november 1966
De komst van de goden
Wij hebben getracht het leven te volgen – zij het in zeer globale trekken – vanaf “het Woord, dat was in den beginnen” tot “de geest Gods, Die over de wateren zweefde”. Nu komen wij te staan voor de schepping, zoals de mens die ziet en erkent. Laat ons kort resumeren wat er op dit moment aanwezig is.
Er zijn entiteiten die zich in de materie kunnen uiten en daarin leven. Sommigen van hen doen dat in wat men vroeger de elementen noemde. Het zijn de z.g. elementalen. Zij zijn echter, zoals alle andere levende wezens, niet de beheersers van hun milieu, maar aangezien hun perceptie slechts in en krachtens dit milieu mogelijk is gedurende een bepaalde periode, kunnen wij hen beschouwen als de bewoners ervan.
De elementalen zijn natuurlijk wel belangrijk, vooral omdat zij in het begin, als de aarde nog grotendeels wat amorf is, gemakkelijk kan worden gevormd, zeker het stempel van hun persoonlijkheid proberen te drukken op alle resultaten van het element, waarmee zij zich één gevoelen.
Daarnaast hebben wij te maken met de wereldzeeën. In die wereldzeeën is leven ontstaan en wij hebben daar reeds de eencellige en zelfs al enkele meercellige wezens ontmoet. Deze wezens zijn niet in die mate bezield, dat de geest in zijn geheel daarin leeft. Maar de geest concentreert zich erop, erkent dus de stoffelijke wereld en daarmee iets van zichzelf vanuit dat wezen. Naarmate de meercelligheid toeneemt, zal het aantal delen van een ego dat met: De stof wil één-worden ook meer aan de materie worden gebonden. Laten we zeggen voorlopig een deeltje voor elke cel.
Er ontstaat op den duur het leven van de eenvoudige dieren: De eerste mollusken e.d. In deze is het voor een geest, die nog niet al te bewust is, maar die door beperking tot zelfkennis wil komen, reeds mogelijk zich te manifesteren. Wij hebben hier al te maken met wezens, die laat ons zeggen – 9/10 van de geest in beslag kunnen nemen.
Nu zult u begrijpen, dat naarmate een geest meer in de materie wordt gebonden, gelijktijdig zijn leven verder wordt bepaald door zijn milieu. De omgeving is dus een buitengewoon belangrijke factor geworden en op deze factoren heeft degene, die is geïncarneerd of die zich heeft verbonden met de materie, weinig of geen invloed.
Wij kunnen dit 2e deel van de les dan ook De komst der Goden noemen, want elke geest straalt uit. Zijn denken, zijn beleving, zijn emotie zijn op geestelijk niveau kenbaar. Dat geldt zowel voor de hond als voor zijn baas. Het resultaat is dat entiteiten, die elders een vorming of een geestelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt (bv. tijdens de splitsing van een ster, waarbij planeten tot stand zijn gekomen) nu hun eigen “ik” daarin kunnen herkennen. Dit geestelijk “ik” echter heeft een veel grotere vrijheid dan het gebonden “ik”, dat deels materie is. In tegenstelling tot de materieel gebondenen, kan de nog vrije geest het milieu overzien. En zo ontstaat er een spel – ik kan het niet anders noemen – waarin entiteiten van buitenaf het milieu gaan manipuleren.
Wij hebben nu dus te maken met twee factoren: Enerzijds het deals bezielde materiële leven, anderzijds het in de materie geïnteresseerde, maar niet in de materie geopenbaarde geestelijke bestaan.
Deze geesten beginnen hun experimenten en – zoals ik u in Les 1 reeds heb gezegd – het milieu wordt dus voortdurend gewijzigd. Maar nu treedt er iets eigenaardigs op. Er is nl. een geestelijke wet, die zegt, dat alles wat ik ben, wat ik doe, wat ik beïnvloed deel van mijzelf wordt. Door in te grijpen scheppen deze entiteiten dus buiten de materie een verantwoordelijkheid ten aanzien van de materie. Je zou kunnen zeggen: Daar begint dan het gegooi in de glazen. Want als men eenmaal een verandering heeft aangebracht, heeft deze consequenties.
Oorzaak-en-gevolg is een wet, die niet alleen maar op aarde regeert. Zij regeert evengoed in de sferen. En degenen, die eenmaal hebben ingegrepen, zien zich gedwongen steeds weer in te grijpen. Het resultaat is, dat bij een groeiend aantal ingrijpende entiteiten buiten de stof langzamerhand een taakverdeling tot stand komt. Het is heel belangrijk, dat wij dit ook weer apart stipuleren, want deze taakverdeling maakt hen eigenlijk tot wat wij engelen zouden kunnen noemen. Zij verschillen in wezen niets van degenen, die geïncarneerd zijn. Het enige verschil is de vrijheid, waarin zij leven en eventueel een aantal ervaringen, die zij hebben opgedaan door hun contact met zonnen en wordende planeten.
Die taakverdeling impliceert, dat men tracht een levensvorm te ontwikkelen, waarin de geest dus weer vrij zal zijn. De opbouw geschiedt om de beïnvloedende entiteit te ontlasten van een verantwoordelijkheid, die hij voelt ten slotte niet vreugdig te kunnen dragen. Dus helemaal geen goedertieren goden, die op aarde alles goed willen doen. Neen, het vibrerende leven heeft als het ware hun vrijheid aangevreten. Deze materie met haar eigenaardige stormen, haar rampen en de daaruit voortkomende wisselingen van belichaming en vergeestelijking zijn een deel van hun aansprakelijkheid geworden. En zo gaat ieder voor zich trachten een levensvorm te maken, die houdbaar is.
Die houdbare levensvorm zal in het begin op het water gericht zijn. Wij vinden in het water langzaam maar zeker steeds grotere dieren. Het zijn vissen, maar zij krijgen al een heel behoorlijke omvang. Er zijn visjes bij, waar menige snoek heel trots op zou zijn. De vorm is misschien wat primitief. Er is nog geen sprake van nauwkeurig uitgebalanceerde zwemblazen en van een volledige graat. Ze hebben een soort buitenhuid, een buitenskelet. Maar goed, ze zijn er. En nu blijkt, dat naarmate die wezens groter worden, het strijdelement ook groter wordt.
De dirigerende geesten zoeken naar een balans. Maar het zoeken naar een evenwicht wordt voortdurend verstoord door de egocentrisch georiënteerde bestreving van de entiteit, die zich met de materie één heeft gemaakt en die daar zo langzamerhand bijna voor 99 ten 100 in is verdwenen. Het leven begint steeds meer te strijden tegen zijn wetten. De algemene strijd, die in het begin alleen een kwestie was van grazers en jagers, wordt langzaam ontwikkeld tot een klassenstrijd, waarbij soort tegenover soort staat en zelfs de grazers vaak dodelijke wapens ontwikkelen om zich te verdedigen tegen hun vijanden. Een complete oorlog.
Deze oorlog is natuurlijk niet meer aanvaardbaar en tezamen met elementale invloeden, die daarin ongetwijfeld een grote rol hebben gespeeld, probeert men de eerste plantaardige gewassen (grotendeels ontwikkeld uit een soort algea) op vaste bodem te krijgen. Er ontstaan enorme moerassen en daarin ontwikkelen zich eerst enorme mossen, later verschillende varensoorten. De voortplanting geschiedt nog door sporen. In deze wouden en met deze voeding is er leven mogelijk, zodat men zich deels onttrekt aan het natte element, deels, want de atmosfeer is ontzettend vochtig. Er is een voortdurende regenbui, waarbij het losbarsten van een tropische moesson een vriendelijk meiregentje lijkt.
In deze moeraswouden ontstaan nu de eerste amfibieën. Deze amfibische wezens zullen langzaam maar zeker, terwijl de aarde onder vulkanische werkingen en mede onder invloed van een steeds dunner wordende atmosfeer met haar enorme waterinhoud, tot landwezens worden. Nu ontstaat er weer een splitsing. Met deze splitsing hebben we een bewijs van de verwoede poging tot mutatie, dit wil zeggen het vinden van een vorm, die in het milieu volkomen harmonisch is. Denkt u eens aan een kudde brontosaurussen gejaagd door een tyrannosaurus of zelfs door de verschrikkelijke reus de tyrannosaurus-rex. Denk aan de pterodactiel, die door de lucht gaat als een enorme vleermuis en met zijn gesnavelde bek aanvallen doet op alle kleinere wezens. Men probeert een vorm te vinden, die bij deze primordiale wereld past. Ondertussen wordt de atmosfeer steeds dunner en de temperatuur van de aarde steeds lager. De broeikaseffecten, die er oorspronkelijk bestonden bij een zeer zwaar verzadigde atmosfeer, die aan de bovenkant ook nog behoorlijk elektrisch geladen was, nemen af. En dit betekent, dat er de mogelijkheid is geschapen voor andere mutaties. Er ontstaan de eerste warmbloedig dieren, echter langs vele tussenvormen.
Men gaat echter beseffen, dat het niet voldoende is om alleen maar de vorm te beïnvloeden. En aangezien er nu eenmaal een soort telepathie bestaat, wij hebben dat in het eerste lesje al bekeken komt er een beïnvloeding, die later genetisch zal worden vastgelegd. In de plaats van de anarchistische situatie, die ongeveer een 12 miljoen jaren heeft bestaan, treden nu instincten. Dit is een ingrijpen van de krachten buiten de stof. Degenen, die in de stof leven, ervaren deze instinctieve drang als een deel van het milieu. Hierdoor is het mogelijk inderdaad een zekere balans, een zekere wetmatigheid te brengen in een bestaan, dat anders volledig bandeloos en daarmee ook qua ervaring bijzonder wisselend zou zijn.
De entiteiten, die nu optreden, noemen wij groeps- of rassengeesten. Een dergelijke rassengeest zal meer gebonden zijn aan het ras, dat hij probeert op te voeden naarmate hij minder persoonlijke reacties binnen het kader van de instincten mogelijk kan maken. En daardoor blijkt het ras van bv. de sauriërs onaanvaardbaar te worden. De sauriërs zijn bij uitstek instinctdieren. Hun instinct is zo sterk, dat bv. het instinct om te doden niet kan worden verbonden aan het instinct om te eten. De honger kan een prikkel zijn tot het doden, maar zodra het doden geschiedt, wordt het een doel in zichzelf en zal het dier vaak in een uitputtende woede voortgaan te doden, terwijl het half verhongerend langzaam zelf succumbeert aan zijn woede.
Hier heeft men kennelijk gezien: Die vorm deugt niet meer en men heeft getracht er wat aan te doen. Ook de enorme omvang van deze dieren, die zwaarder zijn dan een moderne tank, speelt een rol. Zij kunnen zich, zelfs als de hemel wat gaat opklaren, toch niet blijven bewegen in een wereld, waarin het water steeds minder en het beschermende moeras steeds kleiner wordt. Er is een keuze nodig. Sommigen proberen deze dieren terug te brengen naar de zee. Anderen proberen aan de kusten kolonies te vormen van de onder hen staande rassen en daarin mutaties aan te brengen: Zo vinden wij op bepaalde plaatsen, meestal in beschermde baaien, hele kolonies van dieren, die zo’n beetje op een kruising lijken van een otter en een zeerob. En daar deze dieren een gemeenschapsinstinct hebben, wordt het mogelijk ze ook meer direct te beïnvloeden.
Het leven op aarde moet worden gewekt tot een zekere zelfstandigheid. Zo ontstaat er het eerste contact met geesten van buiten de materie, die zich materialiseren. Of wij deze contacten nu direct kunnen zien als een godsdienst, is een grote vraag. Wel is zeker, dat die contacten met geesten door de communiteit worden ervaren als iets dat eigen bestaan bevordert. Langzaam maar zeker ontstaat er een soort plechtigheid. Wij weten, dat deze bewoners van de kustgebieden en kustmoerassen bepaalde podia aanliggen (zoals de bever een dam maakt), waarop die manifestatie plaatsvindt en dat zij daar regelmatig bijeenkomen.
Wonderlijk hierbij is overigens het tijdsbegrip, als u zich realiseert dat er geen sterren, geen zon en maan zichtbaar zijn. En dat zelfs de rotatie van de aarde een enigszins andere is. Er zijn geen jaren. Er is alleen maar een wisseling van duisterder en lichter, van eeuwige regen en daarnaast een vreemd element van bewustzijn: Nu is het de tijd. Wij vinden dat bij dieren nog steeds terug, een soort ingebouwd uurwerk, zou je het kunnen noemen. Zij weten heel goed wat de tijd is.
Hier krijgen wij dan te maken met een geest in de materie, die tenminste halfbewust contact zoekt met een geest, die niet in de materie leeft. Het is duidelijk, dat hieruit een aantal nieuwe mutaties kan voortkomen en dat gebeurt dan ook, deze op zichzelf nog robachtige wezens gaan zich meer en meer wegen in de kustwouden waar nog altijd enorm grote warenbomen staan. Daar ontmoeten zij een andere vorm van bestaan, die wij het best insecten kunnen noemen, al zijn ze ook niet te vergelijken met de insecten; die wij nu kennen.
Deze wezens hebben inderdaad een veel grotere gemeenschapszin, maar juist in dit vochtige element kunnen zij minder gemakkelijk kolonies vormen. De eenvoudige bloedzuiger-typen proberen het wel, maar worden over het algemeen geweerd en vernietigd. Een soort zelfbehoud dus weer van die warmbloedige wezens, met als eindresultaat dat een deel van de vroege stammen, die insectachtigen zouden kunnen worden, uitsterven. De andere wezens trekken zich verder terug op het droge: Ik heb hier nu een stukje evolutie geschetst. Bij die evolutie is het interessante, dat wij een uiteenvallen krijgen in vier afzonderlijke groepen. Elk van die groepen wordt mede door geesten van buitenaf geholpen en geleid. Dezen kunnen wij rassengeesten noemen. In elk van die groepen manifesteert zich een geest, die bezielend optreedt en het grootste gedeelte van zijn bewustzijn in het materiële wezen concentreert.
Wij hebben dan te maken met:
- wat wij later de insectenwereld kunnen noemen.
- de primaire of de primitieve wereld van de warmbloedigen.
- de koudbloedigen.
- de zeebewoners.
Een eigenaardig beeld dus. vier afzonderlijke groepen, die elk een eigen evolutie doormaken en waarbij de behoeften van een ieder anders zijn. Je zou bv. kunnen zeggen, dat er intelligente zeebewoners opduiken, Zeker een ander soort intelligentie dan u kent. Ik geloof niet, dat het gemakkelijk is om met een dolfijn of een haai als mens te converseren. Toch bezitten deze dieren een zeker intellect. Zij kennen een gemeenschapsleven, zij hebben dus sociale zin en er bestaat onder hen zelfs een zekere ethiek, ook nu nog. Het is dus geen wonder, dat je ar eigenlijk heel verbaasd tegenover komt te staan, als je dat zo ziet. Je zegt: He, dus het leven in de zee kan – al lijkt het ons mensen misschien op lager niveau te staan gelijksoortige waarden voor de geest bevatten. Inderdaad. De mens is de hoogste vorm van de evolutie van het selectieproces bij de warmbloedigen, voor de andere echter telt dit niet mee.
Er zijn dus verscheidene evolutiemogelijkheden op aarde. Het zijn werelden, die elkaar niet of ternauwernood beroeren. De wereld der insecten komt eigenlijk pas tot aanzijn, wanneer langzaam maar zeker dag en nacht werkelijk kenbare waarden worden. Er is altijd nog wel de druilregen, maar je kunt toch niet meer zeggen, dat er een voortdurend waterhoos is. Daar is geen sprake meer van. De insecten gaan nu evolueren. Ze worden wat kleiner en ze zijn de eersten, die eigenlijk beginnen veilige ruimten te zoeken; ze worden nl. door de amfibieën achtervolgd. En daar voor hen die pressie in het begin wel de grootste is, zijn zij het die het eerst komen tot een soort gemeenschapsleven, waarbij bepaalde wetten ontstaan en wij zelfs de eerste kunstmatige versterkingen zien. Er worden nl. woningen gebouwd, uitgangen van woningen beschermd, al is het maar door stenen en een ophopen van de eigenaardige leemachtige moddermassa, die overal nog te vinden is. Dit alles geeft later het aanzien aan de insectenvolkeren.
Nu weet ik wel, dat ze voor de menselijke geschiedenis een legende zijn. Toch wil ik erop wijzen, dat hooggeorganiseerde wezens, als bv. de mierenvolkeren, niet zomaar ontstaan. Wij kennen bepaalde groeperingen (ik denk bv. aan de soldados in Zuid-Amerika, de beruchte trekmieren, die alles verwoesten), waarvan wij kunnen zeggen dat een eigenaardige entiteit belichaamd schijnt te zijn in alle of althans in een groot gedeelte van de dieren, die deel uitmaken van het volk.
Er ontstaat een communaal bewustzijn, dat dirigeert wat er gebeurt. Vandaar ook dat men het helemaal niet erg vindt om levens te offeren. Om een rivier over te trekken wordt doodeenvoudig desnoods een kwart van het volk opgeofferd, maar dan moet de overige driekwart ook verder kunnen gaan en kunnen leven. Dat is te verklaren, als u bedenkt dat wij in het begin een zeer sterke telepathische communicatie hadden. Deze communicatie bestond niet uit woord- of beeldcommunicatie; het was een overdracht van gevoelens, onlust, angst e.d., evenals bevrediging, tevredenheid, zekerheid. Het is duidelijk, dat aangezien deze volkeren al vanzelf door het milieu worden georganiseerd, er buiten de stof een entiteit moet zijn, die denkt: Hier kan ik iets proberen. En er ontstaan dan inderdaad wat wij kunnen noemen, hoogontwikkelde insectenvolkeren. Daaronder zijn soorten, die 30 tot 50 keer zo groot zijn als die u vandaag kent als de grootste soort en dat zijn heel behoorlijke monsters.
Deze monsters leven – helaas zou ik zeggen – hoofdzakelijk op zanden steenvlakten. Verder is het jammer, dat elk overlijdend lid van een gemeenschap automatisch tot voedsel wordt voor zijn soortgenoten. Er zijn dus weinig overblijfselen te vinden. De op zich kleine gemeenschappen zij omvatten – laten we zeggen 40 tot 80 van deze insecten vinden eigenlijk de eerste methode uit om te wonen en te leven. Zij kennen een bewuste stamverwantschap, die veel verdergaat dan die van de warmbloedige dieren op dat moment. Die kennen alleen een soort familiegemeenschap. Bij de insecten treedt althans op dat moment nog geen aseksualiteit op. Er is in het begin dus sprake van manlijke en vrouwelijke dieren, die alle vruchtbaar zijn. De niet-vruchtbare werksters, die wij bij de mieren en de bijen zien, komen pas veel later op het tableau te staan.
Deze duren zijn ook de eerste denkers en het is zeer waarschijnlijk hun voorbeeld, dat de primitieve, nog niet menselijke warmbloedige vormen ertoe brengt ook niet alleen maar de wouden in te trekken en zich daar voort te bewegen, maar ook om uit die bossen de langzamerhand ontstane open plaatsen en rotslandschappen in te trekken en daar voor het eerst beschutting te zoeken, niet alleen onder een enkele overhangende klip, maar ook in holen.
Het is u in de loop van deze les reeds duidelijk geworden, dat de koudbloedigen een enorm snelle ontwikkeling doormaken. En dat is ook mogelijk. Voor wie voedsel zoekt, is er een zee van voedsel. Niet alleen het blad van een boom, de hele boom is verteerbaar. Zelfs het moeras is doortrokken van voedende bestanddelen. De temperatuur en de straling zijn precies juist. Het -is dus -duidelijk, dat zij enorme grootten gaan bereiken. En als u nu een leguaan ziet, dan moet u maar denken dat die in het verleden ook hebben bestaan, maar onder gunstige omstandigheden steeds groter konden worden, zoals wij nu nog bij enkele verenen (denk bv. eens aan de Komodovaraan) zeer grote exemplaren kunnen aantreffen, doch alleen op plaatsen, die bijzonder gunstig zijn voor het leven van een dergelijke vorm.
Deze wezens worden ook gegroepeerd en hier onderscheidt man de jagers en de grazers wel bijzonder sterk. Oorspronkelijk was er sprake van grazende gemeenschappen of kudden en jachtgemeenschappen, meestal kleiner in aantal, maar toch veelal van 6 tot 15 à 16 dieren bevattend. Op den duur wordt de jachtgier zo groot, dat wij jagers aantreffen, die buiten een zeer korte bronsperiode elkaar niet eens kunnen zien. Zij vechten vanaf het ogenblik dat zij elkaar aanschouwen.
Ook in de zeeën zien wij dergelijke wezens. Te midden van dit hele geroezemoes zijn de warmbloedigen nog maar een armelijk groepje. Het eerst noodzakelijke is snelheid en die kan bestaan uit snelheid in zee (in het water) of snelheid op het land. Voor de keuze op het land zien wij de eerste vormen van wat later paarden, zebra’s e.d. zullen worden. Dieren, die buitengewoon snel zijn en in die snelheid hun verdediging moeten zoeken. Zij zijn ook klein. Dat is te begrijpen, want zij moeten zich door zeer dichte wouden heen kunnen wringen, zij moeten dekking kunnen zoeken tussen rotsen voor hun grote vijanden. Toch zijn deze dieren, juist doordat worden gejaagd, niet geschikt om daarin een werkelijk grote ontwikkeling te leggen. Je bent ergens beperkt, de robachtigen hebben zich ondertussen ook weer gescheiden. Er zijn er bij die later weer in zee gaan leven en er zijn er ook, die speciaal zandbank- of eilandbewoners worden. Een deel van hen ontwikkelt echter de longen zo goed en zo snel, dat manipulatie noodzakelijk wordt en wij zien voor het eerst een poging – en die moet toch werkelijk wel vanuit de geest erin gelegd zijn – om een soort grijpklauw te maken. De grijpklauwen zullen wij later overal terugvinden. Denkt u maar eens aan bv. de sabeltijger. Die heeft een uitdrukkelijke grijpklauw, zij het op een andere manier gevormd misschien dan deze zeer primitieve, naar het aapachtige toegroeiende wezens met vier ledematen.
Deze groepen met hun contact met de geest hebben meer leiding en zij kunnen gemakkelijker onthouden. Een voortdurend contact met die hogere entiteiten maakt het nl. noodzakelijk de ontvangen beelden en impressies vast te leggen. Er ontstaat een gedachtetaal die verdergaat dan die van alle andere wezens, uitgezonderd de insectenwereld. Er ontstaat verder een geheugen, dat aangezien hier niet zozeer kan worden teruggegrepen naar een gemeenschappelijk denken, zoals bij de insecten per persoon beter ontwikkeld is. En dit betekent, dat er eindelijk een wezen is geboren op aarde, waarin het de moeite loont om als geest helemaal, maar nu voor 100 % onder te duiken.
De eerste volledig door de geest beleefde stoffelijke bestaansvormen zijn de verre voorvaders van de mensen. Instincten regeren hen verder, maar zij bouwen een sociale orde op. Door het contact met deze geesten ontstaat daar, waar de gemeenschappen al wat groter worden – wij kennen dan dorpen met een omvang van 200 tot 800 exemplaren- een soort priesterschap: Degenen, die de eersten zijn om bij een manifestatie van de geest dit contact op te nemen en die geestelijk dus ook bekwamer zijn om wat de geest als het ware uitstraalt aan anderen weer te geven of de gedachte te herhalen en te versterken. Daarnaast zijn er de verdedigers. Er ontstaat dus een primitief soort krijgsman kaste en deze twee groepen tezamen dirigeren het leven van de overigen.
Als zij eenmaal de bossen gaan intrekken, kan men spreken van een kudde-bestaan. Die volkeren tellen in de tijd dat zij trekken 30 tot 100 exemplaren. Daaronder vinden wij de vechters, de priesters (vaak wijfjes) en de gewone meelopers, die kennelijk ook diensten moeten verrichten voor hun meerderen en die dit dan ook doen.
De eerste gemeenschap is geboren. Als die gemeenschappen langzaam maar zeker goede jachtgebieden gaan vinden (het zijn ten slotte jagers; de mens is een omnivoor, maar zijn verre voorvaderen waren toch heus wel vleeseters) krijgen wij te maken met zeer primitieve rijken. Een kudde heeft een jachtgebied, een naastliggende kudde heeft een jachtgebied en over en weer zien wij diefstal van jongen, maar ook van mannetjes en wijfjes.
Een relatie bouwt zich op. Het wordt mogelijk om een soort rijk te stichten. Deze rijken van in het begin misschien 1200 tot 1500 burgers omvatten een betrekkelijk groot areaal Deze wezens gaan geleidelijk aan begrip krijgen voor de mogelijkheid om eens met iets te gooien. Er is dus nog helemaal geen sprake van het bewust hanteren van iets, slechts van het werpen van voorwerpen. Zo ontstaat er een methode van verdediging. Later krijgt men begrip van zwaartekracht: Iets wat boven is, valt naar beneden en men komt tot methoden, waarmee bv. in de rotsen, die dan al bestaan, kleine lawines kunnen worden veroorzaakt. Het is allemaal heel interessant: Er is nu een gemeenschapsleven en er kan dus ook een gemeenschappelijk bewustzijn ontstaan.
Het leven, dat tot nu op aarde wat ongevormd en wat anarchistisch heeft rondgedoold, vindt een steeds groter wordend houvast ten aanzien van de omgeving. Enkele volkeren (zoals de insectenwereld en de voorvaderen van de mens) zijn in staat langzamerhand hun milieu ook aan zich aan te passen. Opvallend is hierbij, dat de insecten eerder tot een soort landbouw komen dan de mensen. De mensen blijven jagen. De insecten kennen in die tijd geen strijd, dat komt pas veel later. De mensen voeren reeds in die tijd onderling veel strijd. Ik ben bang, dat zij een voorschot hebben genomen op Kaïn en Abel, zelfs al in die dagen.
Nu gaan wij een ogenblik terug naar de insectenvolkeren. De insectenvolkeren worden steeds groter, maar de entiteit, die daar het gezag heeft en hen probeert te helpen, is kennelijk meer gericht op het bevorderen van een gemeenschappelijk bewustzijn of een bovenbewustzijn dan van een persoonlijk bewustzijn. Er ontstaat nu onder de volkeren van de insectenwereld een splitsing tussen het gemeenschappelijk bewustzijn dat naar buiten toe optreedt en het persoonlijk bewustzijn dat een kwestie is van bevrediging van het eigen wezen. Wij zien dat bij de insectenvolkeren van vandaag nog. Als we bij de mieren gaan kijken, dan zien we dat enige zich heerlijk hebben bezat aan het een of ander melksap en als dronken kerels lopen te zwaaien. Maar wij zien ook, dat diezelfde dronken mieren ineens door een impuls worden gepakt en dan mee gaan werken met de groep, waar zij bij horen, hetzij als krijgers, poortwachters, lastdragers of verkenners. Hun dronkenschap heeft daarmee kennelijk niet veel te maken. Er is dus een kracht, die hen voortdrijft. En zo is dat in het verleden ook geweest.
De gemeenschap kreeg een steeds grotere vat en op den duur was het de gemeenschap, die dacht en de eenling had alleen maar rekening te houden met zijn persoonlijke wensen en behoeften en daaraan tegemoet te komen, voor zover de gemeenschap hem niet opeiste. Daarmee was echter gelijktijdig ook de dood van de verstandelijke evolutie van de insectenwereld aangebroken. Want het leven op zichzelf mag een mooie kracht zijn, maar het krijgt zin, indien dat leven gepaard gaat met een persoonlijk bewustzijn. Alleen de bevrediging van persoonlijke lusten en verder in het leven gedirigeerd worden niet een zeer gebrekkige, zoal bestaande belangstelling voor het milieu, voert nu eenmaal tot een versuffing. Vandaar dat langzaam maar zeker de incarnerende entiteiten zich uit de insectenwereld gaan terugtrekken; zij blijven er steeds meer buiten. Wij zien op den duur een kleine groep bezielende geesten optreden (3 of 4 misschien) als centraal bewustzijn voor een volk, dat misschien 1000 of 10.000 leden telt. Iets, wat stoffelijk gezien heel mooi is, maar van geestelijk standpunt niet door de beugel kan.
Hoe het met de sauriërs is gegaan, heb ik u al verteld. Wij moeten nu dus terug naar de mens. Als er eenmaal rijken zijn, komt er een tijd dat die ten opzichte van elkaar een zekere belangrijkheid krijgen. In het ene rijk is een jachtbuit te halen, die in het andere niet bestaat. De een heeft vruchten, die een ander niet heeft en de primitieve behoeften beginnen. De een heeft ook steentjes en dingetjes, die mooier zijn dan die van de ander. Er ontstaat iets, dat men met ruilhandel kan vergelijken, maar wat in feite een poging is tot samenwerking. Omdat juist in deze periode zowel de insectenvolkeren als de sauriërs en de amfibieën zeer gevaarlijk zijn, ontstaat langzaam maar zeker een bondgenootschap van deze vroege voorlopers (nog steeds in de bossen wonend, vergeet dat niet) tegen hun vijanden. Op den duur worden er van die stammen natuurlijk enkele uitgestoten. Zij worden verdreven naar de meer open ruimten, waar de bomen niet altijd meer een toevlucht zijn. En van hen uit ontwikkelt zich een soort, die – vergelijkend gesproken – lijkt op de chimpansee, terwijl een andere soort meer doet denken aan de maki.
De ontwikkeling gaat verder. Degenen, die nog in de open vlakte leven worden meer gejaagd en hebben dus minder kans om te blijven bestaan. Maar daardoor komt er ook een grotere selecte. Alleen diegenen blijven leven, die in erfelijke eigenschappen het meest capabel zijn en dit capabel zijn omvat ook denkvermogen, herinnering, oriënteringsvermogen en improvisatievermogen. Dat improvisatievermogen moge blijken uit het feit, dat uw zeer verre voorvaderen (nog helemaal geen mensen, maar een tussenvorm eigenlijk tussen oerdier en aap en mens in) gebruikmaken van stenen. Zij ontdekken, dat je in gevallen bladeren en gevlochten stukjes blad (het waren taaie dingen in die tijd) steentjes kunt meenemen. Zij ontdekken ook dat, als je met steentjes en met stukjes hout gooit en desnoods nog met kluitjes aarde, je daarmee een vijand in de war kunt brengen. Zij zijn dus voor het eerst gewapend.
Om te leven moeten zij elkaar helpen. In het begin is dat natuurlijk een kwestie van het mannetje, dat het vrouwtje te hulp komt, dat zijn nageslacht verdedigt. Maar al heel gauw gaan de mannetjes elkaar bijstaan. Een kudde-instinct, dat helemaal niet zo vreemd is als u denkt. Als u tegenwoordig wilde runderen ziet, die worden bedreigd door gevaar, dan zien wij de vrouwtjes en de jongen in het midden en daaromheen de stieren. Zo was het waarschijnlijk daar ook in het begin. Maar dan blijkt, dat er een sterker is dan de anderen, dus meer bescherming bieden kan. Hij krijgt dus niet alleen meer vrouwtjes onder zich, maar ook meer respect van de anderen, die hij bijspringt. Er ontstaat een afhankelijkheid, waarbij wij te maken krijgen met een stamgenootschap, waarin nu werkelijk de krijger koning is.
Juist bij deze groep is het priesterschap in het begin niet zozeer in ere. Het priesterschap dient eerder om waar te nemen op afstand. Degenen, die de communicatie met de geest als hun doel zien, worden wel geëerd en gerespecteerd, maar toch voornamelijk beschouwd als degenen, die moeten zeggen of er een vijand in de buurt is en of er jachtbuit te halen is. Dit zal heel lang blijven voortduren. De eerste magie van de mens is dan ook de jachtmagie. De andere groepering ondertussen – en dit is nu weer een heel eigenaardig feit – ontwikkelt zich qua gemeenschap veel sneller. Grotere samenleving, grotere geborgenheid, dus grotere aantallen, maar door een kleiner, selectie gelijktijdig een lager gemiddeld intelligentiepeil. Een grotere afhankelijkheid ook ten aanzien van de rassen- of .stamgeest en dat is voor menige beïnvloedende geest een factor van belang. Voor degenen, die op de vlakte leven, zijn zij niet meer in zo grote mate aansprakelijk als voor hen, die in de bossen wonen. Men besluit daarom de stamgemeenschap, die zich primitief gevormd heeft een gezagsgemeenschap bij de vlakte bewoners ook toe te passen op de woudbewoners en daarmee wordt de eerste basis gelegd voor het later zo fabelachtige keizerrijk Mu.
Misschien zou men kunnen zeggen, dat Mu eigenlijk begonnen is in die kolonies van half waterwezens (amfibieën), die daar aan de beschermde kusten voor het eerst contact kregen met geleidegeesten of rassengeesten. Hoe het ook zij, het is zeker, dat zich langzaam aan een gemeenschap opbouwt. In die gemeenschap zijn nog steeds de jagers en de priesters het meest belangrijk. De priesters hebben een suprematie. Er ontstaat een soort priesterrijk, waarin een arbeidsverdeling wordt gegeven op instigatie van de geest. En dan kunnen wij werkelijk spreken van de eerste menselijke gemeenschap. Ook al is er nog helemaal geen sprake – laten wij dat wel verstaan – van homo sapiens. Dit ligt nog voor de neanderthaler en voor homo pekinensis.
Als ik nu even mijn wat historisch betoog mag onderbreken, wil ik u wijzen op een paar eigenaardigheden. Kennelijk is er hier dus sprake van een contact met geesten. Zolang dat niet wordt beseft, ach zolang is dat een automatisme. Maar naarmate het persoonlijk bewustzijn groeit, is het ook duidelijk dat die geesten meer persoonlijkheid krijgen in de ogen van degenen, die zij helpen en beschermen. Als ik zo even zei: Je zou kunnen spreken van de komst der goden, dan is dat in de dubbele zin des woords waar. Het is de geest, die manipulerend optreedt en door zijn aansprakelijkheid aan de materie gebonden blijft. Maar het is ook de geest in de materie levend, die het contact met de buiten de stof bestaande geest gaat erkennen en deze gaat zien als zijn absolute beheerser en leidsman.
Wij zien hier dus eigenlijk de godsdienst ontstaan, zonder dat er sprake is van het begrip God of zelfs maar van geloof. Het is een feitelijkheid. Maar het afschuiven van verantwoordelijkheid, zoals dit vooral in de eerste groeiperiode van het keizerrijk Mu gebeurt, is gelijktijdig een erkennen van de geest (de groepsgeest in casu) als een almachtig wezen. Men denkt en reageert niet zelf, men roept de godheid, men roept die geest aan. Er zijn geen vorsten, die zelf besluiten nemen. Men roept de geesten op en men verwacht, dat die geest het antwoord zal geven.
Tegenwoordig zien wij hetzelfde idee nog bestaan. Zeker, er zijn geen mensen meer, die sub-apen zijn, maar er is nog steeds de neiging om het een of ander te evoceren, dat dan alle belangstelling heeft, maar tegelijk dan ook alle verantwoordelijkheid moet dragen. De goden van eens zijn tegenwoordig een systeem of een geloof geworden, dat is waar. Die dingen manifesteren zich niet meer zo kenbaar als eerst de schemerende lichtzuilen, die het stoffelijk kenbare teken waren, dat een rassengeest communiceerde met het ras dat hij beschermde.
Maar de roep: “Noemt gij de aansprakelijkheid, wij hebben onze wensen. Zeg ons, hoe wij ze waar moeten maken, ” klinkt nog steeds. Er is wat dat betreft misschien weinig veranderd. Want al veranderen de vormen en de beschavingen, het leven op zich verandert echter eigenlijk weinig.
U allen, zoals u hier nu bij elkaar zit, hebt uw tijden gehad dat u zelf niet meer wist wat u moest doen. En wat heeft u gedaan? U heeft geroepen tot de ander, tot de geest, tot God. En wat meer is, u heeft niet, verwacht, dat die manifestatie in uzelf zou bestaan. U heeft verwacht, dat zij buiten u zou zijn, dat het gebeuren van buitenaf zou komen. Dat is uw erfdeel van Mu. Deze hele historie wordt nog interessanter, indien wij gaan begrijpen dat ook een inwijdingssysteem op die manier moet groeien. Want het is duidelijk, dat naarmate de aantallen groter worden een rassen- of beschermgeest zich moeilijker tot allen gelijktijdig kan wenden. Er is een steeds grotere differentiatie van gedragspatroon en van denken. Het instinct, dat allen geleidt, zal toch niet de eigen reactie op de omgeving helemaal kunnen bepalen. Het resultaat is dat speciale priesters, die meestal zichzelf al op de voorgrond hebben geschoven, worden uitgekozen wegens hun grote receptiviteit.
Een stoffelijke manifestatie van de groepsgeest kan natuurlijk gebeuren, maar zij kan niet 100 keer plaatsvinden. Er moeten dus mensen worden gevonden, die als het ware op grote afstand kunnen ontvangen en die dan met het gezag van de rassengeest kunnen spreken. Zij zijn de eerste ingewijden op aarde en daarmee tevens de aanleiding tot het ontstaan van de eerste Witte Broederschap, ofschoon indirect en tegen hun zin.
Nu moeten wij even teruggaan naar onze vlaktebewoners. Deze vlakte bewoners ontdekken, dat die vlakten toch eigenlijk niet zo aangenaam zijn en nu er eenmaal eilanden zijn ontstaan kleine stukken vast land door water omgeven zoeken zij daarop zekerheid. Zij zoeken dus methoden om zich over het water te verplaatsen en ofschoon hun eerste pogingen ongetwijfeld onbeholpen zijn takkenbossen en stukje van het sponsachtige hout van die dagen als vlot, beginnen zij toch langzaam maar zeker begrip te krijgen van wat men de eerste zeevaart zou kunnen noemen.
Nu moeten zij echter op een gegeven ogenblik via de kustgebieden verder. Die kustgebieden zijn meestal wouden. Er is toestemming nodig om ongedeerd erdoor heen te mogen trekken van – zeg maar – de mensen van Mu. En zo ontstaat het contact tussen het keizerrijk Mu en degenen, die later de Atlantiërs zullen worden.
In deze tijd begint zich bovendien nog een andere eigenaardige ontwikkeling te voltrekken. Een satelliet wordt in het zonnestelsel door de aarde ingevangen. Een andere satelliet wordt vernietigd. De aarde beeft, scheurt. Haar aanzijn verandert, maar de atmosfeer vooral krijgt een grote stoot. Voor het eerst sedert het ontstaan van de aarde schijnt er elke dag een beetje de zon. En nu moet u weer even verder denken. Zon heeft invloed op de pigmentering, zoals ook voedsel de pigmentering kan beïnvloeden. We zitten nog steeds in een maatschappij van hoofdzakelijk jagers en de witte jagers, zullen we naar zeggen, kleuren het eerst. Zij gewennen zich het eerst aan het zonlicht, want op hun eilanden is de plantengroei niet zo overdadig. Bovendien kunnen zij op die eilanden niet voldoende jagen. Hun jachtgebied wordt dus de zee, zij worden vissers. En daar het plantaardig voedsel, dat zo’n eiland oplevert, ook niet altijd voldoende is, ontstaat de eerste primitieve landbouw.
Het is eenvoudig het samenbrengen van de planten, waarvan men meent dat zij nuttig zijn. Later het ongericht en op onbewerkte grond uitstrooien van zaden. Deze mensen gaan vaak in het zeer zoute zeewater en zij worden daardoor wat gebruind. Hun haargroei, dat nog tamelijk vachtachtig is (tegenwoordig zou menige filmster een kapitaal betalen voor een pruikje borsthaar, zoals zij het daar allemaal nog van nature hadden, wordt gebleekt door het zout en de zon en wij krijgen het blonde ras.
Dat blonde ras gaat ook erfelijk het een en ander overleveren en wij krijgen te maken met mensen met lichtere ogen en wat kleinere pupillen. Ook begrijpelijk. Het is de tegenstelling tussen het bestaan in de schaduw van de nog steeds dichte wouden en het bestaan op de open oceaan, waar men toch voortdurend met het felle zonlicht wordt geconfronteerd. Er worden rassen geboren, die verschillende eigenschappen hebben.
Bij het contact met het eiland Mu heeft men ontdekt, dat priesters toch wel erg nuttig zijn. En er zijn sjamanen, die bij de bewoners van Mu gaan studeren. Nu komen er ook voor Atlantis mensen, die in staat zijn het contact met de geest op te nemen, die geschoold zijn in een zeer grote receptiviteit. Maar zij werden niet zo beheerst door het instinct en de gemeenschap als de bewoners van Mu. Zo ontstaan dus het eilandenrijk Atlantis en het keizerrijk Mu. De mensen van Mu zijn, zoals ik al zei, een wat donker ras. Zij zijn later, ofschoon niet bewust en willend, de leveranciers van een deel van de slavenvolkeren van Atlantis. In deze tijd met het toenemende zonlicht en het verbreken als het ware van de voortdurende schemer, zijn er ook niet meer die mogelijkheden om met de geest voortdurend in contact te treden. De zaak verandert te snel en te fel en wij zien, dat men in het duister een herinnering aan de schemer van voorheen nog steeds tot de goden bidt zij hebben nu namen gekregen en die manifesteren zich niet alleen meer als een lichtzuil, maar heel vaak als een lichtschijnsel rond een ritueel voorwerp, meestal een soort zuil. Daarmee is eigenlijke. een beslissend moment aangebroken, dat misschien wat somberder is dan u zou denken.
Moet degene, die heeft geholpen dit ras van Mu tot stand te brengen verdergaan op deze manier, dan zal dezelfde mislukking optreden als die men ook bij de insectenvolkeren heeft gezien. Insectenvolkeren, die nog steeds bestaan, maar die toch eigenlijk weinig persoonlijk intellect en weinig geestelijke waarde opleveren. Het kan niet, dus gaat men trachten om de instinctdrang te breken.
Bij de Atlanten, die toch al wat zelfstandiger zijn, gelukt dat zonder meer. Wij zien dat bv. de vaste paringstijden langzaam maar zeker worden vervangen door een soort paring naar believen. Wij zien ook dat de trek die er altijd toch nogal sterk in zat (dit is de tijd voor landbouw; dit is de tijd voor jagen; en dit is de tijd voor wat anders ook langzaam aan gaat plaatsmaken voor een trekken naar believen en een reageren naar believen.
Voor degenen, die in de wouden leven, is het veel moeilijker. Wij krijgen daar een scheiding tussen de echte Mu-bewoners, die dus nog steeds helemaal gericht zijn op het centrale punt, en aan de andere kant de meer zelfstandigen, die wegtrekken omdat zij in die gemeenschap niet helemaal meer passen. Er ontstaan zwerfvolkeren, die nogal ver weg trekken. Wij zien hen de hele Stille Oceaan bijna doorkruisen. Wij zien hen door Afrika gaan. Zij zijn kort en goed de voorgangers van wat wij de negroïde en mongoloïde rassen noemen.
Deze stammen nu worden dan later weer aangetrokken door de macht en de kennis van de Atlantiërs en aangezien de eilanden niet alles bezitten, wat er op het vasteland is, ontstaat er handel, die in het begin plaatsvindt met vlotten, maar op den duur met een soort uitlegger-kano’s, waarin men een nogal grote lading kan vervoeren. Die uitlegger-kano’s worden later vervangen door vlotten op twee drijver-lichamen, die weer doen denken aan de karavanen van tegenwoordig.
De Atlantiërs zijn nu dus handelaars geworden en alles, wat het rijk hifi heeft gekend onder leiding van die grote geesten, wordt nu bok overgeleverd aan de Atlantiërs. Gelijktijdig krijgen zij zelf stimulansen. Een priestergenootschap groeit en wordt het eerste bewuste inwijdingsgenootschap. Er is geen sprake meer van een selectie alleen door de geest. De mens maakt de keuze. Hij vraagt de geest hem te aanvaarden, hij legt proeven af, eerst om zichzelf te bewijzen dat hij het kan, daarna om de geest te bewijzen dat hij inderdaad een waardige stem voor hem is.
Wij hebben het gehad over de rassengeesten, de goden. Zo zal dit eerste inwijdingsgenootschap nu beginnen bewust en menselijk de leer van de geest buiten die materie, ook het Godsbesef en het besef van het bestaan van het Al, te verkondigen, terwijl gelijktijdig de stoffelijke behoeften groeien. En daarmee, vrienden, staan wij eigenlijk aan het begin van de mensheid.
U denkt aan de Atlantiërs nog altijd als aan heel mooie mensen. Neen. Nogmaals, dat zijn ze niet. Zij zijn niet zo mooi en zo fraai als u denkt. Zij zijn wat minder aapachtig misschien dan de mensen van Mu. Zij zijn blanker, maar toch nogal behaard. Hun schedel heeft misschien niet zo’n grote aangezichtshoek, maar het zijn nou toch helemaal nog geen eihoofden, geloof dat niet. Neen, zij zijn een volk dat nu kan gaan evolueren en die evolutie is een geestelijke, omdat het individueel gedrag en het individueel besef gaat overheersen en daarmee aan elke geest, die binnen dit volk incarneert de grootste mogelijkheid wordt gegeven om ervaringen en vergelijkingswaarden op te doen.
Het bewustzijn groeit en met dat groeiend bewustzijn pulseert het leven steeds sterker in de Atlanten. Het zijn de krachtigen, de sterken, die daar incarneren. Het zijn de meer bewusten, die hier op aarde een woning trachten te vinden.
Daarna krijgen wij de 2e groep: de afvalligen van Mu, die ook wat beter bewapend zijn, die wat beter denken, die nederzettingen weten te bouwen en die – al worden zij meer nog door instinct gedreven – toch ook een aanvaardbare woning zijn.
Mu zelf wordt langzaam maar zeker een volk, waarin de onverschillige of de nog onbewuste geest incarneert. En daarmee neemt de levenskracht af. Wanneer de levenskracht van een volk afneemt, worden de eisen, die het stelt, meestal groter. Zo ook hier bij Mu. Men wilde de levenskracht, de vitaliteit van Atlantis hebben en gelijktijdig meester zijn ervan. Pogingen tot dictatuur, tot terreur en daarmee de onafhankelijkheidsverklaring van de Atlanten, welke in die periode nog een groot aantal kleine stammen zijn, echter zozeer op elkaar aangewezen en van elkaar afhankelijk, dat zij – al is er nog geen hoofd of vorst te bekennen – toch reeds mogen worden beschouwd als een groot volk.
Waar het nu om gaat is dit: Uit het voorgaande blijkt dus, dat geestelijk belang en bewustzijnsmogelijkheid in een stoffelijke vorm gepaard gaan met een vergroting van vitaliteit. Verder blijkt, dat deze vergrote vitaliteit en levensmogelijkheid niet wordt bereikt via bescherming, maar juist door confrontatie met geweld, met het noodlot. Het is het sterke selectieproces van degenen, die het eerst gingen wonen op de berghellingen en op de vlakten, dat hen heeft gemaakt tot de sterken.
Wij mogen zeggen, dat het contact met de geest buitengewoon belangrijk is. Maar ook hier weer blijkt dat de geest, die zichzelf als gelijkwaardig beschouwt en misschien durft terugspreken, die een wisselwerking zoekt en niet alleen maar een openbaring, – een streepje voor heeft. En dat is te begrijpen, want naarmate de geest meer zelf denkt en desnoods meer stelling durft nemen tegenover de leidende entiteit, zal hij genoopt zijn meer te leren, meer te beseffen en meer te onthouden: Een lichamelijke en een geestelijke ontwikkeling.
Misschien zou het goed zijn om daarover in deze dagen eens na te denken. Je kunt een wereld niet sterk maken door alles te beschermen. Hoe meer je beschermt des te meer de zaak stabiliseert. Hoe meer de zaak stabiliseert, des te minder geestelijke betekenis en waarde erin te vinden is. Hoe kleiner het bewuste geestelijke element is, dat daarin wil incarneren, des te kleiner op den duur dus ook de levensvatbaarheid wordt van een dergelijke groep.
Er is een tweede punt, dat in dit alles toch ook wel opvallend is: De rol, die deze goden, deze bescherm- of groepsgeesten spelen. In het begin zijn ook zij een soort spelende kinderen. Haast spelenderwijs proberen zij het een en ander. En dan moet ik onwillekeurig denken aan de Indische legenden. Als we die goden zien, dan is hun spel zoiets als het karnen van de wereldzee. Het is eenvoudig maar eens kijken wat er gebeurt. En als er iets gebeurt, dan is er één die zegt: “Ik kan de verantwoordelijkheid niet ontwijken” en hij slikt het wereldgif.
We moeten niet aan die primitieve goden en geesten denken als aan iets Buitengewoon verhevens. Ze zijn – ik zou zeggen – leutige luitjes in de geest. En als u een vergelijking zoekt, denkt u dan eens aan Krishna, de fluitspeler. Krishna de zanger, de danser. Krishna, die de godenwereld wordt uitgetrapt, omdat hij steeds maar weer kattenkwaad uithaalt. Geen duivel. Integendeel, een halve verlosser van de mensen. Een soort kluchtige Prometheus. Zo ongeveer zijn die rassengeesten.
Het is een spel met het leven. Maar het is een spel, dat hen meer en meer boeit. Hun grappen van eens, hun experimenten voor de aardigheid worden langzaam maar zeker een bezeten geladenheid.
Met de mensen groeien de goden of de engelen. Er is geen sprake van alwetende engelen, die bestaan met volle wetenschap en weldoend op deze aarde neerdalen. Er is sprake van onstoffelijke geesten – wat wijzer misschien dan degenen, die op aarde een incarnatie zoeken – die een spelletje spelen met de materie, maar die al spelende leren en langzamerhand opgroeien tot grote geesten, die verantwoordelijkheid kennen en haar weten te dragen. Het is wel aardig dit even te noteren.
We denken zo vaak dat, wat zo boertig en zo eigenaardig begint, waardeloos moet zijn. Hieruit blijkt wel, dat dat niet het geval is. Veel wat speels en uit louter nieuwsgierigheid wordt begonnen, kan uitgroeien tot iets, wat voor de mensheid en voor de geest van enorm belang is, indien men maar bereid is om de consequenties te dragen en om in te staan voor de verantwoordelijkheden, die men met zijn ingrijpen op zich heeft geladen.
Ten laatste wil ik nog erop wijzen, dat de communicatie, deze groepstelepatie, nog steeds bestaat, maar ze wordt zwakker naarmate de mens individualistischer gaat denken en leven. Met het wegslinken van het instinct als albeheersende factor gaat het ego zichzelf als onafhankelijk en belangrijker zien in de gemeenschap. Het staat tegenover de gemeenschap; het is er geen deel meer van. En zo wordt het gemeenschappelijk bewustzijn, dat steeds aanwezig is, verdrongen in de richting van het onderbewuste. Het is iets, wat wordt aangevoeld en beseft, maar wat niet meer wordt geformuleerd. Het is niet meer de dringende oproep van eens. Het is een vage stem, waaraan men soms gehoor zal schenken, maar die men op andere ogenblikken met evenveel genoegen en onachtzaamheid kan verwaarlozen.
De mens groeit naar zijn vrijheid. De eerste vesting van de vrijheid lag bij de insectenvolkeren, maar zij konden deze niet dragen. Toen kwam de vrijheid voor de eerste mens. En in de tijd toen de monumentale monsters nog over de aarde zwierven, was het de mens, die voor het eerst de geest de mogelijkheid gaf op uw aarde zelf te leven. En daarmee wil ik mijn tweede les voor vandaag besluiten.
Primitieve magie
Gezien hetgeen er in de eerste helft van deze avond is behandeld, lijkt het mij aardig een korte blik te werpen op de meest primitieve magie, die we kennen. De magie is altijd een methode geweest om jezelf te oriënteren in een wereld, waarin je niet in staat bent om alle omstandigheden te overzien of te begrijpen. De primitieve mens was niet in staat zijn wereld te begrijpen. Er waren zeer vele voor hem onbegrijpelijke waarden en werkingen. De uitbarstingen van vulkanen was onvoorstelbaar geweld, er moest dus een oorzaak zijn. Wanneer er vreemde verschijnselen op een eiland waren, dan moest dat een oorzaak hebben, ook al was ze niet kenbaar. De angst voor het ongeziene bracht dan ook de eerste gebruiken tot stand, nl. de kwestie van het taboe.
Bepaalde dingen zijn verboden, omdat ze niet-gekend-zijn en gevaarlijk kunnen zijn. Dit is misschien het begin van de eerste orthodoxie. En zolang het alleen op plaatsen betrekking heeft, is het zelfs nuttig. Maar al heel gauw wordt het ook toegepast op mensen. Een mens, die eigenschappen bezit, die anderen niet bezitten, kan taboe zijn. Je moogt niet aan hem komen. Je moogt niet in zijn nabijheid komen, maar je moogt hem ook niet helpen.
Hij is aan zichzelf overgelaten. Degene, die taboe is echter, heeft een zeker gezag ten aanzien van de anderen. Ze mogen hem niet beroeren. Zij weten niet wat zij met hem moeten beginnen. En als hij dan toch in hun leven kan ingrijpen, dan is dat voor hen even onbegrijpelijk als de uitbarsting van een vulkaan.
Het is duidelijk dat degenen, die uitgestotenen waren (de minderwaardigen van de primitieve stammen) naar dit middel van zelfverdediging hebben gegrepen. Zij schiepen het onbegrijpelijke. Zij vermomden zich met maskers en dierenhuiden. Zij gaven voor de meest eigenaardige wonderen te kunnen volbrengen en imiteerden daarbij meestal verschijnselen, die in de natuur bestonden.
De meest primitieve magie in deze klasse is ongetwijfeld het gebruikmaken van het vuur. Het vuur was evenzeer onbegrijpelijk voor de eerste mens als voor de mensen, die qua normen en qua gestalte afweken van hetgeen men gewend was. Zo zijn het de uitgestotenen, die voor het eerst met vuur werken en het vuur wordt een magisch verschijnsel. Later worden zij de hoeders van het vuur, wanneer dat vuur noodzakelijk is. Men begint dan licht te gebruiken (de vlam als licht) en later ook als middel – zij het primitief – om door warme stenen te koken. Zo ontstaat de kaste van de vuurmagiërs, die zich heel ver voortzet, zelfs tot de Parsi van deze dagen toe.
Aan de andere kant ontstaat ook de idee van buitengewone machten, die in de gemeenschap passen. Als iemand een buitengewoon grote held is, dan moet hij een kwaliteit hebben, die een ander niet bezit. Die kwaliteit moet in hem aanwezig zijn. Het is logisch voor de primitieve mens, dat hij – als zo iemand sterft – delen van diens lichaam opeet en vooral – die delen waarvan hij meent dat daarin de moed, de prestatie is gelegen. Hij neemt daardoor deel aan het geheimzinnige, dat in die ander is en vereenzelvigt zich zo met diens kwaliteiten.
Daarmee heeft u reeds twee principes, die we in de hele latere magie zullen aantreffen, eigenlijk teruggevonden bij de primitieve mens de kwestie van de overdrachtelijkheid en de kwestie van het geheim-zijn (het verborgene, het occulte), maar daarnaast ook de overdrachtelijkheid: De besmetting.
Dit besmetten zien we later veel meer voorkomen. Als iemand is overleden en hij is een groot held geweest, dan zal dat deel van zijn gebeente dat bewaard is gebleven, worden begraven. En dat graf moet met macht worden bekleed. Hij moet dus dienaren hebben. Hij moet alles hebben, wat maar denkbaar is, opdat hij – zo hij geestelijk voortleeft – helemaal geloofde men er niet aan – in ieder geval over alle middelen zou beschikken om evenals vroeger een sterke, een grote geest te zijn. En door hem dit te schenken meent men dan ook, dat men hem aan zich verplicht.
Zo krijgen we een vorm van voorouderverering, die wij kunnen terugvinden in bv. de Anoe-verering. Een primitieve uitbeelding van voorvaderen als goden, stamgeesten als goden. Het voortdurend doen van een beroep daarop en zo jezelf afstemmen op eigenschappen, die je niet bewust bezit, maar die je wel degelijk helpen om dingen te bereiken, die schijnbaar onmogelijk zijn.
De kwestie van het offer is ook al begrijpelijk. Als we de oude stamgemeenschappen zien, dan blijkt dat de sterkste het recht heeft om te nemen. Wanneer een ander een jachtbuit heeft, dan komt de sterkste, vorst of hoofdman en neemt eenvoudig wat hij wil hebben en als het hem niet wordt gegeven, vecht hij erom. Maar wil je nu zeker zijn, dat je een bepaald stukje voor jezelf kunt houden, dan kun je altijd proberen een slechter stuk aan te bieden; misschien neemt hij er genoegen mee. En aangezien hij te lui is om precies te kijken, neemt hij daar ook vaak genoegen mee, mits het nog goed genoeg is.
Het is logisch, dat je tegenover geheimzinnige machten op dezelfde manier kunt handelen. Die vreemde machten kunnen je leven nemen, ze kunnen al wat je lief is wegnemen, ze kunnen je ziek maken, je jachtbuit verjagen. Maar als je nu hun goede wil als het ware probeert te verwerven door hun iets aan te bieden, door een offer te brengen? Dat offer behoeft dan niet het beste te zijn, als het maar een beetje erop lijkt.
Dit wordt zo ver ontwikkeld, dat we later in bv. China het verbranden van onecht geld zien (het geestengeld) om de geesten tevreden te stellen; dat wij bepaalde paleizen zien, die als een soort grafteken worden gebouwd, of ook wel godensymbolen, die als grafteken worden gemaakt en verbrand. Denk eens aan de rituele verbranding, zoals die nog in Thailand en vooral toch wel tot voor korte tijd op Bali voorkomt.
Hier heeft u een zuiver beeld hoe de mens met de overledene, met het geheimzinnige, met de grootheid, die hij niet kan begrijpen probeert een verbond te sluiten. Het is aan de ene kant zijn angst, aan de andere kant zijn begeerte, die hem ertoe brengt voortdurend pogingen te doen. En met deze pogingen wekt hij in zichzelf vermogens, waarvan hij niets heeft vermoed.
Oorzaak-en-gevolg zijn niet zoals de mens ze ziet. Maar ze bestaan wel degelijk. Want door te denken aan de moed, die een ander heeft bezeten en te gevoelen dat deze moed in jezelf schuilt, durf je meer dan anders. Als je het observatievermogen van een ander hebt bewonderd en je hebt een offer gebracht, dan zul je scherper gaan observeren, je bent dan gevoeliger voor wat er gebeurt en je zult dus meer zien. Je vergroot je mogelijkheden via een methode, die eigenlijk suggestie is en een beroep doet op allerhande ingeschapen eigenaardigheden.
Ze begint de magie langzaam maar zeker gestalte te krijgen. En pas als men bewust geestelijke waarden en eigenschappen heeft ontwikkeld, krijgt men het werkelijke contact met de geestenwereld. Dat is dan al de wereld van de sjamaan. De wereld van hen, die voorgingen met de voorouders, die geesten erkenden, die in bomen, in struiken, in stromen leven. En zij zijn het, die dan gestalte geven aan een vreemde – overal met goden en geesten bevolkte – wereld, vol van voortekenen, vol van geheime krachten, waarin de mens – als hij maar bepaalde regels in acht neemt – zijn weg gemakkelijk kan vinden.
Roes
David danst voor de Ark. Zijn voeten stampen een razend ritme. Hij slaat een luit. Misschien niet al te welluidend. En zijn stem klinkt wat hees en gebroken. Hij is zichzelf niet meer.
David danst voor zijn God. David is in een roes ondergegaan. Hij heeft zichzelf verloren. Hij wordt beheerst door krachten, die hij zelf niet kent en in de roes communiceert hij met zijn God. Hij is een ander geworden voor een kort ogenblik. Als hij zo dadelijk terugkeert, vermoeid en uitgeput misschien, dan is hij wijzer, dan is hij sterkers dan is hij meer koning, omdat hij danste voor de Ark.
Dit is het beeld van de roes. Deze roes zullen we overal terugvinden. Ik denk hierbij niet aan degene, die dronkenschap zoekt alleen om te vergeten. Maar er zijn bepaalde vormen van roes, die gezocht worden, omdat je daarmee de communicatie met het Hogere zoekt.
Zodra de mens zichzelf begint te vergeten en zichzelf begint te verliezen in de roes door het afgestemd-zijn op het Hogere, dan openbaart zich het Hogere sterker en sterker, dan wordt de kracht, die hem beheerst en regeert, groter en zal hij – wanneer alles voorbij is en misschien de ietwat bleke smaak van een opwinding die voorbijging overblijft, rijker zijn geworden.
Wie een roes kent en zoekt, zeker in geestelijke zin en in geestelijke richting, begrijpt dat hierin juist de openbaring van het Hogere is gelegen.
Een mens, die redelijk en beheerst zichzelf is, kan niet totaal ondergaan in het Hogere. Maar wie het Hogere ervaart en erkent, wie zichzelf prijsgeeft, zich vergeet en zich verliest, die wordt overstelpt door een nieuwe bereiking en nieuwe mogelijkheden. Hij zal nieuwe beproevingen op zijn weg vinden misschien en een nieuwe strijd om te strijden. Naar dit alles is van weinig of geen belang, want hij heeft in zich gesproken met het Hoogste. Hij heeft in zich zijn God gevonden. Hij heeft boven zijn persoonlijke illusies, zijn zoeken naar persoonlijke bevredigingen een contact met de Eeuwige gehad. Dit is de roes. De roes, die werkelijk en altijd op aarde is gezocht door degenen die God zochten.
We vinden het bij de esoterici, die in zichzelf verzonken, dagen lang mediterend, de gehele werkelijkheid vergeten schijnen te zijn. We vinden het bok in de uitbundigheid van hen, die complete orgieën vieren en die in hun orgiastisch streven niet trachten voor zichzelf een bevrediging te vinden, maar die zichzelf zover willen vergeten dat een geest, een kracht, zich in hen kan openbaren. We vinden het terug bij de heiligen, die neergeknield voor een altaar in zich zozeer God ervaren, dat zij van hun hele wereld vervreemd zijn en anderen tot hun verbazing zien hoe zij zweven voor het altaar.
De roes is het contact met het Hogere, dat alleen wordt bereikt, indien je je stoffelijk “ik”, je stoffelijk willen, je streven, je zoeken naar een bevrediging, naar rechtvaardiging achter je laat om schijnbaar onbestuurd en alleen nog je richtend op het Hogere in de warwinkel van belevingen de openbaring te ontvangen. Want in ons is het als in de schepping: God spreekt het duidelijkst het woord van Zijn Naam in de chaos en schept daarmee de voleinding.
Zo gaat het ons. In de roes, in de chaos, in de ongeregeldheid, juist daarin openbaart Zich God als wij Hem zoeken. Hij hervormt ons leven. Hij geeft ons een nieuwe gerichtheid en inhoud, nieuwe verlangens en gedachten, totdat ook deze persoonlijkheid ons niet meer kan bevredigen en wij – terugvluchtend in de roes – weer een nieuw aspect vinden van de oneindigheid en daarmee wederom een nieuw doel voor ons leven.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
