Buiten het ik

uit de cursus ‘Zelfprojectie’ 1984-1985

Als je jezelf innerlijk bekijkt, een voorstelling hebt van je innerlijke persoonlijkheid, of dat nu helemaal juist is of niet, dan heb je verder nog nodig een wereldbeeld. Dat wereldbeeld kan imaginair zijn, het kan ook volledig concreet zijn. Als deze beide factoren aanwezig zijn, dan ontstaat er buiten het ik een soort werkelijkheid. Wij noemen dat een tweede werkelijkheid omdat ze voor het ik, zelfs ten aanzien van lichamelijke en andere gebeurtenissen, volkomen reëel is en gelijktijdig toch niet klopt met de normale werkelijkheidsverhoudingen waarin je als mens pleegt te leven.

Als je nu bezig bent aan zelfprojectie, dan ben je eigenlijk bezig om je persoonlijkheid elders te plaatsen hoe dan ook of de inwerking van je persoonlijkheid anders te bevestigen dan in jezelf en in je onmiddellijke omgeving. Daarvoor is de tweede werkelijkheid een heel aardig hulpmiddel.

Stel je voor dat je een mens moet genezen. Ik neem maar een voorbeeld, je kunt ook een ander nemen. Je wilt dus een mens genezen.

In de eerste plaats moet je voorstelling hebben van de persoon.

In de tweede plaats moet je een voorstelling hebben van de kwaal van die persoon.

In de derde plaats moet je een voorstelling hebben van een omgeving waarin die persoon vertoeft. Het is niet slechts het beeld van de persoon zonder meer in dit geval. Het is het beeld van een compleet stukje wereld waarin die persoon zich bevindt. En dan zou je je kunnen voorstellen dat het volgende gebeurt:

Het ik droomt zich op dat ogenblik een chirurg te zijn. Je treedt als het ware de ziekenzaal binnen waar de patiënt ligt. Misschien zit hij in werkelijkheid net te kaarten, maar dat doet niet ter zake. Dit is een andere werkelijkheid. Als voor jou de operatiekamer en al wat erbij hoort echt is. Dan zie je ook de assistenten. Zij zijn in zekere zin echt; voor een deel zijn het projecties van je eigen wezen. Het is een deel van je fantasievoorstelling maar ergens worden ze ook bezield. Als je nu geestelijke helpers hebt, dan kunnen ze juist in die gedaanten ook een rol spelen in de projectie.

Nu wil ik niet zo ver gaan dat u een blindedarmoperatie moet uitvoeren, maar laten we zeggen; het is een kwestie van een niersteen. U zegt: Ik ga die niersteen verwijderen. Hoe u zich voorstelt dat dat gebeurt, doet eigenlijk niet ter zake. Belangrijk is dat u druk bezig bent om met assistentie van de anderen die niersteen te verwijderen.

Ondertussen zit de patiënt in werkelijkheid nog rustig verder te kaarten. Wat is nu het resultaat hiervan? Dat is een eigenaardig iets.

Die niersteen is niet verdwenen. Maar wat blijkt: ze is vergruisd. Er kan bij het wateren nog wel even een stekende pijn optreden. De patiënt zal wat meer moeten drinken dan normaal. Dat moet u hem maar even vertellen. De steen verdwijnt dus. De geestelijke operatie die u heeft uit­gevoerd, was heel iets anders dan het feitelijke gebeuren. Maar de rela­tie die bestond tussen het beeld van de patiënt, de operatie en de feitelijke toestand van de patiënt, heeft in diens toestand een verande­ring teweeggebracht.

Dit is maar een eenvoudig voorbeeld. U zou met honderd andere­ kunnen uitbreiden op elk gebied. Ik heb het alleen gedaan om u duidelijk te maken hoe de tweede werkelijkheid ongeveer functioneert.

Wat u nu doet, is op dat ogenblik zelf projecteren. De projectie was in dit geval een fantasie. Punt 1, het ik besef werd in de fantasie ingelegd. Punt 2, andere reëel bestaande waarden van de eigen wereld werden in die fantasiewereld geplaatst en daarin gemanipuleerd. Dan ontstaat er een bijna magisch proces waardoor deze in de projectie plaatsvindende manipulatie haar weerslag heeft op de menselijke werke­lijkheid

Je zou op deze manier waarnemingen kunnen doen. Je kunt jezelf projecteren op een heel andere plaats. Als je gewoon daarmee bezig bent dan vergeet je dat weer of je noemt het een uittreding. Maar je kunt ook nog een beetje verder gaan.

Er zijn indertijd in Engeland een aantal proeven genomen waarmee nogal wat gegevens zijn vastgelegd over verschillende personen die in staat waren elders te verschijnen terwijl hun lichaam in rust was. Wat gebeurt hier? Hier wordt in feite een astrale schil opgebouwd door enorme concentratie. Die astrale schil wordt geplaatst in een omgeving die op dat moment niet helemaal bekend is maar waarvan je een bepaal­de voorstelling hebt.

Laten we zeggen: U wilt naar Londen, dan neemt u Tower Bridge. U wilt naar Parijs, dan neemt u de Eiffeltoren. Die voorstelling is vol­doende om een verplaatsing teweeg te brengen. Op het ogenblik dat die plaatsing geschiedt, moet elk gevoel van nog elders aanwezig te zijn teniet worden gedaan. Dat is een enorme concentratie. De astrale schil verdicht zich ontneemt uit de omgeving o.a, warmte en nog andere din­gen, wordt vast, waarneembaar.

Zo is het mogelijk dat u in een leunstoel zit te sluimeren in Den Haag en ondertussen met een aardig meisje, een aardige kerel (het ligt er maar aan wie u bent) flaneert ergens op een boulevard in Parijs en een heel interessant gesprek heeft waarbij dan bovendien vreemd genoeg een taalkennis aanwezig is die u feitelijk niet bezit. U ziet, buiten het ik zijn er dus een hoop mogelijkheden die, als u het goed be­kijkt, tot het ik behoren. U ziet al die dingen als buiten u bestaand.

Wij hebben er al eens over gesproken dat een groot gedeelte daar­van interpretatie is en dat de werkelijkheid zelf altijd anders is dan u haar ziet of beleeft. Maar we gaan nog iets verder.

Wij zijn deel van een totaalbeeld dat wij als werkelijk ervaren. Of het werkelijk is, weten we niet. Door nu een deel daarvan in het bij­zonder in ons denken op te nemen, ontstaat er een resonantie waardoor het andere deel dat buiten ons lag, in ons ontstaat. Vandaar, het is een fantasie. Maar datgene wat in ons ontstaat, staat gelijktijdig weer buiten ons.

Er zijn mensen die zeggen: Dat is toch eigenlijk niet denkbaar of niet mogelijk. Als je het nooit probeert, zul je het nooit ervaren. Dat is duidelijk. Als je probeert het te ervaren, dan zul je eerst moeten trachten om een tamelijk reëel innerlijk beeld van jezelf te vinden. ­Dan zul je dat beeld plus je voorstelling van je uiterlijk nog moeten projecteren; d.w.z. ergens van je afzetten. Het staat er eigenlijk een beetje buiten. Pas op het ogenblik, dat dat is gebeurd en niet eerder, kan er een identificatie ontstaan tussen de totale ikheid die je bent en een deel van de ikheid die je hebt geprojecteerd.

De situatie waarin een mens verkeert op aarde is er altijd één waarbij zijn eigen visie zijn wereld bepaalt. Ieder mens ziet de wereld een beetje anders. Iedere mens heeft ook een enigszins andere voor­stelling van zichzelf. Ik heb stommelingen gekend die zichzelf op aar­de genieën hebben geacht en dat nu bij ons lankmoedig toegeven. Omgekeerd heb ik ook mensen gezien die in ieders ogen (ook in hun eige­n ogen) eigenlijk dom waren, maar die in feite genieën waren.

Wij kunnen niet zeggen: Ik ben dit of dat. Ik kan dit of dat. Ik weet dit of dat. Dat zijn allemaal zeer betrekkelijke dingen. Maar wat we wel kunnen doen is zeggen: Ik zie mijzelf zus of zo of als dit en dat. De visie die je van jezelf hebt, kun je projecteren in het wereldbeeld dat je hebt. Het zijn twee onwerkelijkheden. Zeggen dat iets zo is, wat een mens op aarde ontzettend graag doet, is onzin. Het schijnt zo, maar in wezen is het altijd anders. Wanneer wij bezig zijn met die projectie, dan werken wij met onze voorstelling van de wereld, met onze voorstelling van onszelf, onze voorstelling van onze mogelijkheden. Die voorstelling behoeft dan niet aan de lichamelijke werkelijk volledig gereleerd te zijn. Maar we kunnen dan altijd ingrijpen in die delen van de werkelijkheid die ook voor an­deren bestaan.

De wereld zoals u haar ziet, is niet precies zoals een ander die ziet. Maar het gegeven, voorbeeld de niersteen, zal een ervaring zijn voor de patiënt en een zekerheid voor u. In dat geval kunnen wij op die zekerheid inspelen.

Als u denkt, dat u de hoofdprijs in de loterij zult winnen maar u twijfelt er eigenlijk aan, dan kunt u nooit de honderdduizend trekken. Erg vervelend. Anders zou het erg leuk zijn, ik zal aan jou denken, ik projecteer mij en wij delen sam sam.

De bestanddelen van een dergelijke projectie zijn dus, ongeacht de fantasie, gebaseerd op een gemeenschappelijk ervaren, een gedeelde voorstelling of een gedeelde omschrijving van feiten. Zolang dit niet het geval is, kunnen wij met die magische projecties niets uitrichten. De grote kunst, als u met zelfprojectie wilt werken, is wel in de eerste plaats om een beeld te krijgen van uzelf waarin u zo weinig mogelijk verdringt. U kunt u voorstellen als chirurg. Maar als u denkt dat u een stunteling bent, dan zal de chirurg ongetwijfeld ondanks alle mooie fantasie de operatie verprutsen. Dat betekent ook dat de gene­zende werking op de patiënt zeker niet 100 % zal zijn en er zeer waar­schijnlijk kleine moeilijkheden bij zullen optreden in plaats van wegvallen. U moet dus eerst weten wat u bent. Weet u, dat u een stunteling bent, dan kunt u in uw fantasie zeggen: Dat doe ik alleen normaal, maar nu stuntel ik niet. Dan bent u ineens die gebreken kwijt zolang ze worden erkend. Want op dat moment heeft u ze buiten de fantasie gesloten. U heeft gezegd: Dat is een interpretatie, het behoort niet tot mijn wer­kelijkheid, dus kan ik zo optreden. Als u dat niet doet, blijft het uw ik­-besef beïnvloeden.

Hoe meer u de feiten voor uzelf ontkent, hoe groter het aantal on­beheersbare factoren dat bij ik projectie, bij pogingen tot ingrijpen (dat loopt van het simpele magnetiseren tot de grootste magische bezwering toe) altijd de zaak zullen beïnvloeden.

Het principe waarmee je in dit geval werkt is dat van harmonie. Men zegt ook wel van identiciteit ofschoon dat niet precies hetzelfde betekent. Men zegt harmonie, omdat harmonie een wisselwerking is. Men zegt identiciteit omdat men daarmee wil aangeven dat er een gelijkheid bestaat.

Misschien kent u de ruimtevaart theorieën. Er zijn heel mooie theorieën ontwikkeld die later niet juist bleken over de manier waarop men via een andere dimensie een groot stuk ruimte zou kunnen overslaan. Het denkbeeld is doodeenvoudig, neem een kaart die op zijde is gedrukt. Dan heb je hier Amsterdam en daar New York liggen. Maar je kunt die punten gewoon opnemen en zo vouwen en dan liggen Amsterdam en New York vlak bij elkaar. De tussenliggende ruimte is dus verdwenen.

Wat er nu gebeurt bij harmonie en in zekere zin bij identiciteit is hiermee te vergelijken. Er is a.h.w. een samenvloeien van twee op zichzelf ruimtelijk gescheiden punten totdat ze een eenheid vormen. Laat mij het zo zeggen. Je staat in Amsterdam en je wilt naar New York. Je kunt die procedure volbrengen en dan is een stap voldoende om uit Amsterdam in New York te staan; je kunt zo van de Dam naar Times Square gaan.

Wat wij doen, als we met de tweede werkelijkheid bezig zijn, is iets dergelijks. Er is een wereld van denken; een bewustzijnswereld. Er zijn er zelfs verschillende en die noemen wij dan sferen. Maar de kern van alles is een denkbeeld, niet meer en niet minder. Door dat denkbeeld te plooien en niet aan te nemen dat het een rigide structuur heeft kunnen we dus elk punt a.h.w. naar een ander punt toe brengen. Wij kunnen zodra de punten gelijkwaardig of evenwichtig zijn harmonie en soms identiciteit (volkomen gelijkheid) naar elkaar toebrengen en vanaf dat ogenblik is elke wilsuiting een voldoende overdracht,

Het houdt dus doodgewoon in dat als u hier een voorwerp heeft dat geladen is en daar een identiek voorwerp, het andere voorwerp ook iets van de lading, de uitstraling, zal vertonen op het moment dat u het bestaan van dat gelijksoortige voorwerp beseft. Het zijn allemaal van die vreemde dingen.

Heeft u wel eens gehoord van een magnetiseur die water magneti­seert via de telefoon? Een patiënt klaagt: Ik heb zo’n last van hoofdpijn. De magnetiseur staat aan de telefoon. Hij heeft toevallig een afspraak om die avond te gaan dansen en heeft dus helemaal geen zin om eventjes daar persoon­lijk de zaak in orde te gaan maken. Hij denkt: ik wil toch wel wat van mijn kracht kwijt. Hij zegt dan tot de persoon: Neem een glas water in je handen. Houd dat in de linkerhand en leg de rechterhand daar boven­op. Nu zal ik het water van hieruit magnetiseren. Het gekke is dat het water dan inderdaad een genezende werking heeft. Dat is niet al­leen maar suggestie.

Er is enige lading in het water terecht gekomen. Hoe kan dat?

Natuurlijk niet omdat er een telefoonlijn tussen is. Dat is maar goed ook; want dan zou de PTT onmiddellijk een extra tarief daarvoor uit­denken. Wat er gebeurt, is dit:

De magnetiseur stelt zich de patiënt voor met dat glas water. Hij weet: dat is nu een werkelijkheid. Hij stelt zich voor dat de handen van de patiënt de zijne zijn. Bewust of onbewust neemt hij dat aan. Het resultaat is dat de kracht niet meer door zijn handen gaat maar door de handen van de ander. De tussenliggende afstand is weggevallen. De energie wordt inderdaad overgedragen.

Daar hebben we ook weer een oplossing voor een raadsel; iets wat heel veel mensen altijd als onzin hebben uitgekreten, namelijk het feit dat je ook op afstand materie kunt beïnvloeden. Ook hier is sprake van een projecteren van een deel van eigen vermogens in de handen van een ander: Zo kun je dus op velerlei manieren iets dat in je bestaat buiten je toch tot werkelijkheid maken. Dat is de reden dat ik BUITEN HET IK als titel heb gekozen.

Het ik kan elk punt op aarde of wat dat betreft in de kosmos tot deel van zichzelf maken. Op het ogenblik, dat de eigen wereldvoorstel­ling voor een deel of geheel wordt vergeten, zal het ik in zijn totale mogelijkheid zoals die innerlijk wordt erkend, optreden op die andere plaats en daar invloed kunnen uitoefenen. Het zijn allemaal dingen waar de mensen een beetje aan voorbij gaan.

Heel vaak hebben zo daarvoor mooie uitdrukkingen, zoals: Ik ben uitgetreden. Maar in hoeveel gevallen is er sprake van een concrete uittreding die later kan worden herinnerd? In de praktijk herinner je je alleen die dingen die je eigenlijk in je hersenen kan vinden. Wat je hebt is een fantasiebeeld. Het heeft wel een concreet counter­part ergens in de sferen, maar wat je je voorstelt is niet die wereld; het is een fantasiebeeld,

Dit fantasiebeeld heeft echter wel een directe relatie met datgene waaraan het is ontleend. Daardoor kunnen de sferen dan ook op je inwer­ken door zo’n uittredingsbeeld zonder dat er eigenlijk iets van over­brugging van, ruimte bij te pas komt.

Een mens, die intens gelooft in de hel, kan het in een koude win­ter gloeiend heet krijgen, Als zijn voorstelling van de hel het grote stookhuis beneden is en hij zich daar in vlammen geroosterd voelt, dan vertoont hij zelfs bij 30 graden onder nul koorts. En als hij zich voor­stelt dat het zomer is en dat hij gewoon heerlijk in de zon zit, dan kan hij natte doeken die op zijn lichaam zijn gelegd, drogen bij temperaturen eveneens van 10 tot 20 graden onder nul.

Dat laatste is overigens iets wat sommige Lama’s en heilige man­nen in India wel eens presteren. Dan laten ze zien dat het kan. Geen methode die ik u wil aanbevelen; een gewone wasdroger is veel voor­deliger. Het kost wel wat energie. Maar realiseer u even dat het kan. Dat kan alleen, omdat de voorstelling die het ik zich maakt van de we­reld voor dat ik zodanig concreet en reëel wordt dat het lichaam niet meer reageert op de wereld zoals zij normaal voor anderen buiten het ik bestaat, maar deze vervangt door een andere wereld: Dan ontstaan er nevenwerkingen, zoals het drogen van de doeken waar ik over sprak, waardoor je eigenlijk zegt: Dit is een wonder. Men zegt dan: Ja, maar dat is een wonder van wilskracht. Neen. Het is het wonder van een jezelf ver­plaatsen in een ander deel van de werkelijkheid.

Om dit af te ronden wil ik u duidelijk maken dat er eigenlijk geen binnen en buiten bestaat. Het zijn aanduidingen die wij gebruiken.

Kan een wereld extern zijn, wanneer wij in die wereld leven en beleven? Dan bestaat ze gelijktijdig, binnen ons, anders is de beleving niet mogelijk. Als wij dus zeggen buiten ons, dan bedoelen wij datgene waarop wij volgens denken en gevoel geen invloed hebben. Zolang wij dat gevoel houden van het ligt buiten mij dan wordt het uitermate moeilijk. Laat mij toch nog een voorbeeld erbij geven.

Een van de bekende proeven is bv. met de hand een kompasnaald laten draaien. Er zijn heel veel mensen die dat niet kunnen. Waarom niet? Omdat ze denken: die naald wijst naar het noorden en ik probeer haar te beïnvloe­den. Maar als ik denk: ik ben verbonden met die naald ik ben het verlang­stuk daarvan, dan manipuleer ik haar met weinig moeite. Omdat ik door een­voudig wat buiten mij ligt naar binnen te brengen een relatie stel die con­creet niet aanwezig is en deze dan waarmaak in het concrete verschijnsel van de kompasnaald die meedraait met mijn hand. Het zijn doodeenvoudige dingen. Het is misschien tamelijk nutteloos in het gegeven voorbeeld. Het is alleen maar iets om jezelf te overtuigen dat je ook wat kunt. Wij leven in een wereld, ik heb het al gezegd, die eigenlijk een gedachte is. Wat daar aan werkelijkheid achter schuilt, weten wij niet. Alles wat voor ons werkelijk is, is voor ons een interpretatie, dus een gedachtenbeeld. Daarom kunnen wij dat gedachtenbeeld in ons wel dege­lijk beheersen en beïnvloeden. Dan is het heel natuurlijk dat die beïn­vloeding voor ons ook buiten ons plaatsvindt. Wanneer verschillende ikjes ten aanzien van een punt een gelijke voorstelling hebben, dan zal elke manipulatie op dit ene punt voor hen allen kenbaar worden. Dat kan dan lopen van bepaalde prikken van het zenuwstelsel af tot het plotseling zien van dingen die er niet zijn. Als wij dus praten over zelfprojectie, dan hebben wij het niet al­leen maar over het ik dat een hogere wereld gaat bezoeken. Wij hebben het over een ik dat feitelijk de werkelijkheid in zich draagt en op elk punt waar harmonie of een volledige gelijkheid is zichzelf a.h.w. volledig kan manifesteren. Dat gaat zo ver dat je dat zelfs kunt doen ten aanzien van sferen. Op het ogenblik dat je een sfeer bereikt die harmonisch is met het beeld van die sfeer dat je in je draagt en waarin je ik-voorstelling past, kan dat ik in die andere wereld eveneens invloed uitoefenen en zal het omgekeerd door de invloeden van die wereld mee zelf worden bepaald.

Ik meen, dat dit een aardige les is. Er zitten vele voorbeelden in. Een voorbeeld en een parabel zijn meestal de beste mogelijkheden om iets duidelijk te maken dat anders alleen heel moeilijk en ingewikkeld kan worden gezegd. Ik geef u daarom nog de volgende stellingen:

  1. Het beeld.dat ik van mijzelf heb, is niet het beeld dat ik naar buiten probeer te tonen. Eerst als ik mij met al mijn zwak­heden en onvolkomenheden, gevoelens van minderwaardigheid en meer­waardigheid enz besef zoals ze in mij bestaan, ben ik in staat om tot een reële projectie te komen.
  2. Elke projectie naar buiten toe is gelijktijdig een projectie naar binnen. Het ik stelt voor zichzelf een relatie met iets an­ders en verbindt daaraan een voorstelling. Deze voorstelling be­hoeft niet gelijk te zijn aan de feiten. Het resultaat echter dat in de voorstelling wordt bewerkstelligd, zal ook in de eigen wer­kelijkheid weerkaatsen op het ogenblik dat er een mate van har­monie of van gelijkvormigheid bestaat.
  3. Geestelijke bewustwording is wel degelijk ook het erkennen van de illusies waarmee wij zijn omringd. Door op deze wijze te werken, zullen we niet alleen de wereld buiten het ik benaderbaar maken voor onszelf, maar wij zullen tevens gaan begrijpen, hoeveel interpretatie en hoeveel werkelijke feiten in onze wereld een rol spelen. Op het ogenblik dat wij dat doen, zullen wij die illusies gemakkelij­ker leren doorzien en door eliminatie langzaam maar zeker tot een werkelijkheid komen die voor ons, veranderlijk vaststaat. Het is dan deze werkelijkheid die onze basis is voor elk contact, elke relatie met de werelden en sferen. Het is tevens de basiswereld (zgn. Zo­merland) waarin wij na de dood enige tijd zullen vertoeven tot wij vandaaruit betere harmonieën hebben ontwikkeld.
  • Kunt u ook zeggen of je ook te maken hebt met de wil van de ander? Er zijn mensen die ziek zijn, maar om de een of andere reden niet beter willen worden. Dan kunnen we toch niets doen, denk ik.

Dat is tot op zekere hoogte waar, maar niet helemaal. Ik keer weer terug naar mijn voorbeeld. Ik genees de patiënt door een schijnbare operatie die resulteert in de vergruizing van een niersteen. De patiënt wil ziek blijven. Wat krijgt hij? Blindedarmontsteking of zo­iets. Met andere woorden, dan wordt het ene ziektesymptoom vervangen door het andere. Dat ligt in het werkelijkheidsbeeld van de patiënt. Daar kunt u niets aan doen. Maar de ingreep die u doet, heeft wel de ge­lijk concrete resultaten, ook als ze niet helemaal gelijk zijn aan de voorstelling die u heeft gemaakt. Alleen, het gevolg is vergelijkbaar met het gevolg in de gemaakte voorstelling.

  • Magnetiseren door middel van een glas water (verder onverstaanbaar)

Hij kan het niet doen zonder een voorstelling van de patiënt. Handen kunnen wel een beetje verschillen, maar zijn toch allemaal wel ge­lijk. Dat wil zeggen, dat hij ook een onbekende patiënt kan behandelen, als hij zich een glas water tussen twee handen kan voorstellen.

  • Gebruikt hij ook de stem voor een afstemming?

Dat ligt aan de magnetiseur. De een kan het wel de ander niet. Dat is niet belangrijk. In de praktijk speelt de telefoon geen rol. Zou je zonder telefoon weten van de behoefte en zou de patiënt een glas water tussen zijn handen houden of wat dat betreft een glas bier, een smakelijk geneesmiddel, dan is de mogelijkheid precies gelijk. De telefoon is in dit geval belangrijke omdat a) de patiënt zijn beeld van de ziekte kan mededelen aan de magnetiseur en b) omdat de magnetiseur daardoor kan weten wanneer de patiënt het glas water en hoe hij dit tussen de han­den houdt.

  • Kan de magnetiseur niet direct instralen in een glas water?

Ik heb in het voorbeeld heel duidelijk gemaakt waarom de magneti­seur daar aan geen behoefte had op dat ogenblik; er zijn nog duizenden andere redenen.

  • Dit was op afstand

Op afstand kun je iemand niet zo gemakkelijk instralen, omdat dit weer een concentratieproces vereist. In dit geval is het proces bijna automatisch, omdat de voorstelling gemakkelijk wordt opgebouwd en gemak­kelijk wordt opgenomen en voor elke patiënt bruikbaar is. Terwijl een be­ïnvloeding van een patiënt op afstand, concentratie op die patiënt, het opbouwen van de voorstelling van de patiënt het zenden van kracht zou inhouden.

  • Hij zou het ‘s morgens kunnen doen

Niet met het water. Dat kun je wel doen met afstandsgenezingen. Dat kun je zelfs doen met telepathische overdracht, maar in ons geval gaat dat niet op.

  • Zou je iets dergelijks ook kunnen doen bij lichamelijke ziekten als er psychologisch negatieve krachten zijn; kun je daar iets aan doen, door de telefoon bv.?

Dat lijkt mij wel erg moeilijk. Dan moet u wel een voorstelling heb­ben van de patiënt (van diens geestelijke psychische toestand en de situatie waarin de patiënt ongeveer verkeert. U kunt dan eventueel be­paalde delen van de wereldervaring van de patiënt proberen te verande­ren. Is er een voldoende harmonie, dan lukt dat en verandert daardoor de psychische conditie.