Actualiteit bewustwording – Les 04 – Ontwakend bewustzijn

image_pdf

januari 1966

Ontwakend bewustzijn

Wanneer in de moderne tijd de mens wordt geconfronteerd met de grote invloeden uit de kosmos en met de te verwachten bijzondere werkingen van de zon, zo zal hij daardoor vooral innerlijk bepaalde moeilijkheden ervaren. Het bewustzijn van de mens ligt als geheel op een betrekkelijk laag niveau. U zult mij deze opmerking willen vergeven, als ik erbij vermeld dat ik hier niet uitga van het menselijk gemiddelde. Dan zijn er sommigen die een zeer hoog niveau bereiken. Maar gezien op kosmische schaal is dit toch wel tamelijk beperkt.

De mens leeft driedimensionaal. Hij heeft daarbij voor zich een wereld geschapen, die voor een groot deel uit illusie is opgebouwd. Zijn veel geroemde logica, moraal, ideologieën en geloofswaarden zijn in feite een poging zich uit te drukken en een zekerheid te verschaffen, waarmee hij de onlogische waarden, die hij in zijn logica of zijn godsdienst binnensmokkelt, zelf niet beseft.

Nu komen er invloeden die langzaam maar zeker dit begrip voor de onlogische verhoudingen doen ontstaan; er is onvrede. Een onvrede in de massa. De massa wil aan de ene kant haar idealen, haar ideologieën en opvattingen zeer zeker niet prijsgeven en dat is begrijpelijk. Zij heeft er lang in geleefd. Het is haar houvast, haar doel in het leven en tot op zekere hoogte haar zekerheid. Zij komt echter tot de conclusie dat deze dingen in feite niet meer passen, dat ze niet waar zijn. Ik neem een heel eenvoudig voorbeeld.

Socialisme op zichzelf, evenals communisme, is een ontwikkeling die in de menselijke maatschappij zou zijn toe te juichen. Nu zijn er echter partijen die dit socialisme voorstaan. Maar als wij die op de keper beschouwen, dan ontdekken wij dat de leiders van dergelijke groepen zich niet zozeer bemoeien om werkelijk het levenspeil van de massa te doen stijgen, maar wel om hun eigen plezierige machtspositie te handhaven. Bewust zal men dit misschien niet constateren, maar er leeft een onbehagen.

Hetzelfde hebben wij met de filosofen. Er zijn filosofische stellingen die buitengewoon ernstig en mooi zijn, maar we krijgen een gevoel van onbehagen, omdat er ergens iets rammelt. Dan denken we: begrijpen we het niet? Maar onder deze nieuwe invloed gaan we zien dat het geen kwestie is van niet begrijpen, maar dat het een kwestie is van tegenstrijdigheden. Het kan niet.

Op deze manier maakt de komende tijd de mens dus langzaam maar zeker los van het oude. Daarbij zal er een vervanging nodig zijn. Maar een vervanging in de huidige zin van het woord kan slechts een andere droom zijn; en een droom is niet aanvaardbaar.

De mens wordt wakker voor de incongruenties van zijn denken en zijn eigen manier van leven. Hij gaat beseffen hoe bepaalde taboes in de maatschappij eigenlijk krankzinnig zijn. Hij gaat beseffen hoe andere taboes in feite in strijd zijn met zijn eigenbelang, ja, zelfs met de instandhouding van het ras. Hij gaat begrijpen dat de grote zachtheid, waarmee hij – althans theoretisch – de medemens benaderd, niet berust op werkelijke feiten en mogelijkheden, maar een illusie is, waaruit ten slotte geen resultaten kunnen voortkomen.

Daarnaast komt nog een ander facet van het huidige leven steeds sterker in de belangstelling. En dat is het gevoel van een naderend onheil, van oorlogsgevaar, van een verhouding in het leven die niet meer te continueren is. Men vreest ergens de uitbarsting, de gewelddadige oplossing. Deze gevoelens bij elkaar maken dus voor het bewustzijn eigenlijk een nieuw beeld van het leven noodzakelijk. En dat betekent dat het bewustzijn moet wakker worden voor nieuwe mogelijkheden en nieuwe feiten.

Het is niet aan mij om hier in kort bestek alle nevenverschijnselen daarvan aan u uit te leggen. Er is maar een enkel punt dat ik als illustratief voor de vernieuwing van waarden wil aanstippen.

Een normaal mens ziet. Hij ziet op een wijze, die hem een driedimensionale voorstelling mogelijk maakt. Maar hij ziet altijd maar één facet. Hij ziet één kant van het feit. Het kan zijn dat iemand, die van voren keurig gekleed lijkt, van achter belachelijk is. Als hij alleen de achterkant ziet, denkt hij dat hij helemaal belachelijk gekleed is en ziet het keurige van de voorkant niet. Dat is niet alleen waar ten opzichte van voorwerpen, maar net zo goed ten opzichte van situaties. Men ziet er één kant van, voor de rest is men blind.

Maar stel u nu voor dat het geestelijk zien langzaam maar zeker invloed gaat krijgen op het stoffelijk zien. Dan wordt de zuiver stoffelijke waarneming aangevuld met het beeld dat door de ogen niet onmiddellijk kan worden geconstateerd. Er ontstaat dan, gezien uit een bepaalde hoek, altijd een beeld dat alle facetten van het waargenomene bevat.

Dit is nu maar één punt, er zijn er natuurlijk veel meer.

U zult wel begrijpen dat het zien van alle kanten tegelijk een groot verschil maakt in benadering. Je oordeel wordt anders. En nu kunnen wij er een grapje over maken en zeggen: Een jongeman die een aardig meisje ziet, ziet ook haar gezicht en niet alleen de achterkant. Hij zal dus zijn benadering op meer reële waarden kunnen baseren, of zich daarvan onthouden zonder verdere teleurstelling.

Dit geldt echter ook voor een godsdienst. Als ik te maken heb met God, dan is het niet alleen meer een kwestie van die grote God in de hemel, dan is het de waarde God. En het is dan niet meer mogelijk een God in menselijke vorm te aanbidden, want er is maar één facet.

Je kunt filosofisch redeneren. Maar in die filosofie moet ergens ruimte zijn voor de tegenstellingen. Een filosofie bestaat nimmer alleen uit de positieve opbouw, zomin als een gebouw alleen bestaat uit datgene wat boven de grond staat; er moet een fundament zijn. De fundamentele waarden, die bij de filosofie heel vaak onjuist of kreupel zijn, worden mede bezien en het hele bouwwerk wordt op grond van de basiswaarde gewaardeerd. Dit impliceert dat er grote veranderingen op til zijn. Die veranderingen zullen alle tezamen natuurlijk wel een paar honderd jaar vergen. Het menselijk ras verandert niet zo snel.

Maar nu is actueel geworden de vraag: Hoe moet ik mij heroriënteren?

Die heroriëntatie kan natuurlijk geschieden aan de hand van een geloof, aan de hand van leerstellingen zoals wij die verkondigen, aan de hand van een politieke overtuiging of van een humanitair gevoel. Maar zolang die oriëntatie eenzijdig is, blijft zij een waan. Het ontwaken van het bewustzijn is dus in de eerste plaats de erkenning van de eenzijdigheid en in de tweede plaats een verschuiving van de belangstelling. Want heel veel dingen, die van één kant bezien erg imposant zijn, blijken bij nadere beschouwing de aandacht niet waard te zijn. Daarentegen zal er een veel grotere aandacht zijn voor details, die nu over het hoofd worden gezien. Wat dit zal betekenen voor de mensheid en de maatschappij, durf ik niet zo direct zeggen. Ik heb er een paar beelden van, die nu reeds goed afleesbaar zijn.

Allereerst valt mij dan op, dat de mens zijn idee van godsdienst totaal zal veranderen. Tot op heden is godsdienst een materiële of op zijn best een materieel magische geschiedenis. Maar als de mens gaat begrijpen dat het noodzakelijk is God iets aan te bieden, dan zal hij niet meer kunnen volstaan met het materiële alleen. Hij zal zelfs niet met een persoonlijke uiting kunnen volstaan. Hij zal dan zoeken naar een harmonie, die hij zodanig zal uitdrukken, dat vele mensen en vele entiteiten tezamen als het ware een soort juweel (iets met licht en diepte) geven, waarin het goddelijke wordt gereflecteerd. Ik weet dat mijn beelden onvolkomen zijn. Maar je kunt die dingen moeilijk met stoffelijke woorden omschrijven en toch het gehele beeld van de werkelijkheid oproepen.

Een ander verschijnsel is de kritiek die de mens zal krijgen op vele wetten en beperkingen. Ik denk hier bv. aan de heiligheid van het ontstaande leven. Dat is natuurlijk wel een feit. Maar die heiligheid kan alleen worden ontleend aan de waarde van dat ontstaande leven; en die wordt bepaald door de mentaliteit en de innerlijke harmonie, waarmee de partners elkaar eventueel benaderen. Het resultaat zal zijn, dat men op de kinderen van een werkelijke harmonie buitengewoon veel prijs gaat stellen en dat men die ten koste van alles zal behoeden; maar dat men gelijktijdig zal proberen om de betrekkelijk willekeurige paring, zoals die op aarde nogal eens plaatsvindt, terug te wijzen van een reproductief proces tot een zuiver sociaal proces.

Men zal zeker de seksualiteit niet kunnen ontkennen. Integendeel. Juist bij de ontwakende krachten van het “ik” gaat ook de seksualiteit een rol spelen. Het is de aanvulling van mens tot mens. Die wordt echter niet meer uitgedrukt in het eenvoudige begrip van paring, maar ze wordt uitgedrukt in de waarden van innerlijke harmonie, waarvan de paring eventueel een uitdrukking kan zijn.

Daarnaast zal men de materiële genietingen, die in het seksuele gelegen zijn, eenvoudig beschouwen als iets stoffelijks, waarvan je niet teveel moet gebruik maken, maar dat op dezelfde golflengte ligt als een borrel en een sigaret. Iets wat op het ogenblik onaanvaardbaar lijkt, dat weet ik. Maar juist omdat die visie gaat veranderen, kan het leven veranderen. En pas als het leven zich werkelijk gaat baseren op harmonieën en niet op usancus, als het zich gaat baseren op innerlijke behoeften en mogelijkheden en niet alleen maar op geregistreerde, juiste uiterlijke verschijnselen, kan het ‘”ik” zich ontplooien.

Een andere kwestie is die van bezit. Bezit heeft alleen zin door datgene wat je ermee kunt doen. Zodra men gaat beseffen dat de waarde van bezit slechts gelegen kan zijn in het directe nut dat het heeft en dat bezit minder begeerlijk wordt naarmate het meer zorg vergt, zal het streven naar positie, aanzien en macht, naar geld en goed vanzelf afnemen en zal men over het algemeen meer voor een ander over hebben, om de doodeenvoudige reden dat men beseft: ik heb er toch eigenlijk niets aan. Het kost mij teveel. Op deze manier worden dus een voor een de nu nog algemeen erkende grondslagen van de maatschappij aangetast.

Als dit alleen maar een materiële revolutie zou betekenen, dan zouden wij verder kunnen zwijgen. Maar deze bewustwording verandert ook het innerlijk van de mens.

Op het ogenblik zijn heel veel mensen gefrustreerd. Ze hebben bepaalde psychosen en complexen, die alleen maar voortkomen uit hun onvermogen om zich volgens eigen wezen, temperamenten, vermogen in de maatschappij, aan te passen en dan toch nog te beantwoorden aan wat zij zien als de eisen van die maatschappij. Maar stel u nu eens voor dat dat wegvalt; dat elke mens zich ergens zo kan oriënteren dat hij zelf gelukkig is. Niet gelukkig in de zin van alles hebben en alles krijgen, maar van in alles kunnen leven, alles kunnen verwerken en alles kunnen aanvaarden. Dan wordt er veel energie, die nu in het bewustzijn wordt herleid tot stoffelijke overwegingen, tot dromen, tot pogingen om aan de werkelijkheid te ontkomen en dergelijke, vrijgemaakt voor een nieuw besef; en dat besef zal ongetwijfeld zijn: doelbewustzijn. Want leven zonder enige inhoud is zinloos.

De inhoud wordt in het leven over het algemeen gezocht in een taak of een taakvervulling. Maar die taakvervulling kan alleen belangrijk zijn, indien het “ik” in zijn geheel die taak als juist en als noodzakelijk ervaart. Een consequente ontwikkeling betekent ook een consequente vervulling van het doel. Men vraagt zich niet meer af: Zal ik eraan sterven? Zal het mij iets kosten? Of: Zal ik er iets van krijgen? Men vraagt zich alleen maar af: Is dit harmonisch met mijn wezen? Kan ik dit vervullen? Ook hierdoor krijgt men op aarde waarschijnlijk een zeer sterke ommekeer en ook grote revoluties en zelfs gewelddadigheden.

Het leven van een medemens heeft waarde, natuurlijk. Je mag een medemens nooit nodeloos doden. Je mag eigenlijk nooit een medemens doden.

Maar op het ogenblik dat die medemens zichzelf van menselijkheid vervreemdt, is hij schadelijk geworden. Dan is hij niet meer dan een vlo of een parasiet; dan is het veel beter dat hij in deze vorm wordt uitgeblust en in een andere vorm de kans krijgt om de menselijkheid geheel te erkennen, te beleven en te uiten, dan dat hij in een onvolwaardige vorm blijft voortbestaan. En hierbij gaat het dan niet om lichamelijke maar om geestelijke onvolwaardigheden. Niet om mentale mogelijkheden, maar om de benadering van het leven.

U zult wel hebben opgemerkt dat de onbeheerstheid in deze tijd groot is. De mensen zijn driftig, gehaast enz. Dat is dan zo’n kleine periode, zou u zeggen. Maar als u het nu met het verleden gaat vergelijken, dan ontdekt u dat deze geschiedenis eigenlijk in de laatste 150 jaar een versnelling toont; een steeds toenemend levenstempo in uiterlijkheden, waardoor voor het innerlijk leven steeds minder tijd overblijft. En dan kunnen wij zeggen: Vroeger was dat innerlijk leven anders.

Inderdaad. Maar er was daarvoor tijd. Dat haastige moet op een gegeven ogenblik tot stilstand komen. Stilstand van een te hoog levenstempo moet weer voeren tot ontsporing van de stoffelijke orde. Gelijktijdig echter voert het tot een hervinden van je eigen persoonlijkheid.

De actualiteit van dit alles is groter dan u misschien vermoedt. Deze herwaardering van zichzelf, van het leven, van waarden, wordt overal reeds kenbaar. Maar jammer genoeg benadert men het nog te eenzijdig vanuit een stoffelijke visie en voegt men te weinig van een geestelijk gezichtspunt erbij. Hierdoor is de verwarring, waarover ik sprak, eigenlijk ontstaan. De achtergrond van dit alles moeten wij wat abstracter omschrijven, wat minder praktisch en reëel, helaas.

De mensheid is niet alleen een verzameling individuen. Ze is een geheel, een totaliteit. In deze totaliteit “de mensheid” ligt het geheel van alle denkbare eigenschappen en levensuitingen besloten. Voor het geheel van de mensheid zijn alle mogelijkheden van menselijke levensuiting aanvaardbaar, mits zij gematigd blijven en er dus geen overheersing van het een of het ander ontstaat. Dit geheel, deze persoonlijkheid, die het totaal van alle menselijk leven vertegenwoordigt, werkt dus in op elk individu. Die grote mensheid ontvangt in veel sterkere mate dan het individu de kosmische krachten, maar zal de veranderingen, die het daardoor ondergaat, ook bewuster kunnen verwerken dan het individu. Dan kun je zeggen: Het totaal, dat wij mensheid noemen, is het milieu waarin de mens als individu leeft. Naarmate er in het totaal “de mensheid” veranderingen optreden, zal er voor de eenling geen persoonlijke verandering optreden, maar wel een milieuverandering.

De eisen die het mens-zijn stelt, wijzigen zich steeds. Als er in een revolutionaire periode als de huidige invloeden met bijzonder grote kracht optreden, dan zal die verandering zo acuut zijn, dat de mens (de eenling) niet in staat is het geheel van deze verandering van milieu onmiddellijk te begrijpen, te aanvaarden en daarop te reageren. Dan volgt hieruit dat de komende jaren voor de doorsneemens eigenlijk een gewenningsproces aan een wereld, een bestaan, dat in wezen reeds veranderd is. Hij wordt wakker voor het nieuwe, maar hij zal zich aan dit nieuwe moeten aanpassen. Een van de belangrijkste verschijnselen is dat licht en duister in de mensheid op dit moment één geheel vormen, onscheidbaar; terwijl licht en duister voor de mens tegenstellingen zijn, waartussen hij zich als beoordelaar bevindt.

Het zal u duidelijk zijn dat de beoordelende positie van de mens dus steeds zwakker wordt. De wereld kan niet meer beantwoorden aan het menselijk oordeel, omdat de waarden van de mensheid anders zijn geworden. Het resultaat is, dat het oordeel van de mens steeds willekeuriger wordt en dat elk oordeel, waarin hij tegenstellingen probeert te scheppen, door de feiten zal worden gelogenstraft door de feiten. Dat is een heel belangrijk punt, want nu kan hij innerlijk geen harmonie meer vinden die op eenzijdigheid is gebaseerd.

In jezelf ben je een geest, een wezen dat een zekere ruimtelijke structuur zou kunnen hebben – zo zou u het zich kunnen voorstellen – maar waarin de evenwichtigheid, de balans, de gelijktijdige waarneming van en de uitbreiding naar het omringende, het belangrijkste is. Tot heden toe was dat meer zo iets als een man met een buil op zijn hoofd: naar één kant kregen wij een uitstulping, de rest bleef gelijk. Er ontstond een zodanige onregelmatigheid van de geestelijke ontwikkeling, dat een harmonische bewustwording onder de heersende condities haast ondenkbaar was geworden. Hieronder heeft de mens de laatste honderd jaar ongeveer geleden. Het gevolg daarvan is onder meer geweest het uitbreken van wereldoorlogen die de zin voor ridderlijkheid en moed, die eens nog bij oorlog hoorden, eigenlijk helemaal teloor hebben doen gaan. Zoals ook de kwestie van menselijk respect voor een groot gedeelte is vervangen door een accepteren van de naaste, zonder dat men daarbij die naaste een persoonlijk bestaan of enig respect toestaat.

Als u het zo gaat begrijpen, zult u zeggen: Innerlijk moet ik leren leven zonder tegenstellingen. Ik moet alle denkbeelden van goed en kwaad, van God en niet-God, van God en duivel, voorlopig eens laten rusten. Ik moet mij specialiseren op een harmonie, die zo alomvattend mogelijk is en gelijktijdig mijn wezen zo volledig mogelijk tot uitdrukking brengt.

Dat de oriëntatie op de wereld daarbij dus moeilijkheden oplevert, is niet te voorkomen. Maar aan de andere kant houdt dit in, dat de harmonie veel minder dan normaal in de stoffelijke wereld zal worden gezocht.

De poging met de mensheid harmonisch te zijn, zal voor de eenling boven het materiële moeten uitgaan, ja, zelfs voor een deel het materiële in de bestreving eigenlijk buiten beschouwing moeten laten.

In het resultaat komt het stoffelijke er altijd aan te pas. Men kan dit in een paar regels vastleggen:

  1. Onder de heersende condities zullen werkelijk menselijke harmonieën niet kunnen bestaan. Indien er een harmonie optreedt, zal deze zijn gebaseerd op geestelijke waarden en zal de weerslag daarvan in de stof incidenteel en in feite van minder belang zijn.
  2. Het bereiken van een innerlijke harmonie betekent een heroriëntatie ten aanzien van alle verschijnselen. Het houdt een aantasting in van wat op het ogenblik nog als de grondslagen van de maatschappij wordt beschouwd.
  3. Door een harmonische oriëntatie van het “ik” in de geest, krijgt men een juister inzicht in eigen verplichtingen en mogelijkheden, ook in eigen doelstellingen op aarde en elders. Het begrip “eeuwigheid” wordt in het “ik” meer levend en de geest krijgt gemakkelijker toegang tot al datgene wat tot het leven behoort. Als ik dit laatste nog even mag verduidelijken: ‘wat tot het leven behoort’, wil dus zeggen: het totaal van de waarden, in de kosmos en in de tijd, die tot mensheid kunnen worden gerekend. Dat houdt in: eventueel bewoners van verre sterren, maar ook het verleden of zelfs de komende geslachten. De harmonie maakt een zekere tijdloze waarneming en erkenning daarvan mogelijk. De uitdrukking ervan in woorden zal voorlopig onmogelijk zijn, omdat er eenvoudig geen taal bestaat om dit alles te omschrijven.
  4. In het geheel van deze vernieuwingen moeten wij rekening houden met de grote krachten, die ook in de aarde, in de zon en in andere werelden leven. Deze zijn wel deel van het geheel, dat wij mensheid zouden kunnen noemen, maar leven in een andere tijd-ruimtelijke verhouding en hebben een voorstellingswereld die voor de mens voorlopig niet aanvaardbaar of benaderbaar is. Als er een harmonie met dergelijke wezens moet worden bereikt, dan zal dat alleen kunnen gebeuren aan de hand van de doelstelling.
  5. Want een doel dat geen stoffelijke omschrijving heeft, maar wordt uitgedrukt in een bepaalde harmonie, is – ongeacht het verschil van wereld – voor allen begrijpelijk.

Indien de mens dus komt tot een innerlijke harmonie die past bij de invloeden van deze tijd, dan zal hij daarmede ook een harmonie gewinnen met de eventuele aardgeest, de bezielende kracht van de zon en al het andere. Dit impliceert dat hij door deze harmonie een ervaren (ik wil niet zeggen: een redelijk bewustzijn) van de oervorm “mensheid” binnen zijn bereik ziet komen en daarmede een besef van zijn werkelijke belangrijkheid en taak.

Dit alles klinkt misschien een beetje ingewikkeld. Maar als wij de huidige tijd en haar ontwikkelingen willen begrijpen en daarnaast onszelf in deze tijd, dan moeten wij toch wel enig inzicht hebben in de revolutie, die zich nolens volens in de mens aan het voltrokken is. Wij kunnen de omwenteling ontkennen. Wij kunnen proberen met steeds nieuwe regeltjes en nieuwe interpretaties het oude te handhaven, maar zin heeft het niet, want de vormgevingen worden dan alleen maar een bekleedsel. En nu kun je een ezel een smoking aantrekken, maar daarmede is hij nog geen staatsman; iets wat alleen de ezels zelf zullen betwijfelen.

Wij kunnen ons innerlijk bewustzijn van een harmonie of heel vaak ook onze honger naar een innerlijke harmonie niet bekleden met stoffelijke uiterlijkheden en dan verwachten dat deze uiterlijkheden aan de onvolmaaktheid in ons een volmaaktheid zullen geven. Het is omgekeerd. Wij moeten in onszelf de harmonie vinden en wij moeten haar bekleden met waarden die daarmee harmonisch zijn. Met andere woorden: als de innerlijke waarde dan een ezel zou zijn, dan moet hij een grauw vel hebben; en als het een staatsman is, dan moet hij het bijpassende kostuum dragen. Wij moeten van  binnenuit groeien naar het uiterlijk aanvaardbare.

De consequenties daarvan zijn voor u voorlopig niet zo groot, als u na dit alles misschien zou denken. Want een groot gedeelte van die omstelling gaat haast onbewust. Men ziet dan de eigenaardigste verschijnselen: iets, wat eens een moedergevoel is geweest (de behoefte aan een eigen kind bij jonge vrouwen), gaat langzaam maar zeker omzwaaien naar wat men sociale belangstelling zou kunnen noemen, waarbij dat instinct van moederlijkheid nog wel tot uiting komt, maar nu in een beschermende houding tegenover eenieder die minder sterk is dan zij. Het is het helpen van allen en niet van één.

We zien dat bij mannen de agressiviteit, eens geuit in politieke strijd, in oorlog of zoals tegenwoordig in het zakenleven, langzaam maar zeker wordt omgezet in een poging om de wereld prettiger te maken.

Eerst voor jezelf, natuurlijk; een soort “doe het zelf”-rage. Maar dan wordt het al gauw een poging om het voor de buren ook beter te maken. De agressie wordt gericht tegen de disharmonische omstandigheden op  aarde en niet meer tegen bepaalde vormen, personen of ideeën.

De versmeltingen welke hieruit voortkomen en die het gevolg hiervan zullen zijn, zoals bv. in de godsdienst, in de verhouding tussen de standen e.d., zult u wel meemaken, maar u zult er niet zoveel bijzonders in zien. Pas indien u gaat begrijpen dat u innerlijk niet meer harmonisch bent met de ideeën die u nog verkondigt, dat uw daden eigenlijk ergens niet meer in overeenstemming zijn met wat u innerlijk als juist voelt, dat uw schuldgevoelens oproept die niet voortkomen uit de daden maar uit uw benadering van de daad, dan bent u een stap verder. En ik neem aan dat dat zich voor de meeste mensen binnen tien jaren zal gaan voltrekken.

Wilt u hierbij nog een kleine raad hebben, dan zal ik die ook kort trachten te formuleren.

  1. Tracht in deze dagen al datgene te doen, wat uw innerlijk gevoel van harmonie, van tevreden-zijn met het leven bevordert.
  2. Uitgaande van deze harmonie is het uw taak om te handelen: niet uw taak om de handelingen van anderen af te wachten. U hoeft zich niet te laten dwingen door het milieu. U moet het milieu vormen naar uw innerlijk weten. U zult dan ontdekken dat dit heel wat gemakkelijker is dan het lijkt.
  3. Als nevenverschijnsel van deze verandering en omvormingen leven er in u allerhande vage gevoelens, vaak onlustgevoelens, maar ook wel precognities (voorgevoelens), waarmee u geen raad weet. Maak het u niet te moeilijk daarmee. Probeer uw onlustgevoelens door lustgevoelens te vervangen, eenvoudig door te zoeken naar iets, wat met u harmonieert en wat u kunt toepassen in de toestand waarin u zich disharmonisch voelt.
  4. Onthoud dat het tempo van het leven in alle verschijnselen aanmerkelijk gaat toenemen. Niet alleen met de prijsverhogingen, maar ook met de eisen die aan u worden gesteld op elk ander terrein. Laat u niet verleiden tot een poging om meer te doen dan u innerlijk voelt aan te kunnen. Overschat uzelf niet. Neem taken op u die voor u innerlijk bevredigend zijn en beperk u tot die taken welke u werkelijk kunt volbrengen. Laat u door niemand een taak op de hals schuiven die u niet aankunt.

Dit alles klinkt misschien heel eenvoudig, maar deze regels alleen zullen u in de komende jaren van zeer veel nut kunnen zijn bij uw heroriëntatie binnen het gebeuren van de wereld. En daarmede heb ik eigenlijk het onderwerp zelf afgesloten en wil ik alleen nog een ogenblik terugkomen op de wijzigingen die zich op het ogenblik in meer directe zin afspelen.

De zonnekracht is dit jaar in haar kwaliteit en eigenschappen verscherpt en zij zal zich vooral in de tweede fase van het witte licht in dit jaar bijzonder sterk uiten. Hierbij komen de menselijke zonneaspecten naar voren; en dat betekent enerzijds iets dat op lichtzinnigheid gaat lijken, maar het houdt anderzijds in dat de intensiteit waarmee de dingen worden gedaan veel groter wordt. Deze invloed zal in het komende jaar nogal wat verwarringen scheppen.

Daarnaast hebben we een andere invloed – overigens een zuiver kosmische – die wij het blauwe licht noemen: de wetenschappelijke kracht, de wijsheid. De wijsheid heeft in dit jaar verschillende zeer belangrijke aanzetpunten en ook in de volgende drie jaren komt dat voor.

Hierdoor zal de mens worden geconfronteerd met de onvolledigheid van zijn eigen weten. Hij zal proberen die onvolledigheid ongedaan te maken, maar wil daarbij voorlopig niet veel prijsgeven. Het gevolg zal zijn: grote verwarringen in verschillende geneeswijzen en al wat erbij hoort in de staatkunde en in de economie.

Innerlijk gaat het echter betekenen dat men inzicht krijgt. Het ontstaan van nieuwe inzichten – schijnbaar spontaan – is het kenteken van de komende drie à vier jaren en u kunt er rekening mee houden, dat dit ontstaan van nieuwe inzichten en denkbeelden eigenlijk voor de meeste reeds is begonnen in november. Een top daarvan moet voor de lopende periode worden verwacht in maart en april. Dan zakt het weer even weg.

Een invloed die ook zeer veel zal bijdragen tot de verandering, is het felle rode licht, de grote vitaliteit, die over ongeveer een paar weken (4 à 5) bijzonder sterk kenbaar wordt. Hierbij wordt de menselijke – ik zou zeggen de vleselijke – vitaliteit opgevoerd. Maar die vitaliteit wordt ook verbruikt. Indien de mens dit verstandig kan doen, dan bereikt hij in die periode dus niet alleen een groter gevoel van welbehagen, een betere gezondheid, maar ook de middelen om zijn innerlijke harmonie onafhankelijk van allerhande stoffelijke storinkjes, uitgezonderd verschillende psychische verschijnselen, de baas te kunnen. Hij wordt niet gestoord, hij kan dus iets bereiken. Dat heel veel mensen die kracht zullen gebruiken om hun naaste op de kop te slaan in plaats van zichzelf te verheffen, is duidelijk.

Maar ook die golven komen terug. In 1969 bv. krijgen we een zeer sterke golf daarvan. Het resultaat zal zijn dat ook hier het bewustzijn gaat ontwaken tot een nieuw besef van stoffelijke mogelijkheden, maar ook van behoeften.

Het behoefte-element gaat veranderen. De denkbeelden gaan in waarde veranderen. En met de blauwe straling mee, die ook in 1968 en begin 1969 heel sterk zal zijn, mogen wij dan ook nog rekenen op inzichten, waardoor de wijze waarop die vitaliteit wordt gericht, vooral in 1969/70, anders zal zijn dan nu.

Het is een aantal veranderingen. Indien u zich er innerlijk bij aanpast, dan zult u ontdekken dat u eigenlijk eeuwiger bent dan u ooit hebt vermoed. U zult ontdekken dat heel veel dingen, die u zich heeft aangepraat als belangrijk, eigenlijk onbelangrijk zijn. U zult alles opnieuw gaan waarderen. Dat wil niet zeggen dat u uw wijze van leven helemaal zult veranderen, maar dat u het beleven daarvan vooral verandert.

Besluiten zullen er ook voldoende vallen. In dit jaar zien wij nogal wat besluiten vallen, die op een soort scheiding lijken; het afkappen van een verleden, zo van: “Nu moet het maar eens afgelopen zijn.” En daarnaast zien we heel veel besluiten, die een bestaande situatie of verhouding op een nieuw vlak brengen. Dat ligt kort voor en in de tweede periode van het witte licht in 1966.

We mogen dus zeggen dat er ook op dit terrein veel herzieningen te verwachten zijn. Als u daar onvoorbereid tussen staat, dan wordt u door al die veranderingen overweldigd. Als u weet dat ze staan te gebeuren, als u weet dat in u dit proces aan de gang is (en dat kan eenieder voor zich op het ogenblik constateren), dan zult u ongetwijfeld gebruik kunnen maken van de krachten die u ter beschikking staan. Dan zult u niet tegen de stroom op roeien, maar u zult voelen dat u naar een innerlijke volledigheid toe groeit, die door uiterlijke verschijnselen steeds minder kan worden verstoord.

Psychologische moeilijkheden van deze tijd

De mens heeft psychisch slechts een bepaald deel van zijn vermogens ontplooid. Dit houdt in, dat hij zonder zichzelf te veranderen in een cultuur slechts een bepaald hoogtepunt kan bereiken. Daarna zal hij voortdurend blijven terugvallen. Telkens als een cultuur een limiet bereikt, bevindt de mensheid zich in de wat moeilijke positie van een insect, dat in het trechtertje van een zandspin is gevangen, naar boven probeert te klauteren, maar steeds weer terugglijdt. Het is niet vleiend als ik de mens met een kever vergelijk. Maar ik zou u toch met een van deze schildvleugeligen willen vergelijken in dit geval, want de meeste keren dat een kever in een dergelijke val van de mierenleeuw of zandspin komt, vergeet hij een schildvleugelige te zijn. Hij vergeet dat hij – zij het met veel moeite – zijn normaal niet-gebruikte vleugels zou kunnen uitslaan en daardoor zich zou kunnen verheffen boven de trechter die nu zijn ondergang dreigt te worden.

De mens zou zijn maatschappij en cultuur aankunnen, indien hij bereid zou zijn zijn denken uit te breiden tot een nieuw wereldconcept en vooral ook tot een gebruiken van waarden, die hij nu als zinloos of onbetekenend voor de gemeenschap terzijde schuift, zoals: gevoelens, concrete en reële maatstaven in het bestaan.

In deze dagen heeft de technische ontwikkeling de mensheid geplaatst voor de moeilijkheid dat hij ofwel in de wereld zichzelf zal moeten beperken en gelijktijdig naast de zgn. noodzakelijke werkzaamheden een voor zich nieuwe activiteit zal moeten scheppen, dan wel in een voortdurende strijd om meer productie en meer verbruik ten onder te gaan aan zijn eigen overproductie, mechanisatie en automatisering. Dit begrijpt men wel, maar men weet daarmede geen raad.

Wanneer wij in deze dagen het probleem van de jonge mens nemen, dan zien wij dat hij met een gemiddelde arbeidsduur van 7 tot 8 uren per dag kan volstaan. Deze arbeid vergt over het algemeen lichamelijk minder van hem dan in het verleden van zijn leeftijdgenoten werd geëist. Het resultaat is, dat hij een zekere mate aan energie overhoudt en dat hij deze energie dus moet besteden; hij moet zich uitleven. Hij kan dat niet op de gangbare manier. Hij zoekt dus een weg terug waarin deze energie kan worden verbruikt. De zgn. beat-programma’s, waarop de jeugd schijnbaar verzot is, bevatten in feite een dergelijk roesvormend element, waarbij eigen energie wordt verbruikt, zonder dat gelijktijdig een beroep wordt gedaan op de verstandelijke vermogens.

Ook voor de volwassenen is het probleem ongeveer gelijk geworden.

Was vroeger voor de volwassene het bereiken van het noodzakelijke een levensvervulling, thans wordt het begrip “noodzakelijk” voortdurend verder uitgebreid. Dit betekent, dat de gemiddelde mens in een milieu leeft dat hem gaat domineren.

Als wij denken aan de zgn. “teveïtis” (de televisie-ziekte), dan zien wij dat de mens erdoor wordt gedomineerd en dus zijn denken en vermogen tot reageren onderdrukt ziet door een kritiekloze aanvaarding van op zich misschien goede, maar toch voor zijn persoonlijkheid lang niet altijd juist afgestemde programma’s.

De radio met haar geluidsroes produceert ongeveer hetzelfde. De stilte waarin de mens het ogenblik van rust gebruikt om te denken, wordt vervangen door een geluidsachtergrond, waardoor elk moment van stilte kan worden gebruikt om zich op de melodie te laten gaan. U zou zeggen dat hierdoor een tevredenheid, een gelijkmatig humeur e.d. zich toch zouden moeten ontwikkelen. Niets is minder het geval. De mens moet voor zich zijn denkbeelden en ideeën afreageren.

In de maatschappij ontstaan voor hem bepaalde begeerten en schuldgevoelens, die hij ten dele in zijn redelijk denkleven, ten dele in zijn droomleven probeert af te reageren. De droom is als zodanig vaak een compensatie van het dagleven, terwijl de gedachte een aanvulling is van de directe beleving en daardoor haar als het ware aanpast aan eigen behoefte en karakter.

Het zelfstandig denken van de mensen is echter, juist nu deze cultuur haar hoogtepunt bijna heeft bereikt, verminderd. Wij hebben dergelijke dingen gezien in bv. Rome, waar men niet meer een eigen kritiek op de staat, de handel, of zaken placht uit te oefenen, maar liever keek wat Tarquinius weer op de zuil voor het Capitool had aangeplakt. Wij moeten beseffen dat dit decadentie met zich brengt.

Nu is decadentie zeker niet een overvloed aan stoffelijke mogelijkheden of een te vrij gebruik daarvan. Decadentie ontstaat door de verzwakking van het kritisch vermogen en van het vermogen tot realisering van het ego als een afzonderlijke en persoonlijke waarde.

De mens van vandaag denkt veel minder; en als hij denkt, dan denkt hij over het algemeen niet zelf, maar laat zich bij zijn gedachten leiden door denkbeelden van anderen, die vaak uit een ver verleden stammen. Het resultaat is dat zijn gedachteleven in strijd is met zijn stoffelijke werkelijkheid; dat hij eisen aan het leven gaat stellen, die dat leven in geen geval kan vervullen; en dat hij aan bepaalde fasen van het stoffelijk bestaan een belangrijkheid toekent, die het in feite toch niet bezit. Hierdoor ontstaat er een toenemende spanning, waarbij de eigen psyche ten opzichte van de buitenwereld steeds verder gedesoriënteerd raakt. U zult dus begrijpen dat een gebrek aan gevoel voor richting in een zeer complexe maatschappij de reactie van de mens innerlijk, zowel als uiterlijk, steeds onredelijker zal maken. Daardoor komt hij tot een eindeloze herhaling van dezelfde daden en dezelfde argumenten, gepaard gaande met een toenemend innerlijk verzet tegen deze handelingen, daden en toestanden.

Deze problemen lijken misschien wat vergezocht. Maar als wij bv. een rassenprobleem nemen, zoals dat nu bestaat, dan is dit in feite het verzet (uit angst dus) tegen de verandering in de maatschappij.

Indien bv. de neger inderdaad niet superieur zou kunnen zijn aan de blanke, dan zou de blanke zich daarover geen moeilijkheden hoeven te maken. Hij zou immers krachtens zijn ingeboren superioriteit kunnen voortleven en de neger op zijn juiste plaats in de maatschappij kunnen stellen, zonder enig ander middel dan de normale sociale samenleving zelf. Als de mens overgaat tot een verzet tegen een ander ras of wat dat betreft een andere groep of een ander geloof en probeert – vaak zelfs krampachtig – zijn eigen superioriteit te bewijzen, dan toont hij hiermede onbewust aan, hoezeer hij zichzelf wantrouwt. Hij heeft dus geen innerlijke zekerheid. En elke poging om die naar buiten toe meer te bewijzen, vergroot zijn innerlijk gevoel van onzekerheid.

U ziet, ook hier is mijn vergelijking met zandspin en mierenleeuw zeker niet uit de lucht gegrepen. Want door op een verkeerde manier te reageren op zijn innerlijke onzekerheden, zgn. om de uiterlijke zekerheid te vergroten, zal hij de innerlijke onzekerheid doen toenemen. Elke poging om door uiterlijke waarden te ontkomen aan dit gevoel van onvolwaardigheid of niet volledig zeker-zijn, leidt dus tot een verscherping van de innerlijke onzekerheid en daarmee tot een verscherpte reactie, tot het ogenblik dat de reactie alle redelijkheid gaat ontberen en een zgn. hysterisch karakter krijgt.

In deze moderne maatschappij zien wij zeer veel reacties die onder hysterie kunnen worden gerangschikt. Als ik denk aan de schreeuwende aanbidding van bepaalde popartiesten, dan zie ik daarin niet slechts een vorm van massahysterie zonder meer, ik zie er een poging in om het droomleven te verheffen tot een punt, waarop het “ik” zichzelf weer kan aanvaarden en waarderen. En dat is bij de jonge mensen.

Ik zie datzelfde echter ook in de oorlogshandelingen en gewelddadigheden, die de ouderen heel vaak in de wereld doen plaatsvinden. Zij weten dat wat zij doen in feite niet goed is, maar zij kunnen zichzelf niet meer helpen en komen op een gegeven ogenblik tot een furor, die wij met de gevreesde furor teutonicus zouden kunnen vergelijken: een berserker woede, waarbij men zichzelf en zijn eigen mogelijkheden en scheppingen vernietigt.

Ik zou niet volledig zijn, als ik hier alleen zou willen zinspelen op de angst, op het gevoel van onvolwaardigheid.

Er is een gevoel van menselijke waardigheid in eigen recht ontstaan, dat niet meer beantwoordt aan de normen van menselijk zijn. Een mens ontleent zijn waarde en betekenis voor zijn medemens niet aan het mens-zijn, maar aan de wijze waarop hij dit mens-zijn tot uiting brengt. Er is dus een verschil ontstaan tussen de feiten en de benadering van die feiten. Wij zeggen: Dit is een mens en dus heeft hij menselijke rechten. Neen. De vraag is: Hoezeer kan deze mens de voor de mens noodzakelijke eigenschappen tot uiting brengen? Het is door zijn uiting dat hij zich als mens kwalificeert, niet door zijn geboorte. Ook dit beseft men zeer wel, maar dit besef wordt op een verkeerde manier gebruikt.

Als wij in de maatschappij zien dat bv. misdadigers steeds milder worden bestraft, dan noemt men dit een vooruitgang in humanitair opzicht. Maar in wezen komt deze neiging tot mildheid, en vooral ook de neiging om misdaad te verwarren met ziekte, voort uit een gevoel van eigen onvolkomenheid. Men voelt zich aansprakelijk voor datgene wat er in de wereld misgaat en gelijktijdig is men gedwongen in te grijpen, opdat er geen te grote depressies van het aanvaardbare optreden.

Hier zien wij de grote moeilijkheid van de mens ontstaan, die teveel wil zijn of doen. De managerziekte is daarvan een der verschijnselen. En het eigenaardige is, dat die managerziekte niet alleen voorkomt bij hen die werkelijk te veel te doen hebben, maar vaak nog meer bij hen die in feite te weinig te doen hebben. Er is dus geen sprake van het werk of de psychische belasting en verantwoordelijkheid daarvan. Het is een kwestie van oriëntatie ten aanzien van de wereld.

Om in deze dagen te ontkomen aan deze moeilijkheden, zou de mens zijn benadering van het leven en van de waarden van het bestaan moeten wijzigen. Maar het gehele gevoel van belangrijkheid, van eigenwaarde, van taak en betekenis – in de religieuze zowel als in de maatschappelijke zin van het woord – wordt ontleend aan de bestaande omstandigheden. En aangezien de onzekerheid bij velen reeds een grote omvang heeft aangenomen, zal het zeer moeilijk zijn deze betrekkelijke zekerheid prijs te geven voor een totaal nieuwe benadering van de wereld en een totaal nieuwe opbouw.

Zo is er ook nog de strijd tussen de erkende waarheid en de waarheid die men ten koste van alles wil doen kennen. Een voorbeeld daarvan vindt u in Nederland, waar de industrialisatie ten aanzien van de bevolking in feite te ver is gevorderd en waarbij men gelijktijdig tracht deze industrialisatie in een gelijk tempo uit te breiden, met als gevolg niet slechts een overcapaciteit aan productie, met een verminderde mogelijkheid tot aantrekking van werkkrachten, maar op de duur de noodzaak het gedrang te vergroten, dat een deel van Nederland nu reeds minder leefbaar maakt, of grote kapitalen in zakelijke belangen prijs te geven. En ook daartoe is men niet geneigd.

Deze conflicten, in de maatschappij voortdurend kenbaar, zijn de symptomen van een cultuur die haar hoogtepunt aan het bereiken is, zo zij dit niet deels reeds heeft bereikt.

De logische conclusie daaruit is wel: dat de mensheid ofwel haar eigen geestelijke gezondheid en op de duur haar maatschappelijke structuur en mogelijkheden gaat verliezen, dan wel door een innerlijke vernieuwing kan komen tot een veranderde opbouw van het uiterlijk leven en het uiterlijk besef.

De leegheid van het leven heeft in de laatste jaren reeds vele mensen naar het religieuze teruggedreven. En daaronder moeten wij niet alleen de kerken verstaan, maar ook groepen als deze, esoterische scholen, loges e.d. De mensen zoeken daarin een compensatie. Maar zij zijn niet bereid de erkende compensatiemogelijkheden om te zetten in de realiteit. Zij maken een scheiding tussen de geestelijke geruststelling en de stoffelijke praktijk. Ook hier neemt de discrepantie voortdurend toe. En in die toename ontstaat er een steeds grotere gewetensstrijd. Deze kan leiden tot een wereldverwerping van een praktisch schizoïde karakter. Zij kan bij anderen tot een soort maatschappelijke catatonie leiden, waarbij men alles zal doen om het bestaande zonder enige verandering te handhaven, zichzelf inclusief. En daar men langzaam ouder wordt, gaat dat niet.

U ziet hoe wonderlijk deze periode eigenlijk in elkaar zit. Deze psychologische moeilijkheden en zelfs deze voortdurende terugval van een toch te bereiken nieuw cultuurplafond is denkbaar en zelfs op eenvoudige wijze aantoonbaar.

In de eerste plaats zal de mens moeten beginnen zich en zijn bestaan aan te passen aan de mogelijkheden van zijn maatschappij. Niet omgekeerd. Een veredeling en groei van de maatschappij kan eerst dan ontstaan, als zij in haar samenhang en niet slechts in haar productie een voortdurend grotere intensiteit kan bereiken.

In de tweede plaats zal de mens afstand moeten doen van begrippen (religieuze, filosofische of wetenschappelijke), die niet passen bij het nu bereikte. Men zou kennis moeten nemen van het verleden, maar het nimmer mogen beschouwen als onaantastbare waarheid. Op het ogenblik dat de mens zegt: Er bestaat geen enkele waarheid in de menselijke wereld die volledig en onaantastbaar is, is hij al een schrede verder gekomen.

In de derde plaats zou men de maatschappelijke samenhang en haar statusbegrippen moeten prijsgeven. Op het ogenblik dat de geestelijke bereiking – onverschillig op welk vlak – en de uiting daarvan status bepalend wordt in plaats van bezit en werkgelegenheid, zal de tweestrijd van een te zware belasting en het pogen te grote verantwoordelijkheden te dragen vanzelf wegvallen en daardoor een juistere oriëntatie mogelijk worden, waarbij gevoelens van samenwerking, saamhorigheid en eenheid een totaal nieuw karakter krijgen, in de stoffelijke verhoudingen praktisch geen rol meer spelen.

In de vierde plaats zou men afstand moeten doen van het zgn. groepsbewustzijn, wat ik ook wel “het kliekjes-vormen” pleeg te noemen.

Er is in de huidige maatschappij geen plaats voor staatsgrenzen, staatsbewustzijn, nationaliteitsgevoel, groeps- of standsgevoel, of kerkelijke gevoelens van saamhorigheid. Daardoor ontstaan er alleen maar verdeelde gevoelens van trouw en verplichting met gelijktijdig een steeds onrendabeler wordend gebruik van de stoffelijke mogelijkheden.

Ziet men kans om elk idee van nationalisme, zelfs supranationalisme, uit te roeien en daarvoor in de plaats een eenvoudige werk- en begripsverhouding te scheppen, dan zou de oorlog de wereld uit zijn en daarmee de oorlogsdreiging. Er zou een plotseling overschot aan productiemogelijkheid zijn, waardoor ook de sociale omstandigheden kunnen worden verbeterd en de schuldgevoelens van de zgn. rijkere volkeren aanmerkelijk afnemen.

In de vijfde plaats hoeft het gevoel van mens-zijn godsdienstigheid niet uit te sluiten, maar het zou aan het begrip godsdienstigheid een totaal nieuwe zin geven. Geen angst meer voor een verdoemende God. Geen wanhopige pogingen om een eeuwige zaligheid te kopen, maar in de plaats daarvan een vervullen van wat men voelt als doel en zin van de schepping. Hierin zou men immers voor zichzelf en voor het hogere deel van het ego een voortdurend aanvaardbare positie ten aanzien van het goddelijke tot stand brengen en zo de noodzaak tot zelfmisleiding, het scheppen van ideeën en beelden die niet realiseerbaar zijn verminderen. De mens zou dan gelijktijdig dichter bij de werkelijkheid, meer rationeel en toch geestelijk zuiverder en harmonischer leven.

Kort samenvattend:
De psychische moeilijkheden van deze tijd komen voort uit het onvermogen van de mens met de huidige middelen en gebruiken, de groei geestelijk en stoffelijk voort te zetten, die hij uit het verleden meent te kennen en voor zich als een verplichting en taak voelt ten aanzien van de toekomst.

Zelfverdediging

Kan ik mijzelf verdedigen, als er in anderen zoveel van mijzelf bestaat?

Hoe meer ik mijzelf verdedig, hoe meer ik de in mij erkende waarden van mijzelf aanval. Ik kan mij niet zonder meer te gronde laten richten, dat is waar. Maar ik kan mijzelf ook niet ten koste van het leven instandhouden, dat in feite deel is van mijn leven.

Ik moet dus een houding vinden, waardoor ik mij in deze wereld kan handhaven en gelijktijdig toch die wereld kan aanvaarden zoals zij is, zonder enige agressie mijnerzijds of de noodzaak de agressie van anderen met grote ferociteit af te wijzen. Laat ons dan als volgt stellen:

Indien ik besef, hoe weinig het leven is dat in de stof bestaat en erken, hoe al wat mij is gegeven verdergaat dan tijd en het materiële streven, zo zal ik mijzelf verdedigen tegen de disharmonie en liever duizendmalen sterven dan eenmaal de melodie der oneindigheid te onderbreken door mijn woorden, door mijn spreken of door mijn daden.

Ik zal mijzelf verdedigen in zoverre dat het “ik” zich verweert, waar de haat van anderen aanvalt. Maar dan slechts om deze haat teniet te doen en niet degenen die ons haten.

Wij kunnen het wapen heffen van geest, besef, begrip en mogelijkheid om in de strijd met anderen de vijand tot een vriend te maken. Zoals wij ruimheid van begrip en denken steeds moeten gebruiken om de  ketenen te slaken, die onszelf en anderen binden aan het materiële zijn, dat niet is deel van de eeuwigheid en niet een werkelijkheid waarin het “ik” kan leven. Wij moeten in ons streven zoeken naar de onvergankelijkheid, die in ons wordt beseft en in ons wezen staat geschreven.

Zo zelfverdediging beschouwen als het recht om anderen te schaden, wordt tot een hoon van de werkelijkheid. Want in de eeuwigheid zijn geen genaden en ook geen vijandschappen meer. Daar is een eenheid van bestaan die alles samenvat.

En wie zich aan de vijandschap bezat, zichzelf handhaaft, wat het ook kost, verliest zichzelf telkens weer, totdat ook hij een keer zich offert voor wat er in hem leeft en zo aan het kosmisch één-zijn met het Al de uiting geeft, waardoor in hem, zoals in alle zijn, de waarheid van het leven eeuwig voor het “ik” wordt weergegeven.

Ik kan mij voorstellen, dat u het met deze visie op zelfverdediging niet eens bent. Maar onthoudt u dit: Vijandschap tussen mens en mens is kosmische gezien onrecht.

Wie zichzelf verdedigt tegen het onrecht dat anderen hem aandoen, schept onrecht. Hij vergroot het totaal onrecht in de mensheid en brengt haar als geheel steeds verder van haar werkelijke bereiking en vervulling af. Doch wie het onrecht van een ander kan aanvaarden zonder vijandschap, zonder een verweer dat anderen schaadt of kwetst, zal juist het onrecht in zijn eigen recht doen sterven.

Zo gij u verdedigt met de wapens, roept gij het geweld op. Zo gij u verdedigt door de harmonie van uw geest, roept ge de harmonie op. Kies, wat ge wilt.

Maar ik zeg u: Zolang de mensen zich in naam van de zelfverdediging bedienen van datgene, wat geen werkelijk recht is en geen harmonie kan zijn, richten zij zichzelf ten gronde en zullen zij terugkeren, totdat ook zij harmonie hebben gevonden.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf