2 december 1954
Sagen en legenden
Voordat wij nu verder gaan zullen wij eerst eventjes nog de gelegenheid geven om vragen te stellen over de voorgaand behandelde onderwerpen. Ik weet niet, of het nodig is.
Ik wou u dit vragen: Volgens de theosofen werd door de Heren van de Hiërarchieën omstreeks de helft van het Atlantische tijdperk besloten de deuren te sluiten, waardoor de dierlijke mensen het mensenrijk binnengingen. Dus zo ik het begrepen heb, de mutatie der drie onderrijken naar het mensenrijk voorlopig stop gezet worden. Is dat ook uw mening?
Neen. Zoals u misschien reeds heeft kunnen bemerken, heeft het totaal van het door mij gesprokene, zowel over de eerste Lemurische periode als over de Atlantische periode, ben ik het soms in grote trekken wel met de theosofische gegevens eens, omdat ik ontdekt heb, dat zij op waarheid berust. Maar dat houdt nog helemaal niet in, dat ik deze sterk vertakte Hiërarchieën met al hun speciale besluiten en wetgevinkjes ontdekt heb als werkzame factoren. In de ontwikkeling van de mens zouden wij heel gemakkelijk tot u kunnen zeggen: Leest u maar één van de vele kosmologieën, die door verschillende schrijvers naar voren zijn gebracht. Dan weet u het ook. Ons inziens houdt het reëel en te midden van de mens werkzaam zijn van een geest, de hogere geest, reeds op in de eindperiode van de Lemurische ontwikkeling en beschaving. Er kan niet meer gesproken worden van een direct ingrijpen van de hogere geest op aarde, noch van een stopzetting van de mogelijkheid om mens te worden ter enigerlei tijd. Het geldt niet alleen voor het Atlantische Rijk, het geldt voor vandaag aan de dag nog. Want in tegenstelling met wat de theosofen daarover gaarne naar voren brengen, hebben wij de bewijzen, dat plant en dier en mens, zowel als die entiteiten, die als geest met elementen gebonden zijn, kunnen overgaan tot het menselijk bestaan en incarneren in menselijke vorm, dus de verhoogde trappen der geestelijke beschaving kunnen beschreiden. Dat staat voor ons vast, onomstotelijk. Vandaar dat ik, dus dit niet, helaas niet geheel kan onderschrijven. Neen. Ik hoop, dat u het niet erg vindt, hoor. U hoeft het niet met mij eens te zijn. Ja, er staan nog wel meer discrepanties in die verslagen, ook in de beginperiode. Want als u bv. leest wat over Paaseiland gesproken wordt van theosofische zijde en wat wij er over spreken, dan valt u waarschijnlijk op, dat waar de grondtendens niet sterk verschilt, de tijdsindeling enorm sterk verschilt, zelfs met drie- tot vierhonderdduizend jaar, nietwaar?
U zei, dat de Atlantiërs, die waren dan de eerste reizen gaan maken naar Zuid-Amerika en Afrika. Wat voor wezens waren daar dan, waren het afstammelingen van de Lemuren?
Ja, dat waren inderdaad wezens, die behoorden tot één van de vele voorrassen, die uiteindelijk het ras der aapachtigen en daarmede van de mens geproduceerd hebben. Maar die door hun leven, leefwijze en vooral door hun geestelijke en ook lichamelijk verstandelijke ontwikkeling nog op een laag, niet te zeggen dierlijk, peil stonden. Want wij zijn hier natuurlijk in hele grote schreden over allerhand weg gegaan. Dat moet ook wel, omdat het de bedoeling is, deze reeks lezingen, in ten hoogste tien avonden, dus dat is in tien uren ongeveer aan spreektijd te beëindigen. Ja, dat is wel erg moeilijk, dat begrijpt u. Maar laat ik u dan alleen maar dit vertellen. In het Lemurisch tijdperk en de daaraan voorafgaande tijdperken ontwikkelen zich gelijktijdig of bijna gelijktijdig ongeveer achthonderd rassen, die elk voor zich bepaalde Simiaanse eigenschappen vertonen. Simiaans afgeleid van Sim. U weet toch wel wat een Sim is? Nee? Nu, een Sim, dat is een wezen, dat in zijn wezen zo zeer op de mens gelijkt, dat de mens denkt, dat de Sim de mens nabootst. Begint u er wat dichterbij te komen? Tot zelfs de inlandse hoffelijkheid van luizen, is bij deze aapachtigen evenzeer inheems, als bij de primitieve mens. Daaruit ontwikkelen zich alles bij elkaar, er sterven heel veel van die rassen weer uit, uiteindelijk in de periode der zoogdieren, ongeveer een zeventig verschillende soorten, die allen het aapachtige en menselijke benaderen. En nu is het vreemde, dat in de eindperiode van het Lemurisch tijdperk een vormgelijkheid bestaat tussen al deze verschillende rassen en de verschillen, die optreden hoofdzakelijk organische en grootte-verschillen zijn. Daaruit komt dan langzaam maar zeker een vereenvoudiging voort, waardoor in het gebied van de Stille Oceaan, Australië tot Indië, ongeveer een tiental mensachtigen of menselijke, vroeg menselijke rassen leven. We hebben over een paar daarvan wel wat gezegd. Gelijktijdig zien wij buitendien nog een zeventiental andere mensachtigen of mensachtige rassen zich ontwikkelen. Een groot gedeelte daarvan vervalt en verwildert weer, nadat een zeker peil van beschaving is bereikt. Kijkt u maar naar uw eigen wereld. Daar verwildert de mens, die al zoveel honderdduizenden jaren eigenlijk mens is soms weer tot dier. In de primitieve vorm gebeurt dat dan en krijgen wij daar dan de apen. Het vreemde is, dat een deel van deze apen de mens zeer verwant blijft en wij daar eigenlijk een scheiding kunnen leggen in ontwikkeling, die pas ongeveer een negentigduizend jaar geleden is, dus nog niet zo erg lang. Zo, dat was ook weer een kleine afwijking, maar ik hoop, dat het dan wel duidelijker is, wat voor wezens er o.a. leefden in die verschillende werelden. En nu zou ik eigenlijk verder moeten gaan met een verhandeling over Veda’s en Veden. Daar zit natuurlijk bij de zg. Eda’s, de Vedanta’s en wat dies meer zij. Maar ik vond het praktischer om het onderwerp, dat hier gedeeltelijk op volgt, nl. sagen en legenden, zoals ik ook reeds de vorige keer opmerkte, als het ware verweven hiermede, te behandelen, want deze Veda’s, Edda’s en Vedanta’s zijn gebaseerd op Heldendichten, op Heldenverhalen en als zodanig onmiddellijk met de totale mythologie verwant in grondslag. Deze verwantschap uit zich dan wel zeer sterk, wanneer wij de wijsheden zien die eruit voortkomen. De oudere mens had uit de aard der zaak nog niet de beschikking over een algemeen gangbaar schrift. Wel hebben de Atlantiërs een schrift ontworpen, het bloemenschrift, maar ja, u weet hoe dat gaat. Daar moet je een tijd voor leren, dat is heel erg ingewikkeld, dat is gebaseerd op allerhand esoterische beginselen, die voor de priesterkaste begrijpelijk zijn, maar waar een gewoon mens eigenlijk niet goed mee uit de voeten kan. Zo bestaat er in deze wereld, in deze periode nog geen enkel schrift, geen enkele mogelijkheid van tekens aanbrengen, die verder gaat dan een getalrekening. Die getallenrekening is een knopenschrift. Maar daar kun je geen verhalen mee vastleggen, noch wijsheden. En toch is het altijd voor de opvoeding van de mens en dus voor zijn verstandelijk, evenzeer als voor zijn geestelijk vermogen van groot belang, dat hij kennis neemt van de ervaring en wijsheid, die de ouden reeds vergaarden. Het is begrijpelijk, dat men dus een vorm kiest, die makkelijk aanspreekt. Een vorm, die amusement en leerstof tegelijk is. En zo zijn de eerste leerdichten eigenlijk niets anders dan verzen, zoals de troubadours ze zongen, waarin allerhand natuurlijke en bovennatuurlijke machten in een soort strijdspel, zoals de mens dat kent, worden samengebracht en tegenover elkaar dan de wijsheden uiten. In het begin wist een ieder wel, welke krachten er achter een naam verborgen waren, maar op den duur is ook dat vervaagd en werd zelfs de woordbetekenis wat anders. In den beginne sprak men over een vorst als een heerser, die krachtens zijn weten, plus zijn sterkte, zijn vermogen om kracht en gezag uit te oefenen, een bepaald gebied voor kortere of langere tijd regeerde. Later werden dit erfelijke geslachten, zoals u zich ook uit de laatste periode van Atlantis zult herinneren: Erfelijkheid door de mogelijkheid van betere opvoeding en gebondenheid van het vorstenhuis met de priesterkaste. Op den duur wordt hier dus een erfelijkheidsleer aan verbonden. De verbinding met de priesterkaste wordt al heel snel tot een verbinding met het Goddelijke in het primitieve voorstellingsvermogen van de mensen, die deze sagen en legenden verder vertellen.
Toch zitten er zeer grote waarden in verborgen, want al deze helden doen iets: Zij overwinnen demonen, zij overwinnen vorsten, zij bevrijden rijken en zij drijven slechts negatieve krachten terug in de afgrond. Zij zijn bekend met de vorsten, die de natuurkrachten beheren en beheersen. Wat dat betreft, zou het dan wel aardig zijn om een vergelijking te gaan maken met die theosofische stellingen van Heren, Huizen, Hiërarchieën, die op aarde zoveel te zeggen hebben. Dan zouden wij wel eens kunnen ontdekken dat de zeekoning, zoals hij nog wordt voorgesteld in de Indische legende, dat de Apenkoning Hanoeman, die ook al voorkomt in vele Hindoe-legenden en ook deel uitmaakt van de folkloristische overlevering en dansspelen in een zeer groot gedeelte van Zuid-Azië, dat die ook een betekenis heeft. Nu wil ik beginnen met deze Hanoeman bij de kop te nemen, als u althans het niet vervelend vindt. (Neen). Wel, Hanoeman is de zoon van een God, die zich paart met een aardling, dus uit de zon en de aarde geboren. Of zoals Adam en Eva, door God gevormd uit de aarde. U voelt wel, dat hier een overeenkomst in ligt. Een overeenkomst, die wij in andere legenden, sagen, overleveringen, zogenaamde openbaringen evenzeer terug vinden, als in de Veden. Hanoeman nu regeert betrekkelijk willekeurig zijn apenvolk. Hij is dus krachtens zijn afstamming de meerdere van zijn soortgenoten. Eigenaardig genoeg vinden wij dergelijke pretenties in zeer vele van de legenden en wordt zelfs in de Upanishads op een bepaald moment gesproken over de Goddelijke vlam, die de held maakt tot richter en meerdere van het mensdom, dat onder zijn voeten is als het stof onder de voortstormende olifant. Aardig beeld. Maar het zit erin. Hij is meer waard, zo ook met Hanoeman. Hanoeman krijgt te maken met het mensdom. Dat is natuurlijk associatie. De mens kan zich niet voorstellen, dat er voor de mens iets geweest is. Zo krijgen wij dan het verhaal van deze apenvorst, die op een gegeven moment, U kent de legende misschien wel, zich voorneemt de overgang van Malakka naar de eilanden wat makkelijker te maken en daarom een paar eilandjes in de zee wil zetten. Toevallig heeft één van de Goden het al gedaan en onze vriend Hanoeman wordt zo kwaad, dat al de aarde en stenen, die hij reeds vergaarde, neerwerpt en daarmede een berg bouwt, die reikt tot in de hemel. En nu let wel: Het is niet Hanoeman, die daardoor in de hemelen doordringt, het is ook niet Hanoeman, die, zoals het heet, de sterren plaagt. De sterren mogen wij wel identiek zetten met geesten van hogere sfeer, maar het zijn apen. Daarop wordt hij gedwongen een deel hiervan af te nemen, de top van de berg af te nemen en zijn apen als het ware te straffen. Op dit moment neemt de volksfantasie veel van de werkelijke betekenis in legende over en ontaardt het geheel in een magisch verhaal. Maar wat hebben wij hier eigenlijk dus? Adam en Eva; Hanoeman gevormd uit God en aarde. De Adam. Met zijn nakomelingschap. En wat dat betreft is het aardig ons te herinneren, dat Adam schijnbaar ook leerde reeds in een dichtbevolkte wereld, omdat Kaïn naar de vreemde ging en zich daar een vrouw nam, zodat wij Adam moeten zien in een gezagspositie krachtens zijn afstamming. Hij bouwt een toren tot in de hemel; de joden hebben de overlevering van de toren van Babel; ook de Indianen hebben trouwens zoiets nl. de geschiedenis, ja, dat doet denken aan het Engelse sprookje van “Jack and the Beanstalk”.
Hoe zou je hier zeggen “Jaap en de Bonenstaak?” Van een mens, die langs magische weg een boon, waarschijnlijk in het oorspronkelijk sprookje een Sequoia, doet opgroeien tot in de eeuwige jachtvelden, daar doordringt, daar huwt, maar later zijn familie naar boven wil halen en dan gebeuren er heel veel onaangename dingen: De boom wordt door de Goden verbrijzeld, de misdadigers worden gestraft, de goede man wordt als een ster aan de hemel geplaatst, omdat hij nu eenmaal niet meer in de hemel getolereerd kan worden. En vanaf dat moment is dus iedereen uitgeschakeld, behalve zijn zonen, die krachtens hun magische afstamming alsnog in de hemel kunnen treden op bepaalde momenten en later de Manitou’s worden, dus de Goden en de Groot-Magiërs. Die overeenkomst is er niet voor niets, want men geloofde in de overleveringen van de Lemuren zelfs al, dat de mens gevormd werd uit het slijk der aarde. In Atlantis wordt dit anders gefundeerd en daar wordt gezegd, dat de mens geboren was uit het Licht, dat het Water huwde. Een ietwat juistere omschrijving overigens. Maar dat is niet te bevatten voor die mens. Water en een vast lichaam, dat kunnen zij niet overeen brengen. Wel modder of klei, waarin zijzelf ook al primitievere en schonere vormen hebben geleerd te boetseren. Vandaar dus die kleigeschiedenis bij Adam. Vandaar het overdragen bij de meer abstract denkenden van dit geheel in hetgeen, wat voor hen het leven nog uitmaakt, het seksuele. Daar zijn we dus op een puntje, dat buiten Hanoeman om, even een beschouwing waard is, omdat het in onmiddellijk verband staat met de geestelijke ontwikkeling en wording van de mens, waar wij ons uiteindelijk zo langzamerhand toch ook wat mee bezig moeten houden, nietwaar? Wanneer de mens in het begin de sekse ontdekt, het seksuele, dan is dit nog een magisch gebeuren. Echter wordt dit van magie meer en meer tot persoonlijkheidsuitdrukking. Het wordt de persoonlijke roes, die de mens ontrukt aan de wereld en hem op een hoger standpunt plaatst. Vandaar ook, dat men vele fallische beeldjes vindt, altijd daar waar de primitieve mens nog leeft. Ze geven in deze symbolen uitdrukking aan de kracht van het seksuele. Degenen onder u, die wat meer geschoold zijn in de esoterische waarheid, weten, dat het seksuele de uitende kracht in de mens is in stoffelijke richting gestuwd en dat onder deze omstandigheden geprojecteerd kan worden naar boven toe, waar zij o.a. keelkop en hersenen beïnvloedt en een verruiming en vergroting van geestelijk bewustzijn, zowel als geestelijk prestatievermogen, mogelijk maakt. Dit mogen wij dus nooit vergeten; het is levende kracht, die zich uit. En dit seksuele is in een tijd, dat de beschaving, de grote beschaving van Atlantis, ten onder is gegaan en de volkeren in primitieve gemeenschappen samenleven, het enig vermaak. Het is het punt, waar iedereen over spreekt. Als er een kind geboren moet worden, is dat voor de hele gemeenschap een belevenis. Een paring is een publiek geheim en wordt besproken en bekritiseerd. Ze leven daarin. Is het wonder, dat deze primitieve mensen alleen het Goddelijke kunnen begrijpen, wanneer het in seksuele termen wordt uitgedrukt? Vandaar de paring van het Goddelijke met het aardse. Maar men begrijpt heel goed, dat, wanneer dit plaats vindt er iets ontstaan moet, dat toch wellicht boven het eigen “ikje”, dat gebonden is aan één beperkt wereldje, staat. En nu gelooft men ook, zoals elke primitieve mens dat doet en niet geheel ten onrechte, aan het leven, dat schuilt in alle dingen. De wind leeft, het vuur leeft, de bomen, de planten, de struiken, allemaal leven zij. Men zou nooit kunnen zeggen, of niet ergens een Hamyad of een Dryade leeft, die in staat zou zijn het menselijk lot te beïnvloeden, iets te geven of te nemen. Vandaar dat in deze overbevolkte godenwereld een figuur wordt gesteld, geboren uit de God en de aarde, die de magiër is. De magiër, speelbal van de Goden, maar ook tevens heerser over de mensen. Hanoeman! Maar wanneer de magiër, trachtende magisch te bouwen, iets van de waarheden, die hij noodzakelijkerwijze moet kennen om magiër te zijn aan het vulgus, aan het volk voorwerpt, dan geeft hij hen daarmede de mogelijkheid zich ver te verheffen boven hun eigen geestelijke capaciteit. Dat houdt in, dat deze mensen, dus die primitieve mensen, in aanraking komen met werelden, die zij niet begrijpen. Net als een kind niet vraagt, of het een mes is of een glinsterend steentje, waar het naar grijpt. Zo vragen deze mensen, geestelijk niet rijp, niet er naar wat voor krachten zij beroeren. Zij grijpen werkelijk naar de sterren en wanneer dat gebeurt, dan zou dus de wereld daarboven, of wel de hoger trillende sfeer, vernietigd kunnen worden door de voortdurende aanraking met het veel lager, veel stoffelijker staande.
Daarom moet dit alles verdwijnen. Hanoeman wordt verslagen. Verslagen door zijn eigen ongedurigheid, maar hij blijft de magiër. En wanneer hij dan ook uiteindelijk van de aarde verwijderd wordt, wordt hij volgens de oudste legende ook weer een ster, volgens anderen echter een dienaar in het Godenrijk. Die legenden en die sagen geven ons zo’n aardige blik in het leven der mensen in die tijd. Ze doen ons begrijpen, dat al deze namen, dat al deze geslachten van Goden, zoals die worden voorgesteld, al deze onderlinge verschakeling en vertekening van krachten, niets anders is dan een voorstelling van een eeuwigheidswaarde, die aangepast aan het enige, wat zij daar kunnen begrijpen, nl. het seksueel verband, familiegemeenschap enz.
En nu wordt het nog interessanter, wanneer wij ons een ogenblikje de moeite getroosten om wat overleveringen en sagen eerst te bezien. Allereerst zou ik een sprookje willen nemen. Ik weet niet, of U gehoord heeft van het sprookje van de IJskoningin? Kent u dat? (Ja.). U weet dan ook, dat, wanneer er een spiegel barst, er in het hart van de mensen een splinter doordringt en zij niet meer vatbaar zijn voor het leven. Dat kind, weet u wel, dat zich in het koude paleis gelukkig voelt, omdat het hart bevroren is. In de vroegste tijden, waren er zoals heden ten dage ook, materialisten. En de Rede is de IJskoningin. Men begreep toen nog niet direct in die zin, maar men wist toch wel, dat aardig uit te drukken. Het is misschien de moeite waard er op te wijzen, dat de oorspronkelijke versie van de IJskoningin onder de naam Guanderlinne in de Oud-Keltische vorm al voorkomt. Kelten, die weer afstammen van Atlantis. De Rede breekt haar spiegel. Op het moment, dat de Rede zichzelf niet meer kan aanschouwen, sterft het hart. Dan is het afgesloten van alle leven, totdat een kracht, die niet verstandelijk is, komt en de ban breekt. Het meisje, dat gaat zoeken, omdat ze zo’n warm en liefdevol hartje heeft. Het offer. Door het offer wordt het kind dan weer gewekt en keert terug tot zijn ouders, rijkelijk beschonken, dus met geschenken van de IJskoningin. Dat heeft een hoop parallellen: Goud Elsje en Pek Elsje o.a., al die Vrouw Holle-verhalen. Natuurlijk zijn dat eigenlijk de bakersprookjes van Moeder de Gans, maar het zijn en blijven volksoverleveringen, die steeds weer op hetzelfde wijzen. Alleen het liefdevolle, het onbaatzuchtige kan de ban breken van het redelijke, van de wereld der verschijnselen. En dit breken van de wereld der verschijnselen schenkt aan de reden een grootse gave: Dat wordt dan in de termen der eenvoudigen uitgedrukt, als goud en diamanten en schoonheid. Nu wij dit zo bezien hebben, kunnen wij waarschijnlijk beter begrijpen, waarom menige Edda, menige Veda een verhaal is, dat vol staat van moord en doodslag, van overwinning, van ondergang. De gang van de geslachten der mensen wordt als het ware samengevat in al deze namen en begrippen. Telkenmale weer zien we hoe de bewuste mens tot overwinnaar wordt en hoe door zijn overwinning velen lijden. Het is steeds weer het ingrijpen van de machtige hand, die in een ogenblik alles plotseling in de juiste verhoudingen plaatst, zoals in één van de Vedden wordt verhaald van de Drie Broeders, die uitgeworpen uit hun land bij een stad komen, nagejaagd worden door hun vijanden, geketend zullen worden, doorgaan tussen twee klaarstaande legers, die zullen beginnen te strijden op hun vlucht. Dan worden zij plotseling door de Goden begaafd met krachten, waardoor ze beide legers met zich mee nemen en worden tot heersers over het rijk, dat hen verworpen heeft en het rijk, dat hen verraden wilde. Al deze verhalen hebben steeds weer dezelfde zin: Er wordt in geschetst de geestelijke ontwikkeling van de mens en de mensheid. Maar in de termen, die de mens van die oude dagen ook kon begrijpen. Op den duur echter waren deze verhalen niet zo noodzakelijk meer. Zeker, voor het volk blijft de legende, de sage, de mythologische overlevering bestaan. Voor de eenvoudigen karnen de Goden nog steeds de wereldzee en is er nog steeds Indra, die zich offert door het wereldgif te eten, opdat de Schepping voortgang kan vinden. Voor de eenvoudigen ligt de wereld nog steeds in de knellende greep van de Wereldslang, of wij haar nu Midgaard noemen of anders. Voor de eenvoudigen is daar nog steeds het Nevelheim, voor de eenvoudigen is daar nog steeds een Olympus, een eeuwig Jachtveld, of de hofhouding van de Grote Gele Keizer. Dat zijn namen voor hetzelfde. Maar de mensen, die scherper leren denken, die langzaam maar zeker de seksuele betekenis als primair overwonnen hebben en haar alleen nog zien als een uiting van een vermogen, dat verder kan grijpen, hebben niet meer de behoefte aan juist deze simpele, op zichzelf juiste sleutelverhalen, die werkelijkheidswaarden vermommen achter menselijke voorstellingen en beelden, of magische beschrijvingen. En zo komen dan de eerste Veda’s en Vedanta’s, die hun verhalende vorm terug brengen tot het uiterste en daarvoor in de plaats stellen een beschouwende vorm. Een beschouwende vorm, die beknopt en kort is en die toch aan de andere kant buitengewoon helder ons doet inzien, hoe veer reeds de Ouden in het wezen der dingen waren doorgedrongen. Wat zoudt u bv. zeggen van dit, ik citeer hier uit één van deze oude geschriften:
“Zon en maan wentelen met een kleine wereld in ons wezen en ons wezen wentelt rond een andere zon, zoals de zon rond zonnen gaat en banen worden beschreven. Dit nu is het patroon der schijn, dat schakel in schakel sluit. Dat werveling na werveling de keten voort draait in oneindige verknoping”.
Lees dat nu maar eens terug in moderne termen, wat staat er dan eigenlijk? De mens is opgebouwd uit kleine zonnestelseltjes, uit atomen zouden wij kunnen zeggen, nietwaar? En die bewegen zich, maar de mens beweegt zich met dat geheel weer om een ander middelpunt. En dit middelpunt is slechts weer een klein planeetje van een andere zon en zo gaat dat verder. En het zegt er dan zo nuchtertjes achter aan, dat alles is de wereld van de schijn. Niet zo gek! Het is helemaal niet zo gek. Want dat hebben de Ouden geschreven, maar dat geldt voor velen in de nieuwe tijd ook nog. Dat is niet zo verouderd. Dat is zo nieuw als de meest moderne psychologische, de meest moderne filosofische beschouwing. Voortdurende vertekening van allerhand gebeurtenissen, waardoor een waanwereld ontstaat. We vinden dat ook wel weer terug in pseudo geschiedkundige verhalen, waar op een gegeven moment bv. de held wordt benader door Gandha, een godsvorm, of Ghandya wordt hij ook wel genoemd, die hem een magisch wapen geeft en hem zegt, dat hij met dit wapen de wereld kan overwinnen. De held overwint de wereld en richt het wapen tegen de Goden. Waar zij het wapen niet kunnen afkeren of afwenden, het is nl. hun eigen schepping, het ligt op hun eigen peil, laten zij hem dan ook rustig hen achterna jagen, totdat zij komen bij een grote kristalplaat. Ze verleiden hem ertoe door list zijn spiegelbeeld daar in te zien als als één van de Goden, die hij achterna zit. Hij werpt zijn schijf, het is een werpschijf, die worden nu niet veel meer gebruikt, maar een soort mes, wat met een stokje wordt geworpen, rond. En deze slaat het hoofd van het spiegelbeeld af, waarop de mens zelf sterft. Hiermede is hij niet een werkelijke dode. En de Goden maken dat dan goed door hem op te nemen in de lagere hemelen. Aardig getekend. Heel aardig, want ditzelfde staat enigszins anders in een beschouwende vorm geschreven. Ik zal het maar volledig zeggen, het staat allemaal zo fragmentarisch, het klinkt allemaal zo raadselachtig. Ik zal de woorden, die mankeren er maar tussen zetten, makkelijker. Maar we komen ongeveer tot dit: “Wat de mens gaat, kan hij sterven en doen sterven.” Dus sterfelijk. “Zodra hij zichzelf herkent (spiegelbeeld) kan hij zich echter boven de Goden verheffen, want dezen kunnen zich niet spiegelen. Maar wie zijn spiegelbeeld miskent, wordt de gelijkt van de Goden.” Dus wanneer je je eigen beeld in de Schepping miskennen zoudt, en je zou het vernietigen, de waarde, die uit jezelf geboren is, dan ben je een God, volgens de opvattingen uit die tijd, over Goden althans. Dat zijn allemaal heel aardige dingen. En misschien dat u nu kunt begrijpen, wanneer we wat verder gaan met de geschiedenis van de mensheid en wordingsgang, dat we gaan zeggen: “Toen eenmaal de restanten van de Atlantische wijzen zich gevestigd hadden op hoge gebieden”. Zuivere lucht is ook niet zo gek, hoor! Ik zal u eens wat vertellen. Vandaag aan de dag zijn er mensen, die precies hetzelfde zouden willen doen en kunnen ze dat niet doen, dan hebben ze apparaten ontworpen, waarbij ze de luchtelectrische verhoudingen gelijk maken aan die van het hooggebergte, alleen omdat die plaatsen voor het leven gezonder zijn, voor de vitaliteit beter enz. Wanneer die Atlantische wijzen dat gevonden hebben, dan leven ze daar zoals u zou leven als schipbreukeling temidden ergens van Papoea’s, die nog nooit een blanke gezien hebben. Je kunt vriendelijk tegen ze zijn, maar je kunt nooit met hen delen, wat je zelf bezit, dat gaat niet. In het begin is er dus een zeer scherpe scheiding te zien tussen de geestelijk ingewijden, die een nauw contact onderhouden met hun directe volgelingen, die met hun meegetrokken zijn. En daar om heen de inboorlingen, die, nu ja, wel gunsten ontvangen, meestal ook wel vriendelijk zijn, omdat die anderen zo’n machtige magiërs zijn, maar toch geen jota en geen titteltje kunnen begrijpen van al hetgeen, wat daar zo wordt verteld. Daar zit nu eigenlijk de hele knoop, wanneer we gaan spreken over de legenden en sagen. Vandaag aan de dag zeggen ze nog: “Wie de jeugd heeft, heeft het volk. En wie het volk heeft, heeft het land, wie het land heeft, kan de wereld veroveren”. Deze wijzen van Atlantis willen ook graag een wereld veroveren: De wereld van de dierlijke mens en daarom beginnen zij met de verhalen te scheppen, die voor deze jeugd een langzame ontplooiing zijn van het gedachteleven, een ontwikkeling van de fantasie en het zelfstandig denken. Vandaar onze heldenverhalen. Wanneer die volkeren dan in zichzelf wederom godsdiensten met priesterschappen ontwikkelen, wanneer zij op den duur een beschaving naderen en bereiken, dan zijn het juist deze verhalen, die voortleven. Oude waarden van een volk, uit zijn jeugd bewaard, liefste herinneringen van de Ouden. Altijd zo. Een oud volk beroept zich op die tijd, dat het jong was, Nederland roemt heden nog, over wat het als een jong en krachtig volk heeft gedaan, toen het pas zich vrij had gemaakt van de kettingen, die het bond met Spanje, met het Middel Duitse Rijk enz. Zo gaat het ook daar. Die oude verhalen zijn heilig. Zij worden bewaard en steeds eenvoudiger versies worden er uitgegeven. Hoe eenvoudiger de versie, hoe sterker het magisch element. Hoe sterker het magisch element, hoe meer wij het sprookje, de legende benaderen. Maar de kleine kernen van gevluchten, van wijsheids- en lichtdragers, die laten hun eigen wijsheid niet ten gronde gaan. Zij leggen die vast op hun eigen wijze: In steen, in edele metalen. Wij zien in deze tijd bv. reeds boeken, die in koper gegraveerd zijn. Niet meer het mooie schrift van Atlantis vol met edelstenen, maar toch iets, wat er mee verwant is. Nu zit ik nog te dichten ook, merk ik. Zou uw Sinterklaas-stemming mij toch nog te pakken hebben? Ja, dat is ook zo iets aardigs. Weet u, Sinterklaas was een Bisschop, Bisschop van Myra, die o.a. Valladolid, Granada en later nog Maastricht, eh…. Maastricht, hoor mij, Madrid geleefd zou hebben. Maar het leuke is, dat lang voor er sprake was van een Sinterklaas, er bepaalde Goden of gevende demonen waren, die ook door de lucht reden en dan naar verkiezing, soms op een draak, soms ook op een bok, soms op een schaap zelfs; er is er één zelfs geweest, die rijdt op een arend. En die op een bepaalde dag van het jaar de wereld beroerden. Wie hen dan toezong en toe bad, die kregen dan gaven. En omdat die gaven zo moeilijk, ook in die tijd, hadden zelfs de Goden evenmin een dikke portemonnee als Sinterklaas in deze dagen, omdat die Goden natuurlijk alleen het innigere gebed konden verhoren, gaf men dan aan de kinderen en vrienden en bekenden kleine gaven uit naam van deze God, in de hoop, dat men daardoor zijn zegen en bijstand voor de rest van het jaar zou verwerven. Dat is niet alleen zo maar een vier- vijfduizend jaar oud. Dat vinden wij zelfs een zeventigduizend jaar geleden al. Dus heel wat ouder dan Sinterklaas. Het is even een afwijking, maar toch eigenlijk wel weer leuk. Het pas er eigenlijk wel bij. U ziet, hoe de gestalte, de vorm van de legende verandert. maar de achtergrond eigenlijk gelijk blijft. Dat zouden wij door kunnen voeren overigens voor alle bekende figuren, alle bekend geloof. Verhalen over Alexander de Grote, verhalen over Djengis Khan, de anekdoten over Napoleon, die scheelden eigenlijk zoveel niet, en het mopje over Einstein hebben ze vroeger ook al eens over Socrates verteld.
De namen veranderen; de coulissen, die voor het verhaal worden gebruikt, veranderen, maar de tendens, de handeling blijft zichzelf gelijk. Dat hebben die Ouden en Wijzen dan ook heel goed geweten. En daarom juist gaven zij aan het volk de legende en de overlevering: Een Heldendicht. De verketting van geslacht op geslacht als wonderlijke waarheid en wijsheid, opdat hierin bewaard zou blijven een waarde, die de jeugd, vooral de jongeren, zou trekken, opdat zij magisch enigszins voorbereid, zouden kunnen worden gebruikt om de langzaam dunnende gelederen der oorspronkelijke Atlantische wijzen aan te vullen. Het is aan de ene kant dramatisch, aan de andere kant heeft het wel iets belangrijks in zich. Het is als een filosoof, die met een poppenkast de wereld rondreist om uit de reacties der kinderen iemand te ontdekken, die rijp gemaakt kan worden op zijn werk voort te zetten. Die voorgeschiedenis gaat nog veel verder, want de Ouden, die Atlantiërs wisten van veel dingen, die de primitieven nog nooit gehoord hadden. Zij kenden in Atlantis het gebruik van het vuur, van explosieve middelen, zij kenden het gebruik van geschriften, althans in de priesterkaste en men zocht dingen, die aan te passen zouden zijn aan het begripsvermogen van die eenvoudigen. Eén van die Atlantiërs besluit om hen vuur te geven: Prometheus. Een ander tracht hen de onpersoonlijke rechtvaardigheid te brengen: Osiris. Zij trachten om de primitieven op te heffen. En ook hun handelingen en daden worden mee vervlochten in het samenspel van legenden, in het samenspel van overleveringen en waarheid. Hercules met zijn grote werken is uiteindelijk gelijk aan de wijze, die volgens de Oosterse legende uittrekt en achtereenvolgens betreedt de onderwereld en betreedt een plaats van corruptie, die hij uitroeit, betreedt een eiland der demonen en daar een bloem plukt en bevrijdt en hem tot gade, tot Godin wordt, aan zijn zijde gaat, waaruit hij voortbrengt en baart. Coulissen veranderen, figuren blijven gelijk. De figuren over de hele wereld blijven gelijk, want de geestelijke krachten van de mens hebben voortdurend een ongeveer gelijk peil. Lacht u nu niet en denkt u nu niet aan de Bosjesmannen, die zo ver onder de blanken staan, want ook zij zijn niet ver verwijderd van uw huidig begripsvermogen en zouden zich in zeer korte tijd aan kunnen passen aan veel van hetgeen, wat uw cultuur, uw beschaving en uw wetenschap betekent. Die gelijkheid van ontwikkeling, geestelijk en lichamelijk, moet aanleiding geven tot verandering. Die verandering zien wij allereerst komen, wanneer het seksuele van direct doel wordt tot middel. Dit komt in vele van die verhalen tot uiting, waar vaak blijkt, dat de paring van de Goden, mensen, ja, zelfs van dieren een magische daad is, waarbij in de eerste plaats het scheppen van iets op de voorgrond staat. En zeker niet altijd het scheppen van een nageslacht, waarbij de paringsdaad wordt tot een middel van machtsoverdracht, van kennisoverdracht, van inwijding. Op dit moment wordt reeds gedeeltelijk het dierlijke in de mens gesublimeerd en gericht op een ander doel. Het is in wezen zichzelf nog wel gelijk, maar de achtergrond, die wordt geschapen, is zuiverder en helderder. Het is niet meer de stompzinnige roes of de vlucht, het is een eerlijk begrijpen en aanvaarden van dingen, waar achter grote geestelijke machten schuilen. Het is niet meer het onverantwoordelijke spel zonder keuze, maar het is een aanvaarde taak, die een stoffelijke en geestelijke verantwoording met zich mee brengt. We zien ook dit weer uitgedrukt in de Upanishads, waar op een gegeven moment één der vorsten, een grote held, een wetgeving stelt en dit klinkt in uw oren misschien wat vreemd, maar heeft toch een vormende tendens. Het gaat natuurlijk over de man, want de man is altijd in de periode, waarin strijd op de voorgrond kwam, wel de leidende figuur geweest. Op het ogenblik is hij dat misschien nog wel, maar vaak met een lange ij. In deze periode dan beschrijft men die wetgeving als volgt: “hij zeide tot het volk: “Gij zult niet tot u nemen een vrouw in gemeenschap (wat wij dan huwelijk noemen), of meerdere vrouwen in gemeenschap, zo Gij hen niet kunt geven, wat zij behoeven op alle gebied. Zijt Gij echter arm, krachteloos, of reikt uw vermogen van denken niet ver genoeg, zo kunt gij nemen in uw huisgezin of huishouding, degenen, die gij beschermen of helpen wilt. Zij en niet uwe vrouwen zullen echter stem hebben in dat, wat in uw huishouding wordt verricht, want ziet, man en vrouw zijn één, doch daaronder behoeft een ander niet te lijden.” Aardig iets. Dus dat is zo: Als iemand duizend vrouwen zou hebben, zoals Salomon, dan zou hij deze moeten scheiden in zijn werkelijke echtgenoten en de leden van zijn huishouding en alleen over zijn werkelijke echtgenoten heeft dan de man zeggenschap; de anderen hebben een medezeggenschap en berechtiging. Dit is iets heel anders dan Atlantis. Het leuke is echter hierbij, dat dit alles in een andere schriftuur nader wordt uiteengezet. En er staat dit: “Wanneer de man de vrouw, of de vrouw de man lichamelijk volledig bevredigt en er groeit niet een vonk van denken tussen deze beiden, zo zal men hunne vereniging als ondeugdelijk betekenen.” Dus reeds in die tijd begreep men de noodzaak van een geestelijke vooruitgang en dat dringt steeds meer en meer door. We zien dat bv. zo aardig in die legenden, waar een huwelijk verworpen wordt en de Goden, dus de bovennatuurlijke krachten, ingrijpen, om alles in orde te maken. Wij zien het zo aardig waar leeghoofdigheid het gezag heeft en de Goden ingrijpen om onmiddellijk degene, die de geestelijke capaciteiten heeft, de werkelijke capaciteiten heeft, aan het roer te brengen. Zelfs Andersen heeft dat heel aardig verteld, weet u wel, over dat ganzenhoedstertje, van die knaap met zijn wilgenfluit, die onderwijzer was, waar hij werd aan tafel gezet; hij zat onderaan, hij floot één keer op zijn fluit en eer kwam een stormwind en toen zat de koning in het zwijnenkot, de gravin in het kippenhok, het ganzenhoedstertje naast de onderwijzer op de troonzetels van de regeerders. Het is jammer, dat ze tegenwoordig die fluitjes niet meer hebben. Ik heb het idee, dat die hier en daar nodig zouden zijn. Maar daar hebben wij het niet over. Dat sprookje wordt ook weer duizendvoudig herhaald en vinden wij in velerlei vormen terug. Het wordt in de abstractere schriften zo goed als in de …., zo zijn er meer verhalende vormen, steeds weer naar voren gebracht en dat heeft zijn beduiding. De krachten, die optreden als de geheimzinnige leiders van een steeds groeiende mensheid, verpersoonlijkt in de overgebleven ingewijden, die aan de ondergang van Atlantis ontkomen zijn, leren de mensheid meer en meer, dat de schijn nooit werkelijkheid kan zijn. Dat de werkelijkheid altijd ter enigerlei tijd de schijn zal inhalen en overwinnen. Er wordt meer en meer nadruk gelegd op verdienste; dat is aan één kant jammer, want het stelsel der Brahmanen bv. is inderdaad gebaseerd op deze oorspronkelijke stelling. De rangen en standen, zoals wij die zien in Egypte zijn weer terug te voeren op diezelfde stellingen, deze zelfde legenden en abstracte verhandeling. Kort en goed, we kunnen uit dit alles wel besluiten, dat de grote verhalen, de grote Heldendichten, evenzeer als de kleine sprookjes, duidelijk zichtbaar voor ieder, die ze wil begrijpen, aangeven de mijlpalen op de weeg der mensheid en steeds weer aangeven het groeiend geestelijk begrip, terwijl de coulissen, waarin het sprookje speelt, aangeven de omstandigheden van de tijd. Opvallend is ook voor ons, dat naarmate die beschaving verder groeit en de wijsheid van de mensen groter wordt, de kringen der ingewijden groter worden, een soort demonologie optreedt, waarbij het demonische het albezielende leven steeds meer en meer op de voorgrond treedt en vaak de werkelijkheid wegvaagt. Aardige voorbeelden liggen er bv. in de verhalen de “de 1001 Nacht”, die voor een gedeelte althans zijn afgeleid uit andere, veel oudere raamvertellingen, sommigen van zuiver Indische, andere van Syrisch-Perzische oorsprong en enkele zelfs van zeer Noordelijke oorsprong. Alles uitgedrukt in gelijk blijvende beelden, om ter wille van de raamvertellingen. Al deze dingen, die zouden voor u een aansporing kunnen zijn om u wat meer bezig te houden, soms op een vrij moment, met die doodgewone nederige sagen en legenden. Natuurlijk gaan wij nog een keertje spreken over de abstracte wijsheden van die tijd. Maar ik geloof niet, dat wij aan de menselijke beschaving en wording recht doen, wanneer wij deze trap van het geestelijke achter stellen bij de directe abstracte wijsheden, zoals die aan alle kanten zijn geleerd. Er bestaan ongeveer vijftien- en zestienhonderd oude en zeer oude werken van abstracte aard, die terug leiden tot hun oorsprong vaak twintig-dertigduizend jaar. Er zijn werken, die steeds weer overgeleverd pretenderen te komen of komen uit het oorspronkelijke Atlantis.
Ze zijn soms gehouwen in steen, neergeschreven op hout, op papyrus, gegrift in metalen, de meest zonderlinge vormen op leer soms weergegeven, bestaan in tekeningen en eigenlijk weet de mensheid daarvan zeer weinig. En wanneer we dan samen weer eens een keer een uur de tijd hebben, dan zou ik daarover met u heel graag willen spreken, want deze dingen zijn m.i. ook belangwekkend. Maar alleen dan, wanneer wij ze kunnen verbinden met de natuurlijke wordingsgang van de mensheid. die mensheid, waar u op het ogenblik uit voortgekomen bent, behoort tot de laatste producten als het ware van de mensheid. Alles wat u bent, en wat u in zich draagt, is terug te leiden eerst tot de simpele mens, met zijn verhaaltjes, met zijn legenden, met zijn sprookjes en daarachter staat eerst als verduidelijking en ontsleuteling van het vertelsel: De abstracte waarheid. Achter de legenden van Egypte staat het boek: Toth. Achter de verhalen en legenden van de Upanishads de overleveringen van de Eda, ja, achter vele van omschrijvende gegevens der Veda’s staan enkele grote waarheden, die de wereld over gelijk zijn. Gelijkelijk klinken de rots-tempels van Indië en bij de vulkaan-altaren in Zuid-Amerika, klinken op de achtergrond van de zingende Impi’s, die opmarcheren ter oorlog in Afrika, klinken op de schepen, die uitgaan, zelfs nog bij de Noormannen, o.a. nog het geloof van het vuur en de kracht van het vuur. Het geloof aan de werelden, die door vele, vele, niet altijd kenbare poorten met elkaar verbonden zijn. Het weten, als het ware, om de meerderwaardigheid en de meerzijdigheid van het leven, dat zich zo eenvoudig schijnt voor te doen. Dat zijn de legenden, dat zijn de vertelsels. De abstracte wijsheid zullen wij maar voor een volgende keer bewaren.
Tijdens de les over Lemurië en Atlantis; kwam daar in voor, dat het geloof aan Goden en Demonen het gevolg was van een ontwikkelde helderziendheid. Dat men zijn geestelijke leiders in de vorm van Goden weergaf aan de mensen, kan ik begrijpen, maar hoe kwamen zij aan het geloof in demonen?
De doodeenvoudige uitleg is dit: Elke mens uit zich buiten zichzelf tweeledig en is tweeledig voor een helderziende waarneembaar: Nl. als goed strevend mens en als slecht strevend mens, oftewel tegelijkertijd als God of als demon. Elk van deze beide uitingen vinden echo in het geestelijk bestaan; als zodanig zal dus elke mens verbonden zijn met een God en een demon. Duidelijk? Eigenlijk simpel, hé? Nu vrienden, ik hoop, dat u mij niet kwalijk neemt, dat dit het einde is van de bijeenkomst.
