Ontwikkeling der mensheid (4) – Eda’s en Veda’s

image_pdf

6 januari 1955

De verschillende Eda’s, Veda’s enz.

Nu, als u de eerste keer de ietwat taaie materie van “Sagen en Legenden” hebt moeten doorworstelen, dan kunnen wij vandaag met grote vreugde beginnen aan het onderwerp, de verschillende Eda’s, Veda’s, etc. Ik heb de vorige keer als verteld, waarom wij met sagen en legenden moesten beginnen. Maar eigenlijk is dat, omdat die sagen en legenden er aan vooraf moeten gaan, opdat u het drama kunt begrijpen, dat zich met de oude wijsheid afspeelt. Op het moment, dat zij werkelijk te boek wordt gesteld om ook, wanneer zij niet tot de priesterkaste of een bepaalde uitverkoren kaste zal behoren, deze boekwerken te lezen en de daarin staande kennis tot zich te nemen. Het is nog niet zo lang geleden, ik denk een paar duizend jaar, dat in China degenen werden vervolgd, die bepaalde geschriften over de leer van Tao in hun bezit hadden. Achthonderd jaar geleden hebben de Brahmanen hernieuwd een aantal werken aan de openbare omloop onttrokken, omdat zij, nu ja, kennis ter beschikking stelden van personen, die men die kennis liever niet gaf. De treurige geschiedenis begint op het moment, dat de wijzen zich terugtrekken in de geborgenheid van het hoogland. Op de hoogste bergen hebben zij hun kloosters. Met de hen bekende middelen groeven zij tempels in de harde rots, leggen zij hun grote bibliotheken aan en sturen zij hun zendelingen uit. Maar er moet iets vastgelegd worden voor het nageslacht. En zo, eerst in beeldschrift, soms nog in het oud-Atlantisch bloemenschrift, zelfs later meer en meer in letterschriften, die, zij het niet direct lijkend op de u bekende vorm, dezelfde mogelijkheden biedend, worden de bibliotheken gevuld met de wijsheid der zendelingen en der ouden, waarin doorklinkt het geërfde van de wit-magiërs van Atlantis, maar ook tevens de grote wijsheid, die wordt verworven in het eenzaam geestelijk uitgaan over de wereld. De vorm der Eda’s en Veda’s is vaak die van een historie of die van een vraagspel. Een dier boeken is in uw tijd de grondslag geworden van de theosofie, zoals u misschien wel gehoord heeft: Het bekende boek Dzjian. Ook dit behoort eigenlijk in wezen thuis onder de Veda’s. Ook dit is geschreven in stanza, in een dichterlijke vorm en er is een versleutelde taal gebruikt, die niet zonder meer door iedereen begrepen kan worden. Wij zullen dan beginnen in de oude tijd. En waar het ons toch om gaat om de geestelijke ontwikkeling van de mens, de mensheid, een paar van die spreuken onder de loupe nemen. Tenminste, als u daar genoegen mee neemt. (Zeer gaarne). De Veda, waar ik dit uit aanhaal wordt wel genoemd: “Het lied van de Vorst van de Zee”. Het is een eigenaardig iets in verhalende vorm en doet ons soms denken aan een sprookje. Maar de daarin ingevoegde dialogen en monologen zijn van een buitengewone diepte en wijsheid. Daar schrijven zij en vergeet u niet, dat is zeker acht- of negenduizend jaar voor uw tijd: Zo zag hij op naar de sterren en sprak:

“Gij Machtige, die daar woont, broeder mijns harten, hoe kan ik ontplooien de vlucht, die mijn ziel wil nemen?”

En het antwoord kwam op een straal gedaald:

“Geef uzelf aan het Al, want al zijt gij vorst der zee, zolang het Al zich weerspiegelt in uw grootsheid, al zult gij blijven, zolang gij niet weigert te erkennen de kusten, het land en de luchten.”

Er zijn de dingen en de eenheid is voor ieder, die haar begrijpt. een sprookje. Een heel eenvoudig en aardig sprookje, maar ondertussen, daar zegt me eventjes zo’n oude dus, dat de sterren aparte lichamen zijn en weten een esoterische wijsheid van de eerste klas. Daar wordt verder eventjes een filosofie over het zijde opgezet, waarbij de meest moderne gegevens van… hoe heten die kunsten, psychologie en diepte-psychologie en het onvolwassen broertje parapsychologie eigenlijk net aan beginnen te knibbelen. Dat wisten zij toen, dat zetten zij toen zo eenvoudig neer. Of als u een ander voorbeeld wilt van het meer abstracte, dan hebben wij hier enkele stanza’s van zeer vroeg Perzische oorsprong en maakte later in de Ishtardienst, godin van de vruchtbaarheid, o.a. bij de Babyloniërs, nog deel uit van de kern van de geheime leer.

“Ik vraag u, waarom dus mijn ziel naar kennis dorst. Zo uw ziel dorst kan niemand ze verzadigen dan gijzelf. Maar ik kan niet verzadigen mijne ziel. Zo zal zij sterven. Ik wil niet sterven. Zo grijp niet naar de waarde der wereld, maar naar de kracht der vruchtbaarheid, die in u ligt, want in u zijt gij vruchtbaar en al wat ik doe bloeien en groeien, kunt gij doen bloeien en groeien. Al wat ik het mijne noem, is het uwe en meer.”

Om op Ishtar terug te komen, het aardige is, dat het laatste antwoord, ik zal die rest er maar tussenuit laten, m.i. de kern van het probleem der menselijke wording, volledig raakt. Er staat:

“Gij zegt, dat ik scheppen kan, wat ben ik?”

En dan geeft deze, die hier als leermeester optreedt, een antwoord, dat m.i. zo verbluffend goed is:

“Gij zijn adem en niet meer, maar adem zijnde voedt gij het lichaam, dat u tot zich neemt. Voedende het lichaam, maakt gij u zelf tot deel ervan. Zo zijn wij beiden een ademtocht van het Onkenbare, waar vele lichten en vele krachten in u leven. Daar zijn wij slechts een vluchtig ogenblik, maar wij komen als ogenblik tot het Grote, dat niet genoemd mag worden en daar zijn wij gelijk, ofschoon ik hier de Moeder ben.”

Moeder is hier overdrachtelijk, zoals de Katholieken spreken van Moeder Maria. Dat is zo verbluffend fijntjes: Een adem, dat bewijst toch wel, dat die mensen toch heel wat gedacht moeten hebben over de problemen, dan je op het ogenblik zou zeggen. Dat is me zo’n periode, die ze hier nog zo’n beetje als een stenen tijdperk rekenen, of het eerste brons en daar zit me iemand, die zegt: “De mens is de Adem Gods”. Toen was er nog geen Bijbel, nog geen Joodse overlevering, maar Mozes heeft wel de moeite genomen, om dat mee te verwerken in het scheppingsverhaal, hoor. “Adem van God”. Wat is adem? Dat is iets wat je uitblaast en wat je weer inhaalt. Er zit iets in van het vliedend en weder slinkend Al. Dan het mooie: “Hier ben ik uw Moeder”, m.a.w.: “Hier is de Godin de kracht en de ander moet die kracht accepteren, maar daar zijn wij gelijk’”. M.a.w. daar is helemaal geen Einstein voor nodig. Aardig, hé? Nu gaan wij een paar stapjes verder. Er bestaat een heldendicht, de Upanishads, waarin wordt gezegd tot een vorst, die uitgaat, de vader spreekt tot de zoon:

“Wanneer gij gaat en vrede biedt, zo zal men u zwak achten. Zo zeg ik u, bied de vrede en wapen u voor de krijg; zij, die de vrede aanvaarden, zullen uw bondgenoten zijn, maar zij, die uw vrede verwerpen en denken een slachtoffer te vinden, die overrompelt gij in uw sterkte”.

Dan zegt de magiër, die in het spel optreedt er zo heel lekker nuchter achter aan:

“En zo handel met Goden en demonen”.

Heel nuchtertjes, hé? Je zou zeggen, wat moet je met zo’n verhaaltje aan, het is aardig. Maar als dat “Goden en demonen” er ook nog bij staat…? Die oude vader was een handige politicus, die zouden ze op het ogenblik best in Rusland kunnen gebruiken. Daar voeren ze dezelfde politiek, nietwaar? Maar die magiër: Handel zo met de Goden en demonen. Als je dat nu eens eigenlijk ging toepassen. M.a.w. of je nu de duivel tegenkomt, nietwaar? Of de Vader zelf, zeg tegen die: “Vrede zij u”. Wens ze vrede, val ze niet aan, dat doet de slechtste geest. Biedt ze vrede, maar zorg, dat je ze aan kan.

Zorg, dat je voorbereid bent op een overrompeling. M.a.w. die magiër zei daar zo heel nuchtertjes: “Denk erom, er is niets, dat je vertrouwen kunt in de wereld buiten jezelf”. En dan staat er een eind verder in het verhaal, het is zo ongeveer 104 of 106 stanza’s verder, hoor. Daar wil ik van af zijn. Maar daar staat ook weer iets en als je dat dan hier weer bij voegt, dan krijg je een idee in het geheel. Daar staat nl. dit:

” Vorst, hoe zal uw rijk bestaan, wanneer gij niet zijt, want gij draagt het in u en uit u is het geboren.”

Een oppervlakkige lezer denkt, dat het een compliment is van een hoveling, maar voeg het eens bij elkaar. Wij mensen, we zijn toch, als we op aarde zijn, of in de geest, of als we in de sferen verkeren, dan zijn we ook eigenlijk de vorsten van ons rijk. Wat wij leven en beleven, dat bestaat niet zonder ons. Maar we moeten het in ons dragen, want anders kan het buiten ons niet bestaan. Kijk, u begrijpt wel, dat dergelijke leerstellingen getolereerd worden; de meesten begrepen dat toch niet. Maar er waren ook leerstellingen bij, die van sociaal belang waren. Zo bv. aan het begin van de Brahmaanse beschaving; een boek met leringen en wetten en daar staat o.a. dit in:

“Zo uw bewustzijn is, zo zult gij zijn en gewaardeerd worden, alle dingen volgens de krachten, die wonen in de mens. Wanneer er één is, die niet kent de wetten en niet onderscheidt: Rein en Onrein, zo zal hij uitgeworpen zijn, wanneer hij echter de orde handhaaft en het land bebouwt, zo zal hij geacht zijn als behorend tot de gemeenschap. Maar minder is hij, die handel drijft, want wat de boer wint, moet de handelsman brengen, opdat rijkdom heersen over het land”.

Aardig gezegd, maar gaat verder en nu staat er in:

“Hoe zal de handelsman kunnen vervoeren zijn waren en brengen de welvaart, wanneer niet het zwaard des krijgsman hem beschermt. Zo boven deze achten wij de krijgsman, maar boven allen staat de wijze, want indien de wijsheid het zwaard niet leidt, de handelsman niet regeert, de boer niet helpt om te verbouwen, dan zal het land verarmen en dan zal de woestijn liggen, zoals zij eens lag voor onze voorvaderen”.

Nu, toen dat boekje uitkwam, zo’n vijftig, zestig exemplaren, overigens geschreven op een soort linnen papier, toen, nu ja, kon iedereen dat nog lezen, als hij dat in handen kreeg. Het ging net zo lang, tot op een gegeven moment er een Brahmaan was en die zei: “Ja, maar wij” en daar bedoelde hij niet zichzelf door zijn geestelijke wijsheid, maar door zijn kaste, zijn stam, “moeten zorgen, dat de anderen dit niet lezen, want als zij zich de wijsheid verwerven, zij zij onze gelijken, laten we dat boekje maar wegsluiten”. En dat ging niet en toen heeft die goede man een groot aantal exemplaren laten publiceren, er een hele hoop schrijvers voor het werk gesteld, maar daar waren juist deze zinsneden, die ik hier citeer, weggelaten. Want er zou eens een boer moeten komen, die dacht, dat hij ook een Brahmaan was, dan had hij misschien een wijze kunnen zijn. Maar wijsheid brengt nog geen tafelmanieren, geen rijkdom, geen opvoeding met zich mee en daarom hielden ze het liever onder zich, begrijpt u? En die onderonsjes, die zijn de dood geweest, of althans de schijndood van heel veel grote rijkdommen, die er op deze wereld tot uiting kwamen. We zien praktisch overal dergelijke dingen gebeuren. Bij de Noormannen hetzelfde, ook daar worden bepaalde leringen onderdrukt en geschrapt uit de boeken, omdat ze de heersende kaste te zeer op het hart drukken, dat niet alleen het zwaard, maar de liefde van diegenen, die u dienen daardoor u tot heerser maken. Voor dat soort liefde voor hun naasten voelden de heren niet veel. Het vreemde is, dat zinsneden in de heldenverhalen van IJsland wel bewaard zijn. Daar vinden we dat meer in “reincultuur” en dat is begrijpelijk. Kijk eens, IJsland…. daar hebben de mensen een hele tijd afgesloten gewoond van alles en daar kon zich een democratie ontwikkelen, waarbij eigenlijk deze herenmethoden nooit meer konden leiden meer dan tot het bezit van een grote hoeve en daar was het mee afgelopen. Daar in het IJslandse Thing, in de Eda, in de IJslandse versie, is nog het meest van de oude Noorse waarheid bewaard gebleven. De Schotten en zo, die hadden het ook. Trouwens heel Engeland en Ierland. Maar het eigenaardige is, dat de invloed van het Christendom, dat daar te vroeg kwam met een groot gedeelte van die verhalen een Christelijke vorm heeft gegeven. Zo bestaat er bv. een oud-Keltische overlevering voort, in een volksverhaal, dat wordt genoemd: “De wondere reizen van St. Brandaan”. Daar heeft u wel eens van gehoord? Nooit van gehoord van die Heilige? (Neen). Dat was een heel eigenaardige man. Deze Heilige, nl. die vertikte het doodgewoon om te gaan prediken, waar hij moest en ja, op een gegeven ogenblik, toen zetten ze hem neer en zeiden: “Je moet gaan”, toen stapte hij in een bootje; daarin kwam de duivel zitten en die blies in het want en in plaats, dat Brandaan kwam, waar hij wezen moest, nl. op het eiland Man, kwam hij terecht ergens aan de Noordpool, en daar ontmoette hij verschillende eilanden, o.a. ijsschots, waarop de verdoemden door het vuur van het ijs, heel aardige uitdrukking, gekweld worden. Hij komt op het glazen eiland, waar niemand eigenlijk goed leven kan als mens, omdat alles doorzichtig is. Hij ziet monsters en draken van de afgrond en uiteindelijk, dan boet hij door te prediken voor wezens, die hij vroeger verworpen zou hebben. En vanaf dat ogenblik kan hij weer in zijn trog, het is een baktrog, die hij als boot gebruikt, stappen en dat ding vaart regelrecht, zonder dat er een duvel bij te pas komt, regelrecht naar Engeland, waar hij dan Abt wordt van een klooster. Dat is natuurlijk een Christelijke sage geworden. Maar de achtergrond ervan brengt ons dichter bij het ros Sleipnir, dan dat het ons brengt bij de Christenheid. Het is begrijpelijk. De ouden wisten ontzettend veel over de krachten der natuur. Dit werd natuurlijk vastgelegd onder godennamen. Heeft u zich wel eens beziggehouden met de familie-eigenschappen… Ik merk, dat ik van mijn onderwerp afdwaal. Maar dat is niet erg hé? (Neen). Da familierelaties, die de goden onder elkaar hebben? Dat gaat zover en blijft nu nog gehandhaafd in volksgebruiken, want dat de beestjes, hoe heten ze, de rendieren, waarmee onze waarde vriend, de kerstman, de Sinterklaas van Amerika en Duitsland, die van de noordpool komt. Van de noordpool. Ook weer zo aardig. Die heten “Donner und Blitzen”, donder en bliksem. En nu moet je eens opletten. Die goden, zij zijn allemaal met elkaar verwant. Maar zij zijn altijd te delen in paren, die als eigenschap elkaar aanvullen. Zij zijn dan onmiddellijk gehuwd of verwant met anderen, die dan precies het tegenovergestelde zijn. Trouwens, dat hadden de Grieken en Romeinen ook. Jupiter had een vrouw, die was zeer op decorum gesteld en als de oude heer Jupiter er tussenuit kneep om onder de mensen te gaan dwalen, dan dwaalde hij heus niet alleen. Maar dan was zijn jovialiteit iets, dat in evenwicht, in balans werd gehouden door zijn gade, die op de Olympus zat te spieden, waar haar echtgenoot was. En, o wee, als hij thuis kwam. Ieder ander kon hij met zijn bliksemschichten neerslaan, maar tegen vrouwlief schijnt hij het nooit geprobeerd te hebben. Al die dingen wijzen op een kennis van de krachten der natuur, maar ook van de menselijke ziel, de menselijke geest zelf. Daaruit kunnen wij concluderen, dat de geestelijke ontwikkeling van bepaalde delen der mensheid al in de verre oudheid zeer hoog was. Wanneer wij dan verder zien, dat in de… Ik meen ook… ja, in de Quesam van de Upanishads staat dat, geloof ik. Ja. Wat daar gesproken wordt over het kleine en het grote en wij daar een beschrijving krijgen, die, als je ze ontcijfert, doet denken aan een molecuul, aan een stoom aan de ene kant en aan een zonnestelsel aan de andere kant, dan zeg je: Technisch wisten zij schijnbaar ook nog al wat, die heren. Er was dus inderdaad in deze tijd een zeer grote wijsheid. Dan wordt de eerste vraag, die wij ons zelf gaan stellen natuurlijk. Maar waar blijft dan die wijsheid? Waarom wordt zij nooit geuit? Waarom komt het niet naar buiten toe? Daarom heb ik aan het begin van mijn praatjes, dit een drama genoemd. Het eigenaardige is nl. dit: Veel mensen begeren voor zichzelf esoterische, occulte of magische kennis. Zij zijn zeer blij, dat de geschriften der oudheid voor hen bewaard blijven. Zij lezen ze volgaarne en bestuderen ze. Maar zij gunnen niet aan een ander diezelfde kennis. In de oude tijd was dat misschien nog heviger dan heden ten dage, maar de mensen, die gunnen elkander nog eerder stoffelijke dan geestelijke rijkdom. Nu wordt het hele verhaal verder… Ach, laat ik het ook niet helemaal vertellen. Het wordt een geschiedenis van bloedvergieten, van onderdrukking, van ijdele zelfverheffing. Dat gaat zover, dat op den duur, al wat overblijft, een verwaterde versie van het oorspronkelijke is. Er zijn versies bij, die zeer schoon zijn, zeker. Maar vaak zijn er juist de coupletten uitgelicht, die ze zo belangrijk maken. Hier hebt u bv. een paar coupletten, die verloren zijn gegaan.

” Hij daalt en hij neemt het kleed. Gewapend met licht trekt hij uit, omdat de plicht hem roept. Gegord tot de strijd werpt hij de schijf. En zie, de vijand wordt overrompeld en verwonnen. Gaande tot hen, de verslagenen ziende, zag hij zijn eigen beeld en heeft zich zelf gevraagd: “Doodde ik niet mijzelf?” Het slagveld werd eenzaam, somber en verlaten met het kreunen en kermen der gewonden. Toen verhief zich een stem en zeide: “Zie, je hebt jezelf gedood.” Hij is heengegaan in eenzaamheid en zat en overdacht. De jaren vervloden als dagen, tot in hem een kracht voer, om wederom de wereld in te gaan. Wederom droeg hij het glanzende kleed en wierp hij de schijf naar de vijand. Maar hij wierp de schijf slechts, wanneer hij zelf faalde. Wanneer hij dan eenzaam was op het slagveld, zo klink zijn stem: “Bitterheid, wie heb ik gedood?” Maar het antwoord werd het ruisen van de wind en het sprak: “Zie, je doodde de slang, die woonde in je eigen hart.”

Ik weet niet, of ik… Ik hoef het niet te interpreteren, geloof ik, u snapt het zo wel. Dit is een deel van een heel groot heldendicht. Maar dat soort dingen wordt eruit gegooid. Wat er dan overblijft, dat lijkt dan op… Nu ja, ik heb horen zeggen, dat ze van de meesterwerken der literatuur tegenwoordig beeldromans maken. Zoiets als “Jozef in Dothan” in Technicolor. Je hoeft er niets bij te lezen. Daar lijkt het wat op. De waarde, de geestelijke waarde, ging er uit teloor. Juist daarom is het zo moeilijk om over die dingen te gaan praten. Het zou prettig zijn als ik tegen jullie zou kunnen zeggen: Grijp maar naar die en die vertaling, dan heb je die en die Veda. Er bestaan bv. drie of vier verschillende vertalingen in het Engels, waarin een groot deel van de Upanishads is opgenomen. Er bestaan meerdere Veden, die vertaald zijn in het Duits, in het Frans of in het Engels. Maar die vertalingen zijn allemaal genomen van recente exemplaren, aan de meesten mankeert de sleutel. Dan komt er een ogenblikje, zoals in elk drama, toch weer een straaltje zonneschijn. Want degene, die deze wijsheid geschapen hebben, die deze wijsheid aan de mensen gegeven hebben, die hebben dat wel kunnen voorzien. En zo sluimeren op het ogenblik in de bergen, of soms onder de woestijn in geheime, zeer geheime bibliotheken, werken, die duizenden jaren oud zijn. Wanneer het totaal verteerd wordt door de roest, of wanneer het hout vermolmt, dan wordt het zorgvuldig door de erfelijke bewaarders gekopieerd. Zij weten vaak zelf niet, wat zij kopiëren. Zij kunnen het niet eens lezen. Zo zijn die werken duizenden jaren in stand gebleven en bestaan zij vandaag aan de dag nog. Elke keer, wanneer het mogelijk is, wordt weer een klein deel daarvan aan de openbaarheid prijsgegeven.

Nu ben ik eigenlijk met het onderwerp zelf bijna klaar. Het is niet lang vandaag. Nu ja, ik heb toch nog genoeg om over te praten.

  • Mag ik even vragen? Wie bepaalt of het mogelijk is? U zei: “Als het mogelijk is, worden ze aan de openbaarheid prijsgegeven.”

Ze worden aan de openbaarheid prijsgegeven, als dat mogelijk is. Dat wordt beslist door de meesters van de boekbewaarders. En die behoren uit de aard der zaak tot degenen, die aan de grote magische plechtigheid deelnemen, eenmaal in het jaar.  Zij wonen in de kloosters, die men meestal niet kent. Het zij zo een beetje de Broeders van een Broederschap, die de erfgenaam is van de eerste wijzen van het Lemurische tijdperk; die in de Atlantische periode behoord hebben tot de bergpriesters, of witte priesters en van daaruit verder en verder zijn gegaan en vandaag aan de dag hun orde en gemeenschap nog hebben leven hier op deze wereld. Die bepalen, wanneer het tijd is. Nu mag er natuurlijk wel zo’n vliegende kraai als ik ben, ook komen onderzoeken en dan zien ze je heus wel, hoor. Dan denken zij: Ach, laat hem zijn gang maar gaan. Want ook hij zal niet uit kunnen spreken, op hoe een manier dan ook, wat wij nog geheim willen houden. Het gaat er nl. om: Kan de wereld het begrijpen? En als je nu rekent, dat iemand, die in zeker opzicht toch zeer begenadigd was als een Blavatsky, niet kon komen tot een juiste interpretatie van het werk, dat zij te lezen kreeg; zij wist meer, dan zij mocht openbaren, maar toch kon zij het niet juist interpreteren. Zij wilde haar persoonlijke visie er ook mee doorzetten. Dan begrijp je wel, dat een gewoon mens er toch niets aan heeft.

  • U zei bij het tweede voorbeeld: “Hij nam weer het kleed en hij wierp de schijf, maar dat deed hij, als hij faalde en toen hij vroeg: Wie heb ik gedood? Kreeg hij als antwoord: De slang in uw hart”. Wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld?

Ja, nu ga je me pas een uitleg vragen. Ik zal hem dadelijk geven, maar dan maak ik eerst dit onderwerp af. Is dat goed? (Ja, zeker). Kijk eens aan. De geschiedenis van de Veden en Veda’s is de geschiedenis van de mensheid. De mensheid, die te materieel denkt en streeft, soms tijden lang, om in staat te zijn deze dingen te waarderen en te begrijpen. Zij worden gemaakt tot een soort fetisj, een soort van toverboek, of zij worden gemaakt tot het strikte geheim van een zeer klein en select groepje mensen. Maar altijd weer gaat, ondanks het menselijk geweld, de tijd voorbij en komt er een periode van geestelijke opleving. Wanneer die periode komt, dan liggen die werken, al die oude wijsheden klaar om aan de mensheid te worden medegedeeld, opdat niet een moment van vergeestelijkt menselijk denken voor de mensheid verloren gaat. Dat is de grote betekenis, die deze Veden en Veda’s hebben. En nu gaan wij dan even met die verklaringen beginnen, maar die horen eigenlijk niet eens bij het onderwerp zelf, hoor. Dat gedichtje, hé, die stanza, die ik aanhaalde, moet je zo interpreteren: De held van het verhaal kunnen wij rustig noemen, de mens. Die mens gaat uit in de wereld en begaat zelf fouten, maar hij heeft wapens gekregen. En wanneer hij nu een fout maakt, probeert hij dit op de buitenwereld te wreken. Dan ontstaat er een ontzettende verwoesting. Dan blijft hij alleen achter en vraagt hij aan al die mislukkingen, die ellenden, die rond hem geschapen werd hierdoor: Ja, wie heb ik nu eigenlijk verslagen? Want als hij kijkt, wie hij nu eigenlijk gedood heeft, dan is het zijn eigen leven, zijn denken, zijn ideaal, wat hij kapot gemaakt heeft. Hij krijgt dan het antwoord: Dat ben jezelf. Maar de tweede keer, na rijpelijk overdenken, dan gaat die mens uit de eenzaamheid weer de wereld in, want hij hoort in de wereld. Buiten de wereld kan hij niet bestaan. En hij dezelfde wapens. Wanneer hij nu faalt, wanneer hij nu weer een fout maakt, dan herkent hij dit. Dan bestrijdt hij niet de mensen omentwille van de fout, maar de fout zelf. Dat betekent ook een hoop, dat betekent zelfoverwinning. Daardoor komt hij dan ook op een moment tot de vraag: “Ja, maar mijn God, waarom ik? Waarom heb ik dat nu gedaan en hoe zit dat nu in elkaar?” Als hij die vraag stelt, dan krijgt hij dat antwoord: “Gij hebt niets verslagen, dan de slang in uw hart” En wat is de slang? De slang is een symbool van wijsheid; de slang is een heilig dier in Indië. Een symbool van wijsheid, kracht en bovennatuurlijk vermogen. Maar wanneer sommige krachten van bovennatuurlijk vermogen leven in in ons leven, dan kun je dit noemen een bezetenheid. Wanneer je jezelf overwint, overwin je niet je eigen persoonlijkheid, maar vreemde krachten, die meewerken in je en er niet in thuis horen. Op het moment, dat je dat doet versla je dus de slang. De valse wijsheid, die van jezelf niet is, maar woont in je eigen wezen. Erg hé? Als jullie dat interesseert, heb ik nog wel een paar van die kleine dingetjes. We hebben nog wel even de tijd. Dus we behoeven niet zo te haasten. Jullie weet het: Als ik vervelend word, alleen maar zeggen: Franciscus. Dan houd ik heel nederig op. (Zover komt het niet). Ach, wat zal ik daar nu van zeggen? Je kunt nooit weten. Nu dan. Er bestaat een eigenaardig boekwerk, dat als ik de titel probeer te vertalen, genoemd kan worden: “Het boek van het heilig Recht en de Wet, zoals zij staan in de Bergen”. Je zou zeggen: Hoe komen wij aan zo’n titel, hé? Nu, dat was vroeger de mode hoor. Trouwens in mijn tijd werden er ook nog boeken uitgegeven, waarvan de titel een heel blad in beslag nam. Enfin. Er staan dan heel veel opvallende dingen in. Maar één daarvan vind ik bijzonder aardig. “Wie een steen zoekt”, hiermee wordt waarschijnlijk een kristalzoeker in de bergen bedoeld, “moet haar kennen om haar te vinden”. Dus je moet nooit iets zo maar in het wilde weg gaan zoeken, maar je moet weten, waar je naar gaat zoeken. Het is een zware taak, zegt dat boek, om te vinden. En heeft men gevonden, zo is daar niet de edele glans en het tinkelend licht, dat het hart des beschouwers verheugt, m.a.w. als je het vindt, wat je zoekt, denk dan niet, dat je ineens “Halleluja” kunt roepen en dat je door de wereld kunt dansen, als een pas geboren lammetje, daar is helemaal niets van waar. Als je een waarheid vindt, dan ziet die er helemaal niet mooi uit. Zoals het hier in het boekje staat: De gevonden steen is vaak ruw en hatelijk. Zij kwetst de handen en geeft geen lust aan het oog. Daar zit ook veel waarheid in. Wanneer je naar de waarheid zoekt, dan kun je er je vingertjes aardig aan verbranden, heel erg branden zelfs. Want dat gooit daar zo maar je hele lieve levensbeschouwinkje overhoop. Je zou ineens anders moeten gaan leven en dat wil je niet. Je hebt die waarheid en als je haar niet laat vallen, maar je houdt haar vast, dan doe je je handjes zeer. Nu is dit boekje wel heel aardig, maar er staat een uitlating in, die zou ik voor iedere aanwezige hier wel eens willen bevelen.

“Doch ongeacht het leed en lijden draagt hij de steen naar het dal. En daar, door de zorg van de polijster wordt uit de ene steen een veelheid van kristallen, die zijn de vreugde van de beschouwer en de schat van de bezitter. Je moet niet denken, dat als je een waarheid hebt, dat je een grote waarheid kunt hebben. Dat gaat niet, daar kun je niet mee leven. Maar wanneer je die waarheid gevonden hebt, dan moet je haar polijsten, totdat je eerst de schoonheid ervan ziet; dan moet je haar zo delen, dat je in vele kleine waarheden, de grote waarheid bij je kunt hebben.”

Leuk, hé? Wat wisten die ouden dat allemaal mooi symbolisch te zeggen. Nu is er in diezelfde bibliotheek nog een boekje en dat heeft niet eens een naam. Het is waarschijnlijk al heel oud. Het is op leer gegrift. Daar heb ik heel wat moeite mee gehad, voor ik dat aankon. Als je dat schrift ziet, nu ja,… Het lijkt, of er een paar vliegen met een worm gevochten hebben, terwijl ze onder de inkt zagen.  Ook dat is een treurige waarheid. Hoe meer je zoekt naar het exclusieve, naar het bijzondere, hoe meer moeite je jezelf moet getroosten en hoe meer kans je hebt, dat je tien keer bekocht uitkomt, voordat je een keer beet hebt. Maar hier had ik dan toch wel beet, vind ik. Daar staat iets in over licht en over kleur. En nu zal ik dat maar heel vrij vertalen, want als ik het in de zuivere vorm doe, dan snappen jullie er ook geen p. van. Als jullie nu rekenen, dat het ons in jullie tijdrekening ongeveer drie weken heeft gekost, voordat ik begreep wat het was. Ik voelde aan, dat het goed was en dat het mooi was, maar voor dat ik het snapte, weet je. Dus ik zal het maar een beetje gemakkelijker maken, dan kunnen jullie het misschien ook in drie weken af. Dat is geen ijdele zelfverheffing, hoor. Maar, nu ja.

“Het licht breekt in de lucht en het water. De lucht en het water dragen het licht. Het licht is onzichtbaar en wordt eerst tot licht, wanneer het breekt. Het licht, dat breekt echter, is werkelijkheid in uiting van een kracht, die men niet aanschouwen kan”.

Nu, daar zullen wij eerst maar eens mee beginnen. Een hartig brokje. Dat het licht breekt in lucht en water zullen jullie zo wel aannemen, hé? Dat is uiteindelijk tegenwoordig natuurkunde. In die tijd was het misschien wat bijzonders. Maar nu gaan zij verder: “Het licht zelf zou niet tot uiting kunnen komen,” dat zeggen zij eigenlijk, “als er geen lucht en water waren”. Dus wat wij licht noemen wordt gedragen door de elementen, waarin wij leven. Dat vind ik heel belangrijk, want wij kunnen nu wel zeggen: “Daar is God”, maar God kunnen wij nooit kennen dan door de elementen, waarin wij leven. M.a.w. het Goddelijke uit zich alleen voor ons, wanneer het in een middenstof komt. Wij moeten dus niet alleen maar God zoeken ergens in de ruimte, maar in een bepaald iets. En dan zal het in de geaardheid van hetgeen wij beschouwen, zich voor ons kunnen uiten, het Goddelijk Licht. Aardig, hé? Nu wil ik niet alleen daar mee bezig blijven; ik wil jullie ook niet spreken over de schone werken van andere geaardheid als de “Kama Soetra”, die met vele andere Soetras toch uiteindelijk ook onder de Veden, de overleverde wijsheden behoort. Maar ik zou jullie toch een klein stukje van andere geaardheid aan willen halen. Dan komen wij nog even terug op dat geschriftje, waar ik het net over had. Er staat nl. geschreven in één van de vrolijkere beschouwingen: “Wanneer de man een vrouw neemt, zo denkt hij te nemen en in het nemen te geven, maar hij wordt genomen en verkrijgt de gave van zijn leven”.

Nu weet u, dat het officieel zo is, dat de man de vrouw neemt. Het is niet zo als hier, dat het een soort van loterijtje is, of de jongen het meisje, of het meisje het aanzoek doet. Maar dan wachten wij maar tot de jonge man op aanraden in instigatie van zijn ouders, of van zijn raadgevers, een meisje heeft uitgekozen. En nu staat het zo leuk hier: Als die jongeling denkt, dat hij dat meisje een dienst doet door haar te trouwen. Maar eh… zij laat hem in die schone waan. En voor de rest, als het erop aankomt, blijkt het dat de vrouw de zaak regeert. Dan gaat het verder: “Want wat gij niet weet in uw jeugd en niet begrijpt in uw rijpe dagen, zult gij ervaren in uw ouderdom: Niets is krachtiger dan de liefde van een vrouw, niets is bitterder dan haar tong”. Nu, de dames en heren maken voor zichzelf maar uit, of dat juist is.  Maar vrienden, om op dat oude boekje nog even terug te komen. Er staat nl. ook iets in, dat is dit:

“Wanneer het licht huwt, wordt uit het licht en de kracht, waarmee het zich vermengt, de kleur geboren. In alle kleur leeft het licht, maar niet alleen het licht leeft, want in de kleur leeft al, wat is. Zo, wilt gij zien de kleur, schouw  naar het licht. Maar wilt gij het licht kennen, schouw dan naar de kleur, want in het totaal van de kleuren is uitgedrukt het totaal van het licht. Doch de eigenschappen van het licht, kent gij niet in het licht, maar in de kleur, waarin zij tot uiting komen.”

Heeft u dit goed kunnen volgen? Anders moet u het maar eens goed nalezen. Wij kunnen het licht misschien wel zien, wij kunnen misschien God zien, maar wij komen toch nooit tot een begrijpen van God. Hij is een toestand voor ons en niet een wezen, wanneer wij naar Hem schouwen tenminste. Maar God uit zich in de schepping en hij huwt a.h.w. met alle schepselen. Dus Hij wordt tot Eenheid met alle verschijnselen. En nu komt de kleur naar voren. Wat is de kleur? Kleur is de weerkaatsing, die het licht veroorzaakt op de materie. Dat wisten wij toch ook al schijnbaar. Het is een oud wereldje, dat zeg ik u. Wanneer God in de materie werkt, treedt er iets van dat Goddelijke uit de materie. Wanneer wij nu dit Goddelijke zoals het uit de materie tot ons komt, gaan bestuderen, dan zullen wij uit het totaal der schakering ons een voorstelling van de samenstelling van het Goddelijk Licht kunnen maken. Wanneer wij dan de delen kennen, krijgt het geheel voor ons een nieuwe, complexere, maar vollediger en meer persoonlijke betekenis dan anders mogelijk is. Aardig, hé? Nu vrienden, ik geloof, dat ik het voor vandaag hierbij laat. Per slot van rekening, jullie hebben een paar keer zo een heel lang betoog van mij over je heen moeten laten gaan, dus deze keer eens een beetje korter. Dan gaan wij de volgende keer verder en dan zal ik toch weer moeten beginnen met een paar citaten voor we verder kunnen gaan. Het gaat ons op het ogenblik niet alleen meer om het ontstaan van de mens. De mens hebben wij nu zien worden tot een …mens. Wij hebben het stoffelijke nu zo wat achterhaald. En nu gaat het om de geest. Wij hebben gezien, dat er tot nu toe bovenlagen zijn, enkelingen in de grote massa, die dat weten. De rest blijft primitief. Die begrijpt dat toch nog niet. En als het eenmaal zover is, dat anderen dit zouden kunnen gaan begrijpen, dat hebben wij ook gezien, dan wordt het zo’n soort wedstrijdje, of men die kennis niet voor ze weg kan houden. Dus zullen we de volgende keer eerst eens wat van die spreuken gebruiken, om eens na te gaan de toestand van de menselijke geest bij de eenvoudigen, laten wij zeggen, ongeveer zesduizend jaar geleden. Wij zullen dan verder proberen het een drieduizend jaar geleden te bekijken en dan ook het heden. Ik zal proberen om dat met wat citaten te illustreren en dan komen wij zo langzamerhand bij een ander gebied, waar ik misschien wel heel lang over moet praten, want dan kom ik bij de Goden terecht. Nu zijn jullie gelukkig, als ik over de Godenwereld moet gaan praten, want ik roddel niet graag.  Maar het zijn maar rare families, die Godenfamilies. Dus wij hebben nog heel wat voor de boeg. En als ik de opmerking mag maken: Verwaarloos nu die sagen en legenden en wat ik nu gezegd heb niet te veel, want je krijgt er nog die Goden bij; het is nog ietwat interessanter dan dit. Dit is weer meer wat esoterie er door. De volgende keer krijgen wij een hele hoop mythologie te verwerken. Als we dat ook hebben gehad, dan kunt u uit het schema, dat wij opgebouwd hebben verder al die nieuwere filosofieën begrijpen. Daar beginnen wij aan, wanneer wij eenmaal bezig zijn in de nieuwere tijd. Dan gaan wij niet verder meer terug dan drie of vierduizend jaar voor Christus.  Denk maar zo: De aarde is miljoenen jaren oud, wat is dan eigenlijk honderdduizend jaar? Maar dat vraag ik nog niet eens van jullie. Ik zeg ik ga drieduizend jaar terug. En voor de rest, jullie denken, dat jullie niet zo oud worden, maar er zitten er hier een paar bij die hebben er al een aardig rukje op zitten. Dat is heel wat langer. Ja, niet alleen in dit lichaam. Wie dacht daar, dat ik meteen op wat ouder van dagen aan wou spelen?  Zal ik nooit doen. Ik ben zelf ook op rijpere leeftijd overgegaan. Maar ik zal niet verder gaan babbelen, dat doen we vandaag niet.

image_pdf