oktober 1969
Mens en de onvermijdelijke strijd
Zolang er mensen zijn, is er strijd geweest. Dit vloeit voort uit de gehele opbouw van de mensheid. Vergeet niet, dat de mensen altijd hebben moeten vechten om zichzelf te handhaven hetzij tegen hun milieu, hetzij tegen hun soortgenoten.
In het verre verleden is er een tijd geweest (dat was in de eerste periode van het keizerrijk Mu) dat de mensen een betrekkelijke vrede kenden. Er waren vastgestelde verhoudingen en men hield zich daaraan. Men had vaststaande inzichten en niemand twijfelde eraan. Zolang iets dergelijks bestaat, is er een periode van gezapigheid, die men vrede pleegt te noemen.
Maar zelfs in Mu is alleen reeds de uitbreiding van het rijk, waardoor dit keizerrijk een soort koloniën gaat vestigen, al voldoende om spanningen te doen ontstaan. De mens zoekt kennelijk zijn zekerheid in de absolute beheersing van zijn milieu, geestelijk zowel als stoffelijk. Op het ogenblik, dat deze mogelijkheid tot beheersen – op welk terrein dan ook – tekort gaat schieten, tracht hij door geweld zijn beheersing en daarmede zijn zekerheid te herstellen.
Als wij in de periode van Mu iets dergelijks zien, dan klinkt het wat vreemd, als wij zeggen: Je moet de parallel doortrekken naar deze tijd. Toch zien wij hier overal soortgelijke ontwikkelingen. Denkt u aan de verhouding van bv. Engeland met zijn koloniën, Nederland met zijn koloniën, denk aan de verhoudingen Portugal – Angola, zoals die op het ogenblik bestaan. Ook hier hebben wij voortdurend te maken met groepen, die hun zekerheid aangetast voelen en die zekerheid trachten te verwerven.
Nu is het niet zo belangrijk als men denkt, of je wel of niet iets kunt presteren. Het gaat er doodgewoon om, of je op een bepaald ogenblik een ander – hoe dan ook – jouw maatstaven, jouw waarden kunt opleggen. Engeland heeft dat redelijk gedaan niet zijn koloniën. Nederland heeft geprobeerd nog iets van zijn eigenwaarde te behouden ( de Nederlander is zeer op zijn eigenwaarde gesteld, vooral naar buiten toe) en heeft al wat minder gelukkig gemanoeuvreerd. Portugal is in zekere zin misschien een arm land, maar het is ook zeer trots.
En toegeven, dat men in Angola eigenlijk heeft gefaald; zou betekenen niet alleen de zekerheid van de kolonisten verwerpen, het zou ook betekenen het zelfvertrouwen, de zelfrechtvaardiging, waarop de Portugese staat van vandaag is gebaseerd, prijsgeven. En dat kan men niet.
Strijd is dus eigenlijk onvermijdelijk, omdat de mens niet bereid is naast zich andere door hem niet beheerste factoren in zijn milieu toe te laten. Denkt u niet dat het in Nederland anders is. In uw eigen land ziet u zeker een z.g. democratie in werking. U ziet hoe daar allerlei groepen bezig zijn om met elkaar een gemeenschap te vormen. Maar als u goed oplet, dan ziet u dat het bij deze groepen voortdurend erom gaat hun eigen visie door te zetten, hun eigen plaats zeker te stellen. Daarbij vragen zij zich niet af: Wat is het nut of de schade voor het geheel? Zij vragen zich alleen af: Kan ik mij en mijn gevoelens van waardigheid en zekerheid handhaven? En er zijn hier groepen, die bereid zijn om de gehele Nederlandse economie naar de maan te helpen, indien zij zonder dat niet in staat zijn hun gevoel van eigenwaarde, van macht en zekerheid te handhaven. Dit is in elk land precies hetzelfde. De geestelijke achtergronden ervan gaan heel wat verder dan men zich misschien realiseert.
In de verre oudheid worden wij steeds weer geconfronteerd met de bovennatuurlijke machten, die moeten meewerken of ingrijpen. Op de grote poorten en muren van de oude stadstaten vinden wij beelden van goddelijke wachters geschilderd, soms ingelegd en een enkele maal gebeeldhouwd. Bij tempels en heilige ruimten, maar ook bij paleizen in bv. Azië treffen wij ook de geheimzinnige figuren aan, die de geestelijke verdedigers voorstellen, de schutgeesten.
Men zou zeggen: Dat is alleen tegen geestelijk gevaar. Maar de zaak ligt eigenlijk anders. De mens weet dat hij in zijn milieu – wat er ook aan de hand is – wordt geconfronteerd met het onbegrepene. Geestelijk heeft hij bepaalde ervaringen opgedaan, voordat hij mens wordt. Met deze ervaringen, die hij niet bewust kan uitdrukken, kan hij niet tevreden zijn met een zuiver stoffelijke uitleg; er moet meer zijn. Dat meer probeert hij dan zo te formuleren, dat zijn eigen materiële zekerheden niet worden aangetast. Het lijkt overdreven, als ik beweer dat zelfs godsdiensten op dit principe zijn opgebouwd. Toch is het waar.
Als wij nagaan wat de voornaamste karaktertrek is van elke godsdienst, die met enig fanatisme wordt beleden, dan ontdekken we dat het niet is een kwestie van overgave aan de godheid, maar dat het een jezelf rechtvaardigen is ten koste van alles en tegenover allen krachtens de godheid, waaruit jij je wetenschap en je zending put. Of dat nu een kwestie is van de stamgeest in een ver verleden of misschien van de heilige kerk van de een of andere groepering, doet niet ter zake. Er is niet zoveel verschil tussen de pogingen van een oude sjamaan, de een of andere moefti, een bisschop, een paus of misschien een van de meer geziene godgeleerden in een kerkgenootschap om invloed uit te oefenen. Zij allen spreken over geestelijke waarden; maar zij zoeken uit de geestelijke waarden een zelfrechtvaardiging en zekerheid – ook op stoffelijk gebied – te verwerven.
Het strijdelement zien wij dan ook in de godsdienst overal terug. De joden worden – u kunt dit in de bijbel lezen – verscheidene keren van huis en haard verdreven. Zij worden vervolgd in Babylon, in Egypte omdat zij andere goden aanbidden. Omgekeerd weten wij ook dat de joden, als zij het Heilige Land binnentrekken, de Kanaänieten en Filistijnen proberen uit te roeien, omdat die andere goden aanbidden. Het is zeer wederkerig. Maar waarom? Waarom deze godheid als rechtvaardiging? Wel, een mens weet innerlijk, dat elke daad die hij stelt ten nadele van een ander, hoe dan ook, eigenlijk niet gerechtvaardigd is. Hij voelt zeer wel aan, dat hij een ander moet accepteren op precies dezelfde basis als hij door die ander aanvaard wil worden. Maar doet hij dit, dan moet hij ook toegeven dat hij ten aanzien van de ander soms de mindere is, op welk terrein dan ook.
Het is een typisch verschijnsel dat wij zien in de tijd van Rome, maar ook al in de tijd van Egypte. Daar werden, zoals u weet, bepaalde spelen gehouden. Egypte en Rome kenden beide bv. wagenrennen en bepaalde sporten zoals atletiek. In beide gevallen zien wij dat deze rijken op den duur anderen toelaten. In Rome worden bepaalde spelen gewonnen door bv. een Griekse wagenmenner, bepaalde gladiatorenspelen door twee Germanen. Maar wat zegt men? Zegt men nu: Dat zijn Germanen, dit zijn Grieken? Gaven de Egyptenaren toe dat in bepaalde snelheids- en behendigheidssporten de Nubiërs de sterkeren waren? Neen. Zij zeiden: Dit zijn ook Egyptenaren; of dit zijn ook onderdanen van Rome. Wat je bewondert, dat absorbeer je en wat je niet kunt absorberen, dat probeer je te gronde te richten. Wanneer u dit element “strijd” begrijpt, dan begrijpt u ook de onvermijdelijkheid ervan.
Zolang een mens behoefte heeft zichzelf in een stoffelijke wereld de zin, de rechtvaardiging van z’n zijn, zijn handelen en zijn bestaan te bewijzen, kan hij dit alleen doen ten koste van een ander. Pas op het ogenblik, dat hij bewust is van de zin van zijn bestaan en van zijn persoonlijke betekenis, heeft hij geen behoefte meer om anderen daarvoor de rekening te laten betalen; hij heeft geen bevestiging meer nodig. Het gevolg is geweest, dat door alle tijden heen de grote wijzen ofwel zwervers waren dan wel kluizenaars, heremieten, zonderlingen.
Als wij denken aan de grote priesters van de eerste Witte Broederschap die dan bekend is en waarvan Balaäm er een is, dan zien wij dat zij hier of daar wel een hoofdkwartier hebben, maar eigenlijk trekken ze hoofdzakelijk rond tussen de volken. Zij zijn aan niemand gebonden, worden door een ieder gerespecteerd, omdat zij bij elk volk willen optreden als deel van dat volk zonder zich er blijvend aan te binden. Dat is aanvaardbaar. Anderen doen dat niet. Johannes de Doper bv. is een groot man. Maar als groot man vertegenwoordigt hij niet het wettige gezag. Het resultaat is, dat zijn hoofd op een zilveren blaadje wordt aangeboden aan een danseres, die haar sluiers op charmante wijze wist te verliezen. Hier is dus de strijd duidelijk.
Als wij in deze moderne tijd gaan kijken, dan blijkt dat er enkele mensen zijn (filosofen, acteurs, schrijvers, wetenschapsmensen), die kennelijk worden aanvaard door iedereen, niet om de groep waartoe zij behoren, maar omdat zij in de eerste plaats filosoof, wetenschapsmens of acteur zijn en pas heel ver op de achtergrond nog uit een bepaalde groep of een bepaald land afkomstig zijn. Deze mensen worden niet vervolgd. Maar zodra iemand kiest (op welke manier dan ook – denk aan bv. de Oppenheimers in de Ver. Staten), dan is deze zelfde mens opeens vijand; hij is onaanvaardbaar, tenzij hij definitief heeft gekozen voor de eigen groep en de eigen partij alleen. Het is een aspect, dat uw eigen tijd beheerst en dat vele malen de wereld in geweld heeft gedompeld.
De eerste strijd tussen Atlantis en Mu werd door dergelijke reacties tot stand gebracht, ofschoon er wijzen waren, die door beide landen nog werden geaccepteerd. Atlantis zelf heeft zich door de verdeeldheid in de grote rijken te gronde gericht, omdat men niet uitging van het standpunt “wij kunnen samen niet zijn”, maar: “Ik moet zeker zijn en daarom moet ik meer zijn dan een ander”. Zelfs de vergadering van de Tien Vorsten van Atlantis in de tweede periode moest daardoor mislukken. Het was a.h.w. alsof men aan een Ronde Tafelconferentie nog twist over de vraag wie de voornaamste kan zijn.
Gelijkheid aanvaarden is dus in deze wereld gelijktijdig een onmogelijkheid en een absolute noodzaak wil men een einde maken aan de nutteloze strijd. En dan zal er steeds nog wel iemand zijn, die wil bewijzen dat hij meer is dan een ander.
Er was een zekere Wietze Simons in Noord-Holland, die dom was, maar buitengewoon groot en sterk gebouwd. Wanneer men hem voor de gek hield, dan wist hij altijd iedereen te overbluffen door zware lasten te tillen of grote planken doormidden te slaan. Eenmaal, zegt men, heeft hij zelfs kerkdeuren in Edam uitgelicht om op deze manier duidelijk te maken dat hij dan toch niet de mindere was. Hij was de sterkere en iedereen, die dacht dat hij met zijn hersens tegen Wietze’s spieren op kon, die moest dat dan maar bewijzen. Dat was een vorm van zelfexpressie.
Zo kan het een vorm van zelfexpressie zijn, wanneer in deze tijd jonge mensen, die zich ergens de mindere voelen, iemand willekeurig op straat aanhouden en hem een pak slaag geven. Dat is niet alleen kwaadwilligheid; het is weer de eeuwige strijdnoodzaak, die voortvloeit uit de onzekerheid, die men in zich draagt. En daarmee is geloof ik de eerste stelling duidelijk genoeg: Het gedragspatroon van volkeren, van mensen – geestelijk en stoffelijk – wordt bepaald door een voortdurende honger naar zekerheid en zelfbevestiging en elke aantasting daarvan of het ontbreken daarvan brengt met zich een compensatie zoeken in strijd.
Nu komen wij aan een tweede punt, dat naar ik hoop ook voor u interessant is. Wij hebben namelijk in het verleden gezien dat strijdloosheid (niet vredelievendheid, dat is wat anders, maar strijdloosheid, geweldloosheid) zeer grote invloed kan hebben. Wij kennen b.v. China dat onder de verschillende Khan’s vele malen werd overvallen. China, een groot rijk, waarin steeds weer de dynastieën voortkomen uit de andere volkeren. Maar wat is China? China zoekt in de eerste plaats zijn zekerheid, die in de functionaliteit van zijn gemeenschap ligt; zelfs de filosofie is daarop opgebouwd. De geestelijke achtergronden spreken niet over goden, die met elkaar worstelen, zij spreken in de eerste plaats over de noodzaak je plaats in te nemen en zo je deel in de gemeenschap geestelijk en anderszins te vervullen. Het resultaat is, dat dus de Chinezen overwinnen. Als de Mantsjoe’s komen, worden zij Chinezer dan de Chinezen. Zelfs nu blijkt nog steeds dat China zelfs een communistische leerstelling niet kan aanvaarden zonder gelijktijdig het tot een Chinese leerstelling te maken. Pas als China te strijdbaar wordt – niet alleen intern maar ook naar buiten toe – zal datzelfde China voor de noodzaak komen te staan zichzelf werkelijk te bewijzen en dat zou wel eens moeilijk kunnen zijn.
De gehele reactie van China op het ogenblik wijst in dezelfde richting. China moest bewijzen dat het waarde had, niet alleen tegenover de wereld, maar vooral tegenover de communistische staten. Het wilde niet de jongere broeder zijn; het wilde even eerbiedwaardig communistisch zijn als Moskou. Daar kwam de revolutie uit voort. Het principe van de voortdurende revolutie en van de Maoïsten is eigenlijk niets anders dan een poging om in een voortdurende strijd de eigen waardig steeds aan te tonen en te bewijzen. De resultaten daarvan zullen dan ook wel heel komisch zijn.
Het ligt niet op mijn weg om hier nu onmiddellijk te vertellen wat er daar gaat gebeuren. Maar kort gezegd: Het ziet ernaar uit dat Rusland op het ogenblik bang is om bepaalde acties door te zetten, ofschoon het onder het mom van twee divisies weg te trekken nu ruim tien divisies op transport heeft gesteld in de richting van de Chinese grens. Een zeer komische situatie. Rusland lijdt aan dezelfde ziekte. Dit land baseert zich en zijn grootheid eigenlijk op zijn heiligheid als het land, waaruit de enig ware marxistische doctrine komt. Op het ogenblik, dat deze heiligheid door wie dan ook wordt aangetast, kan Rusland niets anders doen dan proberen met alle middelen die ter beschikking staan dit aanzien terug te winnen. In het verleden heeft dit in Atlantis tot de ondergang van een groot gedeelte van de toenmalige beschaving geleid. Wie weet waar het deze maal toe kan leiden. Zeker, het proces zal zich nog lange tijd voortzetten, voordat tenslotte een explosie komt. Want het aanvallen van degene, die hij als jongere broeder ziet, is op zichzelf ook niet aangenaam; het tast de familie-zekerheid aan en daarmee je eigen achtergrond. Maar er komt een ogenblik, dat men daar overheen kijkt.
Het zal u duidelijk zijn, dat wij dus in deze wereld de achtergrond van de mens moeten zoeken. Nu wil ik dat eerst proberen te doen vanuit het godsbegrip. God is namelijk altijd maar een vage these. Zodra God uit de verf komt, omschreven wordt, heeft hij concurrenten naast zich. Zolang hij de alles rechtvaardigende almacht is, blijft hij vaag, onzichtbaar. Hij is een strijdleuze. Hij is een soort onzichtbaar Hof van Appél, dat nooit antwoord geeft en waardoor je dus altijd gerechtvaardigd bent. Je zegt: Als ik geen gelijk heb, zeg het mij dan en zegt God niets, nu dan heb je gelijk. Maar vergeet niet, dat dit godsbegrip niet alleen gebonden is aan de bovennatuurlijke machten. Het begrip “god” wordt evenzeer toegekend aan alles, waardoor men eigen leven geleid of gedomineerd en gerechtvaardigd acht.
Zo is Marx eigenlijk vanaf het ogenblik, dat hij dood is een soort semi godheid geworden. Daaruit is het idee van Marx en Lenin verrezen, die in feite de goden zijn van een het hiernamaals niet erkennende godsdienst.
Wij hebben altijd met goden te maken gehad en pas als je goden in jezelf kunt opnemen, is het mogelijk dat je in eenheid met anderen leeft. Als wij bv. naar het oude Rome kijken, dan valt ons op dat de Romeinen een zeer lange tijd in staat zijn om met de barbaren, zoals zij dat noemen, met andere volkeren in vrede samen te leven. Maar als zij een land veroveren en er zijn daar goden, dan zetten zij de voornaamste goden in het Capitool. Zij brengen die goden naar Rome, opdat men zal weten dat ook die goden in het Pantheon een plaats hebben. Zij zeggen niet: Onze god is meer dan uw god. Maar zij zeggen: Uw god is een verschijningsvorm van onze god en daarom is uw god gelijk aan onze god. Wij plaatsen hem in de centrale kerk. Zij zeggen niet: Je moogt alleen maar onze leer verkondigen. Het Rome van die tijd is eigenlijk een soort gaarkeuken met allerlei exotische godsdienstige gerechten. Je kunt van Isis naar de grote Moeder en van daaruit naar Apollo. Je kunt naar Jupiter. Je kunt naar elke god, desnoods naar Thor en Donar. Er is een tempel voor Freyr, die in sommige gevallen zelfs concurreert met die van Cybele. Die beide tempels waren nl. trekkend uitgevoerd en stonden niet op een vaste plaats.
Hier blijkt, dat om een samenhang te krijgen je eerst een gezamenlijke geestelijke achtergrond moet hebben. Pas als je die geestelijke achtergrond hebt, ontstaat een zekerheid dat binnen een geschil kan worden opgelost, zonder dat het geweld gelijktijdig vernietiging behoeft in te houden. Als een mens in zijn familie ruzie heeft, dan zal hij misschien ook de vraag “wie heeft gelijk” nog wel willen uitvechten. Maar het is geen strijd, die haat brengt. Het is een strijd, die zichzelf gemakkelijk oplost.
In zekere zin bestaan dergelijke gaarkeukens van geestelijke gerechten op het ogenblik ook op deze wereld. Amsterdam is druk bezig er een te worden. Californië is er een van grote omvang en zelfs in India zien we nu vele kleinere godsdiensten zich langzaam maar zeker verenigen tot een totaalbegrip, dat eigenlijk de staat is. Waarom zou de mens dat wel kunnen aanvaarden? Omdat hij dan gerechtvaardigd wordt door de staat. Zodra de staat niet de verdediger van één godheid is, maar de uitingsvorm, waarin alle vormen Gods tot uiting kunnen komen, kan de mens de staat accepteren. De staat komt in de plaats van de godheid en wordt als zodanig bepalend. Men kan zich tegen God verzetten -dat doet men tegen de staat ook. Maar ergens is de zekerheid en het zekerheidsbegrip met de staat verbonden.
Deze methodiek zou men eigenlijk ook moeten toepassen in een democratie. De angst van de democratie voor de communisten is eigenlijk een dwaze angst, want zij vereren vaak Marx, Engels en dergelijke net zo veel als de mensen in Moskou. Zeker, de marxistische theologie, als ik het zo mag noemen, is een andere, maar de god is dezelfde. En zo zou men dus eigenlijk moeten zeggen. Elke vorm van marxisme is gelijk. Wij erkennen de grootheid van Marx, de uitleggingen kunnen jullie onder elkaar uitvechten. Dan is er ineens een gemeenschapsgevoel gevormd en daar kan men mee leven. Zolang men weigert dat te doen, zolang men niet begrijpt dat de mensheid zelf de uitdrukking is van het totaal der menselijke ideeën en alle menselijke ideeën tezamen – inclusief de geloofsvormen, de systemen, de esoterische en andere denkwijzen – moeten worden gezien als uiting en als rechtvaardiging van de mensheid, zal er in de mensheid altijd een strijdelement blijven op grond van denkbeelden, die op zichzelf weinig te zeggen hebben.
Daarmee is de tweede stelling duidelijk geworden, nl. dat het niet belangrijk is welke idee zegeviert, maar dat het belangrijk is welke ideeën gezamenlijk kunnen worden gezien als iets, waardoor de mensheid zichzelf uit en tot haar bestemming brengt. Zodra deze idee is aanvaard, kan de mens met zekerheid, omdat hij mens is, de verschillen van denken, godsdiensten en systemen accepteren.
Dan kom ik tot het derde deel van deze inleidende beschouwing.
Een van de grote goden, die als zodanig nooit worden genoemd op deze wereld, heet Goud. En Goud uit zich door zijn zoon Geld en zijn geest Krediet. Goud is een illusie. Goud kan technisch bruikbaar zijn; er zijn echter betere materialen. De Gouden Standaard is zelfs niet hanteerbaar, ook al doet men alsof. Geld is niets anders dan een gedeeltelijk waardeloze weergave van hetgeen de god Goud representeert, maar nu op zodanige manier, dat de eenling het kan hanteren. Krediet is de geest van het bezit, uitgedrukt in het goud.
Nu moet u proberen te beseffen wat voor een wonderlijke parallel wij hier zien. In het begin van de christelijke era was Jezus een symbool. Jezus was de Leer. De H. Geest was datgene, wat je hielp om de Leer te interpreteren. God Zelf was de kracht, waaruit dit alles voortkwam, de vaagheid. Maar naarmate dus de organisatie voortschrijdt (dat begint al met Paulus) wordt de H. Geest, de inspirator, belangrijker dan de Christus en God. De inspirator bepaalt hoe alles in het christendom zou moeten zijn. Jezus leer moet daaraan worden aangepast; wat dan ook prompt gebeurt via verschillende concilies.
In deze tijd verkondigt men nog steeds de noodzaak van het waardevaste geld en al die dingen meer. Maar de verkondiging is eigenlijk dwaasheid geworden. Het goud is de verre god, de uitdrukking van het bezit. Maar de kracht, die alles wat met het bezit gebeurt inspireert, heet krediet. Het is het krediet, dat op het ogenblik alles in de economie beheerst. Het is de kwestie van kredietmogelijkheid, die veel meer zegt dan alle bezit. Hij, die krediet heeft, kan dingen doen. Hij die bezit heeft, zal eerst dat bezit moeten hanteren om wat te kunnen doen.
Op deze systemen zijn dan ook de ijveraars van de nieuwe godsdienst (de bankdirecteuren) gebaseerd, die -wanneer het soms toch zover komt dat de mens teveel gaat denken aan het geld als zodanig samenkomen in een raad van wereldbanken of iets dergelijks om een nieuwe inspiratie van het krediet te ontvangen en daarmee hun eigen wetten weer op te leggen aan de natuurlijke wisseling van bezitsverhoudingen en waarden, die het geld alleen tot stand zal brengen.
U zult begrijpen, dat wij dus niet meer te maken hebben met werkelijk bezit. Maar gelijktijdig is bezit zekerheid voor vele mensen. Indien ik dus bezit onttrek aan zijn werkelijke waarde, nl. de mogelijkheid daarover persoonlijk te bestemmen, doe ik in feite het nut van bezit teniet. Ik laat alleen de lasten over en stel daarvoor in de plaats een krediet, dat door mij kan worden bepaald en dat niet meer uit het bezit zelf voortvloeit. Als u mij niet gelooft, moet u het verdere verloop van de zaak Verolme maar eens nagaan, dan kunt u daar heel komische dingen zien.
In de oudheid was goud een waardemeter, omdat goud overal even kostbaar was. Tegenwoordig is goud een product, dat kunstmatig op een bepaalde prijs wordt gehouden en dat niet of bijna niet meer vrij verkrijgbaar is. Het is geen deel van de werkelijke omloop van bezittingen; het is een illusie. Nu de mens dit bezit dus niet meer kan hanteren, ontstaat er een vervreemding van de bezitsdrang; ze komt op een ander terrein. Vroeger was de bezitsdrang het scheppen van een bezitsachtergrond, waardoor men zekerheid had. Nu is de bezitsdrang verplaatst naar de neiging om zoveel mogelijk te hebben en te gebruiken, omdat men alle zekerheid van het bezit in de toekomst eigenlijk betwijfelt. Men noemt dat dan de consumptiedrang; deze bepaalt weer de noodzaak tot kredietverruiming enz. Binnenkort zal de zaak ineenstorten. Dat is al eens gebeurd in Alexandrië. Het was kort voordat daar de grote strijd tegen de heidenen begon. Deze stad was nl. een grote handelsstad; ze had zeer veel bankiers. Maar nu kwam er een ogenblik, dat de staat (het gezag) probeerde vat te krijgen op de gelden van die bankiers. Ze wilden dus die middelen kunnen hanteren. Die bankiers waren echter zeer handig; zij hadden hun werkelijke bezittingen elders ondergebracht. Men kon daar niet onmiddellijk bij komen. Het resultaat was dus, dat de staat deed alsof zij dit bezit bezat, zonder dat zij er werkelijk zeggenschap over had. En daardoor ontstonden er zoveel discrepanties tussen de eisen, die de staat stelde aan de wereld en ook aan de bevolking op grond van haar recht op deze bezittingen en de feitelijke bezittingen die zij kon activeren, dat zij dreigde in elkaar te storten; en toen waren er vijanden nodig. Het resultaat is geweest, dat men een strijd begon tegen allerhande sekten. Daarbij ging ten slotte de grote bibliotheek verloren, een van de meest kostbare verzamelingen van werken uit die tijd en men vernietigde later zelfs ook nog andere plaatsen van samenkomst.
Denkt u nu aan de staten van vandaag. Wij zien overal bij de mens de drang ontstaan niet om te sparen voor morgen, maar om vandaag te besteden wat hij morgen verdient. Van de Amerikaanse economie kan men zeggen, dat op het ogenblik ongeveer 40 % van het algemeen verbruik direct op deze kredietverlening berust en dat bijna 90 % van de omzet in grotere artikelen daardoor wordt bepaald. In Nederland is men nog niet zover. Maar in Nederland is men wel zover gekomen, dat men ook vooruit grijpt naar morgen. Nu gebruiken, morgen betalen. Dus niet mijn bezit achter mij hebben, maar vandaag bezitten. Hiermee is de totale bezitsverhouding en ook de bezitszekerheid verdwenen. Wat gaat u dan verdedigen?
Gaat u dan nog denken aan bezit? Dat interesseert u niet meer. Denkt u nog aan geld als waarde? Neen, u denkt eigenlijk aan geld alleen als een verbruiksmogelijkheid. En op deze manier komt men dus tot allerlei economische problemen, die niet meer uit de wereld zijn te helpen, tenzij wij toegeven dat krediet de enige ware god is en dat goud eigenlijk alleen maar een verschijningsvorm daarvan is.
Maar dan moeten wij die godsdienst ombouwen. Dat wil zeggen: Wij moeten de economische inzichten veranderen; wij moeten de maatschappelijke inzichten veranderen. De kapitaalsbeleggingen van grote staten en maatschappijen zullen misschien plotseling van waarde kunnen veranderen. Dat wil men niet. Daardoor ontstaat er een tweeledigheid. Wat gebeurt er als er een tweeledigheid is. Er ontstaat een crisis, waarbij enerzijds bepaalde partijen meer eisen dan zij rechtens de bezitsverhoudingen zouden kunnen opvragen, terwijl aan de andere kant er partijen zijn, die dat steeds meer moeten weigeren. En dan ontstaat er wat men noemt een verbruikscrisis.
Bij een verbruikscrisis ontstaat een ontwaarding, waarbij het krediet wordt ontwaard. Geld natuurlijk ook, maar in de eerste plaats krediet. Men kan dus niet meer kopen met wat men morgen verdient, maar men moet kopen met wat men gisteren heeft verdiend. Dat betekent een overgangsperiode, waarbij het hele productieproces komt plat te liggen. Zo sterk als ik het u hier vertel, zal dat zeker niet overal zijn; maar dat is het proces, waar wij toch op dit moment tegenover staan. Gelukkig kunnen wij troost putten uit de verschijnselen van de oudheid. Het is namelijk wel zeker, dat juist de crisisperiode van Alexandrië aanleiding heeft gegeven tot een verbreiding en intensifiëring van de geestelijke waarden en wijsheden, die daar werden verkondigd. Op gelijksoortige wijze weten wij, dat de waarde van de wijsgeren van Athene pas wordt uitgedragen op het ogenblik, dat Athene eigenlijk al zijn zelfstandigheid verliest en een tijdlang zelfs een soort luxe slavenmarkt is voor de vanuit Atheens standpunt toch wel zeer ruwe en barbaarse Romeinen. Hier ziet u dus dat geestelijke ontplooiing gepaard gaat met materieel verval.
In deze tijd is materieel verval dichterbij dan men veronderstelt. O, ik verkondig u niet de ineenstorting van alle waarden. Zo dwaas zal het niet zijn. Maar wel een toenemende onmogelijkheid om te verbruiken wat je wilt. En daar komen spanningen uit voort, die toch ook revolutionair zijn. Wanneer die spanningen ontstaan, dan is er maar één uitweg: Men moet zich gaan beroepen op geestelijke waarden en waarheden, want de materiële zekerheid is weg. De zekerheid van het systeem is daarmee aangetast; ook van de godsdienstige systemen. Wat er overblijft is de zelf geruststellende werking van het eigen denken; de identificatie met het grotere denken, met het hogere bewustzijn. Dat wil niet zeggen, dat dat bewustzijn werkelijk zoveel hoger is. Het wil alleen zeggen, dat het psychologisch een zekere invloed uitoefent, waardoor er een afstand nemen van de maatschappij optreedt. En dit afstand nemen van de maatschappij, uit onzekerheid voortgekomen – ook bij de wijsgeren in de oudheid – voert tot denkwijzen, die later kunnen worden geformuleerd niet alleen voor het eigen deel van de mensheid, maar vaak ook voor een hele era van beschaving. Zo zal uw tijd op korte termijn gaan voortbrengen vele verlichte gedachten en grote geesten. Zij zullen niet allen gelijktijdig worden erkend, dat is duidelijk. De historie zal hen echter wel erkennen. Gelijktijdig materieel verval. Mijn conclusie is in dit derde punt naar ik meen duidelijk geworden: Godsdienst, bezit of welk systeem van stellingen dan ook voert altijd tot omwentelingen en desoriëntatie op het ogenblik, dat men zich niet meer houdt aan de werkelijke verhoudingen.
Werkelijke verhoudingen erkennen betekent de compensatie moeten zoeken in het geestelijke. Het werken met niet reële verhoudingen voert tot een revolutie, die een stimulans tot geestelijke ontwikkelingen met zich brengt. Zo zal elke periode van verdwazing, van strijd bij de mens achterlaten een momentum voor nieuwe ontwikkelingen, voor nieuw besef. En daarmee mag ik dan deze drie delen samenvatten in de eindconclusie: De grootheid van de mens wordt door de strijd bepaald. Niet door de strijd, die hij tegen anderen voort, maar door de strijd, die hij voert om de zekerheid, de zelferkenning en de zelfrechtvaardiging te gewinnen, waardoor hij – ook materieel – aan zijn geestelijk denken en voorstelling kan beantwoorden.
Kun je het geloven?
De mens is de hoogste trap van de schepping. Het ligt er maar aan wat je als trap ziet. Er zijn mensen, die de drie treetjes voor de ingang van de tempel beschouwen als de trap, die naar de top van de toren leidt. Die hebben misschien gelijk. Maar de grote vraag is voor mij altijd toch weer: Als de mensen zo maar wat beweren, waarom doen ze dat en waarom geloven ze?
Er is een almachtige God. Dat is een geloofspunt. Je weet er eigenlijk helemaal niets van af. Maar waarom geloof je het? Om de doodeenvoudige reden, dat het alles zo lekker verklaart. Want als mens wil je do zaak graag duidelijk en verklaard hebben. Als wij dus het een of ander verschijnsel hebben, waar dan ook, dat niet helemaal begrijpelijk is, dan grijpen we naar de statistiek en zeggen we: Het Nederlands Bureau voor de Statistiek en de berekeningen gemaakt in het SER of een andere instelling (zolang die tenminste nog instant wordt gehouden) wijzen aan dat de schijnbaar onverwachte tendens het logisch uitvloeisel is van ….
Dat zijn methoden, waarmee we proberen ons geloof in onszelf en in iedereen hoog te houden. Maar kun je het eigenlijk wel geloven? Kijk eens, als ik tegen u zeg dat ik eerlijk ben, dan kunt u dat misschien geloven. Maar u weet het niet zeker. Het blijft een geloof. Het geloof is het spel met de onzekerheden van het leven, dat we voortdurend plegen te spelen.
“Ik geloof, dat het morgen mooi weer zal worden.” Dat betekent : Ik weet het niet. Maar als ik zeg: “Ik geloof in een almachtige God”, dan stel ik een zekerheid. Waarom? Waar ligt het verschil? Kun je nu werkelijk wel geloven wat iemand zegt, als hij beweert “ik geloof dit of dat”? Ik geloof het ook niet. Ik denk, dat er in de mens ergens een mechanisme is dat hem helpt om alles zo’n beetje in overeenstemming te brengen met wat hij aan de buitenkant meent dat er van hem moet worden verwacht.
Als je bv. aan de paus gaat vragen: “Gelooft u werkelijk dat u onfeilbaar bent?” Dan zal hij zeggen: “Neen, ik ben natuurlijk niet onfeilbaar, maar …” en dan komt gij met een hele verklaring….”onder omstandigheden ben ik dat wel.” Dat zegt hij niet, omdat hij het misschien zelf zo voelt, maar omdat hij weet dat hij zonder dat geen paus is.
Menigeen gelooft in een voortbestaan alleen maar, omdat hij zonder dat geen zin ziet in zijn leven hier op aarde. Wil je nuchter zijn, dan moet je proberen te verklaren waar het vandaan komt. En als je dat “waar het vandaan komt” hebt, dan blijft er eigenlijk een vaagheid over. Een vaagheid, die we net zo goed aantreffen ergens in een ver verleden waar iemand zegt “ik geloof, dat mijn voorvaderen mij raad geven” als tegenwoordig bij een mens die zegt “ik geloof, dat wij via dat en dat systeem de welvaart kunnen continueren”. Dat is precies hetzelfde. Het is nl. zo: Die mens in het verleden wist het zelf niet. Hij had iets nodig, waardoor hij zeker was, waardoor hij een beslissing kon nemen. En die beslissing durfde hij zelf niet aan, dus had hij een voorvader nodig. Indien zijn voorvader fouten maakte, dan kon hij hem vervloeken en hem niet meer vereren; hij kon bv. spijkers in zijn beeld slaan. Dan kon hij op die manier afreageren wat anders voor zijn verantwoordelijkheid zou komen. Daarom, zeg ik: Als iemand met een stelling komt, die zozeer abstract klinkt, dan moet je onmiddellijk zeggen: Kun je dat wel geloven? En als je het gelooft, waarom doe je het? U zult zich afvragen wat dat te maken heeft met allerhande vergelijkingen tussen de moderne tijd en het verleden. Ik zal u uit de droom helpen.
Er zijn altijd mensen geweest, die reformatorisch dachten. Nu is een reformatie niet zoals de meeste moderne mensen denken een poging om bv. het christendom weer in nieuwe of in juiste banen te leiden of terug te keren naar het oude. De reformatie pretendeert vaak het verleden te zijn, maar in feite probeert ze te ontkomen aan haar eigen onvermogen om nog te geloven in het heden en wat er nu is. Als dus de jonge mensen van vandaag den dag met hun geloven, hun denken en hun mystiek gedoe (dat er meestal ook nog bij hoort) allerlei rare paden opgaan, dan is dat helemaal geen kwestie van een reformatie in de maatschappij. Het is doodgewoon een uiting van ongeloof in hetgeen die maatschappij nu pretendeert. Dan is dus de logische conclusie, dat die jonge mensen zich rechtvaardigen ten aanzien van hun gedrag in de maatschappij door een ander geloof, dat dan gemakkelijker is. Geloof is heel vaak de uitvlucht die je gebruikt, als het te moeilijk is om met de feiten te werken. U heeft dat ongetwijfeld wel eens meegemaakt.
Als we nu denken aan de rol, die bv. Stalin heeft gespeeld, dan weten we dat men in het begin Stalin zag als een soort heilige. Het was God de Vader op aarde. Hij zetelde in statie in Moskou, in het Kremlin. Hij dirigeerde de wereld. Hij was de verpersoonlijking van de revolutie, van de doctrine en al wat er bij kwam. Toen kwamen er nieuwelingen en die gingen een reformatie beginnen. Chroetsjew. Deze zei: Die Stalin …. een rotzak. Wat die vent allemaal voor moorden heeft begaan. Hij zei niet: Ik heb ze ook gedaan. Maar hij zei: Wat die vent allemaal voor moorden heeft begaan, dat is gewoon verschrikkelijk. Die man was op een gegeven ogenblik gewoon krankzinnig. Dat was natuurlijk wel waar. En op dat ogenblik was het ook veel gemakkelijker te geloven, dat het zo eenvoudig was; dat Stalin niet deel was van een machine, maar dat hij het aansprakelijke hoofd was voor alle misstanden. Maar later bleek, dat toen Chroetsjew probeerde menselijk te zijn de meeste mensen meegingen in die reformatie; dat ze anders gingen staan tegenover de partij, de partij-doctrine, het staatsgezag. En dat was weer gevaarlijk. Dus wat deed men? Men haalde rustig Stalin weer van stal. Men zei: Stalin is natuurlijk niet helemaal goed geweest, maar hij heeft toch zoveel dingen gedaan. We moeten erkennen: Hij is een groot man geweest. En daarmee bedoelden zij eigenlijk: Zijn idee van discipline en gezag was eigenlijk belangrijk.
Dat ziet u vandaag den dag ook. U zult het in Nederland ook zien. Op een gegeven ogenblik was het Kabinet Drees …. nou ja, het had dan wel wat goeds gedaan. Drees was een heel aardig mannetje, daar niet van, maar hij had toch eigenlijk maar niets gedaan. Maar als nu nog twee of drie Kabinetten verder blijven sukkelen op dezelfde manier, dan zal op een gegeven ogenblik veel van hetgeen de heer Drees indertijd heeft beweerd weer naar voren worden gehaald en zeggen ze: Kijk, Drees heeft wel fouten gemaakt, maar hij wist het toch beter dan degenen, die het nu weten. Wij zijn dus niet aansprakelijk (bedoelt men ermee) voor de fouten, die we zelf hebben helpen maken. Luns is een lange tijd onfeilbaar geweest. Nu deugt Luns niet. Misschien dat men later zal zeggen: Hij was een groot staatsman. Er zijn meer van die mensen geweest. Colijn. Er is een tijd geweest dat Colijn werd beschouwd als een groot volksmisleider, een grote schurk. Dat was heus niet alleen door de nationaalsocialisten, maar door de mensen die wisten hoe dat was geweest met de geldontwaarding van de gulden en wat er allemaal bij te pas is gekomen. Nu gaat men zeggen: Colijn was toch wel een groot staatsman, want hij had een disciplinair en paternalistisch inzicht, dat op het ogenblik gemakkelijk ligt. En daarom gelooft men nu weer, dat veel van hetgeen hij heeft gezegd eigenlijk staatkundig toch wel zin heeft. Men gelooft dat, omdat het gemakkelijk is. Maar kun je nu wel geloven, dat het geloof oprecht is? Dat is een vraag, waar je over moet nadenken.
Die vraag: Kun je dat geloven? wordt soms gesteld op een ogenblik, dat het erg pijnlijk is. Er was in de buurt van Turijn in een kleine stad een processie. Voorop liep een koor van maagden, zestig stuks. Iedereen maakte er een grapje over. Toen zei de pastoor: “Nee, nee, nee, ik weet het zeker, dit zijn maagden.” Toen zei de hele parochie: “Kun je dat nu wel geloven!” Daar durft men die vraag nog wel stellen. Zolang het een medemens betreft, durf je de stelling aantasten. Dat is altijd zo geweest. Maar op het ogenblik, dat het een gemeenschap geldt, dan is het net alsof je eraf moet blijven. Dat geloof mag je niet kritiseren. Dat geldt altijd wel.
Ik heb het al gezegd: Het was in het stenen tijdperk zo, het was bij de Karolingers zo, het is geweest in de tijd van Johan de Witt, het is geweest in de tijd van Colijn, het is vandaag nog net zo eigenlijk. Maar er komt altijd weer een ogenblik, dat de mens zich die vraag gaat stellen: Kun je dat nu wel geloven? Dat hij gaat zeggen: Wat zit erachter? En dan krijg je heel eigenaardige situaties.
Het is zo geweest, dat men in heel Griekenland een tijdlang de Spartaanse discipline als de meest juiste heeft beschouwd. De mensen vergeten dat tegenwoordig. Ze zeggen: Athene was de tegenstelling tot Sparta. Dat is niet waar. Oorspronkelijk ging alleen de top (de lichamelijk sterken) in Athene zich met de vloot bezighouden, die kwam in de handel terecht en vormde toen een soort patriciërsgemeenschap, die de rest van de gemeenschap domineerde; het werd een soort regentenstructuur. Daarbij viel de nadruk op de lichamelijke hardheid en discipline weg. Maar dat is lang niet altijd zo geweest. Maar op het ogenblik, dat men zich daar begon af te vragen of het nu werkelijk belangrijk was, dat iemand hard kon lopen, dat hij dit en dat hij dat kon, wanneer hij zo scherp kon denken en redeneren en zijn risico’s kon verdelen, dat hij toch altijd aan de goede kant bleef, toen kwam er een reformatie. Dat was een reformatiebegrip, waardoor eigenlijk de cultuur (het denken) in Athene op een veel hoger plan kwam. Je kreeg ineens de ook door de staat (eigenlijk de stadstaat) zelf gegeven voordelen voor allerlei beeldhouwers en bouwers. Men ging ineens van een geheel ander standpunt uit. Toen kwamen de Romeinen en wat zeiden toen – vreemd genoeg – deze Grieken? Zei zeiden: Wat wij denken is onaantastbaar. En zolang zij dat nu maar geloofden, waren zij de meerderen van de Romeinen. Daarom hebben de Romeinen zoveel overgenomen van de Grieken. Maar toen kwam er ook een tijd, dat zij niet meer geloofden dat ze op enigerlei punt meerwaardig waren en vanaf dat ogenblik is eigenlijk Griekenland terug gevallen.
Griekenland heeft een ontzettend grote cultuur gehad, maar die is weer betrekkelijk snel verdwenen. Rome heeft er wat van over gehouden, meestal vervalst. Zo kan men dat overal vinden. Zodra je gaat vragen: Kan ik dat nog wel geloven? – ook ten aanzien van mijzelf – dan verlies je iets. Je verliest een zeker zelfvertrouwen, maar ook een vertrouwen in de maatschappij. Je gaat je niet meer aan de regels van het spel houden. Als je niet meer gelooft in de houdbaarheid en eerlijkheid van een schervengericht bv., dan doe je er niet meer aan mee. Maar als er voldoende mensen zijn, die er niet meer aan meedoen, dan is daarmede het schervengericht als zodanig ontwaard. En die ontwaarding van de maatschappij ziet men op het ogenblik overal.
Wat kan ik ervan geloven – zeggen ze tegenwoordig. Als de een of andere politicus een verklaring aflegt, zeg je: Ja, wat kan ik ervan geloven? Wat bedoelt die man zelf? Als je in de krant leest dat x-boter de beste is, dan zeg je: Wat kan ik er van geloven? Ik zal toch eerst eens nagaan. Ik neem dat zonder meer maar niet zo aan. Als ze zeggen, dat een buurman slecht is, dan wil je het vaak nog wel geloven, omdat het altijd prettig is, als iemand slechter is dan jezelf bent, dat is al tijd een goede verontschuldiging voor je eigen fouten. Maar als ze zeggen, dat iemand zo erg goed is, dan zeg je al gauw: Kan ik dat nu wel geloven?
In de gehele maatschappij is dit ongeloof een gistingsproces. De gistingsprocessen in het verleden hebben geleid tot totale omwentelingen. En als je ziet dat ze van een materialistisch systeem ineens omschakelen naar een filosofisch systeem ( wat wij op vele plaatsen in de wereld overigens hebben kunnen zien), dat men elders van een rechtvaardigheid, een democratie, als het ware een volkssysteem, ineens overslaat naar wat wij zouden noemen een zeer harde tirannie of een militaire dictatuur, dan moeten we zeggen: Nu ja, hier gaat ook zoiets gebeuren.
Wij kunnen die parallellen natuurlijk niet precies trekken. Het is waar, er is een spiraal in de tijd te vinden, er zijn bepaalde cyclische verschijnselen en invloeden. Allemaal waar. Maar die invloeden kunnen wij nooit helemaal bepalen. Alleen als we zien, dat er in de geest van de mensen een bepaalde revolte plaatsvindt, dat ze hun geloof, hun zekerheid verliezen en daarvoor iets anders opbouwen, kunnen we kijken: Wat bouwen zij op? Dan kunnen we ook zeggen: Wat gaat er gebeuren?
En daarmee is de vraag, die ik aan het begin heb gesteld, eigenlijk helemaal geen dwaze vraag. Het is helemaal niet een vraag, die ergens op het terrein van God en geloof alleen ligt. Het is een vraag, die direct verband houdt met: Wat gebeurt er in de wereld? Wat kan ik ervan geloven? Maar ook: Wat geloven anderen daarvan? In hoeverre is vertrouwen op dit moment bepalend? Of dat nu gaat over God waaraan ik kan geloven, of dat het gaat over mensen, over een systeem, over rechtvaardigheid of wat anders, ik moet er eerst aan geloven. En als ik er niet meer aan geloof, verliest het zijn betekenis. Indien een groter aantal (ongeveer een derde van het totaal) zijn geloof heeft verloren in een massa of in een gemeenschap, in een bepaalde gemeenschappelijke stelling of in een bepaald gebruik, dan ontstaat er een omwenteling. Dat gebruik is niet meer te handhaven en dan wordt daarvoor bij allen op den duur een nieuwe waarde gesteld. Daarom zit u op het ogenblik in een periode van vernieuwing.
Nu is het natuurlijk weer zo dat u heel veel dingen hebt waar u eerst over na moet denken. Is de regering van Franco werkelijk zo slecht voor Spanje? Men zegt van wel. Maar wat moet je er nu van geloven? Men zegt, dat het kolonelsregime in Griekenland een wrede dictatuur is. Wat moet je er nu eigenlijk van geloven? Men zegt, dat alleen in Nato-verband een redelijke verdediging van Europa mogelijk is. Wat moet je daar nu van geloven? Wat is ervan waar? Nu zegt hier een vriend: Hetgeen je denkt. Neen, dat is niet waar. Niet hetgeen je denkt, maar hetgeen je niet meer kunt denken. Op het ogenblik, dat je komt tot de vraag: Wat is ervan waar? dan zijn er een aantal dingen, die je niet meer kunt bevestigen om welke reden dan ook. Zodra je in dit opzicht niet meer kunt denken, kom je met een visie. Indien die visie juist is en door velen wordt gedeeld, ontstaat er een verandering; en om die verandering gaat het. Je kunt natuurlijk ook meer abstract zijn. Bijvoorbeeld: Het marxisme is de enige oplossing voor de wereld. Wat is daarvan waar? Geboortebeperking is ontoelaatbaar. Wat is daarvan waar? Er is rechtvaardigheid. Wat is daarvan waar? En dan blijkt, dat wij ons allemaal dingen in het hoofd halen, die eigenlijk nooit de feiten dekken. Dat is het wonderlijke.
De meeste mensen beschouwen bepaalde geestelijke stellingen als een soort dekhengst, die nieuwe feiten kan voortbrengen. Maar dat is niet waar. Integendeel, de feiten zijn nooit in staat om geheel te beantwoorden aan een stelling. Zolang ik een stelling aanvaard en huldig, kan ik die feiten wel aardig daarbij aansluiten en dan past het een beetje. Maar er blijven zoveel gapingen en hiaten dat op het ogenblik, dat ik mij ga afvragen: Is het waar? Of: Wat is ervan waar? Ik weg ben. Dan zie ik ineens zoveel dingen, die tegengesteld zijn aan hetgeen ik zei te geloven, te leven of te denken, dan zie ik zoveel verschijnselen die helemaal niet meer passen, dat ik alleen maar ken zeggen: Het is niet waar. Maar wat dan? Dan zoek ik dus een verklaring, die de hiaten dekt, maar niet alle feiten. Er blijven nieuwe hiaten bestaan.
Er is altijd een verschil tussen de wereld van de geest, de voorstellingswereld van de mens en de feitenwereld van de mens. Voor de geest is de feitenwereld van de mens iets wat je niet kunt aanvaarden, omdat de feiten van de mens op zichzelf niet tellen voor de geest, maar alleen in hun volgorde. Zij zijn dus niet belangrijk per se, maar alleen omdat ze in een bepaalde samenhang voorkomen en dat is een heel andere belangrijkheidsbepaling. Voor de mens zijn de feiten alleen belangrijk, indien zij zijn stellingen dekken. Op het ogenblik, dat dat niet het geval is, probeert hij de feiten te ontlopen, maar kan dat niet. De feiten op zichzelf zijn voor de mens voortdurend de rots waartegen hij botst, als hij meent dat hij het geestelijk nu wel weet en dat hij het ideëel en duidelijk heeft kunnen bepalen.
Omdat ik probeer ook in het tweede onderwerp een paar punten van belang naar voren te brengen, zou ik u een paar vragen willen stellen. Daar moet u maar eens over nadenken: wat is er nu van waar en wat is er niet van waar?
Als wij ontdekken, dat een groot gedeelte van de spanningen in de moderne wereld terug te voeren zijn tot de tendens naar grotere seksualiteit en grotere seksuele vrijheid bij een gelijktijdige gewetens beperking van de mogelijkheden daartoe, zou dan bevrijding van deze beperkingen ook inhouden, dat de wereld vrijer wordt, minder problemen heeft? Ik zal u mijn antwoord daarop geven. Volgens mij is dit niet juist, omdat nl. in de seksualiteit een bezitsgevoel, een bezitsdrang een grote rol kan spelen. En als dat bezitsgevoel niet meer op dit terrein geldt, zal het toch op een ander terrein moeten gelden. Dat wordt dan gewoon overgedragen.
Tweede punt. Is een godsdienst noodzakelijk? Een mens, die geen godsdienst heeft, zal zich toch aan niet bewijsbare denkbeelden vastklampen om daardoor zijn bestaan te rechtvaardigen. Is dat juist of is dat niet juist? Mijn antwoord: Geen mens kan zonder geloof leven, omdat hij niet genoeg heeft aan zichzelf. Hij kent in zich onbewust grotere waarden en mogelijkheden en probeert die op het niveau van zijn beperkt denken tot uiting te brengen.
Derde vraag: Praatjes vullen geen gaatjes. Is dat waar? Als wij kijken hoeveel hiaten en gapingen in samenwerkingen, in economie kunnen worden weggepraat, zou men moeten zeggen: helemaal waar is dit niet. Maar aan de andere kant blijkt, dat woorden pas betekenis hebben, indien ze een verandering in houding en denken of van handelen tot stand brengen. Daar moeten wij dus zeggen: Praatjes vullen alleen dan gaatjes, indien ze een inleiding zijn tot het verdere.
Nu zou ik u dit eens willen vragen: Waarom gelooft u in God? Waarom gelooft u in de geest? Waarom leeft u zoals u doet? Als u op die vragen antwoord kunt geven, moet u het antwoord eens opschrijven. En als u het goed heeft opgeschreven, dan moet u zich afvragen: Wat kan ik daar nog van geloven? Want dan heeft u daar de sleutel gekregen, die erg belangrijk is, nl. de sleutel om jezelf te ontmaskeren. De historie leert altijd weer dat de ontmaskering van verkeerde dingen in de mensheid steeds voortkomt uit deze vraag: Wat moet ik dan geloven? Wat kan ik daarvan nog aanvaarden?
Dus als u geestelijk vooruit wilt, dan weet u welke vraag te stellen. U weet – ook als u iets heeft erkend – hoe u aan te passen aan het nieuwe. En als u dat heeft bereikt, dan zou ik zeggen, bent u in ieder geval niet meer achter bij uw wereld, die met een zelfde wantrouwen tegen al het gevestigde op het ogenblik probeert een nieuwe verklaring te vinden voor de wereld, waarin zij leeft en voor de zin van haar eigen bestaan.
overzicht | volgende tekst → |
