Actualiteit bewustwording – Les 02 – Communicatie

image_pdf

november 1965

Communicatie

Geschiedenis

In de wereld is de verbinding van mens tot mens het probleem van communicatie bepalend geweest, niet alleen voor zijn maatschappelijke vormen en mogelijkheden, voor zijn geloof en religie, maar ook voor zijn innerlijk leven.

Wanneer wij terugzien naar een ver verleden, dan ontdekken wij dat de beperking van de taal, die ten hoogste 50 à 60 woorden bevat, plus de beperking tot stamgebieden, een zeer eenvoudig leven toelaat, waarbij het denken van de mens hoofdzakelijk uitgaat naar de behoefte van alle dag. Ontstaan er handelswegen, dan zien wij gelijktijdig de behoefte aan communicatie stijgen, de vocabulaire wordt uitgebreider en de ideeën worden in grotere mate uitgewisseld tussen de verschillende, tot dan toe, betrekkelijk geïsoleerde stammen. Het resultaat daarvan kan zijn: het ontstaan van bepaalde godsdienstige opvattingen, daarnaast ook bepaalde voorstellingen ten aanzien van de wereld en de krachten welke in die wereld een rol spelen.

Een zeer interessant voorbeeld van hetgeen communicatie voor de mens kan betekenen, vinden wij wel in Atlantis. In dit fabelrijk ontstaat de zeevaart; en door deze zeevaart een vorm van kolonisatie. De landbouwstaat wordt langzaam maar zeker grotendeels een handelsstaat; en vanaf het ogenblik dat er overal vreemde invloeden binnendringen, zien wij een sterke scheiding in de bevolking optreden. Wij zien enerzijds degenen die de oude contacten met een ongevormde, voor allen gelijk werkende godheid verlaten voor persoonlijke goden die hen zouden kunnen dienen. Aan de andere kant zien wij een verfijning van de filosofie, de uitdrukking van hen die de voorlopers zijn van de Witte Broederschap.

Indien wij de gehele historie moeten doorlopen, vergt dat natuurlijk te veel tijd. Ik wil daarom slechts enkele punten aansnijden.

Als wij eenmaal zien dat rond het Middellandse Zeegebied de scheepvaart begint, die grotendeels door de Phoeniciërs wordt beheerst, dan ontdekken wij dat de behoefte aan communicatie voert tot het ontstaan van het eerste alfabet. Voor de eerste maal is er een letterschrift. Als wij later zien dat de katholieke kerk rond de tijd van Pepijn en Karel de Grote een zeer groot gebied gaat overspannen, dan zien wij voor het eerst een werkelijk uitgebreid schrijfsysteem ontstaan, dat ook wordt onderwezen. In de kloosterscholen wordt voor het eerst, zij het hoofdzakelijk nog aan edelen en aan vrijen, lezen en schrijven geleerd. Er is dan de mogelijkheid gedachten tot zich te nemen, zonder dat deze mondeling worden overgebracht.

Door een uitbreiding van het bodesysteem, waardoor snelle verbindingen tussen de rijksdelen mogelijk zijn geworden (Karel de Grote is daar in een specialist), zien wij dat begrippen van het noorden naar het zuiden en van het zuiden naar het noorden gaan. Het godsdienstig beeld, maar ook wel degelijk de vorm die het Christendom in die dagen krijgt, zijn hiervan af te leiden.

Als wij nog enige schreden verdergaan, dan kunnen wij bijvoorbeeld zien hoe de kruistochten door het contact met een totaal anders georiënteerde maatschappij een grote verandering teweeg brengen in de huiselijke omstandigheden, eerst van de edelen maar later ook in die van de burgers. De leefgewoonten worden anders. Het ontstaan van een sterke middenstand (de poorters of burgers) is hiervan eigenlijk een direct gevolg, omdat in het kalifaat het vakmanschap buitengewoon op prijs wordt gesteld en daardoor juist degenen die in staat zijn iets met verfijning te maken, een veel hoger loon kunnen eisen, onderling afspraken kunnen maken, kortom, een soort kartel kunnen vormen.

Door de uitvinding van de boekdrukkunst zien wij haast onmiddellijk de reformatie ontstaan. Een reformatie in het Christendom, zoals deze in Europa is opgetreden, zou niet mogelijk zijn geweest, zonder de eenvoudige verveelvoudiging van pamfletten en het drukken van bijbels. Een geschreven bijbel was een onbetaalbaar kostbaar stuk.

Wanneer de eerste verbindingen via de radio tot stand komen, dan zien wij rond de eerste wereldoorlog daarvan ook weer de resultaten. Het is alsof de wereld groter wordt, maar vooral of de mensen meer belangstelling krijgen voor hetgeen er veraf gebeurt. De uitbreiding van allerhande communicatiemogelijkheden zoals dagblad, pers, weekbladen, later de televisie, de film (vooral de documentaires en de journaalfilms) vormen de mens eveneens langzaam maar zeker om van een burger, die in zijn eigen omgeving woont, tot iemand die eigenlijk wel een voorstelling heeft van de gehele wereld. En dat is uitermate belangrijk voor het innerlijk leven van die mens.

Er zijn in het totaal van het menselijk bestaan een groot aantal cycli – wij hebben daar meermalen over gesproken – en één daarvan doet de belangstelling als het ware in golven gaan. Zij leidt van egoïsme tot bijna altruïsme en terug. Hierbij mogen wij niet vergeten dat de egocentrische denkwijze gelijk blijft. Indien dit echter in een besloten stamgemeenschap gebeurt, dan ontstaan er uit dit meer altruïstisch denken hoogstens stamwetten. Het egoïstisch denken brengt hoogstens het geloof aan persoonlijke geesten, beschermgeesten en voorvaderen. In een tijd van zeevaart brengt het altruïstisch denken een groter begrip voor het leven van andere volkeren en daardoor een uitwisseling van cultuur.

Het egoïsme brengt krijgshandelingen op veel grotere schaal dan voordien mogelijk was. In de tijd van Karel de Grote is het altruïsme een verbreiding van kennis; en die verbreiding mogen wij zeker niet beschouwen als alleen de kennis van het katholicisme, maar ook van nieuwe landbouw- en veeteeltmethoden, van bosbouw en dergelijke. Zelfs zoutwinning wordt de mensen in die tijd geleerd. Er is dus een uitwisseling van kennis. Slaat de zaak terug naar egoïsme, dan zien wij verdeeldheid en oorlogen. En zo kunnen we doorgaan.

Wat daarbij eigenlijk een hoofdrol speelt, is het denken van de mens. Als je een vreemd volk ontmoet, dan kan deze tendens tot altruïsme de behoefte in je doen ontstaan om dat andere volk te begrijpen en te benaderen. En daarmee krijgt men een vermenging van de cultuurinhoud, maar ook van de inhoud van voorstellingen.

Als wij bijvoorbeeld Egypte zien in de tijd dat het nog betrekkelijk geïsoleerd is, dan is er sprake van een onderwereldgeloof. Maar dat onderwereldgeloof is lang niet zo gedefinieerd als in de tijd dat eerst Kreta en daarna Griekenland hun invloed in het rijk van de twee Kronen doen gelden. In uw tijd is het helemaal niet zo vreemd dat iemand, die nog nooit zijn woonplaats heeft verlaten, precies weet hoe de Eifeltoren in Parijs eruit ziet, hoe de Alpen eruit zien en hoe het eruit ziet in de Andes. Hij weet iets van het leven van de mensen in Azië, in Australië of in Amerika. Zijn wereld is ergens groter geworden en daardoor heeft hij meer vergelijkingsmateriaal.

Nu is dat vergelijkingsmateriaal eigenlijk meteen de opbouw van de droom, de imaginatie. Wat u zich voorstelt van een ander mens, van een ander deel van de wereld of van een geestelijke wereld, zal altijd mede worden bepaald door het aantal referentiemogelijkheden dat u in uw wereld bezit. Worden die referentiemogelijkheden vertekend of eenzijdig gegeven, dan ontstaat er vanzelf een vertekend beeld van het leven, van de mensen of van de sferen.

U denkt: gedachten zijn krachten. Het denken van de mens drukt zich uit in de verbeelding, in een soort fantasie. Hij voegt hierin de elementen van het hem bekende tezamen. Hij legt hierin zijn eigen stemming en trekt daaruit gevoelsmatige en persoonlijke conclusies. Dit is het afstemmen van het eigen wezen. Wanneer dus een mens in een altruïstisch werkend tijdperk veel referentiepunten in de mensheid heeft, dan staat hij nader tot het totaal bewustzijn van die mensheid. Wanneer hij in diezelfde periode zoveel verschillende vormen leert zien, dat hij niet meer de vorm maar het innerlijk bepalend gaat achten, dan vindt hij een afstemmingsmogelijkheid, waardoor veel hogere geestelijke werelden in hem actief kunnen zijn. Hij zal verder – en dat mogen wij toch ook niet vergeten – door de voorstellingswereld, die hij in zichzelf voortdurend in stand houdt, ook zijn oordeel over de wereld spreken.

Er is altijd de kwestie van een vergelijken van het eigen innerlijke beeld van wat zou moeten zijn (van het wenselijke) met datgene wat men ziet. Hieruit ontstaat het streven en hiermede wordt niet alleen de actie maar ook de ervaring bepaald. Het is dus niet te ver gegrepen, als ik stel, dat de mogelijkheid van de mens om binnen de heersende kosmische tendensen bepaalde bewustwordingen op te doen en bepaalde inzichten te verkrijgen sterk afhankelijk is van de communicatiemogelijkheden die er op dat moment op zijn wereld bestaan.

Nu moeten wij, als wij deze moderne tijd willen bezien, juist dit probleem van communicatie proberen te omschrijven. En dan kunnen wij stellen:

  1. Praktisch elke mens op de wereld heeft de mogelijkheid andere delen van deze wereld te leren kennen en zich daarvan een voorstelling te vormen welke niet te sterk van de werkelijkheid verschilt. Ongeveer 1/5 van de wereldbevolking heeft op dit ogenblik daarbij de mogelijkheid voldoende beelden te aanschouwen en woordbeschrijvingen te lezen om zelfs nauwkeurige voorstelling van de andere delen van de wereld te krijgen. Het resultaat is dat het denken van de mens scherper gericht, scherper begrensd en scherper omlijnd zal zijn. (Ik maak hier een verschil tussen omlijnen en begrenzen, omdat omlijnen een zekere nadruk inhoudt en begrenzen slechts het ophouden van een bepaalde mogelijkheid of toestand aangeeft.) Nu zal dat vijfde deel, dat zich dus meer concrete voorstellingen kan maken, een oordeel vormen dat is gebaseerd op eigen mogelijkheid (dus eigen leven) plus datgene wat wordt gezien. De wereld wordt rijker. Er zou hieruit theoretisch een grotere mogelijkheid tot erkennen, tot uitvinden zelfs, tot geestelijk bereiken moeten voortkomen. In de moderne tijd blijkt dat echter niet het geval te zijn. Daarvoor moet er een reden bestaan en die reden is ons 2e punt.
  2. Wanneer de veelheid van kennis en indrukken de mens blind maken voor details, zal hij in feite terugkeren tot een isolement, te vergelijken met dat van een stamgemeenschap. Hierbinnen heeft hij geen redelijk oordeel en door de veelheid van indrukken die hem van buiten bereiken, een onvoldoende intensiteit van bestreving en beleving binnen deze kleine gemeenschap. Het resultaat zal zijn: een zekere degeneratie van het gemeenschapsbegrip, een verzwakking van eigen interesse voor het andere.
    Geestelijk gezien betekent dit een wegvallen van een deel van de bewustwordingsmogelijkheden die er in de mens zijn. Maar daarmede is niet alles gezegd, want wij hebben het nu gehad over 1/5. Maar wat dan met de 4/5 die er overblijven? Dit vormt dan het 3e punt
  3. Zolang er een mogelijkheid bestaat tot het steeds weer verkrijgen van nieuwe beelden en een juistere voorstelling van het andere, zal een totale omwenteling binnen de eigen gemeenschap en in eigen leven niet tegen te houden zijn. Een voortdurende vernieuwing van elementen gaat vergezeld van zware beproevingen voor de geest en voor de stof. Een voortdurende noodzaak tot aanpassing brengt een maximum aan ervaring en ook aan bewustwording met zich, daarnaast echter vaak ook een vertraging van de stoffelijke mogelijkheden. 

Hier hebben wij ons dus een beeld gevormd van wat er nu in de wereld zo ongeveer aan de gang is en wordt het tijd dat we nu de communicatiemiddelen ook eens gaan bezien vanuit een ander standpunt.

Communicatiemiddelen

Hij die een communicatiemogelijkheid beheerst, beheerst voor een groot gedeelte het denken van hen tot wie hij spreekt. Zolang ik alleen refereer aan bekende waarden, heb ik een oordeel tegenover mij staan. Ik moet dan overtuigen. Daar waar ik een voorstelling breng die niet bekend is, waar geen gelijke beelden tegenover staan, zal ik ofwel worden aanvaard, dan wel worden verworpen. Hij die verwerpt, kan daarvoor zelf niets in de plaats stellen. Ten hoogste een variatie van hetgeen hem wordt medegedeeld. Het resultaat is dat in bepaalde perioden een maatschappij zal worden beheerst door de denkbeelden van hen die de communicatiemiddelen beheersen.

In uw dagen betekent dit, dat de voorlichting wel veelomvattend maar zeker niet volledig is. Er zijn bepaalde instanties, die direct of indirect, invloed uitoefenen op de wijze waarop mededelingen worden gedaan (dus opinievorming). Daarnaast zijn er andere instanties die mededelingen willen onderdrukken: de beruchte geheimhouding in staatszaken, rechtszaken, militaire zaken enz. Dit impliceert weer dat er een verwrongen beeld van de wereld ontstaat.

Dit verwrongen beeld wordt door de erkende waarden niet voldoende tegengesproken en de mens zoekt voor zichzelf een aanpassing tussen het beeld dat hij zich innerlijk vormt en de werkelijkheid waarin hij leeft. Omdat deze aanpassing niet is gebaseerd op het kennen van alle waarden, is zij meestal verkeerd gericht. Het is deze vreemde eigenschap van beheerste communicaties die – en niet alleen in de moderne tijd, maar ook in andere tijden – aanleiding heeft gegeven tot deterioratie van een gemeenschap, een verval van sociale waarden, ja, zelfs tot een langzaam maar zeker te gronde gaan van bepaalde religieuze gemeenschappen. Er zijn voorbeelden te noemen van tempels, die onderling een keten hadden (soms een telepathische, maar heel vaak door middel van snelboden), waardoor zij mededelingen omtrent veraf plaatsvindende gebeurtenissen als een orakel weergaven. Naarmate zij daarbij echter hun eigen bedoelingen meer op de voorgrond gingen stellen en dus de feiten onvolledig doorgaven, ontstond er langzaam maar zeker een zeer grote vertekening; dus een afstand nemen van de werkelijkheid.

Rome had in de dagen van verval tempels, die zgn. levende couranten (nieuwsslaven) rondzonden. Deze brachten in de huizen van de patriciërs de nieuwsberichten, zoals die in de tempels bekend waren. Maar zij vormden daarbij een mening: dat Rome onaantastbaar was; dat Rome’s grootheid bestond, omdat Rome bestond en niet omdat de Romeinen bepaalde kwaliteiten bezaten. Hierdoor zal het Romeinse rijk langzaam maar zeker ineenstorten.

In deze dagen zien wij soortgelijke gebeurtenissen bijvoorbeeld in Rusland, waar een zeer eenzijdig gerichte voorlichting op den duur een zo grote discrepantie heeft geschapen tussen de feiten en de stellingen, dat men moet grijpen naar middelen en methoden, tegengericht aan de eigen stellingen om althans de werkelijkheid nog enigszins aanvaardbaar te maken. Dit betekent verder dat de conflicten tussen de massa en vooral in de massa zelf, maar ook tussen de massa en het bestuur, groter worden.

Wat we daaruit kunnen aflezen is over het algemeen niet optimistisch. En als ik u een analyse moet geven van de verhoudingen in deze tijd, dan kan ik stellen:

Rusland, China, Portugal, ten dele Spanje, Indonesië, een groot gedeelte van Italië, Griekenland, Turkije en daarnaast het merendeel van de Aziatische staten hebben een zodanig eenzijdige voorlichting, dat de eigen houding en bestrevingen niet gericht zijn op wereldvrede of werkelijke welvaart, maar slechts op een zelfbevestiging; en dit in een tijd dat het altruïsme als golf nog steeds betrekkelijk aan het toenemen is. Wij gaan naar een top toe, die waarschijnlijk pas omstreeks 1970 zal worden bereikt. Wij mogen dus aannemen dat steeds meer groepen zullen trachten hun eigen, door onvolledige kennis vertekende en eenzijdige beelden aan anderen op te leggen. Daarmee ontstaan de grote revolutionaire conflicten in de wereld, die indirect de ondergang betekenen van de tot nu toe gangbare sociale en economische systemen.

Als men daar als mens tussen staat, dan is het wel heel moeilijk om hier positie te kiezen. Veel mensen beginnen dit te beseffen en zij trekken zich dus terug. Om u een voorbeeld te geven:

De gemiddelde politieke belangstelling, genomen over alle zgn. ontwikkelde landen, die dus een redelijk kiessysteem hebben, is teruggelopen van 60 % omstreeks 1890 tot ongeveer 20 % werkelijke belangstelling in 1965. En dat is voor Nederland hoog geschat. Voor de gehele wereld klopt dat ook ongeveer.

Als wij de godsdienst bezien, dan blijkt dat bij een behoud van de aantallen (het doop- en inschrijvingssysteem is daarvoor ongetwijfeld bij vele godsdiensten aansprakelijk) het aantal werkelijk kerkelijken is teruggelopen met – indien wij het voor 1900 stellen op 100 – 79 %! Er zijn nu dus nog 21 % van degenen, die eens werkelijk kerkelijk gelovig waren, in feite kerkelijk gelovig. Degenen die in 1800 zonder kritiek filosofieën en leringen aannamen, zijn in verhouding geslonken tot minder dan een twintigste.

We zien dus een soort afstand-nemen van veel dingen in de wereld. Maar de mens, die gelijktijdig zijn deel-zijn aan de massa, zijn interesse – hetzij in godsdienst, politiek of andere zaken – langzaam maar zeker van zich afschuift, wordt geconfronteerd met de meer persoonlijke sociale systemen; en daarbij gaat hij uit van een eenzijdige voorlichting, die zowel godsdienstig als politiek en economisch onjuistheden bevat.

Het resultaat is dat de doorsneemens zich dus verkeerd instelt. Hij komt tot een toestand van voortdurende disharmonie met de wereld. Hij kan met zichzelf of met de wereld geen vrede vinden. Zijn uitstraling is dus ook disharmonisch. Hoe sterker deze disharmonie wordt uitgestraald, des te groter de gemiddelde disharmonische werking wordt in het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid. Is die invloed sterk genoeg, dan zal zij via het onbewuste deel van de mens een directe aantasting vormen van diens levensmogelijkheden. Hij zal zich dus verzetten, daar waar verzet misschien wel gerechtvaardigd, maar zeker niet opportuun of noodzakelijk is. Hij zal in opstand komen tegen dingen die in wezen onvermijdelijk zijn. Hij zal roepen om bepaalde rechten of mogelijkheden die in feite niet kunnen bestaan. En met deze disharmonie wordt zijn ervaring er één van strijd en van verwerping.

Hoe meer de mens de wereld verwerpt, omdat hij haar niet kan begrijpen, hoe meer hij zich ook geestelijk isoleert. In dit isolement verkrijgt hij een zekere concentratie. Hij zal met alle krachten die met hem harmonisch zijn (maar vergeet niet dat zijn achtergrond op zichzelf meestal niet harmonisch is) contact kunnen krijgen. Deze contacten zullen gemakkelijker tot stand komen dan bij een meer harmonische, maar algemeen ook meer aanvaardende beschavingsvorm.

Het resultaat is dat terwijl de geest in deze dagen vaak betere en juistere contacten met de mens kan krijgen, deze contacten voor de mens gelijktijdig meer strijd en meer onwerkelijkheden met zich meebrengen. Hij zal dus vaak zelf geen weg meer weten tussen hetgeen hij innerlijk en geestelijk als juist meent te ervaren en de uiterlijkheden die er bestaan. Nu zult u begrijpen dat de geestelijke waarden van een mens altijd weer in de hersenen moeten worden uitgedrukt. Ik wil daarvan een klein voorbeeld geven:

U ervaart iets in een Zomerlandsfeer. Daarbij zijn bepaalde elementen die voor u niet omschrijfbaar zijn. U vertaalt het dus in een droomvisioen. Dit visioen is opgebouwd uit bekende waarden en voorstellingen; het tracht het geheel van de ervaring weer te geven. Maar naarmate uw eigen voorstelling van het bestaande onjuister is, zal de weergave meer vervalst zijn. Nu stel ik het volgende:

Als ik denk en ik schep mij een fantasiewereld, dan is die wereld niet helemaal onwerkelijk. Dat geldt zeker ook voor de mensheid van vandaag en niet alleen voor de geestelijk bewuste. Mijn gedachtewereld benadert een werkelijkheid die ergens bestaat. Hoe sterker ik dus denk, des te meer ik mijn denkbeelden ook naar de waarheid toe trek. Je zou kunnen zeggen dat er sprake is van twee gebieden, gescheiden door een stroom. Indien mijn denken of mijn voorstellingsvermogen de beelden die hier bestaan zo sterk gaat beseffen, dat ik ze ten dele als een werkelijkheid of zeker als een blijvende wenselijkheid ga zien, dan wordt de stroom smaller. Dit wil zeggen dat de invloeden die aan deze kant en die aan de andere kant bestaan, elkaar kunnen bereiken. Er ontstaat een verwarring. Er is geen volledige realiteit meer. Er is een voortdurende menging van onwerkelijkheid (vanuit aards standpunt) en van werkelijkheid. Maar datgene wat wij onwerkelijk noemen, heeft voor de mens een net zo grote zeggingskracht en een net zo grote belevingswaarde als het stoffelijk reële.

U zult zelfs in deze periode ontdekken, dat juist uw denkbeelden en de werkelijkheid met elkaar in strijd zijn. Dat u desondanks vaak handelt vanuit die denkbeelden en er een deel van waarmaakt – maar slechts een deel. Wat er overblijft, is daarmee volledig in strijd. Het gevolg is dus: dat juist doordat een deel van het onwerkelijke wordt gerealiseerd, de strijdelementen groter worden.

Voor de bewustwording is dit vaak niet erg voordelig. Juist omdat men een deel van zijn illusies voor zich als waar heeft kunnen manifesteren, is men niet bereid de feiten te accepteren; men verzet zich tegen de werkelijkheid. Het innerlijk bewustzijn is dus niet een aanvaarding van de goddelijke krachten in een reële vorm, maar de aanvaarding van een projectie van zichzelf. Men is niet in staat een magische tweede wereld op te bouwen, die men beheerst. Daarvoor is men niet sterk genoeg. Men is ook niet in staat om die tweede wereld uit de werkelijkheid te bannen. Hier wordt het probleem van de communicatie het moeilijkste wat er denkbaar is: de communicatie tussen een wereld die in uzelf bestaat, die ergens reëel is en uw eigen wereld. Die communicatie kan er alleen zijn indien er een gemeenschappelijke taal is; en die bestaat maar zelden.

Een overbrengen van waarden in de werkelijkheid is alleen mogelijk vanuit een volledig en vast geloof, plus een gevoel van macht, van heerschappij. Over het algemeen ontbreekt een van beide. En als ik dus uw wereld met haar problemen op het ogenblik bezie, dan meen ik wel gerechtigd te zijn wanneer ik voor het geheel stel:

De vermenging van illusie, gedachtewereld en werkelijkheid is zo verwarrend geworden, dat hieruit onvermijdelijk steeds grotere conflicten zullen voortspruiten. Pas indien men erin slaagt, hetzij een gedachtewereld voor een gemeenschap – en dat moet dan een wat grotere gemeenschap zijn van tenminste 100 à 500 leden – te verwerkelijken, of erin slaagt voor zich weer de scheiding te maken tussen de innerlijke wereld en waarden en de uiterlijke, zal men weer vooruitgang kunnen boeken.

Daar dit van de massa niet kan worden verwacht, is het zeer belangrijk dat eenieder voor zich een individuele en een op eigen erkenning van de werkelijkheid allereerst gebaseerde benadering van de feiten vindt.

Voor uzelf mogen wij daaruit ook enkele eenvoudige regels distilleren, die ik dan hier aan het einde van mijn onderwerp nog even onder uw aandacht wil brengen.

  1. Datgene wat u wordt medegedeeld, is nooit volledig. Tracht zo volledig mogelijk te beseffen of aan te voelen wat er achter de communicatie verborgen is. Reageer op de werkelijke feiten en neem daarbij de communicatie alleen in acht als bepalend voor de houding van anderen.
  2. Indien u in deze dagen werkelijk iets wilt bereiken, zult u uw innerlijke waarden en uw innerlijke wereld moeten waarmaken in uw eigen wereld; of u zult afstand moeten doen van de verwezenlijking.

In het eerste geval zult u moeten beseffen dat alles van u moet uitgaan. U bent niet in staat die veranderingen in de wereld aan te brengen door het beïnvloeden van anderen. U kunt het alleen vanuit uzelf. Doet u dit, dan zult u wel geestelijke harmonieën en krachten vinden die voor u en uw wezen positief zijn.

  1. Probeer altijd weer voor uzelf te constateren wat waar is in en omtrent uzelf. Uw zelfkennis zal nooit volledig zijn. Maar als zij een zo groot mogelijke overeenstemming brengt tussen de voorstelling die anderen van u hebben en die u innerlijk zelf heeft, zult u een harmonie erkennen, waardoor u grote geestelijke waarden en mogelijkheden op de wereld kunt openbaren, terwijl u gelijktijdig zelf met groter nut voor uzelf en voor anderen in de wereld werkzaam kunt zijn.
  2. Indien u met geestelijke krachten wilt werken, dan zult u heel vaak ontdekken dat u op de een of andere wijze geholpen, gestimuleerd of zelf geïnspireerd wordt. Deze hulp, inspiratie en dergelijke zijn vaak zeer welkom. Toch moet hierbij altijd weer worden beseft: deze hulp of deze inspiratie is gebaseerd op de harmonie of disharmonie die er in mij bestaat. Voelt u dat u disharmonisch bent, wees dan zeer voorzichtig met de inspiraties die u ontvangt. Probeer dan eerst te handelen naar de feiten. Bent u innerlijk gelukkig en harmonisch, dan is het zeer waarschijnlijk, dat hetgeen er in u ontstaat onmiddellijk bruikbaar is en dat overleg niet nodig is. Men kan de inspiratie dan onmiddellijk volgen, men kan direct de kracht gebruiken, de hulp ontvangen enz.

Met deze punten heb ik getracht u iets duidelijk te maken omtrent het probleem van de communicatie. Een volgende maal wil ik daarbij ingaan op het in deze tijd eveneens zeer belangrijke probleem van de godsdienst. De godsdienst is nl. niet alleen een probleem van communicatie en van voorstellingsvermogen, het is daarnaast een probleem van zelfverwezenlijking; en dit kan ons voeren tot een veel juister begrip voor allerhande dingen, die zich vandaag de dag overal afspelen.

Het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid

Als alle mensen denken en deze gedachten als een uitstraling de omgeving beïnvloeden, dan resulteert dit in een aantal gedachten, die door zovele gelijktijdig worden ervaren, dat zij als een kenbaar denkbeeld over het bewustzijn van de gehele mensheid hangen en daardoor die dan ook kunnen beïnvloeden. In dit gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid moeten wij echter niet alleen rekening houden met de massa. Het kan zijn dat één mens een nauwkeurig omschreven denkbeeld heeft, waarin geen andere (dus eliminerende of tegengerichte) factoren aanwezig zijn. Dit denkbeeld zal zich dan in die massa manifesteren. Is het nu verwant met een vraagstuk of verlangen dat in velen leeft, dan zal heel vaak een betrekkelijk vaag deel van dit gemeenschappelijk denken vorm krijgen door het gevormde denkbeeld van één persoon.

Ik vertel u dit alles om een klein beetje duidelijk te maken dat dit gemeenschappelijk denken – want dat is het in feite – door een enkeling evengoed kan worden beïnvloed als door een heel land, een heel volk.

Zouden wij met de mensen alleen klaar zijn, dan zou het eenvoudig blijven. Want per slot van rekening, de mens heeft zo zijn begeerten, zijn angsten en vooral zijn waan. En aangezien die overal gelijk zijn – zij het dan dat zij tegengericht kunnen zijn – zou ik zeggen, dat zij de meest belangrijke factoren zijn.

Indien wij echter te maken hebben met een stamgemeenschap, een volk (ik zeg niet: een land of een natie, maar een volk), dan kunnen wij er wel zeker van zijn dat dat gemeenschappelijk bewustzijn als een persoonlijkheid bestaat. Wij spreken dan over de groepsgeest of de rassengeest. Als een aantal van die rassengeesten gelijke eigenschappen hebben, dan staat daarboven weer een entiteit, die op haar beurt het geheel van al die raskenmerken samenvat in één begrip.

Wij hebben bijvoorbeeld het Slavische type, het Germaanse type, het Keltische type en de meer Franse typen; alle tezamen een blank ras. Daarboven staat dus een entiteit die het blanke ras vertegenwoordigt.

Nu heeft elk van die entiteiten ook nog weer eens persoonlijke eigenschappen. Die eigenschappen zijn in het begin vormend aanwezig geweest. Eigenlijk kan men dus zeggen: dat in het begin de rassengeest of groepsgeest de groep of het ras heeft gevormd en heeft bijgedragen tot het ontwikkelen van specifieke kenmerken en eigenschappen. Naarmate echter de groep die wordt beïnvloed een meer eigen karakter krijgt, zal in die groep ook een eigen denken en beleven ontstaan; en dit wordt toegevoegd aan het arsenaal van de groepsgeest. Maar de groepsgeest zal daarbij altijd enigszins selectief zijn.

Als ik te maken heb met bijvoorbeeld een rassengeest, dan kunnen wij er zeker van zijn dat deze alle invloeden, die het ras en de geestelijke, maar ook de materiële groei ervan zal bevorderen, aanvaardt, behoudt en versterkt. Alle neigingen die in wezen tegen de belangen van dat ras zijn, zullen worden afgezwakt. In het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid zijn dus dankzij deze rassen- en groepsgeesten – de voor het totaal van de mensheid – positieve waarden altijd overheersend. Misschien maar gelukkig, want als wij weten hoe negatief het denken van de doorsneegroep is, gericht tegen het geheel, dan zouden we misschien gekke dingen kunnen verwachten.

U begrijpt dat voor de rassengeest het individu niet telt. In het gemeenschappelijk bewustzijn is een individu dat geen scherp omlijnde en exclusieve denkbeelden heeft, eveneens niet in tel. Het gemeenschappelijk bewustzijn bevordert daarom in praktijk altijd de belangen van de meerderheid en let niet op de ervaring van het individu. Zij houdt ook geen rekening met wat de mens ziet als de rechten van de eenling. Het gemeenschappelijk bewustzijn drukt de kennis, het vermogen, maar ook het belang van allen uit.

Als u nu in deze wereld leeft, dan wordt u door dat gemeenschappelijk denken omringd. Nu leeft u in Nederland. Dat betekent dat u eerst een groepsdenken heeft, dat bijvoorbeeld dat van Den Haag en randgemeenten zou kunnen zijn. Daarna hebben wij misschien een gemeenschap die reeds door een entiteit wordt geregeerd en die wij samen met bepaalde delen van het Duitse volk en delen van Engeland en België kunnen noemen: de rassengeest van de Nederlanders.

Nu geldt dus voor u: de sterkste persoonlijke beïnvloeding komt steeds uit het bewustzijn van de gemeenschap waartoe u behoort: dus de beperkte gemeenschap. De voor uw lot bepalende invloeden zullen voor een groot deel uitgaan van de entiteit die uw ras beheerst. En binnen het geheel van de menselijke bewustwording zult u – en dat betekent ook voor uw persoonlijk bewustzijn – worden beïnvloed door de geest van de aarde; de kracht die uw hele wereld regeert.

U zult hier in Den Haag dus vaak geneigd zijn om bijvoorbeeld wat ambtelijk te denken. Uw denken zal heel vaak gaan in de richting van regelingen en voorschriften, terwijl u – evenzeer uit dit denken voortgekomen – geneigd bent voor uzelf uitzonderingen te maken op elke regel die u erkent. Overigens is dit menselijk.

In Nederland echter ligt de zaak anders. Het Nederlandse temperament (of moeten wij zeggen: de volkseigenschappen van deze groepsgeest) is dus meer bemiddelend dan agressief of defensief. Dan zult u in uw denken ten aanzien van de buitenwereld altijd proberen om twee kanten van de zaak te zien. U zult voorts geneigd zijn een compromis te vinden tussen die twee groepen en zelden voor één groep absoluut partij trekken. U zult als volk wel geïnteresseerd zijn in anderen, maar u zult toch vooral worden gebiologeerd door datgene wat vreemd is; want u wilt bemiddelen tussen u en de eigenschappen van andere groepen.

Binnen de mensheid is uw rol als volk waarschijnlijk wat minder aangenaam. Zij is nl. een agressieve en in vele gevallen een vernietigende. Dat het Nederlandse volk vernietigende eigenschappen zou hebben, zal het onmiddellijk ontkennen; hoogstens zal men dit toegeven ten aanzien van een bepaald en zeer beperkt deel van de jongere generatie. Dit Nederland zal dus altijd juist krachtens zijn denken en zijn pogingen tot bemiddelen, tot het vinden van een compromis, strijd oproepen waar die in feite niet noodzakelijk is. Men zal beslissingen verhinderen, waar die wel noodzakelijk zijn. Men zal vertragend werken bij het bereiken van oplossingen, die alleen nu ogenblikkelijke waarde hebben. En wanneer dan – en dat is nu het typische – de bemiddelende kwaliteit van de Nederlander of van de groep (en daar hoort dus ook bij een deel van Duitsland, Engeland en België) zich aangetast ziet in haar idee van bemiddelen, dan probeert zij – hetzij langs directe, hetzij langs slinkse wegen – de tegenstander te vernietigen; en dat men daarbij niet kieskeurig is, is een menselijke en niet een typisch Nederlandse eigenschap.

Als men dit verder wil interpreteren, dan zou men dus kunnen zeggen: Wat het geloof bijvoorbeeld betreft, zal een Nederlander altijd geneigd zijn tot het compromis. Hij heeft een geloof, dat misschien intenser is dan bij vele andere volkeren, maar het is in zijn uiting minder hartstochtelijk en vooral minder kerkelijk.

Als het gaat om uitvindingen, dan kan men zeggen: De Nederlander zal over een zeer goed intellect beschikken, maar zijn voornaamste capaciteit ligt niet in het vinden van nieuwe principes, maar in het coördineren van elders ontdekte nieuwe principes. Dit is dus als het ware de psychologie van een volk en deze kan worden afgelezen uit het bovenbewustzijn. Elk volk, elke groep en zelfs elke mens kan uit het totale bewustzijn van de mensheid altijd putten en daaruit voor zich alle gegevens verwerken, voor zover hij ermee harmonisch is.

Typische voorbeelden zijn er te over. Zo is bijvoorbeeld de cinematograaf op 7 of 8 plaatsen gelijktijdig ontdekt, ook al werd deze in Frankrijk het eerst actief ontwikkeld.

De lucifer wordt bijna gelijktijdig ook op 6 à 7 plaatsen in de wereld uitgevonden, met heel kleine varianten. Het is alsof ze bij elkaar hebben afgekeken. Wat betreft de boekdrukkunst, als wij even de Chinezen uitschakelen, want die waren daarin alweer 2000 jaar voor op het Westen, dan ontdekken wij dat waarschijnlijk onafhankelijk van elkaar op tenminste 7 verschillende plaatsen in de wereld plotseling een vorm van boekdrukkunst ontstaat, waarbij het verschil ligt in het bloksnijden of lettersnijden en in de wijze waarop men letters of blokken samenvoegt en afdrukt.

Ik wil daarmee alleen maar zeggen: dat als men ergens in geïnteresseerd is, dan put men eigenlijk uit dit gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid. Maar er is een eis. Voor het individu betekent dit, dat hij volledig geconcentreerd moet zijn; en dan niet alleen dat, maar hij moet in deze concentratie ook een tamelijk nauwkeurige voorstelling hebben van hetgeen hij wil. Als ik een vergelijking mag gebruiken:

Als u een denkbeeld of een weten wilt ontvangen uit het gemeenschappelijk bewustzijn, dan moet u met uw gedachten een doosje bouwen, waarin dat denkbeeld of weten precies past. Zodra het doosje klaar is, wordt het gevuld. Is de maat van het doosje niet juist, dan is er geen contact. Het is dus een kwestie van afstemming. En als u hier gewoon als mens leeft, dan maakt u daarvan bewust of onbewust ook wel eens gebruik van.

Nu is het typische dat u daarbij meestal niet denkt aan het gemeenschappelijk bewustzijn. U denkt misschien aan God of aan de geest, aan de heilige Antonius of desnoods aan een wetenschappelijke of magische formule. Maar dat is een middel. Het is niet belangrijk met welke middelen wij onze definitie of afstemming bereiken. Belangrijk is, dat ze ontstaat. Als een huisvrouw op een gegeven ogenblik met een kapot strijkijzer of een kapotte stofzuiger zit en zij denkt: ik heb dat nu nodig en dan zegt: “Jezus, of H. Antonius, help me” of desnoods een abacadabra-formule mompelt, dan ontstaat de kennis, waardoor zij denkt: Hé, ik kon wel eens een schroevendraaier nemen en dat ding openmaken. En dan repareert zij dit op een manier die een deskundige doet gruwen, maar die goed en doeltreffend is – en het ding is weer bruikbaar. Hier heeft iemand dus geen hulp gekregen van de geest. Neen, de persoon heeft zich afgestemd op een bestaande kennis; want de kennis van die instrumenten is voldoende aanwezig. Iemand die erop is afgestemd, put uit het gemeenschappelijk weten de juiste feiten.

Nu zou het natuurlijk gemakkelijk zijn indien wij die feiten zo één, twee, drie konden begrijpen en verwerken. Maar zij blijven vaak op het terrein van het onbewuste. Dit zijn invloeden die van buitenaf komen en die niet in onze denkbeelden scherp geformuleerd zijn. Wij krijgen eenvoudig een aantal feiten en we weten niet waar ze vandaan komen. Heel vaak is het eerder een intuïtief bewegen of een intuïtief kiezen uit één van de vele mogelijkheden dan een besef: zo is het en daarom doe ik het. Maar als ik dus op deze wijze heb geput uit het bewustzijn, dan kan ik aan de hand van hetgeen ik heb gedaan (dus van de actie) de kennis verwerken. Ik ga begrijpen wat ik heb gedaan, zodra ik erover nadenk en ik zou het een volgende keer dus zelf kunnen.

Ik weet, dat een dergelijk voorbeeld misschien wat overdreven of wat onbeholpen aandoet. Toch zult u zonder het te beseffen van deze mogelijkheid gebruikmaken. De enige vraag die nu rijst, is: waarom de mensen het eigenlijk niet meer doen? Want er zijn zoveel problemen in je leven, waarvoor je zelf geen oplossing kunt vinden. Misschien zijn het psychologische problemen. Misschien zijn het problemen die met de verhoudingen van het leven in verband staan of met techniek, bedrijf, economie of wat dan ook.

Maar de kennis van die zaken is over het algemeen aanwezig. Wanneer ik mij daarop instel, zal ik er gebruik van kunnen maken. Alleen als ik mij bijvoorbeeld hier in Den Haag bevind, dan moet ik er rekening mee houden, dat voor mij de formulering en de actie in overeenstemming zullen moeten zijn met het karakter van de groep waarin ik mij bevind.

Als u dus in een groepering zit, waar het ambtelijk denken bijvoorbeeld overheerst, dan moet u dus systematisch denken. U mag niet impulsief handelen, want dan gaat het altijd verkeerd, zelfs als het denkbeeld goed is. U moet het systeem aanvaarden. Ondergaat u hier de invloed van de Nederlandse geest (de volksgeest), dan is het logisch dat u niet het ene kunt doen zonder het andere. U zult altijd een zeker evenwicht moeten handhaven. Elke eenzijdige benadering leidt tot conflicten en mislukkingen.

Zo zou u dus voor deze kwestie van het gemeenschappelijk bewustzijn wel een paar regels kunnen stellen; en volgens mij doet u dat het eenvoudigst als volgt:

  1. Als ik mij volledig op een probleem concentreer en dit nauwkeurig omschrijf, dan bereik ik een afstemming, waardoor – zelfs indien er geen entiteiten uit de geest of van elders optreden – toch het bewustzijn of het denken van een groot gedeelte van de mensheid te mijner beschikking komt. Ik zal dit ervaren als impulsen die ik op dat moment niet redelijk kan verklaren. Door echter daarop te reageren en daarnaar te handelen zal ik in staat zijn prestaties te verrichten, die boven mijn eigen kennen en onmiddellijk besef uitgaan.
  2. Door incarnatie binnen een bepaalde groep of een bepaald volk wordt zowel lichamelijk als ook ten dele geestelijk een afstemming bereikt. Deze afstemming is in de eerste plaats gebaseerd op de eigenschappen van de groep waarin men leeft, of van het volk waartoe men behoort. Elk putten uit het gemeenschappelijk bewustzijn zal binnen die groep alleen succes hebben indien rekening wordt gehouden met de eigenschappen van de groep.
    Wie gebruik wil maken van het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid, moet zich eerst realiseren in wat voor een gemeenschap hij leeft en in harmonie met deze gemeenschap zijn gedachten en zijn streven omschrijven.
  3. De aanwezige kennis wordt ten dele versterkt, ten dele verzwakt door groeps- en rassengeesten en ten slotte ook door de aardgeest zelf. Wij kunnen er zeker van zijn, dat indien ons streven positief is (d.w.z. bevorderend voor het behoud en de ontwikkeling van de mensheid), wij sneller resultaten zullen behalen dan wanneer wij alleen zelfzuchtig denken. Daarom is het altijd goed bij het stellen van de problemen ze voor onszelf duidelijk en nauwkeurig omschreven te formuleren, maar ze te zien in relatie met de vele gelijksoortige problemen die er bestaan. De oplossing zal dan niet alleen de voor ons juiste, maar tevens de voor ons en de mensheid meest nuttige zijn.
  4. De mens heeft een vrije wil. Naarmate hij zich van zijn vrijheid van denken en handelen bewust is en tevens bereid is zich omwille van de harmonie beperkingen op te leggen, zal hij juist door dit erkennen van de noodzaak tot beperking grotere krachten kunnen ontlenen aan het gemeenschappelijk denken, want dit is niet alleen uit te drukken in beelden of in kennis, maar in zekere mate zelfs in energie.
  5. Indien men zo op het gemeenschappelijk bewustzijn is ingesteld, zal – aangezien in dit bewustzijn ook een contact met sferen en hoge geesten duidelijker en juister is omschreven dan in het gemiddeld bewustzijn van de enkeling – ook vaak een contact met hogere werelden eenvoudiger bereikbaar worden. Alle uitwerkingen van het bereikte contact zullen echter wederom in harmonie moeten blijven met de onmiddellijke omgeving en met de rassengeest waartoe men behoort.

Nu zult u waarschijnlijk zeggen: Het klinkt mooi, maar wat doen wij ermee? In de eerste plaats zou ik zeggen: Weet dat het er is. Het is een hulpbron en soms heeft u haar nodig. Waarom dan die hulpbron niet eens een keer aanboren? U kunt nooit weten.

In de tweede plaats: Als wij beseffen dat het geheel van de mensheid door dit gemeenschappelijk bewustzijn (waarin dus bepaalde entiteiten, geestelijke invloeden ook een rol spelen) ten goede wordt geleid, dan zullen wij ook gaan begrijpen dat intuïtieve reacties, op die manier verkregen, voor de mens en de mensheid vaak beter zijn dan het verstandelijk overleg, de planning van de mens zonder meer. We zullen daardoor iets vrijer komen te staan en gemakkelijker van onze vrije keuzemogelijkheden, onze vrije wil gebruik maken. Dit zal het geheel van de mensheid ongetwijfeld ten goede komen.

Ten laatste zou ik nog willen opmerken: Als wij proberen te putten uit alleen diegenen die direct met ons verwant zijn, dan zullen wij altijd op moeilijkheden stuiten. Je bent natuurlijk geneigd je te richten tot geestverwanten. Maar als je daarbij bewust de mogelijkheid van het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid uitsluit, dan beperk je vaak de mogelijkheden van je resultaten. De grootste harmonieën, de meest juiste wijze van denken en handelen ontleen je juist aan dit gemiddelde van de mensheid. Want de mensheid als zodanig vormt op elk ogenblik in haar geheel een bepaalde harmonie met de hogere krachten van de kosmos. Als wij aan dit gemiddelde van de mensheid beantwoorden en daarvan bewust gebruik maken en eruit putten, dan zijn wij dus niet alleen in harmonie met die mensheid, maar zelfs met de kosmische waarden en de kosmische krachten. Wij kunnen dan de inwerkingen uit de geest en uit de kosmos en van al wat er bestaat gemakkelijke beseffen. Wij leren bewuster leven. En ik zou zeggen dat dat ook de moeite waard is.

Sommigen zullen denken dat het te moeilijk is. Moeilijk is dit alleen maar, indien u het niet kunt accepteren. Maar als u eenmaal hebt geleerd dit te aanvaarden, dan wordt het steeds eenvoudiger. Want u bent deel van dat algemeen bewustzijn van de mensheid. Met de geest zult u misschien niet altijd contact hebben, maar dit gemeenschappelijk bewustzijn is altijd aanwezig; daaruit kan altijd en onmiddellijk worden geput.

Wij leren automatisch daarop een beroep te doen. Dat beroep wordt automatisch een harmonie. En dat betekent dat wij dus altijd beschikken over grotere reserves aan kennis, aan intuïtie en zelfs aan bepaalde krachten dan wij normaal bezitten.

Wij gebruiken die dingen misschien voor onszelf, maar wij kunnen ze ook voor anderen gebruiken. Wanneer ik hier bijvoorbeeld een harmonie tot stand breng, dan is het heel goed mogelijk dat één van u, bezig met een taak die ook mijn interesse heeft, daardoor het denkbeeld krijgt of zelfs opzettelijk of per ongeluk de juiste methode vindt om dat beter te doen.

U kunt dus voor uzelf en voor anderen het leven daardoor dragelijker, vaak ook vruchtbaarder en beter maken. Ik meen dus wel dat we dit gemeenschappelijk bewustzijn hoog mogen aanslaan.

Voor degenen die menen dat de geest daardoor buiten het geding komt, zou ik willen opmerken: dat iemand zoals ik bijvoorbeeld en heel veel anderen die in de geest leven, in dit bewustzijn ook aanwezig zijn. Hoe denkt u anders dat wij in de geest weten wat er allemaal op de wereld gebeurt? Dat kunnen wij allemaal niet persoonlijk bijhouden. Wij kunnen echter uit dit gemeenschappelijk bewustzijn door een zekere harmonie puren en putten zoveel wij willen. Dat betekent dus dat wij bijvoorbeeld op de hoogte zijn, wanneer Feijenoord een slechte wedstrijd heeft gespeeld en wanneer Ajax het goed heeft gedaan; dingen die vaak voor u verbluffend lijken, maar die voor ons normaal zijn, omdat dit aanwezig is in het bewustzijn van de groep. En wat wij zijn, wat wij denken en wat er in ons leeft, wordt door dit contact ook aan dit bewustzijn toegevoegd.

Als wij aan de mensheid denken, zijn wij eigenlijk deel van dit bewustzijn. Pas wanneer wij de vormsferen helemaal hebben verlaten, zouden wij ons erbuiten kunnen plaatsen. Maar tot die tijd zijn wij er deel van.

Zo is dus ook de geest met dit gemeenschappelijk bewustzijn verbonden. En het is gemakkelijker dit bewustzijn op te roepen dan een bepaalde geest. U schakelt de geest niet uit, maar door uit het geheel te kiezen heeft u als het ware de dag- en nachtdienst, terwijl anders de zaak de helft van de tijd gesloten blijft.

Ik zou zeggen dat u in deze dagen, waar alles zo onbestemd en verward lijkt en u heel vaak niet weet wat u wel en wat u niet moet doen, dus van deze mogelijkheid ook heel veel profijt kunt trekken. Want vergeet niet, dat als er heel veel verdeelde bestrevingen zijn en heel veel verdeelde gedachten, dan zal in dat gemeenschappelijk bewustzijn datgene spreken wat het sterkst is. U zou dus als het ware kunnen weten wat de juiste richting is, gezien de resultaten die niet vandaag maar pas morgen of overmorgen kenbaar zullen worden. En u zou het zelfs zover kunnen brengen, dat u een paar jaren vooruit aanvoelt wat juist is.

Ik geloof dan ook, dat ik u met dit kleine onderwerp niet alleen een inzicht heb gegeven in het gemeenschappelijk bewustzijn, maar tevens een paar raadgevingen, waarvan u werkelijk ook in de praktijk met veel nut gebruik kunt maken.

Vooruitgang

Naarmate je verdergaat op de weg, zal er meer achter je liggen. Naarmate je meer vooruit schouwt, bestaat het gevaar dat je meer van wat achter je ligt vergeet.

Zolang het gaan voor jou het interessante is, telt de weg eigenlijk niet. Maar zodra je beseft, dat de weg je gehele leven is; dat het begin en de eerste schrede de herinneringen zijn, die inhoud en zin geven aan de laatste schrede die je misschien nog kunt doen; dat de ketting van levens alleen maar zin krijgt, als elk leven iets rijker is, als het bewust iets meer van het verleden bevat en toch gelijktijdig ook bewuster de toekomst bouwt; dan weet je wat vooruitgang is. Dan heb je de zin van je leven doorgrond.

Wie over vooruitgang spreekt, spreekt over datgene wat hij kan bouwen op grond van een gekend verleden. Leer daarom je verleden kennen en met de krachten en de kennis van het verleden de toekomst bepalen.

Zo is het gegaan met de rassen uit het verleden. Zo zal het moeten gaan met de mensen van vandaag. En wie dat niet kan doen, staat stil. Hij kent geen vooruitgang. Integendeel, hij versuft langzaam, tot het ogenblik dat hij opnieuw moet beginnen en opnieuw de ervaring van de weg, die achter ligt, in zichzelf zal moeten opnemen, om haar tot een bewuste waarde te maken.

Vooruitgang is bewustzijn, omgezet in actie.

De kracht

Hij, die zijn eigen krachten kent en niet zichzelve overschat,

gebruikt de kracht met recht.

Hij vindt in kracht een nieuwe kracht.

Hij vindt uit kracht een grote macht;

en deze wordt het recht op de voleinding.

Wie niet zijn eigen kracht beseft of aarzelt in die kracht te leven,

zal zichzelve dromen weven,

waarin de ziel als in een web verstikt,

terwijl het doel verdwijnt en ’t “ik” in eindeloos zijn aan het rad geketend schijnt.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf