januari 1969
De verandering van de wetenschap
Er is een tijd geweest, dat wetenschap werd bedreven door eenlingen. Als wij nagaan hoe in het verleden de meest opvallende ontdekkingen tot stand zijn gekomen, dan vinden we steeds weer ergens ofwel de gedreven onderzoeker, dan wel de gentleman‑wetenschapsman die in zijn vrije tijd of misschien dankzij zijn bezit experimenten uitvoerde, belangrijke ontdekkingen deed en daarmee de wereld wist te verrijken. Er werden vele onderzoekingen onafhankelijk van elkaar gedaan en meestal werden de resultaten in verschillende delen van de wereld gedupliceerd, maar er was altijd een nieuwe en persoonlijke aanpak, een nieuwe en persoonlijke ontwikkeling.
Langzaam maar zeker echter werd het onderzoek steeds complexer en meer georganiseerd. Een laboratorium dat eens in een vertrek van een woning goed en ruim kon worden gehuisvest, werd langzamerhand een afzonderlijk fabrieksgebouw. En de werkelijke wetenschap werd een samenwerking van zeer velen, waardoor het persoonlijk initiatief en de vrijheid van onderzoek steeds verder werden teruggedrongen. De wetenschap distantieerde zich eigenlijk van de menselijke bewogenheid.
Was in het verleden de menselijke weetgierigheid, maar zeker ook de bewogenheid met de problemen van het menselijk bestaan de oorzaak dat vele onderzoekingen werden volvoerd en vele ontdekkingen gedaan, langzaam maar zeker heeft de wetenschap zich afgezonderd en zelfs de toegang tot een “heilige der heiligen”, tot een laboratorium moet worden verworven met aparte formulieren, waarop de kennis is vastgelegd, die men volgens de voorschriften heeft verkregen. Hiermede is de gehele aard van wetenschap en wetenschappelijk onderzoek aan het veranderen.
Wij hebben een tijd gehad dat er een soort Vrijmetselarij ontstond tussen de wetenschapsmensen. Zelfs nu bestaat die in zekere zin nog, want reeds vóór de tweede wereldoorlog was bekend dat er werd gecorrespondeerd ‑ en vrij gecorrespondeerd ‑ tussen Amerikaanse, Engelse, Duitse en Russische onderzoekers. Tegenwoordig is dit steeds minder het geval, dat wil ik er onmiddellijk bij zeggen. Men kwam tot een industrie, die wetenschap heet.
Het is het doel van bijna elke staat in deze dagen om een zo groot mogelijk aantal wetenschappelijke onderzoekers op te leiden, Maar een opleiding door de staat (voor een groot gedeelte op kosten van die staat) impliceert een eenzijdige opleiding; en wel volgens de doelstellingen en belangen van die staat. Hiertegen kunnen studenten en degenen die hun les moeten geven, in feite weinig doen. Een student kan alleen verzekerd zijn van een werkkring, die enigszins een beloning kan zijn voor de vele tijd, die hij aan de studie heeft moeten spenderen, indien hij bereid is zijn totale denken en zoeken te richten op datgene wat de maatschappij van hem verlangt. Hierdoor is er een distantiëring ontstaan van persoonlijk leven en onderzoek.
De wetenschapsmens van eens was iemand die eigenlijk de hele dag wetenschapsman was en wiens familieleden als het ware als een draad door alle onderzoekingen heen liep, zelfs midden in zijn laboratorium. Voor wie de gemeenschap met wie hij werkte niet in de eerste plaats een werkteam was, maar een familie, zoals bv. Edison ons duidelijk mankte in zijn verhouding tot al zijn helpers.
Men staat nu los. Men heeft de wetenschappelijke werkkring en daarnaast misschien ook nog een persoonlijke wetenschappelijke belangstelling. Maar die laatste komt op de tweede plaats. Een persoonlijke ontdekking, een persoonlijke bevordering van het wetenschappelijke is haast niet mogelijk. Daar komt nog bij dat een wetenschapsman die in een groot laboratorium werkt tegenwoordig over het algemeen gebonden is. Dat wil zeggen: hij mag zijn uitvindingen en ontdekkingen niet zonder meer (zonder goedkeuring van zijn werkgever) publiceren. Hij mag bepaalde patenten niet voor zichzelf gebruiken of aanvragen, ook als hij de dingen waarvoor de octrooiaanvraag geldt buiten zijn normale werktijd heeft kunnen vervaardigen. Kortom, hij heeft weinig reden meer om zelfstandig te zijn. Dit heeft geleid tot het ontstaan van enkele algemeen erkende wetenschapspausen; mensen, die op hun gebied worden beschouwd als de grootsten, of ze het zijn of niet. En dezen stellen nu de maatstaven vast, waarlangs elke wetenschapsman in feite zal moeten streven. Hier door komen enorme vertragingen voor.
Om u een klein voorbeeld hiervan te geven: kankeronderzoek. 1932: veronderstelling ten aanzien van in het bloed aanwezige kanker bevorderende stoffen. In Engeland een theorie omtrent de wijze, waarop cel verval en de eigenaardige cel verwildering tot stand komt. De feiten die toen werden ontdekt, worden eerst in deze dagen wetenschappelijk aanvaard. Dat betekent dat de bestrijding van een ziekte als kanker in feite tenminste 20 jaar ten achter is bij het mogelijke. Dit komt omdat degenen die in het kankeronderzoek het meest te zeggen hadden, de mensen waren van radiumtherapieën, bestralingstherapieën. Zij waren de grote experts, samen met de chirurgen. Degenen die dit meer biologisch wilden benaderen, stonden er dus buiten. Daardoor werd hen niet de aandacht gegeven, die zij eigenlijk verdienden; ja, werden hun vaak de faciliteiten geweigerd die zij nodig hadden om de juistheid van hun stellingen klinisch te bewijzen.
Ik wil u een ander voorbeeld geven: de eerste transistor werd vervaardigd in Duitsland in het jaar 1917. Deze transistor was in vergelijking met wat er nu wordt gebruikt zeer grof, ruw en dik. Zij werd echter eenvoudig terzijde gezet. Er was toen weinig belangstelling voor. Ze is een ogenblik geproduceerd in 1928 en wel als een vervangend element in kristalontvangers. Maar ook daar werd een verdere fabricage (overigens door de Siemens‑Halske A.G.) stopgezet.
De germanium‑diode en enkele andere transistortypen werden wederom vervaardigd in het jaar 1939, maar als niet rendabel terzijde gesteld. Alleen de germanium‑diode werd verder gefabriceerd, ook gedurende de gehele oorlogstijd. De beginselen die uit de tijd van de eerste wereldoorlog stamden, hadden ondertussen in Amerika hernieuwde aandacht gekregen, omdat men nu zocht naar alle middelen tot vernieuwing. Hierdoor ontstonden in de Ver. Staten de eerste transistors. Deze transistor werd een meer algemeen gebruikt element in de opbouw van radioapparaten etc.
Waarom heeft men dit afgewezen? Heel eenvoudig: men had geen behoefte aan de transistor, toen de eerste ontdekking plaatsvond. Men wilde toen ontvangapparaten hebben en daarvoor had men buizen nodig. De ontwikkeling van buizen liep samen met die van zenders. Commercieel belang. De productie ervan was in die tijd in verhouding kostbaar. Toen men later wederom kwam met de germanium‑diode, werd die als een speelgoed vervaardigd, maar niet verder uitgebreid en onderzocht om de doodeenvoudige reden dat men bezig was met het ontwerpen van nieuwe heterodyne radiotypen. Dat was commercieel interessanter.
In Duitsland heeft men in de oorlog het onderzoek naar transistors te laat voortgezet om er enig nut van te hebben (ofschoon ik wel moet opmerken dat enkele thans gebruikte experimentele transistors van Duitse en niet van Amerikaanse origine zijn) eenvoudig omdat men dus niet wist wat men ermee moest beginnen. Men beschikte niet over de technische mogelijkheden om er gebruik van te maken.
De uitvinders werden op een zijspoor gerangeerd. Hetzelfde zou ongetwijfeld gebeurd zijn in de Ver. Staten en Engeland, indien men daar niet de behoefte had gehad aan een lichtere, gemakkelijk vervoerbare en vooral ook moeilijk kwetsbare apparatuur. Eerst de toenemende behoefte aan miniatuur‑units voor allerhande elektronische apparaten hebben ertoe geleid, dat de transistor‑techniek verder werd uitgewerkt. Achterstand: gemiddeld genomen ruim 40 jaar.
Ik geef hier twee voorbeelden van twee verschillende takken van onderzoek. Ik zou natuurlijk veel verder kannen gaan.
Op het ogenblik worden er proeven genomen ten aanzien van kernfusie. Ik zou erop willen wijzen dat dergelijke onderzoekingen op staatsbevel werden afgebroken in het jaar 1941 en wel in de Ver. Staten waarin het Manhattan‑project mogelijkheden hiertoe werden ontdekt. De gegevens werden als diep geheim weggenomen en weggesloten. En zelfs maar een bespreken van deze gegevens was uit de aard der zaak de geleerden verboden. Het overlijden van twee van deze geleerden tijdens het project heeft een vertraging in kernfusie‑onderzoek veroorzaak van tenminste 10 jaren. Men had toen behoefte aan een bom. Hoe, dat kon hen niet schelen.
Als wij zien hoe de wetenschap steeds meer wordt geketend aan wat men noemt de maatschappelijke belangen, dan kunnen we ook begrijpen dat ze op zichzelf een soort orthodoxe godsdienst wordt. In de wetenschap is geen plaats meer voor de “wildcatter”, de man die eenvoudig experimenteert, totdat hij iets nieuws vindt. Er is in feite niet eens plaats voor de amateuronderzoeker. En als die dan door vele resultaten eindelijk duidelijk maakt dat hij wat betekent, dan probeert men hem nog steeds af te schepen met kleinigheden en feitelijk uit te rangeren.
In de archeologie is in Nederland kort geleden een dergelijk proces voor de openbaarheid kenbaar geworden. Een amateurarcheoloog had een aantal ontdekkingen gedaan. Men heeft niet alleen getracht deze te desavoueren, men heeft ‑ toen men er niet meer omheen kon ‑ getracht ze dood te zwijgen; en toen dat ook niet lukte ‑ o.a. door belangstelling van het buitenland ‑ heeft men geprobeerd de persoon in kwestie eigenlijk een beetje af te schuiven. Men wenst deze man nog steeds niet als een wetenschappelijk belangrijk archeoloog te erkennen. En dat is niets nieuws.
De archeologen van het verleden hebben zelfs gelachen om Schliemann. Maar die kon tenminste z’n gang gaan. Hier had men het liefst maatregelen getroffen om een verdergaand onderzoek te belemmeren. In verschillende gevallen heeft men inderdaad getracht het onderzoek van een bepaald terrein door deze archeoloog (vergeet niet, ik spreek hier over de laatste jaren) te beletten.
Mijn eindconclusie is: De wetenschap, zoals ze op het ogenblik in haar officiële vorm bestaat, is in feite geen werkelijke wetenschap meer. Ze is niet een onderzoek naar de geheimen van het leven en van de natuur. Ze is veeleer geworden tot de productie van een aantal begerenswaardige effecten en mogelijkheden.
Daarnaast is op het ogenblik een nieuwe vorm van weten en wetenschap aan het ontstaan. Het zijn wederom de amateurs, meestal studenten, die een scholing hebben genoten op een bepaald terrein, maar die er geen zin in hebben om zich nu reeds onmiddellijk in het maatschappelijk proces in te schakelen.
Het zal u misschien niet bekend zijn, dat bv. LSD niet, zoals men zegt, werd ontdekt door wetenschappelijke onderzoekingen en door psychologen, maar door twee studenten. (Hun professor is overigens met de eer gaan strijken.) Zoals u waarschijnlijk ook niet weet, dat LSD ook in Nederland door studenten op een betrekkelijk eenvoudige wijze werd en misschien nog wel wordt geproduceerd.
U weet waarschijnlijk ook niet dat enkele nieuwe explosieven die op het ogenblik als diep geheim worden onderzocht in Nederland, het resultaat zijn van een paar studenten, die een bijzondere ontdekking deden, toen zij zochten naar een nieuwe vorm van…. rookbom. En omdat die ontdekkingen toevallig bruikbaar zijn, zullen ze waarschijnlijk als militair geheim (natuurlijk in Navo‑ of Natoverband) voorlopig worden geëxploiteerd. Deze jongelieden zullen waarschijnlijk een mooie baan krijgen, waarbij hun een absolute geheimhouding en een scholing van hun wetenschappelijk onderzoekingsdrift wordt opgelegd.
Overal op de wereld zijn op het ogenblik mensen aan het experimenteren. Overal zijn er sociologen die vaste opvattingen hebben, maar gelijktijdig zijn er een groot aantal sociale gemeenschappen ontstaan die buiten de nu gangbare maatschappij liggen.
Ik wil hier wijzen op bv. de “flowerchildren” in Amerika die eigenlijk al aan het verwateren zijn, maar welke eigenaardige nietsdoeners dan ook zijn gekomen tot projecten die enigszins herinneren aan het experiment van Van Eeden; nl. gezamenlijke landbouwgemeenschappen, maar ook enkele coöperatieve werkplaatsen die zeer lucratief blijken te zijn, al bestaan er geen vaste werktijden en geen vaste verplichtingen. Er zijn ook studenten die deze verschijnselen registreren en het verloop van zaken gebruiken om een vergelijkingsmaatstaf te vinden tegenover de normale maatschappij.
Op soortgelijke wijze zien wij ook medisch onderzoek. Er zijn studenten die met allerhande stoffen experimenteren, ook met hormoonpreparaten en die vreemd genoeg daarbij verdergaan dan de commerciële en officiële wetenschap, omdat zij niet bang zijn er iets voor op te offeren en omdat zij eigenlijk meer spelen met hun wetenschap.
Het zijn op het ogenblik de jongeren die zich hebben losgemaakt van de gedachte dat een team en een steriele omgeving met alle faciliteiten noodzakelijk is om wetenschappelijk iets te kunnen bereiken. Als u voorbeelden wilt hebben, wil ik u er enkele noemen.
Radioamateurs waren eerder dan de heer Lovell met zijn uitstekende radiotelescoop op de hoogte van enkele ruimte‑experimenten van de Russen. Door een eenvoudige aanpassing, gestimuleerd door een radioamateur, was men in Nederland in staat op gelijke wijze als de meest kostbare radio‑laboratoria overal op de wereld het verkeer van een ruimtesatelliet met de aarde te registreren en zelfs te ontleden.
Ik wil u eraan herinneren, dat een nieuw brandblusmiddel (een schuim middel) in de handel is gekomen dat is gefabriceerd door twee 17‑jarige jongens, die eens wilden experimenteren met een bepaald zeeppoeder. Het product wordt tegenwoordig gebruikt voor de bestrijding van oliebranden te water, ook in Nederland.
Er zijn detergenten (oplosmiddelen), vervaardigd door mensen, die helemaal niet een baan hebben of behoren bij grote concerns, ook in Nederland. Al bestrijdt men natuurlijk de waarde van deze producten, zo worden ze toch in bijzondere gevallen reeds erkend. Alleen commerciële exploitatie daarvan is zeer moeilijk. Maar het is wel opvallend dat aan de hand van dit detergent op het ogenblik onderzoekingen worden verricht door 4 afzonderlijke laboratoria, o.a. een van de Harvard en een van de Levers. Ik wijs hier op de eenvoudige resultaten een enkeling.
Wij zien in de handel vernieuwingen. Brutale enkelingen beginnen met wat u waarschijnlijk kent als “cash‑en‑carry” zaken en wat elders misschien weer anders zal heten. Zij zijn er zeker niet in geslaagd (dat heeft ook Frankrijk uitgewezen) om daarmee de gehele economie te veranderen. Maar ze hebben wel ontdekkingen gedaan, die voeren tot een andere verdeel tactiek van het product, ja, zelfs andere vervoers‑ en aanvoermethoden en vooral het doorbreken van een aantal taboes, die waren gelegd ten aanzien van producten en prijzen. Eenvoudige mensen, die kennelijk nieuwe economische mogelijkheden hebben gevonden en weten te exploiteren, niet ten koste maar ten bate van anderen.
De wetenschap gaat op het ogenblik weer de richting uit van de eenling. Die eenling zal niet, zoals vroeger de gentleman‑onderzoeker of de gedreven onderzoeker zijn. Het zal eerder de spelende mens zijn, die in verzet tegen de discipline van de maatschappij, zelf werkt, eerder om te bewijzen dat hij iets waard is dan om werkelijk resultaten te behalen. En het zijn deze resultaten, die de komende jaren zullen gaan beïnvloeden en die daarbij grote veranderingen op elk terrein waarborgen.
Ik wil enkele van die producten noemen, waarvan we in de komende 2 à 3 jaar kunnen verwachten dat zij ontdekt, door de bemoeiing van enkelingen toch ‑ zij het dan via grote firma’s ‑ aan de handel worden prijsgegeven. Daar zijn onder: Een nieuw type elektronenmicroscoop, waarmee door een bijzonder procedé een zeer zuiver beeld kan worden gegeven, zelfs van vergrotingen van meer dan 500.000 maal. De vaagheid, die daarbij veelal optrad en een correctie en aanvulling van het beeld noodzakelijk maakte, is hier weggevallen, zodat het mogelijk is onmiddellijk waarnemingen te doen op zeer kleine niveaus en zelfs te komen tot de registratie van het gedrag van de complexe moleculen.
Een ander voorbeeld van ontdekkingen in de komende tijd in de handel gebracht: Een Russisch apparaat, ontwikkeld door een jeugdgroep die dit als project had genomen; uitbreiding van de encefalografie, echter op een zodanige wijze ontwikkeld, dat droom‑registratie en beïnvloeding van hersencentra daardoor mogelijk is. Het project is op het ogenblik experimenteel in de Sovjet‑Unie en Polen in gebruik en zal waarschijnlijk binnenkort ook aan de westelijke wereld worden aangeboden.
En dan ten laatste nog iets, wat u misschien wel zal verheugen te horen: een nieuw product waardoor het mogelijk blijkt om bier en andere alcoholica in een soort poedervorm te bereiden, waarbij bovendien geen alcoholgehalte aanwezig is, zodat ‑ terwijl men de smaak en de voldoening heeft, die ook alcoholica geven ‑ men in feite veel safer is, als men een glaasje op heeft.
Met deze voorbeelden ‑ ik noemde slechts enkele ‑ waarvan ik aanneem, dat ze nog dit jaar in de publiciteit zullen komen, heb ik hopelijk aangetoond dat deze nieuwe, bijna speelse ontwikkeling, die buiten de officiële wetenschap omgaat, van groot belang is voor al hetgeen in deze wereld gaat gebeuren. En dat wij er rekening mee moeten houden, dat juist de kleine, onafhankelijke piraten van de wetenschap in de toekomst de grootste resultaten zullen kunnen bereiken, doordat ze niet gebonden zijn aan vaste opvattingen en regels en aan vaste belangen.
Geboorte
Uit de veilige beslotenheid van de vast bepaalde wereld, de moederlijk klotsende zee, waarin alle dingen goed zijn, wordt door een enorme kramp en strijd het “ik” in een kille, koude wereld uitgespuwd. Geworpen in een vervreemding van alle zekerheid; in een hulpeloosheid, die zelfstandigheid noodzakelijk maakt.
Zo wordt ook de wereld van vandaag uit haar warme beslotenheid van zekerheden, van menselijke rechten en opvattingen, van heerlijke theorieën, door de krampen van deze tijd uitgespuwd in de wereld der feiten.
Het is moeilijk om te leven in de wereld der feiten. Het is moeilijk op te groeien zonder de bescherming van alle zekerheden en vaste waarden rond je. Maar kun je jezelf zijn, als je nog wordt bepaald door een milieu, dat je niet eens durft onderzoeken?
Zoals het kind onderzoekend zijn wereld leert kennen, eerst ziend dan tastend, voortdurend de relatie van het “ik” ten aanzien van de omwereld opnieuw omschrijvend. Zo zal de mensheid van morgen moeten zoeken; tastend, ziend, langzaam maar zeker steeds hernieuwd zichzelf definiërend ten aanzien van zijn wereld om een werkelijkheid te vinden, waarin kan worden geleefd. Want de mensheid kan geen mensheid blijven. De mens kan niet waarlijk mens worden, indien hij geborgen wil blijven in de klotsende, lauwe binnenzee van ideeën en ideologieën die alle werkelijkheid vreemd zijn. Men kan zijn God niet ontmoeten in een veilige geborgenheid omtrent de mogelijkheden van die God, terwijl men niet tracht de feitelijke aanwezigheid ervan te bepalen.
De mens van morgen zal zijn wereld en zijn God moeten ontmoeten, zoals ze zijn. Het zal voor velen een bittere ervaring worden. Maar is het niet groots en heerlijk in de plaats van de droom de werkelijkheid te vinden? Is het niet verheffend ‑ ondanks de moeite en offers, die er misschien mee gepaard gaan ‑ eindelijk van de denkbeelden over te gaan naar de feiten? Want slechts een mens, die leeft met kosmische feiten, kan een mens zijn in de kosmische betekenis van het woord.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
