februari 1967
De ritmen van de evolutie
Wij hebben ons in de voorgaande lessen beziggehouden met alles, wat zo’n beetje te pas komt bij de geestelijke ontwikkelingsgang, de invloeden, die de aarde beroeren en de manier, waarop het ontstaan van het leven op aarde zowel als het geestelijke leven in een kosmisch plan en een kosmische wetmatigheid zijn opgenomen.
Nu moeten we echter terug naar de wereld, omdat wij hier te maken hebben met verschillende verschijnselen, die wij toch niet alleen maar aan rassengeesten en grote krachten uit de kosmos kunnen toeschrijven.
Er zijn op aarde bepaalde wetten in werking, die als verschijnsel met zich brengen, wat men vermoedelijk bij gebrek aan beter met de mooie naam “evolutie” pleegt te betitelen. Nu moet ik er meteen bij zeggen, dat dit begrip evolutie alleen betrekking heeft op de bevoertuiging, maar zeker niet zonder meer kan worden toegepast op de geestelijke waarden en op de ziel. Wat is nl. het geval?
Er ontstaat een levensvorm. Deze levensvorm bevindt zich binnen een bepaald milieu en past zich daarbij aan. Maar nu blijkt, dat die levensvorm op een gegeven ogenblik vastloopt. Zij is zozeer aan een bepaald milieu gewend, dat elke geringe wijziging kwetsbaar maakt. Tegen die kwetsbaarheid kan men zich verzetten en er ontstaat dus een steeds complexere structuur van de levensvorm, waardoor zij zich binnen bepaalde perken kan handhaven.
Wij kunnen tegenwoordig nog heel veel voorbeelden daarvan vinden. Als u bv. naar de duinen gaat (u zit er vlak bij), dan vindt u daar bepaalde planten, die in het zand kunnen leven. Denk eens aan de dennen, denk eens aan het helm. Nu blijkt, dat de den een bepaald wortelstelsel heeft. Maar de den, die aan een zeekust groeit, heeft een diepere wortelgang (dus een betrekkelijk rechte en diepgaande wortelstok), terwijl daarnaast de wortels breed worden uitgespreid om een weerstand tegen de wind, een verankering, te geven. Gaan wij na hoe dat verder in elkaar zit, dan blijkt dat de grootste voedselopname geschiedt door één – meestal wat verderop in 2 of 3 hoofdtakken gedeelde – wortel, die bijna recht naar beneden gaat.
Zien wij nu de den van dezelfde soort en dezelfde familie op de hei, dan blijkt dat de wortel daar in de eerste plaats niet zo diep gaat, maar in de tweede plaats ook, dat hier van – laat ons zeggen – een gemiddelde van 6 wortels er 4 schuin naar beneden lopen daar een heel fijn wortelnet vormen (wat in het duinzand bijna niet het geval is) en dat de verankering dus veel minder stevig is. Dat is te begrijpen. De den op de hei heeft minder met eenzijdig sterke stormen te maken en komt dus niet zo snel tot een verankering in een bepaalde richting. Hier zou men dus al kunnen spreken van een aanpassing. Maar nu kan er een ogenblik komen, dat er buitengewoon veel stormen gaan woeden. Dan zouden al die bomen op den duur ontworteld moeten worden. Zij kunnen dat niet uithouden. Behalve als er nu één boom is, die leert om de snelheid, waarmee het wortelnet wordt uitgebreid en verplaatst, te vergroten. Deze kan dan, naarmate er meer spanningen in het milieu optreden, steeds als het ware naar de omstandigheden toewerken. Het resultaat zal een aanpassing zijn niet alleen van het wortelstelsel, maar waarschijnlijk ook een lichte verandering in de voedingsopname en daarmee in de structuur van de naald de kleur bv. kan veranderen, het kan een andere tint groen krijgen.
Bij helm zien wij precies hetzelfde. Helm is verwant aan moerasgras. Het moerasgras heeft een dicht onder de oppervlakte groeiende wortel De helm, familie ervan, heeft een zeer diepgravende wortel met een voor een dergelijke plant eigenlijk wel zeer fijn wortelnet. En dit zijn nu maar een paar voorbeelden.
Wat is er eigenlijk aan de hand? De vorm moet worden aangepast en verfijnd. Kan dit niet meer, dan ontstaat er een soort, die in ongunstige omstandigheden leeft. Die kan zich niet meer volledig en overal uitbreiden en wordt tot enkele – vaak beschermde plekken – beperkt. En daar kan zij haar leven nog wel verder handhaven. Dat geldt ook voor dieren. Indien echter de complexiteit van het aanpassen te groot wordt. Laten we zeggen: Er komt bewegelijkheid van de wortels bij een boom. Er zijn er enkele, die dat hebben en die zich ook stabiliseren door het neerlaten van luchtwortels, welke als verankering kunnen worden gebruikt, denk eens aan bv. de waringin, dan kan het mechanisme zich niet verder aanpassen.
Nu blijkt, dat de volgende aanpassing niet meer kan plaatsvinden in deze complexe vorm. Wij moeten dus terug naar een vereenvoudiging van vorm. In die vereenvoudiging wordt waarschijnlijk de bewegelijkheid of de stabilisatie-mogelijkheid bewaard, maar niet meer zonder meer uitgevoerd. Daar staat tegenover, dat men bij de plant een andere voedingsgewoonte krijgt. De plant verandert zich eveneens en zij kan op den duur zelfs een totaal nieuwe soort worden.
U maakt op aarde nieuwe planten door kruis-mutatie. U doet dat bewust. Kruisbestuiving bij tulpen bv. en de daaruit voortkomende varianten. De natuur doet het echter ook. Zij doet dit bij diersoorten, maar ook bij de mensen. Want wat is het geval? Op het ogenblik, dat een materiële structuur zodanig complex is geworden, dat zij eigenlijk geen verdere aanpassingsmogelijkheden meer bezit, moet er een factor worden ingeschakeld, waardoor toch nog een handhaving mogelijk is en dat is een vorm van sentiëntie begrip.
In de eenvoudige levensvormen zien wij dat overal optreden. Als u denkt aan bv. de aanpassing van de grote dieren uit de tijd van de sauriërs, dan zult u tot uw verbazing ontdekken, dat bv. de vliegende sauriër (ichtyosaurus) zich eigenlijk langzaam maar zeker heeft veranderd in de familie vleermuis. Als u gaat kijken naar de vele grote waterdieren, die er eens waren, dan komt u tot de ontdekking, dat sommige van hen eigenlijk gemuteerd zijn naar kleinere bewegelijke vormen, die over het algemeen bovendien iets meer besef hebben, dus iets meer denker en iets sneller reageren dan de sauriërs deden.
Hier hebben wij dus het principe van het leven. Zodra complexiteit van stoffelijke vorm optreedt, ontstaat de behoefte aan sentiëntie: Bewustzijn, en reactievermogen. Zodra het reactievermogen groot genoeg is, herontstaat de behoefte tot fixatie van de vorm. Want nu gaat de sentiëntie voor zich de aangenaamste, de meest acceptabele vorm uitkiezen. Hierdoor wordt de structuur steeds ingewikkelder. Men wil geen afstand doen – of dat nu een meercellig wezen, een dier of een mens met grote ideeën is – van wat men heeft opgebouwd. Men bouwt het dus verder uit tot het moment, dat er geen andere mogelijkheid meer is. Je kunt je echter niet verder blijven aanpassen zonder te gronde – te gaan aan je eigen complexiteit. Op dat moment ontstaat er een prikkel tot bewustzijn. Door het bewustzijn ontstaat er een vormverandering, die soms meer in het nageslacht ligt. In andere gevallen reeds in een plant en in een dier zonder meer merkbaar wordt. Daardoor krijgen wij een over het algemeen wat kleinere, maar zeker sneller reagerende eenheid, die op haar beurt zich voorlopig weer in alle omstandigheden kan handhaven, maar bij het vinden van een vaste milieuwaarde zich wederom op de prettigste manier fixeert.
Het is een soort slingerproces. Wij krijgen de uitslag naar het materiële. Is in het materiële organisatorisch de top bereikt, dan slaan wij terug en gaan schijnbaar naar beneden, maar hier slaan wij iets hoger naar bewustzijn op. Is het bewustzijn hoog genoeg gestegen, dan is de aanpassingsmogelijkheid, die men ziet, groot genoeg. Men zinkt weer terug en komt tot een hogere vorm van materiële organisatie. Het totale proces, dat wij evolutie noemen, is materieel dus gebaseerd. op het vinden van ofwel de top van sentiëntie (bewustzijnswaarde), dan wel een top van materiële waarde. Deze beide tezamen treden echter nooit op zij wisselen elkaar af. Hierdoor wordt voor alle levensvormen op aarde, die onder de omstandigheden redelijk kunnen blijven bestaan, een voortdurende aanpassing gegarandeerd, terwijl gelijktijdig door het verhogen van de bewustzijnswaarde, die erin ligt, ook een vergrote mogelijkheid voor de geest wordt gegeven, die daarin wil leven. En daarmee hebben wij dan een heel belangrijk iets geconstateerd.
Bij die vormveranderingen treden – vooral als het lagere wezens zijn – rassengeesten helpend en geleidend op; maar zij kunnen de cyclus op zich niet onderbreken. Zij kunnen stimuli geven. Zij kunnen ervoor zorgen, dat – indien complexiteit al bereikt moet worden – deze een basis kan vormen voor een verdere bewustwording. Een vergroting van begrip als het ware Indien het begrip voldoende hoog is gestegen, dan kunnen zij de stimuli scheppen om dit begrip om te zetten in praktijk. Theorie en praktijk schijnen op aarde altijd samen te gaan, maar kosmisch gezien, is dat niet het geval. De theorie baart de praktijk, in de volledige uitwerking van de praktijk wordt een nieuwe en in waarde hogere theorie herboren.
Als wij dit nu allemaal hebben gezegd, dan kunnen wijde mensen bekijken. Want de historie van de mens is een wonderlijk en afwisselend schouwspel. Wij krijgen op een gegeven ogenblik de organisatie van de jachtgemeenschap. De jachtgemeenschap leidt tot teamwork. In dat teamwork vinden wij een steeds vastere indeling van plaats en rang, totdat er een stamgemeenschap bestaat, die in de praktijk is gefixeerd.
Die fixatie doet weerstanden ontstaan. Er is geen voldoende mogelijkheid meer voor de leden van het team om zelf ook nog wat te betekenen. Er ontstaat een revolutie en wij zien stamvermenging. De familiegroep wordt nu een grote gemeenschap en de jachtpraktijk wordt verrijkt met allerhande elementen, waarvan sommige godsdienstig zijn, maar andere zich ook richten op het gebruiken van plantaardig voedsel, het vervaardigen van kleding en van werktuigen. Zo is het in een primitieve maatschappij.
Maar waarom zouden wij alleen daar kijken? Want als wij de hele geschiedenis doorgaan, dan zien wij steeds weer de opkomst en het verval van een bepaalde groep of een bepaalde organisatie. In de tijd, waarin u leeft, is er ook een dergelijk proces aan de gang. Wat is er nl. gebeurt?
De mens had een aantal geestelijke impulsen en prikkels. Daardoor werd hij in staat gesteld zich denkbeelden te vormen, die veel verder gingen dan zijn feitelijke bekwaamheden. Dien zou hier kunnen denken aan de alchemisten in de vroege Middeleeuwen en aan al die onderzoekers op onverschillig welk vlak: Medisch gebied, metallurgie, enz. Al die mensen hadden dus denkbeelden, die veel verder reikten dan hun mogelijkheden of praktische kennis.
Een mooi voorbeeld daarvan is bv. de Griekse filosofie; maar ook de filosofie, die wij bv. in Frankrijk vinden in de tijd van de Encyclopedisten. Gaat u nog weer verder, dan vindt u die theorie ook weer terug in laten we zeggen ongeveer 1860. Tussen 1860 en 1890 bouwt zich een theorie omtrent de menselijke samenleving op. Zij neemt haast de vorm aan van een religie, want zij is nu eenmaal niet ingrijpend te fixeren. De mens verfijnt deze stellingen in zoverre, dat zij overtuigend worden en aan een behoefte van de mensen tegemoet komen. Het is de omwenteling – u kent dat allemaal – van de werkende stand, die zeker niet alleen in Rusland plaatsvindt, maar ook – en zelfs vroeger – in Engeland, in Nederland, in Duitsland, overal. En daardoor ontstaat het mechanisme, waaruit de verwezenlijking van de theorie moet voortspruiten.
Wij zien dus bv. de socialistische gemeenschappen ontstaan. Wij zien de socialisatie van alle andere staats- en denksystemen. Wij zien een poging om te fixeren. Het marxisme bv. is, ondanks zijn stelling van progressiviteit, uitermate orthodox. Die orthodoxie uit zich o.m. in een toenemend aantal eisen en verordeningen, een toenemend bureaucratisch ambtenarenapparaat, een toenemende nadruk op de eenzijdige uitbreiding van industrieën en een absolute verwaarlozing van wat men bv. het individueel leefklimaat zou kunnen noemen. De mensen worden door dit mechanisme echter in staat gesteld meer te zien, meer te doen, meer te begrijpen en er komt een ogenblik, dat dit te complexe geheel verzet gaat oproepen.
In het begin is dat onverschilligheid. Men reageert eigenlijk niet meer op al die uitbreidingen. En dat betekent, dat de uitbreidingen niet meer bewust en gericht geschieden, maar dat ze zich gaan gedragen als een soort woekering, een soort kanker. (Waarmee ik niet wil zeggen, dat de hedendaagse bureaucratie met kanker te vergelijken is, ofschoon ze veel gekanker veroorzaakt.)
Die bureaucratie nu brengt de mens aan het denken over zichzelf, over zijn eigen rechten, zijn eigen wil, zijn eigen wensen; er ontstaat de behoefte om zichzelf te zijn. Maar dat kun je niet meer, zolang je de voorschriften aanvaardt. Die voorschriften, d.i. sociale habitus, sociale moraal en al wat erbij hoort. De mens breekt zich dus los en schijnbaar zakt hij af. Hij is bv. niet meer zo productief. Hij is niet meer zo betrouwbaar. Hij gaat niet meer in zijn werk op. Maar hij zoekt. En door dit zoeken gaat hij begrijpen, wat hij eigenlijk werkelijk wil. Er ontstaat een humanistische theorie, die in deze dagen eigenlijk met de verdere ontplooiing van het existentialisme (dat overigens in de tijd van Erasmus al bestond en door hem zelf al word uitgedragen) een verdere ontwikkeling van het existentialisme betekent naar een individualistisch bestaan. En deze theorieën moeten langzaam vorm krijgen.
Uw hedendaagse studenten-relletjes overal ter wereld, uw provo’s zijn een direct gevolg hiervan. Je zou denken dat het een ontworteling of een ontbinding is van de mensheid of van de maatschappij; maar dat is niet waar. Het is een normaal evolutie-verschijnsel. Als een top van complexiteit is bereikt, waarin het “ik” zichzelf niet meer kan zijn, dan zoekt het “ik” voorlopig naar een theorie (een denkbeeld, een innerlijke waarde), waardoor die vrijheid wordt herwonnen. De nadruk valt niet maar op de stoffelijke structuur, maar zij gaat over naar het gedachteleven. Zij wordt filosofisch, misschien zelfs mystiek. Daardoor gaat men beseffen, dat het op een andere manier ook – en misschien beter – mogelijk zal zijn. Men laat al die te hoge stellingen langzamerhand in de steek en gaat terug naar de praktijk.
Die praktijk lijkt in het begin een afdaling in het duister, want wat blijft er nu over van onze hoge idealen? Maar daardoor is men in staat voor zichzelf materieel waar te maken wat die idealen alleen innerlijk en theoretisch zijn. Er ontstaat een dieptepunt, waarin het gedrag van de mens zowel van stoffelijk als van geestelijk standpunt uit in feite anarchistisch is. Uit dit anarchistische principe ontstaat weer de nieuwe structuur: Het organisme, dat langzaam maar zeker vorm moet geven aan de erkenning, die hier is gemaakt. Wij gaan dan weer naar boven.
De structuur wordt steeds ingewikkelder. Zij wordt een techniek, een mechanisme, waardoor er grotere mogelijkheden voor het “ik” zijn. Nu die mogelijkheden bestaan en de mens zich daarin uitleeft, komt wederom het punt van verzadiging. Deze slingering is dus eigenlijk een goddelijke wet, een natuurlijke wet.
Als u hoort, dat de geest zich op aarde zo druk bezighoudt met het menselijk leven, dan zult u wel eens zeggen: “Tjonge, jonge, jonge, wat doen zij?” Maar nu wordt het u misschien duidelijk. Zij hebben niet ten doel u geestelijk of lichamelijk tot een top te brengen. Hun doel is juist te zorgen, dat zodra er een fixatiepunt is bereikt, waardoor er geen begrepen en geplande ontwikkeling meer kan plaatsvinden, die voor de mens nog hanteerbaar is, maar er een woekering ontstaat, de mens te doen terugkeren, zodat hij op een ander terrein een hoogtepunt bereikt.
En wat betekent dit nu eigenlijk voor incarnaties?
Het zal u duidelijk zijn dat de geest, die – althans in deze zin – niet aan het evolutionaire proces onderworpen is, door haar ervaringen een bepaalde voorkeur krijgt. Zij krijgt een voorkeur voor geestelijke of voor stoffelijke elementen. Kort gezegd: De een is filosoof en de ander is technicus. Wij zien dan ook, dat zeer vele entiteiten zich achtereenvolgens steeds weer manifesteren in een periode van technisch uitgebreide ontwikkeling en fixatie. Dat gaat voort tot het ogenblik, dat ook zij een keer die golfbeweging kunnen meemaken, ten dele of geheel. En dan fixeren zij zich op het geestelijke. Bij hun incarnatie blijven zij een tijdlang de geestelijke ontwikkeling zoeken. Zij letten dus niet op de materie. Op deze wijze zien zij in zichzelf de tegenstelling van vormgeving i.c. creatie en erkenning, wijsheid, begrip. Zij gaan dan begrijpen, dat deze beide elkaar aanvullen en dat zonder een uitdrukking van het innerlijk er geen bereiking mogelijk is; maar dat een uitdrukking zonder innerlijke waarde eveneens geen bereiking kan geven. Eerst als begrip en uiterlijkheid, innerlijke waarde en stoffelijke waarde kunnen samenvloeien en ten overstaan van elkaar als een werking worden erkend, is er voor de geest een evolutie. Dan breidt het bewustzijn zich uit en kan het een steeds groter deel van de schepping omvatten.
De achtergrond van het evolutionaire proces is dus in feite de voortdurende verandering van waarde. Die verandering van waarde zien wij niet alleen maar voor de mens op aarde optreden. Wij zien dat een ras op een bepaalde planeet een technische top kan bereiken en misschien die planeet erbij kan vernietigen. Dat is in het Al meermalen gebeurd. Maar wat is dan het resultaat daarvan? Dat zij bij hun incarnatie op een chaotische planeet weer beginnen hetzij als helpende of leidinggevende geesten, hetzij direct als geïncarneerde wezens. Het is logisch. Chaos en vorming zijn beide facetten van het bestaan. In het totaal van de historie van de mensheid komt dit steeds weer naar voren.
Er zijn tijden dat de occulte en magische kennis van de mens die van de huidige tijd schijnbaar – ik zeg: Schijnbaar – ver te boven gaat. Tijden, waarin alles, wat tegenwoordig belangrijk en wetenschappelijk wordt genoemd, behoort tot inwijdingsleren. Tijden, waarin men niet beschikt over magnetrons en- elektronenmicroscopen en toch stellingen weet op te bouwen over het heelal, over de vorm en structuur van de materie, het wezen van het zijn zelf, die zelfs in uw dagen, als ze juist worden geïnterpreteerd, uitermate verbluffend zijn. Maar wat blijkt nu?
Die kennis van de oudheid, of wij dit nu Atlantis noemen, of als wij misschien nog verder teruggrijpen naar de eerste ontwikkeling van Mu (die overigens hoofdzakelijk een bureaucratische was met een krijgsmanachtige hoed), of als we kijken naar Egypte, het Romeinse Imperium, het Frankische rijk van Karel de Grote (dat overigens door Pepijn is gevestigd en niet door Karel), wij zien overal hetzelfde: Mystiek geeft de denkbeelden, die tot techniek kunnen worden. Daarbij blijft een groot gedeelte van de mystieke erkenning onvervuld. Wij kunnen de mystieke erkenning niet volledig omzetten in de materiële uiting; wij moeten afdalen. Maar door die afdaling, de neergang, stimuleren wij een vormgeving en nu blijkt, dat die vormgeving mogelijkheden schept voor het begin.
Men kan zeggen, dat de hedendaagse wetenschap bv. praktisch ontbloot was – en voor een deel nog is – van elk begrip voor filosofie. Men zou kunnen zeggen: De wetenschap, dat is zo iets als goochelen met de feiten en werken met de verschijnselen. De theorie is secundair. Zij is het hulpmiddel om nieuwe verschijnselen te vinden. Maar als die verschijnselen op een gegeven ogenblik zo complex worden, dat men gaat zoeken naar een synthese (en daar is men op het ogenblik hier en daar druk mee bezig), dan moet men terugkeren van de feiten naar de theorie, naar de innerlijke erkenning. Dan wordt eigenlijk de overbruggende gestalte in de techniek alweer tot een soort toverdokter, een wondermens, een superman.
Die superman beschikt over veel meer feiten dan men in het verleden kende; dit wil zeggen dat hij zijn erkenningen juister kan aanpassen aan de feiten. Zijn innerlijke waarde, zijn innerlijke beleving, juist doordat de praktijk erbij is, bereikt dus een veel groter en veel juister besef dan hem tevoren mogelijk was. En komt men dan op het punt, dat de synthese een zodanige vereenvoudiging maakt, dat wij weer naar een complexiteit toe moeten, dan zal die nieuwe structuur dus ook een hoger niveau inhouden. Dit gebeurt bij levensvormen; dit gebeurt bij beschavingen; dit gebeurt zelfs bij menselijke geesten. Al is daar, zoals ik reeds zei, de evolutie toch een klein beetje anders dan beschreven: Ik geloof, dat dit voert tot een aantal eenvoudige conclusies, die onvermijdelijk zijn voor een mens, die de geschiedenis van het leven waarlijk wil beseffen. Hier volgen zij dan, in de eerste plaats: Het samengaan van stof en geest is alleen mogelijk, indien de waarden afzonderlijk dominerend optreden, zodat de dominantie van geest over stof en stof over geest voortdurend wisselt. Het is deze afwisseling, waaruit het bewustzijn wordt geboren en de mogelijkheid tot verdere vorming of beheersing in de materie.
In de tweede plaats: Alle verschijnselen, die wij negatief plegen te noemen, hebben een positieve waarde en betekenis. Want al datgene, wat is en wat gebeurt, voert immers tot een nieuw begrip, een nieuwe beleving, een nieuwe erkenning. Het verschijnsel van de vernieuwing is voor het leven van het allerhoogste belang. Zonder dit kan er geen werkelijk leven meer bestaan.
In de derde plaats: Bewustzijn is het resultaat van ervaring plus het vermogen op de ervaring stellingen te baseren, die wederom in de praktijk kunnen worden geuit. Wij zijn er echter niet, want die evolutie neemt tijd. Maar de tijdsverdeling is natuurlijk niet regelmatig. De evolutie van half-eiwit tot het ééncellige wezentje vergt ongeveer 650.000 jaar.
De evolutie van ééncellige wezen tot de splitsing jager en gejaagde ofwel grazer en levenseter en meercellig wezen duurt maar 100.000 jaar. Vandaar tot de complexe plantvorm buiten het vloeibaar milieu plus de complexe diervorm in en buiten het milieu vergt 250.000 jaar. En wanneer wij eenmaal aan de mens toekomen, dan komen wij tot de eigenaardige conclusie, dat de dominante menselijke rassen elkaar afwisselen. Terwijl het ene bijna 500.000 jaar bestaat, treedt het andere slechts ongeveer 50.000 jaar op, om weer door een nieuwe soort te worden vervangen. Er is dus geen vast ritme te vinden, althans niet als wij de tijd rekenen, zoals mensen dat doen.
Maar op de achtergrond van het evolutie-verschijnsel ligt iets anders. Hebben wij niet twee factoren ontmoet: Het eerste is uitbouw, dus vergrote complexiteit; het andere is sentiëntie, besef. De uitbouw kan niet worden gesteld in tijdseenheid, maar slechts in uitbreidingssnelheid. Indien de uitbreiding geschiedt met één factor per jaar, dan is 600.000 jaar weinig of niets. Indien zij geschiedt met 100.000 factoren per uur, dan kunnen misschien 4 à 5 weken voldoende zijn om een kritiek punt te bereiken.
Geestelijk is het hetzelfde. Als men langzaam overweegt en steeds blijft haken aan enkele denkbeelden, als men als het ware dogmatisch is, dan kan het vele eeuwen, vele duizenden en tienduizenden jaren duren, voordat er een nieuwe gedachte is gevormd, die weer in de materie kan worden uitgedrukt. Maar op het ogenblik, dat het denken, ondanks zijn mystieke inslag, toch pragmatisch wordt, zien wij een versnellingseffect, waardoor in betrekkelijk korte tijd – soms in enkele jaren – het denkbeeld wordt omgezet in materie en complexiteit.
De tijdswaarde in het leven kan worden gemeten met de maatstaven, waarmede men het menselijk leven meet. Het menselijk leven is trouwens voor de geest in de mens alleen maar een verschijningsvorm. Willen wij begrijpen, wat op de achtergrond van het leven en het levende ligt, dan moeten wij dus omschakelen van de tijdseenheid of zelfs de schatting van een levensduur in een bepaalde vorm naar resultaat. Resultaatswaardering ofwel ontwikkelingssnelheid is de enige concrete tijd.
Als u in het geestelijk leven komt, zult u ook daaraan veel kunnen hebben, want het zijn alweer een paar eenvoudige regels, die ik hier stel, maar zij doen u in de eerste plaats misschien beter begrijpen, waarom de geest in een andere tijdswaarde kan leven en in de tweede plaats zal zij u duidelijk maken, dat uw leven niet in jaren kan worden geteld, maar alleen in ervaring.
1e regel: Voor het leven is tijd geen duur, maar een opeenvolging van bereiking, prestatie of ervaring.
2e regel: De belangrijkheid van het tijdseffect wordt niet bepaald door de eenzijdige bereiking, maar door de wisseling. Veelheid van factoren betekent tijd. Eenheid of gelijkblijvendheid van factoren betekent stilstand.
3e regel: Op het ogenblik, dat vanuit een geestelijke of een materiële top van complexiteit geen werking meer in de andere richting is, ontstaat er een vernietiging, waarin tijdloosheid optreedt tot dezelfde fase – maar nu actief en bewegelijk – wederom is bereikt.
Met die 3 regels kunt u het voorlopig wel stellen, denk ik. Nog enkele kleine conclusies, voordat wij de les eindigen.
- Als je aan leven denkt, denk je onwillekeurig aan de ziel en aan de geest. Men vraagt zich wel eens af, waarom de ene geest zo snel incarneert en de andere zo traag. Dit is menselijk. Beide geesten incarneren vanuit een geestelijk standpunt naar een gelijke bereiking en doorleving. Voor hen beiden zal de tijdsduur dus gelijk zijn, ongeacht het verschil dat materieel daarin wordt gevonden.
- De geest kan niet zonder de materie bestaan, omdat de materie noodzakelijk is om de vernieuwing van besef tot stand te brengen en daarmee de vernieuwing van beleving.
- Wanneer wij in de materie leven en de geschiedenis en de achtergrond van het leven begrijpen, zullen wij ons eigen leven niet baseren op gelijkblijvende waarden, maar wij zullen een voortdurende wisseling, vooral een wisseling van geestelijke en materiële waarden, tot stand willen brengen. Wij zullen bij beide trachten te gaan tot een zo groot mogelijke detaillering en uitwerking, opdat de top van complexiteit – geestelijk of materieel – de stimulans kan worden voor vernieuwing van begrip, van denken en ook van vorming.
Geestelijke en stoffelijke ontwikkelingen
De geest is het bewustzijn, dat zich rond de ziel heeft gevormd. Naarmate de feiten, die worden waargenomen, zich uitbreiden, zal dus de geest een groter geheel worden en zullen de werkingen daarin minder automatisch zijn. In het begin zal de geest, zelfs wanneer zij stoffelijke ervaringen opdoet, in feite reageren volgens de natuurwetten, die haar zijn ingeschapen en zal zij bij haar beleven worden geleid door entiteiten riet een groter bewustzijn. Zodra echter in de materie de mogelijkheid ontstaat om een confrontatie met een vastliggende buitenwereld te doen plaatsvinden, worden er nieuwe impulsen geschapen, waardoor het denken (ik mag deze term ook voor de geest gebruiken) zich ontwikkelt. Het denken van de geest geschiedt, zoals dat van de mens, in tegenstellingen. Elke definitie is dus in feite de vaststelling van een tussen twee erkende uitersten gelegen waarde. Wordt nu het materiële geheel, waarin de geest zich kan manifesteren, complexer, dan zal het aantal ervaringen, dat zij opdoet, eveneens een grotere complexiteit bezitten. Maar omdat zij als geest leeft en daarbij haar bestaan dus niet alleen mag oriënteren op een stoffelijke relatie met de buitenwereld, zal zij trachten voortdurend uit het geheel der complexe ervaringen tot een synthese te komen. De synthese vindt op verschillende niveaus plaats. Ik zou u hiervan gaarne enkele voorbeelden willen citeren. Een ééncellig wezen kent het verschil tussen rust (rust, die gelijk is aan bevrediging en voeding) en dreiging, die gelijk komt aan voor het “ik” overmatige activiteit en gebrek aan voeding. Hierdoor wordt het verschil als synthese: Er is absorptie-mogelijkheid; niet-absorptie of niet-opname is gebrek en is onaanvaardbaar. De conclusie, die de geest in deze fase maakt, is: Ik moeten feiten absorberen. Als de geest leeft in een meercellige structuur, die al dadelijk ingewikkeld kan zijn (denken wij aan een eenvoudig dier of een misschien wat meer complexe plant), dan komt hier verder bij de kwestie van groei en van zelfhandhaving; aan de andere kant belemmering van groei en aantasting van het eigen “ik”. Dit lijkt misschien betrekkelijk eenvoudig, maar er zijn heel wat waarden aan verbonden. Zo zal de geest tot een synthese komen, waarbij het bestaan van het “ik” niet meer als vorm primair wordt gesteld, maar als erkenning.
Zolang ik mijzelf blijf erkennen, ben ik in leven, word ik bewust. Zodra een denken gaat optreden (bv. bij de hoger georganiseerde dieren: Een hond, een paard, voor de mensen bekende voorbeelden), dan ontstaat er daarnaast een afmeting en een getallenrelatie. De hond en ook het paard hebben een eigen soort rekenkunde; zij kunnen hoeveelheden bepalen. En daarmee doen de begrippen: Oneindig of niet-beheersbaar en beperkt of eindig en beheersbaar, hun intrede in het denken. De geest brengt ook hier weer een synthese en zegt: De oneindigheid, voor mij onbeheersbaar, moet aanvaard worden en uit deze aanvaarding moet ik komen tot beheersing van de eenvoudige of eindige factoren.
Is dit eenmaal bereikt, dan kunnen wij komen tot de genegenheidsbindingen, die eveneens in de hogere diersoorten bestaan en verder ook bij de mens voorkomen. Deze genegenheidsbindingen zijn vooral in het begin mede gebaseerd op een zelfbevrediging. De hond, die zijn baas liefheeft, heeft hem niet lief om wille van de baas, maar omdat deze voor het “ik” een onvermijdelijke aanvulling van het ego betekent. De liefde, die op deze wijze bestaat, brengt met zich mee, dat men het andere of de ander dus mede moet gaan verwerken in zijn eigen oordeel: Er kan geen sprake meer zijn van een eenvoudige zelfhandhaving en zelfuitdrukking. De expressie is eveneens gebonden aan de complexiteit. Het resultaat is, dat de geest daaruit de conclusie trekt: Liefde is de uitbreiding van mijn wezen plus mijn vermogen. Het ontbreken van liefde is de beperking van mijn wezen en mijn mogelijkheden.
Zoals u uit deze enkele voorbeelden reeds heeft gezien, is er dus een definitieve parallel te vinden tussen de stoffelijke vormen, die door een geest bekleed kunnen worden en haar eigen stadium van ontwikkeling. Eenmaal in de mens neemt de complexiteit nog veel verder toer omdat wij worden geconfronteerd met een zelfbeschouwing. Er is niet alleen meer de erkenning van een relatie, een vaak onverbrekelijke relatie met de andere of het andere, maar er is tevens de erkenning van het “ik” in relatie tot de ander en het andere. En zo komt naast de liefde de beoordeling.
Het is eigenaardig, dat in de geestelijke ontwikkeling de liefde komt voor de rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid vloeit voort uit de liefde en zo ontstaat het oordeel, dat – ofschoon op zich een vervreemding van de verbondenheid met de oneindigheid – voor de geest toch ook weer inhoudt, dat zij misschien wel voor het eerst in haar bestaan zichzelf en bewust kan richten op bepaalde frequenties en mogelijkheden in geestelijke werelden. Van een bewuste wereld- of sfeerselectie kan eerst in deze fase worden gesproken.
Een geest kan niet als dier eenvoudig overgaan en dan een bepaalde sfeer bereiken. Het dier kan voortbestaan met een beperkt bewustzijn. Dit wordt dan veroorzaakt door de liefde-erkenning, zolang de factor, waaruit de liefde is voortgekomen, voor het “ik” nog kenbaar bestaat en dan is er verder rust of sluimering.
De mens echter sluimert niet meer, want hij oordeelt en doordat hij verwerpt en aanvaardt, selecteert hij een sfeer, een gezelschap, een contactmogelijkheid. Het intense leven begint. Maar de rechtvaardigheid van de mens is vaak voornamelijk een zelfrechtvaardiging. Er is nog geen erkenning van goddelijk recht en goddelijke wetten. Er is slechts de erkenning van een eigen verplichting en aanzien van het milieu en van het milieu ten aanzien van het “ik”. Zodra de mens nu boven de eenvoudige dierlijkheid uitstijgt, zien wij dat hij het supranaturale (zo ge wilt godsdienstigheid, God, e.d.) gaat betrekken in zijn relaties. Zijn rechtvaardigheid is dan niet meer de uitdrukking van zijn wezen, maar de erkenning van een hogere kracht en de daaruit voortvloeiende wetmatigheden.
De liefde is eveneens niet meer in de eerste plaats een persoonlijke relatie. Zij is als het ware een erkenning van eenheid of noodzakelijke eenheid, die voortkomt uit een in het hogere aanwezige binding. En daarmee kan de geest – zelfs reeds in stoffelijke vorm – komen tot een uittreding. Zij kan dus geestelijke werelden ook tijdens het stofbestaan beleven; zij kan daarnaast vanuit haar geestelijke werelden ook uw stoffelijke werelden benaderen en daarin actief zijn,- en in beide, gevallen is de activiteit bewust mogelijk.
Als je het geheel van deze parallel overziet, kom je tot de conclusie, dat stof en geest – ofschoon voor elkaar noodzakelijk en elkaar aanvullende – toch in wezen verschillende waarden zijn. De materie is waardevol door de ervarings- en de erkenningsmogelijkheid, die zij geeft de geest echter is waardevol door haar erkenning van verbondenheid.
Een verbondenheid kan nimmer materieel bestaan, ongeacht de bij mensen misschien daaromtrent bestaande afwijkende meningen. Het is slechts het innerlijk, waarin een werkelijke binding (dus met de geest) bestaat.
De geest kent een toenemend zich binden met waarden, waardoor zij op den duur verschillende sferen kan bevatten. Zij kan desnoods in de materie leven en gelijktijdig in een van de hogere vormloze sferen. Op aarde treedt zij dan meestal op als Verlosser, Leraar, Ingewijde. Zij zal op aarde de verbondenheid trachten waar te maken, die voor haar geestelijk erkend bestaat. Het eind van het lied is ongetwijfeld, dat de geest zozeer de eenheid en verbondenheid gaat beseffen, die voor haar in de sferen met het Goddelijke en in alle sferen, zowel als op aarde met de materie en alle daarin voorkomende vormen bestaan, dat zij de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid kan aanvaarden voor een complex leven, waarin vele entiteiten aanwezig kunnen zijn.
Een mens doet dit in zekere zin ook. Hij treedt op als organisator van een samenleving van cellen in verschillende vormen en met verschillende taken. Maar stel nu, dat men in staat is om deze cellen een eigen bewustzijn te laten (niet alleen een automatische reactie), ze een zekere vrijheid van beweging geeft en desondanks in het geheel een organische vorming weet te handhaven, dan zijn wij gekomen bij een entiteit, die niet alleen als groeps- of rassengeest kan optreden, maar die op het punt is te evolueren naar planeetgeest. De binding met de stof is nog steeds noodzakelijk; die kan niet worden vermeden. Maar de periode daarvan behoeft niet overeen te stemmen met de levensduur van de planeet.
Van de mens kunnen wij zeggen: Er leeft één geest in van geboorte tot overgang. Van een wereld moeten wij zeggen: Hierin kunnen verschillende entiteiten afwisselend of opeenvolgend als planeetgeest optreden, terwijl de normale processen van bestaan voor die planeet voortgaan.
Er is dus geen absolute binding meer met de materie. Er is slechts nog een zelferkenning en -vervulling, die door de binding met de materie tot uitdrukking wordt gebracht en verder wordt waar gemaakt. Op het ogenblik, dat men zelfs dit niet meer van node heeft, zal men toch nog willen deelhebben aan het proces “scheppen” en men zoekt de essentie.
De essentie van levensmogelijkheid is de krachtbron, waaruit het leven voortkomt: Een ster bv. bij deze ster is het niet belangrijk, of zij feitelijk aan planeten leven geeft of niet. Belangrijk is voor haar, dat zij levengevende krachten uitstraalt, dat zij in deze krachten haar eigen bestaan bevestigt en in het erkennen van andere bronnen van leven voor zich de verbondenheid met de totaliteit nog verder gaat bevorderen.
En nu zien wij iets eigenaardigs: Terwijl in een wereld nog geen gelijktijdig optreden van twee wereldzielen of planeetgeesten plaatsvinden, kan ineen zon soms een hele groep entiteiten gelijktijdig aanwezig zijn. Hier is het gevoel van verbondenheid zo groot geworden, dat de werking naar buiten toe onbelangrijk is, maar de uiting van eigen begrip van leven het enig belangrijke is.
Vandaaruit is het slechts een enkele stap naar een entiteit, die zelfs alle uitingen van het Al kan verlaten en die kan bestaan in wat voor een mens eenvoudig duister is, maar dat voor een dergelijke geest een verbondenheid is met het totaal van het Al: De erkenning van alle geesten, die nog levenskrachten uitstralen; de erkenning van alle wereldzielen, die de complexiteit van hun wereld toch nog tot een organisch geheel weten te maken; zelfs van alle mensen en alle dieren, die op planeten leven en van alle levensvormen, die kunnen dolen tot in de duisternis tussen de sterren.
Dit is de bijna goddelijke staat, waarin voor het eerst – naar ik meen – het ego niet meer tot een zelfbegrenzing komt. Er is een wezenserkenning. En de veelheid van de binnen het “ik” als geheel erkende aanwezige factoren van strijd en van genegenheid, van ongerechtigheid en rechtvaardigheid brengen voor het “ik” het creatief denken, het creatief vermogen tot stand.
Er komt het concept van creatie tot stand. En zodra men het concept heeft “ik kan creëren, ik ben dus niet afhankelijk van hetgeen er buiten mij bestaat en waarvan ik mij deel ga voelen, ik kan het zelf waarmaken”, staat men voor de keuze om in de idee te verzinken en zo zichzelf één te voelen met een Godheid, die misschien eens heeft geschapen, of bij het uitdoven van krachten in het Al in te grijpen en – zelf scheppend – sterren en planeten en levensvormen te gaan voortbrengen.
Deze scheppingsgang draagt tot aan het laatste moment van het scheppen altijd weer de mogelijkheid van het contact met de materie in zich. Het is juist daarom, dat volgens mij wel degelijk een parallel kan worden getrokken tussen materiële ontwikkeling en geestelijke bewustwording. Ook al zal de geest niet altijd aan dezelfde materie gebonden kunnen zijn, zij zal haarcontact met de materie steeds van node hebben. En ook al kan de materie soms onbezield zijn, er zal altijd een bezielende invloed nodig zijn om via verandering en ontwikkeling voor haar een uitdrukking van haar wezen mogelijk te maken.
Twee waarden in het Al vormen voor de geest gezamenlijk het leven.
Twee waarden in het Al brengen de totaliteit van alle emoties, die wij kennen.
Twee waarden in het Al die de materie en de geest brengen ons enerzijds tot het afstand doen van rechten op het Al: Anderzijds tot de erkenning van onze eigen verbondenheid met het Al.
In het begin verwachten wij een wederkerigheid. En als wij de eerste stoffelijke vormen en hun bezielers zien, dan blijkt er den verwachting te bestaan, dat dat leven bepaalde verdiensten en resultaten met zich zal brengen. Op den duur is echter deze behoefte niet meer aanwezig. Soms reeds bij de mens, meestal echter later ontdekt de geest, dat het niet belangrijk is, wat het Al voor jou is, maar dat het belangrijk is wat jij voor het Al bent. Dat het niet belangrijk is welke stoffelijke contacten, relaties en mogelijkheden er al of niet bestaan voor datgene, wat je bezielt, maar dat het belangrijk is, dat je zelf de contacten erkent en vanuit jezelf handhaaft zowel in liefde als in een begrip van rechtvaardigheid, zodat je waar bent en jezelf getrouw.
In al hetgeen u in deze cursus is geleerd en zal worden geleerd, zullen deze concepten – zij het op de achtergrond – een rol spelen. Want je kunt niet anders dan leven tussen materie en geest. Je kunt niet anders dan leven tussen confrontatie en ervaring en bewustwording. Dit zijn grenzen, die door het scheppingsvermogen zelf gesteld zijn. Je kunt wel degelijk echter – je hiervan bewustwordende – ook je eigen aandeel in het leven geestelijk en stoffelijk gaan baseren op jezelf; want wij kunnen God slechts waar maken, indien wij onszelf waar maken.
Wij kunnen het totale bewustzijn slechts dan verwerven, indien wij durven en kunnen uitgaan van onszelf. Wijzelf zijn voor onszelf de actieve factor van het streven. Wij voor onszelf en door onszelf, creërende daad van zelfverwezenlijking, waaruit bewustzijn voortvloeit.
Evolutie
De schijnbare groei, waarin vorm na vorm beter en juiste zou moeten zijn en toch illusie. Want de vorm verandert; maar is zij beter of is zij slechter dan zij is geweest? Zij is anders. Evolutie is verandering; niet verbetering of groei, zoals men verkeerd tracht te stellen.
Wijzelf evolueren niet, maar ons wezen en vooral ons begrip van eigen wezen verandert.
Onze evolutie is een uitbreiding van mogelijkheden en elke evolutie in de stof is dat evenzeer.
Wij kunnen gaan spreken over grote goddelijke krachten, die dit alles regeren, maar veranderen we daarmee het wezen der dingen?
Het is eenvoudig te zeggen dat er een God is Die alles regelt. Maar ontheft ons dit van onze aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden? Het feit, dat er een evolutie bestaat, zelfs indien dit verandering is en niet – zoals men denkt – verbetering, brengt ons in contact met een leven, dat onze zaak is.
Het hogere kan beperken, het kan lering geven, het kan ingrijpen. Leven moeten wij zelf. En zo wij willen evolueren, zullen wij steeds moeten veranderen. Niet als een kameleon, dat zijn vorm behoudt, maar zijn kleur verandert, doch als een wezen dat zijn eigenschappen verandert, dat door fusie en scheiding voortdurend weer zichzelf herontdekt en opnieuw leert begrijpen.
De volledigheid en totaliteit van ons bestaan kan worden uitgedrukt met het woord “evolutie”, inderdaad. Omdat wij, een steeds, grotere wereld omvattende, door juister te beseffen wat werkelijk waardevol is, wat werkelijk betekenisvol is, het onbelangrijke verliezen en zo een steeds groter deel van het leven steeds juister beseffen en uitdrukken en dat in een veelheid van vormen, daden en mogelijkheden.
Wat wij een evolutie noemen, is de waarmaking van een goddelijk plan, het besef van een onveranderlijke werkelijkheid en de terugkeer tot ons eigen wezen.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
