december 1966
Soorten mensen
Aan het einde van onze vorige les hebben we het een en ander opgemerkt over rassen, die later de Afrikaanse, Aziatische en mongoloïde rassen worden. En daarmee hebben we eigenlijk iets eigenaardigs verteld. We hebben nl. gezegd, dat er oorspronkelijk betrekkelijk weinig verschil tussen de mensen is geweest.
Er zijn grondrassen en deze hebben alle de beschreven contacten met leidende geesten. Zij geven de mogelijkheid tot incarnatie, waar de ontwikkelingsmogelijkheid is ongeveer dezelfde. Langzaam maar zeker ontstaat er een differentiatie. Wij zien bepaalde groepen mensen meer geschikt worden voor contacten met deze geest, andere voor gene entiteit. Om het in de termen van de z.g. kosmische stralen te zeggen: De laatste 3 kosmische stralen zijn een tijdlang buitengewoon belangrijk geweest. Voordien echter waren alle mensen afgestemd op de z.g. straal of het witte Licht: De mensheid evolueert nu wel verder, zodat we ook de eerste 3 stralen in actie zien komen als directe invloed voor de mens.
Er zijn dus 3 hoofdtypen. Deze drie hoofdtypen verschillen van elkaar niet alleen maar, zoals u misschien zou denken, door de huidskleur of de lichaamsbouw, maar vooral wel door bepaalde ontwikkelingen in het zenuwstelsel en in de hersenen. We moeten een beetje begrip hebben voor deze materiële kwesties, als we ook de verhouding mens. – geest in latere tijd willen kunnen overzien. En daarom begin ik maar met enkele kleine details, die tezamen toch wel een indruk kunnen geven van de verschillen, die mogelijk zijn.
Laten we eens denken aan bv. het z.g. evenwicht der interne secreties. Dat wil zeggen, dat een aantal klierafscheidingen gezamenlijk de stofwisselingsprocessen, de reactiemogelijkheid, de groei e.d. van het lichaam bepalen. Daarbij zijn een groot aantal afscheidingen in het Geding. In het geheel meer dan 70. Nu wordt erdoor een heel klein dingetje, een erwtje als het ware dat in het achterhoofd zit (de Hypofyses), alleen al 23 daarvan afgescheiden; daarvan zijn er – voor zover mij op het ogenblik bekend is – 16 ontdekt en onderzocht. Nu wordt door een kleine wijziging in die afscheidingen het karakter van een mens anders, zijn lichaamseigenschappen worden anders en daarmee voor een deel ook zijn vaardigheden.
Een vaardigheid is belangrijk. Een geest, die op aarde incarneert, wil met dat lichaam beleven, maar zij wil ook handelen. Het gaat niet alleen maar om de vage hoge waarden en krachten. Het gaat wel degelijk en zelfs uitdrukkelijk ook om datgene, wat je op aarde tot stand brengt, wat je bent en wat je voor anderen betekent. En dan kan een dergelijke kleine afwijking dus van zeer groot belang worden.
Als wij uit de enkele mensen, waarin zo’n afwijking wat is gestabiliseerd, op den duur een soort ras of een gemeenschap krijgen, die als geheel deze kenmerken vertoont, dan is het logisch dat niet alleen geesten met een bepaalde bedoeling daarin incarneren, maar dat ook hogere entiteiten, die zich bij voorkeur bezighouden met het richting geven aan de geestelijke evolutie op aarde, zich daarmee bemoeien. Ook zij zien daarin bijzondere mogelijkheden.
Het denkbeeld van een uitverkiezing lijkt ons – gezien vanuit het Goddelijk – vaak een beetje onrechtvaardig, wat dwaas zelfs. Maar als we nu eens het Goddelijke buiten beschouwing laten en eens gaan denken in de richting van rasseneigenschappen en kwaliteiten, dan zal er niet één enkel volk, maar dan zullen er vele volkeren (als groepen met speciale eigenschappen) uitverkoren kunnen zijn voor een bepaalde geestelijke ontwikkeling en voor een bepaalde taak.
Wij zullen in de geschiedenis der mensen dergelijke uitverkiezingen heel dikwijls zien voorkomen. Op den duur doen zij zichzelf soms teniet. Als wij eens denken aan bv. het oude rijk, dat voor een groot gedeelte in de tegenwoordige Gobi heeft geleefd (een grote priesterbeschaving), dan zien wij daar een zeer hoge cultuur van geestelijke en filosofische waarden, daarnaast een fantastisch aanvoelen van de landbouw (dus een verwant zijn aan het plantaardig leven), maar we zien ook een zekere zelfverheffing en zelfmiskenning, waardoor die maatschappij zichzelf op den duur te gronde richt.
Als wij kijken naar het jodendom, dan zien wij – en dat is niet eens zo heel lang geleden – een conglomeraat van zwervende stammen en volken, die alle wel de semitische grondtrekken hebben, samenkomen en het volk met de stammen vormen. U zou het zelfs nog aannemelijk kunnen maken, dat die stammen in de verte misschien nog iets te maken hebben met de 12 zonen van Jakob, de broeders van Josef. Maar zeker ben je daar niet van. Het is heel waarschijnlijk, dat bepaalde volkeren één van die zonen als patroon, als beschermheilige hebben gekozen. Hun speciale kwaliteiten maken hen belangrijk.
Indien wij tegenwoordig de zuiver joodse stam nagaan, dan vinden we daarin nog eigenschappen terug, die in de rest van de mensheid veel minder voorkomens o.a. het creatieve, het reproductieve talent voor kunst (componeren bv. en vooral het beschrijvend componeren schijnt de joodse componisten gemakkelijker af te gaan dan andere componisten), bepaalde wijzen van studie, begrip voor het leven van de mens, maar ook inzicht in een bepaalde vorm van occultisme. Als we eens nagaan wie in de oude tijd de werkelijke kabbalisten en alchemisten zijn, de wijzen en de beheersers der magie, dan komen we niet -zoals u zoudt denken – alleen in Egypte terecht. Neen. Wij zien dat de joden een eigen vorm van magie ontwikkelen. Dat zij de stichters zijn van de kabbala, dat zij daarnaast de eersten zijn als het ware, die vooral in Griekenland ernstig de alchemie bestuderen en die daarmee ook resultaten behalen. We kunnen zelfs zover gaan, dat gesteld mag worden: De werkelijk goede doctoren in de tijd van 1100 – 1400 n. Chr. zijn allen van joodse origine. Zelfs in de landen, waarde joden worden vervolgd – als bv. in Spanje – blijkende meest gezochte en de beste geneesheren van joodse bloede te zijn. Dan kun je natuurlijk zeggen: Dat is allemaal onzin. Maar moet dat dan allemaal toeval zijn? Ik zou zeggen er zijn alleen reeds op grond van dat interne evenwicht, dat zich in een bepaalde groep ontwikkelt, eigenschappen aanwezig, die andere hogere entiteiten aantrekken als beschermer en die ook de incarnatie groep mede bepalen.
Maar we zijn er nog niet. Want wat zien wij in het begin van de mensheid? We zien in die mensheid – en dan moeten we terugdenken aan de z.g. 2e periode (er zijn in totaal 3 perioden) van het keizerrijk Mu – telepathisch vermogen. Dit vermogen blikt een orgaan te zijn, dat in de voorhoofdshersenlobben zetelt. Bij heel veel groepen is het tamelijk klein. Er is dan ook geen sprake van een werkelijk telepathisch vermogen. Dus van een bewust of onbewust waarnemen van de omgeving buiten het zintuiglijke om. Maar als we nu eens kijken naar mensen, welke die primitiviteit, die ongetwijfeld ook Mu heeft gekenmerkt, bewaard hebben tot in deze moderne dagen, dan komen wij tot de eigenaardige conclusie, dat wij onder, de pygmeeën, de z.g. Bosjesmannen en Zoeloes, de bewoners van Nieuw-Guinea, de oorspronkelijke bewoners van Australië, mensen vinden bij wie telepathie een bijna vanzelfsprekend iets is, bij wie het “ruiken” – zoals zij het dan noemen – van wild, van water, van mensen op afstanden tot 2 à 300 km normaal is. Als wij daar eens rekening mee houden, dan kunnen wel zeggen: Er is in de hersenen ook aan aantal afwijkende ontwikkelingen mogelijk.
Sommige van die ontwikkelingen leggen de nadruk op het redelijk denken, dus aan het beredeneringsvermogen. In andere gevallen vinden wij een ontzettend sterk geheugen. In Abessinië bv. leeft er op het ogenblik nog een man, die u zijn afstamming kan opsommen tot voor de tijd van koning Salomo. Het eigenaardige is, dat hij daarbij vele feiten vermeldt, die historisch absoluut controleerbaar en juist zijn. Toch heeft de man nooit leren lezen en het is niet waarschijnlijk, dat iemand hem de geschiedenis van zijn volk en van Egypte heeft geleerd. Maar de man doet het. Kijk, dit is dus ook een geheugen, waardoor het verleden kan worden gefixeerd, zodat het heden een voortdurende aanvulling is van het verleden. Dat geeft dan weer een andere stijl van denken en van leven.
Er zijn mensen, bij wie we vooral in de kleine hersenen bepaalde functies versterkt vinden en deze dan blijken te realiseren als een versterking en een beheersing van de stroom in het eigen zenuwstelsel. Deze mensen hebben een enorm grote lichaamsbeheersing, maar daarnaast zijn ze vaak in staat lichaamskracht of levenskracht aan anderen over te dragen. Ook van deze soort vindt men bepaalde groeperingen, die hierin sterk zijn. Men vindt hoofdzakelijk in India en ook in Pakistan hele streken, waar de mensen deze speciale eigenschap voor beheersing bezitten.
Dus afwijkingen in de opbouw van de hersenen, die schijnbaar onbelangrijk zijn en die misschien alleen maar een verplaatsing van een paar millimeter van het een of ander centrum schijnen uit te maken, kunnen van voldoende belang zijn om de mogelijkheden van de mens op aarde te wijzigen. En ook daar is voor de geest een zekere preferentie geschapen.
De ene geest wil juist leven uit het verleden en die zal dus iemand met een mnemonische begaafdheid zoeken. Een andere zoekt het juist in de redelijkheid, in het scherpe materialistische, technische denken. Die heeft met geheugen niet veel op, maar wel met redeneringsvermogen. Hij wil samenhangen doorgronden. Die kiest dus weer een andere groep. Maar als incarnerende geesten zo’n groep kunnen kiezen, dan zal het u ook duidelijk zijn, dat wederom van bovenaf, van de grote geesten, die zich wel met de schepping bezighouden maar die niet incarneren, er belangstelling zal zijn voor deze. specifieke eigenschappen. En dat houdt in dat – naarmate de mensheid ouder wordt en het aantal mensen toeneemt – er dus ook een groter aantal verschillende groepen ontstaat. Men is geneigd die eigenschappen aan een bepaald ras toe te kennen. Dat is begrijpelijk in deze tijd, omdat men nu eenmaal bij blanken bv. heel weinig hoort van spoorzoekers; mensen die telepathisch aanvoelen waar ze op af moeten gaan. De moderne maatschappij onderdrukt dit echter. Er is geen noodzaak. Integendeel, het is vaak niet eens wenselijk, dat men dit doet. Dus mogen we aannemen, dat dit talent ook in de westerse wereld bij velen aanwezig is. Maar onderdrukt, niet gebruikt.
Wat lichaamsbeheersing betreft, als we zien wat sommige moderne atleten tot stand brengen, dan mogen we toch wel even ons hoedje afnemen: En dan moeten we toegeven, dat deze mensen vaak een lichaamsbeheersing hebben, die niet alleen maar aangeleerd kan zijn. Er moet primair een beheersingsmogelijkheid zijn. We behoeven hen niet alleen te zoeken in India. We kunnen hen ook zoeken bij de een of andere Amerikaanse universiteit, waar op de campus het een of ander mannetje is, dat met weinig training al fantastische dingen doet door zijn lichaamsbeheersing.
Wat het geheugen betreft, ach ik noem nu niet de geletterden. Er zijn echter mensen met een praktisch fotografisch geheugen, bv. in het Pentagon. Mensen, die één keer een blad bekijken met een vluchtige blik en die je later alles woord voor woord kunnen herhalen. Men denkt dan, dat dit training is, maar ook daar ligt principieel een begaafdheid. We mogen deze groeperingen dus nooit beschouwen als rassen. Het zijn menselijke ontwikkelingen, die onder alle rassen kunnen voorkomen, ofschoon bepaalde rassen waarschijnlijk meer van dezelfde variant bevatten dan andere.
Als we dit nu begrijpen kunnen we even teruggaan naar het verleden en kijken wat er eigenlijk is gebeurd. De mens leeft in een wereld, die op z’n minst genomen gewelddadig is. Niet alleen zien we overal de sauriërs ronddolen, maar ook de enorme roofdieren van het verleden. Denkt u eens aan de sabeltandtijger, de mammoet, de wolhuid-rhinoceros. Denk aan al die eigenaardige dieren, die er in die dagen hebben geleefd. Daar is de mens machteloos. En in zijn machteloosheid zou hij nooit tot een verdere ontwikkeling zijn gekomen, indien hij niet geleid was. Het leven ontwikkelt zich, zeker. Maar bij de insecten was primair een behoefte tot samenwerking aanwezig. Niet zo sterk georganiseerd als op het ogenblik een mierenkolonie of een bijenkorf, maar er was een sterke behoefte aan onderling contact. Die was er bij de mens in principe niet. De mens was oorspronkelijk een wezen, dat alleen met zijn familie of met de buitgemaakte slaven rondtrok. De eerste groepen mensen op aarde zijn gezelschappen van 4, 5 à 6 mensen en misschien nog 3 of 4 kinderen. Maar in die gewelddadige wereld heeft men niet genoeg aan zichzelf en dus roept men het onbekende aan.
Nu moet u niet denken, dat ik u hier weer het een en ander ga vertellen over fetisjisme en sjamanisme, ofschoon die dingen natuurlijk me de met het totem-idee, met de erkenning van de taboe een grote rol hebben gespeeld. Het is voor ons in dit samenstel niet belangrijk. Wel belangrijk is, dat de mens zich gaat richten op het onbekende. De mens maakt zich dus receptief voor het onbekende. En door die receptiviteit vooral is het voor de hogere geesten (de groeps- en rassengeesten, als we het zo eens mogen noemen) mogelijk om de, mens te leiden. Er ontstaan dan perioden, waarin een uiterst eigenaardig gedrag kenbaar wordt, waarbij men midden in een strijd tussen twee van dergelijke groepen (meestal ging het om een jachtbuit of om het bezit van een bepaalde grot of jachtgebied) de strijd staakt en tot een overeenkomst geraakt.
De groepen worden groter. De gezelschappen beginnen zo langzamerhand 15 tot 20 mannen te tellen plus de nodige vrouwen en kinderen. En daarmee is eigenlijk de eerste voorwaarde geschapen voor een menselijke samenleving. De gevoeligheid van de mens is niet alleen meer de gevoeligheid voor de jachtbuit. Neen, het wordt de gevoeligheid voor de medemens. Stel u dat nu niet voor als erg fijnzinnig. Ook de vroege Atlantiërs, die deze groeperingen al tot een soort volks- althans een stambestel hebben gemaakt zijn. Niet fijngevoelig volgens de hedendaagse normen. Maar zij kennen elkaar. En dit erkennen gaat veel verder, dan u zich dat nu kunt voorstellen. Er is een vorm van telepathie. Nogmaals, bij de een beter dan bij de ander ontwikkeld. Maar als iemand iets zegt, dan luister je niet naar zijn woorden, je luistert als het ware naar de gedachtesfeer, die hij uitstraalt. Men besluit, of iemand waarheid of onwaarheid spreekt niet door de, logica van zijn verklaringen na te gaan, maar door aan te voelen in hoeverre hij er zelf in gelooft of niet.
Zo ontstaat de eerste hechtere samenleving en zien we voor het eerst de primitieve mens gezamenlijk als in een team jagend optreden. Voor het eerst gaan mensen hun leven wagen om medemensen te redden van de vele grote gevaarlijke verscheurende dieren van die oertijd. Voor het eerst ook ontstaat er een wat vage uitwisseling, meestal door middel van toverformules en tovenaars, waarbij gegevens worden verstrekt omtrent overstromingen of vulkanische uitbarstingen. Het wordt niet als zodanig omschreven, maar het gevaar en de aard van het gevaar worden uitgestraald door degenen, die het ervaren en door anderen opgevangen.
De mensheid stelt zich in deze tijd op ongeveer hetzelfde niveau als bv. een groep horzels. De vergelijking is niet vleiend, doch een horzel is iemand, die op zichzelf opereert, maar die toch een gemeenschapscontact heeft en door een soort telepathie met die gemeenschap in verbinding staat, hulp uit de gemeenschap kan ontvangen en ook gegevens uit de gemeenschap ontvangt of die aan de gemeenschap doorgeeft.
De insecten hebben zich inmiddels meer georganiseerd en het idee van vrije wil en persoonlijke ontwikkeling is bij hen nu weggevallen. In de mensenmaatschappij ontwikkelt zich het recht van de sterkste en dat is een heel wat eigenaardiger situatie. Want er is nu een tegenwicht geschapen voor een al te grote normalisatie en een al te grote onderwerping. Er is altijd een element van verzet. Men zou kunnen zeggen, dat de mens eigenlijk zeer dualistisch is in zijn instelling. Indien een dergelijk dualisme is ontstaan, dan is er ook een evenwicht dat kan worden gehanteerd. Wij hebben dan niet te maken met een vaste gedragsregel we hebben te maken met wisselende evenwichten. Een geest kan daarmee beter iets doen dan met een vaste, ingeroeste regel, die alleen kan worden verlaten ten koste van de geestelijke gezondheid.
De mens wordt voor de geest steeds belangrijker, niet alleen als volledige incarnatiemogelijkheid, maar ook als een gemakkelijk te plooien en te leiden gemeenschap op aarde. En daar beginnen dan eigenlijk de curieuze ontwikkelingen, waarin de geest een rol speelt.
Ik heb – naar ik meen – in de vorige lessen al aangestipt, dat er sprake is – zelfs nog in deze periode – van concrete contacten met groepsbescherm- en vooroudergeesten of hoe men dit verder noemt. Ze verschijnen vaak als een lichtschijnsel of als een verandering van vorm in een stuk materie. Men heeft er contacten mee en men ontvangt reële en controleerbare boodschappen.
Het contact met deze godenwereld is echter niet voor alle mensen gelijk. Hier begint de specialisatie en door die specialisatie ontstaan er verschillende rassen. Niet de rassen van vandaag. Maar als we een Java-mens vergelijken met homo pekinensis, dan zien wij dat er toch een afwijking van type is. Beiden zijn inderdaad wat platschedeliger dan de hedendaagse mens. Beiden hebben een scherpere aangezichtshelling. Maar er is een verschil in herseninhoud, om maar eens wat te noemen, en een verschil in breedte. Het is jammer genoeg niet te controleren, omdat men niet voldoende overblijfselen uit het verre verleden heeft. Maar op grond hiervan zouden we kunnen zeggen: Er zijn verschillende typen mensen.
Bewijsbaar is het niet. Neemt u nu maar van mij aan, dat het zo geweest is. Deze verschillende typen mensen trekken dan naar andere omgevingen, want de eigen kwaliteiten en mogelijkheden scheppen een preferentie voor een bepaald milieu. De een voelt zich beter thuis in de buurt van bergen, de ander in het bos. De mensen van Mu zijn oorspronkelijk hoofdzakelijk bosbewoners geweest. De zwervende stammen, de steppenbewoners, hebben lichamelijk veel voor. Hun lichamelijke, ontwikkeling is veel groter.
Zij lopen eerder rechtop en hebben een scherpere zintuiglijke ontwikkeling. Zij zijn ogen- en orenmensen. De mensen, die in het woud leven, zijn neusmensen, zij snuffelen meer. Als je dat alles begrijpt, dan zeg je: Het is logisch, het gaat een andere kant uit.
Een beschermgeest kan niet beide groepen tegelijk beschermen en leiden. Er ontstaat dus een splitsing en deze wordt steeds verder voortgezet. Totdat er op een gegeven ogenblik hierop aarde – zo globaal genomen – een 60 verschillende rassen zijn. Dat zijn allemaal gelijk-levende rassen. Ze verschillen in grootte, in vorm, in hersencapaciteit, in de ontwikkeling van de hersenen, in evenwicht, in gevoeligheid van zenuwstelsel en in nog heel veel andere dingen.
Nu moet er worden uitgezocht wie het beste is. Maar geen van die rassen is het beste. Er is geen enkel van die rassen in staat om zonder een grote sprong een verstandelijke ontwikkeling door te maken, waardoor de mens helemaal onafhankelijk komt te staan. Om het nu maar weer eens te zeggen met een bekende term in gedachten: De Atlantiër kan niet een zuiver oerras zijn. Hij is een mengras. Dit blijkt ook uit de geschiedenis, want Atlantis is een kolonie van Mu en door de vermenging met de bewoners van de eilanden plus die van het Noord-Afrikaanse en Zuid-Europese vasteland ontstaat eigenlijk het nieuwe ras: Het ras van de Atlantische heersers.
De rassenvermenging gaat een rol spelen en daarin treden er een aantal mutaties op. Sommige daarvan zijn absoluut niet levensvatbaar, andere daarentegen zijn voor de geest zowel als incarnatiedoel als ook om leiding en vorm te geven wel zeer interessant. Wij kunnen nu spreken van homo sapiens: Maar homo sapiens, die de wereld betreedt, is niet een algemeen ras, integendeel. Homo sapiens is in feite het resultaat van een reeks kruisingsproducten, die onderling zeer sterk verschillen, maar die qua verstandelijke capaciteit één ding gemeen hebben: Hun geheugencapaciteit is aanmerkelijk groter dan in het verleden en vrijer toegankelijk.
In de oudheid bestaat er ook geheugen. Bij de Atlantiërs bv. vinden wij nog de z.g. leraren, die soms priesters zijn, soms slaven. Zij citeren iets uit het geheugen, dat qua omvang de encyclopedia Britannica gelijk komt. Zij hebben echter altijd een startwoord nodig: Wanneer hun één woord uit het geheugen wordt gegeven, gaan zij automatisch verder. Maar zonder het startwoord kunnen zij niets. Zij kunnen niet een aantal bladzijden als het ware overslaan om een volgend punt aan te snijden, dat bij de vraag past. Zij moeten alle tussenliggende tekst ook verwerken. Homo sapiens doet dit niet meer. Die is niet meer gebonden aan een vaste geheugenketen. Hij kan sprongen maken in die geheugenketen. Het geheugen is als het ware op alle punten vrij toegankelijk. Dit betekent, dat referentie aan het verleden voor de geest gemakkelijker wordt en meer direct kan worden toegepast op het heden.
Misschien lijkt u dat onbelangrijk. Maar stelt u zich nu eens voor, dat u op straat in een eigenaardige verkeerssituatie staat en dat u om een analogie te vinden niet alleen vanaf uw kinderjaren moet nagaan wat er allemaal aan verkeerssituaties is geweest, maar ook wat u geleerd hebt, wat u gegoten hebt, enz. U zult begrijpen, dat u ten onder zou zijn gegaan aan het verkeersongeluk, voordat u de juiste handeling had gevonden. U zou alleen instinctief kunnen reageren. Maar die instincten zouden niet alleen door uw innerlijk, maar ook door een leidende kracht daarbuiten worden bepaald.
De mens kan nu zelfstandig en onmiddellijk de referentiewaarde vinden en reageren. Er ontstaat een onafhankelijkheid, die door sommigen als een heel grote zegepraal wordt gevierd. Het is wat men noemt: De instinct-onafhankelijkheid, ten aanzien van de gedragsnorm. Deze omvat niet alleen de seksualiteit, die tot op dat moment voor de mensheid eigenlijk een driftkwestie was, geregeld door invloeden van buitenaf, maar ook het trekpatroon. De jacht had een vast patroon van verplaatsing, van het volgen van bepaalde dieren. Nu is dat niet meer zo. Het idee van voorraadvorming komt nu alleen voor de persoon in kwestie. De stam heeft misschien zekere reserves gevormd (een instinctdrang), maar de mens voor zich heeft nooit het begrip gehad om een eigen voorraad te vergaren, om iets eigen bezit te noemen. Het bezitsbesef ontstaat nu. Dat is overigens de aan leiding tot de eerste oorlog van de z.g. vorsten (er waren er in de 1e Atlantische periode ongeveer 40), die vochten om grondgebied, maar ook om voorraden, om betere posities, om bezit. De mensheid gaat verder en de geest, die haar vergezeld, ziet steeds grotere mogelijkheden om in de mens een bepaald deel van haar geestelijke behoefte te vervullen. Op dit punt wil ik nog even verdergaan. Wat is de behoefte van een geest? Misschien het toetsen van eigen denkbeelden, het concretiseren van eigen innerlijk besef of het op de proef stellen van eigen vermoeden. Maar er is meer. Het is het zoeken naar verbondenheid, naar een empathisch bestaan, waarin als het ware licht en duister niet elkaar verenigd worden, zodat een concrete erkenning van het bestaan buiten het “ik” mogelijk wordt een vollediger erkenning. De geest heeft echter een eigen karakter. Zij heeft een ontwikkeling, die verschilt van de ontwikkeling van andere geesten. Zij heeft uit zich geest voortgebracht. Kleinere geest, natuurlijk. Maar die grote geest zal ook in de delen van haarzelf, die geprojecteerd zijn, nooit zichzelf helemaal kunnen terugvinden. Nu wordt het mogelijk om het “ik” weer kunstmatig te construeren. En dat geschiedt door het beschermen van de incarnatiemogelijkheid voor de minder-bewuste geesten en het vormen van de gemeenschap volgens eigen voorstelling, eigen denken. In de geschiedenis der mensheid vinden we steeds weer heel eigenaardige godsvoorstellingen. Als u denkt aan bv. de tempelwachters in India en in Indonesië, aan de sfinxen, de gevleugelde wachters van Syrië, die een teken bij de poorten waren aan al die eigenaardige diergoden en vreemde demonen, dan moeten wij ons toch wel realiseren, dat die voorstellingen een achtergrond moeten hebben. Het is niet alleen maar de angstdroom van een mens. Het is een eigenschapsbesef.
De vroege goden zijn heel vaak niets anders, dan een weergave van het innerlijk, een ten dele telepathisch ontvangen contact met. die entiteiten, die als leiders of beschermers optreden. En als wij in de mythologie de eigenaardige onrechtvaardigheden zien die goden begaan, als we hen aan de ene kant zwakker en wellustiger zien dan de mens en het andere ogenblik onmetelijk machtig, dan zeggen we. Dat moet fantasie zijn. Maar is dat wel zo? Zou een geest, die op een bepaald punt ver is gevorderd, zich op een ander gebied niet juist verzinken in wat voor de mens het lagere, zelfs het minderwaardige kan zijn om zo zich bewust te worden van zijn eigen mogelijkheden? Neen, de geesten, die zich bezighouden met een bepaalde groep, zijn velen. En elk van hen is een wezen, dat door dit deelnemen aan de stoffelijke ontwikkeling een zekere onevenwichtigheid krijgt. Het is niet meer het oude “ik”, want het neemt steeds nieuwe ervaringen en nieuwe krachten op. Maar het kan deze nog niet evenwichtig in zich verwerken. Er ontstaan dus vele onevenwichtige groeps en groepsgeleide-geesten en dezen op hun beurt bewerkstelligen een steeds grotere differentiatie van gedrag, van zeden en leefwijzen bij de verschillende groepen mensen.
Omdat homo sapiens zich vrijmaakt van de algehele natuurwetten en zijn ritmen bepaalt volgen zijn eigen wezen, maakt hij zich ook meer vrij van de direct scheppende krachten (de vormgevende krachten), die de natuur op aarde in balans brengen en houden.
Kleinere geesten krijgen een grotere heerschappij. En zo ontstaat er een strijdigheid. Aan de ene kant hebben wij de al-overkoepelende natuur, aan de andere kant hebben wij wezens als de mens en ook enkele andere rassen en soorten, die zich op de een of andere manier daar wat buiten stellen. Zij die zich daar buiten stellen en die niet aan de oorspronkelijke wet helemaal vasthouden, worden het brandpunt voor geesten of entiteiten, die niet meer in de materie behoeven te incarneren, maar die wel behoefte hebben aan een uiting in de materie.
Als we naar de Druïden kijken – om niet te ver van huis te gaan dan ontdekken we een zeer eigenaardige verering voor de mistletoe. En als we nagaan waarom, dan zien we dat wij hier te maken hebben met een parasiet: Een wezen, dat zich niet meer afhankelijk stelt van de aarde, maar dat als het ware plundert bij andere, die uit de aarde worden verzadigd. En daardoor staat de mistletoe dus ergens buiten de norm. Dan hebben we ook de heilig eik, waarin de mistletoe leeft. De eik, die in de aarde wortelt, die het milieu weergeeft. De mistletoe, waarin de godenkrachten kunnen spreken, die het mirakel doen, die de natuurwet tijdelijk opheffen.
Op duizend-en-één wijze vinden wij eigenlijk hetzelfde. De mens en de geest gelijkelijk zoeken naar de exceptie, het buiten de norm liggende, om juist daarin de juiste mutatie tot stand te brengen. Zodra homo sapiens het overwicht op deze wereld begint te krijgen (hij leeft natuurlijk een tijdlang gelijktijdig met nog andere mensenrassen), blijkt dat hij ook aan een zeer sterke differentiatie onderworpen is. Nu lijkt het ras een geheel, wij zien het uiteenvallen in afzonderlijke gedragspatronen. Maar ook de gevoelswaarden verschillen sterk. U kunt het misschien nu nog nagaan.
Indien u een Hollander met zijn gevoeligheid zet tegenover bv. een Rus met zijn gevoeligheden, dan ziet u dat er bij de Rus aan de ene kan een hardheid is, waarvoor u even terugschrikt en aan de andere kant een romantische sentimentaliteit, een gevoelszwakte, die een Hollander zich eenvoudig niet kan voorstellen. Dat zijn twee verschillende werelden. Een Rus en een Turk hebben wat dat betreft weer veel overeenkomst. Maar vergelijk die nu samen eens met een Indiër van een der Indische stammen, dan zult u zien dat de Indiër in vele opzichten weer veel abstracter denkt dan de Hollander en de Rus. Maar hij heeft ook iets anders hij is in zijn gedrag ergens natuurlijker en kan gemakkelijker een order accepteren, zonder zich eraan te onderwerpen. Dat is weer een totaal andere manier van reactie. U denkt, dat dat alleen aan de volkeren ligt en aan de manier waarop ze opgroeien. Neen. Dat ligt nu juist aan de wijze, waarop de mensen worden gevormd. Want er zijn vele soorten mensen.
In een wereld zo vol mensen als de uwe zijn die verschillen niet meer zo sprekend. Je bent te veel elkanders buur; het milieu begint in elkaar over te vloeien. Wat echter blijft bestaan is de afzonderlijke begaafdheid en ook de afzonderlijke gevoeligheid. Zo zullen wij zien, dat er niet alleen op geestelijke, maar ook op stoffelijke en op mentale impulsen door verschillende groepen mensen anders wordt gereageerd. En wij zien vooral, dat het onmogelijk is geworden een eigenschap alleen aan een bepaald volk of ras toe te schrijven. Ze komt overal voor.
Daarom kunnen wij de soorten mensen van deze tijd het best onderverdelen in de groepen, die zich aan de grote stralen of hoofdkleuren onderwerpen. Dat is als het ware hun voornaamste omschrijving. Wij kunnen dan ook aannemen, dat binnen elke hoofdontwikkeling een aantal uitvallende waarden – het zijn er meestal een 20 à 22 – weer afzonderlijke gradaties binnen zo’n straal zijn. En elke gradatie heeft een aparte groep entiteiten, die zich daarmee in het bijzonder bezighoudt. Behoort men gezamenlijk tot een bepaalde hoofdkleur, dan kan worden gezegd, dat onderling begrip mogelijk is. Tussen twee verschillende kleuren is dat meestal niet geheel mogelijk; maar dat betekent nog niet dat men dezelfde geestelijke invloeden ondergaat, dat men dezelfde capaciteiten heeft.
Binnen de kleur of straal vinden wij dus – laten we voor de eenvoud zeggen – 21 verschillende groepen, die elk andere eigenschappen hebben, een andere drang tot ontwikkeling, een andere geestelijke achtergrond en die toch elkaar voldoende kunnen begrijpen om elkaar aan te vullen. Op grond. hiervan kan worden gezegd: In de moderne wereld zijn er 7 hoofdsoorten van mensen, die in feite onderling weinig regel innerlijk contact kunnen hebben en die elk in zich een soort maatschappij vormen door een groot aantal verschillende talenten, die echter dan bij een volledig begrip en in een samenwerking kunnen leiden tot een volledige manifestatie van de krachten, die in de straal of de kleur zijn gelegen.
Het ontstaan der esoterie
Esoterie is de erkenning van de innerlijke mens. De erkenning van de innerlijke mens is direct gerelateerd met het vermogen van de mens om zichzelf te beschouwen als deel van zijn omgeving. We zouden dus kunnen zeggen, dat de esoterie eigenlijk ontstaat op het ogenblik, dat de mens zich bewust wordt van zijn plaatsing in de wereld. Er is het bewustzijn van eigen betekenis voor de wereld nodig om te kunnen weten wat men innerlijk is.
Maar de innerlijke wereld bevat zeer vele symbolen en zeer vele toestanden, die niet te omschrijven zijn met zuiver stoffelijke beelden en symbolen. Dus komt men al zeer snel tot het gebruik van velerlei vormen, die eigenlijk niet aan de werkelijkheid ontleend zijn, maar voor een groot deel de weergave zijn van het wensleven van de mens.
De eerste esoterici zijn dan ook dromers. Zij zijn een eigenaardige kruising tussen profeten, auguren en filosofen. Innerlijk is de mens in zijn denken iets exceptioneels. Deze uitzonderlijkheid van de mens kan alleen worden verklaard door zijn verbondenheid met de vele krachten, die er in de natuur optreden. Daarom tracht men de relatie te vinden van het “ik” met al datgene, wat er in de natuur leeft en zolang men de hele natuur als bezield beschouwt, is het logisch, dat het “ik” zijn relatie zoekt met een wereld van goden en demonen.
Zelfs in deze tijd treffen wij in de esoterie nog zeer veel aan, dat is afgeleid van deze primitieve voorstellingen van het ego. Ook nu nog spreken wij van de dwaaltuinen van het “ik”, een soort labyrint, waarin de mens verloren kan gaan. Wij spreken van de eigenaardige tuinen, die doen denken aan datgene, wat wij bv. in de Duizend-en-één Nacht van Arabië terugvinden: De tuin van Aladin. Alle beelden, die tezamen ontstaan, hebben echter één doel: Het doel om wijsheid te geven.
Uit dit eerste esoterisch streven ontstaat na verloop van tijd de eerste werkelijke school, die wij over het algemeen de Isis-school noemen. Zij heeft deze naam gekregen, omdat ze zich baseert op de natuur en de natuurkrachten. De volgelingen van deze Isis-cultus zijn niet de latere Isis-vereerders van Egypte. Maar ook voor hen is de maan-gekroonde godin het symbool van de bewustwording. De gehele wereld met alle daarin samenspelende krachten brengt de mens tot de realisatie van zijn verbondenheid met deze natuur. Hij is zelf deel van Isis. Hij is deel van datgene, wat uitrijst boven de aarde en uitgrijpt naar de lichtende maan, die het symbool is van de kleine hemel, waarin men de godheid wel kan aanschouwen. Maar nog niet de godheid volledig zal kunnen volgen.
Uit de Isis-cultus komt langzaam maar zeker het meer rituele geloof. Er ontstaat een groot aantal riten, die in vele gevallen voor de moderne mens minder aanvaardbaar zijn. Er ontstaat een groot aantal bijzondere gezangen en gebeden en op den duur zelfs een vaste methode voor concentratie en contemplatie.
De oude eigenschappen, die de mens allang verloren zou hebben, spelen in deze eerste scholen een grote rol. De telepaten van voorheen treden weer op. De drievlakkige pyramide, bedekt met gepolijste steen en later zelfs met zilver, zijn als concentratiepunt slechts de symbolen van het geloof, dat de mens uit zijn lichaam kan treden en dat hij buiten zijn stoffelijk lichaam het geheel der natuur kan kennen en waarnemen.
Men maakt de grote glazen bollen van een zeer troebel, groenachtig glas, waarin door magische bezweringen de kracht van een andere wereld wordt gelegd. Zij worden de kijkgaten naar andere sferen en men betreedt daarmede zowel de aarde als de hemelsferen. Het is een eigenaardig denken en geloof en het resultaat doet eerder denken aan magie en zelfs aan beginnende wetenschap dan aan datgene, wat in uw tijd nog onder esoterie wordt verstaan.
Naarmate echter de mens verdergaat, beseft hij meer van zijn wereld. Meer en meer sluit hij de goden uit zijn bestaan en verbant hen naar hoge bergtoppen of zelfs naar werelden, die door mensen niet kunnen worden betreden. Zo komt het ogenblik, dat de relatie mens – God een uitzonderlijke gaat worden. De mogelijkheid om die God te bereiken is: Uitgaan van jezelf en zo ingaan tot de godheid.
Dit geschiedt, zo gelooft men, bij de dood. En aangezien de dood voor een ieder het middel tot contact is met de godheid en de goddelijke wetten, ontstaan hieruit de verschillende dodenboeken, de voorstellingen van Bardo en onderwereld en ook de denkbeelden omtrent een hemel gerecht. De wereld der mensen wordt super-geïmposeerd op die der goden. De goden krijgen een steeds menselijker gestalte. Hierdoor zijn ze voor de mensen gemakkelijker bereikbaar, maar gelijktijdig worden zij ook onzuiverder als middel om het Eeuwige te bereiken.
Dan komt er een tijd, waarin de mens langzaam maar zeker zijn eigen wereld gaat overwinnen. Hij is zozeer meester geworden van de materie, hij acht zich zo ver verheven boven alle leven, dat voor hem innerlijk geen weg meer tot de goden is te vinden, die kan worden voorgesteld door eenvoudige menselijke beelden. De abstractie doet haar intrede.
De abstracte scholen, die zelfs reeds in Griekenland bestaan, ondervinden hevige concurrentie van scholen, die nog het oude procedé van beleving, emotie en eventuele uittreding toepassen. De filosofen winnen. Want menigeen is bang voor belevingen. Belevingen binden te zeer de persoonlijkheid. Zo gaat men langzamerhand de gehele wereld van de geest en daarmede het esoterisch streven losmaken van het normaal menselijk bestaan.
Er wordt dan een filosofie opgebouwd, waarin men de wereld der goden precies omschrijft, waarin het Koninkrijk der Hemelen en ook de hel worden gedefinieerd, met alle indelingen, de namen van de vorsten, de generaals en de uitvoerende organen. Maar daarmede komt de mens niet verder, want innerlijk vindt hij in verband met deze namen niets. Het zijn nog steeds emoties, gevoelens. En dan zoekt hij een systeem, waardoor hij zich aan de redelijkheid van eigen bestaan kan ontworstelen.
De grote loges ontstaan en de mens zoekt via de loge zich in zijn persoonlijke ontwikkeling vrij te maken van de wereld, die hem beheerst. Zo wordt zijn loge-bestaan feitelijk een verzet tegen de wereld, waarin hij leeft en daarmede een erkenning van de grote macht en de grote werkelijkheid van de wereld, waaraan hij ten slotte toch onderworpen blijft. Spreken wij van de ontwikkeling van de mens, dan kunnen wij dus ook spreken van de parallelle ontwikkeling der esoterie.
De massa is in het begin belangrijk. Het is de massale beleving, die zelfs nog het grote bad aan het begin van de inwijdingscyclus in Griekenland en bij de grote plechtigheden instelt. Het is nog steeds de gemeenschap, die in loges (zelfs nog als in die van Cagliostro) de mensen samen dwingt tot een bepaald gedragspatroon, waarbij ze zichzelf volledig prijsgeven en vergeten. Maar ze erkennen daardoor de macht van de wereld buiten hen. Door verschillend te willen zijn, verwerpen zij hun werkelijkheid en daarmee verliezen zij hun punt van uitgang.
De werkelijke esoterie moet gebaseerd zijn op het persoonlijk leven, op alle contacten en verbindingen, die je hebt met dat leven. Want alleen zo kun je de wereld van engelen en goden waarlijk erkennen en betreden. Slechts zo kun je in jezelf de meer eeuwige elementen ontdekken, erkennen en beleven, die het werkelijk belangrijke van het bestaan uitmaken.
U zult zich waarschijnlijk afvragen, of de esoterie een vooruitgang is of niet. Welaan, in het begin van de mensheid kwamen de goden of de engelen – hoe u ze ook noemen wilt – tot de mens. De lichtende gestalten, die neerdaalden op de altaren, de vreemde schimmen en schaduwen, die zich tijdens nachtelijke plechtigheden vertoonden, de stemmen die klonken uit de nacht, waren niet alleen priesterbedrog. Er was een realiteit, een geestelijke realiteit, die zich op aarde openbaarde.
De esotericus zoekt deze realiteit terug te vinden. En wat dit betreft, zoekt men slechts het oude te herwinnen. Maar daar staat tegenover dat, wat eens de massa zonder eigen besef trachtte af te dwingen en te beleven, door de esotericus in en uit zichzelf wordt beleefd en afgedwongen. En in die zin is het een stap verder naar de geestelijke vrijheid. Want in hetgeen u leert over de ontwikkeling van het leven op aarde, zult u ontdekken, dat het leven steeds meer tracht de banden los te maken, die het in te sterke mate binden aan een bepaalde gemeenschap of een bepaalde omgeving.
Welaan, dit vrij worden van de wetten en van de omgeving der natuur, dat de mens tot het bij uitstek geschikte doel van incarnatie heeft gemaakt voor vele geesten, kan voor de geest zelf worden doorgevoerd via de esoterie. Een geest, die vrij is geworden van al hetgeen haar milieu haar oplegt, die voor zich God vindt en die niet wacht tot God of de engel tot haar komt, maar die tot die engel of tot God kan gaan, heeft ook bepaalde geestelijke wetten overwonnen.
Men kan de stromingen van de kosmos, de werkingen van de vele sferen en krachten in het Al niet veranderen, maar men kan er aan onderworpen zijn zonder het te beseffen. En men kan bewust; als een vaardig zeeman stromingen kiezen om zijn reis zo gemakkelijk en zo snel mogelijk te doen verlopen, om zo een doel te bereiken, dat men zelf te voren heeft vastgesteld.
Dit is dan de ontwikkeling van de esoterie. Een geschiedenis, die begint op het ogenblik, dat de mens voor het eerst beseft dat hij niet alleen een omgeving rond zich heeft, die op hem invloed uitoefent, maar dat hij zelf ook zijn stempel op zijn omgeving kan drukken en drukt. Het is begonnen in de tijd, dat de mens besefte dat je onafhankelijk kunt zijn van bepaalde instincten en de wetten der natuur, indien je meester bent van jezelf en als je je eigen besluiten neemt. En het zal voortgaan tot het ogenblik, dat de mens zichzelf heeft vrijgemaakt van vele instinctieve en geleide gebeurtenissen en belevingen, die zijn geest betreffen. Want eerst de geest, die in volle vrijheid tot haar God kan gaan en Hem kan aanvaarden, zal zichzelf waarlijk erkennen en zal de goddelijke werkelijkheid ondergaan.
De ontmoeting
Eenzaamheid. Eindeloos zwart, waarin het “ik” als een lichte stip doolt en verdrinkt in duister. Droom van verbondenheid, die steeds verbroken wordt, omdat het licht van het “ik” zich niet kan weerkaatsen in het duister, dat het licht absorbeert. Verlatenheid en hopeloosheid, waarin dromen sterven en illusies vergruizeld worden. En dan daarin een licht. Een enkel licht, dat een antwoord schijnt te zijn en men meent daarin zichzelf te erkennen.
Men stormt naar dat licht om in de ontmoeting voor het eerst zichzelf bewust te zijn in een wereld, die nietig lijkt. Maar men zoekt in de ander zichzelf, daarom is de ontmoeting nutteloos en nietig. Want het andere is niet het “ik”. Het beeld, dat men erin dacht te zien, is een drogbeeld. Het licht verdwijnt en de duisternis pulseert eindeloos voort.
Dan komt er weer een licht en weer één. En het antwoord is nog steeds: Dit ben ik niet. Het is alles illusie. Tot het ogenblik komt, dat ik een licht zie en mijzelf afvraag: Ben ik misschien ergens aan dit licht gelijk?
Indien ik niet mijzelf zoek in het andere, maar het andere zoek in mijzelf, dan is er plotseling geen afstand meer. Dan is er geen doel dat tijdelijk verenigt, of een denkbeeld dat tijdelijk wordt uitgewisseld, er is een versmelting.
Eén licht staat in een eindeloze ruimte van zwart, die al absorbeert. Maar het licht is niet eenzaam. Het heeft in de ontmoeting met de ander zichzelf gevonden. Het heeft zichzelf gevonden en kan zichzelf niet meer verliezen. De eindeloosheid van een eeuwige ruimte is gevuld met het besef van bestaan.
En wanneer alle zielen gestorven zijn en alle verschijnselen uitgeblust, pulseert een dergelijke vonk voort. En ziet, uit het besef van het ware “ik”, wordt de ontmoeting tot een schepping en de twee-eenheid openbaart zich. Het wordt licht en in het licht ontstaan hemel en aarde.
En zo ontstaat de Geest, die waart over al het geschapene en baart uit Zich de drie-eenheid.
En uit de drie-eenheid openbaart zich de volheid van het bestaan, totdat – vermoeid – het licht zichzelf dooft in duister, wetend: Ik ben eeuwig en onverwoestbaar en de schepping mede dooft.
Maar misschien is er ook dan een licht, dat blijft branden in het duister, totdat het leert het andere in zichzelf te erkennen en zo in de ware ontmoeting van leven de schepping te hernieuwen.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
