierlijk instinctieve element wordt bepaald, zal hij in staat zijn de ontvangen geestelijke impulsen juister in zijn leven in te passen, zal hij in staat zijn de krachten en mogelijkheden, die in hem bestaan, juister te gebruiken.
- De neiging om elke verwantschap met de zgn. onredelijk en dierlijke wereld te ontkennen, heeft de mens ertoe gebracht de meest typerende kentekenen van een op instinct gebaseerde maatschappij voor zich te verloochenen en daarbij niet de beheersing van het instinct, maar wel het gebruik van de daarin voorkomende mogelijkheden voor zichzelf wegneemt. Eerst als de mens terugkeert tot de juiste erkenning van de instinctwereld die in hem bestaat, tot het erkennen van de instinctieve reacties in de menigte, ja, in de grote corporaties en lichamen rond hem, zal hij ook bereid zijn de niet-redelijke elementen in zijn bestaan zonder rationalisatie te aanvaarden en doelmatig te verwerken binnen zijn leven.
Deel 2
In het voorgaande zijn we uitgegaan van de stoffelijke mens. Wij hebben de dierlijke achtergronden, de gerichtheid daarvan en de daaruit voorkomende fouten en feilen enigszins aangeduid. De mens is echter, zoals we reeds vaststelden, ook een geestelijk wezen. Wij moeten nu trachten ook vanuit de geest dit niet geheel besefte, maar toch wel voornaamste deel van de mensen op aarde, vastleggen.
De geest zal over het algemeen de lichamelijke instincten als een natuurlijk deel van zijn bestaan aanvaarden. De geest immers weet in welke wereld hij incarneert; zo hij dit niet weet, heeft hij op gevoelswaarden en emotionaliteit een incarnatiepunt gezocht. Voor hem zijn deze dingen dus niet zonderling of verwerpelijk of onbeheersbaar. Voor de geest is het menselijk instinct wel degelijk een deel van zijn werkterrein en van zijn mogelijkheden. Het zal u duidelijk zijn, dat als een geest zich in het leven een taak stelt of een bepaald doel kiest, hij zoekt naar een mens, wiens instinctieve reacties via erfelijkheid, enz. stoffelijk zijn bepaald op een daarmede strokende wijze. Het resultaat is: dat vanuit geestelijk standpunt menige instinctieve reactie juist is.
Verder zal de geest rekening houden met het feit, dat die instincten soms de beheersing overnemen. Hij zal in zijn streven dus eerder uitgaan van een scheppen van stimuli voor die instincten, dan van het scheppen van stimuli voor de rede. Want het instinct domineert altijd. De rede domineert slechts in uitzonderingsgevallen. Daarom zal de redelijke wereld van de mens voor de geest veel minder kenbaar zijn dan diens instinctieve, diens lichamelijke wereld.
De mens zal echter moeten proberen om dit ingrijpen als zodanig te beseffen. Want de geest kan voor de mens in de stof pas werkelijk waarde en betekenis krijgen, indien hij ook in de redelijke, de mentale wereld van de mens een rol speelt; indien hij niet alleen een stelling in de verte blijft of een levenskracht die hem bezielt, maar een integrerend deel wordt van zijn persoonlijkheid, waarvan hij de bedoelingen en de mogelijkheden beseft en waaruit hij leert de nodige waarden van bewustzijn en kracht te putten, die noodzakelijk zijn. Dit kan de mens dus niet bereiken door de instinctwereld te verwerpen. Zo min als hij de geest kan dienen door eenvoudig elke kosmische invloed opzij te schuiven. Hij moet beginnen met de erkenning van de wereld zoals zij is.
Een aanpassing daaraan te vinden vanuit een sociaal-economisch milieu is vaak moeilijk. Vanuit een religieus milieu is het haast onmogelijk. Je leeft als mens met idealen, die praktisch eenvoudig niet kunnen bestaan. Je leeft als mens met dromen omtrent een goddelijke zending, die alleen dan waar zijn, indien je eerst jezelf bent en die nooit waar worden door een verloochening van je werkelijke wezen. Zo kan men dus hieruit weer enige conclusies trekken.
Eerste stelling:
Daar de geest bewust deel heeft aan de totale persoonlijkheid, inclusief de instincten, en de geest in de aura haar eigen straling met het totaal van de zuiver lichamelijke stralingen kan vermengen, terwijl via de chakra de geest een directe invloed op die mens kan uitoefenen en een wisselwerking met de buitenwereld tot stand brengen, zal de mens moeten uitgaan van datgene wat hij waarlijk stoffelijk is.
Tweede stelling:
Het doel van de geest ligt niet in de materiële zelfhandhaving, voortzetting van de soort, of in zelfbevestiging. Zijn doel is integratie in een hogere wereld, waarin niet zozeer het bereiken van rang als wel het doen ontstaan van een voor het “ik” voortdurende harmonie met die wereld van belang is. Hij kan dit bereiken door in het lichamelijke alle ervaringen op te doen, die hem begrip verschaffen voor die delen van zijn eigen wereld, welke hij tot op heden niet kon begrijpen of aanvaarden en dus ook niet binnen zijn harmonisch zijn verwerken.
De mens, hiermede rekening houdende, zal moeten beseffen dat zijn handelingen en ervaringen niet slechts een stoffelijk of sociaal doel hebben, maar dat zij ook voortdurend het doel hebben de geest datgene te verschaffen, wat voor hem noodzakelijk is.
Derde stelling:
Een zelfrechtvaardiging met redelijke of emotionele argumenten vanuit een menselijk standpunt is meestal foutief. “Wie zichzelf rechtvaardigt,” zo zegt een oude zegswijze, “beschuldigt in wezen zichzelf.” Het lijkt mij niet juist dat de mens tracht zijn gedrag voor zichzelf of voor de wereld te rechtvaardigen. Hij moet eenvoudig geloven in de juistheid van zijn wezen of van zijn gedrag. Hij kan dit doen door in zijn redelijke wereld de werkelijkheid van zijn lichamelijke reacties te accepteren, door deze niet te verhullen, te omkleden of weg te werken, maar ze misschien als wat onaangename feiten te willen inzien. Hij zal op grond daarvan ook de invloed van de geest daarbinnen steeds weer bemerken, want de stimuli die hij in zijn instinctieve onlichamelijke wereld ontvangt, zijn lang niet altijd de stimuli die alleen volgens het instinct en de omgeving zouden kunnen worden verwacht. Er is sprake van een sturen. Het erkennen van het sturen betekent: contact met de sturende kracht. De invloed van de geest zal binnen het menselijk bewustzijn groter worden naarmate de mens een juistere erkenning heeft van de invloed van de geest op zijn stoffelijk wezen.
Vierde stelling:
Het doel van het lichamelijk bestaan is voor de geest nimmer het bereiken van een stoffelijk doel of het vervullen van een stoffelijke taak. Voor de geest is het totaal van het stoffelijk leven een geestelijk gebeuren. Dientengevolge is een waardering van een stoffelijk leven aan de hand van stoffelijke normen niet mogelijk. Het kan slechts aan de hand van geestelijke normen worden beoordeeld voor zover het het hoger “ik” betreft.
Dit beseffende, doet men er goed aan zo weinig mogelijk te oordelen over de redelijkheid of over het gedrag van anderen en zeker ten opzichte van zichzelf oordeel en veroordeling te vermijden.
De juiste houding is: een aanvaarding van eigen wezen en daarbij een zo juist mogelijke oriëntatie op de gekende wereld en eventueel op de gekende geestelijke invloeden.
Vijfde stelling:
Alle geestelijke waarden bevatten kracht. Het totaal van de geestelijke wereld is energie, die in de meest verschillende vormen van trilling en straling tot uitdrukking komt. Elk levenswezen, ja, elk bestaand voorwerp op aarde is met deze kracht geladen. In deze geestelijke kracht (niet in de stoffelijke waarde of verhouding) liggen althans voor de geest de juiste betekenis en de harmonische mogelijkheden vast.
Als men geestelijk bewust streeft, zo zal men trachten op basis van deze geestelijke waarden, die aangevoeld en op den duur zelfs bewust zullen worden gekend, zijn relatie met de wereld te bepalen.
Deel 3
Wij moeten dit alles nu vanuit de wereld gaan beschouwen. Geest en stof bepalen de wereld, waarin de mens leeft. Het menselijk voorstellingsvermogen of wat hij noemt: zijn verstandelijke reactie op de wereld, bepaalt de voorstelling van de wereld waarin hij bestaat. De voorstelling die men als mens heeft van de wereld, van zijn eigen plaats en van de belangrijkheid in die wereld, is meestal onjuist. Zij is wat men noemt de begoocheling, de vertekening. Wij kunnen daarvan voortdurend voorbeelden zien in de maatschappij. Niet alleen in de belangrijkheid die bv. een eenvoudige lokettist zich aanmatigt tegenover een man die toevallig een groot concern leidt, maar evenzeer in de wijze waarop kleine staten of grote groeperingen hun rechten uitschreeuwen en proberen de gehele wereld daarmee te overdonderen.
De wereld die dus in de voorstelling van het menselijk denken is geschapen, is niet feitelijk. De verhoudingen zijn evenmin feitelijk. Als wij de machtsverhoudingen op deze wereld nemen, dan kunnen wij bv. zeggen dat de USA op het ogenblik een sterke minderheid vormt zelfs ten opzichte van zgn. nucleair vermogen; al zal zij dit zelf niet aanvaarden. Wij kunnen op grond van hetzelfde zeggen dat Nederlands reële welvaart aanmerkelijk minder is dan men zich voorstelt. En zo kan ik voortgaan.
Die voorstellingswereld zal nu van groot belang zijn voor de reacties van de mens. Als u een poes voor een spiegel zet, dan zal ze in het begin proberen met dat vreemde dier in de spiegel te vechten of kennis te maken. Op den duur wordt ze onverschillig.
De spiegel van de menselijke imaginatie echter schept voortdurend een levend beeld. D.w.z. dat de mens voortdurend contact zoekt met dingen die niet bestaan. Dat hij voortdurend wil werken met dingen die niet reëel aanwezig zijn. De instincten van de mens erkennen dit.
Zoals het dier zich instinctief realiseert, zonder het te beredeneren, dat dat wezen in de spiegel niet echt bestaat, zo kan de mens wel degelijk op grond van zijn gezonde en nuchtere instincten onderscheiden wat uit al die beelden, die de wereld naar voren brengt, er nu werkelijk betekenis heeft en wat niet. Hij zal vooral in verhouding tot zichzelf vaak instinctief de juiste weg kunnen kiezen. Maar hij doet het niet, omdat de opvattingen, de projecties van de wereld rond hem dit niet schijnen te gedogen.
Als dit voor de eenling geldt, dan geldt dit ook voor het volk, voor de bevolkingsgroep, voor het ras als geheel of als minderheid. Laat ons daarom even nuchter nog een paar regels stellen, juist ten opzichte van deze imaginaire situaties.
De instinctieve reactie is voor de mens altijd de primair juiste. Uitgaande daarvan kan een aangepaste redelijke reactie ontstaan, mits deze niet het tegendeel is van de instinctieve. Een aangepast redelijke reactie maakt het mogelijk zich voor de gehele wereld binnen de sfeer van de imaginatie aanvaardbaar te gedragen, zonder de werkelijke waarden en noodzaken van eigen wezen geestelijk en stoffelijk te verloochenen.
Omdat de instinct-reacties in de mens zuiverder zijn (ook voor de geest) en vanuit de geest gezien dan alle beredeneringen, lijkt het mij goed dat men voortdurend zichzelf toegeeft, dat men in wezen instinctief of intuïtief handelt en dat men pas later een verklaring vindt voor het al of niet slagen van deze reactie.
Erken vooral dat u in de meeste gevallen vooraf niet weet wat er werkelijk gebeurt; dat u achteraf zegt het geweten te hebben en het dan verklaart. Hierdoor ontneemt ge u weliswaar menige illusie, maar daarvoor in de plaats krijgt u een juist begrip van de betekenis van de verklaringen in uw eigen wereld. U krijgt een juister begrip ook voor de werkelijke geestelijke waarde van de dingen.
Het is eenvoudig genoeg een misdaad te plegen en deze te maken tot een daad van godsdienstige vrijheidsliefde, van nationaal belang. Dat is in het verleden menigmaal gebeurt en ook zelfs in het zeer nabije verleden heeft u hiervan voorbeelden kunnen vinden o.a. in Syrië en Israël.
Als wij reëel zijn en zo onze wereld begrijpen, wordt het mogelijk ons aan te passen aan de werkelijke situaties. Doordat de schijnwereld (dus de wereld van de redelijke verklaringen en rationalisaties) wegvalt en wij op de feiten reageren, zullen wij zowel in geestelijk als in materieel opzicht voortdurend een stap voor zijn bij hen die afgingen op verklaringen en daarin voortdurend werden teleurgesteld.
Ik wil als einde van dit betoog een citaat aanhalen. Een citaat van Winston Churchill. Deze zei eens:
“Een goed politicus moet iemand zijn, die vooruitziet in de toekomst en later in staat is te verklaren waarom het voorziene niet plaats had.”
Ik meen dat dit kentekenend is voor de gehele wereld. Want dit geldt economisch, dit geldt sociaal en dit geldt godsdienstig.
Dat is de wereld waarin u leeft. Is het dan niet juister u aan te passen aan die schijnbaar lagere, maar dan toch veel concretere en reëlere wereld van instinct, intuïtie en impuls? Daarin vindt u de weg die voert tot de feiten en daarom geen weg verklaren van eigen handelingen of constateringen van node heeft.
Raadsbesluiten in deze tijd
Een voorlichting over de ontwikkelingen in de Grote Raad van de Witte Broederschap.
Zoals u reeds is medegedeeld, heeft de Grote Raad besloten van natuurgeweld en natuurgebeurtenissen gebruik te maken om in deze tijd niet aanvaardbare gewelddadigheid te onderdrukken; en wel speciaal in die gebieden, waar zij op dit moment nog niet tot een zekere omvang is uitgegroeid. Voorbeelden van een dergelijk ingrijpen heeft u kort geleden kunnen zien in Pakistan en India.
Een dergelijk ingrijpen kan binnenkort ook worden verwacht voor een deel van Zuid-China en Noord-Vietnam. Daarnaast zal een ingrijpen via natuurkracht plaatsvinden in bepaalde delen van Noord-Afrika.
In de VS zal eveneens – zij het met andere bedoelingen – via natuurkrachten worden ingewerkt, om daar een op dit moment sterk naar buiten gerichte mentaliteit iets meer te doen terugkeren tot de eigen interne problemen.
Toch is dit gebruik van natuurkrachten en natuurgeweld slechts één van de punten die in de Grote Raad zijn aangesneden. Van zeer veel belang acht men ook de mogelijkheid om in te werken door middel van visioenen, wonderbaarlijke gebeurtenissen, kortom, paranormale verschijnselen in verschillende landen. Bepaalde delen van Zuid-Amerika komen hiervoor reeds onmiddellijk in aanmerking en zullen in de komende maanden als gevolg hiervan wel enige onrust onder de bevolking te zien geven.
Ook in gebieden als Spanje, Portugal en Italië, en waarschijnlijk later in het jaar ook in Griekenland, wil men deze verschijnselen weer oproepen. Hierbij is men uitgegaan van de overtuiging dat een gebeurtenis, die buiten het normale bevattingsvermogen van de mens ligt, of een verschijning die voor de mens een grote emotionele betekenis heeft e.d., een zeer sterke uitlaat voor thans onderdrukte gevoelens zal kunnen scheppen en gelijktijdig de belangstelling van de mens zal kunnen richten meer op geestelijke dan op wereldlijke aangelegenheden.
Een ingrijpen in Rusland is eveneens overwogen. Men heeft gemeend, dat men hier het best kan ingrijpen door een aantal personen uit te schakelen en gelijktijdig een zekere onregelmatigheid te doen ontstaan in de industrieën aldaar, hetgeen kan geschieden door lichte wijzigingen aan te brengen in de kwaliteit van de aangevoerde grondstoffen.
Een gebruikmaken van nieuw ontstane en gemuteerde levensvormen, vooral in het gebied van de Stille Oceaan is eveneens overwogen; en dit zal waarschijnlijk gebeuren rond het gebied van de Filippijnen, in mindere mate ook in Indonesië (vooral het meer oostelijk deel ervan) en misschien in het zuiden van Japan.
Het geheel van de besluiten van de Raad tot nu toe wijst op een zeer sterk gericht ingrijpen in de materie, waarbij echter slechts zelden buiten de redelijke middelen van de mens en het redelijk begrip van de mens om gewerkt zal worden. Kennelijk is het de bedoeling om langs rationele weg een bevestiging van de wereldvrede tot stand te brengen. Een omslag in mentaliteit zou hiervoor echter moeten worden veroorzaak, o.m. in de heersende grote religies. Daarnaast ook in de lagere bevolkingsklassen van de minder ontwikkelde gebieden. Hiertoe zal men waarschijnlijk – een definitief besluit is nog niet genomen – o.m. gebruik maken van een vorm van zendingsarbeid, terwijl tevens zal worden ingegrepen via epidemieën, die o.m. een grote kindersterfte ten gevolge zal hebben. Men betreurt weliswaar deze middelen te moeten hanteren, maar men acht het haast onvermijdelijk, omdat alleen op deze wijze economische pressies, die tot directe geweldpleging aanleiding zouden geven, een tijdlang kunnen worden verschoven.
In het rijk China wordt rekening gehouden met een nieuw ontstane broederschap of Tong, die reeds op dit moment enige invloed heeft gewonnen en daarbij uitgaat van de oude taoïstische waarden. Men meent dat hiervan een goed gebruik kan worden gemaakt om de ordening in de staat terug te voeren van een streven ten koste van alles (vooral bij bepaalde partijleden) tot het aanvaarden van een bestaande ordening, hetgeen voor dit land wel het best geacht wordt.
Enige natuurrampen zullen ook dit gebied wel treffen. Men hoopt echter bv. de jaarlijkse overstromingen van de Jang Tze in zoverre te beperken, dat er voor de voedselvoorziening in China geen gevaar zal bestaan. Zou er nl. een groot voedselgebrek ontstaan, dan zou bijna onvermijdelijk met een gewelddadig optreden van China in Azië moeten worden gerekend.
Een andere vorm van ingrijpen is de indirecte beïnvloeding van de publieke opinie. De middelen die in vorige jaren hiervoor zijn gebruikt (o.m. het werken met inspiratie en het doen plaatsvinden van onthullingen), zal ook in de komende jaren waarschijnlijk wel worden voortgezet.
Een nieuw element in de besprekingen meende ik echter te ontdekken, toen werd gesteld dat vooral het doen kennen van de achtergronden van de regerende staatslieden in alle landen, zou moeten leiden tot een gematigder optreden van deze staatslieden, maar dat dit dus niet direct of indirect oorzaak tot hun val zou mogen zijn. Wij zien hier voor het eerst binnen dit kader een conservatief bestreven optreden, dat m.i. wijst op een groeiend inzicht in de Grote Raad, dat met een groot gedeelte van de nu bestaande regeringshoofden, en zelfs met de bestaande politieke verhoudingen, een wereldvrede bereikbaar is.
Interessant was voor mij persoonlijk daarbij ook, dat ofschoon nog steeds een groot gedeelte van de acties is gericht op het afdempen van de ontwikkelingen in de maand september – de planning (als ik deze term binnen dit kader mag gebruiken) op dit moment is gericht praktisch op 1966–1967. Ik acht dit een zeer hoopgevend verschijnsel.
Een directe en officiële voorlichting over al hetgeen er in de Grote Raad verder wordt besloten, zal waarschijnlijk in een openbare zitting verder worden verstrekt. Het lijkt mij echter dienstig u, daar u zoekt naar een aanpassing aan deze tijden, te wijzen op de hoofdelementen, die tot nu toe naar voren zijn gekomen.
De geestelijk inwerking op de mens zou zijn oriëntatie ten opzichte van de medemens kunnen veranderen. Een verlenen van meer dan normale zgn. geestelijke of occulte krachten aan vele mensen zou eveneens kunnen bijdragen tot een verandering van de mentaliteit. Dat men praktisch besloten heeft hieraan terug zeer grote aandacht te wijden, betekent voor mij dat men een geestelijke ommekeer binnen zeer korte tijd voor een groot gedeelte van de aarde mogelijk acht.
Het zgn. netwerk van ingewijden, dat reeds enige jaren over de wereld actief is, blijkt eveneens door verplaatsing van centra op het ogenblik in beweging gekomen te zijn. Ik geloof, dat wij hieruit kunnen afleiden dat bv. de verhoudingen tussen West- en Oost-Duitsland binnenkort aanmerkelijk zullen worden gewijzigd. Eveneens meen ik daaruit te mogen afleiden dat Zwitserland minder dan voorheen een geestelijk concentratiepunt voor Europa zal zijn.
Belangrijk is verder, dat in de USA een aanmerkelijke verplaatsing (van ingewijden ?) van de oost- en westkust naar het centrum (het nogal isolationistisch denkend centrum) van deze staten zal plaatsvinden. Hieruit leid ik af, dat men dus het volk van de VS als geheel rijp acht voor een sterke verandering van inzicht en mentaliteit.
De vestiging van de grote nederzetting in het noorden van Zuid-Amerika blijkt nu wel praktisch beëindigd. Voor zover mij bekend is, zijn er thans geen zendingen van boekwerken en voorwerpen meer onderweg. Men zou kunnen zeggen: De verhuizing is praktisch voltooid. De activiteit aldaar neemt langzaam toe en het contact met normaal in de geest levende adepten vindt eveneens steeds veelvuldiger plaats. Dit wijst erop, dat een nieuwe geestelijke cyclus nu ook werkelijk kan worden begonnen.
De verschillende tekenen binnen de besprekingen van de Grote Raad zijn voor mij aanleiding te veronderstellen, dat de volledige actie vanuit dit nieuwe centrum (en niet de voorlopige actie, zoals die thans nog geschiedt) kan worden verwacht in de eerste drie maanden van 1967.
Voor uzelf is ongetwijfeld ook belangrijk, dat in de komende dagen aanmerkelijke veranderingen moeten worden verwacht in het monetair en economisch evenwicht op de wereld. Ook hier grijpt de Witte Broederschap in en tracht zij door een verschuiving van valuta en een aanmerkelijke waardeverandering van sommige daarvan een zodanige economische chaos te doen ontstaan, dat eventuele oorlogshandelingen juist door deze economische moeilijkheden kunnen worden voorkomen.
Gebieden waarover nog wordt gesproken, maar die mogelijk in de komende maanden zeer belangrijk zullen bijdragen tot een nieuwe ontwikkeling, zijn o.m.: Canada, het westelijk gebied van de U.S.S.R. (Rusland), inclusief Finland, Letland en Estland, terwijl eveneens de aandacht scherp schijnt te vallen op het noordelijk gedeelte van Japan.
Het is niet aan mij hieruit onmiddellijk gevolgtrekkingen te maken. Ik kan slechts mijn persoonlijke mening geven. Ik denk dat door nieuwe ontdekkingen van ertsen en nieuwe industriële ontwikkelingen voor het noordelijk halfrond een geheel nieuwe situatie zal ontstaan.
Ten laatste wil ik u nog mededelen, dat om bepaalde redenen, die ik u helaas niet geheel kan onthullen, weer zal worden ingegrepen bij de bewaarplaatsen van bepaalde atoomwapens. Explosies op 3 à 4 punten op de wereld, onverwacht en in sommige gevallen zelfs een beetje rampzalig, lijken mij dan ook in de maand augustus of begin september niet uitgesloten.
Hiermede heb ik u de voorlichting, voor zover ik u die geven mag, verstrekt. Uit het geheel van deze raadsbesluiten kunt u echter voor uzelf wel afleiden hoe intens in de wereld van de geest het medeleven met de wereld is en met hoeveel belangstelling, kracht en overweging – ook van de kleinere details – de Witte Broederschap zich inzet voor het behoud van een wereldvrede en het vernieuwen van de menselijke relaties op uw wereld.
Uitgesproken: 4 juni 1965.
De goede afloop
Wanneer wij spreken over de goede afloop, dan impliceren we daarin twee waarden. In de eerste plaats: dat er een einde komt aan iets. In de tweede plaats: dat dit einde voor ons aanvaardbaar, dus goed zal zijn.
Een goede afloop van bv. de ontwikkelingen in de wereld kunnen wij ons alleen voorstellen, indien die wereld blijft beantwoorden aan onze ideeën, zoals wij ze nu hebben. Een goede afloop van het leven kan menigeen zich alleen voorstellen, als hij – overgaande – door palmtakwuivende engelen wordt omhoog gedragen tot een hemel, waarin hij onmiddellijk een eigen flatje krijgt toegewezen.
Een goede afloop bestaat echter niet in de oneindigheid. In de oneindigheid is er alleen het gefixeerde moment; is er één beleving uit duizend mogelijkheden misschien, maar een beleving die ergens reeds vastligt. Die goede afloop is niet alleen een einde, ze is altijd weer, zolang wij tijdgebonden zijn, een punt van uitgang voor een volgend beleven.
Als mens, en zelfs als geest tot op zekere hoogte, ben je geneigd om dat wat nu gebeurt, altijd te zien als het belangrijkste en een goede afloop daarvan te wensen boven alles. Dit is begrijpelijk, maar niet juist. Want:
Als gebeuren zich aan gebeuren rijt,
als alle vormen wisselend met elkander
toch vormend de eenheid der goddelijke schepping,
als in ’t sterven van de tijd niet een afloop,
maar slechts een consolidatie van al wat ooit was, wordt geschapen,
zo zijn wij geen wezens van één moment.
Dan is al wat ons gebeurt op dit ogenblik of morgen onbelangrijk,
omdat het geheel van ons wezen en niet de onbelangrijke
tijdsdelen daarvan een rol speelt.
Dat, wat ge zijt geweest vele levens geleden, zijt ge misschien nu weer en over 10.000 of 100.000 jaar kunt ge het wéér zijn. Dat is van geen belang. Belangrijk is niet de goede afloop van het moment. Belangrijk is ons begrip voor een voortdurend zich meer integrerend bewustzijn van het Allerhoogste, dat ook in ons tot uiting komt.
Zo er al sprake kan zijn van een goede afloop voor het leven, of voor het gebeuren in de wereld, zo zal dit ongetwijfeld iets zijn dat een goede harmonie – niet in de tijd maar in de eeuwigheid en met die eeuwigheid – tot stand brengt. Daar ligt ons einddoel.
Vluchtige schimmen, gaande door de siderische eeuwigheid, zijn wij zoals wij onszelf nu kennen. Schaduwen van wezens, die blijvend en vast bestaan. Dat is onze eeuwige werkelijkheid, waarheen wij terugkeren.
Laat dan de goede afloop voor ons niet zijn: het behoud van een wereldvrede of van een groter geluk van de mensheid, maar een sterkere en meer bewuste verbondenheid met die goddelijke wereld, waarin geen tijd bestaat, waarin alle mensheid is: de mens die God schiep. En waarin alle zijn is: de harmonie van de uitingen, waardoor de goddelijke Gedachte haar waarlijk goddelijke Bron voortdurend kenbaar maakt.
De stilte
Als alles zwijgt
en laatste vorm tot nietigheid vergaat,
als ik in mijzelf besef te zijn
en toch niet kan bestaan,
doch slechts het zijn,
dan spreekt in mij de stilte,
wijl ik haar niet versta.
En is de stilte heengegaan,
haar woord klinkt in mij na
en wordt uit mij tot werkelijkheid.
Dit is de stilte,
die de schepping is,
de scheppingskracht,
en waaruit alles voortkomt,
wat er in mij kan bestaan.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
