april 1967
Vormontwikkeling
Wij hebben tot nu toe hoofdzakelijk die ene ontwikkeling gevolgd, die wij zien uitmonden in de moderne mens. Daarnaast echter worden wij geconfronteerd met ongetelde andere levensvormen. En sprekende over de geschiedenis van het leven, moeten wij natuurlijk ook al dat andere op aarde en eventueel later ook elders, mede in beschouwing nemen.
Wat nu is kenmerkend voor het leven op aarde? In de eerste plaats wel, dat alle levenskracht ongeveer gelijk is. In de tweede plaats, dat de activiteit van een wezen niet noodzakelijkerwijze diens levenskracht als geheel bepaalt, maar dat dit kennelijk voortkomt uit het ontwikkeld zijn van het zenuwstelsel en de aanwezigheid van grote zenuwknooppunten of een brein, waarin een voortdurende actie mogelijkheid bestaat. Een klein dier of een klein wezen met een groot brein of een uitgebreid zenuwstelsel heeft dus in verhouding meer levenskracht en meer levensmogelijkheden dan al de minder ontwikkelde soorten. Dit geldt ook voor het individu.
Voor de soort lijkt het haast het omgekeerde. Hoe eenvoudiger een levensvorm is, des te gemakkelijker zij zich aanpast. Indien de aanpassing niet mogelijk is, zie wij het ras eenvoudig verdwijnen. Als wij eens kijken naar bv. de grote reptielen, dan ontdekken wij dat een aantal van die wezens (waaronder overigens ook enkele zoogdieren waren, die tot de oceaan terugkeerden) kunnen voortleven. Maar zij ontwikkelen in verhouding ook hun zenuwstelsel wat beter en hun reactie- en denkvermogen (meestal een groepsreactie) is ook aanmerkelijk groter dan van de dieren, die in de moerassen en op de vastelanden verblijven.
Terwijl zich overal de enorme strijd van de sauriërs afspeelt, verandert er iets aan de wereld. Het is niet veel. Er verandert iets aan haar rotatie. Het is eigenlijk onbelangrijk, maar die rotatieverandering betekent een verandering van magnetisch veld. Dat betekent, dat bepaalde plantensoorten teniet gaan; dat andere plantensoorten muteren; de voedingsmogelijkheden worden moeilijker. Gelijktijdig ontstaat er een grote verzwaring van de voortplanting; zij is niet zo eenvoudig meer mogelijk.
Daarbij zien wij juist in de periode, dat, dit zich begint te openbaren, de massale vormen van de betrekkelijk kleine vleeseter optreden, die wij kennen als de tyrannosaurus rex. En deze worden slachters. Zoals een wilde hond niet om te eten maar alleen om te doden soms 20 à 30 schapen de keel openscheurt, zo zijn vooral deze grote sauriërs, die volledig door de impuls. worden beheerst, niet meer in staat zichzelf te beheersen; zij doden zonder meer. Het gaat niet meer om voedsel, het gaat om de strijd, om het bloed. En dan zien wij de sauriërs in zeer korte tijd verdwijnen, terwijl een aantal op het land levende en in verhouding kleinere dieren zich wel handhaven.
Wanneer de sauriërs verdwenen zijn, vinden wij nog steeds rode beren, sabeltandtijgers en wat er nog meer voor lieve huisdieren waren in die tijd. Maar onze primitieve poes, de sabeltandtijger, kan niet blijven bestaan, zoals hij is. Hij is wat te groot; zijn gebit is niet geschikt voor de kleinere prooi, die hij najaagt. Het resultaat is dat een aantal van die dieren uitsterft; andere daarentegen brengen een steeds kleiner wordende generatie voort en zo zien wij de vorm veranderen, waarbij de afstand tussen de sabeltandtijger (ongeveer vier keer zo groot als een normale tijger) en de gewone tijger wordt afgelegd in een periode van nog geen 50 jaar. Maar de tijd, dat wij alleen de sabeltandtijger hebben tot het ogenblik, dat wij een normale tijgerachtige vorm (alleen het velletje ziet er nog een beetje anders uit) zien optreden, bedraagt ongeveer 50 à 70 jaar. Dat is een zeer korte periode, zoals u zult begrijpen.
Gelijktijdig zien wij overal elders ook verandering. Er is iets veranderd op aarde. Leven, dat zich niet kan aanpassen, gaat teniet. Leven, dat beschikt over een hoger georganiseerd zenuwstelsel en over een primitieve weerbaarheid tegen de omstandigheden, wijzigt eenvoudig zijn vorm en leeft verder.
In diezelfde tijd zien wij het paard groter worden. Wij zien de hondachtigen, die overigens niet doen denken aan de hond, maar behoren tot de familie lupus (wolven) zeer snel in aantal toenemen. Wij bemerken voor het eerst de grotere roedelvorming (een jachtkudde als het ware) en wij zien ook bepaalde onderlinge reacties.
De geluidstaal, die wij tegenwoordig bij wolven en ook bij de honden aantreffen, de uitdaging, de jachtroep enz., vinden wij eerst in deze periode terug. Kennelijk is communicatie noodzakelijk geworden, omdat er minder dode prooi is te vinden en omdat datgene, wat je najaagt, steeds sneller wordt en steeds minder gemakkelijk door een paar of een familie is te overweldigen. Ik geef dit alles alleen maar als voorbeeld voor een stelling. Die is nl. deze: Het leven mag worden geregeerd door de rassengeest, het mag mede worden bestuurd door vormende krachten van buitenaf, maar het moet zich aanpassen. De vergroting en versnelling van aanpassingsvermogen is dus afhankelijk van ofwel de eenvoud van structuur, dan wel van de complexiteit van zenuwstelsel en denkvermogen. In het eerste geval krijgen wij een praktisch onmiddellijk en spontane mutatie. Dat zien wij bij planten, maar ook bij vele lagere levensvormen.
Als u een nieuw middel tegen griep hebt, dan kunt u er zeker van zijn, dat een nieuwe soort griep binnen 30 à 40 dagen opkomt en dat daaruit cultures voortkomen (volken zou je eigenlijk moeten zeggen), die binnen niet al te lange tijd – ongeveer een jaar – overal in verschijning treden; dus kennelijk plotseling overal aanwezig zijn. Van insecten en de daaruit ontstane resistente stammen heeft u ook wel gehoord. De eerste vliegen vielen dood neer bij het eerste wolkje DDT. Nu zijn er al, die tegen elkaar zeggen. “Jó, als je gaat eten, moet je er wat pittigs bij hebben” en dan nemen zij een snuifje DDT mee.
Aanpassing. Aanpassing haast tot in het oneindige. Maar daardoor gelijktijdig vorm, selectie. Want de uiterlijke vorm moet langzaam maar zeker weer aan de innerlijke verandering en noodzaken worden aangepast. Wij zien in de wereld twee processen zich gelijktijdig afspelen. De eerste is een interne aanpassing dit wil zeggen een aanpassing van stofwisselingsprocessen, leefwijze en ook een verandering van instincten. Hierin kunnen wij primair de rassengeest proeven, die probeert het voortbestaan op de juiste wijze te verzekeren en bovendien bij genetische selectie de nadruk gaat leggen op de meest gewenste vormen.
Maar daarnaast zien wij aan de buitenkant een behoefte ontstaan, die wordt bepaald door de omgeving. U denkt misschien, dat de giraffe zomaar vlekjes heeft gekregen en dat de tijger z’n strepen kreeg, omdat hij een ontsnapte boef uit de een of andere kattengevangenis was. U lacht misschien over deze opvatting. Toch denken de mensen vaak nu ja, een tijger is een tijger, omdat hij strepen heeft. Maar of je hem nu in een tank stopt, het beest heeft zijn strepen niet altijd gehad. Hij moest een camouflage vinden. Hij moest in zijn milieu de mogelijkheid krijgen om onopvallend te jagen. En wij zien, dat zijn kleuring zich daarbij aanpast; dat de huidtekening juist in zijn jachtgebied een perfecte camouflage voor hem is. En dat zien wij ook overal elders.
Mag ik daarom stellen, dat een van de kentekenende verschijnselen van het leven is, dat het zich voortdurend aan de levensnoodzaak aanpast, maar gelijktijdig zijn vorm wijzigt om zo eenvoudig mogelijk te leven.
Wanneer wij de mensheid bezien, ach, dan veranderen de typen ook nog wel wat. Wij vinden de wat ouderwetse typen met ontzettend zware botten; een beetje vierkant, helemaal niet zo leuk. Het zijn de mensen, die hopeloos proberen spierballen te ontwikkelen en toch altijd meer lijken op de verpakking van bier. Daarnaast zijn er typen, die veel lichter gebouwd zijn, wier spieren veel minder ontwikkeld zijn, maar wel evenrediger, esthetischer verdeeld.
Typen, die als het erop aankomt misschien veel minder weerstand hebben, maar die meer appreciatie wekken, die in hun milieu op een hogere waardering kunnen rekenen. Nu is het eigenaardige, dat een dergelijke aanpassing door alle tijden heen een rol heeft gespeeld. U denkt misschien, dat het type van uw voorvaderen – of u daarvoor nu de zwarten of donker getinten uit het zuiden neemt de Keltische typen of u zoekt het in de blonde, blauwogige Germanen en Noren algemeen was. Maar als u even nadenkt, dan ontdekt u dat de volksverhuizingen daarin een zeer grote rol hebben gespeeld.
Een volksverhuizing in de oudheid is niet alleen maar een trektochtje, een reisje. Neen, dat is leven en voortdurend verder gaan. Het is een voortdurend leven van strijd, waarbij men zich in een steeds wisselend milieu bevindt en dus ook in de natuur altijd weer voor nieuwe verrassingen komt te staan. Zelfs het klimaat verandert van maand tot maand, van jaar tot jaar. Hierdoor ontstaat er een selectie. Wij krijgen mensen, die – als wij te maken hebben met voetgangers – rijzig zijn. Het zijn gespierde, zware typen. Hun kleur doet er niet zoveel toe. Zij veranderen toch te vaak hun omgeving om een bepaalde kleur , een schut nodig te hebben. Dat moeten zij zich maar aanmeten. Wat zij nodig hebben is snelle reflexen, strijdlust. En wij zien, dat zij het inderdaad krijgen.
De mensen, die als betrekkelijk tengere en eenvoudige typen ergens in Azië aan hun trektocht beginnen, komen in Europa aan als gespierde, veel grotere typen. De kleur van de ogen is veranderd, zij zijn verziend geworden. Hun leefgewoonte, hun methode van eten en drinken is ook veranderd. Wij zien dat zij bv. veel meer verschillende stoffen kunnen eten dan iemand, die ter plaatse altijd met een vast dieet te maken heeft. Waar hun voorouders aan het begin van de tocht eenvoudig aan vergiftiging zouden sterven, dat wordt als een bijvoeding gebruikt door degenen, die via de steppen van Rusland langzamerhand Duitsland en hun eindbestemming naderen.
Wat is dat eigenlijk voor een typisch proces? De mens verandert dus ook en hetzelfde zien wij bij dieren. De konijntjes, die op het ogenblik nog steeds in zo rijke getale in Australië en in Nieuw-Zeeland rondstoeien, stammen af van de gewone konijntjes in Europa. Maar als je gaat kijken, hoe zij zich gedragen, dan blijkt dat er een grote afwijking is. Wij vinden in Australië in de eerste plaats kolonie-vorming. Dat is er in Europa niet. Wij zien wel een soort buurtschap, maar net als bij boeren- ieder met een eigen hol en een eigen hoeve. In Australië vinden wij bepaalde konijnensoorten, die nog holen graven en die onderling verbinden, zodat meer nesten met elkaar in verbinding staan. Aan de andere kant vinden wij ook weer konijnen, die helemaal geen holen meer graven. Het zijn wel konijnen, maar ze hebben de legergewoonte van de haas overgenomen. Bovendien hebben zij een eigenaardige trekmethode. Zij blijven niet meer in één revier (wat het Europese konijn wel doet), maar zij trekken voortdurend verder. Waarom? Hoogstwaarschijnlijk, omdat het milieu het noodzakelijk maakt. Omdat het milieu hun instincten wijzigt. Daar kunnen wij tegenover stellen, dat het Europese konijn over het algemeen veel verstandiger reageert en door herhaling sneller leert dan het Australische. Omstandigheden bepalen kennelijk niet slechts uiterlijk en leefgewoonte, maar hebben ook nog iets te maken met de ontwikkeling van wat wij intellect noemen.
Nu begin ik met een stelling, die menigeen zal verbazen. Ik stel nl., dat het dier, dat in zijn milieu de mens als vormgevend overheersend aantreft, slechts twee mogelijkheden heeft: Het moet ofwel voortdurend intelligenter worden, dan wel het moet zijn mentale ontwikkeling volledig staken. Van beide vormen hebben wij voorbeelden. U moet niet denken, dat een koe dom is. Maar zij heeft op een gegeven ogenblik haar behoefte tot eigen activiteit, tot zelfstandigheid, voor een deel als het ware prijsgegeven. Zij heeft daartegenover een soort klakkeloze aanvaarding gezet, zoals wij die bv. bij de stalmens vinden.
De hond was een vriend van de mens, net als het paard. Zijn instinct en zijn denkvermogen, zijn herinneringsvermogen ontwikkelden zich in de richting van de mens, maar baseerden zich op een samenwerking. En dat is begrijpelijk, want zowel paard als hond hebben een arbeid, die zij met de mens tezamen moeten volbrengen. De leefwijze wordt door het onderling begrip bepaald.
Stel daar nu weer andere dieren tegenover. De kat bv. De kat is misschien spitser en veel slimmer dan de hond. Toch duurt het heel lang, voordat zij ook maar een derde van De vocabulaire heeft begrepen en onthouden, die een hond in de eerste vier à vijf maanden van zijn pub zijn al onthoudt. De kat is veel handiger, als het erom gaat zichzelf te redden, maar aan de andere kant heeft zij niet die doldriestheid, als de mens erbij is. Zij vertrouwt de mens altijd maar half; zij blijft schichtig. En wat zien wij: De hond is misschien een goede dief en de kat is misschien ook een goede dief, maar terwijl de hond steelt en dan schuldig gaat doen, zal de kat hoogstens zeggen: “Ik ben je te slim af geweest, vader.”
Er is nog een eigenaardig iets, dat is nl. Dit: Wij zien vaak een samenwerking tussen huisdieren ontstaan. En ook daar moet het menselijk milieu dus wel een rol spelen, als wij een vriendschap zien zoals inderdaad voorkomt tussen kippen, ganzen, geit, ezel, paard koe, hond en kat. Dieren, die normaal ten opzichte van elkaar neutraal of soms zelfs vijandig zijn. Als zij dan zien, dat zij als een gemeenschap kunnen functioneren, moeten wij nog verder gaan en zeggen: Niet alleen dat de vorming van het intellect wordt bepaald, maar de mens schept een milieu, waarin de gemeenschap niet meer ras bepaald wordt, maar nest bepaald. Men hoort bij elkaar. Men heeft hetzelfde voedsel. Men neemt elkanders geur over (bij dieren een zeer belangrijke zaak) en men voelt zich daardoor één familie. Buiten die gemeenschap zal de hond katten jagen; zal de kat tegen honden blazen; zal het paard schichtig zijn, als er misschien een hond komt; en de koe zal er helemaal niets voor voelen te stoeien met een geit. Maar binnen de gemeenschap, doen zij dat wel.
Wat leren wij uit dit alles? Dat een kunstmatige gemeenschapsvorm de rassen onderscheiden niet doet wegvallen, maar ze mentaal verzwakt en daarvoor in de plaats een teamgeest, een samenwerking brengt. Bij die samenwerking blijkt een gemeenschap van dieren, die onder de mens ressorteert maar waarin diverse elementen zijn opgenomen, stimulerend te werken voor alle delen daarvan. De koe, die bevriend is met een paard, met een geit, een kat of een hond, is intelligenter en vanuit menselijk standpunt vaak onhandelbaarder dan de koe, die alleen maar koeien heeft om gezamenlijk mee te herkauwen.
Wat voor het leven geldt in één vorm, moet te herleiden zijn tot een algemene regel, die voor alle leven geldt. Indien de invloed van rassengeesten kan worden beperkt en op den duur zelfs deels ongedaan kan worden gemaakt door milieu condities, dan moet dit ook gelden voor de mens en voor elk levend wezen dat er bestaat, zelfs voor bv. een natuurgeest. Dan moet dit ook gelden voor elke levensvorm, die in het Al maar denkbaar is. Hoogstens kunnen wij half-levende vormen uitschakelen, zoals bepaalde virussen, niet alle, maar bepaalde.
Wat betekent dit voor de mens? De mens was oorspronkelijk gewend om in kleine gemeenschappen te leven. Zijn gemeenschapsleven (en daarmee zijn denken, maar ook zijn innerlijke ontwikkeling, zijn emotionele inhoud, zijn habitus wordt bepaald door de familie. Als u eens denkt aan de stamhoofden van bv. Arabieren-stammet-Jes, die als wijze vaders hun stam regeren, dan realiseert u zich waarschijnlijk niet, dat u hier te maken heeft met een vorm van samenleving, die eens ook in uw eigen wereld, uw eigen land, bij uw voorvaderen heeft gedomineerd.
Naarmate de bevolkingsdichtheid toeneemt, ontstaat interrelatie tussen stammen. Wij zien dit eerst ontstaan in huwelijksgebruiken. Het huwelijk in de eigen stam of in de eigen gemeenschap wordt vaak minder toegelaten. Men stimuleert het aantrekken van nieuw bloed van buitenaf. Op den duur zien wij dat groepen of families gezamenlijk gaan reageren als een stamgemeenschap en dat verschillende stammen als een primitieve natie gaan optreden.
Vanuit het standpunt van het leven betekent dit in de eerste plaats een verwijdering van het natuurlijke milieu en daardoor een verminderde reactie erop. In de tweede plaats betekent het een noodzaak tot sneller reageren. In de eigen familiegemeenschap is men nu eenmaal onderworpen aan de wet en daarnaast reageert men op alles wat beneden het “ik” staat. Men is dus altijd wel sterken verstandig genoeg. Er is maar een enkele uitzondering: Hoe groter de gemeenschap wordt, des te sneller je moet reageren, omdat je omgeven bent door steeds meer gelijkwaardige elementen. De verstandelijke ontwikkeling neemt zeer snel toe, als de grootte van de gemeenschap toeneemt.
Voor de geest impliceert dit, dat de mogelijkheden in elk leven eveneens groter zijn geworden, want wij kunnen door het grote gebied van. weten, van erkennen ook gemakkelijker bepaalde belevingen zoeken en andere verwerpen.
Het is overigens ook in deze periode, dat wij van de eenvoudige emotionele magie overgaan naar de natuurmagie. Een natuurmagie, die langzaam maar zeker ritueel wordt. Wij krijgen nu niet meer te maken met taboe plaatsen, maar met bewust gekozen tempeloorden en bewust gekozen heilige wouden.
Er ontstaan dan stadsstaten. In de stadsstaat is de mens nog veel meer afgezonderd van de wereld buiten hem. En dat betekent, dat hij niet meer leeft volgens de natuurlijke wetten, maar dat hij zich moet aanpassen aan een totaal nieuwe reeks regels en wetten, waarvoor niet altijd een natuurlijke achtergrond bestaat. Wie van u de wetten van Hammurabi bv. bekijkt en daarin aantreft de manier, waarop men een slaaf wel of niet mag mishandelen; beeft niet wat een grote verandering dat betekent. Tot nu toe was je gevangene je slaaf, je eigendom. Hij was een deel van je leven. Je mag in je eigen vinger bijten, je mag dus ook je eigen slaaf doodslaan. Een verandering van besef van het individu. Een verplaatsing van bezit en macht naar kundigheid en vandaar naar individualiteit.
Als we nog een stapje verder gaan, dan ontdekken we specialisatie. Zelfs in de tijd van Hammurabi vinden wij al mensen, die alleen maar koken of alleen maar snijwerk doen of stenen vormen of metselen. Wij vinden eigenlijk al de eerste vakbonden. Hun band is nog mystiek-religieus, dat is waar. Maar belangrijk is hierbij weer: Gelijk en gelijk. Er ontstaat binnen de gemeenschap een aantal afzonderlijke soorten, die nu niet meer materieel bepaald zijn maar door de kundigheid en die zich daarmee dus nog veel meer vrijmaken van de natuurlijke samenhangen.
Bij de dieren zien wij dergelijke evoluties ook. Als wij kijken naar bepaalde insecten-staten (denk aan bv. de mieren, de termieten, de bijen, de wespen enz.), dan vinden wij daar ook een gemeenschapsvorm. Die gemeenschapsvorm is gestabiliseerd dit wil zeggen binnen de heuvel, de korf of het nest zijn vaste verhoudingen. Hierdoor komt er een wegvallen van de persoonlijke ontwikkeling. Er ontstaat een verslapping. van geestelijke waarden.
Nu blijkt, dat de levenskracht niet meer kan worden gezocht in het individu per se, maar moet worden gezocht in het gehele volk; en dat bepaalde symbolen van dat volk eigenlijk een karakter krijgen, dat veel belangrijker is dan het eigen “ik”. Als u bv in een mierenhoop een stok steekt, dan moet u eens een stukje wit papier neerleggen. Een ogenblik later ziet u mieren in de grote opschudding, waarbij hun bestaan bedreigd wordt, voorzichtig komen aansjouwen met poppen, die zij allemaal bij voorkeur op dat lichte vel neerleggen, omdat zij aannemen dat door de zonnereflex het daar een beetje beter is. Intuïtief waarschijnlijk, dat geef ik toe. Instinctief, maar zij doen het. Hun eigen leven krijgt alleen nog betekenis in de gemeenschap. En daarmee is de verdere ontwikkelingsmogelijkheid uitgesloten. U weet allen, dat er mieren volkeren en termieten bestaan, die niet alleen goede ingenieurs en bouwkundigen zijn (hun steden zijn werkelijk logisch gebouwd ) maar die bv. landbouw bedrijven. Zij hebben bv. hele aangelegde kweekbedden van bepaalde schimmels. Zij weten precies hoe zij een zekere doorluchting van hun nest of heuvel tot stand moeten brengen, net voldoende voor hun eigen behoeften. Zij weten zelfs de warmtegraad in de verschillende delen van het nest enigszins te bepalen. Het zijn dus zeker niet wezens, waarvan je kunt zeggen: Zij zijn dom.
De mens zegt: Het is allemaal instinct. Maar dat instinct moet toch ergens vandaan komen en dat komt niet alleen van een rassengeest. Die rassengeest helpt de vorm en voor zover het kan ook het bewustzijn te ontwikkelen. Maar wat je ermee doet, dat is nog altijd je eigen zaak; ook binnen een instinct-gedreven maatschappijtje. En ga nu eens kijken naar de mensen in de steden. In de stadsdelen is die samenleving al wat geperfectioneerd, Maar de stadsstaat richt zich haast automatisch tegen alles wat buiten haar staat. Zij ziet elk zwervend volk als een automatische bedreiging. Zij beschouwt een ieder, die niet aan haar horig is als een soort rover. Zij zendt hele legers uit om niet op het platteland hoofdzakelijk, maar in andere steden te plunderen, omdat het gaat om de menselijke productie en vooral om de scheppende menselijke waarde. Zij willen metaal en beelden hebben. Zij willen kunstig gesneden steenstukken en marmerplaten hebben. En zij willen ideeën hebben en slaven. Dat is voor hen belangrijker dan voedingsmiddelen. Die nemen zij terloops wel mee.
Ik doe nu nog een stap verder. In die stadsstaat was er, omdat zij betrekkelijk klein was, nog een persoonlijke interrelatie tussen de mensen. Alle andere levensvormen, die daarin bestonden (paarden bv., een kostbaarheid in die tijd), werden gekend. Men zag bv. een span aankomen en men zei: 0, dat is van die en die. En men wist dan van zo’n paard dat is een beetje schichtig, daar moet ik voor uitkijken. En dat deed men dan ook. Maak de gemeenschap nog wat groter, de bevolkingsdichtheid nog wat intenser en er is daarvoor al niet direct gelegenheid meer.
Kijk naar Parijs in de middeleeuwen. Daar vinden wij eigenlijk verschillende volkeren, die door elkaar heen leven. Zoals wij bv. in de nesten van de weidemier een aantal fijnere gangen van een kleinere miersoort aantreffen, die wel van de grotere gangen van de gemeenschap gebruik maakt, maar eigenlijk toch apart leeft. Dat Parijs moet u zich niet zo romantisch voorstellen, want het bestaat ten eerste uit de adel (de machthebbers, de machtbezitters), daarnaast uit de directe producenten en handelaren, vervolgens uit het gewone volk en dan nog weer eens uit de losgeslagenen, de kleine zwervende stammen, bestaande uit studenten, bedelaars, rovers, dieven enz. Het zijn allemaal verschillende gemeenschappen, die met elkaar tot een compromis komen. Maar een lid van die gemeenschap wordt door alle andere gemeenschappen niet voor zichzelf erkend, doch alleen als representant van die andere gemeenschap.
Zo ontstaan er zeer grote taalverschillen. Denk eens aan de gedichten van Jean de Villiers . Er ontstaan zeer grote morele verschillen. Kortom, er ontstaat een divergentie, waarbij de gemeenschappelijk bindende factor eigenlijk geen uitdrukking meer is van het leven, maar de omschrijving is geworden van een conventie. De vormgeving, die het leven op deze wijze ondergaat, heeft zich in onze dagen wel bijzonder sterk voortgezet. Zonder een grote stad nu helemaal te willen vergelijken met bv. een mieren- of bijenstaat, zou ik toch willen opmerken, dat de moderne stad bestaat uit een groot aantal groepen (in zich meestal zeer ongelijkwaardige groepen) met een eigen taal, vaak een eigen specialisme, eigen moraal, eigen belang, die zich daarin als het ware vormen. Zij worden dus niet gevormd door de wetten of door de gemeenschapsnorm. Neen, zij hebben hun eigen zedelijk besef. Zij hebben een eigen taal. Zij staan los van de anderen.
Het aantal gemeenschappen neemt toe. En naarmate dit toeneemt, moet de gemeenschappelijke, kunstmatige norm groter worden en zal dus het gedrag van elke groep op zich in de een of andere richting van de wet divergeren.
U zult zeggen: Wat wil je nu daarmee beweren? Het is eigenlijk heel eenvoudig, als u even doordenkt. Er ontstaat een uiterlijke habitus, die niet meer eigen wezen, eigen noodzaak, eigen levensontwikkeling weergeeft. Er moet dus binnen de gemeenschap een aantal – hoofdzakelijk mentale – mutatievormen ontstaan. Dat kan niet anders. De aanpassing aan het milieu, die – zoals wij hebben gezien – ook bij de dieren een zo grote rol speelde, speelt in de maatschappij al een even grote rol. Men moet zich dus aanpassen, maar wat meer is, men moet zich ontwikkelen. Men moet niet alleen zijn eigen reactievermogen vergroten, maar ook zijn prestatieverhouding beter weten af te meten ten opzichte van anderen.
Dit betekent niet slechts een stoffelijke ontwikkeling, het betekent ook een geestelijke ontwikkeling. Het eigenaardige feit doet zich voor dat de stadsgemeenschap, zoals wij die tegenwoordig overal op de wereld zien, de mogelijkheid biedt tot gelijktijdige groepsincarnatie van individuen, die tot geheel verschillende vormen van beschaving behoren. Een moderne wereldstad kan gelijktijdig omvatten: Incarnaties van jachtvolkeren (ik denk hier bv. aan de Indianen als een van de sprekende voorbeelden), van nomadenstammen. Tartaarse (ecoral vroeg-Taxtaarse) incarnaties zijn ook nu nog veelvuldig. Wij zien stad beschavingen en theocratische beschavingen met hun magische achtergronden. Maar gelijktijdig zien wij ook nog incarnaties van bijna anarchistische volkeren en toestanden. Allemaal tegelijk en zij passen in die stadsgemeenschap. Elk vindt daar zijn mogelijkheid tot geestelijke ontwikkeling, tot een verdere ontplooiing van zichzelf, tot een vergroting van de kennis van het eigen “ik” en zijn ervaring van het leven.
In de geschiedenis van het leven heeft de stad al eerder een zeer belangrijke rol gespeeld. Wij behoeven maar te denken aan de legenden over Atlantis en Lemurië om ons te realiseren, dat ook daar de bouw van, grote steden in het hele gedrag van het volk, in de innerlijke waarden ervan een grote ommekeer betekende. Maar wij zien ook altijd weer, dat na een langdurig samengaan van de verschillende groepen er een zodanige divergentie is, dat de gemeenschappelijke norm – ik zou haast zeggen: De gemeenschappelijk taal – niet meer voldoende is om de band te handhaven. Dan ontstaat er een strijd tussen de verschillende groepen en zien wij de grote steden uiteenvallen. Er is dan geen sprake meer van een rijk, maar van een aantal kleinere, elkaar beoorlogende fracties, zoals wij die bv. in de middeleeuwen zien, waar elke ridder tegen elke andere ridder vocht.
In Rome hebben wij daarvan een aardig voorbeeld. Wij zien Rome zich opbouwen als een boerengemeenschap. Als deze niet in staat is (n.a. door de grotere rijkdom van de Etrusken) zichzelf geheel te handhaven, gaat men – zoals primitieve stammen doen – op roof uit. Er ontstaat dan een krijgsmansstaat. Deze is nog aanvaardbaar, zolang zij zich baseert op de landbouw. Er is wel een stad, naar die is niet bepalend. Het is de landbouw die bepaalt. De soldaat, die terugkeert, is blij toe dat hij zijn eigen tukje land weer kan gaan bebouwen. Pas als het aantal slaven zo groot wordt, dat de landbouw eigenlijk een kwestie van bezit wordt en niet meer van persoonlijke arbeid, dat het aspect van werken wordt verschoven naar administratie, zien wij de barbaarse legioenen naar Rome opmarcheren, maar gelijktijdig Rome zelf in een aantal strijdende fracties uiteenvallen. Dan komt de tijd, dat de Palestijnse garde in staat is om iemand caesar en keizer te maken, als hij maar genoeg betaalt.
Zo is het ook in deze dagen. Er is een vormend proces. Rome was in de geestelijke ontwikkeling van de mensen van zeer groot belang. Niet alleen door het Christendom, dat is eigenlijk secundair, maar wel vooral door het systeem van legalistisch denken. Het erkennen van de maatschappelijke wet, het burgerrecht. Dit Romeinse recht regeert nu praktisch de hele wereld. De Romeinse opvatting omtrent handel. – en zelfs omtrent kolonisatie – speelt zelfs nu nog een rol in de maatschappelijke verhoudingen en in de economie van uw wereld. Het is duidelijk het leven heeft zich in die dagen snel ontwikkeld.
Er is een erfwaarde geschapen, die als instinct, als primitieve erkenning, groeit in de vrucht: Het kind. Er is een mogelijkheid geschapen tot een grotere ontplooiing van geestelijke gaven en capaciteiten. En er is ook een verscherping van reactie ontstaan. Natuurlijk. Rome moest zijn spanningen ontladen. Zij, die eens krijgers waren, die bloed vergoten op het slagveld, wilden nu toch bloed zien vloeien en zij zagen het in de arena’s. Zoals de mensen vroeger lichaamsbeweging namen, die ze werkelijk nodig hadden en daarom de mensen van vandaag samen groepen rond velden, waar experts in lichaamsbeweging zichzelf en anderen kwellen om prestaties te leveren, die even doelloos zijn als eens het sterven van de gladiatoren.
Het zijn verschijnselen; niet alleen maatschappelijke, maar ook geestelijke. Het is een verandering van de vorm; niet alleen maar van de gemeenschap, doch ook van de mens. De mens groeit naar een ander bestaan toe. Wie gaat kijken naar de kinderen van vandaag en deze vergelijkt met de kinderen van 30 jaar geleden, komt tot de ontdekking dat zij anders gebouwd zijn. Het maakt niet zoveel uit misschien, maar zij zijn iets groter en zijn over het algemeen iets minder fors. Zij zijn doorgaans wat slungelachtiger, als u mij de uitdrukking toestaat. En dit langere type neemt steeds meer toe. Wij zien in vergelijking met 1860, 1870 (dus ongeveer 100 jaar geleden) een verandering in gewicht, in bouw en beenderenstelsel. Het zijn geringe afwijkingen, maar zij zijn toch wel kentekenend. Wij zien zelfs een verandering in schedelbouw, in haarinplanting.
Die zijn niet precies gelijk meer. Daarnaast zien we bij velen – en dat is wel heel typisch – een zeer sterke verandering van de handen en voeten. Eens waren de voeten middelen tot voortbeweging; de handen middelen om kracht uit te drukken via gehanteerde instrumenten.
Nu zijn de voeten geworden tot apparaten betrappende en besturende instrumenten, die onafhankelijk van elkaar en niet meer in een eentonig ritme moeten kunnen reageren. Het uithoudingsvermogen wordt minder; de onafhankelijke actiemogelijkheid en reactie snelheid nemen toe. De handen zijn steeds meer gebouwd niet om kracht uit te oefenen, maar om te manipuleren. De veranderingen vallen u waarschijnlijk niet op, want het gaat zo geleidelijk.
Als u komt te staan voor het harnas van een van de paladijnen van Karel de Grote, dan zult verbaasd zijn te zien, dat u eigenlijk helemaal niet in zo’n harnas kunt. Als we kijken naar de borstkurassen van de Romeinen, dan constateren we met enige verwondering, dat die borstkas Wat anders moet zijn geweest dan die van de hedendaagse mens, tenzij we willen aannemen, dat ze ter wille van de schoonheid en met grote lege ruimte en wrijvende raakpunten hebben rondgelopen en dat is niet aan te nemen. Er verandert dus wel degelijk iets. De vorm verandert voortdurend en deze vormverandering wordt mede bepaald door de milieuverandering.
Het denkvermogen van een nu geboren kind met normale mentale vermogens is in staat een zeer snelle en scherpe selectie te maken ten aanzien van bv. voertuigen. Het overziet beter de bedieningsorganen, is vaak ook beter thuis in de erkenning van abstracte thema’s en waarden. Daarentegen staat het wat hulpelozer tegenover natuurlijke waarden. Dat is niet zomaar een gebeuren. De dieren, de planten en de mensen passen zich voortdurend aan. De krachten, die hen helpen en geleiden, geven hun de beste mogelijkheden. Maar als zij niet verder kunnen, moeten zij uiteenvallen en zal de rassengeest bijdragen tot een verdeeldheid om de niet vruchtbare tak ten onder te doen gaan. Gelukt dat niet, dan ontstaat er een versteende staatsvorm, waarin het individualisme wordt teruggedrongen tot eigen lust en onlustgevoelens, zoals in een mierenstaat.
Voor een ieder, die de geschiedenis van het leven volgt en haar wil begrijpen, is het van buitengewoon groot belang dat hij beseft: De potentie van alle leven moge gelijk zijn, maar de relatie met het milieu bepaalt de ontwikkeling van de potentie. De vormontwikkeling aan de hand van een ideaal, bezien uit het standpunt van een rassengeest, is mogelijk en wordt bevorderd, maar kan nooit volledig worden uitgevoerd, tenzij milieuomstandigheden meewerken.
Intellect en denken, wetenschappelijk en godsdienstig denken zijn – in de gemeenschap althans – niet alleen maar de uitdrukking van een individueel bewustzijn. Zij zijn de uitdrukking van een levensnoodzaak, die in de maatschappij ontstaat. Naarmate een ras in een meer kunstmatig milieu met een toch blijvende variabiliteit leeft, zal in feite door specialisering en ten slotte door de samenvoeging van specialismen (die ook onvermijdelijk is) een totaal nieuw type van denken ontstaan in een voertuig, dat in één gewenste richting speciaal begaafd is, dat niet meer als doel heeft zichzelf te handhaven, maar dat in zijn bestaan door anderen verdedigd en gehandhaafd, alleen nog maar ten doel heeft een bepaalde functie van die gemeenschap te vervullen.
Dat het individueel besef hierbij tot zeer grote hoogte kan stijgen, is op aarde misschien nog niet zo duidelijk merkbaar. Maar er bestaan andere volkeren buiten deze aarde en daar zien wij, dat de meest vergaande technische specialisatie in een periode van grote technocratie heeft geleid tot ongewone diepten van filosofie en tot het beheersen van geestelijke krachten.
Zeker, het zijn in dit volk nog specialisten, misschien één op 10.000. Maar die ene op de 10.000 geeft een geestelijke achtergrond, een milieu stimulans aan al die anderen, waardoor zowel vorm als beschavingsvorm zich zullen blijven wijzigen en op den duur de beheersing van materie en geest voor een ieder gelijk aanvaardbaar wordt.
Eerst als dit bestaat, kan vanuit een nu beheerste vorm en persoonlijk beseft vermogen het individu terugkeren tot de natuur, die nu niet meer zijn heerser en vormer is, maar die hij nu zelf boetseert, zoals eens zijn verre voorvaderen geboetseerd zijn door de krachten der natuur: De vormende geesten, die daarin een rol speelden.
De magische achtergrond in de menselijke ontwikkeling
In het denken van de mens ontstaat langzaam maar zeker het begrip van zijn sociale ordening. Naarmate hij meer wetmatigheden en vastliggende relaties ontdekt in zijn verhouding tot de eigen wereld, wil de mens deze relaties ook uitbreiden tot het onbekende.
Zo ontstaat zijn contact met de natuur, die hij echter niet meer als een hem overweldigende macht gaat beschouwen, maar eveneens tracht uit te drukken in persoonlijkheden in wezen en entiteiten, zodat voor hem een verbinding daarmee mogelijk is.
De primitieve magie is bovendien gebaseerd op de relatie met het oerwezen, dat zich voortdurend in de verschijnselen reproduceert. Naarmate de mens echter zijn eigen gemeenschap verder ontwikkelt, komt hij ertoe om ook aan de wereld van het onkenbare een systematische opbouw te geven.
In het begin krijgen we te maken met goden, die bepaalde aspecten vertegenwoordigen. Maar al zeer snel krijgen deze goden een zeer bepaalde relatie ten aanzien van elkander. Zij treden op als een stam en worden een partij. Van hier tot de poging om de band tussen mens en God meer systematisch uit te drukken is slechts een enkele stap. Die erkenning geschiedt in de eerste plaats wel in het veronderstellen van een aantal gradaties in het God-zijn. Daarnaast echter ook in het stellen van een aantal menselijke mogelijkheden om met die Godheid in contact te komen.
Er zijn een aantal gebruiken, die praktische resultaten opleveren. Wij krijgen dan de eerste werkelijke magie, waardoor de mens – onbewust van de werkelijke verhoudingen – zijn eigen gedachtekracht maar al te vaak aan goden of demonen toeschrijft en zich verbonden acht met een onzienlijke wereld.
De onzienlijke wereld echter, heeft niet voldoende heerschappij. De machtsverhoudingen op aarde zijn nog niet genoeg uitgedrukt. En als een enkele zwervende priester in staat is het wel of wee van een leger te bepalen, zoals in het verhaal van Balaam en zijn ezel, kan de mens zich niet gelukkig voelen in de maatschappelijke verhoudingen en de daarin bestaande machtsuitdrukking. Daarom creëert hij een vaste priesterkaste.
Deze priesterkaste maakt dan een systeem van de benadering van de Godheid. De macht der goden wordt in wezen overgedragen aan de mens en door mensen tot uitdrukking gebracht. Als wij in de moderne tijd zien, hoe de hedendaagse mens een dergelijk gezag nog aan predikers en priesters toekent en hoe eveneens bij velen nog een magisch geloof aan bv. de medicus of de wetenschapsman bestaat, ja, als wij zien, hoe het vertrouwen in een bull of diploma in deze dagen vaak gelijk komt aan het geloof in de amuletten van eens, dan moeten wij wel toegeven, dat ofschoon de namen der goden en het systeem van hun opbouw misschien uiterlijk gewijzigd is – de relatie van de mens met het niet beheersbare nog steeds is gebleven.
Het verleden geeft ons slechts de opbouw van de magische ontwikkeling en toont ons de structuur van het eerste pantheon, dat verdergaat tot de kabbalistische verdeling van de totale kosmos in onderling gegradeerde en afhankelijke machten. Vandaaruit gaat het over in de hemelopvattingen, zoals die bestaan, waarin God in feite optreedt als een soort onzichtbare keizer met een eigen hofhouding en een eigen benadering van zijn onderdanen.
Naarmate het weten bij de mens gaat overheersen en dus het onbekende op de achtergrond dreigt te geraken, verplaatst de mens zijn associatie met het onbekende van de Godheid het niet bewijsbare naar de kennis (het schijnbaar bewijsbare). De filosofie ontwikkelt zich en toont ons een beeld, waarmee op grond van bestaande feiten torenhoge bouwsels van veronderstellingen kunnen worden opgetrokken.
De mens van heden leeft niet krachtens de feiten, maar krachtens de veronderstellingen. Hij heeft zijn aanbidding van God grotendeels overgedragen aan kennis, aan wetenschap, kortom, aan een in zijn wereld meer hanteerbare en gemakkelijker kenbare macht. Hij zal de verering alleen dan kunnen handhaven, indien zij voor hem het onbekende blijft.
Een aantal aardige voorbeeld van een praktisch magische procedure, zoals die heden ten dage nog bestaat, is te vinden in bv. een gerechtshof, waar niet alleen de eedsaflegging (een beroep op het onbekende of het innerlijk weten; dus eigenlijk eigen weter en integriteit) een- zeer belangrijke rol speelt en waarbij men zich onbewust beroept op een stelsel dat mensen hebben geschapen: De Wet, de Grondwet, de onderlinge afspraken van mensen.
Bij de medicus zien wij hetzelfde gebeuren. De medicus is – vooral in een tamelijk nabij verleden – in de eerste plaats de vertegenwoordiger van de onbekende God der kennis. Zijn aanwezigheid alleen heeft reeds een genezende uitwerking. Hij is een soort priester geworden van de moderne samenleving. En als hij – mogelijk door overbelasting of door verandering van zijn plaats in de maatschappij – niet meer in staat is dit vertrouwen geheel bij de mens te wekken, dan zien wij dat de wetenschappelijke priesterlijke functie, de communicatie met het onbekende wordt overgedragen aan degenen, die zich met geesteswetenschappen bezig houden en aan hen, die zich specialiseren in de menselijke psyche.
Wie zich de moeite getroost de verschillende uitspraken der psychiatrie en de daarmee verbonden waarden na te gaan, zal tot de conclusie moeten komen, dat wij hier eveneens te maken hebben met een hypothese, een opbouw, welke in feite aan die van het oude pantheon gelijk komt.
Er is echter meer. De mens van vandaag zoekt zich te onderscheiden van zijn medemens. Hij doet dit door zich bepaalde gewoonten of een geloof aan te maten ten aanzien van levenshouding en sociale opbouw. Hij beroept zich daarop niet als een realiteit, maar altijd als een wat abstracte, boven de mens staande waarde. Of u nu democraat, socialist of misschien uiterst rechts georiënteerd bent, u beroept zich niet op de feiten, maar op een geheimzinnig iets, dat achter de feiten zou schuil gaan. Het is dan ook geen wonder, dat het magisch bewustzijn in deze dagen evenzeer bestaat als het in een ver verleden heeft gedaan, toen de priesters en hun wonderen de feitelijke regeerders van de mensheid waren.
Ook de reactie van de mens op het z.g. technische wonder laat ons zien, hoezeer hij zichzelf daarin op een onredelijke wijze verliest. De bescheiden kleine mens, die in zijn auto klautert, wordt al snel een agressief iemand, die meent de macht over anderen te hebben; die meent het recht te hebben zich op elk moment voor allen te plaatsen. Hij ontrukt zich aan de werkelijkheid. Zijn persoonlijkheid is een andere, zoals eens degenen, die in bepaalde tempels gedurende een nachtwake aanwezig waren, zich ontrukt zagen aan hun normale persoonlijkheid en de achtergronden van hun eigen wezen tot uitdrukking brengende, zeiden, dat dit de goden waren. Het is echter niet voldoende alleen deze alledaagse feiten te noemen.
Er zijn in deze dagen angsten zowel als begeerten, die in hun karakteristiek voor de doorsneemens zuiver magisch zijn. U moogt zeggen, dat de atoombom een regel gevaar is. Dat is zo. Maar daarmee kunt u nog niet verklaren, hoe de emotionele reactie op dit gevaar zo ver van alle werkelijkheid verwijderd blijft, dat zij tot een soort psychose wordt; een ontruktheid aan de feiten, waardoor alle redelijkheid en overwegingen terzijde worden geworpen en men in feite op bijna Dionysische wijze ondergaat in de massa, zonder een bewust redelijk argument. Het is geen wonder, dat in deze dagen de mens, die niet in staat is met deze angsten op zijn wijze een verhouding in de wereld te vinden, grijpt naar nog geheel andere middelen.
Het zal u misschien niet bekend zijn, dat het heksendom in vele landen, waaronder de Engels sprekende wel in de eerste plaats, hand over hand toeneemt. Misschien interesseert het u te vernemen, dat op het ogenblik alleen al in Groot-Londen 140 z.g. heksengroepen bestaan en dat deze groepen regelmatig een sabbat plegen te vieren. Daarbij grijpen zij terug naar oude verbondenheden met natuurgoden en naar machten, die in feite niet bestaan. Machten, die zij niet werkelijk bezitten of waar kunnen maken; maar hun geloof daarin is voor hen een noodzaak. Alleen daardoor kunnen zij zich oriënteren in de wereld van vandaag.
Het is ook geen wonder, dat als verzet tegen de godsdienstigheid in vele landen de z.g. zwarte diensten, niet alleen een zwarte mis opgang maken en niet alleen in de Christenheid, maar ook aanroepingen van Shaitan – duivel in Islamitische landen. Het teruggrijpen naar de verering van de Grote Vernietiger in India, Het is een kenteken van het magisch gebonden zijn van de mens, die nu de normale relatie met God, met de wereld, met de redelijkheid in de gemeenschap niet meer te vinden is, tracht om ergens toch nog weer een contact te krijgen; ergens een systeem terug te vinden, waarin hij zichzelf geborgen kan weten en zijn persoonlijkheid en persoonlijke belangrijkheid kan uitdrukken in verband met wereld, met onbekenden en mensheid.
Dat ook andere gebruiken bijna magisch ritueel worden, ontgaat de meesten. Is het u misschien opgevallen, dat in de plaats van de vroegere table d’hóte en het bijeenkomen in een luxueus restaurant nu gekomen is het samen broodjes en patates eten op hoeken van straten, waarbij het geklets en de schijnbare onzin de betekenis krijgen van een persoonlijkheidsuitdrukking. Ook deze dingen hebben een magische achtergrond. Uw mensen, die met geweld anderen aanvallen, zijn niet alleen maar ontspoorde wezens in de maatschappij. Het zijn wezens, die ergens een innerlijk gevoel van verbondenheid trachten te bereiken door het geweld, dat in hun denken iets krijgt van een machtsuitdrukking en een offer tegelijk.
En degenen, die op het altaar der vaderlandsliefde niet slechts hun geld en goed plengen, maar ook het offer van het bloed hunner zonen, zijn dat geen magisch denkende mensen? Het niet redelijke, dat wij in de magie terugvinden, de rede boven de rede, speelt in deze dagen evenzeer een rol als in de vroege tijden, toen de eerste sjamanen de stemmen van voorvaderen of van de geesten der natuur deden spreken in gestamelde woorden. De trance en verrukking van degenen, die zich overgeven aan hasj en dergelijke giften, is niet zo verschillend van het zoeken naar gemeenschap met goden van hen, die gezamenlijk en plechtig bv. pioter gebruikten.
Indien men beseft, dat de magie ook in deze moderne maatschappij voor de mens noodzakelijk is, dan kan men ook inzicht krijgen in de geestelijke ontwikkelingen, die deze dagen meer en meer overschaduwen. Er kan geen volledige redelijkheid bestaan, want de mens draagt in zich het onbekende. Hij reageert op het onbekende rond zich. Alle redelijkheid, die de mens naar voren schuift, is in feite een camouflage voor zijn werkelijke emoties en instincten. Dat hij daarbij niet alleen zijn omwereld, maar ook zichzelf bedriegt, is hoogstens betreurenswaard te noemen; het verandert echter niets aan het feit.
Wie in deze dagen een beroep doet op een partij, een parlement, de rechten van de mens, doet tevens een beroep op het abstracte, dat hij in zekere zin aanvaardt. Is hij daarbij zo verschillend van de Jood, die in de woestijn voor het Tabernakel zijn God aanroept en zegt. “Wij, Uw uitverkoren volk”? Dat het beeld, waartoe men zich richt, een ander is, betekent nog niet dat de actie een andere is. Dat betekent nog niet, dat de innerlijke, de emotionele relatie, een andere wordt. Wij zien de toewijding net uitsluiting van al het andere. Eens werden in de tijd van Azteken en Tolteken voortdurend en met de regelmaat van een klok de lillende harten van offers neergelegd op de offersteen, en klonk de roep van de priesters op. Mens-zijn en menselijkheid hadden geen belang. De kracht van de goden, de bescherming van de goden, was het voornaamste. Men behoorde, zelfs indien een volk eraan ten onder ging, de goden te volgen en te dienen.
Dergelijke priesters leven nu in laboratoria en denken niet na over hetgeen zij feitelijk presteren. Zij dienen een god, die zij wetenschap noemen en haar magische kracht dwingt hen om al het andere terzijde te stellen, al zou de wereld daaraan in vlammen ten onder gaan.
Magisch denken is de achtergrond van het totale menselijke bestaan. Er moet iets zijn, waardoor men meer is dan zichzelf. Er moet iets bestaan, waardoor een hogere macht kan worden uitgedrukt; iets meer dan al wat men zelf als mens kan betekenen. Er moet een relatie worden gevonden tussen al hetgeen wat onbegrepen in de kosmos bestaat en het eigen “ik”. Er moet een systeem worden opgebouwd, waarbinnen men ook zonder het geheel te beseffen, toch een overeenkomst kan bereiken of zelfs een gedeeltelijke beheersing kan waarmaken. Dat is in feite het magisch denken. Dat men er tegenwoordig stoffelijke namen aan geeft en stoffelijke uitdrukking verschaft aan data wat eens alleen maar in naam der goden en in schijn van mirakel geschiedde, verandert de feiten niet.
Kijk naar uw wereld. Ziet u hoe de mensen koortsachtig zoeken naar een uitdrukking van iets belangrijkers en iets beters? Heeft niet de jeugd-“gang”, de bende van de jongeren, zijn eigen amuletten. en geheime kreten, die als een aanroeping van het onbekende weerschalen?
Dragen niet velen in deze tijd zelfgemaakte en onbeholpen tekens, die in een schijn van artisticiteit misschien hun behoefte aan bescherming en geborgenheid verbergen? Denk eens na over de grote verbreiding. van de eenvoudige voorspellingstechnieken van de astrologie. Denk eens na over de aanhang, die overal wordt gevonden door wonder-predikers, door mensen die het buitengewone voorstellen, of het nu een wereldondergang is of een uitverkoren zijn in korte tijd en betaalbaar in termijnen. Een ieder vindt zijn volgelingen. Juist in het niet redelijke. Niet redelijk is de mens, want een deel van zijn wezen is boven redelijk. Zijn instincten, zijn gevoelens, zijn onderbewust besef, grijpen uit naar een wereld, die hij niet kan zien, die hij niet kan weergeven. Zijn goden zijn de symbolen daarvan. En zo zijn ook de theorieën, thesen en wetten, die hij in deze tijd vaak tot god verheft. Hij zoekt naar een continuïteit van bestaan, die zijn eigen wereld hem kennelijk niet biedt. Hij zoekt naar een bescherming en vervulling, naar mogelijkheden, die hijzelf niet meent te bezitten.
Al wat u in deze tijd ziet aan vreemde verschijnselen: Het optreden van Egypte bv. ten aanzien van de omringende Arabische landen en Israël, het conflict in Vietnam, de toch wat zonderling verlopende strijd in China, de ideologische conflicten in Rusland of zelfs de onzekerheid en de partijen in Nederland, dat alles is te herleiden tot een zoeken naar het nieuwe magische element.
Ik wil mijn toespraak niet beëindigen, zonder mijn visie te geven op het magisch vermogen en de magische oorzaak van deze moderne maatschappij. Mensen die steeds meer los komen te staan van elkander, mensen die in een schijn van overweldigende communicatiemogelijkheid vereenzamen, mensen die in het onvermogen zichzelf op voldoende wijze dienstbaar te maken voortdurend grotere dienstbaarheid zoeken, hebben behoefte aan iets wat hen met anderen verbindt. Zij zoeken dit op velerlei manieren.
In de roes van een protestdemonstratie zo goed als in de op zich toch weer waardeloos wordende beoefening van wat men een vrije liefde pleegt te noemen. Zij zoeken de verbondenheid in strijdgesprekken en in het in zich besloten nadenken. Maar de magische kracht van deze wereld ligt in feite in de gedachten. Daar het gemiddelde weten en besef van de mensen zich langzaam maar zeker onttrokken heeft aan de gebondenheid, die de geheimzinnige natuur zo lang de mensheid heeft opgelegd, kunnen zij zich een beeld scheppen, dat – juist en scherp in ‘het “ik”-geformuleerd – een dwingende kracht wordt voor al wat rond dat “ik” bestaat.
De harmonie en de verbondenheid met de wereld rond het “ik”, uitgedrukt op elk niveau plus het gedachtebeeld tezamen zijn een scheppende werking. Tot op heden wordt dit grotendeels onbewust gedaan. Men kent niet het werkelijk geestelijk streven en erkent zijn verbondenheid meestal eerst als een zelfbevestiging en pas secundair als het scheppen van een magisch element, dat de redelijke mogelijkheden moet overweldigen.
In politiek, in economie, in wetenschap, in godsdienst, komt steeds sterker het zoeken naar het magisch element naar vorens waardoor men de wereld dwingt zich te veranderen. De kracht is er. Die kracht ligt in de geschoolde, de gerichte, de bewust gebruikte gedachte. Indien de mens van deze tijd leert bewust, rustig en geconcentreerd zijn gedachten uit te zenden naar het onbekende als eens de eerste magiërs deden, dan zal hij resultaten zien, die overweldigend zijn, omdat zijn voorstelling, zijn vermogen tot het stellen van vragen en tot het formuleren van noodzaken zoveel groter zijn dan zij in het verleden waren. Juist omdat men zoveel meer kent, kan men de op de achtergrond liggende geestelijke elementen steeds sterker doen optreden als een bevestiging van een stoffelijke noodzaak, als de uitvoering van een stoffelijke taak.
De mens van vandaag zoekt zijn magie onbewust, geëmotioneerd en niet beseffend wat hij in wezen doet. Zodra hij aan deze fase is ontwassen, zal hij en nu bewust, wetend en denkend de toestand van eens herscheppen. Zijn communicatie met het onbekende, met zijn eigen “ik” zowel als met de krachten rond hem zal dan niet meer zijn het lallend gestamel, waaruit een prognose, een belofte of een dreiging moet voortkomen. Zijn God zal niet meer alleen het manend teken zijn dat hem voorgaat op zijn weg of de dreiging, die hem achtervolgt, maar zal de aanvulling en vervulling van zijn eigen wezen worden, waardoor hij aan zijn geestelijk onvermogen ontgroeit en in staat zal zijn de materie te beheersen, die hij thans vreest.
Daardoor zal hij in staat worden gesteld te begrijpen en te communiceren, waar hij nu vereenzaamd en geïsoleerd geen weg meer weet te vinden in het bestaan.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
