Historie van het leven – Les 09 – Realisatie

image_pdf

juni 1967

Realisatie

Bewustwording is een beperkte vrijwording van de groep. Dat hebben wij de vorige maal vastgesteld. Maar wanneer wij ons eenmaal gaan vrijmaken van de groep, dan zien wij een eigenaardig verschijnsels. Het leven, dat verschilt van de groep, is voor de groep niet aanvaardbaar. Er ontstaat dus altijd een tegenstelling tussen het milieu en het individu, dat hetzij door mutaties, hetzij door kleurverschillen, hetzij door een mentaliteitsverandering of een vergroot besef – buiten de groep komt te staan en door de groep wordt achtervolgt.

Dit is een zeer typerend verschijnsel, dat niet alleen beperkt is tot de mensenwereld. Want het verschil is altijd een bedreiging. De tendens van elke “gestalt” figuur (u weet van de vorige keer nog wel wat dat is) zal dus zijn een stabilisatie van het bestaande. Elke afwijking van vorm, van mentaliteit, van habitus (gedragspatroon) wordt aangevochten en dat heeft voor het leven wel degelijk zijn zin. Als er een groep ontstaat of een ras, een volle desnoods, een kleine gemeenschap, een stam, dan is zij voor haar bestaan afhankelijk van de handhaving van haar eigenschappen. Wanneer wij in zo’n groep leven en wij erkennen dus de exceptie (datgene wat anders wordt) als volwaardig, dan betekent dat tevens dat wij onze eigenschappen en wetten niet meer volledig kunnen handhaven. Het betekent, dat de samenhang van de groep zwakker wordt en dat daarmede haar bestaan in gevaar komt. Er is dus wel degelijk een reden om tot dit verzet te komen. Dat dit verzet oorspronkelijk instinctief is, och daarvan zul je als mens niet zoveel merken.

Wat zien wij nu in de mensenwereld?

De mens heeft de gewoonte zich – al is hij zich niet bewust van de ”gestalt” vorming en de onderworpenheid aan de groep – te baseren op een gemeenschap. In deze gemeenschap zoekt hij naar een persoonlijke mogelijkheid, een persoonlijke uiting; maar de groep is suprême. Hij zoekt in de groep de bevestiging van zichzelf. Zodra er nu iemand komt, die afwijkt van hetgeen de groep is, dan valt hij hem aan. Blijkt echter de ander de sterkere, dan zien wij een nog veel eigenaardiger verschijnsels We zien, dat diezelfde mens – of hij het weet of niet – diens beeld accepteert, overneemt, terwijl hij misschien de persoon van de heerser blijft verwerpen.

Daarvoor zijn verscheidene voorbeelden te vinden. Een van de meest recente kent u allemaal. Hitler-Duitsland was gebaseerd op een specifieke vorm van sociaal socialisme; dit wil zeggen een in de gemeenschap ingebouwd socialisme, dat een gelijktijdige, normalisatie van alle leden van de gemeenschap plus onderwerping van alle leden aan de gemeenschap beoogde. Nu hebben verschillende staten dat Duitsland met man en macht bestreden. Zij zijn erin geslaagd om het nazisme, zoals men dat noemde als het ware, uit te roeien, althans tijdelijk volledig te onderdrukken. Maar in Engeland zien wij na die oorlog een aantal sociale reformen opkomen, die – typerend – gebaseerd zijn op de arbeidsverhoudingen en vooral op de Gewerkschaftsaktivitäten, zoals de Duitser dat noemde, van de nazi’s. Wij zien dat bepaalde groeperingen, niet alleen in Engeland, maar ook in Italië, Noorwegen, Zweden, Denemarken en zelfs in Nederland overgaan tot het organiseren van reisjes, die een typisch “Kraft durch Freude” aspect hebben. Zij zijn mede wat propagandistisch getint. En ook Rusland speelt precies hetzelfde spel. Wat is er nl. gebeurd?

De wereld heeft in de grote bedreiging van het fascisme kracht erkend. Het fascisme kan het niet aanvaarden; dat is vijandig. Maar de reden van die kracht, zoals men die meent gevonden het hebben, is een wijziging, van sociale structuur en samenhangen en die begeert men voor zichzelf. Onbewust en misschien zonder het te beseffen zien wij bv. in de Ver. Staten een verandering in de sociale politiek, zoals Roosevelt die oorspronkelijk is begonnen. Wij zien een aantal varianten op bv. de New Deal ontstaan. Wij zien dat de sociale zorg langzaam maar zeker andere aspecten krijgt; en aangezien free enterprise Amerikaans is, moet dat worden ondergebracht in het denkbeeld van de vrije onderneming. Maar men grijpt ernaar. Men heeft zich nl. een bron van kracht gerealiseerd.

In alle leven zien wij precies hetzelfde. Men kan het zien bv. bij wolven of wilde paarden, al komen de laatste niet zoveel meer voor. Er wordt daar een strijd gestreden. Bij de wolven is het z.g. leidersduel bekend, evenals het hengstenduel bij een kudde paarden. Als er nu een hengst komt die afwijkt, dan moet hij zorgen dat hij wegkomt, want anders wordt hij doodgebeten, doodgeschopt, hij wordt vermoordt. Hetzelfde is het bij wolven. Een afwijkende vachttekening kan reeds voldoende zijn om het dier eenvoudig door de gemeenschap te doen vervolgen en eventueel te doden. Maar blijkt nu dat die hengst of die wolf intelligenter is dan de anderen – en dat komt nogal eens voor – dan keert hij na verloop van tijd terug en neemt zijn eigen roedel of kudde over. Vanaf dat ogenblik – en dat is nu typerend zien wij, dat het afwijkende gedragspatroon van de leider wordt overgenomen door de jonge wolven of de jonge hengsten. Op die manier zien wij in twee à drie generaties bij de dieren over een zeer groot areaal een verandering van gedragspatroon in een schijnbaar onafhankelijk kudde of jachtmeute.

Hier is dus ook alweer datzelfde aspect werkzaam. En dat kan alleen, indien er naast het instinctief aanhangen van de sterkste ook nog iets is als een realisatie. De mens is de enige, die de rationalisatie nodig heeft. Hij moet dus de redenen kennen voor zijn gedrag. Maar de diersoorten – en zelfs de in feite haast niet denkende plantensoorten – kennen een realisatie: Dit wil zeggen een erkenning van omstandigheden. En die erkenning van omstandigheden is reëler, naarmate zij minder gebonden is aan groepsconcepten. Ook weer typerend: Het groepsconcept werkt langzaam maar zeker “verdommend” (en dan bedoel ik dat niet als een vloekwoord of verdwazend, maar dat geeft eigenlijk niet zo juist weer wat ik ermee wil zeggen. Nu gaat het erom dat alle leven, dat een bepaalde fase bereikt, waarin de groepsvorming ontstaat, te maken heeft met de afwijking van de norm. Het erkennen van de afwijking van de norm op zichzelf houdt reeds een realisatie in. Maar het gaat verder. Er komt een milieu-realisatie; dit wil zeggen een erkenning, die niet alleen blijft staan bij de vaststelling van de feiten, maar die inwerkt op het eigen gedrag. Het gedrag wijzigt zich door de erkenning.

En daarmee komen wij bij een zeer belangrijk punt in onze historie van het leven. Want het is natuurlijk heel aardig om te spreken over de overeenkomsten met en de tegenstellingen tussen homo sapiens anno 2000 n. Chr. en bv. homo pekinensis, maar het zegt ons weinig. Als wij spreken over bewustwording, dan moeten wij dat eigenlijk met een paar regels afdoen. Maar als wij komen aan de realisatie, dan hebben wij te maken met een mechanisme, dat een voortdurende verandering afdwingt.

Normaal zien wij stabilisatie gevolgd worden door stagnatie (stilstand) en stilstand op zich is deterioratie, verval waaruit op de duur een ondergang, althans een vermindering van waarde ontstaat. Zolang er echter een realisatie is, die niet alleen binnen de groep is gericht, maar die ook de waarden buiten de groep ontdekt, zien, wij als resultaat ervan de fluctuatie.

Fluctuatie wil zeggen het afwisselend opkomen en ondergaan van bepaalde ondergeschikte tendensen, die binnen het groepspatroon aanvaardbaar blijven, maar daarin soms het gedrag overheersen en soms als het ware ondermijnen; dit wil zeggen de gedragsnorm losser vrijer maken. Wie zich de moeite getroost na te gaan hoe dit gebeurt – en dan moogt u kijken bij de dieren en ook bij de mensen – zal ontdekken, dat een leven volgens vaste regels als gevolg van een realisatie langzaam verandert in een verwerping van regels; een periode van experimentatie.

Uit het experiment, het onderzoek, de beproeving, waaraan de hele gemeenschap op de een of andere manier toch deel heeft, ontstaat dan weer een vernieuwde vormvastlegging, waarbij de gehele habitus (gewoonte), aangepast aan de woonomgeving, wordt bepaald door hetgeen zich heeft afgespeeld. De bewustwording houdt echter niet in, dat elk individu dat ook begrijpt. Het individu verandert haast ondanks zichzelf en is zich van die verandering maar zelden bewust. Pas als men zich vrijmaakt van de groep, ontstaat die bewustwording wel. Maar zo even heb ik al gezegd, dat bv. paarden en wolven (ik zou nog wel andere diersoorten kunnen noemen, die in groepsverband leven) hun “buitenbeentjes” weliswaar verliezen, maar dat zij die vaak later als leiders terugzien. Worden zij geen leiders, dan zijn zij vaak de vijanden. Wij krijgen dan te maken met bv, de solitaire olifant, die regelmatig een must krijgt (een vernietigingsdrang) en dan zijn soortgenoten aanvalt. De verworpeling wordt dus of leider dan wel hij wordt de agressor, waardoor hij ook weer de gewoonte, de mogelijkheden van de gemeenschap helpt bepalen. En daar hebben wij een zeer interessant punt.

Die steeds veranderende waarde maakt de gemeenschap op den duur steeds vrijer, ook als zij zich dat zelf niet realiseert. Uw eigen wereld bv. is in zeer vele opzichten, maar vooral wel ten aanzien van het gebruik van eigen verstand, veel vrijer dan – als wij in Nederland willen blijven – de gemeenschap van laten we zeggen Jacoba van Beieren of van Floris der Keerlen, God, e.d. De mentaliteit blijft natuurlijk wel bestaan, maar het vermogen tot zelfstandig denken (het vinden van je eigen beweegredenen, het omschrijven van je bedoelingen) is nu plotseling vrijer mogelijk. Men heeft dus niet meer de behoefte aan een vaste formulering. Men gaat steeds vrijer werken en denken. En nu ontstaat de situatie, waarin de groep of de “gestalt” kan worden vergeleken met een ei. In het ei ligt het embryo van het dier. In de groep ligt als het ware de pré natale structuur van de bewuste, mensheid. Zodra die maatschappij in zichzelf een voldoende ontwikkeling heeft ondergaan, zal de realisatie van de beperking, die zij oplegt, zo sterk worden, dat deze maatschappij van binnenuit wordt aangevallen en haar beperking verbroken. Zij valt dan uiteen en wordt waardeloos. Zij wordt historie; één van die vele dingen, die kinderen uit geschiedenisboeken moeten opdreunen, vooral als er mooie namen en veldslagen bij te pas komen.

Op het gevaar af dat men mij een zoeken naar populariteit verwijt, zou ik hier een actueel voorbeeld willen gebruiken. U bent allen bekend met de situatie, zoals deze zich in Noord-Afrika afspeelt. Maar realiseert u zich wel in hoeverre juist hier dit begrip voor de buitenwereld een rol heeft gespeeld in de problematiek, die in deze oorlogshandelingen moest resulteren?

Wij hebben daar twee groepen, die in feite altijd in zichzelf besloten waren. Aan de ene kant hebben wij het jodendom. (Ik zeg opzettelijk het jodendom, omdat dit de basis is van het moderne Israël.) Dit jodendom heeft zich altijd tot zichzelf gewend. Er was dus maar weinig neiging om naar buiten toe te gaan. En zelfs in de laatste tijd (en dan moeten wij denken vanaf 1800, want in de tijd van de Rothschilds was de getto-mentaliteit nog sterk) zien wij dat men enigszins contact gaat opnemen met die buitenwereld op den ander dan docerend, uitvoerend of ruilhandel beheersend terrein. Deze in zichzelf afgesloten gemeenschap kent grote spanningen vooral door haar verdeeldheid. Dat die resulteert in de tocht naar Palestina, het ideaal van een eigen land, is begrijpelijk.

Men realiseert zich, dat de kleine groepen niet meer voldoende houvast kunnen bieden. De beschermende schil, die het jood zijn stelde tegenover de gojim (dat is een scheldwoord) is nu langzaam maar zeker verbroken. Het sociale contact wordt sterker. De gemeente zou kunnen uiteenvallen, maar daarmee valt ook het exclusieve van de groep. En zo zien wij reeds lang voordat de nood aan de man gaat komen eigenlijk die terug-naar-Israël beweging, terug naar Palestina. Dat deze onder de omstandigheden een veel snellere ontwikkeling krijgt dan men anders verwachten zou, verandert de geaardheid nog niet. Het is een poging om weer een eigen gemeenschap te vormen; maar nu een ruimere gemeenschap. Een gemeenschap, waarin de gewoonten meer speelruimte laten, waarin de persoonlijke realisatie van feiten dus meer tot haar recht kan komen, zonder dat een directe tegenstelling met de groep ontstaat. Zo ontstaat Israël.

Maar aan de andere kant hebben wij te maken met de islam. Vooral in de Arabische wereld is de islam eigenlijk iets, dat je van anderen afzondert. Je bent een rechtgelovige en alles, wat er buiten staat, is een giaur (heiden). Ziet u de overeenkomst? Een jid en een reui,  of een mohammedaan en een giaur. Er is een grote overeenkomst. Deze islamitische maatschappij kent haar eigen grootheid in de tijd van de kalifaten en dat werkt dan een lange tijd door. Maar in feite groepeert men zich meer en meer rond een geestelijk leraarschap en dat blijft heersen tot ongeveer 1800. Dezelfde tijd overigens, waarin ook de groepsstructuur van het jodendom een verandering begint te ondergaan.

De islam wordt steeds meer in contact gebracht met de buitenwereld en het verliest langzaam maar zeker zijn saamhorigheidsgevoel. Dat is ook bij de joodse groepen enigszins het geval geweest. Maar die vonden een weerstand in de verwerping van hun jood zijn, terwijl juist de islamitische wereld door haar grote belangrijkheid voor de handel (denk eens aan de oliebronnen, katoen en tabak ook een tijdlang) dus wel wordt aanvaard. Men probeert nu de  eigen groep te beschermen door het in plaats van het stamverband of het beperkt nationaal verband een Pan-islamitische verband te geven.

Alweer het zoeken naar de grotere gemeenschap, waarin al die varianten, die in de islam gaan optreden, nu toch nog kunnen samengaan. De perceptie van de wereld daarbuiten, de realisatie dat het leven nog meer inhoudt dan de islam alleen, moet binnen de islamitische wereld worden uitgedrukt. En zo ontstaat een in feite vergrote vijandigheid ten opzichte van de gehele wereld. Alleen de islamiet is goed. En dan komt daar een precies gelijk georiënteerde groep met andere capaciteiten, dat geef ik graag toe, met een andere voorgeschiedenis, maar als groep bezien een volkomen gelijke, midden in het Arabische gebied.

Probeer u te realiseren wat hier gebeurt. Dit is een voortdurende botsing van zekerheden. In Israël kan men de islam wel enigszins aanvaarden, maar het is toch buiten “onze” groep. Je kunt er eigenlijk niet mee praten. Voor de islamiet is het omgekeerd precies hetzelfde. En zo ontstaat dan die kortsluiting, die spanningen. En dan verbaast men zich misschien in vele andere landen waar men deze pressies niet zo kent, waar weer andere taboes onder spanning staan er over, dat hier een strijd noodzakelijk is. Men zegt zelfs zonder dat zou het niet gegaan zijn. Zeker, de oplossing van het probleem is niet zo moeilijk als het wel lijkt, indien wij uitgaan alleen van de feiten. Maar als wij rekening houden met de groepsmentaliteit, met de “gestalt” Israël en met de “gestalt” Arabië (of zo u wilt islam), dan wordt het wat anders.

Hier komen instincten in het geding, die niet onderdrukt kinnen worden; die weggepraat kunnen worden, maar die toch blijven bestaan. Hier komen weerstanden naar voren, waar eigenlijk geen redelijke verklaring voor te geven is. Het is niet alleen maar een botsing van belangen; het is een botsing van geesten. Het is niet alleen maar de botsing van verschillende gewoonten en geloven; het is de angst voor de eigen groep. De angst voor de aantasting van eigen voortbestaan en zekerheid.

U zult begrijpen, dat wij dit alles niet kunnen beschouwen als een verontschuldiging voor onrecht – of dit nu te ener of te andere zijde wordt gepleegd. Maar het helpt je te begrijpen wat er aan de gang is. Vergeet niet, dat dergelijke groepsconflicten steeds weer voorkomen. Dat zij niet beperkt blijven tot die geschiedenis daar in Noord-Afrika. Dat komt ook in uw eigen maatschappij voor.

In Nederland bestaat het ook, alleen is het hier een strijd tussen inzichten van generaties geworden. Die strijd wordt dan een beetje anders uitgevochten, hij wordt niet zo volledig beseft misschien, maar hij is er net zo goed. De ouderen: Angst voor eigen bestaan. Er bestaat zekerheid, maatschappelijke zekerheid. De jongeren: Angst voor eigen persoonlijkheid door de ontzegging van hun eigen vorm van zijn. Zij botsen tegen elkaar en ook dat wordt een worsteling, alleen geen gewelddadige, althans niet zo gewelddadig. We zouden kunnen zeggen dat is hoogstens wederzijds een lichte politionele actie zo nu en dan.

Overal op de wereld zien wij groepen, die eigenlijk uit het ei van hun geborgenheid moeten breken. Want men weet, dat het niet goed is te spreken over goed en kwaad in de meer algemeen gangbare zin van het woord. Dat je niet kunt zeggen: Alle Russen zijn slecht en alle Amerikanen zijn goed of omgekeerd. Men weet het, maar men kan het nog niet verwerken. En dan gaan die pressies aan de gang. De pressie, die bij diersoorten voert tot een sterke gewoonteverandering in een enkele generatie. Het is bv. heel typerend, dat zodra de chemische rattenbestrijding in Nederland begon, de ratten hun gedragspatroon aanmerkelijk gingen wijzigen. En dat gold in het begin vooral voor de z.g. stads- en rioolratten, maar blijkt zich nu ook te hebben uitgebreid tot de waterratten, de grijze zowel als de bruine rat. Zij gaan veranderen. Hun reactie wordt anders, hun beweging, hun vorming van kolonies, van groepering wordt anders. Want zij moeten zich aanpassen; zij kunnen niet anders door de omstandigheden van buitenaf.

In de wereld weet mens wij moeten nu kiezen voor één mensheid of géén mensheid. Wij kunnen niet meer kiezen: Naties tegenover mensheid. Dat gaat niet meer. Men weet het, maar men is bang om de eigen groep te verlaten. En zo zien wij, dat het nationalisme in feite feller opkomt, naarmate het besef groter wordt. Dit is natuurlijk alleen maar een voorbeeld. Wij kunnen echter daaruit een conclusie trekken: De erkenning van de werkelijkheid buiten je eigen groep voert tot een vergrote spanning in de eigen groep plus een heftiger bevestiging van de eigen groep. Indien de erkenning echter ver genoeg is gevorderd, zal zij de vorm van de oude groep totaal breken en zal er een totaal nieuwe groepsvorming uit voortkomen. Wij hebben dat altijd weer gezien. Daarbij kunnen wij dan verder opmerken: Naarmate de groep meer haar eigen begrenzingen doorbreekt onder pressie van binnen, zal de nieuw gevormde groep in zich een groter aantal variaties van bestaan en habitus zonder verzet kunnen aanvaarden. In Orde termen zou je kunnen zeggen: De verdraagzaamheid komt voort uit het revolutionaire conflict, waarmee eigen  beperktheid voortdurend wordt doorbroken.

Geestelijke waarden

Naarmate een levensvorm hoger georganiseerd is en gelijktijdig in een meer georganiseerde groep leeft, zal hij een sterker uitgedrukte “gestalt” ontvangen, waardoor – zij het op een bovenbewust vlak – een sterkere, maar voor velen steeds meer bewust plaatsvindende uitwisseling van ideeën zich zal voltrekken. Met andere woorden: Naarmate een groep intenser georganiseerd is, zullen de denkbeelden, die bij één lid van de groep ontstaan, een grotere invloed op de andere hebben.

In het begin besef je dit niet, maar naarmate je je sterker bewust wordt van deze wisselwerking tussen je eigen bewustzijn en dat van de groep waartoe je behoort, zul je je ook gaan afvragen, waarmee dit eigenlijk plaatsvindt. Aanvankelijk veronderstel je waarschijnlijk, dat het een kracht van buiten is, maar dat blijkt niet vol te houden zijn. En dan komen wij in de richting vaan de Griekse filosofen, die nog niet spreken van hun eigen geest, maar zij gebruiken de “daemon in mij”, wat eigenlijk zo iets betekent als “het lichtende wezen in mij”. Dat wordt echter nog niet gedefinieerd als een noodzakelijk deel van het “ik”. Van daaruit groeit het bewustzijn in de mens dus langzaam naar de ziel. Maar de ziel blijkt niet te voldoen. Zij moet meer gedefinieerd worden. Er ontstaat daarnaast weer een begrip als geest en naast dat begrip geest nog weer het meer mentale, begrip psyche. In de psyche krijgen we weer onderverdelingen. Er ontstaat dus langzaam maar zeker een erkenning van de verschillende niveaus van bestaan in één persoonlijkheid plus de wisselwerking, welke op die verschillende vlakken tussen individuen van hetzelfde ras of dezelfde groep kunnen plaatsvinden. En daarmee zijn wij gekomen aaneen punt, waar de geestelijke erkenning en de geestelijke bewustwording een rol gaan spelen.

De godsdienst is hier over het algemeen, omdat hij een typerende groepsfactor is, remmend. Hij probeert het begrip omtrent eigen innerlijk en de relaties met anderen te stabiliseren. Maar dat kan niet, want in elke godsdienst zien wij voortdurend reformaties doorbreken; een voortdurende vernieuwing. Geestelijke waarde en geestelijke erkenning zijn echter – en dat is juist voor het menselijk gedrag van belang – geen zaken, die je tot jezelf kunt beperken. Als ik voor mij een geest poneer, dan moet ik deze in wezen voor alles poneren. Als ik in mij een bezieling erken, dan moet ik diezelfde bezieling en kracht in alle andere dingen aannemen.

Een mens, die met een dier in contact komt, beoordeelt dit dier dan ook niet als een totaal ander wezen. Juist op dat niveau van het onkenbare van de geest is er geen voldoende mogelijkheid tot vaststelling en differentiatie. Hij moet dus wel aannemen, dat die geest ook in het dier bestaat en dat dat dier op geestelijke waarden ongeveer net zo zal reageren als hijzelf. Hij komt op den duur dan zelfs zover, dat hij aan vele dieren, waarmee hij te maken heeft, in feite een bestaan toeschrijft, dat bijna identiek is met het zijne, met een denken en reageren in menselijke vormen. Hij beschouwt het dierlijk gedrag niet meer als een uit de rasgroep voortkomende eigenschap. Neen, hij beschouwt het als een gedragsnorm, die menselijk kan worden beoordeeld en die vergelijkbaar is. Als een mens altijd: “Pees, poes” roept, als hij de poes een visje aanbiedt, dan komt de poes op den duur op deze roep aangelopen en de mens zegt: “Kijk, het dier luistert naar mij.” Hij is gek. Het dier denkt: Er is de een of andere vis, die zijn aanwezigheid kenbaar maakt.

Maar de mens kan niet anders. Hij kan het leven alleen begrijpen, indien hij zijn eigen geestelijke achtergronden daarin projecteert. Met deze projectie is dan ook verklaard hoe soorten en ook rassen altijd weer geneigd zijn om een ander wezen te beoordelen naar hun eigen norm.

Taalverschillen zijn – dat heeft u in een vorige les gezien – vaak erg frustrerend. Maar het ergste is wel een taal, die schijnbaar gelijk is en die in feite geheel andere associaties en betekenissen heeft. Als u wilt spreken over de toren van Babylon dan moet u niet denken aan mensen, die plotseling allemaal andere talen gaan spreken. Dan moet u denken aan bv. het moderne ideologische jargon, waarin allen het begrip democratie tenminste 40 verschillende betekenissen kan hebben en waar het gebruik van het woord democratie door een ieder wordt beschouwd als de uitdrukking van de specifieke omschrijving, die hij daarvoor de juiste acht. Hier is dus een overhevelen van jezelf in het andere aan de gang. Maar dat betekent ook, dat de relatie met het andere intenser wordt: Juist groepen, waarin de verschillen zo groot zijn, dat geen direct en feitelijk contact mogelijk is, benaderen elkaar door deze wederkerige interpretatie zo sterk, dat zij ertoe komen de anderen, die tot een totaal verschillende groep of ras behoren, te accepteren als deel van zichzelf. Een eigenaardig verschijnsel, dat wordt bevestigd door sommige fakirs. Er zijn fakirs, die speciaal tijger bezweerders zijn. Het eigenaardige is, dat zij met de tijgers omgaan als hun gelijke en door de tijgers ook kennelijk worden beschouwd als tijger, al zien zij er heel anders uit. Wij zien dit bij de beste slangenbezweerders, die de slang niet alleen met een zekere menselijke hoffelijkheid bejegenen, maar die in staat zijn als het ware te reageren als een slang en de onzekerheden, maar ook de speelsheid, de gevoelens van welbehagen en onbehagen van de slang te delen. Het is misschien wel typerend, dat men zelfs in uw maatschappij zegt: Een oppasser in een dierentuin, die lang genoeg bij de apen zit, lijkt zelf op een aap; bij de walrussen, zelf een walrus. Hij gaat lijken op de dieren, waarmee hij omgaat. Dat is misschien wat overdreven, maar iets zit erin. Als ik voortdurend iets, wat helemaal buiten mijn groep en buiten mijn gewoonten leeft, ga aanvaarden, dan ga ik naast mijn eigen normen de normen van die ander voor mij als geldend beschouwen: Een geestelijke ontwikkeling houdt dan ook in, dat je steeds meer verschillende ramen van referentie krijgt, die niet alleen beperkt blijven tot stoffelijke gewoonte, handeling, gedrag, uiting, maar die vooral in denken, in beoordeling en daarnaast ook in contact met de sferen een zeer grote invloed hebben. De verzorger van het apenhuis in een dierentuin gaat op den duur zijn apen beschouwen als een soort mens. Hij zegt het zo niet en hij meent zelfs, dat hij er heel anders en veel realistischer tegenover staat dan de bezoeker, maar hij gaat iets van de aap begrijpen. Hij kan zich niet voorstellen, dat hij daardoor wederkerig kan worden beïnvloed. Hij past zich dus aan in de groep van de apen. Hij komt in de communiteit van de apen terecht en maakt dan deel uit van wat men de groepsgeest of “gestalt” van de apengroepen zou kunnen noemen. Hij put daaruit, hij reageert erop en brengt ook vanuit zich bepaalde waarden in de groep binnen. Als u dit nu beschouwt als de basis, dan kunnen wij er een paar regels bij halen, die misschien ook praktisch wel betekenis hebben.

  1. Naarmate ik meer contact heb met iets, wat buiten mijn groep ligt en waarvan de waarderingen en de “gestalt” vorming van mijn eigen groep zover verschillen, dat voor mij schijnbaar geen vergelijkingsmogelijkheid aanwezig is, kan ik in twee groepen gelijktijdig leven. Ik maak mij in zekere zin niet alleen onafhankelijk van beide groepen, maar ik ga ook uit beide groepen gelijktijdig putten. Hierdoor zal ik in mijn reactie op de buitenwereld kunnen beschikken over zowel de beste als de slechtste eigenschappen van beide groepen. Is er in mij een ressentiment tegen mijn eigen groep of is de aanvaarding door mijn eigen groep niet volledig genoeg, dan zal ik het totaal van de kwade mogelijkheden uit beide “gestalt” vormen en eventuele groepsgeesten voor mijzelf kunnen opeisen en tegen de gemeenschap kunnen gebruiken, Maar kan ik mij met de groep verzoenen – ook indien ik daarvan misschien niet volledig deel uitmaak – dan zal ik, puttende uit twee of meer groepen (en dat is zelfs uit meer groepen mogelijk), in staat zijn om aan de groep, waarin ik werkzaam ben, een voortdurende toevoer van waarden te geven, die in feite een vernieuwing ten gevolge heeft. De vernieuwing vindt dan niet alleen plaats op stoffelijk, maar ook op geestelijke terrein.
  1. De “gestalt” van de groep, haar gemiddeld werkingsbereik en haar trillingsvermogen zijn bepalend voor haar reacties op kosmische invloeden en invloeden van hoog-geestelijke-aard. Wanneer een groep haar bewustzijn uitbreidt door deel te hebben aan meer groepsmogelijkheden, zo zal zij haar keuzemogelijkheid bij elke kosmische en hoog-geestelijke beïnvloeding vergroten. Het behoren tot steeds meer afzonderlijke groeperingen is reeds een bewustwording en een vrijwording.
  1. Hier zou ik nog willen stellen: Daar de habitus op zichzelf remmend werkt op de ontwikkeling van de groep als geheel en op de ontwikkeling van het individu als persoonlijkheid, moet worden gesteld, dat een doorbreking van de habitus door delen van een groep, door de groep zelf of zelfs door contacten met andere groepen van zeer groot belang kan zijn voor de verdere ontwikkeling. Want wanneer die verdere ontwikkeling plaatsvindt en er ontstaat een steeds grotere keuzemogelijkheid van reactie onder invloed van kosmische werking, dan kan men steeds meer zijn eigen streven en wezen tot uitdrukking brengen en daarbij zich ten aanzien van de kosmische waarden zowel als van de groepswaarden steeds onafhankelijker bewegen.

De geestelijke ontwikkeling is een proces van vrijwording, evenals de bewustwording. De geestelijke ontwikkeling kan echter plaatsvinden, zonder dat het individu zich dit geheel realiseert, terwijl de realisatie bij het bewustwordingsproces op de voorgrond staat.

Ik hoop u met deze lessen te hebben aangetoond, dat de voortdurende strijd, de voortdurende verandering in de wereld, het vele dat u in eigen groep of in de wereld vaak onbegrijpelijk of afkeurenswaard vindt hun zin, hun betekenis hebben. Zij zijn deel van een communaal groeiproces, insluitende voor elke groepering, die – zichzelf verliezende – een steeds grotere eenheid met de mensheid, waarvan zij de taal geestelijk en stoffelijk kan spreken, ten gevolge heeft. Begrip voor de medemens, ook als hij tot de andere groep behoort, heeft een sterk stimulerende werking. Contact met de andere groep heeft alleen dan een stimulerende werking, indien men bereid is alles te doen om in die andere groep als gelijke op te treden en te ageren, dan wel de waarden van die andere groep zodanig te aanvaarden, dat elke persoonlijke uiting en gezagsuiting in de andere groep nog aanvaardbaar blijft.

En daarmede zijn, wij bijna aan het einde gekomen van de reeks lessen over de geschiedenis van het leven. De volgende maal zal ik u nog het een en ander moeten vertellen over het leven in zijn totaliteit, zoals dit geestelijk en kosmisch bestaat. Nu echter wil ik mijn lering voor heden besluiten en u erop wijzen, dat al hetgeen u is gezegd in deze cursus voor u alleen belangrijk is, indien het u ertoe brengt uw medeschepselen bewuster te beschouwen en ook wat beter te begrijpen.

Totem – taboe 

In de maatschappij heeft men altijd weer te maken met bepaalde aspecten van het leven en ook van bepaalde plaatsen, die verboden zijn, die in feite taboe zijn. Men heeft aan de anderen kant te maken met symbolen, die de uitdrukking moeten vormen van al wat die maatschappij of die groep is en dat is dan een totem.

Deze uitdrukkingen worden weliswaar in meer beperkte zin gebruikt door de primitieven, maar zij bestaan vandaag de dag precies zo. Alleen zijn de symbolen anders geworden. In plaats van de totempaal wappert er de een of andere trotse nationale vlag. En in plaats van het taboe staat er een bordje “Verboden Toegang krachtens art. ¢61.” Maar in feite komt het op hetzelfde neer, want het taboe is voortgekomen uit het denken, dat bepaalde dingen behoren aan bv. goden of geesten. De heiliging ervan. Tegenwoordig heiligt men het bezit: Het “verboden toegang” is de heiliging van het bezitsrecht, zoals het taboe eens de heiliging was van de eigen plaatsen van goden en eventuele demonen.

In de gebruiken van de maatschappij zijn er bepaalde dingen, die je niet doet, tenzij je nog onvolwassen bent, zoals drie letter woorden gebruiken en dat is dan taboe. Zoals het eens taboe was om bepaalde vleessoorten te eten. En zoals het ook verboden was om op de een of andere manier te eten, te wassen, te lopen. Al die dingen hebben een overeenstemming en die speelt in de ontwikkeling van de mensheid een grote rol.

Mensen willen altijd voor zichzelf een zekerheid scheppen en die zekerheid kunnen zij alleen scheppen, indien zij zich enerzijds beroepen op krachten uit de geest, ook een totem, dan wel op voorvaderen, op de geschiedenis.

Als men roept, dat de glorie van Frankrijk uit het verleden in deze dagen moet herleven, dan is dat een zuivere vorm van politiek totemisme. U zoudt dus De Gaulle als een totempaalzitter kunnen beschouwen. Als wij aan de andere kant zien, dat men zegt dat sommige dingen niet netjes zijn, niet behoren of dat men daarover niet mag spreken, dan hebben wij te maken met het taboe. Men probeert zich te beveiligen door bepaalde dingen als het ware uit het leven te sluiten.

In het begin was het taboe de ontmoeting met de natuurkrachten. Een vulkaan bv. was in vele gevallen taboe, zoals ook sommige bergen. Bepaalde bomen in wouden konden taboe zijn; niet om het leven dat erin schuilde, maar om de geesten die men erin vermoedde, om het geheim dat erin school. Langzaam maar zeker heeft de mens meer en meer van de geheimen in de natuur ontdekt en heeft hij begrepen, dat er eigenlijk geen taboes bestaan in dit opzicht. Maar aan de andere kant begon hij in plaats van de goden en de natuur de mens te vrezen. En zo heeft hij tegenover de mensen zijn taboes opgericht. Want hij wil graag veilig blijven. Hij wil een zekere verdienste, een zekere veiligheid hebben. En zo kun je zeggen, dat vele zedelijkheidsapostelen in feite alleen “taboe” roepen, omdat zij bang zijn voor zichzelf en voor hetgeen hun naaste (waarschijnlijk te hunne aanzien) zouden kunnen doen.

Wat te zeggen van de geestelijke achtergrond van deze uitzonderingspositie, van deze poging om een beroep te doen op iets anders? In de eerste plaats is het belangrijk, dat wij zelfvertrouwen hebben. Dat zelfvertrouwen kunnen wij alleen krijgen, indien wij het gevoel hebben, dat wij een speciale verbondenheid hebben met iets anders of het nu is met de groep, met de staat of met iets hogers. De mens zoekt de aanvulling voor zijn onvolkomenheid.

De indiaan, die de bossen ingaat om daar half verhongerend te zoeken naar een openbaring van zijn speciale manitoe, die hem zijn totem laat zien (het Biersymbool, waaronder hij ressorteert en waaraan taboes verbonden zijn, hij mag niet eten van zijn totemdier), is eigenlijk niet zoveel anders dan de moderne mens, die via filosofieën en overpeinzingen tracht te komen tot een begrip, dat voor hem geheiligd is; datgene dat voor hem onaantastbaar blijft.

Die onaantastbaarheid heb je nodig, omdat je daaraan je zelfvertrouwen en je waardigheid ontleent. Het totem is dus kennelijk een aanvulling van je persoonlijkheid. En het taboe? Ook dat is begrijpelijk. Als wij onzeker zijn op een bepaald terrein, als wij niet weten wat wij ermee aan moeten, als wij de situatie niet kennen of niet durven uitdrukken, als wij vermoeden dat er dingen zijn, die zouden kunnen optreden en die wij niet aankunnen, dan zijn wij geneigd “taboe” te zeggen: Verboden. Want eens was men bang voor de onbekende krachten der natuur. Eens was het taboe het vermijden van het conflict met goden of demonen en geesten van de overledenen. Tegenwoordig is het taboe niets anders dan een poging om zichzelf veilig te stellen en zo wederom eigen zelfvertrouwen te vergroten.

Ik mag hieraan misschien een kleine filosofie verbinden. Als een mens wonderen wil gaan doen, als hij iets wil bereiken, als hij zijn vitaliteit wil vergroten, als hij krachten wil bezitten tegenover anderen, dan kan hij dit nooit, indien hij bang is, indien hij om de een of andere reden aan zichzelf twijfelt en niets heeft om er een beroep op te doen. Daarom zal die mens dus iets moeten zien als de bron of de basis van zijn bereiking. Hij kan beide uitgangspunten gebruiken: De basis bouw je zelf, de bron is er. Hij zal daarbij in feite een zeker totemisme gebruiken. Hij neemt aan, dat deze dingen er zijn en hij handelt, alsof ze voortdurend aanwezig zouden zijn. Hij is ervan overtuigd, dat niets kan mislukken, zolang hij blijft binnen de beperkingen, die het behoren tot dit totem, tot deze verbondenheid met het eeuwige, maar wordt aangehouden. Hij weet, dat bepaalde dingen voor hen onbenaderbaar zijn. Indien hij een taboe zou overtreden (dus indien hij tegen de wet zou ingaan) zou hij zijn zelfvertrouwen kwijt zijn en daarmee ook zijn begaafdheid. In alle geestelijke leringen komen wij op een bepaald moment te staan voor dit zoeken naar zelfvertrouwen. Dit zoeken naar zelfvertrouwen gaat soms via de weg van beproevingen en inwijdingen. In andere gevallen door oefeningen en ook wel eens door suggestie en zelfs hypnose. Maar wij moeten zelfvertrouwen hebben en dit kan niet anders dan beperkt zijn. Een mens kan zichzelf niet zien als een God, want hij weet dat hij het niet is. Op een bepaald terrein kan hij zich wel volledig competent en waardig en waardevol achten. Op dat terrein alleen heeft hij zijn bereikingsmogelijkheid.

Als ik dit zo zeg, is het misschien niet vreemd meer dat een indiaan, die een totem had, inderdaad in de strijd meer waard was, dat hij sociaal meer kon presteren; dat hij meer betekenis had voor de stam dan iemand, die dat nog niet had. Want deze man had een nieuw zelfvertrouwen gevonden. Hij had een achtergrond in zijn leven. Hij had een verbondenheid, hetzij met de vos, de duivel, de schildpad of de adelaar, waardoor zijn gedragspatroon in die gemeenschap was bepaald. Hij wist op welk terrein hij iets kon bereiken en met dit terrein, waarop hij kon bereiken, kon hij inderdaad door dit zelfvertrouwen veel meer doen dan een ander.

Hetzelfde is het met al die taboes, die wij misschien belachelijk vinden. Maar iemand, die in een situatie leeft, waarin hij geen raad meer weet, verliest al zijn capaciteiten. Als hij de beste speurder van de hele wereld is en hij komt in een woud, waarin hij meent omringd te zijn door demonen, dan werkt zijn speurzin niet meer. Dan is hij zijn richtingsgevoel kwijt, dan kan hij niet meer. Daarom is het voor een mens belangrijk, dat hij in zijn leven een totem kiest en die daarbij zo belangrijk mogelijk maakt.

Het geeft niet, waarop u zich in het leven baseert, maar het moet een aanvulling zijn van uw persoonlijkheid, het moet uw zelfvertrouwen vergroten, het moet uw denkbeeld van bijna onfeilbaar zijn (maar dan op een bepaald terrein) met zich brengen. U moet het gevoel hebben, dat u de meerdere bent van anderen op dat terrein. En indien u daar werkelijk in gelooft, dan beweegt u zich anders, dan loopt u al anders, dan drukt u deze overtuiging uit tegenover anderen en u maakt haar daardoor al waar. En zo moet u ook erkennen, dat er bepaalde dingen zijn, waarmee u niet kunt werken. Misschien zijn het jeugdervaringen, een of ander klein psychisch trauma, dat hier of daar is ontstaan, maar er zijn nu eenmaal dingen,

waar je niet tegen kunt. Het kan een muis zijn, een rat of een spin, het kan een bepaalde sociale situatie zijn, een bepaalde manier van contact hebben met je medemensen. Als je dat weet, als je weet: In deze dingen ben ik niet zeker, daar voel ik mij niet thuis, dan moet je daar ook afstand van doen. Dan moet je zeggen: Dit is voor mij taboe. En dan bereik je precies hetzelfde als de primitieve mensen, die juist door het scheppen van taboes voor zich een terrein wisten af te palen, waarin zij hun zekerheid konden bewaren en hun volledige waarde tot uitdrukking brengen.

U ziet het, je kunt teruggrijpen naar de oudheid, je kunt vooruit lopen naar de toekomst, maar altijd weer in de geschiedenis van een leven zie je dezelfde elementen. Je kunt het vandaag rationeler zeggen dan in het verleden. Natuurlijk, de mensheid is althans wat haar denkvermogen betreft enigszins geëvolueerd; zij is wat verder gekomen. Maar de betekenis blijft hetzelfde. Want de geestelijke waarden, die in het menselijk leven en in de totaliteit van al het leven een rol spelen, blijven dezelfde. En de eigenschappen, die bij dit leven behoren, zodra het zich van zichzelf voldoende bewust is, zijn in wezen dezelfde, ook al zijn de ontwikkelingsmogelijkheden oneindig en kunnen wij een zeer groot aantal verschillen constateren.

De basis is geestelijk hetzelfde. En omdat wij van die geestelijke basis uitgaan, kunnen wij zowel in onszelf als in het verleden en de toekomst, in de wereld van de planten en dieren zowel als in onze eigen wereld – of dit nu die van de stof of van de geest is – voortdurend weer erkennen: Wij hebben ergens behoefte aan onze uitdrukking van verbondenheid met voorgeslacht of godheid. Wij hebben ergens voor onszelf nodig een terrein, dat wij niet betreden, Maar als wij die dingen hebben en wij weten het definitief, dan kunnen wij ook dat zelfvertrouwen krijgen, waardoor wij presteren wat nodig is. Prestatie is voor een groot gedeelte het resultaat van zekerheid.

Onze vriend Franciscus zou ongetwijfeld hebben gezegd: Wanneer een wolf aarzelt in de aanval, dan toont hij zwakte en door die zwakte zal hij zeer snel het slachtoffer worden van zijn eigen roedel genoten. En hij heeft volkomen gelijk.

Dat geldt bij de mens ook. Zolang u zeker bent van uzelf, bent u volwaardig. Zodra u onzeker bent, panisch gaat denken, niet meer weet waar u naartoe moet, bent u slachtoffer. En dan zullen uw medemensen niet aarzelen om ook u (misschien meer moreel, of geestelijk of sociaal dan zuiver lichamelijk) te verscheuren. Houd er rekening mee.

En onze vriend Franciscus zou ongetwijfeld ook hebben gezegd: De hengst, die in zijn kudde de tegenstander verslaat, is van zijn eigen onoverwinnelijkheid overtuigt. De trotse manier, waarop hij zich beweegt alleen, is vaak voldoende om een tegenstander te doen weggaan. En indien die tegenstander de aanval dan toch waagt te beginnen, om de uitdaging aan te nemen, dan ziet hij in de trotse zekerheid van de vader der kudde een bedreiging en daardoor alleen al zal hij vaak een nederlaag lijden, die gezien zijn lichamelijke capaciteiten niet nodig zou zijn geweest.

Pas dit voor uzelf toe in uw eigen leven. Probeer er praktische conclusies aan te verbinden en praktische consequenties uit te trekken. U weet wat u wilt. U weet wat u kunt, goed. Handel dan met de volledige overtuiging daarvan. Heeft u dingen waar u niet tegen kunt, waar u bang voor bent, vermijd ze. Opdat uw zekerheid niet worde aangetast. Doe dit geestelijk zowel als meer materieel. Dan alleen zult u de volle waarde van uw eigen persoonlijkheid in het leven tot uiting kunnen brengen.

Angst en vrede

Je bent bevreesd, je bent verstoord, want machten staan tegenover je, die je niet kunt erkennen en die je toch niet durft bestrijden. Je voelt onzekerheid en dan kan er geen vrede meer bestaan. Vrede is de verzekerdheid van je eigen waarde, de onaantastbaarheid, die in jezelf bestaat en die door de buitenwereld niet kan worden beïnvloed.

Vrede zoekt men op aarde. Maar hoe kun je vrede op aarde vinden, als de angst je regeert, als je bang bent voor je medemensen, als je bang bent je positie te verliezen of als je misschien bang bent, dat de waarheid omtrent je persoonlijkheid kenbaar wordt. Angst is altijd de vijand van alle rust, van alle vrede, van alle evenwichtigheid. Wie vrede wil kennen, die zoeke in zichzelf.

De mens, die innerlijk erkent, dat hij zijn waarde bezit alleen doordat hij leeft reeds, de mens, die inziet dat de tijdelijke bereiking niet zo belangrijk is en dat het eerder belangrijk is trouw te zijn aan jezelf, die zal geen angst kennen voor de wereld rond hem; want of hij leeft of sterft, dat maakt niet zoveel verschil. Hij is. Hij zal niet bang zijn voor de mening van zijn medemensen, want wat de medemens: Ook van hem denkt of zegt, hij blijft toch immers zichzelf. Daaraan wordt niets veranderd. Hij kent geen angst en daarom kent hij vrede.

Zo is vrede het erfdeel van de wijze. De wijzen kennen vrede, omdat ij weten dat het feit, dat je bestaat, dat je bent de zin van het bestaan is. Dat het ook de waarde van je persoonlijkheid bepaalt. De wijze erkent, dat niets en niemand dit werkelijke “ik”, dit onaantastbare kan wijzigen, in waarde kan vermeerderen of verminderen. Daarom vreest hij niets. Hij kent geen angst. En omdat hij geen angst kent, kent hij vrede. En de vrede, die hij in zichzelf draagt, maakt hij ook vaak waar voor anderen. Want wie hem ontmoet, ziet dat geen eis wordt gesteld; ziet dat niet wordt aanvaard of verworpen, verheerlijkt of veroordeeld. Hij ziet dat de wijze in de ander het bestaan erkent. En dan deelt men elkanders vrede, omdat men IS.

Maar wie het zijn wil verbinden aan voorwaarden en erkenningen, hij zal vrezen en uit zijn vrezen komt de steeds beklemmender angst, die hem dwingt de vrede, de schijn van vrede zelfs die hij bezit, te verstoren, Hij zal als een verscheurend dier aanvallen en naarmate hij meer aanvalt meer angst kennen. Hij zal stijgen in de wereld en naarmate hij hoger stijgt meer vrezen te vallen.

Wees jezelf. Vrees niet jezelf te zijn. Wees jezelf waardig en erken, dat je bestaan op zichzelf niet afhankelijk is van stoffelijkheid of andere dingen. Je bent. Je bent een moment van tijd. Je bent onvergankelijk. Niets is belangrijker buiten dit. Besef dit, beleef dit en zie al het andere als bijkomstig en onbelangrijk en je zult de vrede kennen, die zovele mensen nastreven en zo weinigen vinden.

Zo weinigen vinden vrede, omdat zij in hun geroep naar vrede vrezen. Vrezen voor wat de schijn van onvrede bij anderen tot stand zal brengen. En dat is niet de weg tot ware vrede.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf