december 1968
Steekspel
Wie zich de moeite getroost na te gaan welk spel er wordt gespeeld op praktisch elk terrein, komt met enige verbazing tot de ontdekking dat vele staatslieden e.d. op het ogenblik in de arena zijn en als een soort gladiatoren trachten hun eigen waardigheid en roem te vermeerderen voor de ogen van een wat verbaasde massa. Wat zijn hier de werkelijke beweegredenen en achtergronden?
In de eerste plaats hebben wij een tijd achter de rug, waarin het voor de politicus steeds moeilijker werd om de massa te bereiken. De staatslieden waren gescheiden van de massa, begraven in hun plannen, die meer de mathematica dan de menselijke ziel schijnen te omvatten. De leiders van grote kerken en dergelijke groeperingen waren druk bezig de heiligheid van zichzelf en hun verkondiging zeker te stellen, terwijl ze daarbij niet hebben gekeken naar de emotionele en ook maatschappelijke behoeften van hun gelovigen.
De periode van het jaar 1967 bracht een voortdurend groter wordende onrust. Het jaar 1968 heeft die bevestigd. We hebben gezien hoe uit de meer individuele acties langzaam maar niet tegen te houden een massale actie aan het groeien is. Het volgende jaar brengt ons ongetwijfeld nog meer excessen op dit terrein. Wij zullen steeds grotere massaliteiten zien optreden tegen de niet meer te begrijpen zijnde politicus, kerkleider, staatsman, socioloog, wetenschapsman. Dat is begrijpelijk. Wie spreekt met het volk, moet de taal van het volk spreken. De politicus spreekt zijn eigen vaktaal, waarbij hij uitgaat van de sociaaldemocratische noodzaken tot recapitulatie van de bestaande gegevens etc. Maar de menigte begrijpt hem niet. Ze kijkt hem wat verbaasd aan als ware hij een medicijnman die onbekende goden aanroept en ze verwacht nu ook dat het wonder zal geschieden. Maar ziet, de ministeriële steken, de democratische hoge hoeden, de plebejische petten blijven leeg; er verschijnen geen onverwachte konijntjes. Integendeel, steeds hoger wordt de rekening die moet worden betaald voor plannen die niet eens worden begrepen.
Ook de priesters kunnen steeds luider schreeuwen over de heiligheid en de roeping die zij bezitten, maar het volk verwacht van hen ofwel wonderen, dan wel menselijkheid. Een tussenweg is er niet. En zo is het steekspel ontstaan, dat in deze dagen uw interesse ongetwijfeld tot zich zal trekken.
Ik wil niet te ver ingaan op allerhande verschijnselen van deze dagen, maar het is misschien aardig te wijzen op bv. de eigenaardige manipulaties van de heer Johnson. Johnson heeft ‑ dat weet hij zelf wel – gefaald als president van de U.S.A. Maar hij wil zijn naam, koste wat wil, toch nog verbinden aan iets, wat hem voor de menigte een man van betekenis zal maken. Hij doet wanhopige pogingen om nog een zekere oplossing te forceren in het Vietnam‑conflict. Gelijktijdig probeert hij ‑ mede dank zij de medewerkers van de CIA ‑ een zekere positie te herkrijgen in bepaalde delen van het Afrikaanse en het Zuid‑Amerikaanse vasteland. Hij doet dit niet voor het volk of omdat het noodzakelijk is, maar om voor zichzelf dan toch nog een klein gedenkteken op te richten.
De Gaulle heeft een beslissing genomen ten aanzien van de franc, die moedig en misschien niet eens onverstandig was. Maar het ging hier niet alleen om een munteenheid. Het ging hier om het beeld van de held van deze tijden, die ‑ geklauterd op het voetstuk “gloire de la France” ‑ ten koste van alles dat beeld van zichzelf wil handhaven en tracht dit beeld, dit veredeld vaderimago, de massa eveneens op te dringen. Er is behoefte aan aanbidding.
De paus, weifelachtig misschien, maar anderzijds autocratisch ingesteld, probeert, gedreven door een aantal oudere bisschoppen en kardinalen, de Curie ‑ zijn gezag als onfeilbaar prelaat, als hoofd van de enige ware christelijke kerk te handhaven in een tijd, waarin de gelovige zoekt naar de oecumene. Hij wordt daardoor gedreven tot een aantal uitspraken die eigenlijk niets meer met het geloof te maken hebben maar alleen met de pauselijke macht. Het is duidelijk dat de massa dit niet kan tolereren en dat zij meer en meer vragen gaat stellen.
Die vragen zijn overigens helemaal niet zo dwaas. Het is duidelijk dat men De Gaulle zo dadelijk eens de vraag gaat stellen: Generaal, hoe komt het toch dat u steeds beschikt over alle middelen die nodig zijn om uw beeld van het grote Frankrijk te verwezenlijken, terwijl er zovelen eigenlijk creperen? Zoals men in Nederland ongetwijfeld de vraag reeds heeft gesteld: Hoe komt het dat u nu ineens over zoveel miljoenen voor bewapening beschikt, terwijl u nog geen miljoen extra overhad voor de noden van uw eigen land of voor de onderontwikkelde gebieden? Dergelijke vragen worden overal gesteld.
In Mexico vraagt men op het ogenblik steeds dreigender: Hoe kwam het toch dat u wel beschikte over de kapitalen die nodig waren voor het houden van de Olympische Spelen (iets wat prestige geeft, maar miljoenen heeft verslonden), terwijl er nog niet eens voldoende onderwijs is voor onze kinderen? Deze vragen maken het steekspel niet alleen interessant maar ook tragisch.
In vele gevallen zien wij theoretisch‑idealistisch ingestelde mensen als een soort Don Quichotten aanstormen op de windmolens van het dagelijks leven dat verder maalt. En ze begrijpen niet dat ze met al hun hoge denkbeelden, hun idealen, hun grootse plannen worden gegrepen door de wieken van het alledaagse.
Ik zou hiermee kunnen volstaan, indien dit niet de aanleiding zou zijn tot veel verder grijpende ontwikkelingen. En dan moet ik allereerst het volgende jaar een ogenblik onder de loupe nemen. 1968 begint langzaam maar zeker af te lopen. En aan het einde van het jaar zeg je: “Ach, het is meegevallen.” In feite is het echter niet meegevallen. Overal in de zgn. rijke landen hebben wij te maken met een versterkte muntontwaarding, met grotere sociale en economische problemen, terwijl bovendien vele politieke en eventueel zelfs meer oorlogsspanningen zich doen kennen.
De komende drie maanden van 1969 zullen ongetwijfeld dit patroon blijven vertonen. Wij krijgen een verdere toename van gewelddadigheden o.a. in Noord Afrika. De Russen mogen nu denken dat ze met enig vermaan de belligerente partijen daar in de hand kunnen houden, maar Nasser weet dat er een feitelijke tegenstand tegen zijn persoon is. Hij heeft zelfs niet durven publiceren dat nog geen drie weken geleden wederom een aanslag op zijn leven is gepleegd. Hij vreest op het ogenblik de toejuichingen voor de moordenaar; en dat is veelzeggend. Hij moet een oorlog hebben, dat kan niet anders. Hij moet een succes boeken. Anders is Nasser en daarmee Nassers systeem ‑ en indirect dus ook de hele coterie die van hem afhankelijk is – uitgerangeerd.
In Jordanië moet de koning worden uitgerangeerd. Degenen die naar de macht zoeken, hebben er alle belang bij dat er conflicten uitbreken, waardoor Hoessein ‑ hoe dan ook ‑ niet mee kan gaan. En als men verder gaat kijken, Algiers en Tunis hebben er belang bij dat de spanningen in Afrika toenemen, omdat hierdoor hun eigen belangrijkheid en daarmee de bedragen die ze aan steun hopen te kunnen verwerven en de voorwaarden die ze menen te kunnen dicteren aan de grote mogendheden, zullen verbeteren.
Vele negerstaten in Afrika zijn op het ogenblik in een toestand van gisting. De komende drie maanden zullen ons doen zien dat men bereid is desnoods volkeren uit te roeien, indien men maar de macht kan grijpen of behouden. Het gaat niet om het welzijn der volkeren, het gaat op het ogenblik om de groten dezer aarde of degenen die zich groten achten, die bereid zijn om ten koste van alles (ook het leven van hun volk en desnoods van zichzelf) te streven naar hun eigen verheerlijking.
Laten we kijken naar andere gebieden.
De eerste drie maanden geven in Griekenland een toenemende golf van politieke arrestaties te zien. En zeer waarschijnlijk daarnaast weer het opleven van protesten tegen de huidige Griekse regering in het buitenland.
In Italië zal in diezelfde tijd de steeds machtiger wordende communistische partij veel van zich doen horen en zeer waarschijnlijk een greep naar de macht gaan voorbereiden. Ze zal daarbij vooral in het zuiden wel redelijke resultaten boeken, meen ik. In de Povlakte zelf is ze op het ogenblik ‑ vooral in de steden ‑ reeds machtig genoeg.
In Frankrijk zal de Gaulle het eindelijk eens moeten uitvechten met de enige die hij in feite nooit heeft willen consulteren: de arbeiders: Jan – met ‑ de pet, de Fransman, die volgens de generaal alleen geschikt is voor discipline, orde, samenwerking en offers voor de glorie van Frankrijk, maar die er allang de buik van vol heeft.
In Duitsland brengen die drie maanden eveneens hernieuwde politieke schandalen. Er moeten bepaalde mensen worden uitgerangeerd. En terwijl er gelijktijdig een actie tegen de nazi’s wordt gevoerd en de nazi‑tendensen toenemen, komen er grote geschillen o.m. in Berlijn. Dat is begrijpelijk. Oost‑Duitsland heeft er genoeg van. Het voelt zich voldoende geprovoceerd in de laatste jaren om nu zelf weer eens behoorlijk te gaan demonstreren en men zal dat doen o.a. in Oost‑Berlijn. Men zal verder trachten op velerlei wijzen de West‑Duitse gemeenschap te desavoueren.
In Rusland zelf weet men niet wat men moet doen. In Rusland is nog een voortdurende worsteling aan de gang, waarbij het gaat tussen de militairen, de Partij en de economen. Deze drie partijen zijn sedert hetgeen in Tsjecho-Slowakije is gebeurd in feite verder van elkaar komen te staan. Hun onderlinge aanvallen zijn ‑ zij het natuurlijk verborgen ‑ steeds feller geworden. Het is aan te nemen dat in de komende drie maanden van 1969 hier zeker tekening in de zaak komt. En ik moet erbij zeggen: het ziet er niet naar uit dat het rode leger zal winnen. Want het rode leger heeft geschillen met de luchtmacht en met de zeestrijdkrachten, zodat de eenheid, waarop men tot nu toe heeft kunnen vertrouwen, is teruggevallen. Wij zien weer een situatie ontstaan, zoals in de tijd van Chroesjtsjov (vooral in de eerste periode), waarin de luchtmacht in feite de Partij steunde, terwijl het leger een eigen politiek voerde. Dit zou overigens in het verdere verloop van 1969 tot een aantal opvallende veranderingen kunnen leiden, juist in dit land. Rusland zal dan wel eens een heel onverwachte tactiek kunnen voeren, en die zal voor het westen niet altijd aangenaam zijn. Want juist als er een interne verwarring en omwenteling plaatsvindt, zal een staat als Rusland (of elke absolutistische staat, wat dat betreft) proberen om naar buiten toe een gezicht van eenheid en kracht te tonen; en dat doe je door anderen eigenlijk een beetje te provoceren.
In de Ver. Staten is op het ogenblik een proces aan de gang, waarvan men niet precies kan zeggen waarheen het zal leiden. Maar voor die komende drie maanden kunnen we wel aannemen dat er sprake is van een toenemende organisatie van negers en daarbij het optreden van meestal uit steden (dus uit andere gebieden) aangevoerde actiegroepen in gemeenschappen, die naar men zegt de rechten van de negers schaden. En dat zou ook wel eens heel erg kunnen tegenvallen voor sommige autoriteiten van het zuiden.
In Zuid‑Amerika zijn op het ogenblik 2 à 3 revolutietjes lopende. We kunnen daar elk moment wel weer verwachten te horen dat er een revolutie is neergeslagen of dat een greep naar de macht is geslaagd. Maar dat is op zichzelf niet zo belangrijk. Belangrijk is wel dat zich in enkele landen ‑ ik denk hier aan Brazilië, Argentinië en in de eerste plaats aan Peru ‑ een soort schaduwgouvernement aan het vormen is van de armsten der armen. De bewoners van de krottenwijken en de krottensteden, de verarmde boeren, worden nu op een vreemde manier samengevat in iets, wat zich niet openlijk tegen het gezag schijnt te willen weren, maar gelijktijdig een scholing ondergaan. Hierbij zijn ongetwijfeld hier en daar Cubaanse invloeden merkbaar, maar ik geloof toch dat het heel wat verdergaat dan dit. Er is hier sprake van een sociale revolutie die zich voorbereidt. Die zal de eerste drie maanden zeker niet uitbreken, maar we moeten er wel rekening mee houden dat dit in augustus ’69 kenbaar wordt.
Het is zuiver een steekspel, want niemand kan winnen, zeker niet in het komende jaar. Ik zal proberen u duidelijk te maken waarom.
Op het ogenblik dat het volk wint en een regering verliest ‑ en dat is denkbaar ‑ zal het volk niet meer in staat zijn een plaats in een volkerengemeenschap in te nemen; en dat is op het moment nodig. Om u een voorbeeld te geven: Indien de vakbonden eindelijk winnen tegen De Gaulle ‑ en die kans is betrekkelijk groot ‑ dan zal het vertrouwen in de franc, dat langzaam is teruggekeerd, sterk worden geschokt. Dit zal ten gevolge hebben dat de franc alsnog moet devalueren. Maar dit zal tevens tot resultaat hebben dat een aantal maatregelen die op het moment nog mogelijk zijn, dan niet meer kunnen worden genomen, zodat het directe inkomen en ook de waarde van de besparingen van de Fransman hier en daar zeer sterk zullen lijden.
Op een soortgelijke manier kun je dus zeggen: Als op het ogenblik de bewoners van de krottenwijken in bv. Brazilië, waar in een bepaalde provincie die revolutionaire drang nu al sterk aanwezig is, zouden winnen, dan zouden zij misschien een gouvernement kunnen omverwerpen. Maar zijn zij in staat om zelf een gouvernement op te bouwen? Neen. Ze zouden een beroep moeten doen op de oude ambtenaren, op degenen die nu aan de macht zijn, want ze beschikken niet over de mensen die in staat zijn om nationaal en internationaal orde op zaken te stellen. Daarom blijft het een duel. Nu valt de een van het paard, dan de ander. En dan klauteren ze er weer op en de charges beginnen opnieuw.
Wie kijkt naar wat er vandaag in de wereld gebeurt en daarbij niet blind is voor de voortdurende wisseling van krachten en invloeden, moet een klein beetje denken aan zo’n ouderwetse klok, waar ridders, engelen of apostelen plechtstatig in een kringetje ronddraaien, schijnbaar elkaar achtervolgend, zonder elkaar ooit te kunnen inhalen. Het bekende rijmpje van “de vier oude wijven kunnen elkaar niet krijgen” zou misschien kunnen worden uitgebreid met het aantal staten dat vertegenwoordigd is in de Ver. Naties. Want ze kunnen elkaar niet krijgen. Ze proberen alles, maar ze krijgen niets voor elkaar. Het waarom is duidelijk: men heeft te maken met een geestelijke revolutie.
Die geestelijke revolutie is ‑ vreemd genoeg ‑ niet in de eerste plaats een religieuze of mystieke revolutie geworden. Men zou aannemen dat in een wereld met een redelijke welvaart de mens in zijn denken eerst naar geestelijke waarden zou uitgrijpen. Het is echter gebleken, dat men eenvoudig met misachting van alle mogelijkheden die er geestelijk bestaan, zich heeft gericht op materiële idealen. En deze materiële idealen worden gediend, niet omdat ze materieel zinrijk zijn of voordeel geven, maar eenvoudig omdat ze een bevrediging geven aan bepaalde schuldgevoelens, omdat ze de mogelijkheid geven een gevoel van bevrijding en zelfverheffing te verkrijgen in de mens zelf. Een dergelijke geestelijke revolutie is heel wat interessanter dan u denkt, omdat we haar kunnen beschouwen als de achtergrond, waartegen zich eigenlijk het hele steekspel afspeelt.
De mensen weten niet wat ze willen. Men wil de onderontwikkelde gebieden helpen zich te ontwikkelen. Maar men wil natuurlijk niet de producten afnemen van die onderontwikkelde staten, want daaraan wordt niet voldoende verdiend. Men is bereid om kapitalen uit te geven om de vrede op aarde te scheppen, maar natuurlijk moet de bewapeningsindustrie aan de gang blijven. Men weet heel goed dat men op het ogenblik bezig is de gemiddelde mens een beetje te vergiftigen (vooral in de industriestaten) en men is volledig bereid om daar wat aan te doen als het maar niet zoveel kost, dat de mens wel gezond wordt, maar dat hij daarvoor ook maar iets van zijn welvaart en de staat iets van haar revenuen zou moeten missen.
Kijk, dat is heden het vreemde spel. Men is volkomen irreëel. Degenen die om ontwapening roepen, zijn geen realisten. Per slot van rekening, als je tussen de rovers zit, moet je je wapens niet weggooien. Degenen, die prediken dat alleen een steeds verdergaande bewapening goed is, zijn eveneens dwazen. Want de man die wapens koopt om zijn brood te verdedigen, is dwaas indien hij zijn brood verkoopt om wapens te kopen, want dan heeft hij niets meer om te verdedigen.
De mensen denken niet reëel. Dat zien we bij de bewapening, maar dat zien we evenzeer bij bv. de oecumene gedachte. Indien we als christelijke kerken willen samenwerken met alle kerken der aarde, dan is dat volledig aanvaardbaar; maar dan moeten wij niet proberen om als het ware de kerken te nivelleren. Integendeel, we moeten juist de verschillen van de onderscheiden geloofsrichtingen met enige nadruk erkennen en alleen vaststellen dat zij even waardevol kunnen zijn als ons eigen geloof, voor hen die daarin volledig opgaan. En dat is nu juist het enige dat men niet wil doen. Men wil heel graag desnoods de dominee en de pastoor bij elkaar op visite laten komen om bepaalde soorten diensten voor elke gemeente te zijner tijd te laten uitvoeren, men is volkomen bereid om in de begeleiding van religieuze plechtigheden te gaan van de Hohe Messe ‑ bij wijze van spreken ‑ tot de beatband, maar tot één ding is men niet bereid: te erkennen dat werkelijke oecumene, het werkelijk ideaal van samenwerking is gelegen in het erkennen van het recht van de mens om vrij te zijn.
Het grote probleem dat in deze geestelijke revolutie meespeelt, is wel de honger van de mens naar vrijheid en gelijktijdig zijn onvermogen om een ander de vrijheid te gunnen. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar toch zijn het die tendensen, welke bepalen wat er hier in de toekomst gaat gebeuren. Het is bepalend voor het wat eigenaardige gedrag van de staatslieden.
Wat te denken van een staatsman als bv. De Jong. Als minister De Jong zijn beleid probeert te verdedigen op de manier waarop een zekere meneer De Gaulle dat al lange tijd heeft gedaan, dan zou je zeggen: Man, je hebt het juiste formaat niet. Als hij probeert om zijn eigen van huis uit militaire instelling over te dragen aan de politieke waarde, dan kan hij wel beweren dat hij gelijk heeft, maar hij staat tegenover een groot aantal deskundigen. En dezen zijn het niet allemaal met hem eens. Zijn argumenten zijn kennelijk niet onaanvechtbaar. Maar dat geldt helemaal niet alleen maar voor een premier De Jong.
Met dezelfde problemen worstelt men in Duitsland, maar ook in Rusland; daar is ook een oppositie. Met dezelfde problemen worstelt men op het ogenblik in China en in Japan. In India zien we ook dergelijke problemen oprijzen. Er is eigenlijk geen land dat er helemaal van verschoond blijft.
U kunt zeggen: We hebben dan toch belangrijke figuren. Natuurlijk, er zijn heel belangrijke figuren, bv. minister Luns. Een fantastische man. Een minister die zich als gek kan aanstellen zonder voor gek te staan. Een man, die door zijn senioriteit, zijn humor, zijn gebrek aan argumenten en door zijn persoonlijkheid vaak zijn al te zeer persoonlijke instelling in de buitenlandse politiek gemakkelijk weet te verbergen. Nu kun je zeggen: Dat is een groot man. Dat is hij inderdaad. Maar is dat een man die op het ogenblik begrepen kan worden? Neen. En wat is er nodig? Er is nodig: begrip. Zolang er geen begrip is tussen de massa en degenen, die voorgeven of menen die massa te representeren, zal het steekspel verdergaan. En zal het steeds meer absurd worden, omdat het zich onttrekt aan de werkelijkheid.
Volksmisleiding is een van de dingen, die hier ook een rol bij speelt. Nu moet u niet denken, dat ik dat in ongunstige zin wil stellen. Volksmisleiding is een haast onontkoombaar deel van uw moderne maatschappij geworden, vergeet u dat niet. Maar een volk, dat te vaak is misleid, laat zich niet meer misleiden. De goocheltruc, die de eerste keer bijna een mirakel leek, wordt op den duur slechts de duffe herhaling van iets, dat 40 of 50 jaar geleden misschien behoorde in de religieuze of politieke vaudeville. Hier is dus een vermoeidheidsfactor. Men is zo vaak bedrogen of voelde zich zo vaak bedrogen dat men zelfs de eerlijkste bedoelingen niet meer kan respecteren en men eenvoudig uitgaat van het standpunt: het is allemaal bedrog. Even goed als in de kerken, waar juist het eerlijk zoeken van overheden naar een juistere vorm van bv. het katholieke geloof heeft geleid tot een vergrote aantasting van de feitelijke kerkelijkheid; dat wil zeggen de kerkelijke discipline die vanuit Rome zozeer wordt bevorderd. Zoals wij zien dat in bepaalde synoden op het ogenblik ook het geloof steeds meer een uiterlijkheid wordt, een soort speldje dat je op je revers steekt en dat je zo nu en dan ‘s zondags eens laat zien, maar waarvan de praktische waarde meer en meer teloor gaat. Dit is begrijpelijk want de mensen hebben geen vertrouwen. Maar degenen die dan juist in deze tijd met misleidende argumenten aan de gang gaan, zijn juist daardoor hun eigen grootste vijanden.
Ik heb zo-even Rome aangehaald. Er is een Nederlandse catechismus uitgekomen. Nu zegt men niet dat die Nederlandse catechismus niet deugt; men zegt dat ze alleen “aangevuld” moet worden. Maar met die “aanvulling” wordt de eigenlijke opzet ervan ongedaan gemaakt. Neemt men nu werkelijk aan dat de gelovigen dat niet zien? Men zal nu zeggen: men heeft dus kennelijk niet de moed om te zeggen “het was verkeerd”. Maar als ze de moed niet hebben om te zeggen dat het verkeerd was, dan moet het eigenlijk goed zijn. Maar waarom willen ze dan dat wij dit en dat en dat nu ook gaan geloven? Zoals in de politiek de mensen zullen zeggen: ongetwijfeld, ze hebben gelijk. De aanpassing aan Europa e.d. is allemaal nodig. Maar als ze ons nu vertellen dat we bv. geen schade zullen lijden van bepaalde maatregelen en afspraken en er is wel schade, als ze ons vertellen dat in 1969 de gemiddelde levenskosten met 3 tot 4% zullen stijgen en de feitelijke stijging wordt bijna 9 %, wat hebben wij dan aan die mensen. Ze deugen niet.
Wantrouwen. Wantrouwen dat in alle landen steeds groter wordt, omdat niemand eigenlijk meer in staat is om eerlijk te spreken, want dan zou hij te veel stromingen, te veel tegenstand ontmoeten. Hij zou te veel moeten verklaren wat in het verleden met de mantel der liefde is bedekt. En daar begint nu eigenlijk voor het steekspel de meest interessante periode.
Ik neem aan dat u die in de tijd kunt situeren vanaf ongeveer mei 1969 tot zeer waarschijnlijk eind november 1969. In deze periode zullen al die grote heren, al die instanties, al deze religieuze heersertjes e.d. worden geconfronteerd met hun eigen onevenwichtigheden, hun onjuistheden, hun misleidende verklaringen. Men zal geen genoegen meer nemen met hun verklaring “dat ze het ook niet verwacht hadden”, want dat is te vaak gebeurd. Men zal zich gaan afvragen: waarvoor hebben jullie kostbare wetenschappelijke instituten, als hun prognoses steeds weer niet deugen? Waarvoor hebben jullie al die planologen in dienst, als hun plannen steeds weer verkeerd uitkomen? Waarom staan jullie zo erg op bepaalde plechtigheden, als blijkt dat ze toch niets inhouden? En die vragen maken de gezagsdragers steeds meer los van het volk, waarin ze staan. Laat mij het zo zeggen:
Als de politie zo nu en dan geweld gebruikt, dan zal ze anderzijds toch vaak dienstverlenend optreden en men zal zeggen: “Nu ja, het zijn mensen. We moeten dat accepteren.” En men zal de politie zeker niet aanzien als een corps misdadigers. Maar stel nu dat de politie haar gezag functie steeds belangrijker gaat vinden en zelfs haar dienstverlening gaat formuleren vanaf het standpunt van haar gezag, dan komt er een ogenblik dat ze los staat van de mensen. En dan zal de dienstverlening die in feite nog geschiedt, niet meer gewaardeerd worden, terwijl elk ingrijpen, gebaseerd op die macht en die machtshandhaving dus in versterkte mate bij iedereen weerstanden oproepen. Maar dan komt het ogenblik dat honderd agenten niet meer in staat zijn om één man te arresteren, omdat eenieder die in de buurt is, zegt: “Daar heb je die gemene zo en zo’s, ze gaan weer een slachtoffer maken.” En dan zou de politie wel eens het slachtoffer kunnen worden. Het is hier en daar wel eens gebeurd. Het heeft geleid tot terreur, dat geef ik graag toe. Maar juist daardoor verliest iets, wat op zichzelf goed is, zijn waarde en betekenis.
Een regering, die los staat van een volk, is eigenlijk geen regering meer. Zij bestaat dank zij de lijdzaamheid van een volk dat echter steeds ongeduldiger wordt. Dan is er maar één casus belli nodig. Eén enkel geval dat de volksonwil oproept, een geval dat vaak helemaal niet meer in verband kan worden gebracht met de gevolgen, iets wat zo onbelangrijk is dat een hele revolutie juist daarover ondenkbaar schijnt. Eén klein feit kan de aanleiding zijn tot enorme strijd.
Nederland heeft grote kans dat het een Kabinet ziet vallen, maar het zal in zijn Kabinetscrisis ongetwijfeld niet alleen staan in ‘69. En er zullen heel wat mensen, die tot nu toe als vlekkeloos golden, plotseling worden aangeklaagd voor bepaalde praktijken. Er zal sprake zijn van omkoping in vele gouvernementen; zelfs in Nederland, zelfs in Duitsland. Er zullen schandalen zijn die plotseling diplomaten en zelfs gezanten tot een soort verwerpelijke smokkelaars maken; niet alleen spionnen, maar werkelijk smokkelaars, profiteurs. Zaken à la Profumo zullen opduiken, niet alleen in de Ver. Staten, maar ook in Italië, Frankrijk en Spanje. Indien we daarmee rekening houden, moeten we zeggen: Het wordt interessant. Die houten figuurtjes die hun houterig duel volgens een bepaalde code voor de menigte houden, staan zonder het te beseffen tegen een achtergrond van een toenemend onheil, een grote massaliteit. Terwijl ze oreren, elkaar uitdagen en de handschoen toewerpen op de vlakte, staan daarachter de bergen die in beweging beginnen te komen. En zo dadelijk komt er een lawine die hen dreigt te verdelgen. Dat is het beeld van deze tijd.
Nu heb ik daarmee wel het voornaamste gezegd. Als ik dan toch nog iets verder inga op sommige aspecten, dan moet u dat niet zien als een afronding van het onderwerp, maar eerder als een vermelding van wetenswaardigheden.
In Engeland bevinden zich op het ogenblik 7 verschillende organisaties, die elk voor zich van plan zijn of bezig zijn om met terreurmaatregelen eigen wil door te drijven. Hieronder kan men rekenen een bepaalde Schotse groep, een groep in Wales, 3 kleurlingen‑groepen, één groep uit de industriegebieden rond Leeds en nog enkele andere. Al deze groepen zijn bereid bommen te gooien, treinen te laten ontsporen, bruggen op te blazen, bedrijven te saboteren. En elk van hen is bereid om zo te reageren op andere maatregelen of door gebrek aan maatregelen van de regering. De regering kan daartegen dus niet optreden. Maar gelijktijdig vinden zij medestanders. Het resultaat zal verbluffend zijn.
Wij zullen in Engeland het komende jaar waarschijnlijk niet zoveel grote stakingen zien als in de afgelopen tijd. Daarentegen zullen we wel steeds weer te maken krijgen met rampen, grote stagnaties in publiek verkeer, het plotseling uitvallen van haveninstallaties en in enkele gevallen zelfs met enorme industrie-branden. En die zullen misschien even gevaarlijk of zelfs gevaarlijker zijn dan menige staking. Overigens wordt het voor Labour juist daardoor een heel moeilijk jaar.
Voor Nederland is er ook wel het een en ander op te merken. In de eerste plaats: de economische ontwikkeling gaat tegen alle gunstige verwachtingen in. Men zal het niet kunnen verbergen voor de burgers dat de gulden aanmerkelijk minder waard is geworden. Men zal het voor die burgers ook niet kunnen verbergen dat de staat in verhouding meer vraagt van het totale inkomen. Men zal daarbij ‑ geloof ik ‑ zeer veel verzet te horen krijgen tegen de wijze, waarop de staat dan haar deel van het totale volksinkomen besteedt. Dit zou eveneens kunnen leiden tot gewelddaden Ik neem zelfs aan dat een niet‑Nederlandse groep in Nederland bereid is – gezien de ontwikkelingen in Nieuw‑Guinea ‑ enkele demonstratieve bommen te laten exploderen, die bijna per ongeluk wel eens wat slachtoffers zouden kunnen maken. Op het Binnenhof ziet het er dus ook niet al te prettig en rustig uit.
Ik wil dan verder wijzen op de mogelijkheid, dat het Panamakanaal dat in feite door Amerika wordt beheerst, enkele malen sterk gesaboteerd zal worden in het komende jaar. Dan zijn én het Suezkanaal én het Panamakanaal allebei buiten werking. Het zou een grote strop zijn voor sommige rederijen, maar het ziet ernaar uit dat men ook hier bereid is chantage te plegen. Dat zijn dan over het algemeen anti‑Amerikaanse nationalistische groepen.
In Venezuela en wat dat betreft ook in enkele rijksdelen over zee moet men rekening houden met aanvallen op o.m. petroleuminstallaties. Het blijft niet bij universiteitsprotesten e.d. Grote branden kunnen worden verwacht; en die zijn aangestoken. Men zal zelfs willen voorkomen dat er wordt geblust, totdat er explosies zijn en dan is het meestal te laat. Hier zouden grote kapitaal verliezen geleden kunnen worden door bepaalde grote maatschappijen. Ook dat is interessant, want het geeft aan hoe vreemd explosief eigenlijk dat hele jaar gaat worden.
We zullen ook bemerken dat het klimaat zelf van het komende jaar daartoe bijdraagt. Het zal in heel veel landen zwoel zijn; dat wil zeggen wel warm, maar vooral vochtig. Voor Nederland is dat niets bijzonders; hoogstens dat het warm en vochtig is, zou een bijzonderheid zijn. Maar voor vele andere landen betekent dit dus, dat juist die dompe sfeer een wrevel en lusteloosheid wekt. Het klimaat zal dus in het komende jaar een grote invloed hebben.
Wij moeten rekenen op zeer sterke rode invloeden in het komende jaar, vooral wanneer het wat verder is gevorderd. Dat betekent dat de hartstochtelijkheid overal oplaait en dat we ook in de privé‑milieus een zekere revolutionaire drang, een soort bandeloosheid zullen ontdekken. Het is mogelijk dat er zelfs perioden zijn ‑ en dan denk ik vooral aan juni – juli – dat vooral op het noordelijk halfrond (op het zuidelijk halfrond zal het iets minder sterk zijn, daar zal het meer staatsgeweld zijn) families tegen elkaar verdeeld zijn en dat familiegevechten desnoods op straat aan de orde van de dag zullen zijn.
U zegt: dat is misschien niet interessant. Ja, toch. Want dit gebeuren betekent een voortdurende verandering, een vernieuwing. Doordat die dingen zo vaak voorkomen, gaat u eraan gewennen. U gaat er anders over denken, zoals u geleerd heeft aan moord en doodslag, aan genocide te wennen. Wat de Duitsers eens hebben gedaan is verschrikkelijk. Wat ze op het ogenblik hier en daar in Rusland doen is natuurlijk niet verschrikkelijk. En wat ze nu doen in landen als Biafra, maar ook in andere staten, dat is eigenlijk gewoon; dat moet je van die wilden verwachten, nietwaar?
Die gewenning betekent dus dat uw morele maatstaven anders worden in de komende jaren. En die verandering van morele maatstaf plus uw verandering van aanvaarding van het openbare beeld, het gezag, de gezagsdrager, maar ook de beweegredenen van anderen, betekent dat u losgeslagen bent. Door die verandering moet u zich heroriënteren. Maar u zoekt zekerheid. De zekerheid, die u gaat zoeken, voert u zonder dat u het beseft ‑ en voor de meesten waarschijnlijk zeer geleidelijk ‑ in de richting van een totaal nieuwe vorm van sociale samenwerking, van moreel besef, maar ook van politieke gerichtheid, van geloof aanvaarding en geloofspraktijk.
Het komende jaar zou voor velen van u het beginpunt kunnen zijn van een totaal nieuwe ontwikkeling. En dit is hetgeen, dat volgens mij het steekspel zijn werkelijke belangrijkheid geeft. Het is de komedie die u wakker schudt. Het is de schijnwereld die door de werkelijkheid bijna zal worden verzwolgen, maar waardoor die werkelijkheid door u eindelijk eens beter zal worden beseft. Het is de onthulling van een nieuwe mens in een nieuwe wereld misschien, die zich in het komende jaar gaat aankondigen. En daarom hoop ik dat u uw aandacht ook zult besteden aan dit politieke steekspel, ook aan de economische dwaasheden, ook aan de wonderlijke ontwikkelingen in het geloof én aan de reacties van de mensen erop. En kijkt u dan alstublieft niet alleen naar Nederland, want overal probeert men de openbare mening te vormen. Kijkt u ook naar andere landen. Stel u op de hoogte. U zult zien, hoe het steekspel der groten wordt tot het ontwaken der kleinen; en hoe het ontwaken der kleinen wordt tot een vernieuwing van alle nu nog schijnbaar zo vaste waarden.
Ontwikkeling van een sociale structuur
Vanaf het begin der mensheid is er sprake geweest van een gemeenschap. In deze gemeenschap ontmoeten we altijd weer de sterksten en dat zijn twee typen: het zijn nl. de lichamelijk sterksten (de machthebbers) en degenen, die mentaal het sterkst zijn en die de feitelijke gezagsdragers zijn. Deze beide groepen zijn reeds in het prehistorische tijdperk aanwezig. En wij ontdekken dat zij ‑ vooral zolang het een kwestie van zwervende stammen blijft – eigenlijk alleen maar een soort erfelijke hiërarchie trachten te stichten, maar dat het niet veel verder gaat dan dit. Pas wanneer steden zich gaan vormen (dat wil zeggen opeenhopingen van mensen), komt daar verandering in.
Wij zien dan dat deze machthebbers niet alleen meer macht uitoefenen (de denkers, vaak de priesters en ambtenaren aan de ene kant, en de sterksten: de soldaten en de kapitaalkrachtigen aan de andere kant), maar dat zij verder behoefte hebben aan een indeling van de gemeenschap. Deze gemeenschap valt dan uiteen in standen.
Dit uiteenvallen in standen lijkt op het eerste gezicht alleen maar een kwestie van intellect of van bezit te zijn. Maar als we iets verder doordringen in die materie, dan komen we tot de ontdekking, dat hier doelbewust een bepaalde verdeling in standen van bovenaf wordt geforceerd. De relatie mens tot mens wordt genormaliseerd en er ontstaan wetten. Dergelijke wetten zijn dus het kenteken van de eerste grote steden en de eerste kleine rijken, de stadsrijken. Voor u zijn misschien de wetten van Hammurabi de meest bekende uit een oudere periode.
Zien wij nu wat er verder gebeurt, dan blijkt: zodra een bevolkingsdichtheid zich verdubbelt in een bepaald gebied, ontstaan er spanningen, doordat de balans tussen de standen niet meer kan worden gehandhaafd. In het verleden resulteerde dat in oorlogen, waardoor alle standen in zekere zin werden gedecimeerd, maar waarmee gelijktijdig een gebieds‑ of bezitsuitbreiding werd bereikt, zodat de oorspronkelijke staat enigszins hersteld kon worden. De verdubbeling echter is op een gegeven ogenblik niet meer het enige criterium. Het tweede criterium wordt de handel.
Als wij spreken over de Nederlanden, dan denkt iedereen automatisch aan de Batavieren, “die drinkend uit de schedels van hun verslagen vijanden en dobbelende om hun vrouwen op boomstammen de Rijn kwamen afzakken en bij Lobith in ons land kwamen.” Wat men zich niet realiseert is, dat de Nederlanden eigenlijk pas ontstonden, toen een zekere Dirk, graaf en machthebber, de eerste tol instelde en daarmee een controle van handelswegen begon. Hieruit groeide nl. de normalisatie van handelsverhoudingen, waardoor alle grote steden in de Nederlanden (dat waren hoofdzakelijk het huidige Noord‑ en Zuid‑Holland) eigenlijk een vaste waarde gingen betekenen ten opzichte van het buitenland. Pas vanaf dat moment zien wij ook een handelsontwikkeling en kan Nederland deel gaan uitmaken van bv. de Hansabond, een internationale bond, enigszins vergelijkbaar misschien met de E.E.G., waardoor dus een groot aantal steden door vaste wissel-verhoudingen, door voorrechten die ze aan elkander gaven en een zeker bijstand verdrag in staat waren om eigenlijk de gehele handel in Europa te beheersen.
Typerend is verder dat een gemeenschap, die een omvang bereikt van enkele honderdduizenden (dat is tegenwoordig een stad, maar vroeger was dat reeds een aardige staat) de neiging heeft om zich te onderscheiden ‑ vaak ten koste van alles ‑ van anderen. U kunt tegenwoordig daarvan nog wel iets terugvinden.
Als u in een land met vele staten reist, ook al is het één land, dan zult u zien dat van provincie tot provincie, van staat tot staat de bouwstijlen, zelfs de kleding en de gebruiken, tamelijk plotseling veranderen. Men heeft de neiging om zich te onderscheiden. We krijgen dus standen in de staten, maar daarnaast een poging om als staat tegenover staat eveneens standen tot aanzijn te brengen. Wat dat betreft, is het voor Nederland natuurlijk niet prettig, want in de huidige verhoudingen mag het zichzelf op de borst slaan en zich progressief noemen, maar het behoort in de sociale structuur van de wereld op het ogenblik zullen we zeggen tot de “betere werkende stand”. Het is nog niet eens een echte middenstand, wat voor een kruideniersnatie wel een schande is.
Nu hebben wij dus staten in standen; daarnaast hebben we in elke staat standen; en deze standen worden dan weer uitgedrukt in groepsverhoudingen. U heeft gemeenten, die in verschillende klassen vallen. En ook deze zijn voortdurend met elkaar aan het strijden. De kleinere gemeenten om in een hogere klasse te komen. Degenen, die een hogere klasse hebben, om de voorrechten van die hogere klasse te bewaren en dus de afstand in aandacht, bezit, enz. ten aanzien van die lagere gemeente‑klasse te handhaven. Dit is iets wat door het hele leven blijft bestaan. Op het ogenblik dat de standen volledig gefixeerd zijn en dat er dus geen mogelijkheid meer is zich van de ene stand naar de andere op te werken, ontstaat de zgn. roulatie van standen. Denkt u hier maar aan de eenvoudige wisseling, die wij ook wel hebben gezien.
Er zijn ridders. Zodra die ridderstand zich zo ver distantieert van de gewone man, dat die niet meer tot de ridderstand kan gaan behoren, zal de gemeenschap proberen op een andere wijze dat aanzien te verkrijgen. En wij krijgen de steden met de stadsrechten. Aan die steden met hun stadsrechten en hun handel gaan ten slotte weer de ridders in zekere zin te gronde. Als de steden echter te grootmachtig worden, worden zij weer belaagd door wat men de provincie zou kunnen noemen en wordt er dus een vorst gebruikt (de representant in feite van de provincie) om die steden in hun macht te beknotten. Dat zijn dan de boeren die aan het gezag komen. Maar er zijn ook de “ontrechten”. Dezen komen in opstand en vormen nu het begin van de intellectuelen. Hun enige mogelijkheid is nl. een geestelijke ontwikkeling.
Ik mag u er misschien aan herinneren, dat bv. de grote tekenaars en schrijvers van Egypte slaven waren. Dat de docenten in Griekenland en Rome slaven waren. Dat de intellectuelen, die de eerste aanleiding hebben gegeven tot allerhande reformen in Italië, maar ook in Frankrijk, in Duitsland en elders, vaak “gewone” mensen waren; dat wil zeggen, mensen van bijna geen sociale betekenis
Zodra de intellectueel uit de lagere standen komt, tracht hij zich te verzetten tegen de heerschappij, hetzij van de provincie, de steden of de ridders. Of als u het anders wilt zeggen: tegen de heerschappij van leger, politici (die de handel mede vertegenwoordigen) ofwel van het volk, waarvan we dus in dit geval kunnen zeggen: de werkende stand, de vakbonden. Zodra dit verzet van de intellectueel plaatsvindt, krijgen wij dus de neiging tot omwenteling. Bij die omwenteling verandert er in feite niets.
Het typerende is, dat deze sociale structuur, die we terug kunnen volgen tot ongeveer bijna 8000 vóór Christus, op het ogenblik eigenlijk nog bestaat. Er is misschien sprake van een meer liberaal onderling verkeer volgens uw opvatting, maar in vele gevallen werd de slaaf van vroeger even gewaardeerd door zijn bezitter als de eersteklas werkman in deze dagen door zijn werkgever.
Die steden zijn dus blijven bestaan. En op grond daarvan kun je zeggen: De sociale structuur zal in dit standen‑systeem blijven kleven, zolang er verschillende benaderingen van het leven bestaan. Het bezitten of niet‑bezitten is hierbij incidenteel. Bepalend is de geesteshouding. In uw dagen kan men die geesteshouding ongeveer als volgt uitdrukken:
De ridders of de machthebbers: Er moet een sterke man zijn, die voor alle anderen denkt. De handelaren: Wij moeten zoveel mogelijk denken aan het profijt voor allen, want slechts indien we het profijt voor allen tot stand brengen, kunnen wij zelf daaraan voldoende verdienen. (Dat laatste wordt soms weggelaten.) De boerenstand, althans de werkende stand, reageert met een: Wij zijn bereid te dienen, maar wij menen dat onze verdiensten niet voortdurend en voldoende worden erkend. Het gaat in feite veel meer om erkenning dan om beloning, hoe vreemd het ook moge klinken. Dezen reageren dus: het kan ons niet schelen, of er een sterke man is of niet. Het kan ons ook niet schelen, of er winst wordt gemaakt of verlies geleden, dat kunnen we allemaal verdragen. Maar onze belangrijkheid, onze verdienste moet worden erkend.
Daarachter vinden we dan de groep van de paria’s. (Neemt u mij niet kwalijk dat ik intellectuelen met paria’s vergelijk, maar de werkelijke intellectueel, dat kan ik u verzekeren, is in feite een paria, tenzij hij zich bindt aan de belangen van een bepaalde groep.)
Deze intellectuelen reageren: Wij willen de mogelijkheid hebben om met ons intellect te werken, maar wij zijn niet bereid om dat alleen eenzijdig en voor een bepaald doel in te zetten. Waaruit dus blijkt, dat niet alle wetenschapsmensen intellectuelen en ook niet alle intellectuelen wetenschapsmensen kunnen zijn.
De neiging, die bestaat om nu een reform af te dwingen, houdt voor de intellectueel echter in, dat hij zich ‑ al denkt hij dus niet absolutistisch ‑ beschouwt als degene die het best weet wat goed is voor anderen. Dat hij uitgaat van het standpunt dat hij alleen kan bepalen welke winst de moeite waard is. En dat hij alleen de juiste waardering kan uitspreken voor anderen. En dat houdt weer in dat een dergelijke omwenteling veelal de chaos, de terreur met zich brengt. En dan behoeft u heus niet alleen aan de Franse revolutie te denken. U kunt ook denken aan het optreden van de Bundesschuh in Duitsland en aan het optreden van de Garribaldisten in Italië. Daar heeft u verschillende voorbeelden.
Deze chaos kristalliseert dan over het algemeen in nieuwe sentimenten. En zolang er een sentiment is, dat de standen verbindt, is er een eenheid. Bij die eenheid is wederom het doel in feite onbelangrijk.
Er is een tijd geweest, dat bv. in Engeland alle standen, vanaf de slaven en lijfeigenen tot de koningen, verbonden waren met kerk en al in één denkbeeld: het beleven van een Graalmysterie. Iets, wat in feite een mengsel was van geloof, ridderromantiek en het bereiken van verdienste onder het mom van vroomheid. Op soortgelijke wijze is men op het ogenblik bezig.
Wie de ontwikkelingen heeft gezien in de laatste tijd, zal het met mij eens zijn dat de tijd van de sterke man praktisch heeft afgedaan. De feitelijke invloed ligt ook niet meer bij de bezitter; zij ligt op het ogenblik bij de werkende stand, of als u het anders wilt zeggen: in de provincie. Deze standen echter denken zelf zozeer aan het bereiken van erkenning, dat zij niet in staat zijn reëel en realistisch te reageren. Er is dus overal sprake van het opkomen van de losgeslagen intellectuelen. Dat wil zeggen: de intellectuelen die zich niet wensen te binden aan welke stand of welk ideaal dan ook. Het is dus bijna onvermijdelijk dat het rad een slag draait. De intellectueel van vandaag zal waarschijnlijk de aankomende dictator van morgen zijn. Maar daartussen ligt een tijd van verwarring.
De enige mogelijkheid om uit deze fatale wervelgang te komen, is het afschaffen van standen. Maar als men de standen afschaft, moet men meer afschaffen. Want het bestaan van standen is het scheppen van een prikkel, die berust op frustratieverschijnselen. Zoals ook moraal, een beperking van materiële mogelijkheden e.d. in feite niets anders zijn dan het scheppen van een frustratie prikkel, waardoor een maatschappelijke gang kan worden bepaald. Om u een voorbeeld te geven:
Indien wij een volledig vrij denken en leven voor de mens mogelijk maken in religieus, seksueel en sociaal opzicht, dan is het bijna zeker dat geen mens ervoor zal voelen om oorlog te voeren. Hij voert dan wel zijn eigen kleine oorlogjes, maar voelt er niets voor om anderen te gaan dood maken; er zijn leukere dingen te bedenken. Indien wij dus een zeer strenge zedelijkheid prediken, dan krijgen we hiermee een neiging tot geweld. Daar, waar de ordening de vrijheid van de mens het meest aantast, zien wij een bijna sadistische macht-handhaving optreden. En dan kunt u natuurlijk denken aan wat Hitler heeft gedaan, maar u moogt ook terugdenken aan bv. Oliver Cromwell en aan het eigenaardige optreden van bepaalde monniken, aan bepaalde zgn. christelijke ridderorden in het verleden. Deze mensen waren te zeer aan banden gelegd. Daardoor werd hun drang naar zelfopenbaring gelijktijdig een sadistische machtshandhaving ten koste van anderen. En dat zullen we nu ook nog wel zien.
Ik meen dat wij voor de huidige sociale structuur mogen zeggen: Indien de belemmeringen wegvallen, indien in plaats van de maximale regeling van het menselijk lot (of dat nu gaat om zekerheid of om wat anders, dat doet niet ter zake) wij die regeling doen wegvallen, dan krijgen we daardoor een verminderde frustratie bij de mens en een vergrote persoonlijkheidsuiting. Indien daarbij dan gelijktijdig een wederkerige aanvaarding komt, krijgen we te maken met een uitermate flexibele gemeenschap, waarin het standsbegrip geen rol meer speelt. Om u een voorbeeld te geven van een dergelijke gemeenschap: de trekkers, die in de Ver. Staten en wat dat betreft ook in Zuid-Afrika met grote karavanen op zoek gingen naar een nieuw land, hadden meestal wel iets wat hen samenhield, maar zij waren van totaal verschillende standen. De dokter en de rechter waren daar bij wijze van spreken met de “doe‑niets goed”, die misschien moest vluchten voor de politie. Zij vormden een gemeenschap. In die gemeenschap waren geen standen en waren de regels over het algemeen minimaal. Ze werden voor een deel natuurlijk door hun voorgeschiedenis en hun godsdienst beperkt, maar toch was de vrijheid daarin betrekkelijk veel groter. Het resultaat was een veel gezonder verhouding en een volk of een groep, die zich vergeleken bij anderen groepen veel beter wist te weren en aan te passen. Dit zou ideaal zijn voor de toekomst, maar het lijkt mij op het ogenblik nog onbereikbaar. Want er zijn nog te veel mensen die weten wat goed is voor een ander. En dat is fataal.
Ik moet dus aannemen, dat de huidige revolutie, die zich ‑ zonder geweld overigens hoop ik ‑ doorzet, de niet‑gebonden intelligentsia meer en meer aan het bewind gaat brengen. Hun invloed zal bepalend worden voor de reacties van gehele landen. En daarmee zullen we het verschijnsel krijgen van de sterke man. Maar omdat de sterke man in deze dagen vanuit de intelligentsia niet meer kan worden gekozen, maar vanuit een algemeen gangbaar wereldbeeld (de werelden zijn te veel verschillend), zullen wij gelijktijdig een mildering krijgen van de begrippen van gebondenheid en wetmatigheid en daarmede een vervaging van de standen. Zodra dit het geval is, kunnen wij spreken van volkeren die misschien nog wel met elkaar zullen strijden, indien ze elkanders rechten te veel zouden aantasten. Maar is in het volk eenmaal dit standensysteem uitgeblust, dan bestaan de statusprikkels in het internationale verkeer ook minder. En waar die status prikkels niet meer aanwezig zijn, kan een logischer reactie volgen tegenover de buitenwereld.
Door een logischer reactie zullen wij zeer waarschijnlijk een door de landen gespeeld spel zien, waarin die standenmolen nog wel even doordraait (van A‑, B‑ en C‑staten, net als bij de gemeenten in Nederland), maar waaruit we toch een wereldregering zullen zien voortkomen. En dat zal waarschijnlijk door een sterke man zijn.
We krijgen dus toch te maken met een werelddictator. Deze zal, omdat de intelligentsia te verspreid is en niet meer geheel gevangen kan worden in een kader van regels en bemoeiingen, zeer waarschijnlijk die sterke man zijn werkelijke macht ontnemen, terwijl hij gelijktijdig het representatieve hoofd blijft. Men heeft nu een façade, waardoor chaos wordt vermeden, terwijl gelijktijdig de verdere vermenging van standen en belangen mogelijk is en daarmee de persoonlijke vrijheid die op den duur het zuiver persoonlijk leven weergeeft.
Dan zullen we misschien eindigen waar de mensheid is begonnen: met gemeenschappen, die ‑ al zwerven ze dan niet ‑ toch ook weer ergens hun sterke en hun slimme man hebben, maar waarin de sterke man en de slimme man zich alleen kunnen handhaven, zolang de gemeenschap hen duldt. En het eindresultaat zal zijn: kleine groepen, grote vrijheid, zeer sterke onderlinge vermenging, het wegvallen van standenbegrip en daarmee een geestelijke integratie van de volkeren, gevolgd door een steeds grotere materiële integratie, eindigend in een mensheid die als eenheid leert denken en spreken, die elkaar leert begrijpen en door dit begrip kan evolueren naar een volgende trap van ‑ zullen we zeggen ‑ verbeterd mens‑zijn.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
