De Bron

image_pdf

11 april 1980

De Bron

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Daar u dit bekend is, denkt u natuurlijk zelf na over alles wat besproken is. Ofschoon titels zelden het onderwerp geheel dekken, kies ik als titel: De Bron

Wanneer wij ons bezighouden met esoterisch streven, met geestelijk denken en zelfs wanneer wij bezig zijn met godsdienst en alles wat daarmee samenhangt, zijn wij bewust of onbewust altijd weer met ons denken en voelen aangewezen op een Bron.

Op de achtergrond van al ons streven en denken is er iets, waaraan wij dan maar een naam geven, vaak vervolgens bewerende dat wij bepaalde privileges bezitten omdat wij deze naam nu eenmaal aankleven. Wat geen goede theologie zal zijn, maar ongetwijfeld waar is. En wat die Bron dan in wezen is, daar horen wij ook allerhande verschillende versies over. De Joden bv. hadden een toornige en wraakzuchtige God. In de Helleense periode kende men als bron Kronos, de god die zijn eigen kinderen opeet – iemand die dus in feite eerder in de familie Bokassa thuishoort.

En laat ons vooral de nu meer opgeld doende versie niet vergeten: de God, die liefde is. Maar ook in dit geval blijkt weer dat de mensen tot nu toe niets anders hebben gedaan dan de Bron namen geven en daaraan vervolgens eigenschappen toeschrijven.

Zoek je verder, dan blijkt echter niemand werkelijk te weten, wat die Bron in feite is. Wanneer de mensen je over God spreken en je vraagt hen eens duidelijk te maken, wat die God dan toch wel is, zo komen zij met grote reeksen eigenschappen aandragen om te besluiten: “maar wij kunnen God niet kennen.”

En daarmee komen dan dezelfde moeilijkheden die een atheïstische medicus heeft wanneer je hem vraagt je eens precies te vertellen, wat leven in wezen is. Hij zal stellen dat leven een functioneren is van het lichaam. En vraag je waarom het leven dan ophoudt, zo zal hij stellen dat het hart het niet meer doet. Wat niet alleen een gangbare, maar bovendien een altijd weer geldige verklaring schijnt te zijn. Want of je nu sterft aan een ziekte, een klap op het hoofd dan wel een ongeval, uiteindelijk is hartstilstand altijd weer de technisch werkelijke oorzaak van de dood.

Maar vraag dan eens waarin dan het verschil ligt tussen een levend organisme en een dood. Dan blijkt dat men dit, tenzij men uitgaat van het functioneren, niet weet. Er zijn heel wat gevallen waarbij men uiteindelijk zal moeten toegeven, dat men niet precies weet, hoe het nu wel komt dat het ene ogenblik het organisme nog functioneert en het volgende ogenblik niet meer. Waarbij blijkt dat men ook in meer stoffelijke zin nog steeds moeite heeft met het beantwoorden van de vraag, wat in feite de Bron is, al is dit dan in de eerste plaats de Bron van het persoonlijk leven.

Je kunt natuurlijk de zaak op mythologische wijze bezien en verhalen ontwikkelen als: er komt een engeltje dat bij God een lichtje gaat halen en dit vervolgens plant in een zaadje, dat daarop dan ook weer geplant is. Wanneer alle plantingen   achter de rug zijn en de vrucht rijp is geworden, is er leven. Mooi, maar een dergelijke benadering is en blijft een verhaaltje, iets  als Doornroosje of Klein Duimpje en Roodkapje. Wanneer men dit soort uitleggingen en verklaringen onder de loep neemt, blijkt steeds weer dat er dingen worden gezegd die zoals zij gesteld worden, menselijk niet kunnen bestaan en materieel bezien onzin bevatten.

Juist daarom wil ik vanavond eens met u filosoferen over de Bron van alle dingen en eens met u nagaan wat men o.m. daarover zou kunnen denken of zeggen. Maar ik zal u zeker niet vertellen, wat u daarover moet denken. Wat u zelf denken wilt, moet u zelf uitmaken. Want ik meen niet dat men het recht heeft anderen een stelling, zelfs maar als de meest aanvaardbare voor te leggen, tenzij men over werkelijk bewijzen kan beschikken. En dat is iets anders dan een geloof of een filosofie.

Wij beginnen dan maar bij het begin. De Bron van alle dingen moet iets zijn wat ligt buiten het kader van alle dingen die wij kunnen kennen. Of die Bron daarbij behoort tot dit continuüm of niet weten wij in feite niet. God zou dus een begin kunnen zijn in een 3-dimensionale ontwikkeling, waarbij alle ontwikkelingen verder spontaan verlopen en de Bron in feite alleen maar de eerste oorzaak is.

Maar indien dit waar zou zijn, dan vraag ik mij af waarom dan alle mensen, tot in de oertijd, die heel wat verder teruggaat dan de gekende perioden van de mensheid, altijd gedacht hebben aan goden en aan een enkele hoofd-god, die voor alles in wezen aansprakelijk is. Er zijn natuurlijk heel wat verklaringen te geven. Je kunt zeggen dat dit voortkomt uit een psychologisch noodzaak, mits men dan maar niet duidelijk moet maken, waarom de mens overal en in alle tijden op die noodzaak steeds weer op gelijke wijze blijft reageren, ongeacht zijn geheel andere omstandigheden en levensmogelijkheden.

Je kunt natuurlijk ook stellen dat het leven mogelijk voortkomt uit andere dan de door ons gekende dimensies. Het woord dimensie doet het ook in dit verband steeds weer erg goed en aangrenzende dimensies is zelfs nog beter. En in die grenzende dimensie waren, zo stelt degene die een dergelijke stelling verkondigt, zonder enig bewijs voor – zelfs maar de mogelijkheid hiervan – waren wezens die heel wat verder gevorderd waren dan wij nu zijn. Zij waren in staat, door de dimensies heen ook naar de wereld van de mensen te loeren.

Hun waarnemen van de wereld werd geconstateerd door wilden, die met deze wezens in contact traden en van hen enige aanwijzingen kregen. Waarop zij gezegd hebben tot zichzelf, dat dit wezens van een hogere orde waren. En zo beweert men dan, ontstond de legende van de goden. Anderen vertellen een soortgelijk verhaal, maar laat de godenrol waarnemen door ruimtevaarders van een verre planeet, die geland waren op aarde.

Maar dan kom ik met mijn zoeken naar de Bron nog niet verder. Ik moet dan immers die Bron zoeken in andere dimensies of de Bron vinden van dit hoger beschaafde leven elders in het Al.

Aan de andere kant: wanneer alle mensen in zich een vreemd gevoel van continuïteit bezitten – ik spreek nu opzettelijk niet over God – zo moet hiervoor toch een reden bestaan.

Deze reden kunnen wij niet maatschappelijk vinden, daar de continuïteit van maatschappelijke vormen en ontwikkelingen nogal beperkt blijkt te zijn.

Wanneer de ouderen onder u eens nadenken over alles, wat in hun jeugd zeker, waardevol en onaantastbaar was en dan even dit beeld willen vergelijken met hetgeen nu geloofd, gesteld, gedacht en ook gedaan wordt, zo zullen zij met mij eens zijn dat er die oude waarden zelfs in een periode van rond 50 jaren, maar betrekkelijk weinig is over gebleven. Hetzelfde bleven ten hoogste die mensen die in de naam van god en desnoods van het vrouwtje voor u beslissingen nemen op grond van morele overwegingen, waarvoor zij ook geen verdere steekhoudende redenen geven.

In een halve eeuw zijn de mensen veranderd, is de samenhang in de wereld veranderd, is het milieu veranderd. Het lijkt mij moeilijk te stellen dat het menselijke gevoel van continuïteit daaruit voortkomt. Het moet een andere achtergrond hebben.

Zeker, de wijze waarop verschillende volkeren dit uitdrukken, wijkt nogal eens af. De oude Chinezen formuleerden het bv. als volgt: ik besta zolang ik herdacht word. Wanneer ik sterf, denken mijn kinderen aan mij, dus leef ik verder. Mijn naam komt op de vooroudertabletten terecht en dus zal men aan mij blijven denken en zal ik blijven bestaan tot mijn geslacht ten einde komt. Het is dus zeer belangrijk iemand te hebben, die mij herdenkt, iemand die voor het altaar met ook mijn naam bidt. Maar wanneer bidden voor iemand het leven in stand houdt en verder niets, zo ken ik zelfs op aarde wel enige mensen, die het eeuwige leven zouden moeten hebben. Hoeveel is er bv. niet gedacht aan en gebeden voor de laatste paar pausen? Toch waren zij niet veel meer dan religieuze ships that pass in the night. Zij hadden bij wijze van spreken de mijter nog niet op of zij konden er alweer bij gaan liggen.

De verklaringen die de mensen geven omtrent het voortbestaan zijn dus zeker niet bepaald reëel te noemen vanuit een stoffelijk standpunt. Maar ergens in ons is iets, wat ons steeds weer voorhoudt dat het leven voortduurt. Wat dit het wel kan zijn blijft daarbij beter voorlopig onbepaald.

Misschien zou dit gevoel van voortduren, van leven ook na het menselijke einde van het leven, een verwijzing kunnen zijn naar een niet geheel bewust erkennen van de Bron. Zou deze continuïteit die wij onszelf ondanks alles, zelfs ondanks alles wat wij met woorden belijden, dit aanvoelen dat mogelijk anderen dood kunnen gaan, maar het eigen ego niet, een uiting kunnen zijn van een werkelijkheid, die ergens in ons onderbewuste begraven ligt? Maar dat kan dan nooit een materiele werkelijkheid zijn.

In dit verband kunnen wij denken aan diverse filosofen zoals bv. Jung in zijn laatste tijd. Deze stelt dat er een onbekend gebied is in de menselijke psyché dat wel omgrensd maar niet betreden kan worden en vervolgt dat mogelijk hierin de Bron van het werkelijke leven zetelt. Mooi. Een Bron hebben wij dan wel, maar wij weten nog steeds niet wat deze dan wel is. Laat mij daarom nog even verder denken.

Wanneer ik een Bron voor het leven van de mens veronderstel, dan zou dit misschien de aarde kunnen zijn. Maar er existeert zoveel meer dan die aarde alleen. Zou die aarde, zo zij leven bezit – want je moet erg voorzichtig zijn wanneer je dergelijke dingen poneert – ons daarvan delen verstrekken, zo brengt ons dit niet verder, want die aarde met dan toch ook dit leven weer ontlenen aan iets anders.

Waarop enige mensen mogelijk zeggen dat de Bron van alle leven op aarde de zon is. Wanneer je in de Sahel woont denk je daarover mogelijk wel anders, maar dat laten wij dan maar buiten beschouwing. Waar haalt die zon dan haar krachten vandaan? Antwoord: dit is een wisselwerkingsproces, waarbij stoffen uit de zonnekern naar de oppervlakte en daar een enorme hitte veroorzaken door verandering van uitzetting. Zo, zal men u zeggen, ontstaan voortdurende verbrandingseffecten, waarbij grote stralingen vrijkomen en waardoor uiteindelijk een afkoeling mogelijk wordt van de buitenste lagen van de zonneatmosfeer, zodat een groot deel van de geëxpandeerde materie weer neerslaat en het proces opnieuw kan gaan beginnen.

Mooi. Maar waar is dan dit alles begonnen? Waar is de Bron? Ja, dat weet men ook niet zo precies. Misschien is er eens een botsing geweest tussen een paar sterren en is daaruit die zon voortgekomen. Of misschien is het antwoord nog veel kosmischer en stelt men dat het eerste begin van alle dingen een enorme explosie was. Ik vind het best, maar zelfs in dit laatste geval blijft de vraag bestaan, hoe die explosie dan wel is ontstaan. De vraag is en blijft nog steeds: wat was de Bron?

Het wonderlijke is dat wij, zoekende naar de Bron, altijd weer een mogelijk te omgrenzen gebied vinden, dat wij wel proberen te beschrijven, maar dat in feite voor ons geheel ondoordringbaar en onbenaderbaar is. Je kunt dan aan de gang gaan met mystiek en magie, je kunt allerhande geheimen verkondigen. Maar ergens klopt er dan nog steeds iets niet. Want de feiten zijn anders, beantwoorden niet zonder meer aan het gestelde. Er zijn mensen, die verkondigen dat God liefde is, terwijl op hetzelfde ogenblik ergens een bisschop wordt neergeschoten, elders mensen, mensen uitroeien en idealisten elders kinderen opblazen met een bom of een stel diplomaten gijzelen. Dit laatste kan ik degenen die dit doen nog niet eens zo heel erg kwalijk nemen. Voor de getroffenen is het uiteindelijk volgens mij een beroepsrisico en het zou voor hen volgens mij niet kwaad zijn te beseffen dat het met kletsen alleen ook niet gaat.

Mij gaat het er om, dat een “God is liefde” alleen nog houdbaar is, wanneer de mens het begrip liefde in dit bijzondere geval geheel anders interpreteert dan dit ooit menselijk gedaan werd. Aangezien het stellen van een zeer afzonderlijke liefde bij God volgens mij niets anders is dan een ontvluchten aan het feit dat de werkingen van die God volgens onze opvattingen en ervaringen soms wel heel erg liefdeloos zijn, acht ik een dergelijke bewijsvoering met regels als: “de wegen van de Heer zijn wonderbaarlijk en onnaspeurlijk” niet aanvaardbaar.

Let wel: ik stel niet dat je de Bron redelijk dient te bepalen om in het bestaan daarvan te mogen geloven. Maar ik stel wel, dat je elke eigenschap die je gebruikt om die Bron in zijn werken te omschrijven, aanvaardbaar moet blijven.

God, zo zegt men, is rechtvaardig. Alweer iets, wat moeilijk aanvaardbaar is omdat, gezien hetgeen uit Zijn naan wordt gedaan sterk afwijkt van alles, wat mensen als rechtvaardig zouden kunnen ervaren. Trouwens, het geheel van het menselijke recht is zelfs volgens menselijke redelijkheid niet meer dan een verzameling van onrechtvaardigheden die maar al te vaak tot recht worden gemaakt doordat de steller van dit recht zich beroept op een God, die men niet kent en waarvan men het bestaan zelfs niet met werkelijke feiten kan aantonen. En elders stelt men wet en recht aan de hand van een systeem, waarvan zelfs een kind al kan beseffen dat het in zijn algemeen aanvaarde opzet en uitwerking niets tot stand kan brengen.

Waarmee ik probeer aan te tonen dat ik met al die omschrijvingen en eigenschappen die men aan de Bron toekent, niets verder kan komen. Ik sta nog volledig stuurloos op het ogenblik dat ik weiger het gezag te aanvaarden van de mensen, die stellen dat het zo is en niet anders. En u weet het, wanneer u de moed hebt anders te denken broeders en zusters, dan zullen wij voor u bidden, want dan dreigt u de eeuwige duisternis en knarsing van tanden. Dat laatste wordt overigens ook steeds moeilijker met al die kunstgebitten, vrees ik.

O, ik vind het alles heel mooi en de mensen, die dergelijke dingen verkondigen, menen het waarschijnlijk heel goed. Of je nu te maken hebt met een paus, een Simonisz, een Gissen, een Zwartkruis of desnoods met een Nobby Koch, zij verkondigen heus wel dingen waarvan zij menen dat die goed zijn. Die goede bedoelingen en overtuigdheid wil ik zelfs aannemen van onze smiling mister Peanuts of de Nederlandse pauw Pronk. Die mensen zullen het heus wel goed menen met alles wat zij zeggen en doen. Een Sadat meent het ongetwijfe1d erg goed, net als Begin en al die anderen. Zij zeggen vaak heel mooie en soms opvallende dingen en doen alsof zij het gelijk altijd aan hun kant hebben. Maar kijk dan naar de feiten, naar de werkelijkheid en het komt opeens geheel anders over.

Als eerste punt stel ik dan ook: bij onze benadering van de bron mogen wij onszelf niet  misleiden door eigenschappen aan die Bron toe te schrijven welke niet op ons niveau en niet op een voor ons begrip constateerbare wijze bij voortduring manifest worden. Kenbaarheid van gestelde eigenschappen is een eerste vereiste. En daar kom je niet ver mee. Maar wat moet je dan beginnen? God is reuzeleuk, wanneer hij je maar zegent, zalft. Vroeger werden koningen gezalfd, maar tegenwoordig zalven vooral vele predikers over God en koningshuis.

Je kunt zeggen wat je wilt Maar wanneer je dit dan niet menselijk kunt aantonen en steeds weer duidelijk kunt blijven maken, wat blijft er dan over van alle mooie woorden en ontroerend schone leringen? Niets. Ik vind het erg mooi, dat u allen gelooft in de evangeliën. Maar neem mij dan ook niet kwalijk dat ik u een leugenaar noem wanneer u beweert, dat onze christelijke maatschappij daarop berust.

Want het zgn. christendom bestaat kennelijk door het evangelie te prediken aan anderen en zichzelf in tegenstelling daartoe te gedragen. En wanneer zij beweren dat de gehele socialistische of communistische opbouw berust op de leringen van Marx, zo zeg ik, dat ook dit een grove leugen is. Want het marxisme is in feite alleen maar de rechtvaardiging voor de theorieën en handelingen van zgn. marxisten die regelrecht ingaan tegen alles wat Marx zelf in zijn economische en andere beschouwingen heeft gesteld. Met een beroep op dergelijke systemen en hun verklaringen komen wij er niet. Toch is en blijft er in de mens dit gevoel van duur, dit gevoel dat het leven zelfs met de dood niet geheel ten einde kan zijn.

Bovendien zijn er manifestaties, die de mens althans in dit opzicht enige aanduiding geven. U behoeft ons daar niet bij te rekenen. Maar er gebeuren gekke dingen op aarde. Je kunt soms werkelijk iemand ontmoeten die al lang dood is. Je kunt boodschappen ontvangen, die persoonlijk controleerbaar zijn en die berusten op gegevens, die de brenger nooit langs redelijke weg te weten kon komen.

Maar moeten wij dan onmiddellijk en alleen op grond van deze feiten aannemen dat er een geestenwereld bestaat zoals de geest die omschrijft? Het is mogelijk dat die verklaringen kloppen, maar het blijft een zaak van geloven, want dit is niet aantoonbaar. Het enige wat aantoonbaar is, is dat er ofwel delen van de persoonlijkheid of mogelijk residuen van een persoonlijkheid actief kunnen zijn op aarde na de dood van de mens en onder omstandigheden op die wereld zelfs rationeel en menselijk constateerbaar kunnen ingrijpen. Alleen dit laatste is, zij het met enige moeite, redelijk aantoonbaar. Verder niets. Goed, u kunt redeneren dat dit voldoende bewijzen zijn voor het bestaan van een geestelijk leven. Best, maar daarmee bent u nog niet aan de Bron, want waar komt dit geestelijke leven dan vandaan?

Je kunt natuurlijk de zaken erg ingewikkeld gaan maken en komen met allerhande verklaringen, zoals u die ook bij ons vele malen hebt kunnen horen. Maar verklaringen zijn geen bewijzen, ook al stel je: God is in wezen de rustende vorm van energie, waarin een potentiaal verstoring ten aanzien van het innerlijke evenwicht stromingen tussen de verschillende delen van het veld veroorzaken, welke flux dan de tijd zou zijn en waardoor zich in kleine delen van het geheel ontwikkelingen kunnen gaan afspelen, die schijnbaar afzonderlijk plaatsvinden, maar nog steeds tot het geheel behoren. Dat klinkt erg mooi en is waarschijnlijk nog waar ook, maar bewijzen kun je het niet, zeker niet als mens. En wanneer wij dit alles gesteld hebben, kom ik tot een tweede vaststelling mijnerzijds:

Daar ik voel dat er iets meer moet zijn dan het uiterlijk, maar dit iets niet nader kan aantonen of definiëren, kan ik alleen maar afgaan op mijn innerlijk, op hetgeen er in mij bestaat en dien ik niet naar bewijzen buiten mij te zoeken, maar zal ik moeten zoeken naar en werken met die krachten en kwaliteiten zoals deze in mij bestaan om deze zo te manifesteren. Let wel: ook dan heb ik nog niets kenbaar gemaakt en omschreven, maar ik heb ten minste iets bereikt. Ik heb in mij een kracht gevonden waarop ik een beroep kan doen. Of ik dit dan formuleer als iets in de naam van Onze Heer Jezus Christus, in de naam van de Vader, van de H. Geest, Shiva, Vishnu, Bramah of nog iets anders maakt dan verder geen verschil uit. Of je roept tot Jahweh of tot Allah maakt geen verschil uit. Want het onderscheid is alleen maar een naam en alleen de kenbare gevolgen van dit aanroepen tellen.

Wanneer het beroep op een dergelijke kracht, een geloven in die kracht of alleen zelfs maar een aanvoelen van een anonieme kracht in het eigen ik, je de mogelijkheid geeft zaken kenbaar te maken, ook buiten je, die zonder deze kracht niet kenbaar zouden worden en die niet rationeel uit een oorzaak en gevolgwerking zonder meer te verklaren zijn, heb je iets van belang te pakken.

Ik meen dat je bij een zoeken naar de Bron dus bij jezelf dient te beginnen. Hoe meer je uitwijkt naar de kosmos, hoe meer je ontkomt aan een definitie van het enige, wat het ik met de Bron werkelijk en wezenlijk zou kunnen verbinden, namelijk die wonderlijke gevoelens van duur plus de wonderlijke krachten die ik in mijzelf kan aantreffen, maar waarvan ik het redelijk bestaan of wezen niet eens kan definiëren. Conclusie: Hij die de Bron zoekt, zoekt in zichzelf en werkt met de krachten die hij in zich meent te vinden vanuit zichzelf opdat de kracht die hij in zich meent te voelen zich controleerbaar ook buiten hem manifestere. Op het ogenblik dat aan deze voorwaarde voldaan wordt, kan de mens waarlijk zeggen dat hij de Bron heeft gevonden. Of dit dan De Bron is, weet je nog steeds niet, maar je hebt in ieder geval iets.

Hopelijk verveel ik niet. Ik probeer u een bepaald probleem voor te leggen. Ik zou dit op 1000 verschillende wijzen kunnen doen en zou persoonlijk voor een zelfs nog agressievere aanpak zijn, maar wil u nu ook weer niet te veel shockeren.

Ik kom nu tot een ander punt. Indien God de wereld geschapen heeft, zoals vele mensen geloven, zo moet die wereld geheel volgens Gods wil tot stand gekomen zijn. Anders had hij ze immers niet zo geschapen. Maar dan kan er op deze wereld niets bestaan, dat werkelijk kwaad is, want alles is uit God en alles wat uit God is, is volgens alle geloven op deze wereld per definitie goed. Dat klinkt redelijk, maar is in de praktijk moeilijker dan men zou denken. Want dat betekent dat een Rote Armee Fraktion even goed is als Josef Luns. Zoals het betekent dat een beul even goed is als een mens, die met zijn laatste krachten nog werkt voor het behoud van anderen. Menselijk oordeel is dan zinloos. Dit nu is voor de mens niet aanvaardbaar. Daarom kunnen wij niet volstaan met te zeggen dat God alle dingen heeft voortgebracht. Wij moeten proberen ons eigen dualisme uit te drukken in de totaliteit.

En u weet het allemaal: Er zijn altijd goede goden en kwade goden. Er zijn engeltjes en duiveltjes. Ik heb mij wel eens afgevraagd of een duivel, zoals de mens zich die voorstelt – in feite niet zoiets is als een engel, die even voor manneke Pis speelt en zo de zedelijke gevoelens van de nog niet zover gekomen gelovigen kwetst.

Maar wanneer wij inderdaad geloven in een Ene God, die alles heeft geschapen, dan kunnen wij niet die eenheid eenvoudig wegwerpen. Dan is alle dualisme, alle strijd tussen goed en kwaad alleen maar iets wat wij stellen om ondanks alles een rechtvaardiging te vinden voor ons eigen standpunt tegenover anderen. Misschien kunnen wij dit ook nog christelijk benaderen: “Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld worde”.

Een spreuk die heel wat scheper is en verder gaat dan de meeste mensen wensen te beseffen, want zij betekent doodgewoon: niemand, zelfs geen Gijssen, kan uitmaken wat de beste manier is om God te dienen. Dat gelooft Gijssen niet. Zodra ik het zo stel; ben ik in zijn ogen de duivel. Want hij heeft de duivel nodig om zijn eigen verhevenheid in God te kunnen manifesteren. En over heel wat andere mensen zou ik ditzelfde kunnen zeggen. U denkt nu misschien: hij hakt op Gijssen. Ze moeten altijd iemand hebben om op te hakken. Aan de andere kant: in zo een gehaktbal is niet zoveel meer te hakken.

Ik volsta dan ook met de opmerking dat ik heel wat meer namen zou kunnen noemen van mensen, die in de naam van God hun eigen persoonlijkheid op een nog veel hogere troon zetten en nog in veel grotere mate het menselijk geluk en zelfs het lichamelijke welzijn van hun medemensen aan dit hoogheidsgevoel opofferen. Je vindt ze in en buiten de vele kerken, die op aarde bestaan. Maar dat zullen wij verder laten rusten. Ik wilde alleen maar duidelijk maken: Wanneer ik geen beroep kan doen op het eeuwige, de Eeuwige of de Bron, om daarmee mijn eigen keuze van goed en kwaad te rechtvaardigen, kan ik ook niet een ander veroordelen. Ik ben niet in staat het wezen van een ander te beoordelen binnen het kader van die Bron.

Ook hier word ik terug verwezen naar mezelf. Het enige wat ik, mij beroepende op de Bron of de Heer, werkelijk kan beoordelen is mijn eigen wezen, zover dit beantwoordt aan het gevoel dat ik in mij als een soort kern draag. En erger u nog maar niet, want het wordt nog veel demonischer volgens de normen van hen, die menen rechtgelovig te zijn. Wanneer de Bron alleen in mijzelf benaderbaar is; kan ik haar niet buiten mijzelf oproepen of aanroepen. Al datgene wat ik buiten mijzelf kan oproepen of aanroepen in dit verband is niets anders dan hetgeen reeds in mij bestaat en vanuit mijzelf geactiveerd wordt.

Dit blijft van kracht, ook wanneer u spreekt over geesten, duivels, engelen, koningen, priesters of wat u maar wilt. Ik kan deze dingen, zover zij behoren tot de kern van mijn wezen, alleen maar zelf waarmaken.

Verwonderlijk: de Bron is alleen maar benaderbaar in mijzelf. Ikzelf ben de enige weg die ik kan gaan om die Bron te beleven, zoals mijn eigen aanvaarding van die Bron in mij als werkelijkheid voor mij de enige mogelijkheid schijnt te zijn om bewust uit die Bron te putten.

Toch moet ik nog verder gaan: ik kan niet zeggen wat het begin en het einde van alle dingen is. Ik kan zelfs niet zeggen, waar het begin en het einde van mijn wezen en beseffen gelegen is. Ik kan alleen de verschijnselen die behoren tot mijn wereld beoordelen en alleen mijn bestaan ten aanzien van die wereld mogelijk als begin en einde definiëren. Maar dan heb ik geen recht op enigerlei wijze regels te stellen. Wel heb ik het volledige recht die wegen te volgen waardoor voor mij die Bron in mijzelf wordt geactiveerd.

En zelfs wanneer u dit alles nog aanvaardbaar vindt, wordt het nog moeilijk  Want dit alles betekent dat degene die werkelijk de Bron wil beleven, daartoe maar een enkele mogelijkheid heeft: Doordringen tot de kern van zijn eigen wezen en in alle oprechtheid uitdragen wat hij daarin ervaart of voelt.

En hier luidt dan de doodsklok over politiek, diplomatie en zelfs zakenleven. Alleen uit de algehele eerlijkheid tegenover mijzelf kan ik de zgn. bovennatuurlijke kracht in mijzelf stimuleren. De vorm waarin ik de Bron van mijn innerlijke krachten daarbij omschrijf is verder hierbij van geen enkel belang. Het is dus heel goed mogelijk dat de een zal zeggen te werken vanuit de geest of mogelijk zelfs beweert dat achter hem de beroemde chief en medicijnman Haakneus staat, die een ingewijde is van de Ottawa indianen. Zo iemand zou natuurlijk evengoed over de chihuahua indianen kunnen spreken, maar associatief voelt hij, dat zij dan te klein uitvallen. Maar hoe je het ook noemt, niemand kan daar bezwaar tegen hebben, wanneer hij beseft dat dit alleen maar jouw symbool is voor een kracht, die toch werkelijk in jezelf schuilt.

Zeker, een geleide of beschermgeest is mogelijk inderdaad een contact met een andere entiteit. Maar in de eerste plaats is het toch mede een verbinding die je innerlijk hebt gelegd tussen de wereld, waaraan je kunt denken en die onbekende Bron die in jezelf bestaat.   Dan is geen bepaald geloof, maar alleen de eerlijkheid tegenover jezelf noodzakelijk. Dus ook niet de verkondiging of de ontkenning van een zgn. waarheid.

Wanneer ik zeggen kan dat in mij het licht leeft, weet dat dit in mijzelf waar is, kan ik dit licht ook werkelijk zijn, alle gevolgen van het licht die ik maar projecteren kan in mijn wereld worden voor mij, maar ook voor anderen, manifest. Zij zijn de bevestiging van hetgeen er in mij leeft en niet alleen maar van de omschrijving die ik daarvoor pleeg te geven.

Wie zoekt naar de Bron begint met een enorme onzekerheid. Ik geef toe dat het erg verleidelijk is je aan die onzekerheid te onttrekken door het bedenken van allerhande mooie leringen en omschrijvingen. Men heeft een gehele zgn. wetenschap opgebouwd op dergelijke zaken, zoals de christelijke theologie, die berust op de veronderstelling dat de christelijke god, zoals die eens aanvaard werd, de enige juiste omschrijving is van de werkelijke Bron. De rest is geen weten, maar spitsvondige filosofie. Want ondanks alle wetenschappelijke schijn is er geen bewijs en is de basis niets meer of minder dan een veronderstelling waarvoor geen werkelijk bewijs is aan te voeren.

Maar dan kan vanuit de theologie nooit een dwingende waarheid verkondigd worden. Mogelijk beroept men zich op effecten, die degenen die de veronderstellingen zonder meer als waarheid aanvaarden, soms kunnen voortbrengen. Maar zelfs geldt voor mij dat dit waarneembaar effect niet noodzakelijkerwijze aantoont dat de stelling juist is, maar alleen dat hierdoor een of meer mensen een contact met hun innerlijke Bron konden vinden. Men kan een samenhang tussen leer en effect veronderstellen, maar zeker niet aantonen, daar anderen, die geheel andere leringen aanhangen, vaak soortgelijke effecten tot stand kunnen brengen.

Kortom, de werking op zich toont niet de onomstotelijke juistheid van de stelling, waardoor zij mogelijk werd aan. Er kan menselijk geen gezag bestaan, dat niet op bewijzen is gebaseerd en er kan geen geestelijk gezag ontleend worden aan stellingen, die niet aantoonbaar juist zijn.

Mogelijk meent u nu, dat je dan geheel alleen komt te staan. De vraag is maar of u niet veel meer alleen zou zijn, geïsoleerd zou zijn van de werkelijkheid, wanneer u leeft in een wereld van waanbeelden – want dat zijn het gemeenlijk – dan door een innerlijk verbonden zijn met een kracht, die u kunt aanvoelen, een Bron, waaruit u kunt putten en buiten u vele zaken tot stand zou kunnen brengen.

U hebt anderen niet nodig om uw gelijk te bevestigen wanneer uw zekerheid uit de onbekende kern uw eigen wezen voortvloeit. Wat mij voert tot mijn eindconclusie: Wij weten niet of er een god bestaat, die voor ons voorstelbaar is. Wel weten wij dat er een onbekend iets is, dat wij overal steeds weer ontmoeten en dat wij ook in ons eigen wezen leren beseffen en erkennen. Slechts wanneer wij dit iets, onbeschrijfbaar als het moge zijn, kunnen maken tot een werking die van ons uitgaat, hoe dan ook, hebben wij waarlijk een God.

Degenen, die een leer aanhangen en verkondigen, hebben misschien een kerk, een leerstelsel, maar zij hebben geen God. God heb je alleen wanneer het onbekende in jezelf door jezelf ook tot uiting wordt gebracht.

Dit is de enige benadering die ik mij kan voorstellen tot de bron van alle zijn, welke meer is dan alleen maar een reeks van handigheidjes, uitvluchten en leerstelligheden – reeksen van sprookjes die door de mensen verzonnen worden om het onverklaarbare voor zich verklaarbaar te maken en gelijktijdig zich te onttrekken aan de enorme verplichting die een werken met de Bron in jezelf je oplegt.

Vragen

  • Ik kan mij dit alles voorstellen. Degenen die door deze innerlijke kracht gedreven worden zullen dan dingen doen die enkelen mooi, anderen niet zo goed vinden. De vraag is dan: kun je nog van God spreken wanneer iemand gedreven door deze innerlijke kracht een aantal mensen doodt?

Stop. Fout. Ik heb gezegd dat je de kracht die in  je leeft door jezelf kenbaar maakt. Maar iemand die om een ander te doden een wapen nodig heeft, werkt niet met God. Die werkt met wapens, dus menselijke middelen. Hij werkt dus ook niet met de bron, maar vanuit zijn eigen voorstellingswereld en met zijn eigen beperkte menselijke middelen.

Dit kan dan menselijk als kwaad beschouwd worden, omdat het onaanvaardbaar is om welke redenen dan ook. Ik heb getracht duidelijk te maken dat er geen goed en geen kwaad in absolute zin bestaan. Want indien wij aan een Schepper geloven, is alles uit God. Goed en kwaad bestaan dus alleen vanuit ons standpunt en komen dus niet uit een eeuwige of zelfs maar feitelijke maatstaf voort, maar alleen uit onze ervaringen en onze waardering voor alles wat wij om ons heen zien.

Mijn betoog was o.m. dat wij daarom ook niet het recht hebben iets te veroordelen in een mens, daar wij niet in staat zijn de betekenis hiervan voor de ander te overzien. Het gebeuren treft ook ons. Dan kunnen wij het gebeuren wel veroordelen vanuit ons standpunt, maar nimmer de mens veroordelen die het feit veroorzaakt of de kracht die het veroorzaakte. Maar wanneer wij in onszelf de kracht kennen, dan blijkt opeens dat de Bron in ons, ons ook de mogelijkheid geeft, het gebeuren mede te beheersen en dingen tot stand te brengen, die niet geheel natuurlijk verklaard kinnen worden.

Dat gaat dan van het geloof van de vuurloper, de zelfverwondingen die sommige derwisjen zich toebrengen, de onkwetsbaarheid voor slangengif die sommige nomadenvolkeren tijdens religieuze plechtigheden opeens demonstreren e.d. tot de paranormale genezing, de uitkomende profetie en al wat daar maar bij kan behoren. In alle gevallen betreft het iets, wat vanuit het ik komt en doorwerkt naar buiten toe, zonder daarbij gebonden te zijn aan de menselijke mogelijkheden of de beperkingen van de menselijke redelijkheid.

U sprak in uw lange vraag o.m. over politiek e.d. Maar dan spreekt u over menselijk redelijke processen die zeker door bepaalde emoties mede bepaald zullen worden, maar waarbij die emoties niets te maken hebben met de Bron zelf. Want anders zou men de middelen niet nodig hebben die men in politiek e.d. gemeenlijk hanteert om tegen de zin van anderen in zijn willen door te zetten,

Dit juist maakt het grote verschil uit. Ik zeg u echter één ding: u kunt veroordelen dat iemand een ander slaat. Dit is een gebeuren dat voor u onaanvaardbaar is en door uw kennisname daarvan voor u iets wordt waarin u mede betrokken bent. U zult dus proberen dit te voorkomen of de beëindigen. Tot zover alles goed en wel. Maar op het ogenblik dat u zegt dat degene die wordt geslagen goed is en degene die geslagen heeft slecht is, brengt u uw eigen reacties onder dezelfde noemer van degenen, die u veroordeelt of beoordeelt. Deze misvatting dat het resultaat telt en niet de middelen, treft men overal op de wereld aan. Er zijn mensen die vechten voor de vrijheid, zoals zij die zien, door anderen gevangen te nemen. Ik vraag mij dan altijd weer af of zij niet beseffen dat zij zich daarmee op hetzelfde peil plaatsen met de tirannen waartegen zij zich verzetten. Er zijn mensen, die anderen doden omentwille van de vrijheid. Zijn zij dan nog werkelijk anders dan degenen die anderen doden om hun visie van leven en vrijheid in stand te houden?

Maar dit kan men kennelijk maar moeilijk begrijpen op aarde. Het ligt niet aan de politiek, aan de inborst van de mens of de door hem gebruikte machtsmiddelen. Alleen bepalend is het erkennen van en dan ook als enig middel gebruiken van de innerlijke Bron, waardoor je ook buiten alle redelijkheid om, mogelijkheden en invloed verkrijgt die niets meer te maken hebben met macht of met zuiver menselijke middelen, maar die je wel de mogelijkheid geeft rond je effecten te veroorzaken. Ik dacht dat ik dit alles duidelijk had gesteld.

  • Door de Bron is het dus mogelijk paranormale verschijnselen te veroorzaken. Normale menselijke invloeden zijn uitgesloten?

Laat mij het dan zo zeggen: De innerlijke Bron kan u bewust maken van harmonische en disharmonische aspecten, zover zij u betreffen. U gedraagt zich hierdoor anders dan men normaal acht en bereikt daardoor effecten, die schijnbaar onredelijk zijn.

Voorbeeld: u gaat naar een kermis en neemt een brandblusapparaat mee. Wanneer u daar aankomt, is inderdaad de vlam in de pan geslagen. U blust deze nu.

De innerlijke Bron heeft hier wel degelijk iets mee te maken. Anders zou u niet instinctief het noodzakelijke meegenomen hebben. Maar of u er inderdaad in slaagt de brand te blussen met een minimum aan schade is afhankelijk van uw vaardigheid met en de kwaliteit van het blusapparaat en niet meer alleen van de innerlijke kracht.

Dankzij die innerlijke kracht bent u wel in staat ongedeerd door de vlammen te lopen, maar niet om deze te blussen, daar ook het vuur deel maakt van de Al-kracht en zo zelf eveneens een bron of kernwaarde bezitten kan.

  • Maar het is zeer ongewoon dat een mens dit zou doen, dus is het toch paranormaal.

U vergist u. Het feit dat een mens dit voorgevoel heeft, behoort thuis bij het paranormale, maar het feit dat hij dan met dat ding in zijn handen op stap gaat, is eerder abnormaal.

  • Wanneer je die innerlijke Bron hebt gevonden, ben je ook verantwoordelijk voor de daden of effecten, die daaruit voortvloeien?

U acht hetgeen ik zeg gevaarlijk? Natuurlijk is eenieder aansprakelijk voor alles wat hij bewust of onbewust veroorzaakt. Maar waarom zou hetgeen ik u ter overweging voorleg gevaarlijker zijn dan andere, minder ware zaken, die men elders predikt?

De geloofsrechtzinnigheid waardoor men anderen de vrijheid ontneemt op eigen wijze te leven en gelukkig te zijn. De socialistische gedrevenheid, waarbij men het anderen in feite onmogelijk maakt zelf initiatieven te ontplooien. Of de innerlijke vroomheid waardoor men niet aarzelt een geheel land terug te storten in armoede en afhankelijkheid. De bigotte vroomheid van degenen die eenvoudig weigeren in te zien, dat de overbevolking van deze wereld met al haar gevolgen aanstaande is, omdat men nu eenmaal liever een aanstaande moeder ziet dan de feiten.

Zijn die dingen misschien niet gevaarlijk? Zijn die dingen voor de mensen niet veel gevaarlijker dan een beseffen dat je dient uit te gaan van een innerlijke Bron.

  • U zult ze niet veroordelen.

Ik zal de mensen niet veroordelen. Ik vraag u alleen maar of dergelijke zaken niet minstens zo gevaarlijk zijn als hetgeen ik u zonder enige bindende dwang ter overweging voorleg.

Trouwens, niet ik oordeelde, maar u. Ik wijs u er alleen maar op dat, zo u hetgeen ik u voorleg gevaarlijk acht, alle politieke partijen en kerken en zelfs wetenschappelijke tendensen, ook al zijn die zaken geheel in uw maatschappij en denkwereld aanvaard, tenminste even gevaarlijk zijn.

Met dit alles veroordeel of beoordeel ik geen mensen, maar alleen situaties en, zoals u uit de inleiding hebt kunnen vernemen, acht ik dit niet slechts toelaatbaar, maar zelfs onontkoombaar.

Uit de aard der zaak ben ik verantwoordelijk voor het feit, dat ik uw denken heb gericht op de door mij gebrachte gegevens en mogelijkheden.

  • Hoe stelt u zich een maatschappij voor zonder rechtspraak?

Uw rechtspraak is een officiële wijze van  handelen, waardoor degene die veroordeeld wordt nimmer de straf krijgt die hij verdient, terwijl het slachtoffer geheel niet of slechts na veel moeite en kosten enige vergoeding kan krijgen voor hetgeen hem/haar is aangedaan.

In een wereld zonder rechtspraak zouden de mensen zelf voor hun rechten op moeten komen. De zwakkeren zouden wel genoopt zijn, elkander tijdig tegen de sterkeren bij te staan. Het gevolg is dat de reactie op laakbare daden eerder en vooral voelbaarder zou zijn dan in uw systeem denkbaar is, terwijl onbenulligheden eenvoudig niet de tijd van veel goed betaalde mensen en deskundigen in beslag zouden nemen, omdat men daar eenvoudig geen hulp van anderen voor kan krijgen.

Indien we uitgaan van een maatschappij die moet straffen en die de orde dient te handhaven, zal de gewone mens de moordenaar liever laten gaan dan zich ergens mee te bemoeien. Indien men echter beseft, dat men zelf evenzeer het slachtoffer zou kunnen worden, zal men eerder geneigd zijn tot ingrijpen, want anders gebeurt er immers helemaal niets. En de moordenaar, geconfronteerd met de woede van de menigte zou weinig kans hebben, zijn heldenfeit ooit nog te herhalen.

Zeker, de eerste tijd zal alles zeer primitief zijn en zullen toestanden ontstaan die doen denken aan Turkse veten en Siciliaanse vendetta’s. Aan de andere kant zou na enige tijd veel, wat men nu maar moet dulden en waarop de rechtspraak, zo zij al erbij betrokken wordt, hoogstens een boete of enkele weken gevangenis zet, niet meer voorkomen.

Bedenk, dat een gewapende misdadiger in het voordeel is in een gemeenschap, waarin de wet het bezitten en hanteren van wapens verbiedt, maar dat zijn voordeel snel slinkt, wanneer eenieder gewapend is.

Ik stel dat een werkelijke rechtsorde een oorzaak-gevolg samenhang is en dit is geheel iets anders dan een theoretisch psychologische benadering waarbij – nogmaals – men gemeenlijk uitgaat van de toestand en het wel en wee van de dader en niet van hetgeen hij veroorzaakte. In een directe relatie tussen eenlingen onderling ligt het anders. Harder, zeker, maar ook meer afdoende, en minder belastend voor zowel misdadigers, slachtoffer als gemeenschap. Wat erop neerkomt dat een maatschappij zonder rechtspraak geen rechtvaardiger, maar in ieder geval een veel slagvaardiger maatschappij zal zijn. Het zou echter zeer zeker een maatschappij zijn, waarin men veel meer moed en doorzettingsvermogen nodig zou hebben dan in deze dagen om zich aan het bezit of de algemeen aanvaarde rechten van medemensen te vergrijpen.

Het gebruik van de innerlijke Bron, waardoor in feite alles voorkomen zou kunnen worden, laat ik hierbij buiten beschouwing daar het te lang duurt voor voldoende mensen deze gevonden hebben en geleerd hebben hoe haar mogelijkheden juist te gebruiken.

  • Heeft Jezus werkelijk gezegd: “werpt hen uit in de buitenste duisternis waar geween is en knarsing der tanden”.

Jezus heeft dit niet zo gezegd als men het nu steeds weer interpreteert. Maar later kwam een andere uitleg en een enkele toevoeging natuurlijk zeer van pas voor geestelijke leiders die hun wil tegen de gelovigen in wilden doorzetten. Jezus heeft gezegd en wel in het kader van een gelijkenis, dat degenen die niet kwamen op het feest, waartoe zij genood waren, werden uitgeworpen in de duisternis, waarin geween is en knarsing tanden, maar hij heeft niet gezegd, dat zij voor eeuwig daarin geworpen werden. Hij heeft daarmee in feite gezegd: Wanneer je niet beantwoordt aan het innerlijk juiste kom je in een toestand van duisternis terecht en daarin zal je moeten lijden tot je wilt aanvaarden, dat je anders had moeten doen.

  • Wanneer je die Bron vindt, is dat dan een toestand van verlichting of kan het ook minder?

Die Bron kun je zelfs in het donker vinden. Innerlijke verlichting doet de mensen denken aan allerhande toestanden als bv. eerst 20 uur je navel in het oog houden en dan bv. langzaam leviteren.

De innerlijke verlichting is een toestand die voortvloeit uit de erkenning van de eenheid met de Bron die in je bestaat. Dat is waar. Maar dat wil zeggen, dat de erkenning van de Bron dus voorafgaat aan een toestand, die men als verlichting pleegt te omschrijven. Wat uit de aard der zaak duidelijk maakt, dat de Bron dus gevonden kan worden zonder verlichtheid.

Of om het nog eenvoudiger te zeggen: eenieder die probeert door te zetten en eerlijk is zowel ten aanzien van zijn innerlijke als uiterlijke waarden op den duur die Bron vindt, dat daarbij geen bepaald systeem noodzakelijk is en geen voorwaarden worden gesteld anders dan een zoeken naar je innerlijke kern en een eerlijk uiten van alles, wat je daarin beseft. Overigens is verlichting vaak een eigenschap die mensen aan anderen toeschrijven waarvan zij aannemen dat zij voor zich waar hebben gemaakt, wat de bewonderaars voor zich niet wensen of durven te doen.

Daar u geen vragen meer stelt, wordt het tijd dat ik mijn bijdrage ga beëindigen. Ik heb u reeds gezegd, dat de titel van een onderwerp natuurlijk de inhoud ervan niet volledig kan dekken. Ook nu is dit weer gebleken. Toch heb ik wel degelijk getracht u te wijzen op een kernprobleem van alle geestelijke ontwikkeling.

Daarom wil ik tenslotte zeggen, vanuit mijn standpunt sprekende en in de hoop dat u daarover wilt oordelen vanuit het uwe, dat het dwaas is je bezig te houden met allerhande gedachten aan anderen die je zullen helpen. De eeuwigheid is in u. Het licht is in u. De Bron is in u.

Niemand kan die dingen voor u onthullen, tenzij u zelf op weg gaat en zelf het doel nastreeft. Beroep u dan niet op genade, maar zoek liever diep in uzelf tot u in uzelf dat onbeschrijfbare beleeft. Laat het door u uitstralen. Dan zult u weten, wat anderen bedoelen, wanneer zij het over genade hebben.

Esoterie

Het tweede gedeelte moet altijd weer wat esoterisch zijn. En dat is een moeilijke zaak, steeds weer. Bovendien mag ik niet al te vlug spreken, heeft men mij gezegd.

Wat ik dan, allereerst wil opmerken is het volgende: Esoterie is een heel mooi verhaal. Maar alles wat het je pleegt op te leveren, is stof voor de vele illusies, waarachter je de werkelijkheid voor jezelf probeert te verbergen. Wanneer je dus vooral mooie verhaaltjes wilt horen, vraag ik mij af waarom je je nog zo druk zou maken.

Het is mij eens overkomen… Ja, u hebt gelijk. Ik ben het wel, maar ik uit mij wat anders vandaag. Ik zeg het maar om te voorkomen dat u de rest van de bijeenkomst alleen daarover zit te piekeren.

Mijn belevenis schenk ik u. Maar ik wilde zeggen dat mensen soms van die eigenaardige opvattingen hebben. Men heeft mij eens gevraagd of ik werkelijk dood was. Mijn antwoord luidde: neen, Henri de La Guarère leeft. Niet alleen dachten zij meteen dat ik een oude edelman was, maar bovendien vonden zij de uitspraak dat ik niet dood was zeer eigenaardig. Dood bestaat niet. Dood als einde is een illusie. De dood betekent alleen maar een veranderen van vorm. Dus wanneer u dood moet gaan, moet u zich maar voor ogen stellen dat het een prima oplossing is. Denk alleen maar eens aan alle karweitjes die je niet meer behoeft op te knappen, aan alle ellende en schulden waar je met een slag vanaf bent.

De grootste moeilijkheden bij het sterven zie ik steeds weer ontstaan wanneer mensen zich proberen in te denken wat het zou zijn om niet meer te zijn. Vaak gaat het zo ver dat je zo iemand niet na de dood kunt bereiken. Hij is dan nog zo druk bezig met het er niet zijn dat hij niet beseffen kan dat hij er nog is, omdat hij anders over het niet zijn, niet denken kan. Omdat zo iemand dan te veel denkt en te weinig ervaart, ziet hij de werkelijkheid niet die hij is en blijft, ook al wordt hij dan uw wereld begraven.

Begrafenissen vind ik trouwens ook al zoiets leuks: het is vaak net een komedie. Nu was mijn laatste begrafenis op aarde niet zo heel gezellig, want ik werd begraven van de armen. Die kerels liepen met mijn restanten te slepen als een stel honden dat stil en snel een bot gaat begraven.

Eens ik voldoende met mijn nieuwe situatie was geconfronteerd en vanuit mijn nieuwe wereld kon gadeslaan, hoe velen met alle pomp en praal werden begraven, heb ik mij toch wel eens afgevraagd, waarom men zelfs wanneer die toestand dreigt op aarde nog zo veel zit te emmeren over allerhande uiterlijkheden. Geestelijk was het verschil tussen een luxe begrafenis en de mijne nul. Later ben ik er pas achter gekomen: de mensen emmeren over de uiterlijkheden om te voorkomen dat zij te veel last krijgen van hu innerlijk.

Toch is het innerlijk van de mens het enige waarvan een flink deel blijft voortbestaan, ook al is het nooit alles. Wat voor iemand als ik overigens een groot geluk is. Stel je voor dat ik alles had mee moeten nemen. Ik zie mij al staan in een hemels Jeruzalem met veters en dan maar hopen dat al die barrevoeters eindelijk eens sandalen zullen gaan dragen.

Maar juist omdat een deel en vaak een behoorlijk groot deel van je menselijk denken teloorgaat, ben ik geneigd te stellen dat esoterie in feite niet veel anders is dan een vooruitlopen op de dood: het verliezen van je illusies die je later toch achter moet laten en zo leren werken met dat deel van je persoonlijkheid waar je ook na de dood nog iets aan hebt. Maar de mensen hangen soms heel sterk vooral aan hun illusies. Zelfs hier, toch zie ik hier heel wat mensen, die de komende tien jaren op de nominatie staan.

Ik wil niets onaangenaams zeggen hoor. U leeft natuurlijk eeuwig. Maar afstand doen van een stukje stof kan heus erg gezellig zijn. Stel je eens voor: geen pijn meer in je rug, geen klapperend gebit meer, niet die jeuk op je schouder waar je er net niet bij kunt en zelfs geen last meer van die ellendige hamertenen van u die soms van de eksterogen niet eens meer weten welke kant zij opgaan.

Stel het u eens even voor: al die dingen waar je niet meer zo op let omdat je eraan gewend bent, maar die toch lastig zijn, zoals die pijntjes en andere ongemakken vallen opeens weg. En toch ben je er.

Mentaal zoveel mogelijk van dergelijke kwalen alvast kwijtraken is de werkelijke zin van alle esoterie volgens mij. Maar helaas vele zgn. esoterici lopen op mentale eksterogen strompelend door de rede te zoeken naar wegen, die er niet zijn. Wanneer je al die ellende eenmaal kwijtraakt, weet je pas goed wie en waar je bent. En wat is de zin zelfs van de vele u geleerde esoterie anders dan een poging te leren beseffen wie wat en waar je bent?

Nu is zelfkennis iets, waar heel wat mensen voor terugschrikken. Ik kan dat ook wel begrijpen. Als je denkt dat je jong en schoon bent en je kijkt uiteindelijk in de spiegel om te ontdekken dat je oud en vuil bent, is niet zo gezellig. Of je hebt de laatste jaren steeds poëtisch gedacht dat overal waar je kwam het lover rond je begon te ritselen en nu opeens ontdek je, dat het je rimpels zijn. Dat is niet gezellig. O, dat kan heus hoor. Er zijn onder de mensen heus wel slangen, maar die vervellen niet en slaan de oude huid op als extra rimpels,

Wanneer ik u dus probeer iets van mijn denkbeelden probeer te etaleren dan hoop ik dat u ook begrijpen zult waarover ik het heb. Ik zeg u dit: alle uiterlijkheden, alle illusies omtrent jezelf moet je kwijt proberen te raken, omdat je er eerst dan achter kunt komen wie en wat je in wezen bent.

Dit houdt in dat esoterie in wezen ook voor u niets anders is of kan zijn dan een terugkeer naar de werkelijkheid. En wanneer u een vermoeden hebt, dat u de feiten omtrent uzelf niet zo leuk zult vinden, raad ik u dan ook maar niet te beginnen aan de esoterie.

Maar wanneer u de waarheid wilt weten omtrent uzelf en die ook durft te aanvaarden, dan moet u beginnen met allereerst een hele hoop illusies overboord te gooien voor je je met hogere denkbeelden bezig gaat houden.

Zo, dat heb ik dan ook weer eens gezegd. En dat is het voornaamste. Ik heb alleen nog enkele kleinere punten voor u. En wanneer u mij kent, weet u dat ik de neiging heb nogal onsamenhangend te praten en toch nog veel te zeggen. Die neiging tot onsamenhangendheid heb ik in mijn laatste incarnatie overgenomen van de mensen in mijn omgeving en wanneer ik naar de omgeving zie waarin u leeft, moet mij van het hart dat er in dat opzicht nog niet al te veel veranderd is. Alleen heb je tegenwoordig meer mensen, die beroepshalve onsamenhangende dingen zeggen, maar dan wel op een zo geleerde wijze dat eenieder die luistert er niets van begrijpt en toch meent, dat zij wel gelijk zullen hebben.

Soms ontwikkelt men zelfs een speciale taal om die truc beter uit te kunnen voeren zoals “ten departemente”. Want die taal maakt het mogelijk onsamenhangendheid en strijdigheid metterdaad zo te verbloemen dat de toehoorders een indruk krijgen van kundige bestuurderlijkheid. Een departement is dus een instelling, die tot de welvaart kan bijdragen door te vertrekken, zoals in het woord zelf al wordt gesuggereerd.

Of, wanneer u een andere omschrijving passender vindt: het is een deel van een geheel der maatschappij dat zich pleegt te gedragen of het alleen voor dit geheel aansprakelijk is en daarom elke poging om die aansprakelijkheid ook maar iets te beperken, beschouwt als een aantasting van de goede zeden, het landsbelang en eigen inkomen.

Bovendien beschouwt men elke kritiek op eigen werken vaak als een aantasting van eigen wel verworven rechten. En weet u, wat een wel verworven recht is? Datgene wat je zolang gepikt hebt, dat je het eenvoudig niet meer pikt wanneer een ander je probeert duidelijk te maken, dat, het je niet toekomt.

Ja, met die dingen gaat het vaak net zo als met geleerdheid. Of te wel eruditie. Daar menen de mensen ook vaak heel wat rechten aan te kunnen ontlenen. Toch is geleerdheid vaak niet veel meer dan een bezien van de wereld met een te enge blik en blijkt eruditie te berusten op een in het geheugen van feiten, met als gevolg dat men op de duur kennis en vooral delen van de kennis van anderen als een persoonlijk eigendom gaat beschouwen en dan ook vrijelijk conclusies trekt die anderen die de gehele kennis uit eigen ervaring hebben verworven, nooit zouden trekken.

Maar ja, wij moeten spreken over esoterie, over het zoeken naar de innerlijke kern waarbij men door het verwaarlozen van de overbodigheden komt tot een erkenning van de essentie.

Opmerkingen en omschrijvingen

Maar ik heb eerlijk gezegd liever een paar andere punten te behandelen en ik heb er heus wel een paar. Wat zou u hiervan zeggen:

  • God is het uithangbord dat wij gebruiken ter aanbeveling van onze eigen wensen wanneer wij die niet op een andere wijze menen te kunnen rechtvaardigen.
  • Geloof is een reeks van regels die wij hanteren om ons onvermogen tot innerlijk beseffen voor onszelf te verhullen.
  • Kerkelijk geloof: krukken die een mens soms moet gebruiken om zelf geestelijk te leren lopen, maar met het nadeel dat men hem dan verbiedt deze weg te werpen en zelf verder na te denken.

Er zijn er zoveel, dat het moeilijk is een keuze te doen. Woorden te over op aarde, die iets anders betekenen volgens mij dan de mensen er mee schijnen te willen zeggen.

  • Weet u bv. wat volgens mij politieke moraal is? Dat is de immoraliteit die tot een stelsel is terug gebracht.

Ik hoor het al. Wanneer ik de zaak tot zijn essentie terugbreng, mompelt men stil voor zich heen dat het lang niet altijd klopt. Gelijk hebt u, niets klopt altijd. Zelfs een zwerende vinger geeft er op de duur de brui aan. Stel u voor dat er dingen zouden zijn die wel altijd klopten. Dan zou je je een keer op je vinger behoeven te slaan om voor je leven in de ziektewet geborgen te zijn.

U vindt mijn omschrijvingen mogelijk eenzijdig. Maar troost u dan: alles gaat voorbij, zelfs dit. Het kenteken van de esoterie is het vinden van een innerlijk rustpunt te midden van een voortdurende verandering van uiterlijkheden.

En wanneer je die gedachten nog verder wilt volgen, kun je zeggen: het enige rustpunt te midden van tijd en verandering dat wij kunnen vinden is datgene wat wij God noemen zonder het ooit te kunnen omschrijven.

Het is de rust die uitgaat van een je één voelen met het onomschrijfbare, dat men wel God noemt, waardoor wij ons zelve gelijk kunnen blijven zonder in een oorzaak- en gevolgwerking aan voortdurend veranderende beïnvloedingen onderhevig te zijn.

Het is nooit goed te pleiten voor iets, wat je zelf al dan niet goed vindt. Want op het ogenblik dat je begint te pleiten, gaat je zelferkenning pleiten, zodat je door je gepleit zodanig betrokken wordt bij hetgeen je wilt bepleiten, dat je op een gegeven ogenblik tot de ontdekking komt, dat al je normen al lang bepleit zijn, zodat je niet meer weet waaraan je zelf aan toe bent.

En wanneer u dit alles nog niet voldoende is, heb ik nog wel enkele opmerkingen in petto voor u, maar ik schei nu uit met alles, wat met de esoterie samenhangt.

Ik vind praten over esoterie een vervelend iets. Dan krijg je soms het gevoel dat esoterie voornamelijk een vorm van emotionele onsamenhangendheid moet zijn, die men gebruikt als een achtergrond voor het etaleren van zijn eigen mogelijkheden. Bent u ook lid van een esoterische kring? O, bij de Orde? Nu ja, dan hebt u in ieder geval een luxe gordijn achter u…

Maar laten wij het anders doen. Ik zal proberen enkele eenvoudige omschrijvingen te geven van begrippen die u opnoemt. Weet u soms nog een woord waar nog een omschrijving bij gezocht wordt?

  • Passanten: degenen die u als een voorbijgaand iets beschouwen.
  • Wetenschap: een op feiten gebaseerde reeks theorieën die helaas maar al te vaak als een onveranderlijke waarheid worden gehanteerd.
  • Geloof: geloof is een innerlijk weten dat men vervolgens ophangt aan de leerstellingen die anderen verkondigen in de hoop zo hun eigen behoefte aan macht en gezag tot uitdrukking te kunnen brengen. Velen beschouwen zich als belangrijk en groot omdat zij u hebben bewogen tot het aanvaarden van een door hen ontworpen geloof, waaraan u alleen aandacht schenkt, omdat het beantwoordt aan uw innerlijke behoeften.
  • Dalai Lama: Degene die als laatste van zijn reeks in de Potala heeft gezeteld.
  • Potala: eens het paleis van de geestelijke leiders van Tibet, maar nu mag je er alleen in wanneer je een Chinees bent.
  • Egoïsme en solidariteit: Dat zijn er twee, maar in de praktijk zijn deze beide voor veel mensen identiek. Egoïsme is het slechts rekenen met en vanuit jezelf, waardoor je meent dat alle anderen rekening met je moeten houden, zonder dat jij rekening behoeft te houden met anderen. Solidariteit is een met anderen samengaan om een doel te bereiken zonder er verder rekening mee te houden hoeveel anderen je daardoor onrecht doet.
  • Een intellectueel is iemand die denkt dat hij meer is omdat hij meer denkt te weten dan anderen, die mogelijk wel een gezonder verstand hebben, maar dit in minder mooie woorden weten te uiten.
  • Kunst en politiek: Alweer twee die veel gemeen hebben. Politiek is de kunst van het verkopen van vaagheden als zekerheid zodat men gekozen wordt en in vaagheid verder kan gaan tegen een goed inkomen. En dat is zeker een kunst. Kunst, de echte, wanneer ik dit eens heel ernstig omschrijf, is niets anders dan het zoeken naar middelen om een innerlijke waarde uit te drukken, zonder dat je het product zelf geheel kunt begrijpen.
  • Zonnebril: vaak een modeverschijnsel, soms een beschutting tegen al te fel licht waardoor men meent er  beter uit en meer te zien zonder te beseffen dat alles wat men ziet er dan ook gekleurd op staat.
  • Engelbewaarder: verzamelaar van engelen. Of anders gezegd: een gevangenbewaarder uit de hemel die tijdelijk wordt toegevoegd aan een idioot op aarde die nog opgesloten moet worden. Ik weet er nog een omschrijving voor: engelbewaarder is het sprookjeswoord waarmee men vaak een geest aanduidt die vaak zonder succes probeert een mens op aarde te behoeden voor het begaan van de dwaasheden die die geest al lang eerder zelf begaan heeft.
  • Geestig: al datgene waarin men de esprit van een ander denkt te herkennen, De ware geestigheid schuilt dan ook niet voornamelijk in degene, die haar debiteert, maar in het besef van degene die haar ontvangt.
  • Zegen: je kunt met de zegen vissen ook, maar sportief is anders. De goddelijke zegen is al datgene dat wij verkrijgen zonder te beseffen dit verdiend te hebben of daarop recht te hebben. Vaak is het een zegen, wanneer de aangekondigde visite toch niet komt.
  • Punt: datgene, wat ik achter mijn betoog al lang had moeten zetten. De punt is een willekeurige stip in de ruimte waardoor de ruimte kenbaar wordt zonder dat de stip anders dan in plaats daarbij nader omschreven wordt. Vaak is een stip het product van een oververzadigde vlieg,
  • Cirkel: juiste omschrijving van de wijze waarop vele mensen plegen te redeneren.
  • Knooppunt: de plaats en het moment waarop twee files proberen elkander te doorkruisen. Dit wordt pas een werkelijke knoop wanneer de beide groepen voor zich veronderstellen voorrang te hebben.
  • Kern: datgene wat blijft wanneer je al wat er omheen zat al hebt weggegooid.
  • Baghwan: een baken aan de geestelijke kust en zo een waarschuwing voor hen die nog in zee zijn.

Dat was het dan. Nog een toegift; de Orde der Verdraagzamen: is een groep mensen die onder het mom van verdraagzaamheid onderling twisten over de wijze waarop zij menen de verdraagzaamheid beter op aarde uit te kunnen dragen

image_pdf