1 mei 1970
Doden of niet doden
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar en u mag bovendien vanavond nog zelf zeggen welk onderwerp wij zullen behandelen.
Voorstel: In een verslag van de Esoterische Kring van 1958 staat dat het logisch en volgens de wet is dat een soldaat in de oorlog doodt en daarover dan ook geen berouw dient te hebben, tenzij hij wreedaardiger is dan noodzakelijk. Een bekend mediamiek schrijver stelt in zijn boeken: niet doden, onder geen enkele omstandigheid. In de 10 geboden kent het “Gij zult niet doden” ook geen uitzonderingen. Niettemin sturen ook christelijke regeringen hun mensen de oorlog in en elke regering noemt zijn oorlog dan rechtvaardig. Bestaan er rechtvaardige oorlogen? Vanwaar de tegenstrijdigheden in de meningen vanuit de geest? Kunt u dit combineren met een liefdevolle God en een wereld vol wreedheid en de vraag: moeten wij weigeren te doden in oorlogstijd?
Goed. Spreken wij dus over: Doden of niet doden.
Wanneer er oorlog is, zullen soldaten in het veld mensen doden. De grote vraag is of dit nu geoorloofd is of niet. Maar de probleemstelling is wel wat simplistisch. De steller haalde uit de 10 geboden het “gij zult niet doden” aan als absoluut gebod. Hij is in dit geval kennelijk van een ander inzicht dan Mozes en Aaron, ofschoon de eerste de geboden zelf ontvangen zou hebben, terwijl de ander toch wel de eerste priester is die met deze geboden heeft gewerkt. Want wat horen wij in de Bijbel? Zodra men binnentrekt in het land van Kanaan en daar een soort bezetting pleegt, begint men onmiddellijk met een vervolging van de inboorlingen, die een genocide gelijk dreigt te komen. Ook bij Jericho gaat het kennelijk niet om de muren alleen die vernietigd moeten worden, maar mede om de mensen. De verhalen uit de Bijbel zelf maken het dus wel wat eigenaardig wanneer wij iemand op grond van die Bijbel de stelling horen verdedigen dat men onder geen enkele omstandigheid, welke dan ook, zal mogen doden.
Een dergelijke visie bestaat echter wel bij bepaalde hindoekasten en enkele soorten boeddhisten. De Jaïns bijvoorbeeld. Dezen stellen onder meer: alle leven is deel van de Al-geest, dus mag jij geen leven vernietigen. Bovendien gelooft men dat mogelijk in dieren de geest van een voorvader zou kunnen schuilen. Monniken van dergelijke groepen werden wel eens spottend ‘sweepers’ genoemd. De vegers waren normaal paria’s, maar men noemde deze mensen, die vaak van hogere kaste waren, ook zo, omdat zij vaak een bezem bij zich droegen waarmede zij het pad voor hun voeten voorzichtig schoonveegden om te voorkomen dat zij misschien per ongeluk met hun voeten een insect zouden doden. Men kan deze houding mooi noemen, maar het is wel zeker dat een dergelijke benadering in een wereld, die alleen nog schijnt te kunnen bestaan dankzij een overdadig gebruik van pesticiden, moeilijk te handhaven zal zijn.
De vraag of je doden mag of niet, zal mijns inziens dan ook aan andere criteria moeten beantwoorden dan bijvoorbeeld het genoemde deel van de 10 geboden. Volgens mij moeten wij dan van het volgende uitgaan: zolang ik erken dat een staat gezag heeft en onder het gezag van die staat mij in de strijdkrachten van die staat op laat nemen, zal ik ook in situaties komen te verkeren, waarbij het voor mij feitelijk gaat om doden of gedood worden. Daar men hierbij volgens eigen standpunt meestal iets verdedigt wat waardevol is en dit niet slechts het eigen ik betreft, zal onder deze condities het doden volgens het eigen besef inderdaad toelaatbaar en zelfs onafwendbaar zijn.
Slechts indien daarbij het doden excessief wordt en alle werkelijke noodzaken te boven gaat – als bijvoorbeeld bij het werpen van een atoombom – zou ik dus ‘neen’ moeten zeggen. Dit is volgens mij niet geoorloofd, omdat je uit dient te gaan van de werkelijkheid. Het aantal doden staat in een dergelijk geval meestal in geen enkel verband meer met hetgeen men verdedigen kan en moet.
Wie stelt dat je onder geen beding mag doden, gaat uit van een ideale toestand. Maar dat kun je alleen doen, wanneer je ook te maken hebt met ideale mensen. En die zijn er niet. Hoe kunnen wij dus enerzijds de onvolmaaktheden van de mens zien en anderzijds ons blijven baseren op een ideale toestand? Er zijn heel wat toestanden op deze wereld, maar zij zijn alle verre van ideaal. Daarom zal men, naar ik meen, uit moeten gaan van hetgeen er nu bestaat, ook wanneer in de geest en de stof velen het preferen te doen of men wel van een ideaal uit mag blijven redeneren, zonder met de feiten rekening te houden.
Ik stel het volgende: wanneer ik de training als soldaat en de verplichting mij eventueel door de staat opgelegd om soldaat te worden aanvaard, heb ik daarmede à priori de noodzaak tot doden reeds aanvaard. Dit betekent dat iemand, zo denkende en levende, aan zijn verplichtingen voldoet. Hij handelt naar beste weten en hoeft mijns inziens geen berouw te hebben over degenen die hij, in zijn functie als soldaat, op bevel van anderen doodt. Dit vloeit mijns inziens zonder meer voort uit zijn levenshouding, die immers de aanvaarding van een dergelijk gezag inhoudt.
Daar voor velen de staat als het ware de weerspiegeling van het goddelijke gezag op aarde schijnt te zijn, zou een niet gehoorzamen aan de staat inhouden dat men zich verzet tegen God. Met een dergelijke instelling lijkt het mij onvermijdelijk, dat je op gezag van je meerderen mensen zult doden wanneer dit van je gevraagd wordt. Je hebt die verplichting op je genomen in de overtuiging dat dit juist is.
Wij zouden kunnen stellen dat het beter zou zijn wanneer het anders was. Maar dat heeft niets meer met feiten te maken. Ik zou het bijvoorbeeld ook beter vinden wanneer er op aarde geen afzonderlijke staten waren. Maar zij zijn er nu eenmaal en wij dienen met hen rekening te houden. Dat ik ofschoon de onvermijdelijkheid van doden onder de nu heersende condities aanvaardende, meen te mogen stellen, dat men nimmer excessief, dus meer dan noodzakelijk of met een te grote wreedheid, zal mogen doden; dit lijkt mij eveneens redelijk en begrijpelijk: het soldaat zijn impliceert wel degelijk dat je een tegenstander zult moeten doden, maar er bestaat geen enkele reden om meer te doden in dit opzicht dan je wordt bevolen. Men dient echter wel te begrijpen, dat er geen uitzonderingen kunnen bestaan ten aanzien van de verplichting tot doden, wanneer men soldaat is. Ook wanneer u nu op moet komen in vredestijd en bijvoorbeeld benoemd wordt tot korporaal-administrateur, zodat u in feite slechts uw zitvlak voortdurend zit te oefenen op ’s rijks zetels, ontvangt u een opleiding, die ten doel heeft u onder omstandigheden anderen te laten doden. U behoort tot een organisatie die, hoe zij uiteindelijk haar doelstellingen ook omschrijft, een apparaat blijft tot doden en hantering van geweld.
Aanvaardt u dus een oproep tot eerste oefening of opkomst en gehoorzaamt u, wat mijns inziens de meeste mensen wel zullen doen, dan aanvaardt u daarmede ook de consequenties van het deel uitmaken van een leger. Het lijkt mij dwaas om het bestaan van legers wel, het doden van medemensen niet te aanvaarden. Indien u aanvaardt dat er macht wordt uitgeoefend, dat een apparaat daartoe bestaat, dan aanvaardt u daarmede tevens dat er geweld is. Wanneer u aanvaardt dat er natiën zijn, die eigen belangen tegen elkander verdedigen, dan moet u ook aanvaarden dat het tussen hen tot vechten komt, tot oorlog. Zolang u meent dat het verdedigen van eigen belangen aanvaardbaar is voor een staat, moet u ook aanvaarden dat dit zo nodig met alle middelen zal geschieden. Indien u aanvaardt, dat er grenzen blijven bestaan die de mensen van elkander scheiden, zult u mede moeten aanvaarden dat hierdoor spanningen tussen landen en mensen kunnen ontstaan, die zich te enigerlei tijd in vooroordelen en geweld kunnen ontladen. U kunt niet enerzijds deze dingen aanvaarden en goed achten en aan de andere kant de logische gevolgen hiervan onaanvaardbaar noemen. Voor mij bestaat er geen rechtvaardige oorlog en geen aanvaardbaar geweld. Voor mensen kan dit volgens mij echter wel het geval zijn en iemand die handelt naar beste weten, hoeft volgens mij geen berouw te hebben over de gevolgen daarvan.
De volgende punten zullen voor velen van u in deze dagen misschien nog minder dan ooit aanvaardbaar zijn. Toch waag ik het deze in dit verband te berde te brengen.
De Duitsers die na de oorlog werden aangeklaagd, hadden een verdediging voor alles wat zij hadden gedaan. Het was een bevel en ‘Befehl ist Befehl’. Wat betekent: een bevel is nu eenmaal een bevel. Ik hoef zelf niet te oordelen als soldaat, daarvoor zijn er nu eenmaal mijn meerderen. Men heeft toen gezegd dat dit blijk gaf van een geheel verkeerde mentaliteit. Men had zich van de eigen verantwoordelijkheid bewust moeten zijn. Maar wat gebeurt er, ook in Nederland, met een soldaat die een order weigert, zeker in oorlogstijd of elders? Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een Amerikaanse soldaat in Vietnam, die op een gegeven ogenblik zegt: “Ik wil niet doden!” Ofwel hij wordt stilletjes gedood en ‘valt op het veld van eer’! Ofwel men maakt er een krijgsraadskwestie van. Want die man was verplicht om te doden. Als er een bevel komt, mag je niet gaan redeneren, dan heb je maar te gehoorzamen. Een leger is gebaseerd op gehoorzaamheid. U kunt dan wel spreken over een kadaverdiscipline, die vervangen dient te worden door meer democratische opvattingen, maar een democratisch leger, dat nog als leger moet kunnen functioneren, zal nog steeds als eerste eis gehoorzaamheid tegenover de meerderen moeten blijven stellen.
Indien een leger doelmatig wil werken, zal het gehoorzaamheid moeten eisen tot in het onredelijke toe. Hoe men daarover dan ook verder beweert te denken. Ik voor mij heb dan ook altijd het gevoel, dat een leger een dictatuur is binnen elke staat. En ik herhaal, ofschoon vele mensen daarover wel anders zullen denken, dat u, wanneer u bij een leger behoort, in wezen tot gehoorzaamheid verplicht bent en zult moeten doden, of u nu wilt of niet. Zeker. U bent soldaat en zult toch misschien nooit iemand doden. Maar wanneer wij moeten spreken over schuldbesef en aansprakelijkheid, dan moeten wij nog iets verder gaan dan het feitelijke doden. Dan kunt u volgens mij niet volstaan met de verklaring: ik heb nooit iemand gedood, dus ben ik niet schuldig. Dan zou men moeten willen en durven zeggen: door het feit dat ik dit leger aanvaard heb, door het feit dat ik mede daartoe behoord heb, ben ik medeaansprakelijk voor het voortbestaan van dit instrument voor geweld en ben ik dus medeaansprakelijk voor alles wat uit de hantering van dit instrument voortvloeit.
Maar ja, dat wordt natuurlijk voor velen een beetje pijnlijk. Het is aangenamer te spreken over onze helden. Er zijn ook werkelijk wel helden geweest. Maar verandert dit iets? Laat ons proberen de zaak van het geweld nog eens van een andere kant te bezien: Nederland was bezet. Die bezetting was ondragelijk, zo meende men. Men heeft zich dus daartegen verzet. In dit verzet heeft men mensen gedood. Dit doden wordt zo dadelijk herdacht, inclusief de vele mensen die door dit doden en dergelijk geweld het slachtoffer werden als gijzelaar, of misschien zelfs door onmiddellijke maatregelen als bijvoorbeeld in Putten. Vraag u af of men, mede gezien de consequenties voor niet betrokkenen, wel het recht had tot doden enzovoorts. Kennelijk is het hierbij van groot belang van welk standpunt je uitgaat. Vooral dient men wel te begrijpen wat het betekent wanneer men hier uitdrukkelijk ‘neen’ zegt. Dit betekent dat 19 mensen, die bereid zijn anderen te doden, een volk van 10.000.000 mensen, die niet bereid zijn tot doden, kunnen regeren zoals zij maar willen. De enige andere weg buiten geweld zou hier het lijdelijk verzet zijn. Maar om dit onder alle omstandigheden vol te kunnen houden, hebben de mensen een zelfbeheersing nodig en een opofferingsgezindheid, die op aarde maar zelden te vinden is.
Bovendien wil ik hier even opmerken dat de dingen later wel eens anders worden voorgesteld dan zij in feite waren. Nederland mag zo dadelijk, bij de herdenking, trots zijn op alles wat het verzet heeft bereikt, maar laat men dan ook niet vergeten dat rond 30% van de Nederlandse bevolking direct of indirect diensten aan de bezetter heeft verleend van meer vrijwillige aard, terwijl wij bij het meerekenen van eenieder, die zoveel mogelijk van de bezetter en de onder diens gezag heersende toestanden profijt heeft getrokken, zo hem in feite steunende, zelfs tot een percentage tussen de 60 en de 70 komen.
Terug naar de vraag of de verzetsmensen het recht hadden om te doden. Ik zeg niet dat alles, wat in het verzet plaatsvond, geheel verstandig en terecht is gebeurd, let wel. Toch stel ik: daar deze mensen met de inzet van eigen leven geprobeerd hebben een onderdrukking, dus een hen zonder hun wil opgelegde beperking van leven en denken die voor hen onaanvaardbaar was, zijn zij volgens mij, mits dit met inzet van eigen persoon en uit volle overtuiging moordaanslagen en dergelijken hebben gepleegd, volkomen gerechtvaardigd. Gezien de omstandigheden waren zij mijns inziens gerechtigd tot doden. Dit was menselijk, zelfs indien wij menen dat het beter zou zijn geweest wanneer zij andere wegen hadden weten te bewandelen om hun doel te bereiken.
Wanneer wij spreken over de heiligheid van het leven enzovoorts, moeten wij niet alleen bij de soldaten blijven, maar nog wat verder gaan. Wij moeten ons dan afvragen of de schepping eigenlijk wel deugt! De goede God schiep een wereld met Adam en Eva. De eerste appel werd gegeten. Eerst daarna en buiten het paradijs kregen ze kinderen. God belette Kaïn niet Abel te doden. Toch waren het niet de kinderen die van de appel hadden gegeten. En sinds dat ogenblik is zelfs volgens de Bijbel, moord en doodslag niet van de lucht geweest. De mens leefde door geweld. Het is natuurlijk mooi om idealistisch te stellen dat de mensen nu wijzer zijn geworden en dat dit alles nu opeens maar moet veranderen. Maar hoe wilt u gedurende ongetelde duizenden jaren ingebouwde instincten nu opeens ongedaan maken?
Natuurlijk kun je nu zeggen, dat God de schuld is: God is een wrede Heer, die het prettig zou vinden wanneer de mensen elkander doodslaan. Maar dat lijkt mij ook niet bepaald redelijk gesteld. Wat u de dood noemt, is alleen maar de overgang van de ene fase in de andere. Voor velen is het sterven dan ook eerder een voordeel dan een nadeel. Een God die dit weet en waarschijnlijk ook zelf zo heeft gewild, rekent niet met de dood. Daarom kan Hij zonder wreed genoemd te worden, ook een wereld opzetten die berust op het eten en gegeten worden. Nu zegt men wel dat de mens niet zal leven bij brood alleen. En dat is geen slogan van een zuivelbureau, dat meent dat je echte boter op je brood moet hebben. Het betekent eenvoudig dat een mens in het leven nu eenmaal bepaalde illusies en idealen van node schijnt te hebben, omdat hij zonder dit geen leven schijnt te hebben. Dit is in zoverre juist, dat ook denkbeelden voor de mens deel uitmaken van het ‘eet of wordt gegeten’. En daarbij speelt leven in feiten geen enkele rol, de eerbied voor eigen denken overtreft steeds weer en door alle tijden het respect voor de rechten, vrijheden, ja, het leven van anderen.
Een algemene eerbied voor alle leven, voerende tot een weigering tot doden, lijkt mij overigens niet consequent doorvoerbaar. Mogelijk beschouwt men het leven van een plant als leven van een zeer lage orde, maar het is ‘leven’ en de plant toont tekenen van een, zij het gering, bewustzijn. Wanneer u dus u uit eerbied voor het leven voeden wilt met een kropje sla, dan is dit leven wat u eet. En wie bij zijn sla een heerlijke escalope de veau of zo wil nuttigen, eet een deel van een dier dat geleefd heeft, geen natuurlijke dood is gestorven en waarschijnlijk ook liever nog wat langer had willen leven. Misschien denkt u nu dat dit alles is, dat men op de een of andere manier een synthetisch voedsel kan uitvinden, waardoor men alle leven kan sparen. Maar kijk dan eens in uw eigen bloedbaan. Daarin kunnen zeer kleine en lage diertjes voorkomen, ook bacteriën enz. Ook die wezens leven graag. Maar dan komen er witte bloedlichaampjes, gedragen zich als zelfstandige diertjes en zeggen zoiets als: Hé, jij hoort hier niet. Hebbes. Zelfs in uw eigen lichaam is de basis van het voortbestaan van strijd. Dit geldt echter voor het materiële, niet voor het geestelijke.
Indien wij tegenover het beëindigen van al die levens dan een terugkeer stellen van besef, ofwel als deel van een totaliteit – wat mogelijk is – of als deel van een persoonlijke ‘evolutie’, zo moeten wij toch stellen dat de resultaten van de dood op aarde maar van zeer voorbijgaande en ondergeschikte aard zijn, terwijl zij voor het individu zelfs wel eens een voordeel kunnen betekenen vanuit geestelijk standpunt. Dan mag je mijns inziens ook niet zeggen dat God wreed is. Wel ziet het ernaar uit dat God logisch en nuchter is. Wat ongetwijfeld meer is dan vele van zijn schepselen zijn, dat moet ik toegeven. Dit laatste neemt echter niet weg dat God, beschouwd vanuit mijn standpunt, de zaken wel heel erg nuchter en doelmatig heeft aangepakt. Het ziet ernaar uit dat Hij heeft gezegd: Wij moeten een cyclus hebben, waarin geestelijke en stoffelijke bestaansfasen elkander afwisselen. De stof moet echter in stand gehouden worden. Laat dus de stof de stof maar eten, dan kan de geest gemakkelijk verder gaan.
Indien ik nu terugkeer tot het vraagstuk van de soldaat en zijn al dan niet bestaand recht tot doden, zo ben ik geneigd het beeld van het lichaam vergelijkend in dit verband door te trekken. De staat is – of behoort te zijn – een organisme. De eenlingen die de staat vormen, functioneren als de cellen ervan en hebben in het geheel dan ook een eigen functie. Het is in dit beeld dan logisch een deel van die functies als defensief of zelfs agressief te zien, zodat de soldaten en dergelijken vergelijkbaar zijn met witte bloedlichaampjes en de delen van het lichaam, die dienen ter verdediging naar buiten toe, het verwerven van voedsel enzovoorts. Ik stel nu dat alleen degene die zich kan handhaven tegen elke druk in en geen angst voor de dood kent, terwijl hij niet hangt aan bezit en geen behoefte meer heeft aan bescherming, zich op de borst kan kloppen en tegen de staat kan zeggen: Ik doe niet mee. Een dergelijke mens zou zich los kunnen maken van de gemeenschap. De anderen zullen echter gebonden zijn aan het geheel en hun functie in dit geheel moeten vervullen. Zonder dit kan immers hun gemeenschap niet voortbestaan, de gemeenschap, waarvan zij afhankelijk zijn of denken te zijn.
Is het dan niet logisch te stellen dat, zolang een dergelijke gemeenschap onvermijdelijk lijkt, er niet alleen bakkers, slagers, kruideniers van node zijn, maar dat men ook soldaten, matrozen, agenten enzovoorts zal moeten hebben. Maar als u toegeeft dat dergelijke dragers van gezag en beoefenaren van geweld in de gemeenschap nog van node zijn, is de vraag eigenlijk geheel niet alleen de kwestie van doden of niet doden. De noodzaak tot doden, tot het voeren van oorlogen zelfs, schijnt mij onvermijdelijk ingebouwd te zijn in het huidige wereldbestel. Indien wij dus deze wereld aanvaarden in haar huidige vorm, moeten wij ook het doden wel aanvaarden. Het is er onverbrekelijk deel van. Wel mogen wij naar ik meen daarbij verlangen, dat het doden voor de eenling niet tot een persoonlijke kwestie wordt. Indien wij echter gaan beseffen dat doden in feite niet geoorloofd is, dat men zeker de delen van eigen ras, de mensheid, niet zonder meer mag doden, dan zal men ook moeten stellen dat de huidige opzet van de maatschappij en de huidige indeling van de wereld niet zijn aangepast aan het opkomende menselijk bewustzijn, zoals zich dit begint te manifesteren in vele leden van die mensheid. Dit lijkt mij de enig juiste conclusie.
Nu kunt u stellen dat men de maatschappij de vormen van menselijke samenleving dan maar moet veranderen. Ga uw gang, maar ik denk dat bij een werkelijk pogen in die richting de taak u niet mee zal vallen, zelfs waar het uw eigen gedrag en streven betreft. Er is natuurlijk wel een oplossing te vinden in meer persoonlijke zin. Maar zelfs die lijkt mij alleen bruikbaar voor mensen die veel energie, veel idealen hebben en nog niet veel te verliezen hebben. Dan is het denkbeeld van een alternatieve maatschappij misschien de mogelijkheid tot het oplossen van de praktische kant van het probleem, al blijven de gewelddadige instincten van de mens ook dan nog een rol spelen.
Nu zijn er kabouters en tuinkabouters, er is zelfs kabouterjenever, kortom, in uw land kent men kabouters in alle vormen. Je mag wel stellen dat de kabouters inderdaad zoeken naar een alternatieve maatschappij. Maar kunnen de heer en mevrouw K. Bouter zich in hun streven dan onthouden van elk onrecht en geweld tegenover anderen? Men kan slechts de rechten, die anderen zich in de gangbare maatschappij verworven hebben, in een dergelijke beschouwing voor zich terzijde stellen. Mogelijk zal men hierbij zelf geen geweld gebruiken. Maar zelfs dan blijft het feit bestaan, dat men door een dergelijke houding bij vele anderen geweld uitlokt.
En nu ben ik van mening dat degene, die anderen tot het gebruiken van geweld of zelfs doodslag verleidt, even schuldig is aan het gebeuren als degene die de daad stelt. Het feit alleen is voor de verantwoordelijkheid, de schuld, lang niet altijd bepalend. Ik stel bijvoorbeeld een rechter in wezen eerder verantwoordelijk voor het voltrekken van een doodstraf dan de beul. Zoals ik politici en dergelijke meer aansprakelijk acht voor de doden die er in een oorlog vallen, dan zelfs de generaals die hen gehoorzamen. Laat staan dus dat ik de eerste aansprakelijkheid zou leggen bij de soldaten.
Pas wanneer generaals tot politici worden, is de toestand werkelijk gevaarlijk: hun behoefte aan discipline en gezag is in dergelijke gevallen zo groot, dat zij op eigen houtje en onnodig wreedheid en zelfs het doden gebruiken, om onder de leuze van democratie het ‘bevel is nu eenmaal bevel’ ook onder de burgers door te voeren.
Maar ja, daarover kun je doorgaan van eeuwigheid tot amen. Ik zal trachten een deel van mijn visie nu kort te formuleren.
Een wrede God zou een god zijn die het lot van zijn schepselen geheel bepaalt, zonder dat zij daarop enige invloed hebben, ofschoon zij wel persoonlijk alles voelen en beseffen wat zij beleven.
Een werkelijk en volgens iedere norm betrouwbare en goede God is volgens mij een god, die zijn schepselen een besef geeft van hun kunnen, van hetgeen zij zijn en kunnen zijn, terwijl hij hen een beperkte vrijheid heeft gegeven, zodat zij zich in zekere vrijheid kunnen ontwikkelen. Zelfs zonder hierbij zichzelf en anderen voortdurend te vernietigen.
Een rechtvaardige God is een onmetelijke macht die, alle dingen kennende, niet oordeelt volgens hetgeen conveniënt (passend) is – zoals de zogenaamde stoffelijke rechtvaardigheid maar al te vaak doet – maar slechts aan de hand van hetgeen werkelijk bestaat.
Doden is het ontnemen van leven in een bepaalde vorm. Alle mensen kunnen echter aansprakelijk worden geacht voor het nemen van leven, omdat zij zonder dit kennelijk nog niet kunnen leven.
Niet doden betekent het niet ontnemen van leven. Voor de mens van heden zou dit echter, strikt doorgevoerd, betekenen dat hij zich dood zou hongeren en hij zijn eigen leven zou nemen. Waarbij men dus zichzelf doodt, omdat men niet doden wil.
Bezien wij de soldaat, dan moeten wij zeggen: Een soldaat is een ten dele, eigen zelfstandigheid verliezend, deel van een grotere eenheid, gebruikt door en vaak ten nutte van delen van die eenheid, die een groter inzicht of overzicht bezitten dan de soldaat. Als zodanig kan hij niet geheel en volledig aansprakelijk worden gesteld voor hetgeen hij doet, ook wanneer dit soms toch gebeurt.
En dan de generaal. Hij is iemand die als militair de beslissingen van niet militairen gemeenlijk zo tracht uit te voeren, dat zij militair verantwoord blijven. Zijn fout hierbij is veelal dat hij mensen niet werkelijk ziet als mensen, maar eerder als de eenheden die hem ter beschikking staan. In het ergste geval is voor hem het uitvallen van die eenheden, het sterven dus – iets wat wordt uitgedrukt door het wegnemen van een blokje op een afbeelding van het slagveld en het zo veranderen van – zijn probleem. Dit geldt veelal zelfs wanneer hij zelf aan de inzet deelneemt. Een goed generaal zal vaak zichzelf als verloren beschouwen zonder werkelijke noodzaak, alleen maar omdat hij weet dat de eenheid waartoe hij behoort, moet worden opgeofferd binnen het kader van een strategisch plan.
Dan hebben wij de politicus. Hij is iemand die zozeer opgaat in zijn stellingen en illusies, dat hij vaak niet meer in staat is werkelijke situaties, mogelijkheden en noodzaken te overzien. Hierdoor is hij ook vaak geneigd naar geweld als middel te grijpen op ogenblikken dat dit niet werkelijk noodzakelijk is, terwijl hij geweld daarentegen vaak zal vermijden op ogenblikken dat dit, gezien zijn politieke idealen en de heersende toestand reeds onvermijdelijk en noodzakelijk is geworden.
Dan stel ik: de alternatieve maatschappij is, wanneer zij juist is georiënteerd, een groep van mensen, die zich volledig onafhankelijk zoekt en weet te maken van de maatschappij waaruit zij ooit voortkwam en als zodanig zich buiten de maatschappij plaatsende, een eigen vorm van leven en werken tracht op te bouwen. In de verkeerde zin van het woord is het echter vaak de aanduiding voor een groep, die zich onttrekt aan de verplichtingen die in de maatschappij bestaan, maar gelijktijdig van die maatschappij eist dat deze alle kosten, daaruit voortvloeiende, voor haar rekening zal nemen.
Ook sprak ik over de kabouters. Wel, een kabouter is een geheimzinnig wezen, dat voor een kommetje melk vaak de arbeid opknapt, die anderen niet aankunnen of hadden laten liggen. Als zodanig ook in deze tijd: de vaak onzichtbare figuur, die door ingrijpen helpt het schijnbaar onmogelijke mogelijk te maken. En met deze poging tot omschrijving lijkt mij het onderwerp wel uitgeput te zijn, ook al ben ik dit nog lang niet. Hebt u er wat op te zeggen?
Vragen
Hoe werkt de wet van oorzaak en gevolg op een soldaat die doodt?
Ik meen dat hij in de geest zal leren beseffen, en soms reeds eerder, dat het doden niet juist is. Vooral na de dood zal hij eerst moeten beseffen en aanvaarden wat de dood voor de tegenpartij heeft betekent, voor hij verder kan gaan. Vergeet hierbij niet dat er een groot verschil is tussen de oude vorm van strijden, waarbij men man tegen man vocht en zuiver persoonlijke kwaliteiten en vechtlust voor het geheel van het gebeuren eigenlijk beslissend waren, en de moderne oorlog, waarbij je in de verte soms een poppetje ziet, dat je niet eens als mens beseft en dat dan maar neermaait of zelfs schiet op doelen, die je zelf niet kent of ziet op aanwijzing van anderen. Vooral in de laatste gevallen zal, naar ik meen, de ontdekking door de soldaat van het feit, dat al hetgeen hij heeft aangetast levend was, wezen met eigen wensen, angsten en problemen, een schok kunnen betekenen en daarmede een reeks van geestelijke problemen veroorzaken. De ontvluchting aan een dergelijk besef is er vaak de oorzaak voor dat meerdere groepen van soldaten zich als een militaire eenheid gedragende, nog langere tijd in het duister vertoeven. Maar uiteindelijk zullen zij als individuen toch wel moeten aanvaarden, dat hetgeen zij hebben gedaan niet geheel juist was vanuit een geestelijk standpunt. Door deze aanvaarding krijgt men dan de mogelijkheid zich in de sferen verder te ontwikkelen en eventueel weer op aarde te incarneren.
Meent u dat een soldaat die dienst weigert, anderen de kastanjes uit het vuur laat halen?
Ja. Ik vind dat iemand niet zou moeten weigeren om soldaat te worden. Wanneer hij echter dienst weigert als soldaat op een ogenblik dat hij voorziet dat hij eens taken zal moeten vervullen die hij voor zichzelf niet aanvaardbaar acht, zonder dat de zaak actueel of urgent is, kan ik dit ook nog wel waarderen. Maar degene die dienst weigert op het ogenblik dat er een werkelijk gevaar of werkelijke strijd is, schiet mijns inziens tekort, daar hij enerzijds kennelijk de risico’s, verbonden aan dienstweigering, niet wil lopen voordat de risico’s te groot zijn geworden en vreest kennelijk ook in conflict te komen met de overheid, terwijl hij aan de andere kant wel bereid is om op ogenblikken, dat zijn actie of aanwezigheid van belang of noodzakelijk zouden kunnen zijn voor het lijfsbehoud van zijn vrienden, kameraden, medesoldaten, dezen aan hun lot tracht over te laten.
Ik acht daarom dienstweigering tijdens oorlog en tijdens feitelijke acties niet aanvaardbaar, dienstweigering in een leger zonder deze toestanden in wezen nog niet geheel aanvaardbaar, maar te dulden. Ik meen daarom dat de juiste houding, de juiste oplossing, nimmer kan worden gezocht in een dienstweigeren in het leger, maar dient te worden gevonden in de weigering zich voor militaire dienst beschikbaar te stellen. De juiste houding lijkt mij dus het niet deel uit willen maken van een leger, ongeacht de consequenties die hieraan voor het eigen wezen verbonden zijn.
Tijdens de Neurenberg processen heeft men buiten beschouwing gelaten en niet als oorlogsmisdaad gekwalificeerd het doden vanuit de lucht.
Dat is heel begrijpelijk. Door dit te doen zouden de overwinnaars zichzelf eveneens als oorlogsmisdadigers gekwalificeerd hebben. Als u ziet hoeveel steden vanuit de lucht zonder werkelijke militaire noodzaak werden vernietigd in Duitsland en hoeveel burgers daarbij werden gedood, en daarbij mede nagaat wat er gebeurd is in Japan, zult u met mij eens zijn, dat het zeer moeilijk zou worden iemand voor dergelijke daden te veroordelen, terwijl de verdediging onmiddellijk ergere daden van gelijke soort zou kunnen noemen, die door de geallieerden waren begaan. Je kunt moeilijk volhouden dat Duitsers die zoiets doen misdadigers zijn, terwijl de anderen, die hetzelfde of erger doen, helden zijn. Dit is de reden dat men een dergelijke aanklacht niet heeft willen stellen. Bovendien was het gemakkelijk genoeg om tot een veroordeling voor andere oorlogsmisdaden te komen. Indien men iemand met alle geweld wilde veroordelen, hoefde men immers alleen maar te bewijzen dat hij mee had gewerkt aan de concentratiekampen, daarvan op de hoogte was geweest zonder er iets aan te doen enzovoorts, enzovoorts.
Ik ben het met veel in de Neurenberg processen echter niet bepaald eens. Niet omdat degenen die hier of later in Japan veroordeeld werden, juist gehandeld zouden hebben, maar om de doodeenvoudige reden dat zij in vele gevallen veroordeeld werden voor daden, die ook de overwinnaars begaan hebben. Het lijkt mij nu eenmaal niet juist de verliezers als misdadigers te brandmerken voor dingen, waaraan ook de overwinnaars zich schuldig hebben gemaakt en waarvoor dezen vaak vele huldigingen en beloningen in ontvangst mochten nemen.
Het Neurenberg tribunaal was vooral voor het nagaan van hetgeen er in de concentratiekampen is gebeurd erg nuttig. Het heeft de wereld duidelijk doen zien wat er in Duitsland gebeurd is. Maar dit heeft kennelijk niet gevoerd tot een werkelijke rechtvaardigheid en heeft dan ook niet kunnen voorkomen dat soortgelijke dingen in deze dagen nog gebeuren onder duiding of zelfs soms met de stilzwijgende goedkeuring van degenen die zich daar tot rechters hebben opgeworpen. Bovendien zijn degenen die men uiteindelijk op heeft laten draaien, en nog wel op laat draaien, voor hetgeen er in de concentratiekampen is gebeurd, lang niet altijd de grootste schuldigen. Dat waren volgens mij voornamelijk de bedrijven, die bereid waren van de slavenarbeid een zo groot mogelijk nut te trekken en deze in winsten te converteren. Hieraan is volgens mij te weinig bekendheid gegeven, terwijl men kennelijk ook niet bereid was tegen degenen, die op deze wijze zoveel in de hand hebben gewerkt en zelfs door hun vraag naar goedkope arbeid aanleiding waren tot razzia’s en dergelijke, openlijk terecht te doen staan en te veroordelen.
Ten laatste zou ik op willen opmerken dat de mensen die zich voor hun argumenten beroepen op een dergelijk in wezen politieke proces, kennelijk maar weinig inzicht hebben in het mechanisme van oorlog en vrede. Bij een besef van de werkelijke achtergronden en gevaren, die in dergelijke processen wel even op de voorgrond kwamen, zou men in kwesties als Biafra, Angola enzovoorts, enzovoorts, ook anders moeten reageren. Indien u het mij vraagt waren de Neurenbergprocessen in feite processen, gevoerd door een overwinnaar tegen de verliezers, met de bedoeling duidelijk te maken hoe gerechtvaardigd eigen optreden wel was. Pas in de tweede plaats kwam de kwestie van werkelijk recht. Pas in de derde plaats kwam enigszins het bestraffen van de werkelijk schuldigen. Want vele van de industriëlen, die voor een groot deel aansprakelijk waren voor alles wat er in Duitsland is gebeurd, ja, die dit mogelijk hebben gemaakt, kregen onmiddellijk nieuwe mogelijkheden en kansen, zelfs wanneer zij hun rijkdom en welvaart voor het grootste deel te danken hadden aan mensen, die hard moesten werken, terwijl zij crepeerden van de honger en die bij ziekte of zwakte naar de gaskamers verdwenen. Vele mensen van deze soort hebben op het ogenblik hun bedrijven nog, worden nog steeds geëerd en enkelen onder hen hebben op het ogenblik zelfs voordelige fusies aangegaan met dergelijke bedrijven in de USA, Frankrijk of België. Deze mensen zijn nooit bestraft en deze bedrijven zijn ondanks alle mooie woorden nimmer werkelijk ontmanteld. Dit terwijl eenieder na kan gaan hoezeer zij medeaansprakelijk zijn geweest voor de oorlog en zelfs kan begrijpen dat zonder hun medewerking een zo lange voortzetting van de oorlog nimmer mogelijk zou zijn geweest. Zodat ik mij wel afvraag waar dan de rechtsnorm in dit geval is gelegen.
Het is altijd weer de overwinnaar die de geschiedenis schrijft.
Dat is inderdaad altijd weer het geval. Soms denken zelfs twee partijen later, dat zij eigenlijk gewonnen hebben. En indien u wilt weten tot welke eigenaardigheden dit voeren kan, moet u de Spaanse vaderlandse geschiedenis omtrent de 80-jarige oorlog eens vergelijken met die van Nederland. In de Bhagavad Gitta wordt ons probleem ook gesteld in de samenspraken tussen Aroenja en Krishna. Aroenja wil weigeren te strijden met het argument dat aan de andere zijde zijn broeders staan. En het antwoord (van Krishna) komt erop neer, dat het beter is vechtende te sterven wanneer dit je lot is, zolang je maar eerbied hebt voor je tegenstander. Wat erop neer schijnt te komen dat de mens het niet geheel zonder vechten kan stellen, maar dit dan terug dient te brengen tot eerlijk vechten. Ik zou mij voor kunnen stellen dat er bijvoorbeeld oorlog dreigt tussen Rusland en China. Dit is zeker geen verre mogelijkheid, ofschoon de spanning wat af schijnt te nemen door het feit dat de politieke regering het rode leger even een slag voor is geweest.
Ik zou zeggen: Waarom zou men daaraan miljoenen mensen opofferen. Laat men alle generaals en politici samen in een donkere kamer opsluiten. Wie er levend uitkomt, krijgt de kans om te rusten en wordt er weer ingestuurd tot er alleen nog maar mensen van één enkele partij over blijven; die groep heeft dan gewonnen. Een dergelijke procedure zou helpen het aantal bloedige twisten en oorlogen aanmerkelijk te beperken. Het zou bovendien veel minder verliezen aan mensen, goederen en levensbehoeften betekenen. Maar dat zou dan weer ten koste van de wapenindustrie en zo gaan. De legers zijn op het ogenblik degenen die vele bedrijven, die zonder dit al lang failliet zouden zijn, op de been houden. In Nederland is zelfs enige tijd geleden een bedrijf failliet gegaan, omdat het niet langer voor het leger militaire jasjes mocht maken. Misschien moet men het bestaan van legers dus in de huidig maatschappij als een soort economische noodzaak beschouwen, waarbij men de neiging deze legers voor geweld te gebruiken dan maar moet wijten aan de overbevolking, die als een soort lemmingdrang de mensen tot zelfvernietiging schijnt aan te zetten. Mogelijk is dit verschijnsel ook aansprakelijk voor het feit dat in uw eigen land de behoefte aan vrede steeds agressiever verkondigd wordt.
De moeilijkheid is alleen maar de leiders van de beide partijen in de donkere kamer te krijgen.
Wanneer de gewone mensen maar iets verstandiger worden, zullen er voor elke leider, die een dergelijke kamer moet worden ingewerkt, zo nodig 20.000 mensen zijn om ze erin te werken. Het is dus zeker niet onmogelijk. Maar de meeste mensen hebben te veel eerbied of angst voor de gezagsdragers om zoiets te doen en mompelen liever iets als: vader weet het toch beter, of: moeders wil is wet.
Wanneer de eerbied voor het gezag alle gezond verstand uitsluit, krijg je een situatie als eens in Italië, waar op uitspraak van een idioot, kunstwerken en boeken werden verbrand, omdat iemand beweerde dat deze idioot sprak met de stem van God. Nu zegt men dat de mensen toen handelden als dwazen. Maar is het niet even dwaas om één enkele feilbare mens, hoe hij ook moge heten, een absoluut gezag toe te kennen en het recht over de levens en goederen van anderen te beslissen? Vergeet daarbij niet dat een dergelijk iemand fouten kan maken zoveel hij wil, maar er meestal wel in slaagt zich aan de consequenties van zijn fouten te onttrekken. Ik meen dat men, wanneer men er zeker van zou zijn de rekening voor eigen fouten te moeten betalen, wel uit zou kijken. Ofschoon in dat geval alle leden van de Haagse gemeenteraad gedurende de laatste vijftien jaren wel al lang failliet zouden zijn geweest. Zou men weten dat een dergelijke aansprakelijkheid voor eigen beslissingen bestaat, zo zouden heel wat riskante ondernemingen niet zijn begonnen en zouden vele ambitieuze projecten niet zijn aangepakt. Nu beweert men dat dergelijke dingen noodzakelijk zijn voor de vooruitgang. Maar volgens mij is het zo dat naarmate men de vooruitgang vooruithelpt, de menselijkheid achteruitgaat. En dat acht ik onjuist. Voor u zal het de vraag zijn, waaraan u de voorkeur geeft.
Maar ik ga sluiten. Want mensen, zolang men domme apen nog helden noemt, dwazen tot wijzen verheft en de haaien onder jullie nog steeds worden voorgesteld als de redders van het Vaderland, heeft het weinig zin door te gaan. Ik heb het mijne wel gezegd. De meeste onderwerpen die de mensen interesseren, zijn onderwerpen die slechts zeer indirect met de essentiële problemen van het menselijke leven te maken hebben. Want de essentiële problemen durft de doorsneemens niet direct te benaderen, zodat hij deze, waar hij maar kan, zal ontwijken. Het antwoord op vele vragen, zelfs op de vraag of God nu wreed is of niet, zijn te vinden in de erkenning van hetgeen je zelf bent. De mens die zichzelf voldoende leert kennen, leert zijn wereld begrijpen en zo ook het goddelijke plan beter beseffen. Maar ja, de meeste mensen zijn eigenlijk bang dat zij, bij een te eerlijk zelfonderzoek te veel minder flatteuze dingen omtrent zichzelf zullen ontdekken.
En nu werkelijk ten laatste: het is altijd onplezierig wanneer er iets ontluisterd wordt. De meeste mensen luisteren daarom liever niet goed, wanneer er iets ontluisterd dreigt te worden. Daardoor ontluisteren zij echter de waarheid, die zij pretenderen te zoeken en zeggen bovenal te willen dienen. Wie de waarheid werkelijk dient en zoekt, zal zich niet bezig mogen houden met de gebruikelijke sentimenten, de verdedigingen en rechtvaardigingen. Hij zal zich met de feiten bezig moeten houden en daaruit zonder meer de conclusies moeten trekken in overeenstemming met eigen besef en wezen. Wat betekent dat vele dingen, die door de meesten als aanvaardbaar en te tolereren worden beschouwd, in feite dit niet zijn, ook volgens hun eigen besef, ofschoon zij dit laatste weigeren toe te geven. Terwijl omgekeerd vele dingen niet te tolereren worden genoemd, door mensen die dit zeker niet zo aanvoelen en zich in stilte vaak met het gewraakte bezig zullen houden.
De conclusie is, mijns inziens, duidelijk. Het probleem dat u mij hebt gesteld, was geen werkelijk probleem. Het probleem ligt niet in het feit dat een soldaat doodt, maar in het feit dat er soldaten zijn. Het probleem ligt niet in de noodzaak een staat of stellingen te verdedigen, maar in het feit dat de mensen anderen dwang op willen leggen, omdat zijzelf niet in staat zijn zichzelf te worden en te blijven, ook ten koste van alle offers die zij nu van anderen vergen. Erken de waarheid van deze punten en misschien kunt u de meeste andere problemen die u hebt, vandaaruit dan zelf wel op lossen.
Esoterie: De betekenis van de Logos
Ook in dit tweede deel van de bijeenkomst mag u het onderwerp bepalen, mits u daarbij met een enkele beperking rekening houdt: het onderwerp moet van geestelijke aard zijn.
Wilt u het over de betekenis van de logos hebben?
Dat is in ieder geval een mooi abstract onderwerp om vanuit te gaan.
Logos. Wat is logos? Men zegt ‘de logos’ voor datgene wat de eerste rede, de eerste organisatie, de eerste zin van het zijnde is. Het is moeilijk te oordelen over de betekenis daarvan. Wanneer wij geconfronteerd worden met de wetten en krachten van de natuur, de kracht misschien, die alles schiep en alles zo mooi schijnt te regelen, kunnen wij deze werkingen natuurlijk personifiëren. Wij kunnen ook proberen hen als abstracties te beschouwen, die waarschijnlijk worden gemaakt door het gekende. Maar hoe wij hen ook benaderen, wij komen altijd weer aan een grens en kunnen niet zien hoe zij eigenlijk zijn en werken.
Een mens die op aarde leeft, kan conclusies trekken omtrent de krachten en wetten zoals zij op de eigen wereld werkzaam zijn. Het is dan ook geen toeval dat als symbool van de logos vroeger vaak de zon werd gebruikt. De zon was de zetel van de voornaamste godheid, de bron van alle krachten, maar ook de macht die alles weer kan vernietigen. Onjuist is een dergelijke stelling, gezien vanuit de aarde, eigenlijk niet. Maar wanneer wij een logos willen zien, die ook de sterren geschapen heeft, wordt het al moeilijker om logisch te zijn. Zeker wanneer je de sterren beschouwt als lampjes, die door engeltjes aan de hemel worden opgehangen, of gevat in sferen die rond de aarde liggen, kun je nog steeds de zon als zonder meer scheppend principe nemen, daar het dan nog aannemelijk is dat zij alles beheerst en bezielt. Maar op het ogenblik dat wij weten dat de sterren eigenlijk zonnen zijn en dat de aarde maar een heel klein planeetje is dat rond een onbelangrijke zon wervelt, is het veel moeilijker nog een zon als godssymbool te zien. Zij is dan voor de wetende mens zelfs geen redelijk beeld meer van een schepper, een logos. Je gaat je dan afvragen: zijn al die dingen, die wij menen te weten en waarvan wij nog steeds beweren zeker te zijn, wel zulke grote zekerheden?
Wij spreken bijvoorbeeld over oorzaak en gevolg. Op aarde zal men geneigd zijn dan te stellen dat een bepaalde oorzaak een bepaald gevolg heeft. Maar bezie je diezelfde wet in een meer kosmisch verband, dan blijkt er op deze wijze eigenlijk geheel niet van oorzaak en gevolg gesproken te kunnen worden, daar er geen sprake is van een vaste relatie tussen oorzaak en gevolg, maar er eerder kan worden gesproken van een voortdurend zichzelf herstellend evenwicht.
Je kunt op aarde begrippen over harmonie opbouwen. Bezie je die harmonie echter meer kosmisch, zo blijkt dat de werkelijke harmonie, vele volgens ons disharmonische waarden mede omvat en dat er dingen zijn die voor ons alleen maar onpassend lijken, die dissonaten in de werkelijkheid schijnen te zijn, terwijl zij in het geheel wel degelijk een plaats hebben.
Daarom wordt het voor mij verduveld moeilijk over de logos iets zinnigs te zeggen. Er zijn wel reeksen van systemen, waarbij men geprobeerd heeft God en de indeling van de goddelijke wereld, zowel als van de schepping, te bepalen. Zoals de meesten van mijn broeders ben ik vooral geporteerd voor de stelling die uitgaat van het feit dat God ergens een werkelijkheid is, waarbij de goddelijke gedachte een golving vormt binnen die werkelijkheid, waartoe wij in de stoffelijke- en vormwerelden niet behoren. Onze vormen, besefsmogelijkheden, ja, ons wezen zoals wij dit kunnen erkennen, zijn hierbij niets meer dan een reflectie van hetgeen er in de werkelijkheid gebeurt. Voor ons is deze stelling attractief, omdat wij weten dat wij de werkelijkheid, de ware feiten, niet zien. Wij zien niet, wat er werkelijk is, en zien ten hoogste een zeer klein deel van die werkelijkheid.
Of wij de logos enzovoorts, nu vanuit de geest of vanuit de stof benaderen, het feit blijft bestaan: wij hebben wel een voorstelling, maar wij weten te weinig. Wij stellen ons God voor als een persoonlijkheid. Maar is God wel een persoonlijkheid in de zin, waarin wij dit begrip hanteren? Wij kunnen ons die god niet anders voorstellen, denkend aan hem als iets wat op ons lijkt.
Niet voor niets zegt men dat God de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis. Dit is iets wat wij ons voor kunnen stellen, omdat de menselijke vorm voor ons het hoogste is wat wij ons op de planeet voor kunnen stellen. Toch zou men, gesteld dat het gezegde juist is, zich af kunnen vragen of de termen ‘beeld en gelijkenis’ niet op geheel iets anders slaan, als bijvoorbeeld het vermogen tot denken, het vermogen tot veranderen. Zou niet de kwestie van geheugen en overzicht over meer dan het heden in de tijd een belangrijk deel van die gelijkenis zijn?
Uit de aard van de zaak is dit een speculatief onderwerp. Maar waarom ook niet? Wij zijn immers allen geneigd om te speculeren over mogelijkheden, wij zijn allen geneigd een verklaring te zoeken, die ons bevredigt? Maar als je dan al die verklaringen bijeen neemt en eerlijk beziet, kom je weer tot dezelfde conclusie: wij kennen dingen een betekenis toe, omdat zij voor ons het leven aanvaardbaar maken, omdat zij een verklaring vormen – met een mooi woord: een rationalisatie – voor alles wat wij willen zien als waar en willen beleven.
Voor u is meestal ook het leven na de dood zoiets. Voor de meeste mensen is het een rationalisatie van de wensen die men kent, omdat men er geen vrede mee heeft slechts een kort ogenblik op aarde te bestaan en daarna uitgeblust te zijn. Dan heeft men behoefte aan iets, wat het leven verder betekenis geeft, waarin je voort kunt leven. Of je nu zegt dat dit gebeurt in je nageslacht of zegt dat er een bepaalde vorm van voortbestaan in persoonlijke vorm is, in wezen is de aanhankelijkheid aan dergelijke stellingen en de weigering dezen logisch en kritisch te bezien niets anders dan een poging om aan de dood te ontkomen.
Misschien denkt u nu dat dit met de logos eigenlijk niets te maken heeft. Misschien niet direct, maar het probleem ligt ook hier precies gelijk. Wij stellen iets als een werkelijkheid, zonder er zeker van te zijn dat het werkelijk bestaat, dat het werkelijk zo is. Voor mij is leven na de dood een feit. Ik heb ervaren dat het bestaat, ik leef na de stoffelijke dood voort. Maar voor de meesten onder u is dit een kwestie van geloven of zelfs in feite alleen maar van hopen. En als je dan eerlijk wilt zijn, zul je moeten toegeven: wanneer ik al zo weinig weet omtrent mijn eigen bestaan, dan kan ik mij niet vermeten de logos wél te willen kennen als een werkelijk wezen met alle werkelijke eigenschappen daarvan. En toch zul je eerst dit alles moeten kennen om de betekenis van de logos te kunnen erkennen.
Maar misschien meent u dat ons dit niet verder brengt. Nemen wij dan een ander denksysteem onder handen, waarbij men niet meer spreekt over de logos als de schepper van het gehele Al, maar over logoï, de denkers, die voortbrengen. Onze ene God valt dan als het ware uiteen in vele kleine goden. Dan kunnen wij ons voorstellen dat er inderdaad een logos voor de wereld is, een kracht, die mogelijk inderdaad in de zon zetelt of die de sfeer van energie is waarbinnen dit zonnestelsel zich wentelt en draait. Maar zelfs dan nog: wat weet ik ervan? Wat kan ik zeggen omtrent de werkelijkheid? Eerst wanneer je in de geest bent, maak je kennis met de menselijk nog niet kenbare krachten van het bestaan. Daaronder zijn hoge machten en geesten en wezens, die je niet zonder meer kunt beschrijven en aanduiden, omdat zij zover afwijken van alles wat voor een mens voorstelbaar is.
Maar kom je zelfs daarmede tot een oplossing? Ik heb zo het gevoel dat, wanneer wij zeggen ‘de logos’, wij maar een rang toekennen aan iets wat wij niet kennen. Zoals ik meen dat, wanneer wij vanuit en in de geest over God spreken als een volkomen realiteit, wij bewust of onbewust aannemen dat de werkelijkheid die wij poneren – stellen – zal moeten bestaan, omdat wij ons het ‘zijn’ niet anders in kunnen denken.
Er bestaan in het leven zo weinig zekerheden, weet u. Je kunt de dingen wel een naam geven, maar daarmede verander je hun waarde en beheersbaarheid of kenbaarheid niet werkelijk. Je kunt alles rangschikken en daarbij aan alle delen een rang toekennen. Maar daarmede verander je niets aan de werkelijkheid. De werkelijkheid is voor mij deze: Ik besta. In mijn bestaan kom ik tot de erkenning van een hogere kracht. Deze hogere kracht, wie of wat zij ook moge zijn, is de beperking van mijn mogelijkheden.
Ik leef dus binnen een omlijsting, een kader, en aan dat kader ken ik persoonlijkheid toe, omdat voor mij de wetten, de toestanden, de mogelijkheden, die voor mij bestaan, hieruit voortvloeien. Ik weet niet eens of dit kader een feitelijk kader is, of deze mij beperkende lijst wel werkelijk bestaat. Zij kan namelijk ook nog voor mij alleen bestaan als een soort gezichtsbedrog, dat voortkomt uit mijn beperkte mogelijkheid tot erkennen, denken en waarnemen. Er zijn dingen die ik niet kan verwerken of beseffen en die noem ik dan maar logos, God, Schepper.
Ik moet dan spreken. Maar als ik spreek: wie luistert? Ik zeg wel: God hoort mij, maar wanneer mijn spreken noodzakelijk is opdat God mij zal horen, is die god een beperkt wezen net als ik. Anders zou ik immers niets voor die god geheim kunnen houden en zou mijn spreken geen noodzaak zijn, omdat Hij reeds eerder dan ikzelf zal weten wat ik zal willen zeggen, wat ik ga ervaren enzovoorts.
Op het ogenblik dat ik aanvaard, dat ik moet bidden, tot mijn God moet spreken om een antwoord te krijgen, aanbid ik dus eigenlijk al een god, die niet meer beantwoordt aan het theoretische beeld dat ik mij van die god gemaakt heb. Je kunt menen dat het gebed beantwoord wordt. En zelfs wanneer het voorgaande argument u heeft getroffen, kunt u nog altijd ontkomen aan de consequentie dat bidden overbodig is, door te stellen: maar er is een deel van God, een logos, die misschien beperkter is dan de werkelijke God, maar die mij beantwoorden zal en zo het voor mij kenbare deel van mijn God is. Maar misschien is hetgeen ik ‘het antwoord Gods’ noem, alleen maar een echo die tot mij terugkeert uit de ledige ruimte. Wie zal het zeggen?
Het is uitermate moeilijk je een redelijk nauwkeurig beeld te vormen van een bestaande werkelijkheid. Hoeveel moeilijker zal het dan niet zijn je een redelijk aanvaardbaar beeld te vormen van niet onmiddellijk kenbare delen van een mogelijke werkelijkheid, een beeld dat je ook kritisch en zonder vooroordeel kunt bezien?
Vele mensen zullen hierop antwoorden, dat je toch ergens vanuit moet gaan. Zij hebben volkomen gelijk. Daarom zeggen wij bijvoorbeeld: Er is één God. Maar daar die God volgens ons een alomvattende eenheid moet zijn, zeggen wij weer niet: er is ook één duivel. Wij stellen: er is één God – al kunnen wij dit niet bewijzen. En alles wat bestaat is uiteindelijk slechts een verschijningsvorm van die God. Wat dus mogelijk in de ogen van anderen de duivel is, is voor ons alleen maar een deel van God. Wat volgens anderen de geopenbaarde God is, is voor ons alleen maar een deel van God. Wij onderscheiden de delen wel van elkaar aan de hand van de functie die zij ons schijnen te hebben, maar blijven beseffen dat zij wel voor ons, maar niet in wezen verschillen.
Mogelijk hebben wij daarmede gelijk, zelfs wanneer wij stellen: er ís één Schepper. Maar wij laten daarop dan onmiddellijk volgen dat dit volgens ons geen ruimtelijk wezen kan zijn. Wij betwijfelen zelfs of het de ruimte voortbrengt, omdat dan onmiddellijk weer de vraag rijst: waarin? Mogelijk wilt u stellen dat God de ruimte schept. Maar waarin dan? In zichzelf? Maar dan is God ook ruimtelijk. Waarin bestaat God dan? U ziet het: het is moeilijk. Met al je geloven kom je alleen tot zekerheden, wanneer je weigert de consequenties van hetgeen je hebt aanvaard en zegt te geloven onder ogen te zien.
De uitvlucht die voor een dergelijk verder nagaan van de geloofswaarden wordt gehanteerd, is dan veelal iets als ‘de onaantastbaarheid van het woord in het heilige boek’, de nog voor eenieder verborgen delen van de occulte lering die, wanneer zij uiteindelijk onthuld worden, alle leringen zullen bevestigen op controleerbare wijze, enzovoorts. Maar zelfs dergelijke heilige boeken en geheime leringen komen tot ons middels de mensen. Ondanks wat zij daarover vertellen, meen ik dat alleen reeds het feit dat het ons door mensen wordt overgeleverd of gegeven, ons reeds het recht geeft alles kritisch te bezien. Ik stel dat wij nimmer verplicht zijn wat dan ook zonder meer te aanvaarden. Wij zullen er altijd over na mogen denken en ons een eigen oordeel mogen vormen. Dit betekent dat wij ook vragen kunnen formuleren en deze dan ook zonder meer mogen stellen.
Mogelijk is onze belangrijkste functie tegenover een gestelde logos wel de mogelijkheid om vragen te stellen. Ons vermogen om na te denken dus ook. Maar dat betekent dat wij er niet klaar mee zijn wanneer wij eenvoudigweg beweren: de betekenis van de logos is deze of gene. Dan moeten wij in feite zeggen: de beleving die ik heb van de veronderstelde logos impliceert voor mij… Wat heel iets anders is dan het stellen van iets als een onaantastbare waarheid, zonder dat men daarvoor bewijzen kan aanvoeren. Daarmede wil ik niet zeggen dat je niet mag geloven. Het betekent niet dat je over dergelijke dingen maar liever niet na moet denken. Ik wil alleen maar duidelijk maken dat je de dingen anders moet benaderen.
Wanneer ik het gevoel heb dat er een zekere kracht bestaat en dat die kracht werkzaam is, is die kracht voor mij een werkelijkheid en kan ik daaraan waarschijnlijk ook voor mijzelf krachten ontlenen. Maar dat is niet voldoende. Ik zal mij ook af dienen te vragen in hoeverre en op welke wijze die kracht buiten mij bestaat en voor anderen kenbaar is. Zelfs al is het moeilijk je daarover een concreet en geheel juist oordeel te vormen.
Er zijn mensen die spreken over Gods’ genade en er zijn kennelijk mensen die die genade ervaren. Best. Maar het zou suggestie of zelfsuggestie kunnen zijn. Daarom vraag ik mij onmiddellijk af: op welke wijze zoal is die genade ook kenbaar buiten de mensen? Want zolang iets dergelijks in de mens is, onttrekt het zich in wezen aan elke beoordeling. Wij kunnen dan niet stellen dat de genade stamt van hier en dat en dat is. Dan kunnen wij alleen terecht stellen dat er onder bepaalde omstandigheden iets in een mens gebeurt, zonder daarbij zelfs maar uit te kunnen maken of het een door velen gedeelde illusie is of een werkelijkheid. Juist de onvatbaarheid van al dergelijke dingen maakt het zo moeilijk daarover redelijk te blijven spreken en toch nog uiting te geven aan hetgeen wij misschien in onszelf menen gevonden te hebben, of wat wij als noodzaak gevoelen.
Wij moeten steeds weer voor ogen houden dat onze omschrijvingen van God, de wil van God, de logos, de kracht, die volgens ons misschien in de aarde of elders woont, in feite niets anders is dan een betrekkelijk willekeurige omschrijving van het onbekende, al dan niet aangepast aan bepaalde op aarde heersende tradities.
Als u het mij vraagt, is voor ons en zeker voor de mens de zogenaamde grotere werkelijkheid of waarheid niet veel meer dan een witte muur, waarvan wij niet houden. Daarom kladderen of schilderen wij er maar wat op, wat volgens ons werkelijk is. Maar wanneer wij er bijvoorbeeld een landschap op tekenen, zo zeggen wij: Het is natuurlijk wel een muur, maar er komt een ogenblik dat het geen muur meer zal zijn. Dan is het landschap de waarheid. En vergeten dan maar liever dat wij degenen zijn geweest, die eerst het landschap hebben getekend. Zoals wij maar liever vergeten dat wij niet werkelijk weten of kunnen weten wat zich achter die muur verbergt.
Je moet uit de erkenning van je onvermogen om over God, logos en dergelijke waarlijk zinvol te spreken komen tot de voorlopige aanvaarding van een voor jou innerlijk noodzakelijke omschrijving, waarvan je wel weet dat zij de waarheid niet werkelijk dekt. Wanneer je daarover praat, weet je dat het niet de kosmische wetten of de scheppende krachten zelf zijn waarover je spreekt.
Maar je weet wel: dit is de verklaring die ík nodig heb om alles te kunnen aanvaarden. Wanneer je dus meer beseft, zal ook de verklaring het beeld van God, mee kunnen evolueren, de logos een nieuwe betekenis krijgen en ook de wereld van de geest voor jou een geheel nieuwe inhoud krijgen. Wanneer je echter de betekenis en inhoud van dergelijke dingen vast wilt gaan leggen, zo heb ik het gevoel dat men daarmede ook de eigen ontwikkeling stil legt.
Naar ik meen is het eerst noodzakelijk de beperktheid van alle eigen weten en geloof toe te geven. Dan pas kun je groeien. Ik meen dat degene die leert aan de hand van zijn ervaringen, steeds weer opnieuw geloof en weten in overeenstemming te brengen, er beter aan toe is dan degene, die begint met “in den beginne was het woord enzovoorts” en hier stelt: dit is letterlijk waar, mag niet geïnterpreteerd worden of dient in uitleg gebonden te zijn aan een gezag. Want die mens zit ergens aan vast. Zolang wij ons af durven vragen wat de zin, de betekenis is van dergelijke dingen voor ons zijn, kunnen wij zelf denken en verder komen.
Dan is het mogelijk de Bijbel na te gaan en al die andere geschriften en voorstellingen en kun je misschien meer leren. Ook dan dien je echter steeds weer te beseffen dat je het onbekende probeert te omschrijven. Zelfs wanneer je in volle overtuiging kunt stellen dat God zus of zo is, blijft zoveel onbekend, dat het bekende niet als werkelijke omschrijving of definitie kan dienen, maar slechts een onvolkomen aanduiding blijft.
Vergelijk: er is een dame met vele gaven, goede en slechte kanten, bezittingen en belangen. Je kunt haar toch niet werkelijk omschrijven en kennen wanneer je moet volstaan met de observatie: zij houdt van theedrinken en zij danst. Zou ik dat proberen te doen tegenover anderen, dan zouden zij mij uitlachen, zelfs wanneer ik om het mooier te maken allerhande speculaties zou gebruiken omtrent wat zij misschien nog meer zou zijn. Men zou zeggen: “Leuk, maar is het wel waar? En wat nog meer?” Maar zeggen diezelfde mensen: God is almachtig, liefdevol, rechtvaardig enzovoorts, dan zeggen zij onmiddellijk: ja, dat is het. Dat is God. En dit terwijl zij niet eens weten wat de termen almachtig, liefdevol enzovoorts in dit verband eigenlijk impliceren.
Toch vraagt u mij de betekenis van de logos voor u te bespreken? Wij in de sferen, weten genoeg om te beseffen dat het niet mogelijk is de betekenis van de werkelijke waarde van de logos ook maar enigszins voldoende te omschrijven. Er zijn vele dingen waarin ook wij geloven. De Christus bijvoorbeeld en de goddelijke liefdeskracht die, naar ik meen, overal is gemanifesteerd. Ik meen dat deze dingen werkelijk zijn, omdat ik in en rond mijzelf de werkingen daarvan meen te constateren. Maar de betekenis van dit alles, de werkelijke betekenis, kan ik u niet geven. Ik zal altijd weer bij een persoonlijke mening moeten blijven staan.
Daarom gaf ik mijn betoog deze opzet en inhoud. Ik hoop dat het u zal helpen ook in zaken van geloof, vrijer te denken en zo bewuster te worden van uw eigen werkelijkheid op ook dit terrein.
