december 1965
Godsdienst
Godsdienst is een vorm van communicatie, waarbij de mens niet slechts met de werkelijkheid, maar ook wel degelijk met de eeuwigheid en met de gedachtewereld een verbinding tracht te verkrijgen. Nu leeft men op dit moment in een wereld die zeer sterk materieel gebonden is. Het materialisme krijgt dan ook in bepaalde landen de vorm van een godsdienst; bv. het communisme, maar evenzeer het socialisme en daarnaast bepaalde vormen van humanisme. Wij zien deze dingen misschien niet als een godsdienst, omdat het woord God daarbij niet te pas komt. Wat is nu het kentekenende van het godsdienstig denken?
Er wordt een doel voor het menselijk bestaan gepostuleerd, dat verdergaat dan alleen het zuiver persoonlijke bestaan en ook de bevrediging van het eigen “ik”. Als zodanig is de godsdienst een grondvoorwaarde voor het bestaan van een maatschappij, of van een sociale rangorde die op iets anders dan op recht en zelfbevrediging (het recht van de sterkste wel te verstaan) is gebaseerd. De sociale verhouding veronderstelt nl. eveneens een doel dat verdergaat dan het individu. Voor het individu is dit niet waar. Het individu zoekt zichzelf.
Omdat in de maatschappij, de gemeenschap, de zelfverwerkelijking voor de mens niet mogelijk is, grijpt hij dus naar de godsdienst, de synthetische wereld, waarin deze zelfvervulling en zelfbevrediging wel mogelijk is of zal worden. Hij kan daarbij zichzelf in de toekomst projecteren: “Ik ga naar de hemel of naar de hel”. Hij kan dit eveneens doen in de vorm van het nageslacht: “Wij lijden, maar onze kinderen zullen gelukkig zijn.”
De essentie van het godsdienstig denken is dus niet God. Ook als wij een religie hebben waar God werkelijk in het brandpunt van de belangstelling schijnt te staan, worden wij nog geconfronteerd met zuiver aardse, ja, in deze tijd materialistische beschouwingen en bedoelingen. Zo zullen wij zien dat bv. de kerk van Rome, maar evengoed de Islam en het Boeddhisme in feite in deze dagen een politieke pressiegroep vormt en als zodanig de eerste aandacht niet richt op het Koninkrijk der Hemelen, maar op de maatschappelijke groepering, de maatschappelijke toestand.
Daarbij spelen natuurlijk wel bepaalde opvattingen een rol. Ik denk hier bv. aan het probleem “de pil”, dat vooral voor de kerk van Rome kennelijk een pil is, die niet zo gemakkelijk wordt geslikt. Hier komt nl. het oude religieuze denken in strijd met de moderne wereld, de moderne situatie.
In de oudheid was het kind een zegen, een vergroting van de maatschappij, van de stam, van de godsdienstige groep en daarmee een toename van macht. In deze dagen wordt het kind meer en meer een belasting van de gemeenschap en van de middelen van die gemeenschap. Het wordt ook een belasting op de religieuze instelling van de mens. Een beperking van het kindertal zou dus in deze tijd normaal moeten worden aanvaard. Het is menselijk en materieel logisch. Maar een godsdienst moet zichzelf het aanzien geven van een gezag dat verdergaat dan het logische, het onmiddellijk te doorziene maatschappelijk of geestelijk noodzakelijke. Daarom klampt hij zich altijd weer aan het verleden vast.
Wanneer wij een kerk binnengaan, zullen wij onmiddellijk ontdekken dat de spreektoon ineens verandert. Als u binnenkomt in een protestantse kerk, dan zal het u opvallen dat 9 van de 10 dominees een Nederlands spreken dat eigenlijk thuishoort in de jaren 1900. Gaat u een katholieke kerk binnen, dan wordt u geconfronteerd met de Latijnse taal, die is gefixeerd in een vorm, welke ongeveer rond de jaren 800 – 900 bestond.
Bij de Islam krijgen wij een teruggrijpen naar oude Arabische zinswendingen en woordvormen, die van de spreektaal aanmerkelijk verschillen. In het Boeddhisme gaat men zelfs zo ver, dat men spreuken opdreunt, die in de landstaal niet eens meer kunnen worden verstaan en waarvan een vertaling haast niet meer mogelijk is. Verder nog gaat dit bij de Hindoes, die teruggrijpen naar het Vedantisch schrift en de Vedantische taal (het Sanskriet), waarmee de gewone mens helemaal geen raad meer weet.
Hieruit kunnen wij dus wel concluderen dat de godsdienst – juist omdat zij pretendeert meer te zijn dan zij maatschappelijk kan zijn – zich beroept op het verleden en het heden eenvoudig verwaarloost of – wat nog erger is – het daaraan aanpast door interpretaties naar eigen inzicht en bedoeling.
Als wij de kern bezien van bv. het marxisme (een materialistische godsdienst), dan zal blijken dat de stellingen van Marx allang zijn verlaten, maar dat men zich gelijktijdig voor alle maatregelen weer beroept op Marx, op Engels, eventueel op Lenin. Mensen die in een tijd spraken dat de huidige wereldsituatie niet bestond. Op grond van dit alles wil ik de godsdienst dus eerst kenschetsen in zijn werkelijke betekenis en ik doe dat in de volgende artikelen:
- De godsdienst is een aanpassing aan de werkelijkheid, waarbij het sociale geheel kan worden gehandhaafd en het belang van het individu (de persoonlijke beleving en uitleving) kan worden beperkt.
- Godsdienst is niet alleen gewijd aan God, maar – ofschoon God vaak als mom of voorwendsel wordt genomen – in de eerste plaats aan het handhaven van een bepaald bestel op aarde.
- Elke godsdienst moet zijn gezag ontlenen aan autoriteiten, die sterker zijn dan de menselijke rede van het heden. Daarom zullen zij over het algemeen een lange tijd de oude waarden handhaven, die voor de doorsneemens niet meer begrijpelijk of aanvaardbaar zijn.
- In de godsdienst is communicatie alleen mogelijk tussen de leden van een bepaalde godsdienst, aangezien de onlogische elementen, die er in elke godsdienst schuilen, hem onaanvaardbaar zullen maken voor elke buitenstaander.
Dat was dan een korte samenvatting van het wezen en de kwaliteiten van de godsdienst.
Als wij nu gaan zeggen dat de godsdienst helemaal geen zin heeft, dan falen wij ook. Want de godsdienst kan niet bestaan of hij moet aan een behoefte tegemoet komen. Deze behoeften kunnen wij onderscheiden in:
- het ervaren van een zekerheid, waar deze redelijk niet te vinden is;
- het erkennen van een waardigheid of meerwaardigheid van het “ik”, zonder dat daarvoor een stoffelijk bewijs hoeft te worden aangevoerd;
- het ontlenen van kracht, gezag, eventueel zelfs zeggenschap aan stellingen, die materieel niet volledig aanvaardbaar zijn.
De mensheid begrijpt dat niet en als wij het over een geloof hebben, dat ten slotte altijd weer de basis is van een godsdienst, dan is men niet geneigd het standpunt van de ander te beschouwen. Men wil natuurlijk wel, zoals in deze dagen, wederzijdse banvloeken intrekken. Men weet dat ze toch niets meer uithalen en het is beter iets nutteloos op een elegante wijze weg te nemen, dan het te laten voortbestaan totdat het in belachelijkheid sterft. Zoals bepaalde wetten in sommige delen van Engeland, waar de automobilist nog steeds moet worden voorafgegaan door een man met een rode vlag of bij nacht een rode lantaarn. De moderne mens is ergens godsdienstiger dan zijn voorvaderen, want voor hem is de godsdienst een geestelijke waarheid geworden. Hij kan deze niet meer helemaal zien als het synoniem van leven op aarde. Godsdienst en godsdienstig leven zijn twee verschillende dingen.
Als ik in deze dagen de mens zie die zich beperkingen oplegt (bv. vasten, onthouding van bepaalde dingen, ontzegging van bepaalde genoegens) op religieuze basis, dan kan ik zeggen: Die man heeft er geen voordeel van; hij wordt er niet wijzer van. Wat hij doet, doet hij dus werkelijk wel om de voornoemde drie artikelen te krijgen: het gevoel van eeuwigheid.
Achter elke godsdienst en achter elk geloof gaat een waarheid schuil. Die waarheid is echter wel stoffelijk omschrijfbaar. Zij dient wel te beantwoorden aan een stoffelijke logica, ofschoon zij – zoals sommige wetenschappen en elke godsdienstige stelling – natuurlijk is gebaseerd op een axioma, een geponeerde stelling, die weliswaar schijnbaar aantoonbaar is, maar niet bewijsbaar.
Godsdienst was eens je wijze van leven. In deze dagen is het de wijze, waarop men zijn normale leven rationaliseert. Ik geloof dat wij hier één van de belangrijkste aspecten hebben voor de moderne bewustwording: rationalisatie. Het leven, zoals je dat als mens kent, is niet helemaal aanvaardbaar. Het is niet helemaal gelukkig. Je moet jezelf daarin bepaalde beperkingen opleggen en aan de andere kant voel je in jezelf waarden, waarmee je geen raad weet. Om daaraan gestalte te geven grijp je naar de godsdienst. Je verklaart jezelf waarheden, die innerlijk worden aangevoeld en die je buiten je niet kunt beleven.
Nu is de logische ontwikkeling in een materialistische maatschappij dat de godsdienst esoterisch wordt. Hij grijpt naar het innerlijk van de mens en laat het uiterlijke met rust. Maar zoals ik reeds heb gezegd: de godsdienst zelf heeft zich ontwikkeld tot een machtslichaam. Er ontstaat in de godsdienst een splijting, waardoor wij aan de ene kant de innerlijke beleving en zelferkenning krijgen, die wel degelijk binnen het kader van de godsdienst plaatsvinden, en aan de andere kant een slaafsheid, een rationalisatie van het bestaan en het handhaven van een zekere, meestal conservatieve macht door een beroep op God. Daar deze laatste vorm op het ogenblik wel aan het uitsterven is – al zult u daarvan nog niet veel merken – wil ik bij de poging om de actualiteit van de hedendaagse bewustwording naar voren te schuiven allereerst wijzen op die esoterische mogelijkheden.
Het “ik” is een niemandsland. Je ziet wel enkele vista’s (vergezichten), maar je kunt het niet overzien. In dit niet overzien van de wereld en van het bestaan voel je voor jezelf de eeuwigheid aan. Die eeuwigheid, dit “verder leven dan de materie” wordt verklaard met God. God is als zodanig in deze dagen meer een dooddoener en minder een realiteit dan vroeger. Doordat je die God eenmaal aanvaardt, krijg je ook de mogelijkheid een beroep te doen op die delen van je persoonlijkheid en eventueel van andere werelden, die je niet rationeel kunt erkennen. Je kunt daarover allerhande logische en filosofische beschouwingen opbouwen, maar je kunt niet ontkomen aan het feit dat je moet accepteren. De aanvaarding van jezelf en daarmede ook de aanvaarding van alles wat je in jezelf erkent, is wel de basis van alle godsdienstigheid in deze dagen.
Natuurlijk kunt u hier tegenwerpen, dat bv. in het communisme heel vaak de behoefte om het beter te krijgen een rol speelt. Dit kan het geval zijn in bepaalde landen. In de meeste werkelijk communistische staten echter wordt het communisme een “way of life”, een manier van bestaan.
Het is de rechtvaardiging van het bestaan; en als zodanig heeft het een even grote esoterische waarde als bv. het christendom. Dat men dit helaas wel eens vergeet is te wijten aan de nadruk die op de uiterlijkheden valt.
Vergelijkend gesproken: Een waar christen probeert de leer van zijn Meester waar te maken. Hij zal daartoe zijn persoonlijk bezit als het ware wijden aan de gemeenschap. Hij zal dus het totaal van zijn krachten beschouwen als dienend voor de gemeenschap en niet als een persoonlijk bezit of verwervingsrecht.
Voor een communist geldt precies hetzelfde. Het enige verschil is dat de christen zegt: Ik doe dit voor Jezus, de op aarde geboren zoon van God. Terwijl de communist zegt: Ik doe dit, omdat dit de enige wijze is waarop een mens menswaardig kan leven. Een klein verschil misschien, maar niet zo groot als u denkt. Want mensheid en menswaardig leven nemen in het denken van de overtuigde communist de plaats in van God. Dus, er is esoterie. Het is een innerlijke oriëntatie. Die oriëntatie wordt door de uiterlijkheden niet sterk beïnvloedt, maar wel door de innerlijke behoefte.
Indien de mens gaat begrijpen – en misschien komt dat in de komende tijd nog wel – dat alle beroep op God, op de geest, op inwijdingsleer en dergelijke in de eerste plaats een uitdrukking is van niet uit te spreken innerlijke waarden en gevoelens, dan zal men elkaar misschien gemakkelijker kunnen aanvaarden en zal men gemakkelijker kunnen leven. Nu is dat nog niet het geval. Maar wij ontdekken dat steeds meer mensen in zichzelf zoeken naar de betekenis van de dingen.
Nu zien wij een heel vreemd verschijnsel. In het beginstadium van de godsdiensten was het een absolute overgave aan een buiten het “ik” staande waarde. Mensen kwamen ertoe bepaalde wonderen – zoals ze werden genoemd – te produceren door deze overgave aan het niet gedefinieerde andere. In deze dagen zijn er mensen, die hun bekwaamheden en mogelijkheden voortdurend kunnen uitbreiden door hun aanvaarding van de niet te definiëren innerlijke kracht en innerlijke wereld. Er is een overeenkomst en er is een verschil.
Vanuit een algemeenheid, waarbij de wereld nog een raadsel is, is de godsdienst geëvolueerd. Zij heeft zelf een wereld tot stand gebracht, waarin kennen en weten een steeds grotere omvang aannamen en steeds meer algemeen werden. Het zou zeker onrechtvaardig zijn om aan de godsdiensten juist dit goede punt te onthouden.
In Europa zijn het de kloosters, de kloostergemeenschappen en scholen die voor de wetenschappelijke en sociale vorming hebben zorg gedragen, in tijden waarin anders barbarisme en primitiviteit nog steeds de overhand zouden hebben gehad. Hetzelfde geldt voor de Islam die de drager is geworden van de grote beschaving der Kalifaten, ook voor de Hindoerijken, die niet konden bestaan zonder de wijsheid der Brahminen. Dus: wij moeten erkennen dat ze veel hebben gedaan. Maar door de kennis te bevorderen, door vanuit de vaagheid van het geloof, het alleen innerlijk geschouwde, te komen tot de wereld en het daarin onmiddellijk bewijsbare en kenbare, hebben zij een wetenschap opgebouwd, die gelijktijdig hun eigen grondslag aantast: nl. de grondslag van de aanvaarding zonder overdenking. Het geloof dat niet berust op kennis, maar alleen op aanvaarding.
De moderne mens met al zijn wetenschappen staat daarbij voor raadsels, die in de stof niet kunnen worden beantwoord. Het wonder van eens is geen wonder meer. Zelfs de paranormale genezer kunnen wij verklaren.
Wij weten van psychische invloeden. Wij weten van opinievorming, van het bovenbewustzijn van de massa, van het onderbewustzijn en de daarin begraven geheimen. Maar we weten nog steeds niet wat de kern van het wezen is. De ziel van de mens is deze dagen nog evenzeer een raadsel, ja, zelfs meer een raadsel dan in het verleden. Eens kon men dat aannemen als een soort mens in een andere wereld. Nu wordt de ziel een vormloze waarde, waarvan men het bestaan aanvoelt, beseft, maar niet kan verklaren.
Daarom moet de godsdienst van vandaag zich richten op het innerlijk.
Daar de mens zich echter op zijn innerlijk richt – of hij dat nu officieel doet of misschien alleen door wijziging van eigen levenshouding – ontstaat er in de mens een nieuwe vorm van denken en weten.
Eens was profetie, een voorspellende droom, het wonder, het orakel het voorrecht van de ingewijde priester. Wij zien, dat juist buiten de kerken om, op het ogenblik deze eigenschappen in de gehele gemeenschap steeds sterker optreden. Er wordt dus een bovennatuurlijk wereld gecreëerd, die binnen de natuurlijke wereld leeft uit de massa. Zij wordt niet verklaard. Zij wordt zelfs niet bewust aanvaard, maar onbewust houdt men er rekening mee.
Met dit eerste deel van mijn betoog heb ik dan aangetoond, dat in de moderne bewustwording de godsdienst en de godsdienstigheid een veel grotere rol spelen dan men misschien geneigd is aan te nemen, terwijl gelijktijdig die rol niet wordt bepaald door kerkelijk gezag of religieuze stellingen, zoals men misschien zou denken, maar door de behoefte van de mens om een verklaring te vinden voor zijn innerlijk geheim.
Innerlijke beleving
In het tweede deel moet ik de nadruk leggen op hetgeen er in de mens geschiedt.
- Hij voelt waarheden aan, maar komt gelijktijdig in verzet tegen de formulering van de waarheden die hem worden opgelegd. Hierdoor bereikt hij voor zichzelf de persoonlijke vrijheid om het innerlijk beleven vast te leggen in zijn denken en zijn woorden. Een zelfrealisatie is hiervan het gevolg.
- Hij doet nog wel een beroep op de bovennatuurlijke krachten en machten, maar hij doet dit niet meer in de zo praktische zin, die wij zelfs nog in de middeleeuwen hebben gezien. Hij bidt God om een wonder, maar hij verwacht niet dat het zal gebeuren. Gelijktijdig echter rekent hij erop dat er in hem een kracht zal ontstaan, waardoor hij zonder wonderen hetzelfde kan bereiken, dat eens misschien alleen door een ingrijpen van engelen van buitenaf mogelijk werd geacht. De mens doet een beroep op zijn innerlijke vermogens.
- De mens gaat God meer en meer zien als een vaagheid, die in hem leeft of onmiddellijk met hem verbonden kan zijn. Er ligt een groot verschil tussen bv. de primitieve ontvangst van de communie in de eerste tijd als een gedachtenismaaltijd, in de tweede periode van het christendom als een soort avondmaal, waarbij men de lijfelijke Jezus in zich ontvangt en de moderne versie, waarin avondmaal en communie niet meer een herdenking zijn, maar eerder een persoonlijk resoneren met de kracht Christus. Men kan daarom zeggen:
In de moderne innerlijke beleving van de godsdienst is het contact tussen het “ik” en de godheid concreter en directer dan in het verleden. En daaruit kunnen wij weer conclusies trekken omtrent de waarde en betekenis van deze godsdienst:
- Datgene, wat de godsdienst heeft geschapen in de mens, wordt op dit moment door de godsdiensten over het algemeen afgeremd of zelfs bestreden.
- Het innerlijk verbonden zijn met de godheid, met de scheppende Kracht zelf, wordt voor steeds meer mensen een noodzaak om het leven in deze dagen te dragen. Juist hierdoor verkrijgen zij ook een grotere persoonlijke vrijheid en komen zij langzaam maar zeker weer tot een huwen van de geestelijke waarden met de stoffelijke waarden, zoals deze in de oerperiode van de godsdienst hebben bestaan.
- Daar de zelfbeschouwing en zelferkenning in het godsdienstig beleven een steeds grotere rol gaan spelen, mogen wij aannemen dat het geheel een esoterische evolutie is. Een dergelijke evolutie kan nooit worden omschreven in voor elke persoon juiste termen. Zij kan echter wel worden benaderd.
Innerlijke waarheid
In het 3e deel van deze les wil ik trachten de innerlijke waarheid te benaderen.
Naarmate ik meer de werkelijkheid van God erken, zal ik het woord God minder willen gebruiken. Juist deze kracht, waarvan ik weet dat zij in mij bestaat, is voor mij een heiligdom geworden. Er is in de wereld geen vluchtmogelijkheid meer. Er is geen uitweg naar stilte, naar rust en bezinning. Ik kan deze waarde alleen in mijzelf vinden. God is voor mij de innerlijke retraite geworden, waarin ik mijn persoonlijke harmonie herwin. Daarom wil ik die God niet met de wereld confronteren.
De schijnbare ongodsdienstigheid zal verhullen hoezeer ik mij in de Godheid probeer te bergen.
Omdat ik echter niet gelukkig ben met dit wat alleen in mijzelf bestaat, moet ik proberen wat in mij is tot uitdrukking te brengen. Naarmate in mij het begrip van “God in mijzelf” verwarder en minder definitief is, zal ik daaraan uitdrukking geven in steeds meer verwarde stellingen. Ik ga proberen mijn gelijk te bewijzen met vele redeneringen en gelijktijdig weet ik dat ik tekort schiet ten opzichte van de innerlijke waarde. Er ontstaat een strijdigheid tussen dat wat ik ben in de wereld, dat wat ik zou willen zijn in de wereld en datgene wat ik besef te moeten zijn in de wereld.
En in deze strijdigheid kan de moderne mens geen partij kiezen. Hij zoekt daarom innerlijk een benadering, waarbij de normen, waaraan zijn wereld zo rijk is, minder een rol spelen.
Als ik het esoterisch standpunt voor de moderne mens zeer in het algemeen mag schetsen, rekening houdend met het feit dat dit voor eenieder volledig kan kloppen in dit geval, mag ik zeggen:
Er is geen wet buiten de God in mij. Alle andere wetten zijn slechts regels in het leven, waaraan ik mij kan en mag onttrekken, indien mij dat convenieert en als ik dat kan doen, zonder op een ander punt misschien in te gaan tegen datgene wat ik erken als goddelijke Wil.
Mijn erkennen van krachten zal voor mij altijd worden uitgedrukt in engelen, in Gods genade, in Stralen van licht, maar die in verschillende categorieën zijn ingedeeld. In sommige van deze categorieën voel ik mij thuis. Ik kies deze voor mijzelf als de goddelijke Openbaring van het moment.
Ik weet dat er andere krachten zijn, maar ik zal ze ofwel bestrijden (in dat geval voel ik mij schuldig, omdat ik God niet als geheel kan aanvaarden), dan wel ik zal ze negeren, erkennende dat zij voor anderen kunnen bestaan. In dit laatste geval weet ik dus dat ik een persoonlijke bewustwording heb, die door niemand anders precies kan worden gedupliceerd.
De kern van mijn wezen en leven probeer ik steeds meer te uiten. Waar eens de uiterlijke wereld haar brandpunt moest vinden in een innerlijke aanvaarding, moet nu mijn innerlijke beleving en aanvaarding steeds meer tot uitdrukking komen in datgene wat ik in de wereld ben. Een omzetting van waarden misschien, maar gelijktijdig ook een grotere concretisering van het “ik” in de wereld.
Ofschoon de beperkingen voor het ego van deze tijd aanmerkelijk groter zijn dan in het verleden, zal dit ego zich toch meer bewust in de wereld doen gelden en zal de mens voor zichzelf een groter inzicht in dit “ik” gewinnen.
De godsdienst heeft de mensheid dus wel degelijk veel goeds gegeven. Hij vormt zelfs nu nog de basis voor een verdere geestelijke bewustwording en ontwikkeling, die in de komende tijd steeds concreter kenbaar wordt.
Contact
In het vierde en laatste deel van mijn betoog wil ik nog iets zeggen over de mogelijkheid van contact in de godsdienst.
Zodra ik de verwantschap in God als basis neem, kan ik met eenieder in contact treden. Zodra ik mijn definities van God echter als basis neem, zal ik mij steeds geïsoleerd voelen. Naarmate ik God, de goddelijke Wil of de goddelijke Wet meer definieer en concretiseer, zal ik verder geïsoleerd zijn. De godsdienst is dan ook voor heel veel groepen in deze dagen in feite een isolement van de maatschappij geworden, van de mensheid en zelfs van de werkelijkheid. Hierdoor zal de godsdienst vaak in een verkeerd daglicht komen te staan. Maar het is de mens die hier schuldig is, niet de godsdienst zelf.
Indien wij in de godsdienst uitgaan van het bestaan van bovennatuurlijke krachten (paranormale of occulte krachten), dan vul ik hierdoor het stoffelijk weten aan door mijn aanvaarding en eventuele verklaring van de geestelijke krachten, die niet stoffelijk aantoonbaar zijn.
Als zodanig is de godsdienst een middel om een tweede werkelijkheid concreet te beleven en ook met anderen te bespreken. Het nadeel is weer, dat de verdeling van deze geestelijke wereld in “goed en kwaad” verschilt naarmate men tot een andere confessie pleegt te behoren. Het is het hanteren van de verschillen “goed en kwaad”, waardoor wederom een isolement ontstaat. Schakelt men de begrippen “goed en kwaad” voor een ogenblik uit en spreekt men over de fenomena (verschijnselen), dan blijkt dat de godsdienst, de occulte wetenschappen en zelfs de psychologie tot een samenspraak kunnen komen, waarin veel van de innerlijke mens, maar ook van de tweede wereld (de geestelijke wereld die de mens omringt) kenbaar, duidelijk en zelfs hanteerbaar wordt.
Wij mogen het de godsdienst misschien kwalijk nemen, dat hij de mens voortdurend probeert te beletten zelfstandig gebruik te maken van de bovennatuurlijk kracht. Dit is uit het standpunt van gezag en dergelijke verklaarbaar, maar toch onjuist. Hij belet de mens dus de persoonlijke communicatie met God en de geest op grond van de stelregel: Slechts wij weten, hoe deze communicatie tot stand te brengen en hoe daaruit de meest juiste gevolgen te verkrijgen. Dat dit natuurlijk niet juist is, begrijpt u.
Maar door dit te doen stimuleren ze gelijktijdig de mens, die bijzondere belevingen heeft tot een buitenkerkelijk beleven van het bovennatuurlijke, het gebruik van het paranormale, dat toch gebaseerd kan blijven op het godsconcept, dat ook in de kerk wordt verkondigd. Zo wordt er gelijktijdig een band gelegd met een andere wereld en toch een groepsbinding op aarde in stand gehouden.
Tussen de leden van een kerk is de communicatie over het algemeen bijzonder sterk, omdat zij – elkander erkennende als behorend tot hetzelfde geloof – van elkaar meestal zonder kritiek aannemen dat zij even juist zijn in de godsdienst en de leer. Zelfs degene die zondigt en dus voor de gemeenschap tijdelijk onaanvaardbaar is, staat door de aanvaarding van een gelijk aantal dogmata en stelregels nog altijd boven de goede mens die het geloof niet aanvaardt. Zo wordt een groepsexclusiviteit, maar gelijktijdig ook een groepsbinding bevorderd.
Deze groepsbindingen zullen in de moderne wereld langzaam maar zeker gaan afnemen; en dat is goed. Maar in de groepsbinding is wel een saamhorigheidsbegrip geschapen, dat op den duur misschien in de plaats kan treden van het nu nog godsdienstig gebonden zijn, zodat de mens, gebonden in de mensheid, God dient door de mens te dienen en niet meer door God te verheerlijken volgens regels die behoren tot een verleden tijd.
Overmoed
Wie overmoedig is, acht zich – zo zegt men – te sterk. Hij denkt meer te mogen en te kunnen dan hij werkelijk mag en kan.
Maar is dat waar? Is overmoed niet eerder het gevaar dat schuilt in een begin, gevolgd door een aarzeling? Is de overmoed niet eerder het overschatten van jezelf voor een kort ogenblik om daarna tot een normale waardering terug te keren?
Het kan overmoed heten voor de mens om de ruimte te verstoren. Maar als hij die overmoed volhoudt, zal hij op den duur zijn eigen planeet kunnen verlaten en andere planeten kunnen betreden.
Het mag overmoed lijken, wanneer een mens inwijding zoekt, terwijl hij weet nog een dwaas te zijn. Maar als hij die overmoed weet vol te houden en niet terugkeert, met een zekere schrik voor wat hij heeft gedaan, tot de norm, dan is de kans heel groot dat hij die inwijding bereikt.
Er bestaat geen werkelijke overmoed. Het klinkt dwaas, als ik het zo zeg, maar het is de waarheid. Want moed is het aanvaarden van de werkelijkheid. Moed is het gebruikmaken van de werkelijkheid. En overmoed is: niet uitgaan van wat redelijk lijkt, maar van datgene, wat op dat moment in jou leeft.
Overmoed wordt in de eerste plaats bestraft door de vrees voor de consequenties. Want door het besef van verkeerd handelen slaat de overmoed om in baldadigheid. Baldadigheid, die de straf na zich sleept. Indien je echter – moediger dan misschien gerechtvaardigd lijkt door wat je denkt te zijn – in het leven bepaalde problemen nagaat of desnoods in de geest bepaalde krachten oproept en je blijft die moed handhaven, dan bereik je wat. Dan is er geen grens gesteld aan het bereiken.
En vergeet één ding niet: Werkelijke moed is handelen ondanks gevaar, erkende gevolgen of erkende onmacht. Overmoed is ditzelfde in veelvoud. Het is de moed doorzetten tot dat moment, waarop ze niet meer redelijk schijnt te zijn, dat ze geen relatie meer heeft met werkelijkheid en werkelijke verhoudingen.
Maar ook deze overmoed kan zich niets ten doel stellen, wat niet in het goddelijke bestaat, wat niet in een eeuwige werkelijkheid is gegrift en daarom waargemaakt kan worden, indien het streven blijft.
En mocht u aarzelen deze stelling als waar te aanvaarden, dan geef ik u in overweging dat degenen op aarde, die werkelijk groot werden (zelfs de zgn. kleintjes als een Zwolsman en soortgenoten), mensen zijn geweest, die dingen hebben gedaan die overmoedig schenen, maar die hun overmoed hebben doorgezet en daardoor een bepaald punt wisten te bereiken.
Het gevaar van overmoed is slechts, dat men – bereikt hebbende wat men nastreefde – tracht op dezelfde voet door te gaan in plaats van eerst zich te bezinnen op zichzelf, zijn werkelijke behoefte, mogelijkheden en verlangens. Daarom wens ik u toe:
Veel moed in uw benadering van het leven en de problemen ervan. En zo nu en dan een tikje overmoed om de schijnbaar onoplosbare problemen op te lossen en om de schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden te overwinnen.
Definities:
Moeilijk: Moeilijk is over het algemeen datgene wat je niet kunt en datgene wat je niet wilt. Alle andere dingen zijn gemakkelijk.
Eenvoudig: is alles wat je weet, alles wat je kunt, alles wat je begrijpt. Het enige wat je dan niet begrijpt, is dat de ander het niet eenvoudig vindt.
Spiegel: De beste spiegel die er bestaat, is de houding die een ander tegenover je aanneemt.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
