Jeugdproblemen

uit de cursus ‘Levensproblemen van de moderne mens’ 1955

De jonge mens die in deze wereld wordt geboren, wordt in de eerste plaats geconfronteerd met een aantal omstandigheden die niet altijd gunstig zijn, vooral uit disciplinair oogpunt. Een jonge mens kan niet worden geacht voldoende inzicht en begrip te hebben om zijn eigen leven te regelen. Maar als men hem toestaat een groot gedeelte van zijn leven te regelen, zal hij menen dat de andere beperkingen ten onrechte werden opgelegd. Het disciplinaire element in de opvoeding is wel degelijk van groot belang. Dit wordt in een eeuw waarin men het kind begint te verheerlijken, meer en meer verwaarloosd. In sommige landen is het reeds zo ver gekomen dat het kind boven de volwassene wordt gesteld en de wensen van het kind boven die van de volwassene gaan.

Ik kan begrijpen dat de jeugd die nog onder de sterke en zware ouderlijke macht werd opgevoed, nu deze vrijheid wil geven aan deze nieuwe kinderen als een poging tot herstel voor hetgeen men zelf heeft geleden. Maar dit is niet acceptabel. Het kind is als een plant. Vindt die plant geen steun, dan verwildert zij. Vindt die plant geen rechte leiding, dan moet u maar afwachten wat voor een vorm eruit groeit. Zo willen wij dan in de eerste plaats de vraag stellen: is er ten opzichte van de hedendaagse jeugd een gebrek aan discipline dat in de thans geldende omstandigheden kan worden hersteld?

Het is niet mogelijk om streng disciplinair te worden in de zin van de oude gewoonten en gebruiken van omstreeks 1900. Dit is niet meer omdat het kind ‑ in aanraking komend met vriendjes en vriendinnen ‑ voortdurend de tegenstelling zou ervaren tussen het eigen leven en het leven van anderen. De ouders zullen wel degelijk veel meer de vrienden dan de gezaghebbers moeten zijn. Maar dan vrienden die met vaste hand leiden, wiens woord hun woord is en die nooit overgaan tot bedrog of tot verhulling van feiten die vroegere geslachten nog schaamtevol verborgen achter sprookjes over de kool, enz. Mensen, die eerlijk zijn, die zelfs het jongste kind een uitleg geven, die voor dit kind reeds enigszins begrijpelijk is, dat is noodzakelijk. Aan de andere kant: het kind krijgt een bevel. Dit bevel wordt zo no­dig met redenen omkleed, nl. indien het kind daarom vraagt. Maar overschrijdt het de gegeven bevelen en orders, dan zal het voor de consequenties ook wel degelijk moeten dragen.

Een kind begeert veel. De moderne tijd speculeert op de begeerte door in overvloed zowel goedkope prullaria als kostbaar speelgoed te vervaardigen. Dit in een veelheid die vroeger zelfs onvoorstelbaar was. Een kind wil graag “hebben”, omdat het zich niet afvraagt “wat betekent dat voor mij” maar alleen op het ogenblik de impuls “ik wil bezitten” gehoorzaamt. Het is aan de ouders om de jeugd op te voeden op een zodanige wijze dat zij van meet af aan ziet “wat de waarde van deze dingen voor mij is” en niet slechts “is het mooi of niet”.

Een volgend punt zou moeten zijn dat de jeugd ook in haar voorstellingen, in haar fantasie wordt geleid. Dat leiden behoeft helemaal niet te geschieden in een strenge vorm waarbij alle gewelddadigheden bv. worden uitgeschakeld, waarbij elk boek dat enigszins naar het romantische neigt voor een meisje verboden is. Maar het moet wel zodanig zijn dat het voorstellingsvermogen gezond blijft, dat het is gebaseerd op een reële waardering. Dat het droomleven van het kind niet een opbouwen is van een aantal droombeelden, waarin het zichzelf stelt als tegenstelling tot de wereld die het vaak met amorele wapens en middelen wil overwinnen. Dit is een tendens die in het kind zeer sterk leeft. Kinderen zoeken zelf reeds naar het buitengewone, naar datgene wat hen onderscheidt van anderen. Hoeveel sterker wordt dit nog naarmate de leeftijd oploopt en de puberteitsjaren worden bereikt!

Daar zitten wij dan midden in het probleem van de moderne jeugd, van de jonge mensen die geen regelmaat meer willen kennen. Jonge mensen die naar een andere methode zoeken om zich te uiten. Jonge mensen die de wetten van de mensheid verwerpen en voor die mensheid vaak slechts een smalende glimlach over hebben. Jonge mensen die niet meer geloven in een kerk, in een God maar evenmin in een staatkundig ideaal. Die alleen nog maar geloven in zichzelf, in hun eigen voordeel en eigen lusten. Dit beeld is niet te pessimistisch. Hoe zijn deze dingen tot stand gekomen? In de eerste plaats hebben steeds grotere en intensere wereldconflicten de samenleving hoe langer hoe meer uit een vast spoor gerukt. De vaste gerichtheid van vroeger is voorbij. Vandaag de dag kan één volk de gehele wereld tot een exploderend kruitvat maken. Die onzekerheid geeft aanleiding tot een veel minder op de toekomst rekenen en naar de toekomst leven. De volwassenen van deze tijd zoeken het in het heden. Nu willen zij leven, want zij weten niet of er nog een morgen zal zijn De jeugd die in een dergelijke omgeving leeft, mist het spoor, de vaste lijn. Zij mist zelfs het verschil tussen standen waardoor men tot een persoonlijke verheffing kon komen of een nederlaag kon lijden. Zij mist het geloof in waarden die eeuwig zijn. Zij gelooft dat alles bepaald blijft en beperkt tot wat je nu beleeft. En de jeugd heeft haast om te leven.

Zij zien de ouderen die hen feitelijk op deze wereld hebben gezet niet altijd zonder verwijt aan. Wanneer zij de wereld leren kennen zijn zij meestal reeds op 12 à 14‑jarige leeftijd genoopt om die ouders toe te roepen: “Waarom hebben jullie ons in zo’n wereld gezet? Waarom hebben jullie zo gedaan? Kon dat niet anders?”

0, ik weet het, de meesten uiten dat niet zo, Toch is dat de kern van het kwaad. De jeugd kan niet tevreden zijn met de wereld die de ouderen voor hen hebben geschapen, omdat de jeugd er niet de mogelijkheid in ziet om zichzelf te uiten en te vestigen. Wat blijft er over? Een heldendom afgewisseld door roes in het een of ander vliegtuig. Meisjes die soldaat spelen, verkeersagent in uniform, is dat dan een roeping? Arts zijn zeker. Medische ontwikkeling. Maar als je alleen maar in een ziekenhuis terechtkomt, wordt het zo vervelend. Verpleegster zijn wordt niet betaald. En wat heb je er aan om voor anderen te werken. De wereld gaat immers toch kapot!

Men verwijt de jeugd dat zij te veel vraagt, dat zij te veel plezier wil hebben en te weinig wil geven. Maar de ouderen hebben een wereld geschapen die ‑ hoe onzeker zij ook moge zijn in haar gehele structuur – binnen het staatkundig verband steeds grotere zekerheden op sociaal gebied gaat geven. De staat is niet meer iets dat zorgt: als iemand bij je komt stelen, dat die diefstal misschien wordt gewroken. De staat is een instituut geworden dat voor je verantwoordelijk en aansprakelijk is, dat je de gelden moet geven om te leven. Men meent recht te hebben om van de gemeenschap een leven te vragen dat gemakkelijk, vrolijk en prettig is.

U begrijpt dat dit voor de jonge mensen niet bevorderlijk is om te komen tot een reëel streven zoals de ouderen dat zien. Tenzij zij hun eigen doel vinden. Zij moeten zelf een richting vinden waarin zij zich kunnen uitdrukken en waaraan zij zich volledig kunnen overgeven. Want zoals alle jeugd heeft ook heden ten dage de jeugd behoefte aan iets waarop zij zich ten volle kan storten, waaraan zij zich geheel kan geven. Iets waarmee zij een wereld kan hervormen, waarmee zij voor zichzelf en anderen een nieuw leven kan opbouwen. Zo is de jeugd altijd geweest.

Ik geloof niet dat de volwassenen tot voor kort veel hebben gedaan om de jeugd deze richting te geven. Men heeft hen altijd opgevoed tot het “meelopen”. En velen hebben daardoor elke mogelijkheid tot reëel beleven aan het kind ontnomen. Hij heeft het gemaakt tot een soort sleurslaafje, dat alles kan krijgen wat het wenst, behalve het ene: de emotie, de opwinding, de sensatie.

Dan verwijt men de jeugd dat zij grijpt naar verdovende middelen, dat zij misdaden begaat, dat zij mishandelingen pleegt. Dan verwijt men de jeugd dat zij zo onverschillig is, dat zij vecht op straat en dat zij zich alleen nog maar verdiept in beeldromans en in goedkope films vol moord en doodslag. Maar wat anders heeft het leven dan te bieden?

0, u zegt: het leven heeft wat te bieden. Zeker, het leven heeft veel te bieden, maar de ouderen zijn dat vergeten. En omdat zij het zijn vergeten, hebben zij het aan hun kinderen niet geleerd. De ouderen weten dat er discipline nodig is, maar hun kinderen hebben zij het nooit opgelegd. Hoe kan men dan van de jeugd verwachten dat zij die dingen begrijpt? De jonge mens moet leren. Hij moet leren hoe de maatschappij is, wat de maatschappij van hem verwacht en vooral wat hij zelf daarin kan doen. Kan doen op een wijze die vrede geeft en vreugde.

Reeds lange tijd ‑ al van vóór de eerste wereldoorlog ‑ is er een tendens merkbaar geworden in de richting van “het witte boord”, het kantoorbediende willen zijn. Vooral geen werkman die zijn handen vuil maakt. Men heeft voor het handwerk een zekere minachting gekregen. Men is be­gonnen met een verheerlijking van de intellectueel als de man in de scho­ne, witte jas op het laboratorium. Of de man in het dure parelgrijze kostuum die van achter een groot bureau opdracht geeft aan duizenden die zelf weer niets anders zijn dan een extensie van een machine.

Hoe moet dan de jonge mens die de wereld zo heeft leren zien – omdat de opvatting van de ouderen nog steeds in die richting gaat ‑ zich voelen wanneer hij op een fabriek komt? Hoe moet hij zich voelen wanneer hij een soort machientje wordt dat een bepaald deel van de arbeid steeds weer automatisch verricht zonder enige vreugde? Zonder zelf iets te kunnen scheppen? Wat moet de jonge mens ervan denken wanneer al zijn levensvreugde verdrinkt in een zee van cijfers en formulieren? Vindt u het een wonder dat een jonge mens de wetten van de maatschappij overschrijdt? Dat de jonge mens een uiting zoekt die door de ouderen en door de maatschappij móét worden verworpen? De jeugd staat in een heel moeilijke wereld. Een wereld die vol van haat is. Een wereld die vol van problemen is die niet zijn op te lossen. Men dreigt met de atoombom. En de jeugd ontvlucht door het dromen over atoommotoren die toekomstige helden door de ruimte stuwen en in aanraking brengen met vreemdsoortige monsters die na vele moeilijkheden worden overwonnen. De wereld bedreigt het leven met het verkeer. Hoe reageert de jeugd daarop?: “Wat kan het mij schelen, zij kijken voor mij ook niet uit, laten zij maar zorgen dat zij wegkomen.”

Daar staan wij dan aan het begin van ons onderwerp een jeugd die stuurloos en roerloos wordt doordat de ouderen niet op tijd weten in te grijpen. En vooral doordat het gezin iets verloren heeft van die hechte samenhang die het vroeger bezat.

Dan zien wij de moeilijkheden met de huisvesting die het voor het kind vaak onmogelijk maken om over een eigen hoekje, een eigen kamer, een eigen kast te beschikken, om iets te hebben dat werkelijk van het kind zelf is. Het wordt gedwongen voortdurend aan te zien hoe de groteren zich gedragen en – sta mij toe dit op te merken – zich vaak misdragen. Het is toch wel begrijpelijk dat de doorsnee jeugd daardoor nadelig wordt beïnvloed.

Als men deze verwijten openlijk uitspreekt en de gedachten en antwoorden die erop volgen nagaat, dan hoort men heel vaak: “Ja, maar bij ons is dat gelukkig niet zo.” Men vergeet één ding, ik heb het reeds gezegd: het kind zoekt naar iets waardoor het zich van de omgeving onderscheidt. Het tracht zijn persoonlijkheid a.h.w. naar voren te brengen. En het heeft bewondering voor al degenen, die de bekende machten durven tarten, de strenge wetten durven overtreden. Twee of drie elementen uit een verstoord gezin kunnen vaak een hele school aansteken. Eén of twee van die elementen op een fabriek kunnen de ondergang betekenen van tientallen, ja, twintigtallen overigens gezonde jonge arbeiders. Eén meisje op een atelier kan soms de morele ondergang betekenen van al degenen die daar werken. Want de jeugd bewondert degenen die durven. En men ziet als durf datgene wat hoger machten tart. Dan zijn de voorbeelden die de jeugd heden ten dage worden voorgehouden nu niet direct groots: haatpredikingen, oorlogsdreigingen, een spel van vernietiging, een verheerlijking van het seksuele als iets wonderbaarlijks in plaats van het de normale factor van het leven te laten, die het behoort te zijn. Oorlogje spelen, gewelddadigheid en zaken doen. Keihard zaken doen. Verdienen ten koste van een ander, onverschillig hoe. Geloof echter niet dat ik pessimistisch ben. De moderne jeugd wordt door deze wereld voor veel problemen gesteld. Zij heeft geen vertrouwen in de ouderen of ‑ zo zij dit vertrouwen al bezit ‑ gelimiteerd. Zij leert in school en omgeving te veel om zich zonder enig nadenken over te geven aan een geloof. Zij twijfelt. Wanneer zij al in een geloofsrichting blijft voortgaan, dan is dit halfhartig. Zij vind geen vrede met haar bestaan, omdat vaak de maatschappij eerder kijkt naar “wat kun ie verdienen”, dan naar “wat wil je doen?”

Deze jeugd is hard geworden, staalhard. In de moderne kinderen is minder weekheid dan men vermoedt. Zij zijn het product van een tijd vol verwarring. Zij zijn mensen geworden die voor zichzelf zoeken naar iets dat hen kan opheffen uit dit moeras van verdeeldheid, slapheid en onbevredigdheid. De slechten vluchten in de misdaad. Zij vluchten in de roes. Zij gebruiken opiaten. Zij begaan allerhande uitspattingen. De goeden daarentegen zoeken een eigen richting. Zij zoeken een mogelijkheid de wereld te verbeteren, om zichzelf te uiten als mensen die een doel hebben gevonden. Zij zoeken een bezigheid die hen bevalt. En hun liefhebberij wordt vaak het vervangingsmiddel voor de arbeidsvreugde die zij eigenlijk moet hebben in de maatschappij.

Dezelfde arbeider die ruw en onverschillig zijn werk op de fa­briek afmaakt, zit ‘s avonds vol oneindige tederheid, vol oneindig geduld boven een model van een vliegtuig of een spoortrein die hij aan het bouwen is. Hetzelfde meisje dat onverschillig en met een ruw praatje de borden neerkwakt die zij heeft opgehaald toen zij bediende in het restaurant, zit ‘s avonds vol interesse een nieuw jurkje te ontwerpen en zij probeert het mooier en beter te maken dan een ander. Die jonge mensen lopen eigenlijk hun roeping mis. Maar dat kan niet anders. De ouderen moeten dit echter begrijpen.

Men moet het kind niet in een richting dwingen. Men moet niet zeggen: daar moet je heen en verder mag je niet gaan. Men moet tegen dat kind zeggen: kijk, dit zijn de mogelijkheden. Een tikje vreugde, zo zullen wij alles doen, opdat je deze vreugde moogt ervaren in een heel leven lang in je werk zowel als in je vrije tijd. Wij zullen trachten je te helpen om in de maatschappij een doel te vinden, dat niet alleen gekoppeld is aan het “ik”.

Jonge mensen zijn ik‑denkers. Wat is het voor mij? Wat betekent het voor mij? Ik denk er zo over en de rest is van geen belang. Indien wij die ik‑heid gaan versterken, dan loopt het vaak verkeerd af. Zeker, wij mogen het kind verantwoordelijkheid geven. Dat is noodzakelijk wil men de moderne jeugd redden uit het moeras waarin zij dreigt verzeild te raken. Maar wij mogen niet ‑ en dit zeer nadrukkelijk – het kind in een bepaalde beroepsrichting dwingen. Beter dat het kind als ongeschoolde arbeider begint en al worstelend voor zichzelf een weg baant in de richting die het begeert, dan dat het als klerk, advocaat, dokter of geestelijke eindigt, hoog aangezien door de medemensen maar innerlijk vol ontevredenheid.

De jeugd begrijpt dit. Waar de maatschappij haar de mogelijkheid niet biedt, verzet zij zich op een wrede en harde wijze. Waar de maatschappij aan de jeugd wel de mogelijkheden biedt om vooruit te komen, daar zal de jeugd beter zijn dan haar ouders.

Het probleem van de moderne jeugd is in werkelijkheid het conflict tussen teleurstelling en verwachting. Want een kind, dat in deze dagen wordt opgevoed, leert van de wereld zoveel te eisen, leert zoveel dingen als vanzelfsprekend te aanvaarden. En daardoor verwacht het zoveel van de wereld. Maar het vergeet dat het ophoudt kind te zijn; dat het een jonge mens wordt met andere taken en verplichtingen. Het stelt aan de wereld dezelfde eisen, maar de wereld vervult die wensen niet meer. De wereld wijst de eis af en zegt: “Zorg voor jezelf.” En daaruit wordt de ellende geboren. Wat is de oplossing daarvoor?

De oplossing hiervoor is in de eerste plaats: eerlijkheid van de volwassenen tegenover het kind. In de tweede plaats: een rangorde in het gezin die aan het kind zelfstandige taken en verplichtingen oplegt binnen zijn vermogen. Anderzijds aan het kind zekere rechten toestaat mits deze worden verdiend, anders niet. Een discipline die het kind leert te gehoorzamen en daarnaast de vriendschappelijke verklaring die het duidelijk maakt waarom de discipline noodzakelijk is.

Geen geestelijke dwang voor het kind maar toch een opvoeding die wij spiritueel kunnen noemen.

Verder moet de jonge mens datgene verrichten waarvoor hij geschikt is. Hij moet leren het werk te kiezen dat voor hem aanvaardbaar is en dat vreugde geeft, waarmee hij iets kan scheppen waarop hij trots is. Het kind moet leren dat de beloning van de arbeid minder belangrijk is dan de vreugde van de arbeid.

De jeugd moet worden geconfronteerd met het geld. Niet als iets dat men gebruikt voor zijn plezier. Maar als iets waarmee men voor zichzelf een groot aantal dingen die men nodig heeft, moet bekostigen. Doet men dat zuinig genoeg dan blijft er iets over voor het plezier.

De jeugd moet leren dat elke ontwijking van problemen en elke vlucht voor de werkelijkheid slecht is. Zij moet leren dat de buiten­gewone prikkel, in werkelijkheid altijd een teleurstelling betekent. Zij moet leren dat gezondheid en werkelijke sportiviteit niet voortkomen uit een streven naar maximum prestaties maar uit een ware vreugde, spel en werk gelijktijdig.

Kan men dit aan de wereld geven, dan zal de jeugd van nu het geslacht zijn dat de verbetering van de wereld van morgen mogelijk maakt. Dan spreek ik niet over een technische verbetering, maar over een verbetering van de mensheid. Een mensheid die nu ‑ ondanks haar grote bereiking en beheersing van de stof – zo jammerlijk heeft gefaald.