februari 1969
Het Koreaans raadsel
Er is een Noord‑Korea en een Zuid‑Korea. Niemand weet precies waarom. Er zijn vele politieke beweegredenen voor, maar een logische oplossing is niet te vinden. Het vreemde is, dat in beide Korea’s op het ogenblik guerrilla activiteiten aan de gang zijn. In Zuid‑Korea probeert men de staatslieden om te brengen die daar de tendens bepalen. Maar vreemd genoeg gebeurt datzelfde natuurlijk in Noord‑Korea. In beide gevallen wijt men de aanslagen aan de geheime dienst van de andere kant. Om te begrijpen wat er aan de hand is, moeten we geloof ik even nagaan wat in deze Koreaanse kwestie, de Vietnamese kwestie, etc. zo’n grote rol speelt.
Het is niet alleen een kwestie van strategie. Het is ook een kwestie van prestige en daarnaast ook van handelsbelang. Nu was dat alles te regelen geweest in vrede, indien niet aan beide kanten ‑ zowel de communistische als de democratische kant ‑ de neiging had bestaan om eigen prestige voorop te zetten. Met andere woorden: men heeft allebei eigenlijk behoefte aan wat men noemt de sterke hand.
De situatie in de Korea’s ligt op het ogenblik ongeveer als volgt: In Noord‑Korea kan iedereen werken. Niemand behoeft werkloos te zijn, niemand behoeft helemaal te verhongeren. Velen doen het half. In Zuid‑Korea ligt de zaak zo dat zich langzaam maar zeker een zeer welvarende bovenlaag heeft gevormd. Daaronder is een massa, die worstelt om, zullen wij zeggen het dagelijks brood met vele mislukkingen, die verhongeren. En weer daaronder hebben we de niet‑productieve bevolking, waaronder bv. alleen in Seoul ongeveer 7.000 kinderen die langs de straat zwerven en leven van wat ze vinden aan afval of wat ze kunnen afbedelen.
Dit is geen veroordeling van één van beide staten. Maar kennelijk zijn beide staten arm. Kennelijk is het de bovenlaag in beide staten die zich ten koste van de daaronder liggende bevolking tracht te verrijken. In beide gevallen zijn de guerrilla-tactieken die worden toegepast, mogelijk te wijten aan opleidingen van geheime diensten, maar mogen we toch wel zeggen dat de betrekkelijk massale acties die er inderdaad nog plaatsvinden – al hoort u er weinig van – uit het volk voortkomen. Het is een kwestie van het volk zelf. Het is dus geen kwestie van alleen maar een systeem of een bepaalde groep machthebbers.
Iets dergelijks speelt zich af in Vietnam. Ook in Vietnam oorspronkelijk is een halve eenheid gemaakt tot een volledige scheiding. Ook in dit geval in het noorden gedeelde armoede met een bovenlaag die het dan wel redelijk redt, in het midden een betrekkelijk kleine en bovendien van een ander geloof zijnde kliek, die zeer rijk is geworden. Daaronder een middenstand die eigenlijk alles liever heeft dan geweld. En weer daaronder een grote hongerlijdende massa. Dan mogen we zeggen dat in Zuid‑Vietnam een groot gedeelte van de guerrilla’s voortkomen uit Zuid‑Vietnam zelf. In Noord‑Vietnam zijn weinig guerrilla‑activiteiten en dat is heel begrijpelijk. Als ze daar een guerrillastrijder vangen, dan transporteren ze hem meteen naar Zuid‑Vietnam. En dan doet hij daar het goede werk wel verder. In beide landen hebben we dus te maken met een sterke scheiding tussen een bovenlaag en een onderlaag. Het is erg belangrijk dat we dat onthouden.
Nu zien we China. Dit land is op het ogenblik weer in een periode van revolutie; en dat wordt een heel eigenaardige revolutie. Er zal nl. ‑ waarschijnlijk binnen enkele maanden ‑ een partijraad zijn die dan een soort nieuwe grondwet zal aannemen. Marx blijft misschien patroonheilige, maar de baas – God zelf ‑ wordt Mao. Dat was allang te verwachten en het zal niemand verwonderen. Maar wat de meeste mensen in het Westen niet begrijpen, is wat er achter ligt.
Er is nl. in China een soortgelijke verdeeldheid. En nu moet u even niet denken aan Formosa, maar u moet werkelijk eens denken aan het land zelf. In dit land zijn verschillende groepen machthebbers die het goed willen hebben. Sommigen gedragen zich ongeveer als de roverkoningen van vroeger; anderen zijn erg bureaucratisch. Zij zoeken voor zichzelf het goede, al geven ze dat niet toe. Ze scheppen een zekere middenstand die prestige geeft. Daaronder ligt een massa die oproerig is.
Nu is het middel om een dergelijk probleem op te heffen een oorlog of een geloof. Een oorlog kan men zich in China op het ogenblik niet permitteren, ofschoon er alweer enkele proeven met kernexplosies zijn genomen en naar ik meen, zal de wereld nog vóór het einde van het jaar verrast zijn over enkele technische prestaties van dat zgn. achterlijke China. Maar heel belangrijk is hierbij: een oorlog kan men van China uit, alleen maar aan indien men niet wordt gepakt ‑ en dat is toch wel zeer belangrijk ‑ door de omliggende landen.
In de genoemde partijraad en de daaruit volgende verandering van geloof, zal o.m. worden gesteld dat zowel de revisionisten als de kapitalisten in gezamenlijk overleg China hebben omsingeld om het ware communisme onder leiding van voorzitter Han te doden. (Ik citeer bijna letterlijk). Dat betekent dat Rusland op gelijke voet wordt gezet met Amerika. Waarom?
In China zelf is nl. ook een guerrilla aan de gang. De guerrillero’s, die daar optreden, zijn voor een groot gedeelte mensen die Moskou‑gezind zijn. Dat is dus geen revolutie van vrijheidslievende Chinezen tegen de Rode onderdrukkers. Neen, het is een broederruzie tussen broeders‑communisten. Indien dit doorgaat, krijgen we een uitermate vreemde omschrijving van wat men noemt Chinese democratie. De formulering zal ik u niet helemaal geven, anders wordt het te omslachtig. Het komt ongeveer hierop neer: Alle processen zijn democratisch. Elke gezagsdrager wordt gekozen. De partij wordt door de gekozenen vertegenwoordigd. Maar de partij als geheel is afhankelijk van de adviserende functie van de grote partijraad, die ‑ en dat staat er niet uitdrukkelijk bij, maar zo zou men het toch moeten lezen ‑ onderworpen is aan de bevelen van Mao. Mao zelf is eigenlijk helemaal niet meer in het geding. Hij is een speelbal geworden van verscheidene andere heren die het prettiger vinden achter een marionet te zitten; dat is veiliger. Bovendien heeft Mao een enorm gezag gekregen. Hij heeft China de nieuwe bijbel gegeven (het rode boekje). Mao is dus alleen maar een figuur die door een willekeurige leider kan worden vervangen, waarbij dezelfde kliek aan de macht blijft.
Die stelregels hebben dus ten doel de revolutie eveneens te onderdrukken. Maar indien dat gebeurt, hebben ze één ding verkeerd bekeken: Op het ogenblik is nl. de Moskou‑gezinde Chinees anti‑Formosa, anti‑Amerika. Maar als nu openlijk en letterlijk de Amerikanen worden gelijkgesteld met de Russen, zou Formosa wel eens een veel grotere invloed kunnen krijgen in Rood‑China en zou men veel betere contacten kunnen krijgen met de guerrillero’s dan op het ogenblik het geval is. Het is eigenlijk deze achtergrond die ik vandaag met u zou willen bespreken.
Als je de moderne wereld bekijkt, zie je allerhande vreemde dingen gebeuren, maar je begrijpt eigenlijk niet precies wat er aan de hand is. Dat is ook begrijpelijk. Een gewoon mens ziet dat eenvoudig niet en het is haast niet te zien. Er wordt nu economisch gedobbeld. U merkt van die dobbelpartij niet zoveel door de munteenheden die aan elkaar gekoppeld zijn en door allerhande andere maatregelen. Maar Rusland heeft op het ogenblik een grote kapitaalsmacht.
De meesten van u weten niet dat ongeveer 70% van de wereldproductie aan platina uit Rusland komt. Platina is misschien niet zo officieel aanvaard als goud, maar het heeft toch wel een bepaalde industriële waarde. Nu is het met goud zo, dat kun je nog wel kunstmatig wat verdoezelen door verandering van koers. Maar een verbruik product kun je niet verdoezelen; dat moet je hebben om het te kunnen gebruiken. Het resultaat is dat dit platina, dat nog niet zo heel erg lang geleden werd beschouwd als minderwaardig zilver, (het is zelfs bekend dat men in Engeland shillings heeft vervalst, omdat ze zilver te duur vonden en daarom deden ze het met platina), wat enorm in waarde toeneemt. Het wordt in kleine vierkante ingots verkocht. Als we een willekeurige prijs noemen om een vergelijking mogelijk te maken van de stijging per Troy ounce (dat is ongeveer 37½ gram), dan was dat twee jaar geleden 30 dollar. Maar als het toen 30 dollar was, dan is het nu 65. (De door mij gegeven getallen zijn niet juist; ze zijn alleen gegeven om een vergelijking mogelijk te maken.) In 2 jaar dus een kapitaalswinst voor de bezitter van meer dan 100%. Dat is ruim 50% Per jaar. Waar maak je dat?
Nu heeft Rusland daardoor dus een enorme kapitaalsinvloed. Er is veel meer vraag naar platina en verschillende andere metalen (cadmium, vanadium) dan er eigenlijk productie is. En Rusland heeft vooral in de ertsrijke Oeral een zeer grote productie van o.m. deze metalen. Om een vergelijking te vinden kunnen we zeggen: Het grootste producerende land op het Amerikaanse continent is op het moment Canada. Dit land produceert van de platina‑opbrengst per jaar in de wereld zo iets van 8 tot 9%. Van de andere door mij genoemde metalen is de gemiddelde productie in vergelijking toch niet boven de 15%. Maar Rusland heeft juist voor dergelijke schaarse metalen een productie die ligt tussen de 40 en de 70% van de wereldopbrengst per jaar. Hierdoor is de economische invloed van Rusland aanmerkelijk groter dan men kan overzien en dan men vermoedt. En die economische invloed hebben ze nu gebruikt tegen China.
De Amerikanen hebben er belang bij dat Rusland op de een of andere manier uit het westen materialen (al zijn het grondstoffen) betrekt, mits deze betaald worden in de schaarse metalen: dus platina, etc., ook eventueel goud. Hierdoor nl. kan men aan het verbruik tegemoet komen en kan de prijsstijging binnen de perken blijven. Want de grootverbruiker van dergelijke materialen als ook iridium e.d. is eigenlijk meestal een staat of een fabriek die voor de staat werkt.
De achtergrond van oorlogjes als in Korea en ook in Vietnam is dus niet alleen maar het scheppen van een materieeluitlaat (dat is natuurlijk ook een belangrijk punt voor de eigen economie), maar gelijktijdig het scheppen van een noodzaak voor bepaalde landen om grondstoffen te verkopen. U zult zeggen: maar moet je daarvoor dan een oorlog voeren? Ja. Degenen die de oorlogen voeren, zijn veelal mensen, die daarover spreken, maar die er weinig mee doen. Het is gemakkelijk te zeggen dat de generaals van de Amerikanen wrede bevelen geven, dat ze graag willen promoveren (zoals Westmoreland) en dergelijke dingen meer. En het is wel ergens waar. Maar degenen, die erachter zitten, vinden we bv. in het Pentagon. Het zijn de mensen aan deftige bureaus met secretaressen en telefoons. Dat zijn mensen die in het Witte Huis zitten in de verschillende departementen. Zij zeggen: we moeten dit materiaal hebben, we moeten zo reageren. Ze maken die oorlog. Ze zijn ook een bovenlaag. De weerstand tegen de Amerikaanse oorlogsinspanning is dan ook aanmerkelijk groter geworden de laatste tijd in Amerika zelf. Ook hier zien we die differentiatie optreden tussen de bovenlagen en de onderlaag. Alleen ‑ alles bevindt zich in een verschillend stadium.
In de Ver. Staten zitten we in een begin, waarbij bovendien de problemen door allerlei andere problemen nogal worden verdoezeld. We kunnen daar dus de raadselen niet zo gemakkelijk oplossen; we hebben de oplossing niet in zicht.
Gaan we naar Vietnam, dan kunnen we al iets meer zien. Hier zien we nog de feitelijke strijd. De politieke machtsstrijd, die is eigenlijk nog niet begonnen. Men heeft nu wel een tafel waar men omheen zit, maar aan de werkelijke politieke strijd is men nog niet bezig. En als dat gebeurt, dan zullen daar ook anderen dan Vietnam en de Ver. Staten een grote rol in spelen.
Blijft ons over Korea, dat zijn oorlogje achter de rug heeft. Het heet natuurlijk geen oorlog, maar het is er een. Korea, dat verder in beide delen nu een voldoend lange ontwikkeling heeft doorgemaakt om een zekere vorm te vertonen. Het is daar langzaam naar zeker gekristalliseerd. En nu moeten we het raadsel ontleden.
Waarom deze, voortdurend verscherpte strijd en tegenstelling tussen Noord en Zuid? Het antwoord is duidelijk: Deze strijd is de bestaansrechtvaardiging van de machthebbers. Een dictatuur kan worden verklaard met de agressie van de buitenwereld. Evenals de noodzaak om in China ten slotte alle gezag in één staatshoofd te delegeren via vele dialectische betogen, wat neerkomt op: wij zijn omsingeld door vijanden. En om slagvaardig en weerbaar te zijn moet er één man zijn die alle beslissingen kan nemen. Datzelfde vinden we zowel in Noord- als in Zuid‑Korea. Beide landen zijn in feite dictaturen. En dat houdt in dat de machthebbers daar hun macht alleen dan kunnen handhaven, indien er een zodanig wederkerige spanning is opgebouwd dat elke dictatuurmaatregel daardoor kan worden gerechtvaardigd.
De tweede vraag die men gaat stellen is: Waarom reageert het volk niet? Er zijn natuurlijk gemakkelijk verklaringen voor. Bijvoorbeeld: ze hebben geen wapens. Maar kennelijk hebben ze die wel. Ik heb u al gezegd: Er zijn zowel in Noord‑ als Zuid‑Vietnam guerrillero’s aan de gang en al werken ze dan vaak met heel primitieve wapens, ze hebben wapens. Het zou mogelijk zijn om in te grijpen. Maar het gewone volk begrijpt niet goed wat er gebeurt. Als je de voorlichting steeds meer beperkt, (wat ook in Zuid‑Korea het geval is) let wel, als je zorgt dat de mensen zich voortdurend bedreigd voelen, terwijl je hen langzaam en voorzichtig gewent aan steeds grotere eisen naar macht van de gezaghebbers en je gelijktijdig steeds minder aandacht aan de problemen van de armen besteedt, dan krijg je te maken met een bovenlaag die eigenlijk helemaal verwant is aan, en die voor haar bestaan afhankelijk is van de feitelijke machthebbers. Dat is dan natuurlijk een betrekkelijk kleine groep.
Dit opbouwen van een bovenlaag is typerend. Gaat u naar Cuba, dan ziet u daar precies hetzelfde. Er wordt voor het volk inderdaad veel goeds gedaan. Laten we één ding goed begrijpen: Castro mag wel een groot prater zijn, maar hij heeft ook wel veel goeds gedaan. Maar Castro heeft macht nodig. Die macht kan alleen worden gehandhaafd, indien men voortdurend vijanden heeft. Op een eiland kun je die niet scheppen. Dientengevolge de Cubaanse revolutie, die overal wordt gepredikt en die aanleiding is geweest voor bv. het optreden van de Chileense en de Boliviaanse guerrillero’s enz. Hij heeft rond zich een haag van machthebbers geschapen. Die machthebbers leven misschien volgens uw maatstaf niet bijzonder rijk, maar naar de maatstaven van hun land wel. Zij zijn de bevoorrechten of de machtigen. En dat heeft voor hen belang.
Zo is het nu ook in Zuid‑ en Noord‑Korea, beide gelijk. Er is dus deze kern. Die kern heeft er helemaal geen verlangen naar dat de spanning afneemt, want dan zou kritiek uit het volk mogelijk zijn. Nu kan men elke kritiek onderdrukken. Een voorbeeld: De studentenprotesten in Seoul. Bij deze studentenprotesten trad de politie allesbehalve zachtzinnig op, want men was het niet eens met de demonstratie. Maar wat minder bekend is, is dat 60 studenten gevangen zijn genomen. Van die 60 zijn er 17 door ophanging om het leven gebracht, verscheidende anderen werden zwaar mishandeld en vervolgens voor “strafarbeid” gebruikt. En dat betekent dat ze niet lang te leven hebben. Zoiets is misschien wreed, maar het is begrijpelijk. Je kunt geen protest gedogen. En de enige reden om dat protest te bestrijden is: men bedreigt hier onze vrijheid.
Het is niet voor niets dat in elk rechtsgezind land eenieder die het niet eens is met het gezag, onmiddellijk voor communist, marxist, bolsjewist of anarchist wordt uitgekreten. De aantasting van het systeem is belangrijk, niet de reden waarom dat gebeurt.
In Noord‑Korea zijn eveneens van die verzetsmensen aan de gang. Ik vind niet dat ze direct prettig werken. Ze hebben o.m. een paar auto’s met gewone mensen erin opgeblazen, alleen omdat er één ambtenaar bij was; en dat vind ik nu niet direct passen. Ze hebben verscheidene aanslagen gepleegd. Maar deze mensen worden dus onmiddellijk uitgekreten voor ‑ dat zult u wel begrijpen ‑ Amerikaanse huurlingen, want ze moeten vijanden blijven.
Het gewone volk in Korea heeft eigenlijk betrekkelijk weinig interesse voor het systeem. Het volk zelf zou graag terugkeren tot de betrekkelijke rust en welstand van weleer. Het wenst niet opgejaagd te worden met een geforceerde industrialisatie. Het wenst niet voortdurend gedwongen te worden weer iets te leren omtrent vrijheid, omtrent systeem. Men zou langzaam willen evolueren, niet snel. De regering kan zichzelf alleen handhaven, indien ze tegenover het buitenland laat zien hoe snel het volk zich ontwikkelt, dus moet men zich snel ontwikkelen. Dat geldt in Noord‑ en Zuid‑Korea. Het resultaat is dat in de massa een toenemend sterk verzet ontstaat. Wordt dat verzet te algemeen, dan schaft men eenvoudig de bedoelde regel af.
In Zuid‑Korea is er een regel geweest voor zgn. arbeidsbinding, waardoor men werd gehuisvest in de omgeving van een bedrijf en men niet zonder een apart papiertje met vergunning buiten die woon- en verblijfplaats mocht gaan binnen een kring van ongeveer 20 km. Iets soortgelijks hebben we gezien met de zgn. gescheiden communes in China, waar de gehuwden ook gescheiden werden ondergebracht in barakken voor mannen en vrouwen. Bij elkaar komen voor huwelijkse bezigheden, zo zei men, is vrijetijdsbesteding. Als ik nu hoor wat ze hier zeggen over de bouwvak vakanties, dan lijkt het er wel een beetje op.
Dit is tegen de draad in. De mensen willen een gezin kunnen vormen, wanneer ze willen. Het resultaat is dat deze commune-vorm in Rood‑China eenvoudig geruisloos is verdwenen, zoals ook de arbeidsbinding in Zuid‑Korea is verdwenen. En zoals in Noord‑Korea, vreemd genoeg er bepaalde regels voor verweer zijn verdwenen. Daar was je werknemer en als werknemer moest je militair geschoold zijn. Dat leidde tot allerhande idiote situaties en vooral enorme storingen. Als daar een fabriek draait en je zegt tegen de machinist: Laat die machine nou staan, want je moet eerst gaan exerceren, dan komt er een ogenblik dat die machine niet meer werkt als er gewerkt moet worden. En dan heeft het geheel weer zijn productienorm niet gehaald, iedereen wordt geweldig boos en tenslotte zegt men: Die regel is onjuist. Ze is dan ook afgeschaft, dat kan ik u wel vertellen.
Deze situatie zou je nog iets verder moeten uitzoeken, namelijk: wie heeft belang bij deze situatie? Nu het typerende: de meesten van u realiseren zich niet dat in Noord‑Korea op het ogenblik China degene is, die het meest profijt heeft. Niet Rusland, maar China. Want men is in Korea inderdaad in staat om bepaalde producten te vervaardigen. Men heeft verder zowel voedingsmiddelen als ruw materiaal en dat wordt voor een groot gedeelte aan China geleverd.
In Zuid‑Korea zijn de belangen misschien niet zo onmiddellijk kenbaar. Het is echter mogelijk om hierdoor een soort evenwicht te scheppen, waarmee o.m. ook Japan een beetje in bedwang wordt gehouden. Vergeet u niet, in de economische oorlog is Japan op het ogenblik de grootste vijand. Het is dus een kwestie van grote staten die hun commerciële belangen verdedigen. En dat brengt ons tot de laatste vraag aan de hand van dit Koreaanse geschil: Wat voor belangen kunnen dat zijn?
Laat mij nu proberen u een voorbeeld te geven uit uw eigen land. Heeft u enig idee hoe groot op dit moment (we gaan dus nog niet eens naar de toekomst) de industriële investering van de Ver, Staten is? (In percentage: 25%). U bent er niet ver vanaf. Ik zou het enkele procenten hoger schatten.
We spreken dus niet over kapitaalsverstrekkingen, want dan komen we hoger, maar gewoon de arbeidsgelegenheid van uw eigen land hangt nu voor rond 25% af van de Amerikanen. Het is niet alleen dat die winst eventueel het land zou kunnen uitgaan, dat is niet zo erg. Het is echter zo dat Amerika via dit kapitaal het dus in de hand heeft om met één slag de hele economie van uw land te ontwrichten. Op dezelfde manier wordt overal een economische agressie gepleegd. En die agressie gaat niet alleen ten aanzien van de vijand; ze gaat ook ten aanzien van bondgenoten.
Indien we ons de moeite getroosten om te kijken wat er in Zuid-Korea aan staat, dan komen we met enige verbazing tot de ontdekking, dat men daar nu bv. een uitstekende machine‑industrie heeft, dat men er voertuigen en ook treinmaterieel kan vervaardigen. Het is over het algemeen geen fijne industrie, maar er is inderdaad een redelijk zware industrie opgebouwd. Gaan we kijken wie de eigenaars ervan zijn, dan komen we met enige verbazing tot de ontdekking dat het merendeel van het kapitaal plus de leiding van een aantal van deze bedrijven in Amerikaanse handen is.
Maar ga nu kijken in Noord‑Korea, want daar is op het ogenblik iets nog veel vreemder aan de gang. Daar zijn de Russen nu aan het saboteren. Zij saboteren omdat Noord‑Korea zich meer op Mao’s China dan op Brezjnevs Rusland wil richten en dat impliceert weer dat men dus de schroef kan aandraaien. In Noord‑Korea zijn een groot aantal fabrieken gebouwd die echter voor belangrijke onderdelen afhankelijk zijn of waren van Rusland. Zodat Ruslands weigering om bv. een quotum te vergroten, betekent dat de economische groei, die ook daar noodzakelijk is, wordt afgeremd.
Dit systeem nu wordt meestal voorafgegaan door staatsgrepen of oorlogen. Als Rusland ontdekt dat Tsjecho‑Slowakije zich economisch tracht vrij te maken van de binding aan Rusland, dan grijpt het in met een leger. Doet het dit nu alleen maar omdat het een afwijken van de leer vreest? Welneen. Zelfs alleen strategische overwegingen hebben hier nog niet een doorslaggevende rol kunnen spelen. Er is iets anders.
Tsjecho-Slowakije heeft een hoogontwikkelde industrie die belangrijk is voor bepaalde producten voor Rusland. Maar een onafhankelijk worden van die industrie zou betekenen dat bepaalde grondstoffen en onderdelen die tot op heden alleen in Rusland worden vervaardigd of via Rusland worden verhandeld, nu niet meer alleen van daar zouden komen. Men zou dus zijn eigen positie ten aanzien van Rusland ook economisch kunnen bepalen.
Het gaat op het ogenblik in de wereld om een economische dominantie. En zoals dat in Rood‑China te zien is, de groepen die optreden, proberen daarbij bepaalde projecten te sparen. Het is typerend voor zo’n situatie dat bv. in China met de vele opstanden en de vele oproertjes die er zijn geweest, de centra voor biologisch‑ en kernonderzoek geen enkele keer zijn getroffen. Niet alleen door hun geïsoleerde aanleg of het feit dat ze zo goed zijn verdedigd, maar doodgewoon omdat alle partijen er belang bij hebben die ontwikkeling te sparen. Denkt u nu even aan de tweede wereldoorlog.
Vindt u het niet typerend voor een situatie, dat een bedrijf als Krupp (Krupp‑Westfalen vooral), gelegen in een bombardementsgebied, waar hele steden worden weggevaagd, drie maanden na de capitulatie al in staat was om zich te herstellen en na een jaar volledig draaide? Vindt u het niet verbazingwekkend dat de zgn. F.N. fabrieken in België geen ogenblik werkelijk ernstig geschaad zijn in hun productievermogen? Ik kan er meer noemen.
Hetzelfde zien we gebeuren in Noord‑ en in Zuid‑Vietnam, in Noord‑ en in Zuid‑Korea. Ergens zijn er “heilige” plaatsen. Als we goed kijken wat het voor plaatsen zijn, dan blijkt dat dat plaatsen van onderzoek zijn of van industriële mogelijkheden.
Nu krijgt u misschien een beeld dat veel verder gaat dan het raadsel Korea. Het is natuurlijk een raadsel hoe de Amerikanen in Korea verslagen konden worden, want dat zijn ze feitelijk. Maar het is niet zo’n groot raadsel meer, als je weet dat ze ‑ alle strategische waarden terzijde stellend ‑ zekere centra niet mochten vernietigen of veroveren. Die centra bestonden vóór die tijd en ze bestaan nu nog.
Wie is de geheimzinnige heerser, welke macht is het, die dit alles dicteert? Welke macht is het, die bv. Rusland ertoe brengt, als er een schaarste aan platina is, geen geregelde afzet te zoeken, ondanks alle mooie verdiensten die er dan zijn, maar stootsgewijze partijen op de markt te brengen en dit via de meest verschillende plaatsen en beurzen? Want vreemd genoeg wordt platina weliswaar officieel in Engeland verhandeld, maar onofficieel wordt het ook verhandeld in Philadelphia, het wordt in New York genoteerd en het duikt soms zelfs op in landen als Malakka. Waar komt dat vandaan? Waarom? Wat is het spelletje dat er wordt gespeeld? Zijn de machthebbers op deze wereld nu werkelijk elkaars vijanden of niet? En dan kun je alleen maar zeggen: je weet het niet. Je weet het werkelijk niet meer. Deze mensen geloven dat ze elkaars vijanden zijn, maar gelijktijdig dienen ze elkaars belangen. Hoe kan dat?
De Zuid‑Koreanen doen alles om Noord‑Korea uit te schakelen. Maar gelijktijdig zorgen ze ervoor dat bepaalde transporten doorkomen van Noord naar Zuid en omgekeerd. Waarom? Er is in Vietnam een voortdurende felle strijd tussen Noord en Zuid. De Amerikanen trekken op. Maar waarom grijpen ze niet in door een blokkade en laten ze toe dat schepen ‑ vaak onder Cubaanse, Panamese of Chinese vlag daar ladingen afzetten. Hoe kan dat? Hoe kan het dat een Japanse vrachtlijn elke maand met drie schepen naar Noord-Vietnam gaat en daar voornamelijk Amerikaanse producten aflaadt, terwijl een particuliere organisatie niet in staat is om een dergelijke leverantie door te sturen. Let wel, dit zijn feiten.
Als je die vraag gaat stellen, dan moet je wel een uitermate vreemde conclusie trekken. Er zijn kennelijk machtsbelangen die boven alle menselijke belangen staan, zodat zelfs de grootste vijanden samenwerken om te voorkomen dat de eenvoudige man begrijpt wat er gebeurt. Al die geheimhouding zou niet nodig zijn, indien men eerlijk toegaf wat men deed, maar men geeft het niet toe.
West‑Duitsland is de vijand van Oost‑Duitsland. Toch vindt een aardig deel van de speciaal‑producten uit West‑Duitsland afzet in Oost‑Duitsland. Hoe zit dat? Er is ergens een macht. En deze macht ‑ nu wijk ik dus van de titel af en kom tot de kern van de zaak ‑ heeft geen bepaald aangezicht. Je kunt niet zeggen: 0, daar gaat De Jong of Nixon en dat is een representant van die macht. Er is een economische macht die kennelijk zowel in de communistische als in de democratische landen een rol speelt. Een macht die op den duur de economie en daarmee het gevoel van welbehagen of zekerheid van de burger in de hand heeft. En de politicus is afhankelijk van de aanvaarding van zijn gezag door de burger. Geen dictator kan regeren als het hele volk zegt: Doe het zelf maar. Geen leger kan winnen als de soldaten zeggen: We zien geen reden ons leven te wagen en te schieten. Waarom zouden we een ander doden?
Een samenzwering misschien? Nou, het ziet er niet naar uit. Ik geloof eerder dat het ligt in de economische opbouw van de maatschappij over de hele wereld. Ik hoop dat ik u niet verveel met politiek en economie. Maar het is werkelijk in deze dagen een uitermate leuke ontwikkeling.
Als je kijkt naar al die landen waarin een stijging van de welvaart is, dan horen we dat daarvoor een productiestijging nodig is. Gelijktijdig zien we dat de werkelijke productiestijging voor een groot gedeelte door niet-verbruikswaarden wordt opgeteerd. Er is dus wel een toename van productie, maar niet van voorradig product. Dat kan alleen, indien er mensen zijn voor wie ook geld en product geen rol spelen. Wie zouden dat kunnen zijn? Waarschijnlijk de mensen die alles toch wel hebben. De mensen die niet op de Beurs opereren om te winnen, maar om te spelen. De wereld is in handen van een groep spelers die met de economie spelen. Het is vervelend het te zeggen, want nu denkt u natuurlijk dat ik hier een aanklacht pleeg op de kapitalisten. Maar dat is niet waar, want in het Oostblok gebeurt dit ook. In China eveneens. En dan kom ik tot een eindconclusie wat dit betreft, want ik heb over China dadelijk nog meer te zeggen.
Er zijn overal mensen voor wie het manipuleren met macht en bezit een levensdoel is geworden, omdat zij vervreemd zijn van de werkelijke menselijke relaties. Alle anderen zijn hun speeltuig, of ze bet beseffen of niet, en worden door zgn. economische, politieke en strategische noodzaken gedwongen om het spel mee te spelen. Deze mensen kunnen niet afzonderlijk worden genoemd. Over de gehele wereld zijn het er misschien tien‑ of vijftienduizend. Zij spelen het spel om het spel. Ze zijn vergeten dat een mens, een mensenleven en menselijk geluk geen dingen zijn om mee te spelen
Nu ik dit alles heb gezegd, wil ik nog even terugkomen op de ontwikkeling in China.
Ik heb u al gezegd: Op het ogenblik wil de partij een totaal nieuwe grondwet, een nieuwe opbouw zelfs. Men is van plan de hele partijstructuur te wijzigen. En daarnaast is men ongetwijfeld van plan om op de een of andere manier de uitbarstingen te voorkomen, die de laatste tijd ‑ al komt het niet altijd zo direct op de voorgrond ‑ toch in vele delen van dit grote rijk onrust baren en heel vaak ook hele steden tijdelijk uitschakelen, hele industrieën tijdelijk stilleggen. Wat staat daar aan macht tegenover? Dat is juist het aardige ervan: de jongeren. Niet alleen dat de revolutie van de Rode Wachters een groot aantal mensen heeft wakker gemaakt voor het vermogen van de massa, daarnaast heeft men ook de tweeledigheid van beloften en woorden ingezien.
Er is in China sprake van een groeiend wantrouwen tegenover alle partijen. Of men nu Moskou‑gezind is of Amerika‑gezind of dat men Mao‑gezind is, interesseert de meeste mensen niet meer. Zij maken de bewegingen mee, zoals iemand omwille van zijn relaties ter kerke gaat en plechtig alle gebaren meemaakt en ondertussen hoopt dat het snel afgelopen zal zijn. En deze mensen brengen nu denkers voort.
Iemand die in China studeren moet, moet partijlid zijn. Maar een partijlid kan leven in een milieu waarin niet de regering wordt gekritiseerd, maar waar elke verklaring die onduidelijk is, als zodanig wordt aangeduid; en dat brengt hen aan het denken. Veel jonge Wachters zijn zo plotseling teruggezonden naar hun steden, dat ze in beroering met een dergelijk milieu niet meer blind of doof waren voor de reacties. En dezen beginnen nu de macht te vormen (de voor de gezaghebbers wel zeer gevaarlijke macht) die geen respect heeft voor heilige plaatsen, die niet meent dat de economie ten koste van alles moet voortdraaien, dat een leger ten koste van alles bewapend moet blijven, dat het onderzoek ten koste van alles moet voortgaan.
Het is deze groep, die in de komende paar jaren zeer veel van zich zal doen horen. Juist door de vage formulering van de partijdecreten heeft men weer een wapen meer in de hand gekregen, een agitatiemiddel dat kan worden gebruikt, zonder dat men daarvoor wordt gestraft. Iemand die vol enthousiasme vraagt op welke wijze onze goede leider Mao dan in staat is om zijn bevelen zo snel overal door te geven, die kan gelijktijdig duidelijk maken dat het dus niet vaststaat dat iemand anders nog in de raad wordt betrokken. En als iemand vraagt, hoe het komt dat de democratisch gekozen representanten alleen maar advies‑gevend zijn en waarom. Als hij die vraag uitlegt, dan is hij niet strafbaar.
Deze vorm van agitatie heeft er zelfs toe geleid dat in Kanton en Peking verscheidene universiteiten zijn gesloten. Deze vorm van agitatie heeft ook ertoe geleid dat er een aantal oude middenstanders ‑ meestal wat oudere dames en heren en zich aanpassende intellectuelen ‑ eveneens opstandig beginnen te worden. En gezien de wijze waarop men op het land moet gaan werken (dat is voor de jeugd, de studenten en ook voor de middenstanders voorgeschreven), worden deze ideeën ook verbreid in de veel behoudzuchtiger, maar daardoor ook juist veel vasthoudender boerenbevolking.
In China heeft men zonder het te willen met zijn poging om een partijraad tot stand te brengen, met zijn poging om tot een nieuwe Formulering te komen en om het bureaucratisch gezag op een andere en nieuwe basis, een vastere greep op het volk te geven, een weerstand van de onderlaag gewekt. Als Amerika ooit uit Vietnam weggaat, dan zult u zien dat daar hetzelfde bestaat. De tussenfase van bijna steriele ontwikkeling op technisch terrein zal in Vietnam waarschijnlijk ook niet voorkomen.
Ik kan wel één ding vertellen: Op het moment dat de Vietnamezen niet meer worden geregeerd door een gewapende macht van een andere dan van eigen land, zouden vele regeringsfunctionarissen van het ogenblik hun leven in onmiddellijk gevaar zien. Dat is ook in China mogelijk. Bovendien is Mao niet zo gezond als men zegt en zijn de “stand‑ins” voor Mao niet meer geheel onbekend. En dat is altijd een gevaar. Neen, wat we hebben gezien, gekristalliseerd in Zuid‑Korea en Noord Korea, dat zien wij op een heel andere wijze overal op de wereld. Er is geen reden om je ertegen te verzetten of je erover druk te maken. Want zolang het huidige systeem ‑ en daarmee bedoel ik het systeem van werken om te leven en leven om te werken ‑ heerst, zullen de geheimzinnige machthebbers aan de macht blijven. Zolang men zekerheid vraagt in plaats van vrijheid, zullen de geheimzinnige machthebbers aanblijven. En dan zal de revolutie van de onderlaag hoogstens een verandering in de toestand kunnen brengen naar buiten toe, maar nooit van binnen uit.
Wie voorbeelden wil hebben, moet eens kijken naar de Franse revolutie. En dan moet men niet alleen denken aan bv. Fouché, de politiechef, maar dan moet men ook denken aan verschillende bankiers die kans hebben gezien om de revolutie, Napoleon, koninkrijk en hernieuwd keizerrijk te overleven. Als men zich dat realiseert, dan realiseert men zich ook dat er altijd een macht achter de troon is, die ontzettend flexibel is en die zich niet baseert op een systeem, maar alleen op een manipulatie.
Het raadsel Korea is opgelost, indien wij ons realiseren dat het hier in feite niet gaat om menselijke waarde, maar om manipulaties; dat het tentje Grand Guignol eigenlijk een symbool is van wat er in feite gebeurt: een scheiding met veel ceremonieel en achter de schermen de touwtjestrekker.
Deze tijd brengt u een toenemend besef hiervan en daardoor een toenemende revolutie die onaanvaardbaar is. Het is bv. opvallend dat men zich tegen hasjiesj e.d. zo uitermate sterk verzet, terwijl andere, in feite voor het lichaam even of meer schadelijke middelen, niet alleen zijn toegelaten, maar zelfs worden geëerd door de buitengewoon hoge accijnzen, daarop gelegd. Indien men zich echter realiseert dat hasjiesj en dergelijke middelen een zekere vlucht uit de werkelijkheid mogelijk maken, dan zal men zich ook gaan realiseren dat bij een vlucht uit de werkelijkheid de sterkere, die niet de slaaf wordt van zijn dromen, zich gaat afvragen, waarom die werkelijkheid zo is, dat je ervoor moet vluchten. Het verzet tegen levensgewoonten die niet passen in het algemene patroon, komt niet alleen voort uit de behoefte om de mens in een bepaald moreel kader te doen leven. Het komt ook voort uit de angst dat de mensen die vrijer zijn, misschien minder gezeglijk zullen zijn.
Het kader dat men heeft geschapen, breekt overal. En daarmee begint een nieuw ontwaken en een nieuw denken. Een denken dat voorlopig binnen het systeem tracht iets te bereiken. Totdat men beseft, dat men staat tegenover manipulaties, die men niet aankan en eenvoudig zegt: We gaan onze weg zonder te protesteren tegen regeringen. We doen. Op dat ogenblik wordt het voor een manipulator moeilijk. Zoals het in Korea heel moeilijk zal worden voor Noord en Zuid om de dictatoriale bevoegdheden in stand te houden (dus in feite de politiestaat) die om de een of andere reden niet meer houdhaar zijn. Of die reden nu is een gewapend verzet, dan wel het onvermogen om de massa te beheersen.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
