maart 1967
Ontwikkelingen
Wanneer men als mens probeert de historie te volgen, dan zien wij bepaalde aspecten steeds weer opduiken. Wij zien, dat bepaalde figuren, zoals heersers, met een zeker savoir faire en ook met een zekere foutieve persoonlijkheid steeds weer optreden. Wij zien, dat in cyclische verschijnselen verschillende rangen en standen elkaar opvolgen. En wij zien ook, dat de beschavingen elkaar voortdurend afwisselen en daarbij – vreemd genoeg – zichzelf ofwel stabiliseren op een bepaald punt en daardoor onvruchtbaar worden, dan wel terugvallen tot een barbarisme, terwijl elders eenzelfde beschaving zich eigenlijk meer ontwikkelt. Dit is een van de verschijnselen in het leven, die men niet alleen stoffelijk kan bekijken, maar waarbij men moet uitgaan van het geestelijk schema, dat aan alle leven ten grondslag ligt.
Wij hebben te maken met bescherm- of geleidegeesten en met rassengeesten. Wij zien overal geestelijke krachten, die de mens op aarde proberen bij te staan. Maar terwijl we in de beginperiode van de wereld hebben gezien, dat de nadruk vooral lag op materiële vorming, blijkt later dat een rassengeest bv. zich meer bezighoudt met wat men karaktervorming zou kunnen noemen. Dat wil dus zeggen, dat in een bepaald volk of ras gedurende een zekere periode karakteristieken van gedrag ontstaan, die niet meer alleen uit de stof zijn af te leiden.
Wij zien bv. plotseling een periode van krijgshaftigheid; een periode van twistziek gepraat; een periode van buitengewone industriële inventiviteit; een periode, waarin de handel zelf wel floreert, maar de inventie terugvalt tot nihil.
Als je dit goed bekijkt, kom je tot de conclusie dat een rassengeest op een gegeven ogenblik dus kennelijk de genetische achtergronden gaat vormen voor hetgeen zich in een bepaald gebied of in een bepaald volk zal afspelen.
Nu kun je dan met astrologische bepalingen aankomen, maar je zult niet kunnen ontkennen:
- dat een bepaald volk in een bepaalde periode een geestelijke achtergrond heeft.
- dat die geestelijke achtergrond bepalend is voor de verdere ontwikkeling van dit ras, ook stoffelijk.
Nu zit het moeilijke punt hierin: Een geest, die altijd geïncarneerd is geweest in perioden van krijg en krijgsmanschap, zal geen behoefte hebben terug te keren bij eenzelfde volk, indien dit stoffelijk is geëvolueerd naar een ander en meer vreedzaam bestaan. Die geest zoekt dan weer een harmonische sfeer op om te kunnen incarneren. En dit is nu een der verschijnselen, die wij – juist als wij de geschiedenis van het leven proberen te ontleden – niet uit het oog mogen verliezen.
Er is een tijd geweest, dat in bv. Egypte de mensen langzaam maar zeker rijp waren voor een zekere revolutie. Het was een magisch godsdienstige revolutie, die culmineerde in de verkondiging van Aten door de profeet, die zich in plaats van kind van Amon kind van Aton heeft genoemd: Ichnaton. Als men zo’n periode bekijkt, dan vallen daar bepaalde dingen direct op:
In de eerste plaats: Met een heleboel geheimdoenerij wordt afgerekend.
In de tweede plaats: Er is een hevig conflict tussen enerzijds de gezag organisatie (de priesterkaste, het oude Hof) en anderzijds de belijders van het nieuwe.
In de derde plaats zien we een zekere offerbereidheid, omdat de volgelingen van Aten om hun God te kunnen volgen en eren zeer vele maatschappelijke mogelijkheden- als het ware -opgeven.
U zult begrijpen dat iemand, die in die periode Aten heeft gevolgd en daarmee zocht naar een vrijer contact met God en een vrijer en algemener begrip voor wat men tegenwoordig misschien de occulte of mystieke waarde van het leven zou noemen, zich niet zal kunnen manifesteren in een volledig materialistische maatschappij. Indien een volk materialistisch is georiënteerd, dan is het met die geest niet harmonisch. Het resultaat is, dat een dergelijke geest vooral daar gaat incarneren, waar een soortgelijk conflict en dus een soortgelijke mogelijkheid tot ontwikkeling weer bestaat.
Voor de mensheid houdt dit bepaalde consequenties in. Want degene, die die vrijheid zoekt, zal de vrijheid niet alleen maar in zijn gedachten zoeken. Hij zal die metterdaad proberen uit te drukken. Hij geeft iets daarvan aan zijn kinderen mee. De genetische vorming van het ras wordt voor een deel bepaald door deze impulsen. En zo kun je zeggen, dat het optreden van groepsincarnaties en van incarnatie-groepen bepalend kan zijn voor de verdere ontwikkeling van een ras.
De vraag is nu: Kunnen we daarvan voldoende voorbeelden vinden? En dan heb ik hier ben klein aantal, die misschien zal toelichten wat ik bedoel. Er is een volk geweest, dat leefde waar tegenwoordig zo’n beetje de Gobiwoestijn ligt; althans voor een groot deel. Dit volk bestond uit een priesterkaste, die voor die tijd een zeer grote geestelijke, filosofische, mystieke bereiking had. Daar was een conflict tussen de krijgerskaste en de priesterkaste of we zouden ook kunnen zeggen: Tussen geestelijkheid en wereldlijke overheden. Deze mensen zochten toen een uitweg en: Die werd gezocht in een conflict, in een interne oorlog. Maar een deel van wat we zouden kunnen noemen de geestelijke intelligentia vluchtte. Zij vluchtten naar het noorden en kwamen terecht in het zuiden van China. Daar vormden zij voor China weer de basis van een filosofische ontwikkeling. Een ander deel trok naar het zuiden. Ook zij waren mystiek ingesteld, maar zij waren toch wat praktischer. Zij waren meer direct magiërs. Zij gaven aanleiding tot het ontstaan van o.m. fakirisme, zoals men dat tegenwoordig noemt. Daarnaast legden zij de allereerste grondslagen voor het systeem, dat later als yoga bekend zou worden. Dan zien we een hele tijd eigenlijk een soort stabilisatie. Er gebeurt daar heel weinig.
Maar ongeveer 500 à 600 jaar later zien we ineens, dat in het zuiden van Afrika een vreemde ontwikkeling begint. Tot nu toe was daar een betrekkelijk eenvoudige maan-magie. Maar de natuurverering was toch eigenlijk wel superieur. Aan mystiek werd weinig gedacht. En wat er aan magie was was gebruiksmagie zonder meer. Nu zien we ineens, dat in verschillende zwarte rassen o.a. zeer sterk bij de Zoeloes mensen komen, die doordenken. Er ontwikkelt zich een vorm van sociale magie, die dus niet meer zuiver persoonlijk is gericht en die grote beschermende eigenschappen bezit.
Er ontwikkelt zich dus een nieuwe denkwijze. Er worden nieuwe tempels gebouwd. Er worden totaal nieuwe principes gebruikt; bv. in de relatie tussen mens en dier. Een deel daarvan is als dansen bij vele stammen overgebleven. Dat duurt ook weer een 300 jaar ongeveer en daarna valt het weer weg.
Ondertussen zien wij plotseling een. vreemde mystieke ontwikkeling plaatsvinden op de grens van Mexico. Daar beginnen de Indianen een nieuwe begrip te krijgen voor hun verwantschap met hemel en aarde. Er ontwikkelen zich plotseling totaal nieuwe bezweringsmethoden. De regendans bv. De slangendans van de Hopi stamt uit die periode.
De cultuur toont verder een aantal heel eigenaardige symbolen, die – als we ze willen herleiden – worden teruggevonden in het zuiden van Afrika, in de Gangesvallei en ook nog in bepaalde oude ornamenten in het zuiden van China.
Zou dit nu allemaal toeval zijn? Neen. Want hier heeft sprongsgewijs, met sprongen van nu een drie- à vierhonderd, dan eens zeshonderd, dan misschien achthonderd jaar een bepaalde groep zich in een ander volk gemanifesteerd. Bij elk volk werd een nieuwe ontwikkeling doorgemaakt, er kwam iets nieuws bij.
Ik heb opzettelijk niet de Egyptenaren genomen. Zij waren vanuit ons standpunt nog een beetje te tweeledig. Daar waren te veel verschillende richtingen. Hier echter zien wij werkelijk een krijgsmanskaste. Het typische is, dat van deze groep op het ogenblik zeer veel in Amerika is geïncarneerd. Wij zien van deze groep verder heel veel mystici. Die mystici vinden we – vreemd genoeg – op het ogenblik – u zult het misschien niet geloven – in India. Wat er is overgebleven van de magiërs, die vroeger in de Gangesvallei werkten en vandaaruit een groot deel van de hindoe-cultuur hebben beïnvloed, vinden we terug in Chili, Argentinië en zelfs ook nog wel in Brazilië. Deze groepen hebben kennelijk steeds gezocht naar een wijze om wat ze reeds waren begonnen door te zetten; om hun ontdekkingen, hun ervaringen, hun geestelijke opvoeding weer als het ware te toetsen aan de stoffelijke mogelijkheden.
Als we dan de parallel gaan trekken, dan komen we tot de conclusie, dat bepaalde vormen van natuur-eredienst, die op het ogenblik opgang maken in Brazilië, Argentinië, enz., dat we die kunnen herleiden tot de oude rituelen met bijna gelijke inhoud van Afrika. Maar niet alleen Afrika. Want zelfs als we in de bekende tijd willen blijven en we kijken bij de vroege Kali-Durga-riten, dan vinden we daar ook hetzelfde gebruik. De manier, waarop het geitje wordt geslacht in India een paar duizend jaar geleden bijna, in Afrika zesduizend jaar geleden en nu in Argentinië bij bepaalde plechtigheden misschien een jaar geleden of nu op dit moment, is praktisch gelijk.
Dus de geestelijke ontwikkeling blijft ergens stabiel! Maar de magische consequenties, die daaraan vastzitten, zijn veranderd. Was het in de vroege Kali-Durga-verering, die ik nu maar als één van de voorbeelden neem, een tevreden stellen van de godheid, was het in Afrika een bezweren van de godheid, zo is het in Argentinië eigenlijk al een soort magisch bevelen van de godheid geworden. Er zit in het geestelijk proces dus een zekere progressie. En dat kunnen we overal elders precies hetzelfde zien.
Ik kan nu wel beginnen met een paar grondstellingen en dat zijn deze:
- In elk ras zullen afwisselend bepaalde kwaliteiten en eigenschappen voorkomen.
- De incarnaties binnen het ras zullen echter niet een afwisseling betekenen wat betreft de kwaliteit van de geest.
- De geest incarneert altijd zo dicht mogelijk bij haar vorige trap van beschaving en zoveel mogelijk in overeenstemming met haar vorige denkwijze.
Hierdoor wordt het leven langzaam maar zeker gecompliceerder. Want dat steeds invoeren van nieuwe geestelijke elementen betekent, dat de achtergrond van het stoffelijk voertuig steeds groter moet worden. Als je voorouders hebt gehad, die magiërs, krijgslieden of zakenlieden zijn geweest, dan is de mogelijkheid, dat je die kwaliteiten in jezelf ontwikkelt, groter. De diversiteit van menselijke uitingsmogelijkheid wordt groter, naarmate het aantal differente incarnaties binnen het ras eveneens groter is geweest.
Dan moeten we nu eens kijken naar de z.g. kroonfiguren. Zoals je bij elke mutatievorm altijd ergens de kroonmutatie hebt dit wil zeggen de eerste mutatie, die helemaal vast is, die haar eigenschappen blijft behouden en die een resistentie heeft tegen de omstandigheden, waardoor ze nog duizenden jaren precies gelijk blijft, ongeacht alle mutatievormen die voorkomen kun je zeggen: Hé, hier is dus toch wel iets bijzonders aan de hand.
Neem bv. de z.g. Turkse tulp: Deze tulp bestond duizenden jaren geleden reeds. Op het ogenblik wordt de tulp overal geteeld in vele variaties. Maar als al die variaties en mutaties zijn uitgestorven, zal die Turkse tulp nog bestaan. Zij is een grondmodel, een kroonfiguur. In de totale ontwikkeling van alle leven komen we dergelijke kroonfiguren eveneens tegen. Wij zien om bv. eens wat te noemen bij de eerste kleine paardjes figuren optreden, die een bepaald kuddevorming aanmoedigen. De hengst blijft bij de merrie en beweegt zich niet afzonderlijk daarvan. Dit ontwikkelt zich steeds verder. En zo krijgen we op een gegeven ogenblik de hengst, die de regeerder is van een samengestelde kudde; niet meer alleen bestaande uit zijn eigen vrouwtjes, maar ook uit jongere hengsten en soms zelfs hun eigen kudde daarin.
Bij de mensen zien we hetzelfde. Er zijn figuren, die op een gegeven ogenblik een priesterlijk gezag weten te scheppen, dat in plaats van een enkele familie of een enkele stam een groter aantal stammen gaat omvatten. Wij zien die figuren later terugkeren als de vereerders van goden van een bepaalde stad. Zij gaan die goden uitdragen, totdat ze een land gaan regeren.
Denk wat dat betreft eens aan Amon en Re. Oorspronkelijk stadsgoden, die later bijna de universele goden van zelfs Neder-Egypte zijn geweest, maar waarschijnlijk ook nog van een groot deel van Boven-Egypte. Gaan we dan nog wat verder, dan ontdekken wij een soort pausen. Nu moet u me niet kwalijk nemen; dit is niet speciaal tegen de katholieken gericht. We vinden dit bij de boeddhisten ook in de functie van bepaalde leraren en abten. Mensen, die dus een gezag vestigen, waardoor alles wordt gereguleerd.
We zullen dus kunnen begrijpen, dat die hele godsdienstige ontwikkeling om dergelijke kroonfiguren draait. En als zekere pausen geen bepaalde machtsbehoefte hadden gehad en ook geen behoefte aan leergezag tussen 300 en 700 n. Chr., dan was er geen katholicisme geweest en geen reformatie. Dan was er een veel zwakkere christelijke zending geweest. Dan was er geen christelijke cultuur ontstaan. En die cultuur heeft dan weer bepaald, hoe de mensen daarbinnen konden leven.
We vinden dat ook op het gebied van krijgsmanschap. In het begin krijgen we misschien te maken met de een of andere kleine vorst en handelaar – laat ons zeggen – ergens in Maleisië. Deze vorst en handelaar begint met een vloot. Hij is half rover, half koopman, maar hij gaat er toe over om vaste steden, vaste posten aan te doen. Hij breidt zijn rijk als het ware uit door koloniën te stichten. Later zien we ditzelfde verschijnsel optreden bij.de handelaren van Ur. Deze leggen havens aan. Zij maken reden, die voorzien zijn van kaden en zelfs van bepaalde beschermingsmiddelen; ze leggen er een soort forten aan. Diezelfde mensen zien we dan een hele tijd later weer optreden bv. in de Egeïsche kwestie; de Griekse steden die koloniseren.
Gaan we weer verder, dan komen we ze tegen als Engelsen in de Engelse koloniale periode en ontwikkeling. We komen ze tegen in de beginperiode van de ontginning van het Amerikaanse vasteland en nog veel later als de grote oorlogsheren van Japan. Deze mensen zijn geen krijgers. Neen, ze willen land, ze willen hun debiet uitbreiden. Ze zijn in feite kooplieden, ook al noemen ze zich misschien in de laatste geschiedenis Daimio’s. Ze zijn meer krijgsman dan iets anders. Deze incarnaties nu zijn dus wat wij noemen: Kroonincarnaties, want er zijn altijd twee of drie figuren, die belangrijk zijn voor een totale ontwikkeling. Zo hebben wij bv. in Japan twee families: de familie Toyoto en de familie Kasimate. Twee families, die eigenlijk niet eens zo erg op de voorgrond treden, maar toch beslissend zijn voor de gehele ontwikkeling van Japan van 1900 tot nu toe. Want zij zijn het, die onder meer het conflict over Sachalin tot stand brengen (Japan-Rusland). Later zijn zij het, die de kolonisatie van China, Korea-China bevorderen en daarmede eigenlijk helemaal bepalen wat Japan op de wereld gaat doen. Ik weet niet, of dit voorbeeld voldoende is, maar ik heb mijn best gedaan. Wat ik daarmee wil zeggen, is dit: In het het leven incarneren geesten, die geen bepaald doel hebben of geen bepaalde bestemming. Zij worden in hun ervaringen grotendeels door de cultuur bepaald, waartoe ze zich voelen aangetrokken. Dit zich aangetrokken voelen is het resultaat van hun vroegere leven. Maar vaak is het eerder een gewoonte dan een preferentie.
Iemand, die in het verleden boer is geweest, blijft meestal boer, totdat in die boerenfamilie op een gegeven ogenblik de noodzaak ontstaat om krijgsman te worden. Dan zien we een reeks incarnaties, waarbij dus het krijgsman aspect op de voorgrond treedt. De kroonfiguren zijn dus degenen, die binnen een bepaald ras altijd weer een stimulans geven.
Nu kunnen wij als mens een dergelijke stimulus misschien verwerpen en zeggen: Ja, maar het kon beter anders. Maar vraag u eens af, wat de werkelijke betekenis is. Ik heb zo even Japan als voorbeeld genomen. Stel eens, dat Japan niet tot conflicten met de buitenwereld. was gekomen en ook niet was gekomen tot een sterk verzet tegen alles, wat christelijk was. Dan zou Japan zichzelf zijn gebleven. Het zou aan de oorlogen niet hebben deelgenomen, maar ook niet aan de industriële en andere ontwikkelingen. Het zou een eiland van rust zijn geweest misschien; maar juist daardoor zijn betekenis hebben verloren. Dit volk is echter gestimuleerd. Het heeft dus zijn stempel gedrukt op geheel Azië. Dat stempel-drukken gebeurt niet door heersen, maar door het beïnvloeden van mentaliteit.
In Indonesië bv. zien wij een mentaliteit, die voor een groot gedeelte parallel loopt aan en gestimuleerd werd door de Japanse overheersing. Als u zich dat gaat realiseren, dan zegt u: Zo’n paar kroonfiguren en zo’n enkel volk kunnen dus de geschiedenis van het leven op aarde veranderen. En dat betekent dus dat een mens, die eenzijdig gericht is, ook na zijn dood die eenzijdigheid behoudt. Dat hij daardoor selectief optreedt binnen de volkeren en de eigenschappen van die volkeren helpt bepalen.
Als je dan verdergaat, zeg je: Ach, wat moet ik er eigenlijk mee doen? Hoe moet ik verklaren, dat bepaalde figuren optreden? Wat is Winston Churchill bv. voor iemand? Waar komt die man vandaan? Ga je het ontleden, dan blijkt, dat deze man – vreemd genoeg – terug valt op een bepaalde Maori-stam. Daar heeft hij oorspronkelijk een incarnatie gehad en in die incarnatie is zijn benadering van het leven bepaald. We zien dat ook later terug. Zijn belangstelling voor praten en voor politiek was ook bij De Maori’s zeer sterk. Zijn belangstelling voor waarneming, voor het rapporteren was bij de Maori’s een van de veelgeprezen volksgewoonten. En naast de belangstelling voor waarnemen, voor politiek en voor reportage ook zijn behoefte om de gemeenschap op een – ik zou haast zeggen – magische manier te binden. Er is een abstract begrip, een soort verplichting en die is belangrijker dan al het andere. Dat is hetgeen Winston in zijn leven meebrengt.
En kijk eens naar Charles de Gaulle. Daar hebben we ook een heel interessante figuur. Als we die man ontleden, dan blijkt dat hij een zeer vroege incarnatie heeft gehad in de buurt van Bengalen; dat hij daarnaast zelfs een leidende priesterlijke functie heeft gehad in Egypte, ongeveer een 1900 jaar v.Chr. Als je nu naar die man kijkt, dan is het een typische Franse generaal. En wat is nog typerender? Zijn manier van optreden, die bijna priesterlijk is. Zijn beroep op “l’honneur de la France, la gloire de la patrie”, waarmee hij in feite dus weer goden en machten aanroept. En als je ziet hoe hij bestuurt, dan zie je ook weer dat daarin dezelfde “priesterlijke handigheid” zit om eigen superioriteit ten koste van alles te handhaven. Churchill bepaalt het verloop van de historie van Engeland voor een heel groot deel en misschien zelfs een deel van de wereldgeschiedenis. De Gaulle is bepalend voor de ontwikkeling in Europa, of we het willen toegeven of niet. We behoeven het niet met hem eens te zijn, maar hij is een soort draaipunt, een as, waarom bepaalde zwenkingen plaatsvinden. En die zwenkingen houden ook ins verandering van mentaliteit, zelfs van rassenkwaliteiten, bepaalde rasmenging, een bepaalde selectiviteit. Die selectiviteit, daarop moeten we wat De Gaulle betreft niet al te trots zijn, want u weet: De priester geeft de voorkeur aan dociliteit en desnoods idiotie boven individualiteit en intelligentie. Maar goed, dat is nu niet zo erg belangrijk. Belangrijk is: Deze mensen spelen een rol, waar de hele geschiedenis om kan draaien.
Als je zegt “Hitler”, och, dan denk je onwillekeurig aan Nero. Nu is hij toevallig geen incarnatie van Nero, laat u dat gerust stellen. Hij kon trouwens ook geen viool spelen. Als we die man gaan bekijken in zijn mentaliteit, dan zeggen we: We vinden in hem eerder iets terug van de heilige oorlog. Dus van de oorlog, waarmee je het hemelrijk verovert en niet meer terug kunt. Ga je verder kijken, dan vind je inderdaad, dat hij heeft deelgenomen aan de heilige oorlog bij de strijd tussen Ali en Hoessein in Arabië. En als je nog verder teruggaat, dan zie je, dat hij deel heeft uitgemaakt van een Shiva -verering. Dus ook daar een achtergrond. Deze dingen zijn verklarend. Zij geven je een inzicht in de samenhangen van deze geestelijke achtergrond van het leven. Het lijkt uitermate verward. En als je het zo bekijkt, vraag je je af: Hoe kan dat nu allemaal?
Realiseer u eens, dat bepaalde kroonfiguren (dat zijn dus niet de beste – onthoud dat goed – maar het zijn de meest eenzijdige, de meest vasthoudende en ook lang niet altijd de meest intelligente) dus steeds weer terugkeren met hun oude eigenschappen en daarbij binnen een ras worden gebruikt om een evolutie tot stand te brengen. Een evolutie, die ze zelf misschien niet beseffen en niet begeren. Per slot van rekening, Churchill was helemaal niet van plan het einde van het Brits Imperium in te luiden. Toch heeft hij dat gedaan. De Gaulle is helemaal niet van plan geweest het nationalisme in Europa uit te rooien. Toch is hij door zijn houding en door zijn manipulaties de oorzaak, dan langzaam maar zeker de nationale verschillen aan het afnemen in plaats van aan het toenemen zijn. En dan ga je begrijpen: Deze mensen worden dus ergens gebruikt. Ze incarneren vrijelijk. In hun eigen leven nemen ze een groot gedeelte van hun beslissingen inderdaad ook wel vrijelijk. Maar in een ras is een omwenteling nodig. De rassengeest weet dit. Maar hij kan tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer ingrijpen via zuiver natuurlijke invloeden. Indien hij dat zou doen, zou hij de mens te veel een minderwaardigheidscomplex bezorgen en dat is niet de bedoeling. Hij moet dus proberen de mensen via de mens te manipuleren en dat doet hij door bepaalde incarnaties te bevorderen.
Maar één zo’n incarnatie is niet genoeg. Er is altijd een achtergrond voor nodig. Als wij één Egyptenaar in een bepaald land zien incarneren en hij wordt daar een bepalend punt (een draaipunt) voor de menselijke evolutie, dan zien we een hele groep mee komen. Dat doen ze allemaal vrijwillig. Maar hun gelijke afstemming, het gelijke doel misschien ook wel, wordt door de rassengeest beseft en gebruikt om juist voor hen zo aantrekkelijk mogelijke voertuigen te scheppen.
Dat heeft consequenties, dat begrijpt u. En die gaan we nu in een paar punten neerleggen.
- De rassengeest, die oorspronkelijk door het manipuleren van het milieu in staat was voertuigen zodanig te veranderen, dat hierdoor geestelijke mogelijkheden voor incarnatie ontstonden, zal – naarmate het bewust zijn in een bepaalde levensvorm toeneemt – minder kans hebben om het milieu op onmerkbare wijze te manipuleren. Hij kan dan niet meer van buiten af werken naar een bepaalde verandering. Hij moet als het ware binnenin de stimuli doen ontstaan, waardoor de verandering schijnbaar gewild (dus niet meer alleen spontaan maar werkelijk begeerd) uit een volk tot stand komt.
- Elke verandering van geestelijke waarden heeft in de laatste 2000 jaar zeker een verandering van raseigenschap als gevolg. Door de voortdurende wisseling van ras. tot ras, waarbij elk ras tijdelijk aan de top staat, stil staat, dan terugvalt, om weer terug te keren tot een hogere graad, wordt er een veel grotere integratie verkregen. Er ontstaat een gedachtewereld, waarin alle mensen aan het menselijk denken gelijk leren deelhebben. Naast de materiële evolutie een geestelijke evolutie, gebaseerd op begrip, op onderling verstand, op onderlinge samenwerking.
- Indien een rassengeest ontdekt, dat een bepaalde bevorderde reeks incarnaties schadelijk is, zal hij trachten – hetzij in samenwerking met andere rasse- en groepsgeesten, hetzij door het doen ontstaan van een verdeeldheid in het eigen ras- de gunstige ontwikkelingen te behouden en alle niet gewenste nevenverschijnselen te vernietigen. Het typerende hierbij is dat de mensen, die daarin een rol spelen, volgens eigen bewustzijn en uit eigen wil ageren en dat toch de totaliteit een voortdurend “gepland” geheel blijft.
Daarmee hebben we vandaag dus weer iets bijgeleerd, zou ik zeggen. Hoe wij de spiraal van de historie bezien, ligt voor een groot gedeelte, als wij op aarde zijn, aan het land waar wij ons bevinden, aan de ideeën die wij voorstaan en aan de geschiedvervalsing die men noodzakelijk heeft geacht om de vuile was te verbergen. Maar ondanks al deze factoren, die toch een zekere onevenredigheid van interpretatie tot stand brengen, kan een ieder zien dat een regelmatig, een cyclisch weerkeren van geestelijke tendensen en verschijnselen bepalend zijn voor verandering van rassen. Wij zien dat volksverhuizingen plaatsvinden, zelfs nog in deze tijd, al krijgen ze dan vaak het karakter van verschuiving van arbeidskrachten, emigratie en immigratie. Wij zien dat het oude zich voortzet. En juist daarom mogen wij ook stellen: In de geschiedenis van het leven is de geestelijke achtergrond, waardoor het lot van het totale ras wordt bepaald, van het allerhoogste belang. Zo wij nu hebben gesproken over mensen, volkeren en incarnatiegolven van menselijk bewuste geesten, mogen wij daarbij niet vergeten, dat ditzelfde ook van kracht is voor alle incarnerende geesten, waar ook in het Al. De geschiedenis van het leven staat niet stil bij deze ene aarde. U kent die wereld.
De voorbeelden, die daaraan ontleend zijn, spreken voor u meer dan die, welke zijn ontleend aan, de een of andere willekeurige planeet in de verre ruimte. Maar hetzelfde, wat zich hier heeft afgespeeld, speelt zich op andere werelden nu af. Hetzelfde, wat hier morgen misschien zal ontstaan, is in het verleden van andere planeten reeds zo geweest.
Vormen mogen verschillen, culturen mogen verschillen, de wijze waarop men zijn gedachten uitdrukt moge verschillen, maar de gang van het leven blijft gelijk. Omdat de tendens steeds weer is: Het scheppen van een voertuig, waarin een perfecte balans tussen geest en stof mogelijk is en zo een volledige levensbeleving en uiting.
Pas als dit is bereikt, zullen kroonfiguren geen grote rol meer spelen. Pas als dit volledig is bereikt, zal ook het ingrijpen van de rassengeest – hoe indirect het misschien nu reeds is – afgelopen zijn. En daarmee begrijpen wij nu misschien ook, dat wij allen – in de geest en in de stof – deel zijn van een enorm ontwikkelingsproces, dat zich volgens vaste regels voltrekt.
Regels, die kosmisch zijn, die kennelijk aan het Goddelijke zijn ontleend. Regels, die we misschien niet helemaal begrijpen, die we niet altijd kunnen waarderen, maar waarop wij toch onze verwachtingen voor de toekomst steeds weer moeten baseren. Want alleen zo kan het verdergaan.
De godsdienst in de samenleving
De godsdienst is – gezien vanuit haar werkelijke betekenis – in de eerste plaats een emotionele kwestie. De mens zoekt een God en zoekt voor zich een voorstelling van het Al, die niet redelijk is en die dus ook in vele gevallen met de feiten eigenlijk niet strookt, omdat hij hierdoor voor zich aan het leven en vooral aan zijn eigen persoonlijkheid reliëf kan geven. Het bestaan in een vliedend moment van tijd is niet bevredigend. Het bestaan in een soort hulpeloosheid te midden van een ongeorganiseerd Al lijkt hem niet aanvaardbaar, want hij wenst bepaalde rechten te hebben. Hij heeft er behoefte aan gewroken te worden, indien hem onrecht geschiedt en hij wenst ook een beloning voor zijn goede zorgen.
Het is dit misschien wat koopmansachtig talent, dat de mens reeds in het begin van zijn geschiedenis heeft gebracht tot een soort ruilhandel met onbekende machten. Deze onbekende machten mogen wij dan uitbeelden als goden, demonen of misschien zelfs als bewoners van andere, hoger georganiseerde planeten. Het is niet belangrijk welke gestalte we die primaire goden en ook natuurkrachten toekennen. Belangrijk is, dat de mens in zijn gevoel van onzekerheid zich een voorstelling ging maken van het Onbekende en dat hij dit Onbekende ging gebruiken als een aanvulling van zijn persoonlijkheid en vooral van zijn persoonlijkheidsbeeld.
De godsdienst is het logisch voortvloeisel uit dit alles. Als wij de kern van de moderne godsdiensten bestuderen, dan blijkt dat zij niet bedoeld zijn als een godsdienst dit wil zeggen als een rituele benadering van de Godheid. Ze zijn in de eerste plaats bedoeld als een wijze van leven. Zij geven de mens niet de structuur, waardoor zijn persoonlijkheid de nodige nadruk krijgt, maar zij geven hem een weg,- die hij kan gaan om voor zich te midden van het leven en van het Al een zekere waarde, waardigheid en ook persoonlijkheid te gewinnen.
Het feit, dat de mens zeer ongaarne iets aan zijn werkelijke leefwijze verandert, heeft ertoe geleid, dat de godsdiensten meer en meer een compensatie werden van zijn maatschappelijke tekortkomingen.
Degenen onder u, die zich herinneren hoe de godsdiensten in het verleden de heersende machten altijd hebben verdedigd, hoe zij gehoorzaamheid hebben gepredikt aan de armen en een beloning in de hemel beloofden en hoe zij voor de weldadigheid van de rijken eveneens gegarandeerde en versierde plaatsen in het hiernamaals ter beschikking stelden, zullen zich realiseren, dit kan niet op werkelijkheid berusten.
De achtergrond is altijd vaag. Er is een God. Maar als ik dit zeg, dan zeg ik alleen maar: Er is een onbekend Iets, dat zich aan mij voordoet als de een of andere persoonlijkheid. Het is mijn persoonlijke constatering, niet een kosmische vaststelling. Elke mens, die vanuit zich op deze wijze tot een besef van de godheid of tot een interpretatie daarvan komt, zal ook vanuit die godheid komen tot een juiste aanvulling van eigen leven dit wil zeggen tot een aanpassing van zijn leefwijze aan zijn innerlijke noodzaak. De godsdienst heeft dit in vele gevallen onnodig of onmogelijk gemaakt. En daarom kunnen wij de invloed van de godsdienst op de mens zeker niet zonder meer bejubelen.
Er zijn bepaalde punten, die ten voordele van de godsdienst schijnen te spreken. Om een zeer eenvoudig argument te hanteren: In een tijd, dat Europa praktisch ongeletterd was, werden de kennis, het lezen, het schrijven, de kronieken, maar ook vele oude filosofieën bewaard in de kloosters. Ook systematisch onderzoek en systematische werkwijzen (het begin van de wetenschap) treffen wij aan in de vroegmiddeleeuwse kloosters. Dat moge juist zijn. Maar dan stel ik hier tegenover, dat dezelfde kerk, die binnen de kloosters deze kunsten, waarden en wetenschappen behoedde, deze kennis haast bewust heeft uitgeroeid bij de eenvoudige burgers. Dat zij een situatie heeft geschapen, waarbij kennis en wetenschap in feite haar prerogatief werden. Zij heeft niet allen bewaard, zij heeft ook vernield. Dezelfde kerk, die in deze dagen oude handschriften toegankelijk maakt voor de wetenschappelijke onderzoeker, is aansprakelijk geweest voor de tweemalige verbranding van de grote boekerijen in Alexandrië, waarin de wijsheid van de oudheid was vastgelegd.
De Islam,- die enerzijds een vernieuwing en een totaal nieuwe sociale opbouw mogelijk maakte in het Nabije, Oosten, heeft zeker veel goeds gedaan. Maar heeft zij daarnaast niet de eigenlijke cultuur van het verleden grotendeels vernietigd? Ook zij heeft veel ten onder doen gaan en heeft vele rechten, die oorspronkelijk de gemeenschap toekwamen, naar zich toegetrokken en toegekend aan haar imams en oelamats.
Als wij naar het kaste-systeem in India kijken, dan zien wij ook daar hoe de godsdienst in feite de verdediging wordt van de voorrechten van een enkele klasse. En zo kunnen we verdergaan. Kort en goed, sociaal gezien is de godsdienst niet direct begerenswaard. Ze is een factor, die de eigen geestelijke en zelfs materiële emancipatie van de massa aanmerkelijk belemmert en vertraagt.
Toch mogen wij die godsdienst zeker niet bepaalde gunstige aspecten ontzeggen. En één daarvan is wel: Het scheppen van een gemeenschapszin, die zonder de godsdienst niet in zo snelle en grote omvang zou kunnen bestaan. De sociale binding, die tot stand is gekomen juist door de godsdiensten, mag zeker niet worden onderschat. Dat deze grote gemeenschappen, indien zij uit een andere bron waren ontstaan, ongetwijfeld vele verder reikende ontwikkelingen voor de mens mogelijk zouden hebben gemaakt, mogen wij daarbij dan wel terzijde stellen, omdat het de vraag is, of die mensheid zou zijn gekomen tot een zo grote sociale samenhang.
Als wij de godsdienst in haar directe werking beschouwen, dan zien wij dat bv. de eenwording van Europa (eerst hoofdzakelijk onder Pepijn en later onder Karel de Grote) tot stand wordt gebracht door de macht van het geloof en door de binding van het geloof. Aan de andere kant zien wij gelijktijdig, dat de oude wetenschap van de Druïden, van de oude priesters, van de natuurgodsdiensten, volledig wordt onderdrukt en teniet gedaan. Zodat bv. de op zich zeer grote vroeg Saksische cultuur praktisch verdwijnt en wel op een wijze, dat hiervan weinig of geen resten meer overblijven.
Indien u mij dus vraagt te spreken over de invloed van de godsdienst op de mensheid, dan moeten mijn meningen wel verdeeld blijven. Ik kan zeggen indien er geen godsdienst zou zijn, zou er iets anders zijn geweest. Dat bewijst de geschiedenis van bv. het communisme. Daar hebben we dan een materialistische dialectiek. Maar een dialectiek – laten we dat niet vergeten die de mens evenzeer beheerst. Die hem evenzeer tot een bepaald gedrag dwingt en die hem evenzeer een bepaald doel, een soort beloning voor ogen stelt, als de kerken met hun hiernamaals.
Ik geloof, dat we de vraag kunnen herleiden tot de moeilijkheid, die de mens heeft bij zijn benadering van God. God is ongrijpbaar. Waarom? Mogelijkerwijs omdat de mens zich niet iets kan voorstellen, dat meer is dan een mens. Die ongrijpbare Godheid moet ergens worden teruggebracht tot een menselijke waarde, tot een menselijk systeem.
Er bestaat op aarde geen enkele wet, die – ofschoon zij pretendeert uit God te zijn – in waarheid een goddelijke wet is. Dit geldt ook voor uw Tien Geboden. Zij zijn sociale wetten. Ze zijn wetten, die voortkomen uit menselijke behoeften, niet uit een goddelijke noodzaak. Zij drukken niet uit wat God van de mens verlangt, maar datgene, wat de mens van node heeft om zijn samenleving, zijn gemeenschap op te bouwen en instant te houden.
Als men dit gaat beseffen, zal men zeggen: Indien ik God in mijzelf benader, sta ik wel buiten al deze wetten, maar ik zal in mijzelf een wet tot stand brengen. En deze wet zal evenzeer beperkt zijn, evenzeer een verstoffelijkte uitdrukking van onbegrip als alle z.g. goddelijke wetten.
De godsdienst geeft één wet en legt die aan de gemeenschap op. De innerlijke Godserkenning doet één innerlijke wet erkennen, maar stelt de mens daarvoor alleen aansprakelijk. Een aansprakelijkheid, die de mens niet wenst te dragen. Een mens wil altijd zijn verplichtingen delen met anderen. Hij wil schulden delen met anderen of afschuiven op anderen. Hij wil niet zelf de onmetelijke last van een innerlijk begrip dragen in een leven, waarin zijn eigen tendensen en begeerten zozeer in strijd zijn met hetgeen de gemeenschap van hem eist.
De godsdienst heft deze tegenstellingen op. Zij neemt eenvoudig het gezag in handen. Zij zegt de mens: Ik ben de waarheid. Ge moogt niet nadenken. Gij moet niet nadenken. Gij hebt alleen te aanvaarden, wat ik u zeg. Die godsdienst zegt tegen de mens: Wat ik zeg dat goed is, is goed. Ze zegt tegen de gemeenschap: De vorm, die ik u geef, is de door God gewilde vorm. Daarmee is de mens van zijn aansprakelijkheid af. De schuld valt terug op God of op de godsdienst. De last van het zelfstandig handelen gaat teloor in de last-aanvaarding van een God of een pseudo-Godheid. Zo kan men dus komen tot een innerlijke rust.
Deze innerlijke rust heeft overigens geleid tot heel wat interessante ontwikkelingen van het menselijk denken. Of wij nu teruggaan tot de oude en geheime boeken van sommige Arabische magiërs, verder teruggaan misschien tot de primaire wetten, zoals die werden uitgevaardigd in Uruque of in Egypte, of verdergaan tot in deze tijd, wij zien altijd weer, dat het menselijk denken door zijn ontmoeting met een geformuleerde godheid komt tot een systematische benadering van die godheid. En deze systematische benadering maakt het hem mogelijk innerlijk ten aanzien van de godheid een houding te bereiken, die niet meer in overeenstemming behoeft te zijn met de gedragsnorm, die door de gemeenschap (in feite door de godsdienstige achtergrond van de gemeenschap) wordt bepaald.
Er is een splitsing mogelijk geworden van innerlijk en uiterlijk leven. Deze splitsing, die m.i. gelijktijdig bezwaren voor de geestelijke ontwikkeling met zich brengt, maakt anderzijds een persoonlijk uitstijgen boven het massaal besef mogelijk, zonder daarbij gelijktijdig in In zodanige strijd te komen met de massa, dat men hierdoor wordt vernietigd. Een balans misschien. Een factor, die de mogelijkheden en noodzaken van geest en stof ergens in evenwicht houdt en vooral de zwakkere, die geen eigen inzicht en geen voldoende eigen wil bezit, de steun geeft, waardoor hij zichzelf als een eenheid kan blijven beschouwen. Zonder de godsdienst zouden vele mensen worden verteerd door hun innerlijke strijdigheden.
Daar is ze – ongeacht haar vreemde afkomst, haar onvolmaakte vorm en haar vaak onredelijke pretenties – van belang. Maar ze mag niet worden beschouwd binnen de gemeenschap en binnen de mensheid als een noodzakelijke factor. Zij moet worden beschouwd als een staf, een misschien onaangename en gevaarlijke staf, die dienst doet – zolang men nog niet voldoende kan zien – om de weg voor zich af te tasten. Maar degene, die kan zien, zal die staf m.i. moeten wegwerpen, omdat hij zonder dit tastend voortgaan sneller, juister en bewuster zijn doel bereikt.
De grote vraag, of godsdienst met de geest samenhangt, kan ik als volgt beantwoorden: De Geest. Dit wil zeggen entiteiten, die niet in de stof leven zoals de mensen heeft altijd invloed gehad op het menselijk denken en leven. Er is een gemeenschappelijke wereld, waarin mens en geest elkaar ontmoeten, ofschoon deze helaas buiten het gemiddeld materieel en redelijk besef van de mens blijft. Deze geesten hebben zich in het begin aan de mens geopenbaard. Zij hebben voor die mens als het ware bepaalde richtlijnen gegeven. Zij hebben hem geholpen kennis te verwerven. De oude lichtgoden of lichtzuilen uit de eerste primitieve periode van de mensheid zijn misschien te vergelijken met de idolen van een latere tijd; datgene, wat niet-redelijk wordt aanvaarden vereerd, omdat men het niet begrijpt.
De geest zal voortdurend blijven inwerken. En binnen de kerk (de godsdienstige gemeenschap) vindt zij heel vaak de mogelijkheid tot beïnvloeding, die in een misschien te koortsachtig geworden stoffelijk leven niet zo gemakkelijk mogelijk is. In de stilte van een kerkelijke bijeenkomst is een inspiratie-gemakkelijker te bereiken. De concentratie van die mensen op een God, zelfs indien dat een volledig waanbeeld zou zijn, maakt het mogelijk iets van de waarheid te injecteren en te projecteren door de ontstane ontvankelijkheid.
Wij zien dus, dat enerzijds het bestaan van de godsdienst op zichzelf enigszins moet worden betreurd en dat we anderzijds moeten toegeven, dat voor de geest en voor de – wat men noemt hogere krachten op aarde die godsdienst toch een middel is geweest om de, mensheid verder te helpen.
Zolang de godsdienst niet door een dogmatisch eng systeem te strenge beperkingen oplegt aan het beleven en denken van de mens, meen ik dan ook, dat zij een absoluut nuttige factor zal blijven, ongeacht de verdere ontwikkeling van de mensheid. Integendeel, een groot deel van hetgeen de godsdienst in het verleden betekende, is achterhaald. Zij is nu nog een staatkundige factor. Haar economische invloed echter begint te slinken. En binnenkort zal zij zelfs staatkundig en politiek een steeds minder waardevolle factor worden. Ze zal steeds meer worden een organisme, dat naast de mensheid bestaat en dat zich daardoor misschien zal proberen terug te trekken uit de realiteit van het menselijk leven. Zij zou integendeel juist moeten worden, een wijze van leven en niet een wijze van denken en geloven.
Ik zie de toekomstige ontwikkelingen zeker niet zonder God. God in een ingeschapen erkenning en behoefte van de doorsneemens. En zelfs indien hij Hem verstandelijk verwerpt, blijft hij onderbewust ergens ernaar hunkeren, blijft hij er innerlijk rekening mee houden. Maar God is iets anders dan een godsdienst.
De godsdiensten zullen zich versmelten. Zij zullen voor de doorsneemens een middel worden om de rust en de mogelijkheid te vinden met zijn God – zoals hij denkt – en misschien in feite met de geest in contact te treden en om zichzelf te hervinden. En daarnaast waarschijnlijk ook om zijn gevoel van geestelijke verbondenheid met anderen ook meer menselijk te bevestigen.
De kerk (de godsdienst) zal dan echter meer en meer verdwijnen. Ze zal niet meer zijn de dogmatische kracht, die een bepaald deel van de mensen in een bepaalde denkwijze bindt – eventueel onder bedreiging met helse. pijnigingen. Zij zal worden tot een denkwijze, waarin alle mensen elkaar kunnen ontmoeten en waardoor – juist hierom – voor alle mensen God een meer bereikbaar persoonlijk Iets wordt, dat een meer persoonlijk aanvaarden van verantwoordelijkheid voor eigen leven vergt. In de geschiedenis heeft de godsdienst veel goeds en veel kwaads gedaan. Maar de geschiedenis der godsdienst wordt gemaakt door mensen. Veranderingen, die het komend Aquarius-tijdperk gaat brengen, zijn volgens mij tevens grote veranderingen in het menselijk denken en daardoor mede in alles, wat godsdienst heet. God zal meer leven op aarde, naarmate men Hem meer beleeft en minder formalistisch dient.
Incarnatie
Ik drijf in het ledige. Er zijn geen afmetingen en er is geen tijd. De herinneringen verbleken en het contact met anderen is geworden tot een haast onhoorbaar roepen op een verre afstand.
Er is geen mogelijkheid meer tot actie. Er is geen nieuwe mogelijkheid meer en het oude is ijlen vaag geworden.
Dan is de enige weg terug tot het leven. Het zoeken naar iets wat houvast geeft, iets wat niet verandert, iets wat niet gehoorzaamt aan de gedachte en wat niet afhankelijk is van een voortdurende innerlijke activiteit.
Het “ik” richt zich dan op de materie. En uit de materie stromen reeds onmiddellijk na het contact duizenderlei gevoelens op het “ik” toe. Het zijn stemmingen. Het zijn emoties. Het zijn ogenblikken van verlatenheid en ogenblikken van absolute vreugde. Het zijn begeerten en angsten. En alle tezamen worden tot een wervelstorm, waarin het “ik” zich een ogenblik opgenomen waant en voortgedreven naar een vreemde, oneindige bestemming. Soms verliest het zichzelf erin en dan geschiedt er een incarnatie, waarbij het “ik” geen enkele zeggenschap heeft, waarbij het zelf niet weet waar het zal terecht komen.
Maar vaak, heel vaak, zal het “ik” uit die totale storm bekende elementen terugvinden. Herinneringen, die reeds waren verbleekt, beginnen weer op te leven. De voorstellingen van het “ik”, die langzamerhand in de voortdurende wisseling van gedachten waren weggedreven, krijgen weer vorm, gestalte en lijn. En men concentreert zich op datgene, wat het “ik” bevestigt. Want hier is wederom leven, hier is activiteit en men overweegt mogelijkheden.
Men bedenkt, dat hier een weg is om duidelijk te maken hoe waar en waardig, dit ego toch in feite was. En dan wordt men langzaam dichterbij getrokken om intenser en intenser de sfeer, de gevoelens, de emoties, de angsten, de mogelijkheden van het milieu in zichzelf te beleven, tot het ogenblik, dat er plotseling een vortex van kracht is, zodat het “ik” zich niet meer kan houden en als in een afgrond, in een tijdloze diepte wordt afgezogen, om dan – haast gevangen – zich bewust te worden van de binding met een mens.
De binding met een mens, waarin een leven langzaam ontwaakt. Een leven, waarvan je voor een kort ogenblik misschien nog wel weg kunt gaan, maar dat je steeds sterker terugroept, dat steeds intenser een werveling wordt van zenuwstromen en magnetische velden. Een binding, die niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
En soms een enkele keer – maar dat is slechts zeer zelden – is er een “ik”, dat uit de veelheid van mogelijkheden en behoeften, die uit de wereld eerst als een vage golf en dan meer gedefinieerd op het “ik” afkomen, bewust selecterend (niet alleen meer wat aan het “ik” beantwoordt of wat het “ik” aangenaam zou vinden of niet alleen meer een ontwijken van wat het “ik” vreest), komt het tot een bewust erkennen van een doel.
Dat doel betekent dan, dat men blijft zweven over de totaliteit, langzaam selecterend, mogelijkheid na mogelijkheid, soms vele generaties achtereen, totdat er dit ene punt komt, dat perfect beantwoordt aan het doel. En dan snel, zoals een havik zich stort op een prooi, werpt de geest zich bewust in de materie. Bewust ketent zij zich. En omdat zij zich – bewust ketent, stijgt zij ook bewust vanuit die ketening nog omhoog. Zij heeft niet – zoals de anderen – haar verbinding verloren. Zij blijft verbonden met de roepende stemmen uit de verte. En langzaam maar zeker krijgen ook deze meer helderheid en klaarte: Want het leven betekent een herleven, ook van geestelijke mogelijkheden.
Dan leeft er een wezen reeds voor het geboren is weer bewust in contact met hogere en zelfs hoogste sferen: Dan brandt er een eeuwig licht, dat in het bijzonder rond de moeder als het ware cirkels van bescherming trekt. Dat alle niet-juiste, niet-harmonische geesten probeert weg te drijven. Dat waarschuwend werkt, als er ook maar één oneffenheid op de levensweg zou dreigen. En men dwingt zelfs de moeder te gaan naar de omstandigheden, die het meest perfect, het meest harmonisch zijn – of het nu een paleis is of een stal, opdat het ego zal worden geboren in die omstandigheden, waarin het waarlijk zijn geestelijk bewustzijn en zijn stoffelijke noodzaak gelijktijdig vanaf het begin volledig kan uitdrukken.
Dat zijn de geboorten van bewusten. Incarnaties, die gewild en niet alleen uit noodzaak plaatsvinden. Dat zijn de geboorten van hen, die de Leraren zijn van de mensheid. Degenen die de dienaren zijn van de totale ontwikkeling in een stofwereld, welke de geestelijke waarden nog niet volledig beseft.
En zo gaat de stormwind door. Geesten fladderen opwaarts als bladeren, gedreven door de draaistroom van de wind: Doden, die opgaan naar een andere wereld. En daar vertoeven ze en zweven ze, totdat ze hun houvast hebben verloren, totdat er geen contact en geen werkelijkheid meer schijnt te bestaan om dan terug te keren. Totdat er een ogenblik komt, dat er één niet slechts opwaarts wordt gedreven, maar bewust uit weten en kracht opwaarts wiekt.
Een leeuwerik, die de zon zoekt, hoger en hoger, veranderend, tot zij licht is geworden en niet meer terugkeert, niet meer incarneert. Incarnatie is de uitdrukking van onze behoefte tot leven. De uitdrukking van onze behoefte tot bewustzijn. Zij is niet het “ondanks jezelf” terugkeren tot de materie. Het is de noodzaak tot evolueren, tot uitbreiden van bewustzijn, uitgedrukt in de verstilling en verstomming van al, wat in zich geen vooruitgang meer kent.
Incarnatie is de sleutel tot de werkelijkheid van je eigen wezen. Zij is de uitdrukking van de eeuwige verbondenheid van stof en geest. Maar bovenal de weg, die het “ik” kiest tot de zelfvergetelheid, waarin de aanvaarding van de totaliteit mogelijk wordt.
Het “ik”, geïsoleerd van het Goddelijke, zoekt via vele incarnaties een weg terug tot zijn eindbestemming en oorsprong: De eenheid in het goddelijk scheppingsplan, waarin het bewust zijn plaats in het geheel inneemt, handelt uit het geheel en dan – toch nog bewust als ergens een eigen “ik” – de totaliteit voortdurend in zich beleeft.
De stem van het hart
De stem van het hart kan niet bestaan. Het hart is een orgaan, dat krimpt en dijt, dat het bloed door de aderen jaagt en soms zichzelf vertraagt, dat aarzelt, maar spreken doet het niet.
Er is geen stem van het hart. Er is een innerlijk weten, dat niet met de stof is verbonden. Dat lang vergeten waarden uit geestelijke waarheid en geestelijke tijd naar voren brengt.
Maar al te vaak spreekt men dan van de stem van het hart en voelt zich door zijn innerlijke stem gedreven, terwijl men nog niet even wil wachten en luisteren, of wat men in zich wellen voelt, wat vreemde stemmen fluisteren, soms niets meer is dan de echo van eigen ledig zijn.
Zoek in uzelf de waarheid. De stem van het hert alleen zegt niets. Zij kan niet spreken. Zelfs God spreekt in ons steeds met onze stem. En luisteren wij naar Hem, het is niet de stem, het is niet het woord, maar het is de siddering van kracht alleen, waarop we horen.
Men kan dan zeggen: Maar het wil ons toch bekoren dit alles af te luisteren. Dit fluisteren van stemmen in mijn wezen te maken lot spreken met God en zonder vrezen opgaan tot het
Allerhoogste. Ik kan ook zeggen: Jakkes, moet ik nou alleen en voor mijzelf hier al die waarden vinden? Ik kan het niet. Ik luister naar de stem van het hart.
Ik zeg u: Indien gij u zo tart door u te maken tot profeet, die spreekt en predikt voor het eigen “ik”, gij zult niet ,veel bereiken. Maar luister naar de vreemde kracht, niet naar de stem, die in u leeft. Voel hoe er buiten stoffelijk zijn en redelijkheid om in u een vreemd erkennen leeft, dat niet omschreven wordt en onderstreept als dompe drum de woorden van uw hart. Het ritme is de werkelijkheid, dat is de eeuwigheid, die spreekt. Dat is het wezen, dat voor korte wijl de redelijke grenzen van het menselijk bestaan verbreekt en opvliegt naar een hoger zijn, waarin geen werkelijkheden meer in mensenwoorden leven.
In al uw streven: Zoek naar uzelf en zoek uzelf te zijn. Luister naar de stem van eigen hart, zo ge wilt, maar niet zo sterk, dat daardoor wordt verstild wat achter deze stem in u voortdurend gaat en staat en werkt en drijft. Niet in het woord en in het begrip, maar in het onbegrepen werken schrijft God Zijn wil in het wezen.
Maar zonder die emoties leven valt zwaar. De stem van het hart spreekt in de edelste termen en uit de naam des Heren soms slechts van de eigen angst, het eigen stil begeren, de eigen kracht tot oordeel en eigen innerlijke macht, terwijl niets wordt volbracht. Waarom dan aan die stem zo’n nadruk steeds gegeven?
Aanvaard haar zoals ze is, maar leer uzelf leven op het vreemde dat in u bestaat. Het ongekende, dat ge ondergaat, zonder dat het in stof of geest met woorden is omschreven. Dat alleen is werkelijkheid. Dat is het leven, dat de grenzen van een menselijk emotioneel of redelijk bestaan het verst overschrijdt.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
