Incarnatiestructuren

uit de cursus ‘Menselijke krachten’ (hoofdstuk 4) – januari 1979

Een mens heeft de beschikking over twee verschillende structuren in de tijd. De eerste is de genetische structuur, de tweede is de geestelijke structuur.

De genetische structuur.

In de verschillende genen zit informatie opgeslagen die niet alleen betrekking heeft op de bouw van het lichaam, maar die ook verband houdt met de erfelijke kwaliteiten en de wijze waarop die eens beleefd zijn. Om kort te zijn: een menselijk lichaam kan een structuur bezitten waarin het sterkste gen een aantal herinneringsinformaties afgeeft. Deze herinneringsinformaties komen gelijk aan een incarnatieherinnering, maar hebben geen betrekking op het “ik”, doch slechts op de stoffelijke gang van zaken. Er bestaat zelfs een mogelijkheid (in dat geval moeten wij ten minste een aantal gebalanceerde genen hebben) waarin de mannelijke en de vrouwelijke factoren, waarin de z.g. gemengde herinneringen ontstaan, even sterk zijn. Hierin worden informaties uit twee verschillende levens samengevoegd tot een belevingsverhaal.

Is men hiermede bezig, dan blijkt in vele gevallen dat een deel van de informatie schijnbaar onjuist is. Schijnbaar, want het heeft vaak betrek­king op twee verschillende taalgebieden, twee verschillende steden of stre­ken, twee verschillende mensen en vaak ook op twee verschillende geslachten.

Het is duidelijk dat hierdoor deze herinneringen nu niet bepaald interessant zijn. Ze zijn hoogstens interessant, als men wil nagaan in hoeverre herinneringen in de materie en ook in het leven kunnen worden vastgelegd. Maar dat kunnen wij bij dieren ook zien. Jonge dieren blijken, als de ouders lange tijd bv. in een bepaalde rivier hebben gejaagd, over de omgeving bijzonder goed ingelicht te zijn. Het is alsof ze hun weg kennen zonder dat ze er ooit direct zelf zijn geweest

De geestelijke structuur.

Deze is belangrijker. U zult begrijpen dat niet elke geest eenzelfde niveau heeft. Een niveau is erg belangrijk, niet alleen voor incarnatieherinneringen, maar ook voor incarnatiefixatie, d.w.z. de vastlegging van gegevens over incarnaties. Daarom moeten wij eerst proberen de verschillende kwaliteiten van de geest nader te omschrijven.

Het A-type.

Dat is de lager ingestelde mens, het lager ingestelde “ik”, dat heeft geleefd in lichamen waarin lustgevoelens een bijzonder grote rol hebben gespeeld en daarnaast angstgevoelens. Herinneringen aan vroegere incarnaties zullen bijna altijd bestaan uit flarden van geweld of van overdaad. Al het andere blijft buiten beschouwing. In een dergelijk geval zijn er zeer vele incarnaties te registreren. Want iemand, die nog niet vergevorderd is, zal over het algemeen minder lang in een lichte sfeer kunnen vertoeven. Komt hij in een duistere sfeer, dan is hij ook niet bewust genoeg om lange tijd in die duistere sfeer gebonden te blijven. Hij zal dus tamelijk snel incarneren in vergelijking met anderen. De gemiddelde incarnatieperiode voor dergelijke geesten loopt van 50 tot ongeveer 300 jaar.

Het B-type.

Hier hebben wij te maken met iemand die een zeker aantal inwijdingen of tenminste één inwijding heeft ondergaan. Dit zijn geestelijke inwijdingen. We kunnen van hen zeggen dat hun belangstelling in de richting gaat van het intellectuele. Dus zaken als geweld, sex, eten enz. maken minder in­druk, die zijn a.h.w. bijkomstigheden. Zo’n geest zal zijn inwijding meestal verkrijgen door af te dalen in een duistere sfeer, daarin enige tijd te vertoeven om daarna met de verkregen beheersing op te gaan naar een lichte sfeer. In 9 van de 10 gevallen speelt zich iets dergelijks af kort na de dood of tijdens het stoffelijke bestaan. In deze gevallen is de herinnering gelegen in de kennis. Als een wonderkind muzikaal begaafd op de wereld is gekomen, dan is de kans groot dat we hier met een entiteit van het B-type te maken hebben.

Hier worden expressiemogelijkheden gezocht. Hier wordt in de herinnering vooral filosofie, weten of kunde gewekt. Bij dergelijke typen is overigens de incarnatiecyclus aanmerkelijk langer en loopt tussen de 150 en 500 jaar.

Het C-type.

Bij een C incarnatie hebben wij te maken met een entiteit die tenminste in één of in twee levens een hoog geestelijk peil heeft bereikt. De belangstelling is hier niet meer gelegen in communicatie, maar in besef. Alles wat hierbij naar voren komt, is over het algemeen denkwerk. Als wij te maken hebben met een uitzonderlijk wetenschapsman, dan is de kans groot dat deze tot het C-type behoort. Hij heeft namelijk de neiging intuïtief te reageren en gelijktijdig toch redelijk te onderzoeken. Onder deze typen vallen echter ook anderen, bv. geestelijke leiders van bepaalde kwaliteit. Niet allemaal. Er zijn er bij die erg laag staan. Sommige geestelijke leiders hebben ook hoge geestelijke kwaliteiten. Wij vinden daaronder zeer goede en vaak bekende filosofen, magiërs, onderzoekers van het paranormale en in enkele gevallen onderzoekers van het onbekende. Hun incarnatiecyclus loopt eveneens weer langer. Die ligt tussen de 150, als er nog een incarnatienoodzaak wordt erkend en ongeveer 3000 jaar.

Het D-type

Dit komt heel zelden voor. Het D-type is de bewuste incarnatie. Bij de bewuste incarnatie is er sprake van een besef van geestelijke werelden en waarden dat ook stoffelijk blijft voortbestaan. Verder is er sprake van een aanvaarde taak. In deze gevallen kunnen de incarnatiemogelijkheden liggen van ongeveer 3 dagen na de dood tot ongeveer 5000 jaar. Dat is sterk afhankelijk van de taak die men wil volbrengen en datgene wat men als mogelijkheid zoekt.

Wij hebben dus als basis een aantal verschillende typen. Een verdere uiteenzetting is voorlopig overbodig. Het zal u duidelijk zijn dat er heel wat meer typen te vinden zijn, want mixturen tussen A en B en zelfs A en D komen wel voor. Maar in die gevallen nemen wij maar aan dat het laagste type bepalend is.

Dan hebben wij het leven dat je leidt. Het leven dat je in het verleden hebt geleid, is van invloed op het leven dat je nu zult hebben. En dan niet in de bekende karmische drang van: je hebt hem toen geslagen, dan kom je nu in een situatie waarin hij jou zal slaan. Een dergelijke poppen­kast kennen wij niet. Maar een leven waarin iemand bv. priester is. Dat kan zijn van de één of andere afgod. Misschien is hij in het begin wel sjamaan geweest. Hierdoor wordt zijn gerichtheid verder bepaald. Binnen de straal waartoe hij behoort (dat is nl. zijn ontwikkelingstijd), zal hij dan ook steeds weer dit priesterlijke element zoeken.

Hij kan dat op heel verschillende manieren doen. Zo iemand kan pas­toor worden. In het verleden is hij misschien orakel geweest en in het heden is hij medium of onderzoeker van parapsychologische verschijnselen. Al die mogelijkheden zijn er. Omdat ertussen verleden en heden altijd een lijn van ontwikkeling bestaat, moet verder rekening worden gehouden met de instelling van de persoonlijkheid. Hier zeggen wij dan dat de eigen in­stelling van de persoonlijkheid kan gericht zijn op het “ik” of op de bui­tenwereld.

Bij een altruïstische lijn vinden we een zeer sterke verbondenheid met wereld en wereldgebeuren. Bij incarnatie zal steeds weer een brand­punt van de menselijke historie worden opgezocht en juist daar zal het ego proberen zich verder te manifesteren.

Hebben wij te maken met een op het “ik” gerichte persoonlijkheid, dan zal deze juist zoeken naar die punten waar het “ik” met zo weinig moge­lijk moeite zo goed mogelijk kan leven.

Het klinkt misschien wat vreemd, als je dat zo allemaal uiteenzet, maar wij moeten er rekening mee houden dat dergelijke structuren inderdaad bestaan. Het zijn vuistregels. Ze zijn niet te vergelijken met een kosmische wet. Een ego heeft nu eenmaal de neiging een begonnen ontwikkeling voort te zetten, ook in andere incarnaties, zoals het eveneens geneigd zal zijn een zoeken naar kennis op aarde, eventueel in de sferen, enige tijd te continueren.

De moeilijkheid hierbij is dat iemand, die in tien incarnaties een kor­te tijd heeft geleefd, de elfde incarnatie lang kan leven en dat dan, wan­neer de gemiddelde leeftijd van de vorige incarnaties is bereikt, een breek­punt optreedt. Het is belangrijk om ook dit te beseffen. Bij dit breekpunt kun je plotseling een totaal nieuwe geestelijke ontwikkeling doormaken. Het is ook mogelijk dat alle belangstelling voor het leven wegebt. Dat kun je dan wel via de psychiatrie verklaren, maar het feit dat dit bij zoveel mensen volgens deze zelfde regel voorkomt, maakt duidelijk dat de ge­middelde ontwikkelingsduur in een aantal incarnaties ongeveer gelijk zal zijn.

Hoe is een incarnatiestructuur ongeveer samengesteld? Wij kunnen dit verklaren aan de hand van enkele voorbeelden. Wij gaan uit van een A incarnatie of A-type.

In een A incarnatie is het lustleven nogal van belang. Dit betekent dat er dan ook grote angsten zijn. Lust en angst zijn namelijk zaken die elkaar voortdurend aanvullen. Hier is het gehele le­ven geconcentreerd op uiterlijkheden. Iemand, die op deze manier opnieuw op aarde komt, zal proberen diezelfde uiterlijkheid weer terug te vinden. We krijgen dan vertoningen die gebaseerd zijn op het verleden, dus de vorige incarnaties. Gegevens en angsten van de vorige incarnatie bepalen het ge­drag, maar tevens de wijze waarop men zich manifesteert vanuit een meer geestelijk standpunt.

De bewustwording impliceert in dit geval: een weinig sterk innerlijk leven. Naar buiten toe een betrekkelijk sterk leven. Een sterke gebonden­heid aan de buitenwereld en pogingen om zichzelf juist in die buitenwereld bijzonder sterk te manifesteren en daar aanzien te gewinnen.

Nu kan zo’n A-type altruïstisch of egoïstisch zijn, want beide mogelijk­heden blijven bestaan. Is er sprake van altruïsme, dan betekent het dat het contact met de buitenwereld eigenlijk een belasting van het “ik” is. Hierdoor kan bewustwording en zelfs een beperkte inwijding worden bereikt.

Bij een B-type zal de structuur iets anders verlopen. In de eerste plaats krijgen we hier eerder een juiste keuze van lichaam. Dat heeft al een groot voordeel, want zo iemand zal meestal stoffelijk over de capa­citeit beschikken die hij nodig heeft om zich stoffelijk uit te drukken. Bij het A-type is dat maar zelden geheel het geval.

Kijken wij nu naar de situatie zoals die zich verder ontwikkelt bij het B-type, dan blijkt dat hier vaak fragmenten van vorige incarnaties aanwezig zijn. Ze spelen in het droomleven een rol en ze werken vanuit het onderbewustzijn conditionerend. Maar deze conditionering is beperk­ter dan bij het A-type. Er is dus een grotere wilsvrijheid. Opvallend is verder dat een zekere wilszwakte in bepaalde opzichten te noteren valt. Hier is kennelijk een fout uit het verleden naar het heden overgebracht en bij de keuze van lichaam heeft deze fout meegespeeld. De cyclus zou je dan terug kunnen volgen en dan kom je tot de conclusie dat, als in twee incarnaties in het verleden sprake is geweest van een verslaafdheid, deze verslaafdheid – waartegen men zich probeert te verzetten en vaak tevergeefs – zal doorwerken tot in het heden toe.

Kijken we naar een C-type, dan is het duidelijk dat wij heel andere kwaliteiten ontmoeten. Hier is namelijk een zo sterk geestelijk werken en bewustzijn aanwezig dat hierdoor niet alleen een domineren van keuze ont­staat, maar zelfs een domineren van bepaalde lichamelijke eigenschappen. Om u een eenvoudig voorbeeld te geven:

Een C-type zal op grond van vorige incarnaties misschien wel een lichaam kiezen waarin zwakke punten aanwezig zijn, maar zal gelijktijdig ­over een levens- en wilskracht beschikken waardoor die fouten bewust kunnen worden verdrongen of zelfs teniet kunnen worden gedaan. De manier van uiting is ook een andere. Hier zien wij niet een herhalen van het verleden, zoals bij de eerste typen voorkomt, maar we zien denkprocessen die vanuit aards standpunt krankzinnig lijken, omdat ze niet kunnen worden verklaard. Het is alsof men intuïtief op een punt begint zonder dat men al het voor­gaande heeft doorgewerkt. Dat voorgaande ligt dan in vorige incarnaties vast. De ontwikkeling van standpunt en kennis is dus eigenlijk niets anders dan een vervolgen van een proces dat al in het verleden heeft bestaan.

Een typisch voorbeeld van een dergelijke incarnatie is de bekende Ein­stein. Deze man is filosoof geweest in de Griekse tijd. Hij is mathematicus geweest in de gloriejaren van de Italiaanse Renaissance. Hij blijkt nu de wiskunde te hebben doorgevoerd tot een totaal nieuw inzicht. Opvallend hierbij is bovendien: in beide vorige incarnaties heeft hij gereisd. In de laatste incarnatie heeft hij zich van zijn geboorteplaats verwijderd en is in een ander land tot aanzien gekomen. Hier zit een vast patroon in. Dat patroon zouden wij bij honderden mensen kunnen terugvinden.

Dan blijft nog over, de opbouw van de structuur in een D-type. Een D-type is sterk gericht op het brengen van licht. Het is een ingewijde. De geestelijke waarde is de meest belangrijke. Dit kan egoïstisch gebeuren waarmee het “ik” zichzelf tot centrum maakt. Hieruit komen priesterkonin­gen voort, mensen die proberen de grote leraar of de grote leider uit te hangen. Het kan ook altruïstisch zijn en dan krijgen wij mensen als de stich­ters van grote godsdiensten, de wonderdoeners, de vernieuwers. In deze ge­vallen ligt de vorige incarnatie meestal ver terug. Dit betekent dat voor een D-structuur in praktisch elke incarnatie een lichaam wordt gezocht dat in eigenschappen en kwaliteiten niets te maken heeft met het vorige stof­felijke bestaan, maar dat daarentegen geheel is aangepast aan de geestelijke eisen (gezien de aanvaarde taak) die zich op dat ogenblik stellen. Het resultaat is dat de lichamelijke kwaliteiten van het D-type in alle incarnaties sterk verschillen, dat ze in alle incarnaties steeds weer to­taal andere mensentypen zijn en dat zij in elk optreden juist die plaats kie­zen vanwaaruit hun invloed het grootst kan zijn.

U ziet, met deze incarnatiestructuren hebben wij te maken met een soort regel. Die regel geldt uit de aard der zaak ook voor u. Als u nu wilt weten of u een A, B of C-type bent (over D praten we maar niet, anders zou u niet hier zitten) dan kunnen wij het volgende stellen:

A-type

Is eten en zijn andere genietingen en lichaamsprocessen voor u van het grootste belang? Bent u daardoor gebiologeerd? Houdt u zich er steeds of zeer vaak mee bezig? Zo ja, dan is de kans groot dat u een A-type bent.

Richt u zich hierbij op anderen, ziet u met vreugde dat anderen die genietingen hebben, dan bent u altruïstisch. Neemt u het ande­ren kwalijk, als zij iets hebben wat u niet heeft of niet meer heeft, dan bent u egoïstisch.

B t­ype

Beschouwt u de stoffelijke zaken als aanvaardbaar en aangenaam? Eigenlijk een voorbijgaande kwestie, een soort spel, terwijl daarachter de gevoelens van verbonden zijn met mensen belangrijker zijn, dan bent u waarschijnlijk een B-type. Als B-type zult u over het algemeen in uw denken en dromen zeer bezig zijn met lot van anderen en de vraag hoe u deze kunt helpen, vooral als u altruïstisch bent ingesteld. Ook als u egoïstisch bent ingesteld, zult u een ongeveer gelijke bena­dering kennen. Maar hier denkt u zichzelf als bv. de wonderdoener, de wetenschapsman, de machthebber e.d.. Al die typen die vanuit zich iets tot stand brengen, terwijl u zich in het eerste geval bezighoudt met het probleem van de anderen, de oplossing daarvan zoekt, zonder dat u daarbij zelf een rol wenst te spelen.

C-type (voor zover aanwezig)

Als u in uw gedachten voortdurend bezig bent met een bepaald pro­bleem en in uw hele leven eigenlijk alles doet om dat ene probleem te toetsen, zeker als dit probleem vanuit het huidige stoffelijke standpunt bijna abstract is, dan kunt u aannemen dat u een C-type bent. Bent u egoïstisch, dan zult u proberen meer te weten dan anderen. Bent u altruïstisch, dan zult u proberen door uitwisseling van gedach­ten anderen te helpen verder te komen, terwijl u gelijktijdig de kennis van anderen tracht te absorberen.

U ziet, het is gemakkelijk genoeg. Zo kunt u een beetje nagaan waar u bij behoort. Wat op het ogenblik de situatie op aarde betreft, het meren­deel van de mensen is wel een A- of een B-type. Voor velen is het ook belangrijk hoeveel incarnaties ze hebben gehad. Het aantal incarnaties is onbelangrijk. Als een aantal levens een voortduren­de herhaling is van steeds dezelfde belevingen, dezelfde fouten, dezelfde benaderingen, dan kunnen we rustig zeggen dat al die levens voor één tellen. In dat geval moeten wij aannemen dat degenen die tot de A- en de B-typen behoren gemiddeld tussen de 7 en de 400 incarnaties achter de rug hebben. Hebben we de C- en de D-typen, dan is het aantal incarnaties niet te bepa­len. Bij het C-type kunnen wij aannemen dat het aantal incarnaties tenminste 7 bedraagt. Bij het D-type is het mogelijk dat er sprake is van 1, 2, 3, maar ook van honderden incarnaties. Dat is sterk afhankelijk van de taak die men zich stelt en de wijze waarop men werkt op of voor de materie.

Herinneringen

A- en B-typen zullen over het algemeen tamelijk weinig herinneringen hebben aan het verleden. Het B-type is meer geïnteresseerd in vroegere bestaansvormen en in het verleden dan het A-type en zal op grond hiervan een bijzondere belangstelling ontwikkelen voor bepaalde gebieden. Men kan zich bijzonder verwant voelen met bv. de Indiase cultuur, Oud Egypte, de indiaanse geschiedenis enz.. In dergelijke gevallen is het waarschijnlijk dat een of meer van de vorige incarnaties zich hebben afgespeeld in het gebied waarvoor men nu nog belangstelling heeft.

Voor het C-type is deze bepaling niet zonder meer te geven. Wel is opvallend dat de gedachtestroom over het algemeen wordt gecontinueerd, zo iemand die zich bezighoudt met bepaalde filosofieën, ongetwijfeld in het verleden heeft geleefd in landen waar dergelijke filosofieën of de grondbeginselen daarvan bestonden. Op grond daarvan kunt u dus ook weer ongeveer bepalen waar u zou hebben geleefd.

In de structuur is het belangrijk te weten dat men zelden alleen incarneert. Voor B-typen geldt dat de incarnatie alleen of met uitverkorenen geschiedt. In deze gevallen is het een gemeenschappelijke taakaanvaarding. Bij het C-type blijkt dat er wordt gezocht naar contacten. Deze contacten zijn zuiver mentaal. Ze kunnen tot stand komen door uitwisseling van gegevens: briefwisseling, wederkerige belangstelling voor elkaars proeven, literatuur etc. etc.. Persoonlijke contacten komen zelden voor. Bij het B-type blijken de persoonlijke contacten juist van heel groot belang te zijn. Hier zijn in de omgeving altijd wel mensen te vinden met wie men vroeger, op welke wijze dan ook, heeft geleefd. De moeilijkheid daarbij is echter dat er een verwisseling van rol kan zijn. Uw moeder van vijf incarnaties geleden kan nu uw jongste bediende zijn. De bedelaar, die u eens een aalmoes heeft gegeven, is nu misschien de man van sociale zorg die u helpt. Het zijn wat ver gezochte voorbeelden, maar dit om duidelijk te maken hoe sterk dit kan verschillen. Hierbij moet u altijd rekening houden met het feit: degenen met wie ik mij, om welke reden dan ook, verbonden voel, zonder dat dit op zuiver stoffelijke waarden is gebaseerd, behoren tot mijn vroeger bestaan.

Voor het A type geldt over het algemeen dat alleen bepaalde kwaliteiten belangrijk zijn. De incarnatie is meestal een groepsincarnatie waarin men wel van rol met een aantal anderen heeft verwisseld. Om een voorbeeld te geven. Men is samen soldaat geweest in het Romeinse legioen ongeveer 50 v. Chr.. Daarna is men tezamen op kruistocht gegaan. Daarna heeft men teza­men een boerenrevolutie op touw gezet in een of ander land, of men heeft misschien gevochten in het leger van Pappenheim, van Tilly of van een ande­re legeraanvoerder. Nu is men weer samen en bezig een sociale reformatie voor te bereiden. Dat zijn dus groepen.

Wat ben ik geweest? Is een vraag die heel veel mensen zichzelf stellen. Belangrijk is het natuurlijk niet, want tenslotte bent u het eindproduct van alle vorige incarnaties. Probeer vandaag zo goed mogelijk te leven, zo ver mogelijk vooruit te komen geestelijk en anderszins en u zult daarmee alle problemen van het verleden als vanzelf oplossen. Maar een zekere nieuwsgierigheid zal er altijd bestaan. Laat mij een voorbeeld geven van een ontwikkeling die met een B- en een C-type, of tussen die beiden in, te maken kan hebben.

Een jonge jager leert van een oudere jager in een ver verleden. De jonge jager wordt later leerling van een sjamaan. Hij helpt met de zo verworven kennis en krachten degene die hem eens heeft leren jagen.
De daaropvolgende incarnatie: de jonge sjamaan is leerling priester. De oude jager daarentegen blijkt nu plotseling een gezaghebbend priester te zijn die meer administratief is ingesteld. De jongere is meer geestelijk ingesteld. Door een uitwisseling en samenwerking bereiken ze tezamen iets.
Volgende incarnatie: de jongere is leerling geworden van een bekende goeroe en zwerft door India. Hij wordt langzamerhand zelf leermeester, neemt een leerling aan (vergeet niet de geslachten die laten we buiten beschouwing staan. Nu is het allemaal mannelijk, maar het kan net zo goed wisselend mannelijk of vrouwelijk zijn, zelfs zo dat de één de ene keer man is, de andere keer vrouw en omgekeerd, dat is van weinig be­lang). De jongere krijgt nu de oudere als leerling. De oudere absor­beert de kennis die de jongere hem geeft en komt nu plotseling tot nieuwe geestelijke ontdekkingen.
Volgende fase: de oudere is de filosoof. De jongere is de leerling in filosofie. De jongere probeert daarin geestelijke elementen door te voe­ren. De oudere daarentegen probeert de logica door te voeren. Eindresultaat: beiden komen tot een meer logische benadering van feno­menen waarbij de innerlijke krachten niet over het hoofd worden gezien. We gaan weer een stap verder.
Stel u voor dat de jongere in dit geval weer de hoofdrol speelt (het is niet noodzakelijk, maar het kan). Hij wordt bv. abt van een klooster, terwijl de ander zwervend krijgsman is. Deze vindt hulp in dat klooster en wordt misschien nog bekeerd ook, als je er een mooi verhaal van wilt maken. Op deze wijze staan ze elkaar weer bij.
Nu komen we in het heden terecht en dan blijkt ineens dat de jongere bv. een leermeester is op een of ander geestelijk terrein, terwijl de ander zoe­kend is op dat terrein. De oudere aanvaardt de leringen, werkt daarmee op zijn eigen wijze en komt tot persoonlijke inwijdingen, die weer afwijken van die welke de jongere heeft doorgemaakt. Hij acht zich misschien zelfs de meerdere, dat kan even goed, maar beiden hebben een zodanige invloed op elkaar gehad, dat ze a.h.w. wederkerig inwijding voor elkaar mogelijk hebben gemaakt. Dit is nu maar één klein voorbeeld. Je zou dit duizendmaal kunnen doen.

Een bekend Indisch verhaal nu zegt dat een man zich bewust was van al zijn mannelijke incarnaties en door een vergissing als vrouw werd geïn­carneerd. Zij was al getrouwd en had een paar kinderen. Toen kwam een god tot de conclusie dat er een fout was gemaakt. Die god ging naar de vrouw toe en zei: “Als je nog wilt, kun je zo overstappen. Ik maak een man van je en dan kun je je incarnatiereeks vervolgen.” Waarop de vrouw zei: “Neen. Wat ik nu heb beleefd, zou ik nooit willen missen. Ik geloof, dat ik gelukkiger ben door vrouw te zijn dan ik ooit zou kunnen zijn als man. Door wat ik nu leer en begrijp zal ik later in staat zijn beter te leven en meer te begrijpen.”

Al deze dingen moet u zien als mogelijk waar, want die voorbeelden zijn natuurlijk betrekkelijk willekeurig. Dergelijke verhalen zijn eigenlijk parabels.

Ook u heeft een persoonlijkheidsstructuur. Als u nu alleen maar weet, of u een A-, B- of C-type bent, dan weet u al meer. U weet dan in ieder ge­val welk niveau u kunt bereiken en op welke manier u verder kunt komen. U kunt aan de hand van hetgeen ik hier heb gezegd omtrent deze typen na­gaan of er voor u sprake is van een groepsincarnatie, dan wel van een be­perkte incarnatie waarin men anderen ontmoet met wie men vroeger heeft geleefd, of dat er sprake is van voornamelijk mentale contacten met degenen met wie men vroeger heeft samengewerkt. Daardoor krijgt men een klein beetje visie op zichzelf.

Als u terugdroomt, dan kunt u natuurlijk uit die droomfragmenten wel ongeveer afleiden waar u heeft geleefd en waar u bent geweest. Kijkt u naar uw belangstelling, dan vindt u ook indicaties voor de gebieden waar u zeer waarschijnlijk heeft vertoefd. Maar kijk niet teveel terug naar wat u bent geweest. Probeer eerder te ontleden wat u nu bent.

Als u denkt: ik kom met spijt (als u hier zit, zal het u ongetwijfeld spijten) tot de conclusie dat ik maar een A-type ben, dan zegt u: dat is helemaal niet erg, want ik kan niet onmiddellijk veranderen. Maar ik moet wel de diepere betekenis zoeken van deze materiële belangstelling, Laat mij dan vooral proberen meer altruïstisch te zijn. Hierdoor heeft u grote kans dat u geestelijk evolueert en daardoor een volgende maal in een hogere ke­ten van incarnaties terecht te kunnen komen.

Bent u een B-type, dan zult u zeggen: ik wilde dat ik een C-type was. Helemaal niet erg. Als u ontdekt dat u een B-type bent, realiseer u dan dat uw belangstelling tweedelig is: a) het element dat voor een groot ge­deelte eigenlijk bijna speels is, b) het element diep in uzelf dat de bit­tere ernst van het leven opvat.

Realiseer u dan dat die bittere ernst van het leven zo positief mogelijk moet worden uitgewerkt. Probeer niet uw ge­drag te veranderen, dat helpt u weinig. Probeer liever te beseffen wat u innerlijk werkelijk bent, wat u werkelijk wilt en probeer die wil en dat den­ken weer zoveel mogelijk over te brengen in een altruïstisch kader waardoor u met anderen werkt voor anderen werkt en leeft. Dat kan heel belangrijk zijn.

Bent u een C-type, dan zult u waarschijnlijk een aantal herinneringen hebben aan vorige incarnaties. Maak u daar geen zorgen over. Dat verleden is voorbij. Beroem u er ook niet op. Want per slot van rekening, u staat ook niet op te scheppen over uw afgelegde kleding. Realiseer u echter wel dat uw mentale contacten alleen dan zin hebben, indien daaruit belangrijke geeste­lijke waarden voortkomen. En realiseer u ook, dat u niet het oude werk weer moet gaan doen, maar dat u door te behoren tot deze cyclus, tot dit structuurtype, a.h.w. geroepen bent om te vernieuwen. Zoek dan datgene waardoor u, voortgaande op hetgeen u innerlijk voelt, aan de wereld nieuwe denkbeel­den, nieuwe varianten van bestaan en van denkwijze kunt geven. Op die manier bereikt u het beste wat mogelijk is.

Wat het C-type betreft, als zij het zelf niet weten dan zijn ze geen C-type. Over het D-type behoeven we niet te praten…… dus kan ik hiermede volstaan.

Nu nog dit: in de kosmos kan er een wisseling zijn waardoor je de ene keer incarneert in de stof op aarde en de andere keer op een andere planeet. Ofschoon dit niet zo vaak voorkomt (alleen bij C typen zien wij dat weleens), zal hierdoor een soort vervreemding ontstaan. Je hebt het gevoel dat die wereld eigenlijk niet zo belangrijk is. Er komen vaak visies uit voort als: de mensen uit de ruimte zullen komen om ons te helpen of iets dergelijks. Het is een terughunkeren naar het andere bestaan. Vergeet echter niet dat u, door te incarneren op een andere planeet t.a.v. de aarde soortgelijke gevoe­lens zult koesteren.

Houdt u niet te veel bezig met datgene wat elders ligt, ook als u inner­lijk dit soort heimwee ervaart. Probeer u af te vragen wat u mist en tracht het hier zelf te maken. Het is misschien een beetje vreemd om dit te zeggen: juist als u zo wisselend incarneert, moet u een soort doe–het–zelver zijn. Toch is dat eigenlijk waar. U kunt in uw leven zeer veel waarmaken en zeer reëel bereiken indien u bereid bent zelf in de wereld iets tot stand te bren­gen. Zoek het dan niet als iets wat voor de hele wereld geldt. Zoek het als iets wat voor u uw relaties met de wereld steeds sterker bepaalt. Op die ma­nier kunt u o.a. heimwee vergeten en kunt u binnen het kader van uw normale structuur en volgens uw normale type een optimaal resultaat bereiken in uw huidige incarnatie.

Ik meen dat ik hiermede voldoende heb gezegd. Realiseer u dat u be­hoort tot een bepaald type en dat bij uw type eveneens een bepaalde incar­natiestructuur behoort. Realiseer u dat uw lichaam eveneens een soort incarnatiestructuur heeft die echter, al heeft u daar nog zo’n levendige herinnering aan, niets zegt t.a.v. uw geestelijk bestaan. Realiseer u dat u, eenmaal in een bepaalde ontwikkelingsgang gevangen, deze niet zonder meer ongedaan kunt maken. U kunt wel nieuwe elementen toevoe­gen aan uw geestelijk besef en vermogen, maar u kunt niet datgene wat is tenietdoen. Bestrijd niet de krachten en tendensen die in u bestaan, maar probeer ze aan te vullen met andere, zodat u voor uzelf een zo aanvaardbaar mogelijk en t.a.v. de wereld gelijktijdig een zo goed mogelijk resultaat verkrijgt.

Wie hiermede rekening houdt, zal de structuur van de incarnaties misschien wat beter begrijpen, maar hij zal daarnaast, zonder twijfel ook voor zichzelf, van de huidige incarnatie meer kunnen maken. Ik hoop, dat deze korte uiteenzetting daartoe heeft bijgedragen.

Vragen

  • In een vereniging in het oosten van het land wordt gesteld dat Meester Morya en Inayat Khan in incarnatie zijn. Is dat juist?

De stelling is niet geheel juist. U moet het volgende goed onthouden. Een persoonlijkheid kan maar in één hoofdlichaam incarneren. Hij kan daar­naast een soort verdubbelingseffect toepassen waardoor hij elders in ver­schijning treedt, maar dat zijn dan geen zuiver stoffelijke voertuigen. Een andere mogelijkheid is de overschaduwing. Een entiteit van hoge orde (D- type) kan op aarde, om welke reden dan ook, één of meer mensen overscha­duwen. Dat wil zeggen, dat dezen, maar niet volledig en niet te allen tijde, a.h.w. de persoonlijkheid van een dergelijke geest weergeven en daardoor de taak, die deze wil volvoeren, voorbereiden. Het is zelden zo, dat zo’n taak langs deze weg kan worden voltooid.

Als men dat allemaal overziet, dan wordt duidelijk dat vele stellingen met een korrel zout moeten worden genomen. Maak u daar niet druk over. Interesseert het u nu werkelijk of u met Piet Jansen of met Meester Morya te doen heeft, als de kracht en de wijsheid die daaruit voortkomen u helpen om uzelf beter te kennen en beter te leven? Dat is het enige waar het op aankomt.

In deze tijd zoeken ontzettend veel mensen naar leiding. Ze willen een soort wetgever boven zich weten. Iemand die de verantwoordelijkheid draagt. Maar het is de tijd van Aquarius en dat is juist de tijd waarin men weer moet leren zelf zijn verantwoordelijkheden te aanvaarden, zelf zijn streven te be­palen en op eigen krachten te bereiken. Ik meen dat deze beweging juist dit facet van de huidige tijd te veel buiten beschouwing laat.

  • Hoe wordt het vanuit de geest geregeld dat de incarnatie plaatsvindt in de buurt van personen waarmee je vroeger geleefd hebt?

Jansen woont in Bussum en heeft een aardig baantje gekregen in Haarlem. Daar bleken nog anderen nodig te zijn. Dus waarschuwde hij een neef die een zoon had. Die zoon ging daar ook werken. De neef op zijn beurt kende weer een nicht. Zo werd het op den duur bijna een familiebedrijf, want die mensen deden het goed, ze werkten goed samen en elke keer, als er weer een plaats vrijkwam, werd die dus automatisch ingenomen door de familie. Toch reisden ze altijd weer terug en woonden allemaal bij elkaar in de buurt van Bussum. Het in ver­schijning treden in Haarlem had het karakter van een teamwork waarbij eenieder weliswaar een eigen taak had, maar iedereen tevens de ander hielp om zijn taak beter te vervullen.

Magie.

Magie is een wetenschap die gaat over datgene wat de geest wel en de stof niet weet. Het is duidelijk dat de mens onder zijn kwaliteiten ongetwijfeld bepaalde magische eigenschappen bezit. Onder die magische eigenschappen rekenen we o.m. het vermogen gedachten en gevoelens te projecteren en daarnaast ook het vermogen om krachten die niet algemeen bekend zijn, in werking te stellen door eigen wil of door eigen gedachtekracht.

Als wij ons bezighouden met magie, dan worden we altijd geconfronteerd met een groot aantal plechtigheden, verklaringen, namen, aanroepingen en formules. Deze dingen op zichzelf zijn alleen maar instrument. Zij geven niet de werkelijkheid aan.

Wanneer u iemand oproept met een bepaalde naam, dan wil dat nog niet zeggen dat u een bepaalde entiteit zal zien verschijnen. Integendeel, uw afstemming op grond van de voorstelling die u aan de naam verbindt, bepaalt datgene waarmee u in contact komt. Eventueel dus ook de persoonlijkheid die verschijnt of de kracht die u aanboort.

Wij zijn als mens op aarde een lichaam waarin zich een geest bevindt die het vermogen heeft tenminste de gekende sferen aan te boren. Wij kunnen dus krachten ontlenen aan deze sferen. En omdat wij dit stoffelijk niet kunnen aanvaarden of kunnen verklaren, zullen wij daar meestal godsdienstige of andere bijgelovige voorstellingen aan verbinden. Voor degenen die nu denken dat ik alle godsdiensten en alle bijgeloof over een kam scheer het volgende:

Een godsdienst is in feite een aantal bijgelovigheden die zodanig een gevestigde instelling zijn geworden dat op grond daarvan een ethische lering kan worden uitgedragen, ofschoon veel van hetgeen men daaraan pleegt te verbinden toch werkelijk tot het bijgeloof blijft behoren.

Als wij ons afvragen hoe een mens kan werken met magie, dan kunnen wij daarop het volgende antwoorden: hij, die in zich een zuiver gedachtebeeld weet te ontwerpen van een toestand, een daad of een situatie waarin hij zelf een rol speelt of waarmee hij door zijn gevoelens of gedachten verbonden is, bezit de mogelijkheid de krachten die rond hem zijn zodanig in werking te stellen dat het lot (d.w.z. het gehele gebeuren buiten hem), daar waar het mogelijk is, graviteert in de richting van de geprojecteerde voorstelling.

Het is dus niet zo, dat u iemand zonder meer kunt doden met magie. Het is wel, dat u de doodsgedachte voor iemand dichterbij kunt brengen.Het is niet zo, dat u een mens met magie kunt genezen, maar wel dat u zijn afweerkrachten en zijn vermogen om geestelijke krachten te onttrekken aan zijn eigen persoonlijkheid, dan wel aan de omgeving kunt vergroten.

Als u gedachten of gedachtebeelden probeert uit te zenden, dan kunt u nooit uitzenden naar degenen die daarop niet zijn afgestemd. U kunt alleen gelijkgestemden bereiken. In de magie is het echter zo, dat er veelal gebruik wordt gemaakt van voorstellingen waaraan anderen geloven. Dit is een heel belangrijk punt.

Als iemand gelooft dat het morsen van zout ongeluk brengt, dan hoeven wij hem helemaal geen ongeluk toe te wensen. Wij hoeven hem alleen maar zout te laten morsen, dan zorgt hij zelf wel voor het ongeluk. Als iemand bang is door magie of door geesten te worden gedood, dan hoeven wij helemaal geen geesten uit te sturen. Wij hoeven hem alleen maar te laten weten dat wij een geest op hem hebben afgestuurd (die bestaat dan wel niet), maar de man gaat dood door zelfsuggestie. Dergelijke dingen zijn natuurlijk onvoorstelbaar. De meeste mensen denken dan ook dat het dwaasheid is. Maar men realiseert zich niet hoezeer men afgaat op suggesties.

Als iemand u vertelt dat het u slecht gaat, dan gaat het u steeds slechter. Als u wordt verteld dat u er goed uitziet, dan kunt u misschien lichamelijk niet zo goed zijn, maar als u daarin gelooft, dan gaat u zich natuurlijker gedragen, door dit natuurlijker gedrag stelt u uw lichamelijke processen in staat de toestand te normaliseren en u gaat inderdaad beter worden. Overigens een oud doktersrecept, vandaar dat menig dokter zegt: blijf maar een tijdje in bed. Ik zal je een medicijntje geven en daar zul je dan wel beter van worden. Dat was dan aqua destillata met een kleurtje.

Een andere vorm van suggestie zien wij bv. in de sociale suggestie: dit is ons recht. Eenieder die goed nadenkt, weet dat het geen recht is. Maar als men het lang genoeg herhaalt, gaan de mensen dat geloven. Maar dan zullen ze ook elke andere handelwijze beschouwen als een aantasting van dit recht. Dientengevolge wordt er een situatie geschapen die niet met de feiten, maar wel met suggestie in overeenstemming is.

Suggesties worden feiten op het ogenblik dat wij in staat zijn ze sterk genoeg op de mensen af te drukken. Dit is een magisch aspect.

Er zijn zelfs mensen die een bepaald soort koffie lekker vinden, omdat op de t.v. “oma het altijd zo lekker zet” en die, als ze een andere smaak van een koffie krijgen, die kwalitatief veel beter is, zeggen: bah, wat heb je nu voor bucht! De macht van de suggestie.

De reclame is ook de macht van de suggestie. Dus zegt u a.u.b. niet dat magie bijgeloof is. Want magie is niets anders dan gebruikmaken van dezelfde eigenschappen van de mens en dezelfde mogelijkheden voor de mens als die worden gebruikt in de reclame, in de politiek, in de kerken en overal elders.

Als je eenmaal een bepaald standpunt stipuleert en je gaat daar con­sequent van uit, dan kun je mensen zover brengen dat ze dit standpunt als het enig juiste gaan beschouwen. Dientengevolge zullen ze hun hele leven hun gedrag aanpassen aan dit standpunt. Wat meer is, hun ervaringen zodanig in zichzelf censureren dat ze schijnbaar met het gestelde in overeenstemming komen. Dit is nu de hele kwestie van magie.

Ieder van u is een heel goed orakel, indien hij maar in staat is datgene wat hij zegt met volledige overtuiging en geloof over te brengen. Degenen die het horen, zullen het dan zelf wel waarmaken. Als u geestelijke krachten oproept (geestelijke krachten zijn overal om u heen), dan kunt u alleen die krachten werkelijk gebruiken die in overeenstemming zijn met hetgeen uzelf bent. Stel u dus op uzelf in. Roep de krachten aan, niet die anders of hoger zijn dan u, maar die meer kunnen doen dan u. Alleen door deze manier van denken bent u al in staat uw beperkingen op te heffen, geestelijke krachten uit uw eigen werelden en sferen uit de geest naar de stof over te brengen en eventueel te transformeren in iets wat bruik­baar is.

Als u zich verder realiseert dat uw geest verbonden is met de totale wereld en niet alleen maar met de persoonlijkheid die u nu bent, dan wordt het ook duidelijk dat iemand, die een deel van zijn geest of besef kan verbinden aan een voorwerp, op dat punt qua geestelijke werking en straling precies zo kan werken als iemand die persoonlijk aanwezig is.

Magie is geen wonder. Het is gebruikmaken van de volgende kwaliteiten:

  1. Elke mens, die geestelijk enigszins bewust is, is verbonden met het totale van alle geestelijk bewustzijn op de gehele wereld. Dat wil zeggen, dat elk bewustzijn, zelfs het laagste waarmee hij overeenstemt, door hem kan worden gebruikt om daarin zijn wil of persoonlijkheid tot uiting te brengen.
  2. Degene die bewust is en een bewuste voorstelling heeft, is altijd de sterkere van degene die niet bewust is en geen bewuste voorstelling heeft.
  3. Elke verklaring die wordt gegeven kan goed zijn, zolang de gevolgen deze schijnbaar bevestigen. Dit houdt in dat de meeste verklarin­gen die op aarde worden gegeven niet juist zijn, maar door zoveel ver­schijnselen bevestigd schijnen te worden, dat ze als leerstellingen gaan gelden. Op dat ogenblik maken de mensen die leerstellngen zelf verder waar.
  4. Als u een beroep wilt doen op uw eigen magische vermogens, dan zult u moeten beginnen met de beperkingen die u voor uzelf erkent terzijde te stellen. Naarmate u meer gelooft in uw kunnen en uw mogelijk­heden zult u over meer krachten en energieën beschikken. En als u dat niet kunt doen zonder allerlei formules, ga uw gang. Als u dat alleen kunt doen met bepaalde talismans, of het nu een scapulier is of een of ander amulet, ga uw gang. Deze middelen zijn hulpmiddelen. Het is niet de magie van de voorwerpen of de gezegendheid van medailles, rozenhoedjes e.d.. Realiseer u goed: deze dingen op zichzelf zijn niets. Het is het besef, de aanvaarding van de mens die belangrijk is.

Als u uw eigen krachten wilt gebruiken, leer dan in uw geloof en voorstel­ling bepaalde zaken te beschouwen als een ontheffing van de door u erkende stoffelijke wetten. U zult tot de conclusie komen dat geestelijke krachten heel veel tot stand kunnen brengen, die verder gaan dan de stoffelijke rede en logica aannemelijk maken.

Beschouwen.

Wanneer ik beschouw, dan zie ik niet alleen, maar ik ervaar. In het beschouwen is het mijn denken, zo goed als mijn waarnemingsvermogen dat erbij betrokken is. Het zijn mijn emoties, zo goed als mijn verstand die verwerken wat ik waarneem, of waarop ik mij concentreer.

Beschouw ik innerlijke zaken, dan concentreer ik mij op iets in mijzelf. Beschouw ik iets buiten mij, dan richt ik mij op iets wat buiten mij bestaat. Maar in alle gevallen probeer ik met mijn gehele wezen daarbij betrokken te zijn, met mijn gehele wezen a.h.w. te absorberen wat het gestelde kan zijn. Daardoor krijgt de beschouwing zo’n grote betekenis.

Want door de beschouwing word ik één met het beschouwde. En in deze éénwording ontstaat begrip voor hetgeen het beschouwde in wezen voor mij betekent. Beschouwen betekent, dat je al datgene wat in het andere of in jezelf ligt gaat erkennen en dat je de grenzen wegneemt tussen jou en dat andere bestaan.
Werkelijk beschouwen betekent vanuit een innerlijke eenheid met het beschouwde komen tot een beleving van de betekenis daarvan en zo het waarmaken van al datgene wat in het beschouwde aanwezig is.