Actuele ontwikkelingen – les 09b – Oude godsdienstige invloeden in Zuid-Amerika

image_pdf

juni 1968

Oude godsdienstige invloeden in Zuid-Amerika

In Zuid‑Amerika vinden wij een zeer grote menging van de bevolking, waar­bij Spanje en Portugal nog figureren, maar over het algemeen negers, negersla­ven, indianen‑ en inboorlingenstammen een zeer grote rol hebben gespeeld en nog spelen. Het resultaat is geweest, dat het christendom, dat er is binnengedrongen, voor een groot gedeelte wordt beïnvloed door oude geloofsvormen en denkwijzen. In heel veel gevallen hebben we zelfs kerken, die zich christe­lijk noemen, terwijl ze toch uitgaan van iets, wat wij in Europa meer spiritisme zouden noemen. In andere gevallen worden eveneens onder het mom van christe­lijke sekten de oude bloedoffers e.d. nog steeds gebracht.

Heel veel mensen realiseren zich niet, hoe sterk de natuurverering en de natuurgodsdienst in het hele Zuid-Amerikaanse gebied is geweest. Toch was het er zo dat over het algemeen de natuurgoden het eigenlijk voor het zeggen hadden. Er waren de goden van de wind, van de vlakte, van de bossen, van de wateren. Er waren de oude elementen, die een grote rol speelden en daarnaast ook ‑ mede uit de Inca‑periode ‑ vooral de vele oorlogsgoden, de goden, die bepaalde eigenschappen van de mensen verheerlijken en als het ware bevorderen en tevens de aanbidding, zoals overal, van zon en maan.

Het resultaat was dat deze op zichzelf allemaal betrekkelijk eenvoudi­ge geloofsvormen zijn samengegroeid tot een zeer ingewikkeld geheel, dat op het ogenblik op de gehele sociale structuur en naar ik meen ook op de gehele geestelijke ontwikkeling van Zuid‑Amerika grote invloed heeft.

Er is in de eerste plaats het geloof aan de onontkoombare macht; een zeker fatalisme dat voortvloeit uit het geloof aan de natuur, waaraan je je niet kunt onttrekken. Vooral als je leeft in landen, waar de zon de pogingen van vele jaren in heel korte tijd ongedaan kan maken, dan voel je je ook wer­kelijk hulpeloos. De hulpeloosheid die we vinden bij de Indio (de indiaan) en bij de vele mengingen (de mestiezen zijn er ook nog sterk in), heeft zich lang­zaam maar zeker afgedrukt op het stadsleven.

De grote steden van Zuid-Amerika (en dat zijn over het algemeen enorm grote steden) bestaan uit een tamelijk geringe welvarende kern, een zeer grote administratieve en productieve kern en daar omheen de vele kleine dorpen, de vele kleine gemeenschappen van mensen, die door de steden zijn aangetrokken. Deze mensen zijn van het platteland gekomen. Ze hebben hun ideeën over “het schip in de hemel”, de gaven die je onverwachts zult ontvangen. Maar aan de andere kant ook het geloof aan het lot dat niet gedwongen kan worden. Je leeft en – à la Louis Davids ‑ als je voor een dubbeltje geboren bent, dan krijg je nooit een kwartje. In je leven moet je dan wel proberen wat te bereiken; maar als het niet gaat, dan gaat het niet. Het is niet jouw schuld, het is het noodlot van de goden. En als je wordt getroffen door allerlei te­genslagen (als je bv. naar de stad trekt en je vindt geen behoorlijke huis­vesting, je vindt geen werk, je vindt niets), dan moet je zoeken naar iemand, die de goden gunstig kan stemmen. Het resultaat is, dat naast de katholieke missies, die er overal zijn, steeds meer kleine gemeenschappen zijn ontstaan, waarin dat oude geloof weer gaat opleven en waarbij dus het magisch denken heel sterk op de voorgrond komt.

Er zijn daardoor praktisch over heel Zuid‑Amerika mediums te vinden, die de stem van geesten en van voorvaderen vertolken. Dat geschiedt ove­rigens heel anders en naar uw inzicht waarschijnlijk minderwaardiger dan wat hier geschiedt. Het is een kwestie van zingen en dansen; en de geest is doorgaans bereid te helpen. Hij vraagt: Kan ik iets voor je doen? Kan ik je helpen? Wil ik een lied voor je zingen? De geest is daar iets, wat eigenlijk in de familie zit en daardoor kun je dus met die geest marchanderen. En dat wordt dan ook rijkelijk gedaan. Je belooft de geest een bepaald offer, je gaat naar een bepaalde plaats toe om dat te brengen, je geeft aan de priesters giften, opdat ze de geest zullen laten doorkomen. Die geest zal er dan voor zorgen dat de zaak verandert.

Nu is dit op zichzelf bijgeloof. De geest kan natuurlijk wel iets doen, maar zoveel als daar wordt voorgesteld is absoluut onmogelijk. Bovendien zal die geest zich heel weinig aantrekken van allerhande magische riten en ge­bruiken. De manifestatie wordt er soms gemakkelijker door en daar blijft het bij. Maar de mens, die gelooft dat hij nu van de geest een gave kan krijgen, gaat anders door het leven. Hij kijkt anders naar de mensen. Als hij dan ziet dat hij een mogelijkheid krijgt en mensen ontnemen hem die, dan is dat niet meer een kwestie van noodlot, dan is het een mens, die je frustreert tegen de wil van de goden in. En wie tegen de wil van de goden ingaat, die kun je aanvallen. Dan kun je zo iemand doodsteken of bestelen of je moet hem uit­schakelen. Dan gaat het niet meer om eerlijk of oneerlijk, dan gaat het er doodgewoon om: dit is je door de goden of door de geest beloofd; dit moet waar gemaakt worden.

De grote gevoeligheid die men ontwikkelt juist door dit geloof en de bijgelovige instelling, die er allemaal bij hoort, brengt verder natuurlijk met zich mee, dat je op heel veel tekenen let, die een ander niet ziet. We behoe­ven heus niet naar de wildernis te gaan, naar de Jivaro’s of andere stammen in het Amazonebekken om mensen te vinden, die niet zonder het bovennatuurlijke kunnen bestaan, die eigenlijk hun instincten, hun scherpe gevoeligheid moeten gebruiken om iets te bereiken in het leven. En denkt u nu niet, dat dat al­leen maar bij de armen is, ook bij vele zakenmensen zien we een soortgelijke mentaliteit. Ook zij ‑ al zullen ze het niet toegeven ‑ nemen vaak deel aan plechtigheden van kleine Loges, van kleine sekten en gemeenschappen. Ook zij gaan af op hun feeling. Het feit dat er zaken worden gedaan en dat je rustig over andere dingen praat, lijkt misschien voor een westerling onbegrijpelijk. Als je daar komt, wil die zakenman wel met je praten, niet om te weten wat je hebt aan te bieden, maar om te weten wat je voor een mens bent. Pas als hij weet wat je voor een mens bent, als zijn gevoeligheid een relatie, een mogelijk­heid heeft geconstateerd, zal hij overgaan tot zaken.

Dat is wederom voor de Europeaan haast onvoorstelbaar, als het ware een bijkomstigheid geworden. Die zaken doe je, omdat je de mens met wie je zaken doet in relatie tot jezelf hebt leren zien en je hebt begrepen dat er mogelijkheden of geen mogelijkheden zitten. Die denkwijze heeft natuurlijk een heel grote invloed op de reactie van de massa. Als u weet dat in de vele armoedige dorpen vaak bepaalde “gangs” (mensen, die misdadigers zijn) de zaak regeren, dan vraag je je af waarom die mensen zich daardoor laten regeren, want ze zijn zelf even snel met een mes en ze zijn ook niet bang een revolver af te schieten. Die “gangs” hebben vaak invloed via een bepaald geestelijk genootschap, via een bepaalde kerk, ze be­horen tot een geheime kaste als het ware; eerst dan hebben ze wat te zeggen.

Als je gaat kijken in de berglanden, dan hebben we te maken met indianen, die zelf ook buitengewoon gevoelig zijn. Vooral daar, waar de oorspronkelijke indianen nog enigszins onvermengd leven, is dan ook een visie op het leven, die zo primitief lijkt en gelijktijdig zo enorm ingewikkeld is, dat het alweer voor de Europeaan haast ondenkbaar is.

 Als ik als indiaan zit, dan kan ik denken. Daar zijn de oude vrouwen, de oude mannen, die in de toekomst zien. Zij weten wat ik moet gaan doen. Ik be­hoef me niet af te vragen wat ik wil gaan doen. Ik ga gewoon naar een wijze man of een wijze vrouw toe. Is er behoefte aan genezing? 0, natuurlijk, er zijn doctoren. Maar in de eerste plaats zijn er weer de wijze mannen en de wijze vrouwen, die weten hoe je dergelijke dingen kunt bereiken. Zij spre­ken met de geesten. Zij werken met de krachten van de natuur. Op deze ma­nier vervlechten zij eigenlijk langzaam maar zeker de toekomst met het heden.

De mensen zijn geen afzonderlijke persoonlijkheden zonder meer. Ze zijn deel geworden van een gemeenschap, die zich uitspreidt over de tijd, over een verre toekomst misschien zelfs. Wat zij doen heeft niet alleen maar zin voor het eigen “ik”, het is het vervullen van een soort stambestemming. En men weet heel vaak uit het verre verleden te vertellen hoe voorvaders vijf à zes generaties geleden een bepaalde opdracht hebben gekregen en zij vervullen nog steeds diezelfde opdracht. Men is gebonden aan de natuur. Want als men niet zou gehoorzamen, dan zouden de voorvaders zich tegen je keren, de bergen zouden plotseling met stenen beginnen te gooien, de mist zou je omhullen op de paden die gevaarlijk zijn. Overal zou je het gevaar ont­moeten en in de nacht zouden de geesten komen en je te kwellen.

Wie met een Europees‑westerse of Amerikaans‑westerse mentaliteit daarheen gaat, kan deze mensen niet helemaal begrijpen. Hij ziet dat ze armelijk leven misschien, maar hij begrijpt niet wat hen beweegt. Hij tracht hen te overtuigen met winst of met nieuwe arbeidsmogelijkheden, maar hij moet rekening houden met hun taak; en dat kan hij niet. Daarom ziet hij de verdeling van arm en rijk op een totaal andere manier dan de mensen zelf.

Zeker, er is langzamerhand veel veranderd. Vroeger waren er de grote be­zitters, die als het ware een vader waren voor vele dorpen; die daar straften en zeer willekeurig hun eigen recht handhaafden, maar aan de andere kant ook een aansprakelijkheid hadden tegenover het volk. Hier en daar bestaat het nog, maar meestal is het langzaam maar zeker verwaterd. De mensen moeten meer op zich­zelf staan. Het vaderlijk gezag echter hadden ze nodig.

Dat vaderlijk gezag is geërfd van de vroegere stambanden of familiebanden, die op een totaal andere manier in elkaar zaten dan men zich nu voorstelt. Het is nl. zo: als ik behoor tot de familie, dan heb ik bv. bepaalde wraak noodzaken, zoals de Siciliaanse vendetta kent. Zo bestaat daar de verplich­ting om elkander te wreken, maar ook om elkander te beschermen tegen onrecht. Er is een binding, die helemaal niet in genegenheid tot uiting behoeft te ko­men, maar die eenvoudig bestaat uit de band van de gemeenschap. En waar het vaderlijk toezicht van de zakelijke man, de hacendado (de grote landbezitter), de grote fabrikant is weggevallen als de man met de directe aansprakelijkheid, heeft men gezocht naar iets anders. Dat andere kun je niet vinden in de ge­meenschap.

Je kunt een politicus een tijdlang volgen, maar politici wisselen zo snel. Je kunt je misschien richten tot de een of andere burgemeester. Maar ook dat is op een gegeven ogenblik niet voldoende, want die man is ook onvolmaakt. Je zoekt het dus bij mensen met bijzondere eigenschappen. Soms zijn het handige jongens, die beweren dat de geest tegen hen spreekt of dat ze contact hebben met de duivel. In andere gevallen zijn het mensen, die werkelijk gaven hebben. Soms zijn het priesters of priesteressen van geheime orden. Deze mensen gaan de vaderlijke plaats innemen. Maar zij bezitten niet de materiële mogelijkheden om de vaderlijke verplichtingen te vervullen.

Als de grondbezitter een zieke wil laten verplegen, dan kan hij dat beta­len. Als de priester dat wil doen, dan kan hij dat niet. Hij moet dan bovenna­tuurlijk krachten oproepen om dat tot stand te brengen. En als dat niet gaat, ja, dan kan hij geen hospitaal betalen, hij kan geen transport betalen, hij kan niets. Dan moet hij dat uit de gemeenschap persen. Hij moet dus zorgen dat er bepaalde verbindingen ontstaan, die weliswaar geen vakbond zijn, maar die een soort bloedband worden door middel van het geloof, door het aanvaarden van een gezamenlijk hoofd.

In landen als Brazilië is dat heel sterk. Maar ook in Argentinië zien we dat steeds meer opleven. Dat is misschien ook de verklaring waarom Peron op het ogenblik nog zoveel invloed heeft. Juan Peron was geen ideaal mens. Hij was een heel eigenaardige figuur. Eva Peron was eveneens iemand waarop heel veel aan te merken zou kunnen zijn. Maar deze mensen waren vader en moeder. Zij gaven aan de behoefte van een groot gedeelte van de mensen om pater­nalistisch geregeerd en gebonden te zijn vorm en gestalte. Deze gebonden­heid gaat zich nu langzaam maar zeker uitwerken in de behoefte om ook geestelijk, politiek en economisch een zekere onafhankelijkheid tot stand te brengen. Het resultaat is, dat we een soort commune‑gedachte zien ont­staan, die echter vaak geregeerd wordt door een medium.

We zien dat er een bepaalde samenwerking (een soort coöperaties) ontstaan, die echter hun contacten helemaal niet danken aan een zakelijk overleg, maar aan het bijeenkomen misschien ergens in de een of andere schuur, aan de rand van een bos of op een open plaats in een bos waar dan gedanst wordt tot de roes de mensen bevangt. Dan gaan de geesten spreken en worden er bloedoffers gebracht. Dat is hun binding. Maar die binding is zo enorm belangrijk, dat men zich het dagelijks leven zonder dit niet kan denken.

Als men de zon aanroept, dan roept men niet alleen de zon aan, men roept als het ware gelijktijdig alle zonaanbidders aan. Men probeert zich één te voelen met de priesters van de kaste. Men probeert zich één te voelen met allen, die diezelfde macht kennen. En men voelt zich gesteund in al hetgeen men gaat doen door die kracht. Deze mentaliteit zal natuurlijk op den duur de gehele sociale vormgeving veranderen.

Zolang er de vaders in de materie waren, de aanvaarde leiders, de aan­beden leiders, was er niets aan de hand. Dezen konden ‑ meestal zelf meer be­schaafd en geletterd zijnde ‑ met de wereld tot een overeenkomst komen. Zij konden vertellen wat er precies moest gebeuren. Maar nu is het gezag ver­dwenen. Zelfs de agitator kan eigenlijk als agitator alleen wat betekenen, indien hij behoort bij de groep.

Men heeft zich misschien wel eens afgevraagd, hoe het komt dat Che Guevara met zijn revolutie, die goed bedoeld en noodzakelijk was, zo weinig heeft be­reikt. Indien men zich realiseert hoe de binding van de boeren op het land was, wordt het wat anders. Che Guevara kon dat niet begrijpen. Hij kwam uit een ander land. Hij kon niet begrijpen, waarom zelfs zijn eigen caballero’s op een gegeven ogenblik ervan uitgingen dat er eerst een bevestiging moest komen, een te­ken. Hij kon niet eens begrijpen, waarom men bepaalde plechtigheden moest accep­teren en niet onmiddellijk gegevens en voedsel kon krijgen uit de dorpen. Zo min als hij ooit heeft begrepen, waarom hij in sommige dorpen zoveel steun heeft gekregen. Het was een kwestie van de broederschap, van een verbondenheid van deze mensen. Die verbondenheid domineert alles.

Als een broeder van een bepaald geloof bij mij komt ‑ ook al wordt hij door alle politiemensen ter wereld achtervolgd ‑ dan moet ik hem voeden en hem helpen, ook al zeg ik “broeder, ga alsjeblieft snel verder, want ik wil geen risico lopen.” Maar ik moet hem helpen. En vraagt hij om te mogen blijven, dan moet hij blijven.

Deze hele situatie heeft dus voor de agitatoren, die overal werkzaam zijn, heel wat eigenaardige problemen gegeven. De Cubaanse agitatoren vooral zijn vele malen vastgelopen juist op deze mentaliteit: de groepsmentaliteit van de armeren. En naarmate de mens armer is, minder onderricht heeft gehad, meer van dag tot dag leeft, is de natuur en zijn de krachten van de natuur belangrijker en dus ook de broederschap, ook het geloof.

Je kunt alleen via het geloof Zuid‑Amerika begrijpen. Je kunt de Zuid-Amerikaan alleen maar benaderen vanuit zijn zoeken in het bovennatuurlijke. Het zoeken naar de wetenschap van de wijze man, de wijze vrouw, de stand van de sterren misschien, de taal van een medium, het teken dat plotseling ergens zal verrijzen en ook vaak inderdaad verrijst. En waar het geloof zo’n heel gro­te rol gaat spelen, daar spelen ook de mentale krachten van de mens een heel andere rol dan hier.

Bij u denken de mensen wel ongeveer gelijk, maar ze denken verstandelijk en in redelijke sequenties. De gevolgen, die zij verwachten van een bepaalde daad, zijn redelijk te beredeneren, zij zijn te overzien. In Zuid‑Amerika is het anders. Daar verwacht je niet het redelijke, daar verwacht je juist vaak het bovennatuurlijke, het wonder, dat zal gebeuren. En als het niet gebeurt, dan heb je niet genoeg geofferd, of dan is een priester niet in orde. Dan moet er een nieuwe priester komen. Maar de bovennatuurlijke machten zelf zijn eeuwig, die zijn betrouwbaar. Zonder die kun je niet leven. En daardoor denkt men in de richting van het wonderbaarlijke, van het bijna krankzinnige. Daardoor ontstaan zelfs de revolu­ties en hervormingen op een wonderlijk spontane manier. Ze zijn niet rede­lijk te rijmen met het normale zakelijke beleid van grote firma’s e.d.

Je kunt Zuid‑Amerika niet zonder meer beïnvloeden. Je kunt het niet helemaal begrijpen. En dat is juist ook het aantrekkelijke van dit eigen­aardige continent met zijn grote, haast ondoordringbare Andesketen, met zijn vreemde, grote oerwouden en zijn uitgestrekte vlakten, waarin je soms verloren schijnt te gaan, totdat je zo alleen bent op de aarde als een zeeman midden op de oceaan.

Het is misschien ook begrijpelijk, als men dit in ogenschouw neemt, dat de innerlijke wetten van de mens anders zijn dan hier. Hun geloof en hun denken kent plechtigheden, die niemand meer als plechtigheden erkent. Denk eens aan het beroemde carnaval in Rio. Wat ziet u daar? In de eerste plaats dat de corporaties, de buurten eigenlijk, samenwerken om een bepaalde uitbeelding te geven. Dat die groepen voorbijtrekken, is een fantastisch schouwspel, het is mooi, het is boeiend. Die mensen bre­ken daar een paar dagen los uit de armoede in een schijn‑rijkdom, in een kla­tergoud wereld, waarin alles mogelijk schijnt. Maar wat men zich niet realiseert, is hetgeen er achter die gemeenschap ligt; dat het uitgebeelde probleem of de groep niet alleen maar werd gekozen vanwege de mooie kostuums en de mooie mogelijkheden ‑ het werd eraan aangepast ‑ maar dat daarachter heel vaak een soort wondergeloof schuilt. Men breekt los uit de werkelijkheid.

Het carnaval brengt de hergroepering tot stand. Die hergroepering zien we dan zich ontplooien in vele richtingen, die de mensen niet leuk vinden. Voor de seksuele hergroepering bv. is zo’n carnaval wel belangrijk. Maar ook de politieke hergroeperingen vinden tijdens een dergelijk carnaval al heel wat plaats. Het zijn de fiestas, de feestdagen, waarop de priester heel waardig misschien zijn mis opdraagt, maar waar een ogenblik daarna de mensen de oude heidense dansen dansen en de oude heidense gebruiken toepassen; waarbij het ene ogenblik men zichzelf als krankzinnigen opzweept in een gestileerd uit­beelden van de totale natuur en het volgende ogenblik terugvalt tot de sfeer van een goedkope kermis. Het zijn tegenstellingen, die men moeilijk kan over­bruggen, als men niet zelf daarin leeft, als je er geen deel van bent. Maar als je er deel van bent, dan begin je langzamerhand te begrijpen hoe de natuur, de krachten erachter, eigenlijk het leven scheppen, de vorm geven aan de gemeenschap, aan de reacties van de gemeenschap. Hoe je belangrijkheid in de gemeenschap meestal wordt bepaald niet door wat je bent, door wat je be­zit zelfs, maar door datgene wat achter je staat. Het is daardoor ook dat op het ogenblik de grote, voornamelijk katholieke revolte zich daar aan het afspelen is.

De kerken waren eens verzamelplaatsen voor het mirakel. De mensen zijn langzaam maar zeker gaan beseffen dat het wonder voor de mens niet bestaat. De kerk is te gereglementeerd. Zij is te voortdurend zichzelf herhalend om helemaal te kunnen worden aanvaard. Zeker, Jezus heeft natuurlijk betekenis en Maria ook, maar op een andere manier dan ze in de kerk worden beleefd en gepredikt. Er moeten feiten komen en als er feiten zijn, dan telt de rest. Dat kun je ook niet voor elkaar brengen met een kopje koffie en een boterham voor iemand, die niet meer verder kan of met een deken voor iemand, die mis­schien kou lijdt. Dat kun je niet bereiken met de een of andere jongelingen ­vereniging. Je kunt dat alleen bereiken, indien je het mirakel terugbrengt.

De priesters van de katholieke kerk beginnen dat te begrijpen. Ze begin­nen te begrijpen, dat het belangrijker is desnoods ergens in een dorpje, als het even kan misschien bij een steen van een oude offerplaats, een misoffer op te dragen en dan met de mensen als mensen te zijn, omdat je deel wordt van die magische gemeenschap. En dat het belangrijker is om priester te zijn, boven de mensen te staan en als het ware het gezag te vertegenwoordigen. De pronk en de praal van de kerk kunnen nooit op tegen de pronk en de praal van de natuur. De stem van de prediker kan niet op tegen de geheimzinnige stemmen, die uit de mediums komen, die uit de bossen klinken, ja, die in de mensen zelf soms opwellen, zonder dat ze weten hoe. Het is een wonderlijk land. En zelfs de revolutie, die we op het ogenblik op sociaal terrein zien, is ermee verbon­den.

Het is voor de Europese mentaliteit onbegrijpelijk hoe mensen, die een zeer grote macht hebben, zoals in bepaalde delen van Brazilië, niets doen om zich nu eens even te verzetten tegen hun uitbuiters. Hoe deze mensen aan de ene kant moedig kunnen strijden tegen politiemannen en aan de andere kant voor één grote heer zich buigen, alleen maar omdat deze een bepaalde naam heeft, omdat hij een bepaalde functie heeft misschien. Tenminste dat denkt men. Maar in feite, omdat hij een uitstraling heeft waar de geest, waar de natuur achter zit. Daarom kun je niet verwachten dat het heetbloedige Zuid‑Amerika zo reageert als Europa.

De oer-godsdiensten van dit land leven voort. De goden zijn misschien heiliger geworden en in de plaats van het roffelen van de trommen in de oer­wouden is langzamerhand gekomen het handgeklap en het geschuifel van mensen in witte gewaden, die psalmen zingen. De achtergrond is gelijk.

De natuur is bezield. Overal rond je is de natuur, de krachten van de na­tuur. De voorvaderen leven in de mensen, ze staan achter de wijzen. Zij zijn het, die het leven dirigeren. Daarom moet je het leven wel een beetje fatalistisch aanvaarden, want tegen die hogere machten kun je niet op. Mensen kun je aan, maar tegen die machten ben je machteloos. En daarom voltrekt zich nu een won­derlijk gebeuren in Zuid‑Amerika. Niet alleen de revolte, die ongetwijfeld ook overal weer losbarst, omdat er agitatoren zijn, omdat er mensen zijn die langzamerhand gaan begrijpen dat je niet alleen naar kunt wachten tot de donder- ­en regengoden of de wind een hervorming brengen, totdat Jezus zelf op aarde komt om de machthebbers weg te jagen. Het wonder van deze gelovigheid in de gemeenschap, deze mentale uitstraling, creëert denkbeelden en mogelijkheden zo schijnbaar onlogisch en daarnaast zo ontzettend geniaal, dat het onbegrijpe­lijk is geworden.

De mensen, die erheen gaan, worden erin gevangen. Ze kunnen zich mis­schien opsluiten in eenzame forten, zoals sommige Duitsers hebben geprobeerd. Maar zelfs zij worden langzaam maar zeker gevangen door deze vreemde kracht, deze gedachtenkracht, die het hele continent doordringt. Ook zij kunnen niet meer volledig redelijk denken. Zij vluchten misschien weg in de dromen van een verleden. Maar de meeste Zuid-Amerikanen dromen op het ogenblik van de toe­komst.

Hun toekomst is er niet een van bloed en geweld. Het is er niet een van regelingen en nieuwe staatsvormen. Het is er een van goden, die met de mensen wandelen. Het is een verkrijgen van een geestelijke kracht, waardoor je alles kunt overwinnen. Ja, het is misschien nog ergens het schip in de hemel, dat voorbij zal komen en rijke gaven zal uitwerpen. Maar het is vooral nieuwe begrip­pen, waardoor je als mens machtiger zult worden, sterker, en waardoor je met je gemeenschap meer kunt betekenen.

Als je dit begrijpt, ga je ook inzien hoe belangrijk in de komende 30 à 40 jaren voor een groot gedeelte van de wereld de ontwikkelingen in Zuid‑Amerika zullen zijn. De ontwikkelingen van de primitieven en van de armen. Ontwikkelin­gen, die direct schijnen voort te komen uit de legenden van de bijna vergeten en bijna uitgeroeide indianenstammen. Legenden, die niets te maken schijnen te hebben met de redelijkheid, de logica, die de mens van vandaag vraagt, maar juist daardoor bandeloze scheppingskracht, astrale beelden, die overal ont­staan of herontstaan. Beelden, die zich langzaam maar zeker daar concretise­ren en projecteren naar de mensheid zonder logica, maar met reële, stoffelijke mogelijkheden en daardoor met een werkelijk revolutionaire inslag, die niet al­leen maar vorm en denken, sociologische en economische omstandigheden betreft, maar vooral het mens‑zijn zelf.

We kunnen niet verwachten dat Zuid‑Amerika invloed zal uitoefenen op deze wereld in de komende eerste paar honderd jaren. Maar we kunnen wel verwachten dat het een denken voorbrengt dat langzaam ook vandaaruit zal ver­der trekken over alle continenten heen, totdat het evengoed weerklinkt in de ongetelde massa’s van China als in de langzaam in intellectualisme bijna ondergaande mensen van West‑Europa.

Het is niet voor niets dat er een vesting is in de Andes. Een vreemd geestelijk slot, waaruit de Broederschap krachten en gedachten doet uitgaan over de wereld. Want dit is het land van het wonder. Dit is het land van de onverwachte geestelijke ontplooiing, van de primitiviteit, die ‑ eindelijk mondig geworden ‑ zichzelf zal hervinden als menselijke werkelijkheid en waar­digheid in de tijden die komen.

Uitdaging

De hele wereld is een uitdaging, want overal word je op de proef gesteld. Overal is er iets of iemand die vraagt: Kun je dat wel? Durf je dat wel?

Je kunt je natuurlijk verschansen achter al datgene, wat de mensen hebben geleerd en wat er geschreven staat in de boeken. Je kunt jezelf verbergen ach­ter “Gods wil” of achter de maatschappelijke noodzaken, maar de uitdaging van de wereld blijft bestaan. De uitdaging van een wereld, die niet alleen maar mate­rieel is, maar die ook geestelijk is: Wat ben je werkelijk? Wat kun je werkelijk? Wat is je werkelijke wezen?

Laat een ogenblik je masker vallen, mens. Laat eens even zien wat je wer­kelijk bent. Ontplooi eindelijk eens de krachten, die werkelijk in je leven en laat je niet meesleuren door het voortdurend gezapig verder dobberen van een burger-mans bestaan.

Mens, maak je niet vrij door de maatschappij te verwerpen. Maak je niet vrij door je geloof te verwerpen, maar maak je vrij door datgene wat in je leeft, in je geloof en in de maatschappij waar te maken. Dat is de uitdaging, die de wereld je voortdurend toeroept.

De uitdaging om iets te zijn. Niet alleen maar een illusie tegenover ande­ren. Niet alleen naar een gezapig voortgaand sleurtje dat nooit tot een einde schijnt te komen, maar een levende kracht. Iets, dat betekenis heeft. Een vonk, die een ander vuur kan ontsteken. Een vlam, die licht is in de duisternis van anderen. Een kracht, die je hoort daar, waar anderen doof voor zijn geworden en die je ziet waar anderen nog verblind zijn.

Wat ben je, mens? Je bent eeuwigheid. Je bent een geest, die door vele levens heen misschien hier is gekomen in deze menselijke vorm en die verder zal gaan.

Wat ben je, mens? Je bent een wezen dat oneindige mogelijkheden in zich draagt. Die mogelijkheden zal je moeten ontplooien, zelfs in de beperktheid van een stoffelijk bestaan. Wat ben je, mens? Dat is de uitdaging, die het hele zijn je voortdurend tegemoet roept:

Wat ben je? Wat maak je waar van jezelf? Hoe kun je vrede vin­den met jezelf en met je wereld, zonder daarbij jezelf te verloochenen? Hoe kun je de waarheid, die in je leeft in je wereld waarmaken, zonder gelijktijdig weg te vluchten voor de feiten, die rond je bestaan? Dat is de uitdaging.

Kun je leven met je schulden, mens? Want je hebt schulden. Je hebt fou­ten gemaakt. Kun je ermee leven? Kun je met die schulden misschien het goede bereiken? Dat is een uitdaging. Het hele leven, het hele bestaan is een uitdaging, telkenmale weer. En wie die uitdaging aanneemt, moet wel begrijpen, dat jezelf zijn niet betekent: gezapig verdergaan in illusies, maar voortdurend weer vechten om al die facet­ten, die er in je bestaan tot uiting te brengen en in te passen in het leven. Het is eigenlijk een uitdaging van de hele kosmos. Ergens een tijdloos bestaan in de oneindigheid van een God. Het is alsof God of de Kracht, die je heeft ge­schapen heeft gezegd: Slechts waar een uitdaging is, is bestaan de moeite waard. Laat mij daarom al het zijnde de uitdaging toewerpen.

Ken uzelf in mij, ken mij in uzelf. Wie die uitdaging aanneemt en volbrengt, die heeft het doel van alle leven bereikt.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf