16 oktober 1970
Naar ik aanneem bent u allen op de hoogte van het feit dat wij sprekers van deze Orde, onszelf niet als alwetend of onfeilbaar beschouwen. Wij hopen dat ook u dit zult doen en zelf mee na zult denken. Ons onderwerp van heden gaf ik de titel:
Licht en duister
Wij kennen namelijk Lichte en duistere sferen. Daartussen ligt een astrale wereld die vol van onverwachte, vreemde en soms zelfs spookachtig, verschrikkelijke vormen is. Wanneer wij in dit kader een verhouding tussen licht en duister moeten uitdrukken zou men haast kunnen zeggen: Duisternis is een poging tot het ontkennen van het licht. Een duistere sfeer is over het algemeen niets anders dan een lichte sfeer, alleen sluit men zich af voor de waarden van het licht en de mogelijkheden van de lichte sfeer, en schept hierdoor een duistere sfeer voor zich.
Zolang wij in de vormkennende sferen van licht en duister blijven die rond het schaduwland of schemerland bestaan, valt het niet onmiddellijk op dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen de zogenaamde stijging van de lichte sferen en een gelijksoortige ontwikkeling in de duistere sferen. Stijging van sferen kan in het licht worden vertaald als een gradatie van toenemend besef. Nu blijkt echter dat een duisterder worden van donkere sferen op dezelfde wijze gegradeerd kan worden, zodat de afwijzing van alle niet persoonlijk bewustzijn parallellen vertoont met de hogere sferen.
Men kan verder stellen dat een lichte sfeer in zekere zin extrovert is: Men zoekt zijn erkenningen en belevingen naar buiten toe. De duistere sfeer zal dan introvert genoemd mogen worden, daar men zich hierin immers steeds meer in zichzelf pleegt terug te trekken.
Er is dus een totaal andere benadering van de levenswaarden en mogelijkheden. Maar de intensiteit , waartegen men zich introvert pleegt te verweren in een duistere sfeer, is in feite gelijk aan de lichtkracht waardoor men zich in een lichtsfeer steeds beter tot uiting weet te brengen. Het is dus niet zo gemakkelijk onderscheid tussen de essentie van de verschillende sferen te geven en elke poging daartoe resulteert in een beeld dat een soort doolhof gelijk komt. Wie toch iets zinnigs wil zeggen over de verschillende sferen, kan dit mijns inziens nog het beste doen aan de hand van de verschijnselen die zij in de astrale sfeer middels projecties kunnen veroorzaken.
Nu is de astrale sfeer iets ongewoons: Soms is het een wereld vol van fantastische lichten, waarin feeën en engelen gezamenlijk misschien rond een kabouter dansen, dan is het opeens een wereld vol van monsters, die verre het voorstellingsvermogen van zelfs de grootste sciencefiction-schrijver te boven gaan. Alles, wat wij in onszelf dragen, schijnen wij op het ogenblik dat wij – hoe dan ook – een contact met de aarde zoeken, hierin te projecteren. Ook de mensen op aarde projecteren overigens vanuit zich de nodige beelden in deze wereld. Soms lijkt het wel eens of je bij uitingen van het duister te maken hebt met slangen en wormen, vaak enorm vergroot. Vele fantastische amfibieachtige wezens en insectenvormen, die spinachtig aandoen, komen eveneens voor. De reden voor deze voorkeur in schrikvormen lijkt mij gelegen te zijn in de afkeer en angst die vele mensen reeds op aarde voor dergelijke wezens koesteren.
Indien men volgens de normen en waarden van de astrale wereld enige vergelijkingen wil maken, kan men bijvoorbeeld zeggen: Een duister sfeertje dat net aan een grens van het schaduwland ligt, kan misschien wel het beeld van een spinnetje uitstralen maar dan is dit een herfstspinnetje, een klein wezentje, dat een aan draadje rondzweeft en mogelijk wel hinderlijk kan zijn maar eigenlijk niemand in de astrale wereld ooit enig werkelijk kwaad kan doen. Telt men van hier een aantal sferen af naar het duister toe dan zal een soortgelijke projectie eerder doen denken aan een tarantella of een zwarte weduwe, giftig en gevaarlijk. Zou een van de diepste duistere sferen ooit tot een soortgelijke projectie komen, dan ontstaat een fantastisch beeld van een spin, zo groot en giftig, dat het als in een horrorfilm desnoods over gehele steden heen weg zou kunnen stappen of dezen zonder meer zou kunnen vernietigen, alleen reeds door het gif dat van de kaken druipt. Zou de allerdiepste duisternis ooit tot een soortgelijke projectie komen dan zou het een ware verschrikking zijn door het feit dat elk afzonderlijk deel van de projectie, tot elk haartje op het spinnenlijf toe, een geheel eigen leven en eigen dreigingen vertoont. Ik kon moeilijk in dit geval werkelijke beelden beschrijven maar op een dergelijke wijze en in een dergelijke verhouding zou een vergelijkbare projectie inderdaad plaats kunnen vinden.
Stel nu dat de lichte sferen een aangename gedachte projecteren naar bijvoorbeeld de aarde middels de astrale wereld. Dan zal deze vanuit Zomerland de vorm aan kunnen nemen van een bloemetje. Het hogere Zomerland echter zal mogelijk nog wel de vorm van een bloem gebruiken, maar deze leeft. Het is als het ware of zij van diamanten gemaakt is. Een nog hogere sfeer zal een licht geven dat beperkt en mogelijk gevormd is. Het zou dan vergelijkende wijze kunnen lijken of iemand de zon als zonnebloem gebruikt. Komt men bij uitingen van nog hogere werelden dan is de uiting eigenlijk vormloos. Zij kan vergeleken worden met een vreemde zelflichtende nevel die doorschoten schijnt met vele betekenissen die je als mens dan net schijnen te ontgaan.
Wie astrale projecties waarneemt kan uit hun omvang, aard en dergelijke dus met betrekkelijk grote zekerheid zeggen uit welke sfeer zij voort zullen komen. Bij mijn poging iets duidelijk te maken over de verschillende lichte en duistere sferen zal ik mij dan ook moeten baseren op de ervaringen die anderen zowel als ikzelf hebben opgedaan in de astrale sfeer.
Zou ik op mijn persoonlijke reacties op, en ervaringen met andere sferen af willen gaan, dan zou ik tot een wel zeer subjectieve beoordeling komen, daar mijn persoonlijke instelling, harmonieën en disharmonieën daarin een zeer grote rol spelen. De betrekkelijke objectiviteit van waarnemingen en verschijnselen in de astrale sfeer maakt het echter mogelijk iets gezamenlijk te benaderen en te beoordelen, waarbij het bovendien een zekere mate van substantie bezit. Hierdoor kan de subjectiviteit van een persoonlijke beoordeling voor een zeer groot deel worden afgevlakt.
Op grond van dergelijke ervaringen zou ik dan ook willen stellen: Elke vormkennende sfeer in het licht heeft de neiging geïdealiseerde beelden van iets wat op aarde bestaat te projecteren.
De wereldvoorstelling van degenen ,die in een dergelijke wereld leven, is dan ook aan de herinneringen die men van de aarde heeft ontleend, zoals u wel zult weten. Duistere sferen die nog vormkennend zijn, projecteren eveneens beelden die aan de aarde ontleend zijn. Maar hierbij ligt de nadruk op de negatieve aspecten. Om weer een vergelijkend beeld te geven: In een lichtsfeer die vorm kent, zal men mogelijk ook een mesthoop kunnen zien. Deze is dan alleen een rustiek accent in een verdere voorstelling, stinken doet hij niet. In een duistere sfeer zal men eveneens een mesthoop kunnen zien, maar dan is er niets moois of rustieks meer aan en de stank domineert de verdere voorstelling waarvan zij deel uitmaakt. Dit is maar een voorbeeld, maar dit maakt u misschien duidelijk hoe de verschillen in een in feite gelijkwaardige wereldvoorstelling gebaseerd kan zijn op een verschil in de nadruk die ligt op delen, facetten, van het beeld. Een bij uit een lichtsfeer is een mooi wezen dat niet gevaarlijk is en zeker niet kan steken. In een duistere sfeer zal de bij in feite een soort vliegende angel worden die eenieder voortdurend ergert en bedreigt.
Ook dit was, zoals u zult begrijpen, slechts vergelijkend gesproken. Zodra je echter te maken krijgt met werelden waarin men de vorm reeds heeft losgelaten, wordt het veel moeilijker een voor mensen begrijpelijk beeld te geven. Wel blijkt ook hier weer dat werelden van Licht en duister die vergelijkbaar zijn door een mate waarin vormbesef werd losgelaten, overeenkomsten in hun projecties vertonen binnen de astrale sfeer. De sfeer van Licht projecteert symbolen. Dit doet ook de duistere sfeer. Vaak zijn het zelfs ongeveer dezelfde symbolen die zij tot uiting brengen. Alleen de associaties die zij bij de beschouwers wekken zijn anders: Licht positief, duister eerder negatief. Wat toch weer typerend is voor de relatie die tussen dergelijke werelden ergens bestaat. Het is of men met dezelfde letters schrijft op het zelfde papier, maar de een schrijft zegespreuken en de ander vervloekingen. Overigens is de symboliek die wij hier aantreffen, zelf ook interessant. Ik kom hierop zo dadelijk nog even op terug.
Gaat men naar nog hogere of lagere sferen dan is er sprake van een soort vervaging. Het onderscheid tussen vergelijkbare sferen is hier echter groter: Een projectie vanuit een lichtende wereld is vormloos. Zij kan het beste worden omschreven als een soort nevel die eigenschappen heeft welke overdraagbaar zijn. De projectie vanuit het duister voelt eerder aan als een algeheel niets, een afwezigheid van straling, iets, wat trekt, een zekere zuiging vertoont. Het lijkt of een dergelijke projectie je wil verslinden en in zich ten hoogste steeds in zich reflexen laat ontstaan van hetgeen de waarnemer is of denkt. Je zou het als volgt kunnen zeggen: De lichtwereld geeft iets van zijn kracht door middel van een dergelijke projectie, terwijl een duistere wereld door haar projectie alles tracht te weerspiegelen en gelijktijdig tracht krachten te roven.
Ontleedt men de structuur van dergelijke voorkomende nevels in de astrale sfeer dan blijken zij wat structuur betreft, inderdaad geheel gelijk te zijn, slechts hun inhoud is anders.
Verwijderen wij ons nog verder van de vormkennende werelden dan is het moeilijk een uitdrukking te vinden voor de projectie. Hier is sprake van persoonlijke maar toch weer grote groepen of gebieden omvattende symbolen. Vorm komt hier voor maar is kennelijk eerder aan de beschouwer ontleend dan aan de projector. Vergelijkend beeld: In een bepaalde republiek vereert men Simon Bolivar als symbool van de vrijheid, overwinning. In de USA staat voor dergelijke begrippen Lincoln als symbool. Stel dat iets wat met vrijheid samenhangt uit deze hoge sferen wordt geprojecteerd. Dan ziet de een Bolivar, de ander gelijktijdig Abe Lincoln. Met dit voorbeeld tracht ik u duidelijk te maken dat in deze gevallen iets geprojecteerd wordt, waaruit men vormen leest die op aarde gekend zijn, soms zelfs personen ziet die eens bestaan hebben, maar altijd als symbool voor een verdergaand begrip dat een gemeenschap of totaliteit kan omvatten. Ook duistere werelden kennen soortgelijke symboolfiguren – bijvoorbeeld een duivel of zoiets, – die in feite niet werkelijk aanwezig zijn maar ontstaan door de associatie van de beschouwer die de uitgestraalde vormloze impuls met een voor hem betekenisvolle vorm aanvult.
Wanneer u dus in de astrale sfeer een werkelijk mooie en kennelijk machtige engel geprojecteerd ziet, weet u dat deze zo niet werkelijk bestaat, maar eenvoudig het symbool is voor u van een inwerking die u zonder dit niet zou kunnen beseffen. Is er sprake van een bepaalde werking vanuit de hoge sfeer, dan zal dit in vele gevallen door u worden vertaald in een aantal attributen die de engel met zich draagt. Toch heeft de engel alle kenmerken van een levend wezen en zal zich ook tegenover u als waarnemer, zo nodig als een levend wezen gedragen. Wat er in de praktijk op neerkomt dat de hoge sfeer niet zichzelf onmiddellijk kenbaar kan maken, maar toch middels deze weg op voor eenieder kenbare wijze, hetgeen zij is en eventueel wil doen, kan uitstralen. Het is duidelijk dat een duistere sfeer hetzelfde kan doen maar door uw associaties zich zal uitdrukken in een aantal gedrochten. Denk hierbij niet aan bijvoorbeeld een fauntje, dat even voor duiveltje tracht te spelen, maar aan werkelijk voor u verschrikkelijk voorstellingen, waarin al uw eigen angst en afkeer tot uiting komen. Denk bijvoorbeeld aan wezens als super grote krabben die met verschrikkelijke scharen of andere wapens ten aanval schijnen te tijgen. Op deze wijze kan zelfs een menselijke beschouwer in de astrale wereld nog iets begrijpen van de werking en het wezen van deze hoge sferen.
Ga je nog verder van de vormkennende werelden af, dan zijn er alleen nog maar uitstralingen die niet meer onmiddellijk kenbaar zijn maar de illusie wekken dat je jezelf ontmoet. Zowel bij inwerkingen uit de hoogste sferen als vanuit de duisterste werelden is hier sprake van een weerkaatsing van je eigen beeld, maar dan wel verrijkt met, of ontdaan van, mogelijkheden.
In feite dus een antwoord op de vraag wat je bent in contact met een dergelijke wereld. Dit zijn dan de hoogste werkingen waarvan wij nog een weerkaatsing in de astrale sfeer kunnen vinden. Het verdere blijft ongeuit, is althans voor ons niet in deze sfeer kenbaar. Toch meen ik dat aan het voorgaande reeds enkele conclusies verbonden kunnen worden.
Wat mensen in de astrale sfeer als de hoogste invloed of de meest demonische benadering plegen te beschouwen, is dus niet wezenlijk het hoogste of laagste. Vooral symbolen die men om de abstractie van de voorstelling als hoog pleegt aan te slaan, zijn in de meeste gevallen het product van een wereld of wezen, waarvan vast staat, dat zij slechts even boven de vormkennende sferen uitgestegen zijn. Wie te maken krijgt met de grote symboolfiguren als de engel en de monsters waarvan ik sprak, dient te beseffen dat dit uit het ego stammende symboolfiguren zijn. Zodra men deze gaat aanvaarden als werkelijke persoonlijkheden is men aan hen overgeleverd en kan men zich niet meer onttrekken aan de in de projectie gelegde bedoelingen en invloeden. Blijft men beseffen hier niet met wezens maar met invloeden zonder meer te maken te hebben, dan zal de beschouwer de bedoelingen en denkbeelden van een hogere of lagere sfeer af kunnen lezen, zonder de mogelijkheid tot zelfbewust handelen en reageren hierop te verliezen. Voor mensen op aarde is een aflezen van inwerkingen die op de wereld gericht zijn zelfs vaak eenvoudiger dan voor iemand die reeds enige tijd in de geest leeft, omdat de associaties een veel duidelijker beeld geven van de mogelijke inwerkingen op aarde en de resultaten die daarvan het gevolg kunnen zijn.
Ik stel nogmaals: Laat u door enorme lichtgestalten of grote schrikgestalten in de astrale wereld dus nooit te veel imponeren. Als u er ooit mee te maken krijgt, besef dan dat zij voor u slechts een mogelijkheid tot beschouwen betekenen, waaruit u naar wens een contact kunt leggen met, of afwijzen tegenover degenen die voor de projectie verantwoordelijk zijn. Wenst men geen contact dan hoeft men alleen maar de projectie te negeren. De gestalte zelf kan immers niets doen. Zij is alleen een symbool dat een deel van zijn vorm aan uzelf dankt.
Alleen de kracht die er achter steekt kan werkelijk ageren en dat alleen wanneer u met die kracht, door concentratie of aandacht, een zekere harmonie vormt. Zonder dit is geen wisselwerking tussen deze krachten en uzelf mogelijk. Realiseer u, voor u contact opneemt altijd, dat de actieve krachten in een dergelijk geval steeds sterker zullen zijn dan uzelf.
De mensen stellen zich de lichte en duistere werelden altijd wat simplistisch voor. Zij denken steeds als het ware in termen van zwart-wit. Toch is het mogelijk dat entiteiten leven in een wereldje van eigen besef, waarin licht en duister elkander afwisselen. Er zijn werelden als deze, omdat de entiteiten bepaalde aspecten van eigen persoonlijkheid en leven geheel in het licht kunnen aanvaarden, terwijl gelijktijdig andere delen van eigen leven en besef of kosmische waarheden eenvoudig ontkend en terzijde geschoven worden. De afwisseling van vlakken in een dergelijke wereld zijn natuurlijk niet zo regelmatig verdeeld als de vlakken op een dam en schaakbord. Toch kunnen deze voorwerpen als een vergelijkend beeld dienen. Een dergelijke vergelijking bestaat nog meer terecht, indien men zich realiseert dat dergelijke werelden voornamelijk in vormkennende sferen voorkomen. Zodra men de vorm loslaat, komt een dergelijke gespletenheid in eigen beleving veel minder voor.
Om u een voorbeeld te geven van de wijze waarop zo iets mogelijk is, het volgende: Stel dat er iemand is met een zeer dogmatisch geloof. Hierop heeft hij de gehele rationalisering van eigen zijn opgebouwd. Er bestaan natuurlijk nog wel andere dingen dan binnen zijn geloof aanvaardbaar zijn. Hij wist dit ook op aarde eigenlijk wel, maar heeft dezen nooit kunnen aanvaarden, zelfs wanneer hij ergens de redelijkheid, juistheid en goedheid ervan wel zou kunnen beseffen. Iemand die op aarde zo reageert, zal in de geest lange tijd een neiging vertonen tot een zelfde gedrag. Hij aanvaardt bepaalde waarheden wel, maar ontkent andere.
Hierdoor leeft hij als het ware in een lichtend veld waaraan hij alleen kan ontkomen door ofwel eigen onjuistheid van denken en geloven te accepteren, dan wel in een duister zich terug te trekken en te zoeken tot hij weer een ander voor hem aanvaardbaar deel van de waarheid betreden kan. Dit laatste is moeilijk en pijnlijk, daar zo iemand dan gelijktijdig naar de waarheid moet zoeken en zich tegen de aanwezige, maar voor hem nog niet acceptabele openbaringen van waarheid moet verweren. Een dergelijke situatie lijkt mij, beschouwd vanuit een menselijk standpunt, nogal verwarrend.
Zolang je fouten als deugden wilt waarderen, of, zover het anderen betreft, het omgekeerde, kun je dit in de sferen alleen doen wanneer je je voor de waarheid en dus ook voor het licht afsluit. Het ligt dus wel iets anders dan in uw wereld. Daar waar je een waarheid kunt erkennen, ben je als geest in het licht. Onze schaakbordwereld nu geeft de vreugden van het licht voor degene die er vertoeft, maar slechts beperkt. Je voelt dit op de duur en dus wil je meer. Maar dit meer kan alleen bereikt worden door iets wat je voor jezelf als zeer belangrijk beschouwt op te geven, of jezelf tijdelijk in diepe ellende te storten. Dit is wel geen vagevuur – wij hebben trouwens niet veel op met de voorstelling, alsof een deel van het hiernamaals een helse patatkraam zou zijn – maar heeft met de gangbare voorstelling van de mensen dit gemeen: Er is een zekere vreugde, maar om er geheel in op te kunnen gaan moet je pijnlijke ervaringen aanvaarden.
Misschien dat deze en dergelijke toestanden de verklaring vormen voor de vaak verwarrende en tegenstrijdige projecties en symbolen die wij in astrale werelden kunnen zien. Over het algemeen kan men echter stellen dat de symbolen en projecties die men in de astrale wereld tegenkomt niet zo simpel en freudiaans zijn als men zich op aarde wel pleegt voor te stellen.
De geprojecteerde symbolen plegen in drie klassen uiteen te vallen: Lijn of vlaksymbolen, associatieve symbolen en herinneringssymbolen. Voorbeeld van lijn of vlaksymbool: iemand projecteert een zilveren driehoek op een nachtzwart veld. Dat kan dan betekenen dat je de goddelijke of bovennatuurlijke waarden van het leven zult moeten aanvaarden om te kunnen leven in de beperking van wereld en besef, waarin je bestaat. – Ik geef slechts een van de mogelijke betekenissen – . Wij hebben hier te maken met lijnen, waarbinnen een vlak. Een lijnsymbool kan ook uit zuivere lijnen alleen bestaan. Een van de voorkomende projecties is een pentagram. Andere lijnstructuren komen natuurlijk evenzeer voor, zoals cirkels, kubussen enzovoort. In bijna alle voorkomende gevallen worden door de lijnen mogelijke verbindingen aangegeven, zodat een dergelijke projectie vaak beschouwd mag worden als een soort schetskaart van contactmogelijkheden.
Een laatste vorm van dit soort symbolen is opgebouwd uit kleurvlakken of contrasten, waardoor lijnen tussen vlakken schijnen te ontstaan. Deze soort komt niet zoveel voor en geeft veelal bestaande of noodzakelijke gedachteverhoudingen weer. Om u een voorstelling te geven: Denk eens aan bepaalde werken van Mondriaan, waarin geen werkelijke lijnen zijn getrokken, maar de stelling van verschillende kleuren tegen elkander een schijn van lijnen schept. Het oog ziet wat niet feitelijk op het doek aanwezig is. De mens kan een dergelijk beeld het beste beschouwen als een reeks van emotionele waarden, naast elkander gesteld.
De lijnen die zo schijnen te ontstaan op grensvlakken, vertegenwoordigen dan de gedachten die als gevolg hiervan kunnen ontstaan. Betekenis: Bewustwordingen of erkenningen die voor de mens mogelijk zijn, wanneer hij deze emotionele waarden juist door weet te maken.
Hoe zonderling dit u ook moge lijken, de symbolen die aan de hand van herinneringen worden uitgestraald, zijn vaak nog zonderlinger. Voorbeeld: Grootmoeder wil zich aan haar kleinkind manifesteren. Zij kan echter niet weergeven wat zij op dit ogenblik werkelijk is. Zij grijpt naar een vormherinnering en toont zich zo aan helderzienden bijvoorbeeld als een soort Kniertje, compleet met pannetje. Deze geest toont – projecteert – zich zo, omdat dit beeld voor deze geest de beste uitdrukking is van eigen wezen plus de wereld waarmede contact of harmonie wordt gezocht.
Ander voorbeeld: Om welke reden dan ook wil een geest iemand waarschuwen voor een gevaar. Een directe mededeling is, om welke reden dan ook, niet mogelijk. De geest projecteert nu het beeld van een man met dreigend geheven zwaard die op de ander afkomt.
De eigen herinnering aan dreiging en gevaar is voor de geest in dit beeld gelegen, dus meent zij zonder meer door deze projectie een juist en voor de ander begrijpelijk contact te kunnen bereiken. Wat natuurlijk lang niet altijd waar is, vooral wanneer er tussen de wereld van de projecterende geest en de wereld van de mens op aarde veel tijd en veranderingen liggen.
Herinneringssymbolen zijn in de meeste gevallen voor persoonlijke mededelingen en manifestaties bedoeld.
Associatieve symbolen bestaan vaak uit zuivere kleuren. Dezen zij al dan niet scherp begrensd. U kunt bijvoorbeeld op ogenblikken dat een zeer krachtige spreker optreedt, een boog van licht, een deken van licht of kleur zien. De kleur is hierbij over het algemeen eerder een aanduiding van inhoud dan een bewuste mededeling aan anderen. Soms worden zuivere lijnsymbolen gebruikt die in feite alleen maar de inhoud van de projectie weergeven zonder een mededeling te bedoelen. Zij doen vaak denken aan eenvoudige krijttekeningen zonder kleur. Vormkennende sferen zullen hiervan vaak gebruik maken wanneer zij in groep een zeer algemene boodschap over willen brengen. Deze symbolen noemt men associatief, omdat de inhoud ervan niet is vastgelegd door de geest, maar door de mens wordt toegekend aan een uiting die een eigenschap of erkenning van de geest in diens eigen termen uitdrukt.
Stel, ik, als geest, wil vreugde uitdrukken. Voor mij is vreugde synoniem met zonlicht. Ik projecteer dan zonlicht met het gevoel dat een ander daarin mijn vreugde terug zal vinden. De kans dat dit symbool direct begrepen wordt, is betrekkelijk groot. Een andere geest ging over als kind in een periode dat voor dit kind de grootste vreugde en heerlijkheid een boterham met jam was. Deze zal onder dezelfde voorwaarden nu een boterham met jam projecteren die echter bij velen geheel andere associaties op zal roepen zodat zij niet de vreugde van de kind – geest delen. Bij associatieve symbolen kan men altijd zeggen dat zij vanuit de geest worden geprojecteerd, worden als een beeld van eigen instelling en ervaring, daarbij uitgaande van de eigen persoonlijkheidsinhoud.
Een wat hogere geest zal vaak geen vorm, maar alleen een betekenis projecteren. De mens ziet deze dan in de volgens zijn persoonlijkheidsinhoud daarbij het best passende vorm. Bij overdracht tijdens de slaap – dromen – heeft dit nog wel eens vreemde resultaten. Iemand vertelt, dat hij /zij een rare droom heeft gehad: Ik zat in een voertuig dat was vastgelopen in de modder. Opeens verscheen er een grote bezem die zonder dat iemand deze hanteerde de gehele weg schoonveegde…. De boodschap was waarschijnlijk, maar uitgedrukt in inhoud, niet in vormen: Je voertuig is niet geheel in orde, maar maak je geen zorgen, want ik/wij zullen alles doen om de zaak zo snel en goed mogelijk in orde te maken. De mens kan dit alles niet geheel begrijpen en neemt nu de afzonderlijke delen, die hij aanvoelt als beeld op: Het voertuig = lichaam wordt een auto of zo. Opruimen = bezem. Eigen associatie tussen de opgevangen begrippen: Een weg. Eindresultaat: Een weg schoonmaken. Voor u zullen dergelijke symbolen voornamelijk van belang zijn wanneer u te maken krijgt met een meer direct contact tussen uw eigen wereld en een sfeer. Zodra u met de astrale wereld in contact komt hebt u altijd te maken met ofwel vormen dan wel krachtvelden. De krachtvelden worden altijd eerst gezien als afstekende van de omgeving en hebben veelal een eigen licht dat een kleur kan hebben.
Ik heb u met dit alles reeds veel gezegd over licht en duister, maar ook kleur kan erg belangrijk zijn. U hebt misschien wel eens een toneelscène gezien die begon in wit licht dat later door gekleurd licht werd vervangen. De betekenis die dit licht heeft wordt voor een groot deel mede bepaald door datgene wat op het ogenblik belicht wordt. In de showwereld geeft men dan ook voor dergelijke scènes de voorkeur aan lichte gewaden of gewaden waarin een of meer van de te projecteren kleuren sterk vertegenwoordigd zijn. Hierdoor verandert niet alleen de kleur van een dergelijk gewaad, maar kan de schijn worden gewekt dat ook het patroon gewijzigd wordt enzovoort. Componentkleuren treden op wanneer de kleur van licht en gewaad verschillen enzovoort. Dergelijke effecten kunnen ook vanuit de geest bestaan, zeker wanneer een geest inwerkt op de voorstelling die een ander astraal projecteerde. Maar ook meer kosmische waarden kunnen soortgelijke effecten veroorzaken. U hebt wel eens van de heren van licht gehoord. Dit is de aanduiding van kosmische krachten die een bepaalde stemmingsinhoud hebben welke door kleuren wordt aangeduid. Deze heren bepalen door hun uitstraling voor degenen die met hen harmonisch zijn, de ontwikkelingsgang en het geestelijk klimaat.
Maar ook vanuit het duister zijn vergelijkbare krachten werkzaam. Alles wat in de lichtende werelden kan bestaan, kan als een soort spiegelbeeld ook in de duistere werelden aanwezig zijn. De heren van licht werken met een positieve invloed, die men een lichtkracht kan noemen. De heren in de duistere sfeer werken met een negatieve kracht: zij geven geen kleur, maar nemen uit de normale wereld een bepaald deel van het aanwezige licht en besef weg. Dit veroorzaakt bij degenen die met hen harmonisch zijn, vaak een gerichte blindheid, een gebrek aan erkenningsmogelijkheid en besef op één terrein, ten aanzien van een bepaald deel van het leven of de geestelijke mogelijkheden.
In de lichtsferen is de harmonie met een heer van licht in vele gevallen bepalend voor de wijze waarop iemand zich in welke sfeer of wereld dan ook zal manifesteren. Symbolen en manifestaties van iemand die tot de rode straal behoort, zijn dus anders dan in betekenis gelijke manifestaties en uitingen van iemand die tot blauwe straal behoort enzovoort.
Soortgelijke verschillen bestaan bij entiteiten uit het duister die tot een van de duistere stralen behoren. Hierdoor is het in vele gevallen ook nog mogelijk bij een projectie in de astrale sfeer vast te stellen tot welke groep degene die projecteren behoren. Voor ons in de geest zijn deze mogelijkheden natuurlijk erg interessant. In dit verband zijn enkele punten eenvoudig genoeg om ze hier kort mede te delen: Wanneer vanuit het witte licht gewerkt en geprojecteerd wordt, zal vaak dit licht zelf niet te constateren zijn, maar kan men het behoren tot deze straal toch constateren door de bijzonder scherpe omlijning van alle details. De projectie bevat geheel geen vaagheden. Heb je te maken met de blauwe straal, dan zal men vaak in en rond de projectie een soort violette gloed opmerken. De voorstelling is veelal wat nevelig, terwijl enkele details scherp uitspringen. Het lijkt of rond de projectie een soort mist hangt. Naarmate de bedoelde invloed van meer mystieke en minder redelijke aard is, zullen sterk lichtende violette punten daarin voorkomen. Is de projector sterk dan zal dit violet zich ook rond de projectie als een soort krachtveld bevinden en gedragen. De voor de beschouwer geheel duidelijke en scherpe delen van een dergelijk beeld zijn echter altijd blauw van tint.
Projecties vanuit de rode straal worden vaak doortrokken van vlamachtige kleureffecten die met de lijnen en vorm zelf niets uitstaande hebben. De schakeringen doen soms ook denken aan de huid van een tijger of panter: Er komen strepen of vlekken van afwijkende tint rood op voor. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in het feit dat zowel de redelijke als de emotionele inhoud van de projectie mede worden uitgestraald en wel als verschillende roodwaarden.
Zou u ooit in de astrale sfeer iets zien wat gevlekt rood van kleur is dan behoeft u dus niet te zeggen ‘wegwezen, want dit is gevaarlijk’. U zou er beter aan doen naar de verdeling van de kleur in de voorstelling te zien, daar u hierdoor veel van de projectie bijzonder duidelijk kan worden, zelfs wanneer u daarmede verder niet harmonisch bent. Aanwezigheid van lichte kleuren als oranje en bijna geel betekenen een veelheid aan levensvreugde bij de kracht die hier aan het werk is. Roestkleur en bruinrood betekenen echter dat je met de projector op je tellen moet passen, omdat hij ofwel maar eenzijdig bewust is, dan wel niet geheel lichtend. Als mens zou je kunnen stellen dat aan dergelijke projecties nog een teveel van stoffelijke emotionaliteit en bemoeizucht verbonden is. Op deze wijze is het dus mogelijk niet alleen inhoud en karakter, maar zelfs de verdere ontwikkeling te bepalen van een persoon of groep die een projectie in de astrale sfeer heeft veroorzaakt.
De gerichtheid van degenen die onder een duistere heer of straal vallen, is vaak moeilijker vast te stellen. Maar u hebt misschien wel eens een kleurendruk gezien, waarbij een kleur nog niet was afgedrukt of was weggevallen. Er ontstaat dan een onafheid. Ontdekt u iets dergelijks in de astrale projectie dan dient u aan te nemen dat de bron daarvan met een duistere straal verbonden is. Ook wanneer u zelf een denkbeeld hebt en opeens blijkt een deel er van verdwenen te zijn, zodat in werkelijkheid geen samenhang meer aanwezig is, kunt u spreken van een vervalsing en aannemen dat de straal of invloed die daarbij betrokken is, duister is.
In de astrale wereld moet u nog op iets anders letten: Kleurvervalsing. Indien u een monster ontmoet, dat overwegend rood is, moogt u op grond van de vorm overwegen, of het misschien ergens uit een duistere sfeer komt. U kunt verder aannemen dat de originator van de projectie ergens nog tot de rode straal behoort. Alleen wanneer er geen enkele variant van rood of enige andere kleur in de voorstelling voorkomt moogt u aannemen dat, ongeacht het karakter van de projector, de projectie ongevaarlijk is, daar deze te eenzijdig is. Spelen echter naast de overheersende kleur nog lijnen en plekken van andere kleur een rol, dan is er sprake van een veelzijdigheid van de originator die ook in de projectie aanwezig zal zijn en kunt u beter heel goed oppassen, of, indien mogelijk, u buiten het bereik van de vorm begeven.
Deze kwestie van eenzijdigheid en veelzijdigheid geldt trouwens voor alle projecties en alle kleuren. Waaruit wel blijkt dat het licht zowel als het duister veel gemeen hebben. De voorgaande voorbeelden maken ook duidelijk dat de aard van alle astrale projecties duidelijk kenbaar is, terwijl de astrale vormen een aanduiding vormen voor de mogelijkheden en eigenschappen van de sferen, waaruit zij ontstonden. De reden voor deze benadering van mijn onderwerp was niet slechts gelegen in de mogelijkheid een grotere objectiviteit van waarneming te bereiken, maar daarnaast ook door het feit dat de astrale sfeer qua wezen dicht bij de materie ligt en als zodanig bovendien nog een vormsfeer is. Alles wat hierin tot uiting komt, komt dus concreter naar voren en zodanig is het gemakkelijker te begrijpen voor de mens.
In de sferen zelf zullen wij soortgelijke aanduidingen en mogelijkheden kunnen zien. Ook in de sferen zelf komen verschillende vormen van symbolen voor als middel van zelfexpressie. Toch zijn deze dingen in de sferen abstracter, minder gemakkelijk te beschrijven en vallen zij voor een groot deel van hun inhoud, mogelijkheid en betekenis wel zeer sterk buiten de menselijke voorstellingswereld. Door mij te baseren op de verschijnselen zoals dezen in de astrale wereld tot uiting komen, kreeg ik dus de mogelijkheid u een duidelijker voorstelling van zaken te geven en meer praktische raadgevingen voor te leggen.
Voor ik het onderwerp besluit, moet ik natuurlijk trachten daaruit enkele praktische conclusies voor u te trekken.
- U bent zelf door uw wijze van denken en leven harmonisch met één, soms met twee stralen of kleuren. U hebt altijd één hoofdkleur. Het is niet zo belangrijk uw eigen kleur te kennen, daar deze kleur uiteindelijk ook een symbool is voor iets anders. Wanneer u maar weet, met welke dingen u het gemakkelijkste harmonisch bent, in welke dingen u uzelf het sterkste herkent, weet u ook waarmede u de grootste harmonie zult kunnen bereiken. Ontmoet u uitingen uit een sfeer waarin deze dingen aanwezig zijn, terwijl de uiting toch voor u negatief schijnt, zo dient u zich onmiddellijk terug te trekken en te beschermen tegen een dergelijke invloed, zo goed u kunt. Dergelijke krachten en vormen zijn de enigen die u onmiddellijk en zonder meer zouden kunnen schaden, daar zij met u harmonisch zijn.
- Op aarde treden invloeden uit de geest zowel als de stralen afwisselend op. Invloeden die in overeenstemming zijn met de op aarde werkzame straal hebben de grootste kans om u te bereiken, te beïnvloeden of te helpen. Door uzelf in elke periode positief in te stellen en zelfs eigen gejaagdheid of mistroostigheid een positieve waarde toe te kennen en een positieve klank te geven in uw gedachten, bevordert u elke hulp en steun die u uit de sferen gegeven kan worden. Een negatieve instelling maakt u altijd kwetsbaarder voor invloeden uit het duister die op aarde werkzaam zijn.
- Maak u niet al te druk over de indeling van de sferen, de vorm en mogelijkheid daarvan. Wanneer u er zelf komt, ontdekt u wel dat het toch nog anders uitvalt dan u gedacht had. Maak u echter wel zorgen over de invloed die zij op u kunnen hebben. Bedenk hierbij dat een dergelijke beïnvloeding nooit eenzijdig en vanuit zichzelf kan bestaan. Invloed wordt nimmer ondanks het ik, maar altijd dank zij het ik en de instelling daarvan uitgeoefend. Naarmate ik mijzelf beter leer kennen zal ik ook beter kunnen bepalen welke invloeden voor mij aanvaardbaar zijn en zal ik elke niet aanvaardbare beïnvloeding niet slechts eerder en duidelijker kunnen erkennen, maar tevens beter kunnen afwijzen.
- U leeft in een materialistisch denkende wereld met een materialistische wetenschap. Verwerp deze niet, maar besef goed dat uw wezen en denken zelfs binnen een zuiver materieel denken en streven harmonieën omvat die ook voor de geest gelden. Wees ook, materieel gezien, steeds zo positief als u maar mogelijk is. Hierdoor verkrijgt u het maximum aan energieën en inspiraties uit de sferen volgens uw mogelijkheden. Wie van duistere krachten gebruik wil maken, zelfs in positieve zin, heeft hiertoe inderdaad op aarde vaak de gelegenheid en mogelijkheid. Onthoud echter dat dit alleen mogelijk is dank zij de negatieve eigenschappen die u bezit. Wie met dergelijke dingen niet heel erg voorzichtig is, zal moeten constateren dat zijn negatieve eigenschappen zijn gedrag in, en beleven van, de wereld op de duur geheel gaan beheersen.
Ik meen u hiermede een redelijk duidelijke schets te hebben voorgelegd en u enkele punten genoemd te hebben, die onder omstandigheden voor u nuttig kunnen zijn.
