Hemelvaart

image_pdf

8 mei 1964

Allereerst wijs ik erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. De indeling van de avond is voor heden als volgt: wij beginnen met een onderwerpje dat u zelf mag stellen. Indien er tijd blijft, zullen wij daarna vragen beantwoorden. Het tweede deel zal geheel aan uw vragen zijn gewijd. Dit alles volgens uw verzoek. Wat kiest u als onderwerp?

Hemelvaart

Men herdenkt op deze dag met wandelingen, kermissen en theatervoorstellingen, plus enkele kerkelijke bijkomstigheden, het feit dat Jezus van de aarde is opgestegen naar de hemelen, waar Hij, zoals verluid, nu: “aan de rechterhand des Vaders is gezeten”. Als geloofspunt is dit fraai. Maar wanneer je dit verhaal zo maar hoort, rijzen er toch wel vragen.

Een van de eerste vragen die ik persoonlijk zou stellen, zou luiden: Is dit nu een sprookje? Of is het waar? Ik zal trachten om, zover mij dit mogelijk is, hierop een antwoord te geven.

Wanneer wij op een gegeven ogenblik moeten stellen dat Jezus opgestegen is, naar boven toe, zo naar de hemel, zo zou dit een geval zijn van het verschijnsel dat wij kennen als levitatie. Maar levitatie zonder meer lijkt mij, ondanks alle geloof en met levitatie verwante afbeeldingen, toch niet de juiste verklaring. Het lichaam kan zich dan wel boven de aarde verheffen, maar waar blijft het? Dat de hemel begint waar de wolken ophouden, is een reeds lang achterhaalde stelling, nietwaar? Het lijkt mij niet redelijk aan te nemen, dat zo iets dus zou zijn gebeurd. Aan de andere kant wordt ons nadrukkelijk in de evangeliën verteld dat zo iets is geschied. Een wij moeten dus wel aannemen dat er althans iets van waar is.

Let wel, het is niet de eerste maal dat in deze evangeliën iets dergelijks beschreven wordt. Ook voordien horen wij reeds over de verheerlijking van Jezus op de berg Thabor. In dit geval kunnen wij een verklaring vinden voor het verschijnsel, ook al is niet de gehele verklaring zonder meer aanvaardbaar: Jezus zondert zich af van de mensen rond Hem, wordt door een sterke lichtglans omgeven en verheft zich boven de aarde. Over dergelijke verschijnselen horen wij elders meer. Dit klinkt bekend. Het blijkt volgens vele verklaringen hoofdzakelijk voor te komen bij doodgewone mensen en heiligen – die doodgewone mensen zijn met een bijzonder stempel van goedkeuring – wanneer zij in bijzondere meditatie verzonken zijn, of in een toestand van verrukking verkeren. Dit verschijnsel moet wel een zeer grote indruk op de aanwezigen gemaakt hebben. Nu vertellen zij, dat Jezus gedurende dit verschijnsel in de lucht sprak met Mozes en Abraham, die zich aan zijn linker en rechter zijde manifesteerden.

Juist dit laatste – waarvan wij elders geen voorbeelden vinden – brengt mij hier tot de vraag, of de leerlingen dit nu wel werkelijk goed gezien hebben. Volgens hun eigen verklaringen werd Jezus omhuld door een “verblindend licht”, iets wat een scherpe en objectieve waarneming zelfs bij mensen, die niet onder de indruk zijn, zeer zou bemoeilijken. Abraham en Mozes zijn verder de groten van het joodse volk. De stamvader en de wetgever. Nu kan ik mij voorstellen, dat een eenvoudig mens, die opeens de uitstraling van een aura sterker ziet worden en een lichaam werkelijk of schijnbaar van aard ziet veranderen, later meent meer gezien te hebben dan er waarneembaar was. Een getuige van een gebeurtenis is in deze dagen maar zelden geheel betrouwbaar in zijn waarnemingen, zelfs wanneer het meer alledaagse onderwerpen betreft. Vaak blijkt dat de getuige niet alleen het gebeuren ziet, maar tevens zijn eigen interpretatie van het geheel meent gezien te hebben, wanneer hij later zijn waarnemingen weer moet geven.

De leerlingen van Jezus, die die verheerlijking hebben gadegeslagen, zijn joden. Voor hen is Jezus de Messias, de bekroning van het Jodendom, de vervulling van de beloften der profeten, de vervulling van de belofte die reeds aan Abraham gedaan is en herhaald werd aan David. Daarom is het niet zo vreemd dat in hun mening twee andere figuren mede verschenen zijn. Ook al was dit niet werkelijk het geval. Misschien vraagt u zich af, waarom ik hierop inga. Ik doe dit om duidelijk te maken, hoe ik de getuigen zie: als mensen, die iets gadeslaan dat wel degelijk gebeurt, maar dit vanuit een emotie, een persoonlijk gevoel, ondergaan, en juist hierdoor reeds niet meer kunnen worden aangemerkt als objectieve, onbevooroordeelde waarnemers.

Nu ik zo een mogelijkheid heb belicht aan de hand van de verheerlijking op de berg Thabor, wil ik nog enkele andere feiten gaan noemen. Het is altijd goed om meerdere feiten na te gaan en enigszins volledig te zijn, wanneer men een oordeel moet geven over een verwant verschijnsel. Nu blijkt in verband met het vorige verder, dat:

  1. Jezus na zijn dood vele malen verschijnt, zonder dat men weet hoe Hij komt of gaat. Verschillende malen merkt men op, dat Hij opeens te midden van zijn leerlingen is. Zeker wat betreft de eerste verschijning en de tweede verschijning in Jeruzalem stelt men, dat Jezus in een afgesloten ruimte te midden van de leerlingen verschijnt, terwijl Hij niet door deuren of vensters komt. In het eerste geval zijn deze trouwens, zoals nadrukkelijk vermeld wordt, zorgzaam gesloten en gegrendeld. Dit is een verschijnsel, dat wij ook weer terug vinden in het occultisme, terwijl een verslag van dergelijke verschijnselen – ofschoon van iets andere en meer beperkte aard – voorkomt in de beschrijving van de proeven, die men indertijd met het medium David Home heeft genomen. In het laatste geval was sprake van een dubbel. Dan kan een lichaam, dat niet geheel materie is, zich dus manifesteren op een dergelijke wijze. In wezen is er dan eerder sprake van een soort materialisatie op een bepaalde plaats, dan van een transport, een verplaatsing.
  2. Ook andere delen van de evangeliën die handelen over Jezus optreden na diens dood, houden zich bezig met soortgelijke eigenaardige verschijnselen. Jezus komt, zonder dat men Hem ziet komen, en gaat, zonder dat men weet hoe of waarheen. Dit gebeurt onder meer aan het meer van Tiberias, wanneer hij verschijnt aan en spreekt met de leerlingen, waarbij naar men zegt door hem Simon, voortaan Petrus te noemen, als leider van de apostelschaar wordt aangesteld.

Mag ik op grond van dit alles misschien aannemen, dat Jezus’ lichamelijke structuur niet die van een normaal stoffelijke mens is geweest in de periode van zijn verschijnen na zijn dood? Mij lijkt dit een zeer aannemelijke stelling, terwijl ik voor deze verschijnselen geen andere, eenvoudiger en meer logische verklaring kan geven die alle gemelde feiten dekt.

Kort en goed: Jezus’ dood op zich – ongeacht het goddelijke, dat al dan niet reeds vóór zijn dood in Hem aanwezig zou zijn – brengt de mens voor een reeks van conflicten, die met de hoogste begrippen van inwijding minstens gelijk te stellen zijn.

Jezus zijn gehele wezen verandert. Hiervoor zijn reeds eerder aanduidingen te vinden. Zijn wanhoop, vóór Hij zich laat arresteren. Zijn vreemde beheersing en optreden tijdens de processen, zijn wonderlijke houding tijdens de kruisiging, wanneer zijn intense bemoeienis met het welzijn van anderen op momenten van grootste pijnen wel zeer opvallend genoemd mag worden. Zijn lichaam wordt dood – of schijndood, zoals de islam zegt – van het kruis afgenomen en begraven. Het gesloten graf, dat alleen door meerdere mensen met hulpmiddelen geopend kan worden, is ondanks de aanwezige Romeinse wacht, opeens open, het lichaam is verdwenen.

Ook hier ben ik geneigd de beschrijvers – die eigenlijk niet werkelijk waarnemers zijn en van de waarnemers ongetwijfeld geen werkelijk verslag gehoord zullen hebben – van overdrijving en zeer subjectieve berichtgeving te verdenken. Maar het feit blijft bestaan, dat het lichaam is verdwenen. Zelfs indien wij de schijndoodtheorie aannemen, zo is het niet denkbaar dat iemand, wiens lichaam zoveel heeft geleden, na enige dagen reeds in staat zou zijn met de bekwaamheid van een superinbreker zich onder de ogen van alle aanwezigen onbemerkt toegang te verschaffen tot gesloten plaatsen.

Ook het afleggen van de toch betrekkelijk grote afstanden in Galilea – waar wij immers ook van verschillende verschijningen horen – lijkt mij hier onmogelijk. Iemand die uren aan een kruis heeft gehangen, na voorafgaande mishandelingen, dan met een speer werd doorboord, zal – zelfs in geval van schijndood en de hulp van de meest bekwame artsen wel meerdere maanden nodig hebben om zich weer normaal en vlug te kunnen bewegen. Gezien het optreden drie dagen na de “dood”, de wandeling met de Emmaüsgangers enz., is hiervan echter geen sprake.

Tenzij wij de gehele Jezus naar het rijk der fabelen willen verwijzen – en dit is m.i. niet mogelijk – moeten wij dus stellen: Jezus heeft tijdens en na zijn dood een zodanige geestelijke verandering ondergaan – ik spreek van de “menselijke geest” en laat de mogelijke goddelijke geest, die daarachter schuil zou gaan, buiten beschouwing – dat hierdoor het lichaam als geheel kon worden opgewekt, maar daarbij niet meer de samengang en het trillingsgetal van normale stoffelijke voertuigen kon bezitten, zodat het ook niet meer hoefde te beantwoorden aan de voor normale lichamen geldende stoffelijke en ruimtelijke wetten. Ofwel, ik meen, dat Jezus’ lichaam na zijn herrijzenis niet meer als zuiver materieel kan worden gezien. Het lichaam dat werd waargenomen, was zeer waarschijnlijk inderdaad opgebouwd uit de materie van het stoffelijk overschot. Hoe dit gebeurd is, weten wij niet, ofschoon zeer waarschijnlijke theorieën hierover bestaan.

Stel nu, dat Jezus na zijn dood leeft in een toestand, waarin Hij in feite behoort tot een hogere geestelijke wereld, maar dat Hij gelijktijdig bijna permanent in de stoffelijke wereld aanwezig is. Dit laatste was, gezien de houding en gevoelens van zijn leerlingen, wel noodzakelijk, maar moet dan voor Hem een groot offer en een grote inspanning geweest zijn. Dit gesteld hebbende, kunnen wij al deze eigenaardige verschijnselen gemakkelijk verklaren en begrijpen: een lichaam, dat niet gebonden is aan de materiële wetten en in wezen geen materie meer is in de werkelijke en algemeen gangbare zin van het woord, kan met de snelheid van de gedachten worden afgebroken, geprojecteerd naar een ander besef van plaats en daar weer worden opgebouwd. Een dergelijk lichaam zal ongetwijfeld in contact met het hogere of bij een tijdelijk wegvallen van de beperkingen aan het werkelijke wezen daarvan opgelegd, verschijnselen als sterke uitstralingen van “licht” en levitatieverschijnselen, kunnen vertonen. Een dergelijk voertuig zou misschien ook na volbrachte taak, zich langzaam maar zeker kunnen veranderen, tot het zijn werkelijke geaardheid terugvindt. Dat zal wel iets geweest zijn, wat vanuit menselijk standpunt verblindend licht of onzienbaar is.

Waarmede wij dicht bij een redelijk antwoord op de door mij gestelde vraag zijn gekomen. Het denkbeeld, dat Jezus naar de hemelkoepel omhoog zou zijn gerezen, zoals dit op vrome schilderijen vaak wordt weergegeven, is niet aanvaardbaar. Ik meen dat het werkelijke gebeuren iets anders is geweest. Het langzaam maar zeker vergroten van het trillingsgetal – en mogelijk ook van de omvang – van het voertuig als gevolg van een niet meer afdempen of afremmen van het werkelijke en hogere bestaan, dat daarin geuit was. Jezus verdwijnt wel, maar niet naar boven. Eerder verdwijnt hij in een soort vierde dimensie: Hij wordt nevelig vaag, er is lucht, dan veel licht, dan ook geen licht meer. Wanneer iemand mij zou zeggen: zo is het gebeurd, dan zou ik antwoorden: Ja, volgens mijn ervaren van stoffelijke en geestelijke wereld is dit niet onmogelijk. Dit geloof ik ten volle.

Er blijft echter nog een tweede vraag: Had deze hemelvaart dan nog een bijzonder doel? Waarom vond zij plaats in bijzijn van leerlingen?

De leerlingen van Jezus zijn, zoals uit vele punten van het evangelie blijkt – na Jezus’ dood, kort voor het pinksterfeest en dergelijke – op zijn minst bang of weekhartig. Na alle wonderen en zelfs de herrijzenis blijft nog steeds de kans bestaan dat zij Jezus zullen verloochenen. Indien er tenminste niet iets buitengewoons is, dat hen niet slechts aan de Meester persoonlijk, maar ook aan zijn leer bindt. Het buitengewone wat de leerlingen in de eerste plaats wel bindt aan Jezus, is zijn visie op het Koninkrijk der Hemelen, als iets wat niet alleen ver weg ligt, maar als iets, waaraan je ook als mens reeds nu en onmiddellijk deel hebt, gepaard gaande met een eeuwig leven, dat niet misschien onder zekere voorwaarden waar zal worden, maar een onomstotelijke zekerheid is. Indien ik mij voor zou durven stellen, hoe ik in Jezus plaats gehandeld zou hebben, zo moet ik toegeven, dat ik naar soortgelijke middelen gegrepen zou hebben om mijn leer te bevestigen en bewaren.

Niet zo goed en edel als Hij dit deed misschien… maar zelfs ik zou begrepen hebben dat, juist door de leerlingen te laten zien dat het eigen wezen niet hoeft te vergaan, maar zich vreugdig en lichtend oplost in iets anders, een hoger leven, voor hen het zegel op alle leringen zou zijn. Dit zou voor de leerlingen het bewijs zijn van de eeuwigheid, waarover geleerd werd. Daarom geloof ik dan ook, dat deze hemelvaart, die voor Jezus misschien een noodzaak was, gelijktijdig door Hem gebruikt werd, om nogmaals zijn leerlingen te tonen, dat zijn lessen niet alleen maar een kwestie waren van een aangenaam geloof of zoethouderij, doch dat achter alle leringen die Hij gaf de concrete werkelijkheid staat van een leven na de dood.

Waaruit voor mij de vraag weer voortvloeit: waarom hebben de mensen van gebeurtenissen, die voor de werkelijke leer van zo weinig belang zijn, juist hun grootste feesten gemaakt?

De grootste feesten van het christendom: Kerstmis, het feest der geboorte, wanneer de leer er nog niet is en de lering nog 30 jaren op zich zal laten wachten. Pasen, het feest van Jezus’ dood en herrijzenis. Met dit laatste zijn de feitelijke leringen, is Jezus voornaamste werk, echter reeds ten einde. Pinksteren, waarin de Geest neerdaalt over de leerlingen en zo het gevoel van macht, van uitzonderlijkheid verleent, dat voor priesters en kerken van zo groot belang is. Hemelvaart, dat vooral vroeger onder de belangrijke christelijke feesten werd gerekend: het ogenblik, dat Jezus niet meer als zichtbare steun voor zijn leerlingen aanwezig zal zijn.

Misschien wordt dit duidelijker, wanneer wij beseffen, dat men vóór Jezus’ tijd lang niet algemeen geloofde in een werkelijk hiernamaals voor allen, of een hemel in de zin waarin men dit nu doet. De mens dacht over het algemeen aan de wereld na de dood als een wereld, die men alleen met moed en kunstgrepen zou kunnen binnen treden door middel van magie – Egyptische en Perzische invloeden, of aan een godenwereld, waar men door uitzonderlijke prestaties kon binnengaan – een hoofdzakelijk Indische invloed. Ook dacht men wel, als bij de joden, aan de dood als een sluimering, een tijdelijke uitblussing, waaruit men eens weer tot leven gewekt zou worden. Het concreet en onmiddellijk verder leven, nu zo algemeen aanvaard, is vóór de komst van het christendom haast onbekend. Het is een leerstelling, die het christendom dan ook vooral in de begintijd onderscheidt van praktisch alle andere belangrijke godsdiensten.

Een tweede verschil is wel, dat het niet in de eerste plaats het doel van de mens is op aarde vrede te sluiten met God of goden, dan wel bijzondere diensten en gunsten te verwerven, maar om als het ware een persoonlijke band en waardigheid ten aanzien van God te vinden. Om de mensen daartoe te brengen tot een leven, dat dus geheel anders behoort te zijn binnen het christelijke geloof dan daar buiten, was het noodzakelijk de nadruk te leggen op het voor de mens belangrijkste aspect van het geheel. Dat werd in de eerste plaats wel de liefde Gods’, waardoor Jezus op aarde geboren werd. De liefde van Jezus, waardoor Hij zich aan de goddelijke wil onderwerpende, door zijn lijden de mensheid verlost – over de vraag waarvan, is al heel wat strijd geweest – terwijl als laatste een belangrijkste argument geldt: Jezus die terugkeert tot de hemel, geestelijk en voertuigelijk, gevolgd door de nederdaling van de geest over de discipelen.

Deze nadruk op het wonder, eerder dan op de leer, is vooral in de Middeleeuwen zeer sterk. De behoefte aan wonderverhalen blijkt dan onder meer door het verhaal over de stoffelijke verplaatsing van het huisje, waarin Jezus in Nazareth woonde, naar Italië. Een ander voorbeeld is de behoefte aan het wonderverhaal over heiligen en bijvoorbeeld de later pas tot geloofspunt geworden lichamelijke opneming ten hemel van Maria, de moeder van Jezus. Zeker zijn bij dit alles in de eerste plaats punten van geloof. Punten die echter voor het behoud van de leer noodzakelijk waren – niet zozeer omdat er een directe of zelfs goddelijke waarheid achter steekt – dan wel omdat hierdoor de mens zich dichter bij de eeuwigheid kan voelen en zich meer met hemel en eeuwig voortbestaan verwant zou weten.

Voor mij is Hemelvaart dan ook een wonderlijk symbool van het voortbestaan, als het ware een zegel op de leer van het eeuwige leven voor de mens van heden, en is, naar ik meen, dit feest steeds minder een werkelijk godsdienstige belevenis geworden. Het is eerder een dag, waarop je, na de volbrenging van een minimum aan godsdienstige plichten, naar buiten moet gaan, vooral in deze streken, waar Hemelvaartsdag veelal mede een dag van de beginnende lente is, is dit begrijpelijk.

Je zou kunnen zeggen, dat Jezus opgaan ten hemel voor de mens instinctief gepaard gaat met het zoeken naar God in de natuur. Bij de overbevolking van wegen en steden moge dit aspect reeds weer wat slijten, maar gedurende langere tijd is dit een kenmerkend aspect geweest. Volgens mij zoekt de mens achter de hemelvaart iets terug te vinden van eigen paradijselijke gebondenheid met God en natuur, een ogenblik van een levenserkenning, waarin de dood niet méér is dan de schaduw van een aan de hemel voorbijdrijvende wolk.

Zo trachtende de vragen die ik mijzelf stelde te beantwoorden, wordt althans voor mij de eindconclusie duidelijk. Het feest van hemelvaart is niet slechts de herdenking van een Meester, of Zoon van God, die opstijgt naar de blauwe koepel van de hemel, maar een gedenken van een wezen, dat ten aanschouwen van anderen, zijn stoffelijk lichaam deed overgaan tot de stralende materie, de kracht uiteindelijk van een onbegrensd bestaan, een eeuwigheid die de mens ergens vermoedt en voor zich begeert.

Tenzij u commentaar hierop hebt, kunnen wij nu overgaan tot de beantwoording van vragen.

Vragen

  • Waarom zijn er blanke, bruine, zwarte, gele en rode rassen? Heeft het blanke ras de taak leiding te geven aan de gekleurde rassen, in het bijzonder aan de negroïde rassen? Of zijn de blanken gedoemd de leiders van de wereld te worden, wanneer vrijheid, gelijkheid en broederschap zonder aanzien van ras in optima forma zal worden toegepast?

Rassen, die door kleurverschillen bijzonder scherp van elkander onderscheiden zijn, zijn kennelijk tot stand gekomen door hun voortdurend leven in een bepaald milieu, waarin het klimaat aan het lichaam bij voortduring bepaalde eisen stelt. Het is dan ook wel heel eigenaardig, dat bijvoorbeeld de Mongoolse rassen, waarmee ook bijvoorbeeld de Chinezen verwant zijn, bij nader onderzoek een oorspronkelijk zeer primitief jagersvolk waren, dat zich later misschien heeft gesplitst en in de oervorm tot een herdersvolk kon worden, maar nooit werkelijk verder kwam. Dit ras bestond echter lange tijd op zich en bereisde grote delen van de wereld, zonder daarbij door een van de beschavingen te worden opgeslorpt. Dicht bij de oorspronkelijke vorm kennen wij nu nog Eskimo’s, die eveneens de oude rassenkenmerken behouden hebben, ofschoon hun ontwikkeling door omgeving en leefwijze natuurlijk van de grote stammen divergeerde.

Wanneer wij nu de raseigenschappen bezien, blijkt dat zij in het noorden hebben geleefd, waar het vroeger zeer warm was. Er waren grote verschillen van klimaat voor dit ras, waarbij men zich later nog moest aanpassen aan de scherpe reflectie van zonlicht op sneeuw en ijs. De huid kreeg daardoor een tanige kleur, terwijl ook de vetkussentjes bij de ogen, de z.g. spleetogen, hierdoor ontstonden. Dit laatste vormt een bescherming tegen de gevolgen van koude, terwijl de zo ontstane stand van oogspieren het halfsluiten van de ogen gemakkelijker en natuurlijker maakt. Een halfgesloten oog vormt, zoals u weet, in sneeuw, ijs of reflecterende zandvlakte, een redelijke bescherming tegen blindheid. Het is aannemelijk dat de huidskleur en de verdere kentekenen in vele geslachten zijn gegroeid, tot zij permanent deel uit gingen maken van de erfmassa, welke immers onder natuurlijke omstandigheden selecteert voor de meest levensvatbare typen.

De blanke rassen komen hoofdzakelijk uit de omgeving van woud en oerwoud, leefden in gematigd klimaat. Dit is echter geen specifiek Europees type: wij vinden bijna blanke mensen terug in bijvoorbeeld Indië, naar ook bij Egypte, de Kaukasus enz. Wij zien in het “blanke ras” een verdeling in Kaukasische, Balische, Levantijnse groepen enz. die onderling grote verschillen in huid, schedelvorm, pigmentatie enz. vertonen, maar toch allen nog als blank worden beschouwd.

Nu zijn er ook volkeren, stammen, die kennelijk voortdurend in een werkelijk tropisch klimaat leefden, een klimaat dat vroeger nog veel drukkender en warmer geweest moet zijn, dan men zich nu voorstellen kan. Vrijelijke uitwisseling van warmte, koeling door grotere transpiratiemogelijkheden enz. was noodzakelijk. De afweer door een huid die weerkaatste en door enige pigmentatie tegen al te grote verbranding beschut was, bleek hier niet voldoende. Het is dus begrijpelijk dat hier, naast een grotere mogelijkheid tot koeling ook een steeds sterkere pigmentering tot stand komt. Dit zijn dan “negroïde rassen”.

Maar wanneer een blanke een tijdlang bijvoorbeeld naar de Riviera is geweest, komt hij met een teint terug, die de ‘lichtere’ negerstammen zeker niet meer als abnormaal licht of blank zouden zien.  In de verschillende stammen vindt een natuurlijke selectie plaats, waarbij ook bepaalde lichamelijke eigenschappen een rol gaan spelen bij paring, en zelfs belangrijkheid binnen de gemeenschap. Hierdoor valt de nadruk op bepaalde lichamelijke ontwikkelingen en kennen wij zelfs stammen van negers die werkelijk koolzwart zijn. De roodhuiden zijn niet rood, maar vertonen een huidskleur die overeenkomt met de Maleise rassen – bruin tot koperkleurig dus – terwijl uit de lichaamsbouw en gelaatstrekken blijkt, dat bij de vorming van deze rassen Mongoolse invloeden zijn opgetreden.

Wij kunnen op deze wijze alle rassen en zelfs kleinere groepen bezien en zullen altijd, wanneer zij langere tijd – 10.000 jaren bijvoorbeeld – in eenzelfde omgeving leven, vast kunnen stellen, dat de erfelijke factoren van het ras grotendeels door de omgeving bepaald zijn. Wat gekleurde rassen betreft, kunnen wij wel stellen, dat de voor een groter levensvatbaarheid en veiligheid van het ras – en dus zelfbehoud – noodzakelijke pigmenteringen erfelijk zijn vastgelegd en daardoor ook nu, waar misschien de noodzaak van deze pigmentering en andere afwijkingen van blanke normen is weg genomen, deze eigenschappen nog zeer lange tijd zullen behouden blijven. Bemerk, dat zelfs nu een negerkind niet pikzwart geboren wordt, maar blank, ook al vindt na de geboorte zeer snel en vaak ook zeer sterk de werking van huidpigmenten plaats.

Ik zie niet in dat enig ras zich, alleen op grond van huidpigmenten of kleine lichamelijke verschillen een meerwaardigheid ten aanzien van andere groepen zou mogen of kunnen aanmeten, zonder daarmede een waan in de plaats van feiten te stellen. De gedachte dat alle andere volkeren, vooral deze met andere huidskleur, barbaren zijn, die men moet opvoeden en/of exploiteren, is echter geen prerogatief van het blanke ras. Zo dachten in hun tijd de Chinezen er ook over, terwijl ook in de tijd van de grote negerrijken er stammen zijn geweest die er precies zo over dachten. De roodhuiden, wier idee van beschaving wel sterk van het uwe verschilde, dachten er ook al zo over en zagen de eerste blanken ofwel als barbaren, hulpeloze wezens, dan wel als een soort goden. Elk ras heeft de neiging zichzelf en zijn uiterlijke kentekenen te stellen als bepalend voor meerwaardigheid, zodra het maar enige kans heeft deze gevoelens van meerwaardigheid – ongeacht de middelen – waar te maken.

De fakkel van beschaving, cultuur en bewustwording, blijkt overigens zeker ook niet voornamelijk door blanken gedragen te zijn. Men kan, zoals de nazi’s dit natuurlijk wel ontkennen en evenals zij willen bewijzen, dat alle cultuurdragers nazi’s zijn, zodat zij zelfs trachtten aan te tonen, dat Jezus geen jood, maar een Ariër zou zijn. Dergelijke aardigheden vinden wij ook overal terug. Maar vele grote filosofen, die de basis legden voor de westerse cultuur en beschaving van heden, waren kleurlingen. De werkelijke verfijning, zowel als kennis van de Middeleeuwen, was grotendeels ontleend aan de Moren, die toch een gekleurd ras waren. Semieten en Indiërs legden de basis voor cultuur, filosofie en godsdiensten, ook bij de Grieken en in het Romeinse rijk.

Bij al deze groepen, soms zelfs bijrassen, zien wij dat op een bepaald ogenblik de superioriteitsgevoelens zozeer toenemen, dat zij weigeren leden van andere rassen – of stammen – als gelijkwaardig binnen hun cultuur op te nemen. Het vreemde is, dat dan na enige tijd een zekere steriliteit schijnt te ontstaan.

In dit verband wijs ik erop, dat de beste regeerders zelden uit een administratief milieu stam- men, terwijl de besten over het algemeen komen uit gezinnen met bindingen met de natuur, zoals uit doktersfamilies in kleine plaatsen, welgestelde boerenstand, grondbezitters. Zij zijn voor de steden en administratie het nieuwe bloed, dat nieuwe mogelijkheden biedt en aanpassingen mogelijk maakt. Even belangrijk is nieuw bloedvermenging bij rassen. De geschiedenis bewijst dat volkeren en rassen, die vermenging aanvaardden, grotere rijken wisten te stichten, een grotere cultuur vonden en deze langer handhaafden, zowel beeldend, literair, filosofisch als ten aanzien van inzicht in leven en eeuwigheid. Volkeren die invloeden van buitenaf probeerden uit te bannen, kwamen al snel tot verval.

Voorbeeld? China, dat invallende en veroverende stammen in zich wist op te nemen, zo zelfs, dat de regerende Mantsjoes op den duur meer Chinees werden dan de Chinezen en zelfs de vlecht – teken van slavernij het volk opgelegd door de eerste Mantsjoes – aan het hof invoerden.

Egypte, waar de grote tijd voor de cultuur eerst komt wanneer samenwerking tussen Boven- en Beneden Rijk ontstaat en vermenging van de blanke bevolkingsgroepen met meer negroïde groepen aanvaard wordt. Er zijn nog vele andere voorbeelden.

Op grond van dit alles vraag ik, of wij elk ras dat zich beschouwt als uitverkoren en gezonden om de wereld te regeren en te beschaven, niet ten onder zal gaan door zijn gebrek aan inzicht. Ik vrees dat dit waar is. Daarom mag men wel vrezen dat het blanke ras, bij een handhaven van zijn huidige vooroordelen, zal worden tot het “lijdende” ras van de komende tijd. Het blanke ras kan eerst werkelijk wijsheid en cultuur beschermen, wanneer de wereld tot een algehele samenwerking komt. Nu zal men die samenwerking misschien wel ambiëren en zelfs willen kopen, maar kan nog niet eens over de verschillen van ras heen zien.

Wanneer vroeger vorsten een verdrag afsloten of eigen invloedssfeer wilden vergroten, huwden zij vaak dochters van betrokken vorsten. Van Salomo wordt gezegd, dat in zijn vrouwenverblijven vrouwen woonden van elke bekende huidskleur en elk ras. Dit is kentekenend: Salomo was een groot vorst, niet alleen omdat hij wijs was, maar ook omdat hij bereid was andere volkeren, rassen en in zijn latere jaren zelfs godsdiensten als aan hem, zijn volk en denken gelijkwaardig te zien. Wanneer het blanke ras weigert dit waarlijk te doen – zoals eens Salomo’s volk – gaat het ten onder, zoals later eens Salomo’s volk.

Om in staat te zijn de huidige problemen met en tussen de gekleurde volkeren op te lossen, moet men de psychologie, de achtergronden van die volkeren, volledig erkennen en aanvaarden; niet slechts hun bestaan en zich uiten binnen een door de blanken gedicteerd westers cultureel economisch en politiek bestel, gebaseerd op westerse opvattingen van eer, geloof enz.

Men zal echter nooit voldoende tot het denken van andere volkeren door kunnen dringen, wanneer men geen gevoel van verwantschap tot deze volkeren kan voelen, geen bindingen kan aanvaarden met deze volkeren of leden daarvan, die nu door de meeste blanken verworpen, veroordeeld of tenminste verborgen gehouden worden. Om te begrijpen wat een neger is, moet je ofwel een neger zijn, of ermee huwen. Dat zei men vroeger en ik meen dat dit nog steeds geldt. Ik ben geen voorstander van rassenschande, maar meen dat duidelijk moet worden gesteld, dat een oplossing alleen gevonden kan worden door het aanvaarden van de primaire grondregels en waarden van andere rassen, ook al zijn deze voor de westerse cultuur nog niet zonder meer aanvaardbaar.

Om met een neger te kunnen onderhandelen, moet je kunnen denken en onderhandelen als een neger, ofwel een persoonlijk overwicht en persoonlijke macht bezitten, waarvoor hij een werkelijk en groot respect heeft. Om met een Aziaat reëel te kunnen onderhandelen en spreken, moet je begrip hebben voor zijn tactiek, zijn filosofische achtergronden, zijn begrippen van eer enz. niet alleen kennen, maar ook wederkerig kunnen hanteren. De westerse wereld van heden heeft echter voor deze waarden van andere rassen en volkeren weinig of geen werkelijk begrip. Zelfs de oosterse filosofieën, die men in het westen aanvaardt, worden zozeer verwesterd, dat zij voor de oosterling, de bron ervan, vreemd en niet geheel meer aanvaardbaar worden.

Het blanke ras heeft zeker niet de God gegeven taak om alle volkeren en rassen blijvend te voeren tot een hoger bewustzijn. Het heeft als taak zichzelf te zijn, zo goed het kan en datgene wat het voor zich bereikt, met een respect voor alle andere rassen en groepen, hun wijze van leven, denken en geloven, te delen met deze anderen, die niet moeten worden gezien als afzonderlijke rassengroepen, exotische wezens, maar als normale delen van het menselijke ras. Zelfs dan zal er een dag komen, dat het blanke ras – zoals het gele ras van nu – alleen nog maar kan terugzien op voorbije grootheid en kan dromen van de tijd, dat het weer groot zal zijn, terwijl andere rassen in de wereld in werkelijkheid veel zullen bereiken, invloed en macht zullen bezitten en de mogelijkheden voor allen, ook voor het blanke ras, bepalen.

Altijd weer zal er een dag komen dat de volkeren, de rassen uit een dergelijke verstarring of teruggang weer tot nieuw leven ontwaken. De negers, die heden nog terug dromen naar de grootheid van het negerrijk van Chaka-chaka, zullen in wezen moeten streven naar het negerrijk van morgen.

Zij kunnen dit waar maken, omdat zij bereid blijken in vele gevallen de blanke, zijn beschaving, bereikingen en denkwijzen te aanvaarden, zonder zich daarbij in blanke denkwijzen en gebruiken geheel te verliezen. In dit opzicht zijn de negers reeds nu de meerderen van de blanken, waar deze laatsten wel bereid zijn alle volkeren te bekeren, te helpen en te onderwijzen, maar van deze anderen niet werkelijk willen leren.

  • Een van de broeders heeft eens gezegd: Als er werkelijk vrede is, gaat de wereld failliet. De laatste gastspreker zei echter: “Bidt voor de vrede”. Hoe deze tegenstrijdigheid te verklaren?

Er is geen tegenstrijdigheid. Wanneer er werkelijk en geheel “vrede op aarde” zou zijn, zouden al uw grote concerns failliet gaan. De arbeidsmarkt zou overstelpt worden door de legermassa’s, die dan niet meer buiten de arbeidsmarkt zouden blijven. Wat zou men moeten doen met al die dingen, die tot nutteloze oorlogsproducten verwerkt werden? Hoeveel ertsmijnen en smelterijen zouden stil komen te liggen? Hoeveel fabrieken zouden waardeloos worden en moeten sluiten? En zo kunnen wij doorgaan. Met andere woorden, oorlog, of een toestand die oorlogsdreigingen bevat en door spanningen altijd weer een staat van oorlog benadert, is een economische noodzaak indien men de huidige sociale structuur in stand wil houden. Zelfs de offers, die men wil brengen voor wetenschappelijk onderzoek, zijn grotendeels van dergelijke spanningen afhankelijk. Wat niet weg neemt, dat wij allen, mensen en geesten, toch de werkelijke vrede hard nodig hebben, zodat het veel beter zou zijn als de sociale structuur zich zou wijzigen en de mensen zouden kunnen komen tot een meer geestelijk verantwoorde levensvoering en een betere aanpassing bij hun werkelijke levensbehoeften en ritmes. Ik kan daarom geen strijdigheid ontdekken, wanneer men enerzijds constateert, dat de huidige economie grotendeels berust op oorlogsproductie e.d., terwijl anderzijds wordt gezegd: Bidt voor de vrede.

Want alleen wanneer werkelijk vrede is, komen de mensen misschien zover, dat zij niet meer werken om te leven, of leven om te werken, maar hun leven vanuit eigen wezen een zekere mate van bezigheid – werken – inhoudt, waarbij geen verdiensten of aanzien en macht geen rol meer spelen, doch het alleen gaat om het bereiken, de voldoening van het volbrengen van een taak.

Eerst wanneer er werkelijk vrede is, zal er over de gehele aarde ook van een rechtvaardige verdeling van goederen mogelijk zijn. Dan immers is geen machtsuitoefening, omkoperij meer nodig en heeft men ook geen grote reserves aan goederen, producten of productiecapaciteit meer te handhaven ten kosten van alles. Er zal dus ook van een geheel belangeloze en oprechte onderlinge steun en hulp sprake kunnen zijn – niet omdat men daarvoor acties voert, maar eenvoudig, omdat men dan pas werkelijk de tijd en de lust zal hebben zich met het lijden en de werkelijke behoeften van anderen bezig te houden.

Ik wil niet sarcastisch zijn. Maar ik vind het toch wel eigenaardig, dat men in Nederland miljoenen bijeenbrengt om in andere landen hospitalen te bouwen, bijbeltjes uit te geven, schoolboekjes te geven aan negerkinderen, die dreigen binnen enkele jaren te verhongeren, of gelden bijeen te brengen om aan gebieden die gebrek lijden, de bijna voor consumptie afgekeurde overschotten van graan en melkpoeder te schenken en gelijktijdig de producenten van deze overtollige producten in eigen land naast hun subsidies nog wat extra winst te verzekeren. En dit terwijl in ditzelfde Nederland, laat ons dat niet vergeten, een grote psychologische – en minder grote feitelijke – nood bestaat door een tekort aan woningen, een tekort aan juist gericht en meer persoonlijk onderricht enz. Kinderen leren niet zo goed in een klas van 60. Een klas van 25 geeft een onderwijzer eveneens de handen vol, maar dan kan hij aan elk van zijn leerlingen persoonlijk zorg besteden en elk van hen ook persoonlijk iets meegeven voor hun verdere leven. Wanneer de klassen te groot zijn, kan de onderwijzer niet veel meer doen dan voor docerende agent spelen en hopen, dat er dan toch nog iets van terecht zal komen.

In Nederland besteedt men grote kapitalen om geestelijk en lichamelijk mindervaliden goede mogelijkheden en een draaglijk bestaan te geven. Wat ik heel mooi vind. Maar gelijktijdig verzuimt dit Nederland de middelen en mogelijkheid te scheppen, waardoor de jongeren van heden een geestelijk en lichamelijk nageslacht voort te brengen. Een rare situatie.

Wanneer er nu werkelijk vrede op aarde zou zijn, zou men al het noodzakelijke waar kunnen maken – omdat allen die nu manoeuvreren met oorlogsdreigingen, kapitalen, onnodige bestedingen, prestigebouw en optreden – door het onnodig onttrekken van werkkrachten voor legers, productie en het scheppen van aanzien, dan uitgeschakeld zouden worden. Wie dit begeert, moet zich wel realiseren, dat dan een gulden zelfs geen cent meer waard is, dat rang, studie en afkomst weinig of geen betekenis meer zullen hebben en men zich alleen een plaats zal kunnen verwerven binnen de gemeenschap door te tonen, dat men te midden van anderen vredig, begrijpend en waardig kan bestaan. Wat heel iets anders is dan zeggen: Ik heb recht op mijn bestaan, want ik werk, ik heb geld, ik ben belangrijk. Dus heb ik niet alleen maar recht op het bestaan, maar zelfs op zekere luxe.

Ik geloof, dat de vrede waarlijk iets begerenswaardigs is, waarvoor wij niet alleen moeten bidden, maar waarvoor wij ook hard moeten werken. Dit ofschoon wij beseffen, dat de vrede die wij nastreven tevens het einde is van deze maatschappij. Een einde van de maatschappelijke vorm, van uw bezit, van uw rechtjes en wetjes. Vrede is het einde van uw grenzen, van uw naties, van uw tolmuren, van het zo belangrijke geld en daarmede van zaken en concerns, kortom, het einde van maatschappij en beschaving, zoals u die nu kent.

Dat ik dit einde zo begerenswaardig acht vanuit een geestelijk standpunt, moet u mij maar vergeven. Wanneer u echter de mensen en de geest bewust en gelukkig wilt maken, bid dan om vrede, streef er naar en geef er alles voor. Maar denk niet, dat je het huidige daarbij kunt behouden en er “beter” van worden.

Waar u geen commentaar op deze vraag hebt, zal ik afscheid gaan nemen. Nog een ding: ik weet, dat ik niet onfeilbaar ben. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik daarom een stommeling ben. Denk dus over dit alles eens na, want naar ik meen zijn mijn woorden deze aandacht heus wel waard.

Deel 2

Wij gaan door met de vragen.

Vragen

  • Wilt u een definitie geven van het begrip “onderbewustzijn” en eventueel zeggen hoe dit te beheersen?

Op het ogenblik dat men een onderbewustzijn kan beheersen, is het in feite geen onderbewustzijn meer, maar deel van het directe bewustzijn. Als definitie zou ik willen stellen: onderbewustzijn is het totaal van de opgenomen impulsen, gedachten, waarnemingen en ervaringen, die niet onmiddellijk via herinnering of op andere wijze aan het bewustzijn ter beschikking staan, maar als emotie, gevoelswaarde en onbewuste reactie toch mede het gedragspatroon van de mens blijven beheersen. Beheersen kan men het niet. Men kan alleen trachten het onbewuste deel van eigen weten en vermogen steeds kleiner te maken en zelfs bewuste controle te verkrijgen van enkele van de voornaamste functies van de kleine hersenen.

Een eenvoudige methode om hiermede te beginnen is: invallen onmiddellijk noteren en eerst later de associaties nagaan. In de eerste plaats houdt dit in, dat men voor veel vragen en problemen, mogelijke oplossingen en antwoorden met geringe moeite zo kan krijgen. In de tweede plaats zal men door het nagaan van de associaties, terwijl men gelijktijdig een voortdurend beroep doet op het onderbewustzijn – zonder een redelijke gang van logische argumenten en samenhangen te eisen – ongeveer gaan begrijpen, wat er in eigen onderbewustzijn schuil kan gaan.

Er zijn delen van het onderbewuste die voor de mens zelden of nooit toegankelijk zullen worden, omdat er in zijn leven en ervaren altijd weer waarden zijn, die hij niet durft of wenst te erkennen, omdat dit zijn beeld van het Ik en zijn redelijk wereldbeeld zozeer zou aantasten, dat hij meent dan niet meer voort te kunnen leven.

  • Is de bijeenkomst in de Wessacvallei altijd in de maand mei? Heeft de stand van de maan in Taurus hiermede iets te maken?

Het ogenblik van de bijeenkomsten in de Wessacvallei wordt niet astrologisch bepaald. Het belang van de maan hierbij staat ongetwijfeld in verband met een oude geloofsvorm, stammende uit Atlantis, waarbij (……….? Red.) worden gebruikt als beeld van de kosmische krachten. De tijd wordt gekozen in overeenstemming met de ritmen van de kosmos en de natuur, wat meer omvat dan astrologisch berekenbaar is. Voor deze tijd althans kunt u aannemen, dat de bijeenkomsten gemeenlijk in de maand mei – met als uitzondering soms een bijeenkomst in het begin van juni of aan het einde van april – worden gehouden.

Zolang u geen speciale uitnodiging hebt, lijkt het mij daarom voor u het eenvoudigste om aan te nemen, dat deze bijeenkomst plaats zal vinden bij de eerste volle maan in de maand mei. Misschien lijkt het voor de astrologen vreemd, dat hun wetenschap met de bepaling van deze tijdstippen niets te maken heeft. Maar de sterren en planeten geven slechts stoffelijke ritmes en invloeden weer. Wat daar gebeurt, is echter een samenspel van grote geestelijke krachten, persoonlijkheden en invloeden, die niet zonder meer onderworpen zijn aan de loop van planeten en lichte wijzigingen in evenwicht op en rond de zon of op aarde.

  • Is God statisch of verandert Hij mee, naargelang zijn schepping evolueert?

Een moeilijke vraag. Want wie van ons kent God? En wie van ons, God kennende, zoals Hij zich uit in zijn schepping, kent de mogelijk niet geuite delen van zijn wezen, zijn voor ons verborgen gedachten, die toch ook kunnen bestaan?

Met andere woorden, een definitief antwoord op deze vraag is niet mogelijk. Wel kan ik u onze visie geven. Vanuit ons standpunt moet God statisch schijnen, omdat Hij de eeuwige, de almachtige Schepper is. Hij is tijdloos en voor hem is de Schepping – een uiting van zijn wezen – eveneens tijdloos. Elke evolutie en verandering door tijd, zoals wij die kennen, zou volgens mijn inzicht vanuit God gezien niet afzonderlijk kunnen bestaan, doch slechts als een accent van een eeuwig en onveranderlijk iets. God is niet slechts begin en einde, maar Hij kent ook begin en einde.

Dit impliceert volgens mij niet dat Hij alle wegen volgens zijn wil en met uitsluiting van alle andere mogelijkheden zou hebben vastgesteld, maar wel, dat Hij, vanuit ons standpunt, onveranderlijk is en dus ons eigen standpunt zich tegenover God wijzigt. Ik geloof dus niet aan een God die met het evolutionaire proces meegroeit.

Verder wil ik nog opmerken, dat zelfs het begrip evolutie maar zeer betrekkelijk is: de mens, met zijn grote verstandelijke mogelijkheden en gaven, heeft zich langzaam maar zeker zozeer van de natuur vervreemd, dat hij meer en meer op de hulpmiddelen van zijn vernuft is aangewezen. In feite is hij dus niet geëvolueerd, maar gedegenereerd vanuit een standpunt van natuur en lichamelijke mogelijkheden. Degeneratie en evolutie zijn over het algemeen waarden die tezamen gaan. Hoe men een gebeuren wil interpreteren en zien in het licht van het eerste of het tweede begrip, zal dan ook hoofdzakelijk afhangen van het standpunt dat men bij zijn beoordeling inneemt.

De mens, zichzelf als evoluerend wezen ziende, zal vaak niet willen of kunnen beseffen, dat gelijktijdig zijn vorm in de stof zozeer degenereert, dat hij, eenmaal een bepaald bewustzijn in de stof bereikt hebbende, de stoffelijke vorm zal moeten verlaten, om de eenvoudige reden dat geen enkele mogelijke ontwikkeling aan die vorm de eigenschappen zal kunnen verlenen, die voor een reële uiting van het bereikte bewustzijn nu eenmaal noodzakelijk en onvermijdelijk zijn.

  • Als God zou evolueren, zou Hij de schepping ook niet volmaakt geschapen kunnen hebben.

En toch staat er geschreven: “God zag naar het werk zijner handen en zag dat het goed was”. Dit pleit al voor een ander standpunt dan het onze, want wij zien in de wereld nog veel, wat volgens ons niet deugt. Daarom lijkt het mij beter het begrip van de kosmische God, de Al-God, als evoluerend wezen maar uit het hoofd te zetten.

Maar nog iets anders. Het lijkt mij beter dat de mens en de geest, zolang dezen nog streven naar een vergroting van bewustzijn en nog mogelijkheden daartoe kunnen vinden, beter doen zich niet bezig te houden met mogelijke definities van God, of pogingen Zijn wegen en Krachten te onderzoeken. Men kan wel trachten deze in zich te ervaren of te ondergaan, maar zelfs dan zal men, bij beperktheid van bewustzijn – nog niet volmaakt geworden dus – geen mogelijkheid vinden om de werkelijkheid te omschrijven. Zo zal elke poging om God te definiëren wel uitlopen op een pogen, om God te definiëren als de perfecte vorm van datgene wat men zelf op het ogenblik reeds meent te zijn.

  • Is de mensheid als geheel ook een entiteit?

Dat weet ik niet helemaal duidelijk te zeggen. Of toch: wij kunnen in de poppenkast alle poppen een bijzonder karakter en bijzondere eigenschappen en uiterlijkheden toekennen, zonder daarom onwaar te maken, dat de poppenkast als geheel een op zich staand en persoonlijke eigenschappen bezittend verschijnsel blijft, dat eveneens een zekere persoonlijkheid bezit, zodat het karakter van de poppenkast plus vertoner uiteindelijk de mogelijke poppen en hun karakteristieke uiting zullen bepalen. Op gelijksoortige wijze meen ik te mogen stellen: ofschoon elke mens afzonderlijk een individu is, die mens gebonden zal zijn aan de verschijnselen van zijn omgeving en tijd, aan de groep dus, waartoe hij behoort. Als geheel zal men uiteindelijk gebonden zijn aan de ontwikkeling van de mensheid en de verschijnselen die daarbinnen mogelijk zijn. Daarom kunnen wij zeggen, dat er een soort persoonlijkheid is, die mensheid genoemd wordt. Gesteld kan verder worden, dat dit geheel een eigen bewustzijn bevat.

Ik stel dit alles voorwaardelijk – ofschoon het voor mijzelf een zekerheid is – omdat dit nu eenmaal niet valt te bewijzen. Een aardig beeld vanuit de mystiek is de legende van de Rode Adam:

God schiep de volmaakte mens en waarschuwde hem, dat hij de krachten van het duister moest mijden. De Rode Adam echter viel in slaap. Een deel van zijn kracht en wezen werd toen van hem genomen door de Duistere, die dit uitzaaide door de kosmos. De Schepper, ziende hoe de Rode Adam zich verdeeld had, sprak tot hem: Gij kunt terugkeren tot het contact met mij – het paradijs – maar eerst zult gij alle delen van uw wezen terug moeten vinden, opdat gij wederom één geheel zult zijn. De mensen nu worden beschouwd als de delen van de Rode Adam, die door de Duistere werden uitgezaaid.

Deze legende geeft volgens mij aardig juist weer, wat onze feitelijke situatie is. Ieder van ons heeft een afzonderlijk bewustzijn, dat als aparte persoonlijkheid beschreven kan worden. Geestelijk kan elk Ik wel degelijk als afzonderlijk wezen gezien worden. De mensheid eveneens. Maar de realisatie van eigen persoonlijkheid en mensheid als geheel is echter alleen waarlijk mogelijk, wanneer er een perfecte en harmonische samenwerking tussen de delen ontstaat, zodat zij waarlijk en bewust in zichzelf en eigen taak toch gezamenlijk één geheel gaat uitmaken.

Eerst als de mensheid haar verdeeldheid verloren heeft, zal de mensheid vanuit ons standpunt een waarlijk levende en bewuste persoonlijkheid kunnen zijn. Zolang de mensheid verdeeld blijft, zal men dit geheel misschien kunnen scheiden in een zeer wijze geest met beperkte mogelijkheden, die in het niet gecoördineerde voertuig mensheid, aan bekwaamheid niet veel meer kan laten blijken dan onder mensen bijvoorbeeld een idioot.

  • Niet opwekkend!

Maar in ieder geval eerlijk en een poging de feiten zonder verfraaiing weer te geven. Men verwijt ons wel eens, dat wij altijd zwartgallig zijn. Wij hebben altijd maar kritiek op de mensheid en alles wat er goed is, zouden wij maar over het hoofd zien. Wij voorspellen altijd maar rampen en spreken veel te weinig over de prettige dingen, die toch ook zullen gebeuren.

Wanneer men dit zo stelt, heeft men, naar mijn mening, wel enigszins gelijk vanuit een menselijk standpunt. Wij echter zien de zaak ietwat anders. Dat, wat goed is, is. Wanneer het blijft, hoeft daaraan niets te veranderen. Op het kwade, het negatieve moet echter steeds weer met nadruk gewezen worden, opdat men daarmede rekening kan houden, opdat daaraan iets veranderd kan worden. De mensheid is ongetwijfeld ver gevorderd sedert het eerste dier een wat beter bewustzijn kreeg en begon onder leiding van een grote geest te streven naar een voertuig, waarin het zijn omgeving wat beter zou kunnen beheersen. Maar dat wil nog niet zeggen, dat de mensheid nu werkelijk in de hemelen en op aarde het summum summarum is, de top der mogelijkheden. Zo wel in zijn benadering van de grotere raadselen en problemen, zoals God, als in de kleinere dingen, meen ik dan ook, dat wij de mens zijn al te vaak ingeworteld meerwaardigheidsbesef een beetje af moeten nemen, opdat hij, beseffende hoeveel er nog valt te bereiken, ophoudt steeds maar zichzelf te bewonderen en in plaats daarvan komt tot een nederig streven, waarbij menselijke maatstaven en waarden niet zonder meer voorop worden gesteld.

  • De gastspreker op 10 april zei onder meer: De banden, die wij hebben geknoopt langs de weg van de geest en andere gemeenschappen, als het Verborgen Rijk, zullen moeten verminderen. Wat is dit Rijk? Heeft het iets te maken met zijn verdere woorden: “Maar wat slaapt onder de aarde, is ontwaakt. De rijken der legenden benaderen weer uw tijd”?

Zo kort en eenvoudig mogelijk: er is een geloof, dat er verborgen, onder en buiten de mensheid, priesters bestaan, die werkelijk met God in contact kunnen treden. Sommigen van hen leven op aarde, anderen in de geest. Gezamenlijk vormen zij het Verborgen Priesterrijk of het Verborgen Rijk. Dit verborgen rijk, waarvan u gegevens in onder meer de rozenkruisers-leer aan kunt treffen, dat verwant is met de legende van de koning der aarde of Heer der wereld, zoals deze met zijn raad binnen het Tibetaanse bijgeloof wordt beschreven, en de overleveringen van de Heer van Licht, die zich in de oergrotten van de mensheid zou hebben teruggetrokken, volgens een Zuid-Amerikaanse overlevering. De gastspreker doelde hierop en wilde daarmee, naar ik meen, duidelijk maken, dat verbindingen, zoals deze bestaan in het Verborgen Rijk enz., weer meer reëel zullen worden. Wanneer echter een band met de goddelijke werkelijkheid meer reëel gaat worden, zal het organisatorisch verband, dat uiteindelijk vooral door mensen en menselijk denken bepaald wordt, tijdelijk afnemen.

U zou kunnen zeggen: Op het ogenblik dat je je meer bewust wordt van je band met God, zal je contact met de mensen een ander karakter gaan dragen en daardoor niet altijd meer kunnen beantwoorden aan wat de mensen logisch, normaal, aanvaardbaar of mooi vinden. Jezus was ook zo: toen hij bezig was met zijn werk, zijn zending, en zijn moeder een beroep op hem wilde doen, antwoordde hij: “Vrouwe, wat heb ik met u van doen?” met andere woorden: Op het ogenblik ken ik je niet eens.

Op aarde zouden dergelijke dingen zeer onaanvaardbaar en onaangenaam klinken. Degene die zoiets zou overkomen, zou het gevoel hebben in de steek gelaten te worden. Tenzij hij kan begrijpen dat iets van groter belang, ervaring, werk, taak, daartoe aanleiding was en hoewel dat de gekende band nog wel blijft bestaan, maar niet meer uitgedrukt kan worden in de directe relatie van verplichtingen, wederzijdse beïnvloedingen, contacten, mogelijkheden, zoals die tot op dan gekend werden. Dit blijft dan waar, ook al kan op sommige momenten het er wel op lijken, dat de oude toestand weer is hersteld.

  • Is het wel goed dat men zover gaat? Men heeft toch verplichtingen tegen de mensen rond zich?

Stel, een ziekenhuis met 600 patiënten. U zit op een bepaalde kamer. Is het nu juist alle aandacht op deze te richten en deze alleen, of zelfs maar bij voorkeur, te willen blijven verzorgen, zolang anderen door gebrek aan verzorging geheel dreigen om te komen? M.i. zal elk mens zich dan eerlijk verplicht voelen om zoveel mogelijk het hoogst noodzakelijke te doen voor hen, die daaraan de grootste behoefte hebben. Men zal dus niet alleen werken in eigen omgeving of alleen voor – of ten bate van – deze eigen omgeving, maar door de situatie alle oude rechten, verhoudingen en gebruiken terzijde stellen. Menige mens ziet eigen belangen en eigen omgeving zo belangrijk, dat hij weleens vergeet, dat er ook nog een mensheid bestaat.

Er zijn mensen die eigen gezin verdedigen en het bestaanspeil daarvan blijven verhogen, ook ver boven het noodzakelijke, omdat zij dit hun plicht achten en daartoe desnoods duizenden ten gronde zullen moeten richten.

Wij zullen als mens en geest persoonlijke banden erkennen, maar ons daarnaast bewust zijn van hogere belangen en plichten, waarbij deze persoonlijke banden niet meer mee mogen spreken. Zolang er een mogelijkheid bestaat, zal men allen moeten helpen. Bestaat deze mogelijkheid niet, dan zal men de meest belangrijken moeten helpen, het belangrijkste moeten doen. Dit is niet alleen een deel van de leer die wíj verkondigen, maar ook deel van het werkelijke christendom. Men leert de christen wel, dat hij vader en moeder moet eren etc., dat men tegenover zijn kinderen zekere verantwoordelijkheden kent. Maar daarnaast: “laat alles achter u en volg mij!” Uw eerste verantwoordelijkheid ligt nimmer tegenover mensen, maar tegenover God.

Er kan dus een ogenblik komen, waarop men eigen omgeving zal moeten verloochenen. Maar emotioneel doet men zoiets niet graag. Vandaar dat je altijd weer hoort: “maar zover mogen wij toch eigenlijk niet gaan.” Zoals sommigen het veroordeelden, toen een zekere pater Damiaan besloot zijn leven aan de melaatsen te wijden. Hij bezorgde hiermede zijn ouders en familie “onnodig” veel leed. Hij kon toch ook elders wel goed doen? Misschien meent u ook, dat deze man ergens tekort is geschoten. Maar ik acht zijn handelen juist, omdat hij koos wat volgens hem van het hoogste belang was. Dit is te allen tijde onze verplichting in het leven. Wij mogen niet kiezen, wat voor ons in het leven emotioneel het leukste en bevredigendste is, of de omgeving dienen, die wij toevallig onze naaste omgeving plegen te noemen. Wij allen moeten de taak verrichten, waartoe wij het beste geschikt zijn en dit doen, zelfs wanneer het ons verder alles zou kosten. Wanneer wij een taak niet vervullen om onze omgeving te dienen, zullen wij daarmede zelf geen vrede hebben, zodat wij onszelf daarmede schade berokkenen.

Kort en goed, door de usances en gebruikelijke verplichtingen boven alles te stellen, maken wij in wezen de wereld hoogstens slechter en onszelf zeker niet beter.

  • Kort geleden stelde uw spreker, dat de geestelijke bestreving de motivering van het leven is, niet de verklaring ervan. Bedoelde hij, dat het leven er is om geestelijk streven mogelijk te maken, maar dat de gebeurtenissen daarnaast nog andere strekking hebben?

Wanneer het leven zonder meer zin zou hebben in zichzelf en onze geest daarvan het product zou zijn, zou eerst de materie, de vorm, bestaan moeten hebben en eerst daarna de geest tot bewustzijn gekomen zijn.

Eerst echter was er geest. Eerst door deze werd aarde, werd de materie gevormd. Deze geest maakte het voor minder grote of bewuste geesten mogelijk in de materie te gaan leven, eerst in contact met de oneindigheid, later zich daarvan losmakende en zichzelf alleen ziende volgens de waarden van het materiële bestaan tijdens het vertoeven in de stof. Wij mogen dus wel zeggen, dat het doel van het leven voor ons de geestelijke bewustwording is. De vraag is nu maar, of er buiten dit geestelijk bewust worden nog iets anders bestaat of bestaan kan. Ik meen van wel. Ik meen, dat het leven als verschijnsel – niet als bewustzijn – ook zonder geest zou kunnen bestaan, terwijl de materie gehoorzaamt aan vele wetten, waardoor de bewustwording van de geest ondergeschikt is aan het voortdurende proces van vorming en verval, dat zich in de stof nu eenmaal afspeelt.

Waarom dit alles zo is, kunnen wij moeilijk zeggen, tenzij wij een kracht met eigen streven aannemen, die dit alles van buitenaf zou regelen en beschikken. Ik voor mij zie de materie en zelfs het leven als een soort laboratorium van een hoogste geest of kracht.

Het leven wordt dus voor ons waardevol, door de mogelijkheid van bewustwording die erin is gelegen. Vanuit ons eigen geestelijk standpunt is dit de reden, waarom wij willen leven in verschillende sferen en werelden, aangenaam of niet, en hopen hierdoor veel te bereiken.

Dit verklaart echter nog niet, wat de kern van het leven in wezen is en hoe het bestaat of in stand gehouden wordt.

Volgens mij is voor de lagere of minder bewuste geest het leven in bepaalde sferen en materie een soort leren van het alfabet, waarbij men leert beseffen, hoe men reageert binnen bepaalde beperkingen en zijn eigen grondeigenschappen kan leren kennen. Op basis daarvan kan zij dan haar eigen en passende plaats vinden binnen het geheel van de geest, haar eigen aandeel in het leven beseffen en vervullen.

Vergelijk? Zoals een kind eerst op school veel moet leren, om op de meest juiste wijze een plaats binnen de maatschappij in te kunnen nemen, zo zal ook de geest moeten leren. Hiertoe dient onder meer het bestaan in de stof. Te stellen, dat dit het enige, of zelfs maar hoofddoel van het leven zou zijn, lijkt mij echter gevaarlijk. M.i. is het leven een zaak van God. Bewustwording in sferen en materie kan voor ons het motief zijn van ons streven en werken.

  • Wat verstaat de spreker op het moment van zijn betoog onder “het leven”?

Naar ik meen op de normale wijze, volgens deze definitie: leven is een bestaan, waarbij een erkennen van het eigen Ik en de begrenzing daarvan, plus een erkennen van het bestaan van iets buiten dat Ik, mogelijk is, zodat een zekere wisselwerking tussen Ik en niet-Ik ontstaat. Deze definitie van leven geldt zowel voor de stof als voor de geest, alleen met dit verschil dat zij voor de stof beperkt wordt door de factor tijd, wat erkenningen betreft, terwijl dit in de geest niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn.

  • Wat denkt u, zouden er scholen zijn, omdat er een maatschappij is, of zou er een maatschappij bestaan, omdat er scholen zijn?

Ik meen dat de maatschappij er eerst was en dat daaruit het motief voor onderricht en schoolbezoek ontstond. Dan kan de school wel een steeds belangrijker deel van het maatschappelijk bestel gaan vormen, maar zij zal steeds van de maatschappij afhankelijk zijn voor haar bestaan.

  • U maakt onderscheid tussen stoffelijke krachten en sferen en geestelijke krachten en sferen. Is er een principieel verschil? Waar zoekt u dan de grens? Is niet alles besloten binnen een groot krachtveld van verschillende gradaties?

Ik zal trachten eerlijk en duidelijk te antwoorden. Ik meen dat de basis van alles één en dezelfde kracht is, die wij dan maar God noemen of eerste oorzaak enz. Voor ons echter – het volgende is in zekere zin dus het gevolg van een subjectieve beschouwing en beleving – zie ik dat, terwijl het bewustzijn een permanente en niet een van tijd of vorm afhankelijke factor is, de vorm niet waarlijk zelfstandig bestaat en dus weer teniet gaat. Ik zou dus zeggen: Zoverre de vorm beheersend is en niet het bewustzijn voor alle verschijnselen onmiddellijk bepalend is, moeten wij spreken van een stoffelijke sfeer of wereld, die niet noodzakelijker lager of minder hoeft te zijn dan een geestelijke sfeer, waarin denken en bewustzijn een allesbeheersende rol spelen.

Krachtens deze formulering beschouwen wij de astrale wereld nog als een – zij het bijna – materiewereld. Zodra wij komen in wat u Zomerland noemt, een wereld, waarin de gedachte nog als vorm gekend en beleefd wordt, maar de vorm door de gedachte onmiddellijk gevormd en hervormd kan worden, zonder dat er ook maar iets van permanente krachten, of bindingen in die vorm aanwezig blijkt te zijn, menen wij van een geestelijke sfeer te mogen spreken. Wij maken dit onderscheid omdat ons bestaan vanuit ons standpunt een geestelijk bestaan is en verschilt van de stof, die wij wel erkennen kunnen, maar die geen intrinsiek deel van ons bestaan vormt. Wanneer u op aarde leeft, zal uw vorm vast zijn en door uw denken slechts zeer langzaam en met veel moeite gewijzigd kunnen worden, zodat alle veranderingen en evoluties daarin voor u van het hoogste belang zijn. De vorm volgt echter nimmer onmiddellijk bewustzijn en denken, is tijdgebonden en gaat na betrekkelijk korte tijd teniet.

Ook het Ik-begrip, dat men als mens op aarde aan de vorm pleegt te ontlenen, gaat teloor. De ervaringen die u opdeed blijven echter en deze vormen tezamen met elders opgedane ervaringen een tweede beeld van het Ik, dat blijvend is en slechts groter kan worden, maar niet teloor gaat. Dit Ik is niet meer volgens stoffelijke normen te begrenzen en men zou zelfs kunnen stellen dat, althans volgens de stoffelijke meer concrete zin van deze woorden, geen begrenzingen in tijd of ruimte voor dit Ik mogelijk zijn.

Het eigen bewustzijn is in staat binnen één erkenning bijvoorbeeld ruime-tijdsduur te omspannen en als één geheel te zien, ook al zal dit voor een mens of wezen in de stof vele eeuwen omvatten.

U kunt ruimtelijk slechts vanuit één punt tegelijk beleven en bent slechts in een plaats tegelijk in stoffelijke zin. De geest kan ruimte omspannen en bijvoorbeeld praktisch gelijktijdig waarnemen in Den Haag en New-York. Zo komen wij dus tot dit scherpe onderscheid. Het einde zal voor ons – naar wij menen – zijn, dat wij beseffen dat het bewustzijn dat wij zelf bezitten, slechts één fragment is van de totale Kracht. Hierdoor zullen wij, naar wij menen, steeds meer komen tot het erkennen van eenheid met anderen en een wegvallen van zekere begrenzingen, die het ene Ik duidelijk van het andere onderscheiden tot op dat ogenblik. Zeker weten doe ik dit echter niet, want zover ben ik nog niet. Ook de grootste meesters zullen hetzelfde moeten erkennen, want ook zij zijn nog niet zo ver. Anders zouden zij geen persoonlijke manifestatie meer kennen.

Dit alles is dus grotendeels theorie. Maar wij geloven in een alles omvattende, alles scheppende en in standhoudende Kracht, die door wezen en eigenschappen alle mogelijkheden en verschijnselen zal omvatten, zelfs die, welke wij niet kennen of ons realiseren. In dit wezen zal geen tijd bestaan, zoals wij deze menen te kennen, noch plaats, zoals wij deze kennen. Voor de verschillende verschijnselen – de gradaties dus – is binnen dit wezen echter een bestaan mogelijk, waarin ruimte, tijd, blijvende groei van bewustzijn zonder stoffelijke basis, en een voortdurende ontwikkeling en teniet gaan van stoffelijke vormen, mogelijk is.

  • Hoe neemt geest, zonder vorm en alleen bewustzijn, zoals u zegt, dan elkaar waar?

Moeilijk, omdat ik in beelden moet spreken om iets, wat geen vorm heeft, weer te geven. Stel u voor dat u in een donkere kamer bent. Er is een andere persoon daar. U voelt diens aanwezigheid. Stel u nu voor, dat u niet alleen de aanwezigheid voelt, maar de gedachten leest, zo de vorm kent, de intenties beseft, terwijl de ander gelijktijdig en op dezelfde wijze van u bewust is. Dan hebt u een onvolkomen beeld van de wijze van erkenning en waarneming in de geest. Eenvoudigheidshalve zeggen wij op aarde meestal: het is een soort van telepathie, een soort mentaal contact – maar zonder stoffelijke hersenen natuurlijk – waarbij een overdracht in beelden mogelijk is van het gehele Ik, of een bepaald deel daarvan en de gehele persoonlijkheid waar kan nemen en waargenomen kan worden door het aftasten van de uitstraling bij of door anderen.

  • Is het mogelijk dat de mens in de droom wordt geconfronteerd met zijn eigen astrale scheppingen?

Het is mogelijk. De droom op zich zal echter nooit de astrale scheppingen in werkelijkheid kunnen tonen, omdat de droom altijd een werking van de hersenen betekent, al zijn deze daarbij niet meer onderworpen aan de normale wetten van beleving, volgorde en interpretatie van prikkels. De droom kan vaak een weergave zijn van een geestelijke reactie door een impuls of prikkel van een van de fijnere voertuigen, die bij waakbewustzijn meestal wordt verwaarloosd als te zwak en moeilijk omzetbaar in redelijke beelden. Zo kan men inderdaad geconfronteerd worden met eigen astrale scheppingen.

In bepaalde inwijdingsleren wordt het volgende gesteld: de mens heeft twee dingen in zijn leven, die voor hem van het hoogste belang zijn. Allereerst geloof en zelfvertrouwen, die gezamenlijk in wezen een besef vertegenwoordigen van een wereld die groter is dan de huidige. Ten tweede kent hij zijn angsten, waarin zowel zijn ervaringen als zijn onvolkomenheden en daardoor zijn gebrek aan geloof en zelfvertrouwen tot uiting komen. Elke keer, wanneer de mens wil binnentreden in de Lichtende wereld, waarin hij gelooft en waarvan hij ergens deel is, zal hij eerst de angsten voorbij moeten gaan en moeten overwinnen, wat hierdoor aan gebrek van geloof of zelfvertrouwen binnen het Ik bestaat. Voor eenieder, die uit wil treden naar de Hogere Wereld, staat er een wachter op de drempel.

  • Wat is het verschil tussen levenslichaam en etherisch lichaam?

Een levenslichaam is niet te scheiden van de materie. Het is de levenskracht zelf, die deel uitmaakt van de geest, maar zonder dewelke de stof niet kan bestaan, omdat zij tevens deel uitmaakt van de kernkracht van elke cel in het lichaam.

Deze kracht kan ten dele geprojecteerd of overgedragen worden, maar nooit geheel.

Wanneer een levenslichaam dus uit zou treden, zou men als mens dood zijn. Het etherisch dubbel is een evenbeeld van het stoffelijk Ik, dat men vaak plasma of ectoplasma noemt, maar in een andere verschijningsvorm een soort protoplasma is. Men kan dit beeld, gemengd met astrale materie in vele gevallen, bewust of onbewust projecteren. Het bestaat geheel buiten het stoffelijk lichaam in dat geval en vormt een tweede Ik, dat vanuit het eerste Ik bestuurd kan worden, waarbij het zelfs tijdelijk de waarnemingsmogelijkheden, handelingsmogelijkheid van het eerste Ik kan vervangen. Het verschil is dus betrekkelijk groot.

Het levenslichaam is in wezen levenskracht, motorische kracht. Het etherisch dubbel wordt uit andere bestanddelen, dankzij deze kracht, gevormd als evenbeeld van het Ik en kan geheel vrij en onafhankelijk van dit Ik opereren als een soort robot. Afzonderlijk van het lichaam zou dit dubbel zeer snel te gronde gaan, maar dit zou geen dood voor de mens ten gevolge hebben.

  • Een van jullie stelde: harmonie is het samengaan van verschillende waarden op zodanige wijze dat zij in volledige samenwerking een groots geheel vormen, terwijl elk der afzonderlijke waarden binnen het geheel tot zijn recht blijft komen. Ik meen, dat wij de vierde dimensie van onze persoonlijkheid, als uitbreiding van het stoffelijke leven deze dimensie kunnen stellen.

Men kan dit stellen. Belangrijk is dat men, bij een volledige uiting van eigen wezen, een juiste aanpassing bij alle anderen zal moeten vinden, wil harmonie mogelijk zijn. Hoe meer men vrijkomt van wat men nu een driedimensionale beperking van leven noemt, hoe belangrijker de harmonie wordt, omdat de wezens dan elkaar geheel kunnen aanvullen en doordringen.

Geestelijke inhoud een dimensie te noemen is echter gevaarlijk, omdat een verwarring van begrippen hierdoor kan ontstaan. Men kan zeggen, dat harmonie een overbrugging vormt van de gekende wereld. Zij maakt deze, zonder noodzakelijk daaraan een nieuwe afmeting toe te voegen, tot een groter geheel, dat in zich steeds juiste verhoudingen kent.

image_pdf