1993
Sprookjes
Deze sprookjes zijn verzameld uit de gepubliceerde verslagen van de Orde der Verdraagzamen
1. Toverbol
Eens, toen de geesten van de zeven winden tezamen waren, schiepen zij gezamenlijk vier tovervoorwerpen. Eén daarvan was een grote kristallen bol, geladen met een wonderlijke eigenschap. Zij wierpen nu hun gaven op aarde, opdat de stervelingen daardoor ofwel tot de onsterfelijken (de goden) zouden kunnen stijgen, dan wel aan hun eigen nietigheden ten onder gaan.
De bol werd gevonden door een jongeman. Zichzelf in de bol aanschouwende, zag hij dat hij zowel in de bol leefde als daarbuiten. Hij beschouwde zijn beeld aandachtig, denkende: hoe schoon ben ik, hoe slank zijn mijn leden, hoe waardig is mijn uiterlijk, hoe gepast mijn kleed? Doch nader schouwende zag hij vol ontsteltenis, dat zijn beeld in de bol door een straat schreed en in de modder viel. Dat stemde hem treurig. De volgende dag snelde hij vol waardige haast naar een groot en machtig beschermer. Hij struikelde en besmeurde zich met het vuil van de straat, juist zoals hij dit reeds de dag tevoren in de bol had gezien.
Deze jongeman was geen dwaas en dus zei hij tot zichzelf, nadat hij van de eerste ontsteltenis was bekomen: “Voortaan zal ik elke dag deze bol beschouwen en mij zo onttrekken aan de mogelijke onaangenaamheden die mij wachten.”
Zodra hij dit echter ook werkelijk trachtte te doen, verscheen hem in een droom de geest van de westenwind, die tot hem zei: “Ontwijk het lot door uzelf geschapen en zie waar gij zult belanden.”
Opeens zag de jongeman zichzelf ouder en beladen met een schandkraag op weg naar een openbare plaats van terechtstelling. Zozeer vreesde hij dit onwaardig lot, dat hij de bol niet meer durfde beschouwen. Dit duurde zolang, totdat hij ziek werd. Dan schouwde hij wederom in de diepten van de bol. En zichzelf daarin genezen ziende, strevende en werkende, dacht hij na.
Toen sprak hij tot zichzelf: “Deze gave is mij niet geworden opdat ik tijd en gebeurtenissen zal veranderen, doch opdat ik mijzelf begrijp en leer zien met andere ogen.”
Voortaan beschouwde hij zich als een vreemdeling in de bol en daardoor zag hij zich bij al wat hij beleefde met de ogen van de omstanders. Zo begreep hij ook waar hij werkelijk slaagde en waar hij faalde.
Toen nu de Dood in een vermomming tot hem kwam (zoals hij tot ieder van ons komt) en hem zei: “Het is tijd, heer. Mijn sanpan ligt klaar, opdat wij zullen varen op de eeuwige stroom.” glimlachte de jongeman en antwoordde: “Waarom zou ik met u gaan? Ik, die niets ben in de ogen van anderen.”
“Maar gij zijt even werkelijk als alle anderen”, zei de dood. De jongeman glimlachte en toonde de Dood zijn bol.
“Ziet gij dat deze bol mij in zijn glanzen niet weerkaatst.”
De Dood echter sprak: “In bol zie ik een licht. Dit licht zijt gij als werkelijkheid. Daarom dient gij mij te volgen.”
Toen werd de jongeman tot een licht. De Dood trachtte het te doven. Maar met al zijn macht kon hij de gloed niet blussen.
De astrologen bepaalden een gunstige dag voor de begrafenis, want een beeld van de jongeman was achtergebleven. Toen de stoet, rijkelijk aangevuld met muzikanten en gehuurde klaagvrouwen, door de straten trok om zijn resten toe te vertrouwen aan de grond zijner vaderen, flonkerde er boven een ogenblik een licht aan de hemel.
Op aarde zag men het en men sprak: “Ziet, een ster groet de dag en ons allen.”
Maar in de godenwereld zei men: ‘Ziet, het licht. Er is een nieuwe God geboren. En de meest wijze onder de goden sprak: “Deze mens kende zichzelf; maar gezien door de ogen van anderen. Zo overwon hij de dood en had hij de waan gebannen. De werkelijkheid is nu zijn rijk.”
Moraal
Dit verhaal is zeer oud. Het werd voor het eerst lang geleden verteld door Fu Chien, een dichter van grote waarde. In dit verhaal tekende hij het beeld van de mens:
Als je weet, wat je voor anderen betekent, ben je een werktuig van ongekende machten in een wereld die geheel anders is dan je denkt. Je wordt tot de volvoerder van een goddelijk oordeel; tot de brenger van door jezelf niet begrepen of niet verwachte zegeningen.
2. De drakendoder
Er was eens lang geleden, in de tijd dat de dieren nog spraken en de draken nog schatten en geroofde maagden behoedden, een jonge mens die uittrok om een draak te doden.
“Want,” zo zei hij tot zichzelf, “elke draak is het kwaad. Deze gedrochten van de onderwereld” zo murmelde hij voor zich heen, “zullen vallen onder mijn zwaard.” Zo ging hij verder en ontmoette voor het eerst een draak ergens in een nauw dal tussen hoge bergen. Zijn zwaard trekkend, minachtend kijkend naar de vlammen en de rook die het monster uit brieste, haalde hij uit en met één geweldige slag sloeg hij het dier de kop af. Maar uit elke druppel drakenbloed ontsproot een nieuwe kop. En ontsteld over hetgeen hij had gedaan, vluchtte hij weg.
Hij trok verder en ontmoette een ander monster, een griffioen. Na een lang gevecht, waarbij de klauwen hem tekenden met zware wonden, wist hij het dier te overwinnen. Maar hij doodde het niet, want hij vreesde deze monsters van de onderwereld te doden, wetend dat hun ondergang vaak een vermenigvuldiging van hun wezen en kwaliteiten betekende.
En zo – gezeten op de griffioen, die hij tot een monsterlijk rijdier maakte – ging hij terug naar de draak met de vele koppen die hij had moeten achterlaten. Hier versloeg hij – na een dagenlange strijd, die de bergen deed sidderen en alle mensen honderden mijlen ver in de omtrek deed verbleken en beven – de draak.
Toen hij doordrong in het hol, waar het monster zijn schatten had verborgen, vond hij daar een spiegel; in die spiegel zag hij wat er over de hele wereld gebeurde.
Hij zei tot zichzelf: “Het is goed dat de mensen deze schat niet bezitten. Ik zal haar behoeden, opdat niemand haar benadert.” En hij liep naar de uitgang van het hol om voortaan met zijn zwaard de schat te beschermen. Maar ook daar hing een spiegel, een heel gewone spiegel. En toen hij met zijn voornemen bezield naar buiten schreed, zag hij plotseling hoe een draak naar buiten ging om een schat te bewaken.
Moraal
In dit kleine verhaal zitten een paar waarheden die voor ons allen zeer belangrijk zijn.
Het is voor elke mens mogelijk dat hij – zij het soms met heel veel moeite – de draak van zijn eigen fouten, van zijn ongeloof de kop afslaat. Maar laat hij niet vergeten, dat de draak (die fouten en kwaliteiten) eenvoudig is voortgekomen uit zijn eigen wezen. En tenzij zijn wezen met deze slag teniet zou gaan, brengt hij nu de fouten in nog grotere hoeveelheid en in een meer kenbare uiting naar voren dan anders.
Daarom worstelt de mens met kwaad dat hij in de wereld kent. Maar eerst wanneer hij meester is van dit kwaad, zonder het te doden (dus door erboven te staan en het te beheersen), heeft hij een middel gevonden om het kwaad in zijn wezen te verslaan. En dan vindt hij inderdaad de schat die door het kwaad wordt bewaakt; het bewustzijn van alle dingen.
Maar als hij ontdekt hoe kostbaar die gave is en hoe dodelijk zij kan zijn voor de mensheid, besluit hij haar in zich te bewaren. Hij kan dan niets anders doen dan zichzelf tot een draak te maken, om datgene te verdedigen wat voor anderen niet geschikt is.
Men zou kunnen zeggen: “Elke mens draagt in zich een geheim.” En wanneer dat het geheim van de bewustwording is, zal hij vaak in de ogen van de mensen juist slechter lijken dan tevoren, omdat hij het geheim zo krampachtig moet verdedigen.
3. Levenskracht
Het is heel lang geleden gebeurd. Het was een dag, zoals er vele dagen zijn in elk jaar. Een dag, waarop de schaduw eens wegtrekt en de zon even schijnt, terwijl een ogenblik later de regen alweer neerdruist op bomen en planten. En omdat het zomer is en de aarde dorstig, is het of de gehele aarde begint te geuren van een fris en nieuw leven.
Zo’n dag was het heel lang geleden. Terwijl de wolken zo verder trokken, kwam er eensklaps aan de hemel een vreemde schaduw. Het leek wel of er een grote, machtige vogel met een mensengezicht neerwiekte en zocht naar een mensenwoning daar ergens in een bos.
Die vogel vond een heel kleine hut, waarin woonden een man, een vrouw, een jongen en een meisje; zoiets als “Hans en Grietje”. Zo ’n arm houthakkersgezin. Maar de jongen heette geen Hans en het meis geen Grietje en de ouders…. och, die waren arm en hadden zorgen.
Toen het gedrocht (anders kan ik het niet noemen), dat met de regenwolken mee jaagde, de kleine hut zag, vlerkte het neer en zette zich op het dak. En vanaf dat ogenblik was het net, of de zon die hut niet meer kon beroeren en er overal somberheid heerste. Zo somber werd het, dat de man niet meer uitging om te werken en de vrouw zich snikkend terugtrok in een hoek, waar een hoop vodden en wat bladeren een legerstede vormden.
Maar de jongen en het meisje hadden hun ouders lief. Vader en de moeder waren – ofschoon ze niet mooi waren – voor hen het mooiste en het liefste van de wereld.
De kinderen wilden graag naar buiten, maar elke keer als ze de losse deur, die op de leren hengsels piepend openkrarste, openden, was het buiten zo somber en donker, dat ze eigenlijk werden teruggejaagd.
En zo kwam het dat in die troosteloosheid de jongen tegen het meisje zei: “Geloof jij dat de zon nog terugkomt?”
Het gezicht van de vogel op het dak lachte wat honend, want….. daar was het toch om begonnen. Nog een ogenblik en vier mensenzielen zouden als prooi kunnen worden meegenomen naar het zwarte, duistere land waar alleen vocht en schimmel is en waar een wrede vorst heerst over hopeloze, wanhopige onderdanen.
Maar het meisje had een antwoord. En een ogenblik was het of de zwarte vogel sidderde; hij scheen zich haast niet te kunnen weerhouden om weg te wieken naar de verborgen, vochtige duisternis van waaruit hij was voortgekomen.
“We moeten toch vertrouwen op God, dat heeft moeder altijd gezegd. Want als God de zon eens laat schijnen en het is nodig, dan laat Hij haar weer schijnen.”
“Ja,” zei de jongen, “dat zeg je nu wel, “maar – hij deed de deur weer eens open en gluurde door de kier -“het is buiten zo donker.”
“Ja ,”zei het meisje “en toch was het of er even wat licht doorschemerde.”
Dat was waar, want zo gauw was die vreemde vogelachtige spookgedaante niet gekalmeerd. En zo kwam het dus, dat er even een lichtstraal bijna tot aan de drempel was gegleden.
“Laten we op God vertrouwen.” zei het meisje weer; en ze gingen naar buiten. Maar het was duister en ze vluchtten snel weer naar binnen. Toen werd de moeder vreemd stil en het leek of ze dood was.
De vader, dat ziende, hief met een wanhopige vloek zijn aks op en als bezwerend riep hij de heidense goden aan, die zijn ouders lang geleden hadden aanbeden.
Een vreemde vrouw, oud en verwrongen, met starende ogen, doemde op in het vertrek, alsof ze uit het niets was gevormd. “Je hebt me geroepen, houthakker, wat wil je?”
“Wie kan mij het leven van mijn vrouw teruggeven? Is er dan geen rechtvaardigheid?”
De vreemde figuur antwoordde: “Ja, levenskracht, die kun je wel vinden, als je maar weet waar.”
“Zeg me dan waar.”
“Ergens, achter de bergen waar zich een grot bevindt, waarin veel slangen wonen, staat een kasteel. Als je dat kasteel doorgaat, dan gaat het je goed. Sta je echter ergens stil, dan ga je dood; je blijft gebonden, je bent slaaf of je versteent. Maar als je verdergaat, vind je een bron; daarin liggen de tranen van de goden en dat is de levenskracht. Eén druppel en je vrouw leeft, houthakker. Maar je zult het nooit krijgen. En nu is de tijd voorbij. De bezwering heeft geen kracht meer. Ik groet je.” En een laatste haast honend, schril gelach scheen uit de hoeken van de kleine hut op de gebogen man neer te storten. De gestalte was verdwenen in het duister. Buiten scheen de zon, maar op het dak van de hut hurkte een grote vogel. Met zijn machtige vlerken weerde hij alles af wat licht, hoop en kracht was.
Toen nam dé houthakker zijn aks en ging heen in het jagende weer. Hij trok door het woud. Hij trok over de bergen, ging langs diepe ravijnen, balanceerde op een smalle stam over diepe kloven, totdat hij eindelijk een grot vond.
In die grot wemelde het van vreemde gespleten-tongige gestalten, die met naar voren schietende koppen een ogenblik loerden om dan weer met een geheimzinnig geritsel weg te glijden in een duisternis, die dieper en dichter scheen te zijn dan de nacht.
De houthakker, gewapend met zijn aks, ging naar binnen, want hij was niet bang. Maar toen hij weer in het licht terugkwam en de verschrikking achter hem lag en hij het schone landschap zag vol bloeiende en geurende bloemen, met zoemende bijen en bomen die een rijpe belofte aan vrucht droegen, wiste hij zich het hoofd af en vlijde zich neer….. een ogenblik later lag er nog slechts een steen langs de weg.
De kinderen, die het hadden gehoord, wisten dat ook zij moesten gaan, want vader was niet teruggekomen en in de hut was het eten bijna op. Rond de deur en de vensters zonder glas, waar doorheen de wind joeg en gierde, was de duisternis en op het dak zat een zwarte vogel en lachte en zo nu en dan een gruwelijk gezang liet horen, omdat er reeds één mens was bezweken.
Toen is de jongen gegaan. Voor de laatste maal heeft hij een blik geworpen op de moeder, die daar lag en dood was, maar toch scheen te leven. Hij is gegaan door het bos. Hij is gegaan over de bergen, langs afgronddiepe spleten en ravijnen. Hij heeft gebalanceerd over vreemde wankele bruggen en is ten slotte gekomen bij een hol, donker en diep, met gespleten-tongige gestalten; en hij was bleek en angstig. Maar om het levenswater voor zijn vader en moeder te bereiken werd hij gedragen door zijn liefde. En al was het vertrouwen in hem dan ook niet sterk, hij hield vol. Hij ging langs de steen, die eens zijn vader was geweest, maar hij herkende hem niet én is voorbijgegaan.
Het landschap was schoon en vol pracht. De vogels zongen, een bergmeer lag daar schemerend blauw en als een wazig witte verrees daarin een paleis.
Daar aangekomen, kwam er een draak op hem afgestormd. Maar hij dacht aan de slangen, die hem niet hadden beroerd en hij ging verder. De draak veranderde en werd een hagedis, die tengerend wegkroop bij zijn nadering.
Toen is de jongen het kasteel binnengegaan. Daar waren tafels zo schoon, beladen met een weelde aan spijs en drank, zo heerlijk, zo verlokkend en geurend, dat de arme kleine, die haast verhongerde, zich een ogenblik neerzette. Zodra de jongen het voedsel beroerde, kwam er een vreemde verandering over hem: het was, of er een beeld naast de tafel stond en geen mens.
En zo gebeurde het, dat een paar dagen later 00k het meisje wegtrok uit de eenzame hut, waarboven de wanstaltige vogel nu jubelde. En zoals meisjes zijn, zij wilde haar liefste schat niet achterlaten en dus droeg ze bij zich een kleine speeldoos. O, het was geen rijk ding, want de rijken hadden het weggegooid; er ontbraken wat tonen aan, maar het tinkelde toch nog waarneembaar een klein melodietje. Het meisje neuriede erbij en het was of er toch wat muziek was.
En zo neuriënd is zij weggegaan. Ze is gegaan door het bos en door de bergen. Ze is gegaan langs de ravijnen. Ze is aarzelend en voetje voor voetje over de vreemde bruggen getrokken. Ja, ze is zingend, terwijl de speeldoos speelde om haar de moed niet te doen verliezen, door de grot gegaan en door het vreemde land. Ze heeft haar vader niet gezien; en ze is ook niet blijven staan, want in haar hart was de liefde die haar verder joeg; in haar hart was een vertrouwen, dat God haar de levenskracht zou doen vinden en haar broer en haar vader, zodat ze weer verenigd zouden kunnen zijn.
Ze is verder gegaan en heeft onderweg niet gerust, want zij wilde eerst het kostelijke levenswater in haar bezit hebben, voordat ze een bete zou nuttigen. En het speeldoosje tinkelde, alsof er een speels kind naast haar huppelde; het was of er een viool werd gestemd en langzaam begon mee te zingen; het was, of het kasteel leven kreeg…. slechts dat ene beeld leefde niet.
Eindelijk kwam ze bij de bron en heeft geput uit de bron, waarin de tranen van de goden vielen. Toen is ze, God dankend, zonder dralen teruggegaan.
En ziet, toen ze aan de tafel kwam en een bete wilde nemen, morste ze één enkele druppel. Die druppel viel op een beeld en daar stond haar broertje. Samen hebben ze daar gegeten, gelachen en gezongen, terwijl de speeldoos een wijsje speelde. Langzamerhand begon het kasteel mee te zingen. Sonoor, als een dreunend orgel, zond het hen de melodieën als een groet achterna. De vogels kwinkeleerden er doorheen en vingen die melodie op. Ze speelde ermee, alsof het een lichte veren bal was die door de lucht werd gekaatst. Ook de bomen zongen ruisend een lied. Het gras wuifde en het leek zelfs of de bijen meezoemden.
En zo zijn ze gekomen aan de ingang van de grot en hebben er gerust op een steen. Wat water dat langs het schaaltje was gedropen, beroerde de steen…. en ziet, daar was hun vader. En ook hij kon niet anders en zong mee.
Ze gingen weer door de grot en het was net of alle slangen plotseling herboren waren. De koelte, de kilte en de leegte waren verdwenen; zelfs de ademende rots scheen in te stemmen met een diepe paukenslag Het woud zong mee en de bergen zongen mee. De wind galmde de melodie in kloven en ravijnen. En toen ze bij de hut aankwamen, klonk hun zelfs uit de hut het lied tegemoet, want de moeder was ontwaakt.
Toen ze opkeken, zagen ze hoe in de verte aan de smetteloos blauwe hemel een kleine grauwe stip verdween. Het was de vogel van de wanhoop, die eindelijk was gegaan.
Met hun drieën hebben ze het levenswater aan de moeder gegeven. Een ogenblik leek het toen, of er een vreemde lach – melodisch hoewel wat schril – uit de muren scheen te komen; en een stem zei: “Ik heb gezegd: “Levenswater is op vele plaatsen. Ze is overal waar de liefde een offer brengt.”
Een schrille arabesk scheen een ogenblik de melodie te versieren, die toen aangroeide, totdat uit de hele natuur een machtig akkoord scheen te klinken.
En vier gelukkige mensen waren weer verenigd in de kleine hut
Moraal
In een tijd, ver in het verleden, en in een land ver daarvandaan heeft een musicus een flard ervan gehoord en het neergeschreven. En als je goed luistert naar de tonen, dan hoor je nog het lied van de levenskracht. De mensen denken dan: ja, ook bij ons zit vaak de vogel van de wanhoop op het dak. Die vogel, die krassend ons onheil en angst verkondigt. En als we dan geen vertrouwen hebben in God, in de wereld en in onszelf, dan moeten we bezwijken. Maar zolang er nog liefde is, zolang er nog iemand is die vertrouwen heeft in God en in zijn medemens, is alles nog niet verloren. Dan kan de levenskracht worden gevonden en kan de verlossing plaatsvinden en wordt deze muziek ook in mij werkelijkheid.
4. De man die het woord vond
Het gaat hier over een oude wijsgeer. Zijn hoofd was kaal geworden met de jaren, omdat hij – zoals een boom in de herfst blad na blad laat vallen – haar na haar had verloren. Wat er nog overbleef, was een lange baard, die wat onverschillig in de wind wapperde wanneer hij voor zijn hol zat te mediteren.
Hij mediteerde lang en goed. En telkenmale wanneer hij dat deed, vergat hij de hele wereld. Hij vergat alle dingen behalve de levende kracht. En ziet, uit die levende kracht werd in hem letter na letter gevormd en klank na klank geboren.
Op een dag fluisterde hij het woord dat hij had geleerd zacht voor zich heen. Een ster doofde een ogenblik haar licht en de aarde sidderde, alsof ze wilde vragen wat de bezitter van dit machtwoord wilde zeggen.
Toen was de wijze zeer blij. In vreugde zat hij voor zijn hol en mediteerde. Hij dacht na over de grootheid die in het scheppend woord was gelegen. En ongetwijfeld zou hij zijn opgegaan tot de hoogste werelden, als er niet een leerling was geweest die hij zeer liefhad.
Toen hij voelde dat de stoffelijke krachten afnamen en hij niet de neiging voelde om zich met het wonderwoord een nieuwe jeugd te verschaffen, riep hij deze leerling en zei tot hem: “Ziet, ik heb het geheim van het leven ontdekt.” En hij fluisterde het woord, maar de leerling begreep het niet.
De wijze stierf. Hij stierf meer dan alleen stoffelijk. Hij moest terugkeren op de wereld om opnieuw het woord te zoeken; want door het uit te spreken had hij het verloren, terwijl hij het niemand had kunnen geven.
Moraal
Zo gaat het met alle geheimen van het leven. U moet niet denken dat je uw levenservaring of uw wijsheid aan een ander kunt geven.
Naarmate je verder komt en hoger stijgt en dus meer begrijpt van de werkelijkheid, krijgt je innerlijk ook een groter begrip van God. Maar dat is uw begrip van God, dat hoort alleen bij u.
Naarmate je meer de eenheid van de schepping begrijpt en zo de harmonie van de Schepper in uw eigen wereld kunt uitdrukken, bezit je meer macht over de schepping. Maar op het ogenblik dat je het woord zou uitspreken, dat je het zou willen mededelen aan een ander, verbreek je de grote harmonie die in u leeft en daarmede alle krachten die je hebt bezeten. En dus heeft niemand iets. Ook degene niet, die een geheim ontdekt en het voor zichzelf behoudt, opdat de geestelijke wijsheid, die uit het ervaren voortkomt, gebonden blijft in het “ik” als een harmonische band met de oneindigheid.
Dat houdt echter niet in, dat je anderen geen lering mag geven. Want je kunt een ander soms heel veel leren, zonder dat je eigenlijk precies weet hoe.
5. Het labyrint met de kentekenen
O, het gaat niet over de Taurus van Minos. Neen, het gaat over een tijd die veel langer geleden is, toen ergens in India monniken een hele berg hadden uitgehold. Zij hadden hem zo met gangen doorgraven, dat deze berg, die hoog ten hemel rees, meer had van een mierenhoop. Doch niemand kende meer het geheim van de gangen.
Nu wist men, dat ergens – verborgen in deze veelheid van gangen, kamers en zalen – een kleine tempel lag. In dat tempeltje stond een beeld, dat als orakel antwoordde op alle vragen, dat elk raadsel oploste en elke bede verhoorde.
Er waren veel mensen, die in de tempel probeerden door te dringen; en waar ze ook kwamen, overal vonden ze aanwijzingen. Hier liep een fries met wonderbare beelden. Daar was een lange baan van geel en rood gepolijst graniet in de vloer ingelegd. Ginds was in de zoldering een azuren schemer van kostbare stenen aangebracht. Overal stonden er beelden. Maar niemand vond de tempel.
Op den duur waren er nog slechts twee wijzen die wisten hoe zij tot de kern van deze berg moesten komen.
Eén van die wijzen zei toen: “We moeten iemand leren om de weg te vinden. Wij moeten iemand inwijden, opdat niet alles teloor gaat, wat wij hebben bereikt met het werk van vele monniken gedurende duizenden jaren. Want de doden zouden zich bij ons beklagen, indien wij hun werk verloren zouden laten gaan.”
Zo leerden ze de mensen denken. Toen vele mensen zover waren gekomen, dat ze begrepen wat het geheim dat in de berg verborgen was betekende, lieten ze hen komen tot in het labyrint en daar spraken zij tot hen:
“Zie, gouden is de wijsheid, azuren is het weten en een reeks beelden is het menselijk bestaan. Uit deze drie, die tezamen de waan zijn, wordt de werkelijkheid geboren. Gij zijt gekomen om waarheid te zoeken. Ga vrijelijk door alle gangen en zalen. Maar weet, indien je verdoolt, niemand zal u terugbrengen. Indien je sterft, niemand zal u beklagen. Doch wie doordringt tot de tempel, hem worden alle dingen in het leven gegeven. De mensen gingen uit en zochten.
Sommigen zeiden:
“Gouden is de wijsheid; wij zoeken wijsheid. En zij gingen de gouden sporen na.
Een ander sprak over moed en koos het rode graniet.
Een derde zocht het azuren weten.
Een vierde zocht het leven van de mensheid.
Zo volgde ieder een weg, maar geen van hen bereikte veel. Slechts weinigen kwamen in een grote zaal, versierd met wonderlijke lichten, waarin de druipstenen flonkerden, alsof zij uit louter diamant waren gehouwen.
Daar vonden zij weer de wijsgeer. En hij zei tot hen: “Zover zijt gij gekomen. Maar alle wijsheid, alle weten, alle mensheid is waan, zoals waan is deze grot; een begoocheling van grote weelde, maar feitelijk een werkelijkheid van dood, ondergang en chaos. Daarom zeg ik u: “Wie de rechte weg wil zoeken, ga uit van hier. Wanneer velen zullen falen, zal er toch één zijn die de werkelijkheid bereikt.
De mensen zochten en zochten en piekerden, want ze wisten: in hetgeen de wijzen hadden gezegd lag de aanwijzing om tot het grote doel te komen. Ze zochten langs vele ingewikkelde wegen en combinaties; en meer en meer verdoolden zij. Sommigen vielen in kuilen die in de gang waren gegraven en niemand heeft hen ooit meer gezien. Anderen ijlden klagend door de lege ruimte.
Slechts drie mensen dachten na. De rechte weg? Bij elke kruising begonnen ze rechtsaf te slaan. Ze voelden dat ze werden rondgeleid in een grote cirkel; en toch passeerden ze nooit dezelfde gang. Met zijn drieën kwamen ze toen in een kleine zaal, waar de gepolijste steen was versierd met beelden van goden en met schrifttekens, waarvan men de betekenis allang was vergeten.
En weer stond één van de wijzen voor hen. Deze zei tot hen:
“Tot zover hebt je de proef doorstaan. Nu weet je één waarheid. Niemand kan verdergaan en slagen, tenzij hij vergeet wat hij is en weet wat hij kan worden.”
De lichten doofden in de zaal; en in het duister stonden de drie en wisten niet waarheen te gaan. Eén van hen zette zich neer en mediteerde over de oneindigheid. De anderen doolden in de gangen en niemand heeft meer van hen gehoord.
Maar hij, die boven alle weten gekomen mediteerde over de oneindigheid, voelde plotseling de lucht rond zich bewegen. Hij onderbrak echter zijn gedachtereeks niet, want het is niet goed een meditatie te onderbreken. Toen hij eindelijk de ogen opsloeg, stond voor hem een beeld. En dat beeld zei tot hen: “Wat vraagt gij van mij?”
De man antwoordde : “Geef mij de waarheid van het leven.”
Toen sprak het beeld: “De waarheid van het leven is, dat ik gelijk ben aan u en gij aan mij; dat ik spreek met uw stem; dat uw weten het beeld is, waarin je de waarheid erkent.”
Deze eenling mediteerde nog lang. Hij keerde toen terug en vond alle gangen, kende alle zalen. Ja, meer zelfs. Hij wist hoe de wolken buiten om de bergen dreven; en hoe de monniken naar hun dagelijkse taak gingen. Hij wist hoe de wijzen tezamen zaten en zich voorbereiden om heen te gaan van de wereld. In dit weten vroeg hij zich af: “Wie ben ik?” En hij antwoordde zichzelf: “Ik ben één met Al en Al is één met mij. Zo weet ik Al en Al kent mij. En in het AL vind ik de waarheid. “
Hij ging heen. Maar toen hij zeer oud was geworden, keerde hij terug en leidde opnieuw mensen door het labyrint, zodat wederom enkelen konden binnentreden in de tempel.
Moraal
Als u dit verhaal heeft gehoord, begrijpt u misschien iets. Het is onmogelijk de waarheid mede te delen aan iemand, want de waarheid is immers een persoonlijke kwestie. Eenieder moet zijn eigen weg vinden. En wanneer wij in het labyrint van feiten, mogelijkheden en gedachten ronddwalen, komt het heel vaak voor, dat wij verschillende wegen gaan en toch hetzelfde doel benaderen. Wanneer wij slechts het goede nastreven, komen wij op een punt, waar ons eerste zoeken binnen de waan een nieuwe bewustwording geeft. Dat is echter nog niet het eindpunt, maar daar vinden wij de nieuwe kracht.
We moeten nu de rechte en de juiste weg zoeken; en vanaf dat punt is er maar één weg juist. De sleutel ligt in ons ervaren en de bewustwording die wij eruit hebben gekregen.
Dan gaan we verder. Maar er komt een ogenblik dat je moet zoeken naar de werkelijke wijsheid: dat je als het ware alleen staat. En ja, hoe kun je, als gij zover zijt gekomen, wijsheid vinden, tenzij in uzelf?
Want slechts de kracht in u, die harmonisch is in het Al, kan het antwoord geven op de laatste vragen. En zo materialiseert zich in ieder van ons het wonder van God, indien men zich in God durft verzinken.
Nu lijkt het wel een heel eigenaardige overlevering, maar ik kan u garanderen dat ze zin heeft.
De wereld, waarin u leeft, is het eerste deel van het labyrint. Wanneer je daar goed doorkomt, och, dan bevindt gij u in een zaal, een geestelijke sfeer. En in die geestelijke sfeer krijgt u een nieuwe bewustwording. Maar je zult verder moeten gaan, steeds verder. En wanneer je ook die proef hebt doorstaan, dan kom je misschien tot de oplossing van de laatste vraag: de verhoring van de laatste wens.
Hoe het met al die anderen is gegaan? Och, in de legende gaan ze dood. Maar vergeet niet, degenen die over deze dood spraken, geloofden aan zielsverhuizing. Dus: wie niet slaagt, begint opnieuw, telkenmale weer. Maar wie eenmaal een bepaald vlak heeft bereikt, hoeft daar slechts terug te keren en kan vandaaruit steeds verder zoeken, totdat hij de juiste weg en de werkelijke waarheid heeft gevonden.
6. De wijsgeer en de dromenspiegel
Er was eens zeer lang geleden een wijsgeer die de wereld wilde ontvluchten. Eerst trok hij zich terug in een kleine kluis buiten de stad waar hij was geboren. Maar wel tienmaal op een dag kwam er iemand en vroeg hem om hulp. En de wijsgeer zei tot zichzelf: “Zo blijf ik verbonden met het gevoel van de mensheid. Ik moet weggaan. “
Hij trok naar een grot, gelegen op een dag gaans van een klein dorp. Daar kwam misschien slechts eenmaal in de week een mens. Maar na verloop van enige tijd sprak ook hier de wijsgeer: “Deze ene mens geeft mij meer gedachten dan tien op één dag gaven. Want telkens keert zijn beeld terug en ik vraag mij af: wie zal zo dadelijk weer verschijnen? Ik moet dus afstand doen van deze mensen en verdergaan. “
Hij trok toen naar een hoogvlakte, die zo bar en kil was dat men maanden nodig had om haar te doorkruisen. Daar, ergens bij een kleine bron met brak water, vestigde hij zich in een kleine hut.
En ziet, slechts één- of tweemaal in een jaar kwamen er de karavanen in de verte voorbij. Een enkeling onder hen keerde zich soms tot de kluizenaar om hem te vragen: “Gij, wijze, smeek de goden voor mij.” Of: “Heer, in uw wijsheid geef mij raad, want ik heb een probleem.”
Zelfs toen voelde de wijze zich nog te zeer beëngd door dit kerend contact met de mensheid en hij smeekte dan ook alle goden en alle krachten om hem op te nemen en te brengen daar waar mensen niet kwamen.
Zo daalden er op een nacht twee witgevlerkte gestalten neer en voerden hem op tot een bergtop, zo hoog, zo verdedigd door stormen en sneeuw, door vallende rotsen en demonisch gehuil van de vallende wind, dat daar nog nooit een mensenvoet had getreden. En hier – zich omgevend door wat stenen ter beschutting tegen de wind – mediteerde hij in alle rust.
Doch toen hij eens zocht naar meer stenen, omdat de koude zo intens was, vond hij een klein stukje metaal, dat spiegelde op een wonderlijke, tintelende en lichtende wijze. Door nieuwsgierigheid beroerd, vergat hij een ogenblik zijn vrome meditatie en schouwde in het glimmende metaal. Maar wat zag hij? Niet zichzelf: de oud geworden, vervallen wijsgeer, uit wiens ogen de gedachten sprongen als dansende vonken van ongeketend weten, maar een dwaze droom.
Hij zag zichzelf als Krishna, fluit spelend en dansend met een – in zijn ogen – wanstaltige bevalligheid. En rond hem waren vele schone maagden.
Hij vroeg zich af: “Ben ik dat? Hoe kom ik aan dit beeld?”
En de spiegel antwoordde : “Dit is je droom. Hierom heb je je afgezonderd van de mensen.”
Hij keek weer en zei: “Deze droom is afzichtelijk.” Toen borg hij de spiegel weg.
Tien jaren lang mediteerde hij. En toen werd de bekoring hem wederom te sterk. Weer zocht hij voorzichtig naar het stukje metaal. En zie, hij zag zichzelf zitten, zetelend op een troon, met goedheid het leven regerend: Brahma, scheppende de werelden.
Hij vroeg zich af: “Is deze droom mijn leven waard?”
De spiegel gaf het antwoord en zei: “Neen, maar het is uw droom. Hierom heb jij tien jaren gestreefd.”
Toen boog de wijsgeer eenvoudig het hoofd en sprak: “Gij, goden en krachten, die mij hebben verheven tot hier, breng mij terug onder de mensen.”
Hij keerde terug onder de mensen. Maar in zijn kleed – het schamel restant, dat zijn magere leden nog omhulde – had hij de spiegel geborgen. En toen hij in de stad kwam, behield hij deze als zijn grootste schat.
Heilig en goed, als hij nu was, ging zijn roep hem vooruit, eenieder kwam tot hem en zei:
“Heer, mijn vrouw is ziek. ”
“Heer, ik zit in financiële moeilijkheden.”
“Heer, roep de goden voor mij.”
“Heer, zeg mij waarom ik leef?”
En de wijze gaf antwoord in al deze problemen.
Zo ging een jaar voorbij. Toen keek hij wederom in de spiegel. Hij zag een menigte gezichten en het leek, of in elk van die gezichten zijn eigen wezen toch weerspiegeld was. En hij vroeg zich af: is dit een droom?
Toen antwoordde hem de spiegel en zei: “Ziet, dit zijt gij geworden.”
Er kwam een stille vrede in het hart van de wijsgeer en hij zei tot zichzelf: Ziet, indien ik zoveel ben, zal ik niet ten onder gaan. Waar de enkeling ten onder gaat, kan de menigte voortbestaan.
Hij ging verder. Hij werd ouder en vermoeider. Dag na dag zoog hij het leven-gevende prana in zich op. Dag na dag putte hij uit al wat hij aan krachten bezat voor anderen.
Na wederom een jaar schouwde hij opnieuw in de spiegel en zag niets meer dan een zacht licht. Toen vroeg hij de spiegel: “Is dan ook dit een droom?”
En ze antwoordde hem: “Ja, dit is nog een droom. Maar een droom, waarin gijzelf zijt.”
De wijsgeer zei tot zichzelf: “Dit licht is begeerlijk. Maar de mensheid vraagt om mij.”
En hij ging wederom uit en hielp allen die hij kon helpen.
Na zes maanden was hij uitgeput. En in een ogenblik van rust nam hij de spiegel, schouwde erin. . . . . en zag niets! Toen werd zijn hart van vreugde vervuld, want hij had zijn dromen overwonnen. Toch was er een aarzeling en hij vroeg de spiegel: “Wat is het, dat ik aanschouw?”
De spiegel zei: “Eens bevatte ik alle dromen van de mensheid; en gij hebt ze gedroomd. Nu echter hebt gij de dromen van de mensheid verwerkelijkt; en ik ben ledig, maar mijn kracht schuilt in u.”
Toen was er een gezang en een zoete geur in de lucht. De lagere goden kwamen en zeiden: “Ziet, de troon der schepping wankelt. Kom, o wijsgeer, en herschep ons het Al”
De wijsgeer glimlachte en antwoordde: “Neen, waarom zou ik scheppen wat reeds is geschapen? In mij leeft dit alles; ik ben deel van dit alles.” En de goden gingen heen.
Toen kwamen er de lichtende krachten en gestalten – de hoge goden zelf – en ze zeiden hem: “Kom met ons, want gij zijt één van ons.”
De wijsgeer glimlachte en zei : “Neen, want u allen draag ik in mijn hart. Maar één met u ben ik niet, wel zijt Gij deel van mij.
Toen kwam de Dood en zei: “Wijsgeer, rust.”
De wijsgeer antwoordde glimlachend: “Gaarne zou ik rusten. Maar de rust die ik verlang, kunt gij mij niet geven. Want zou mijn lichaam sterven, de wereld in mij zou voortbestaan.”
De Dood zei toen: “Gij zijt machtig, wijsgeer. Ik wil u een raad geven: Spreek uw wijsheid uit en gij zult kunnen gaan tot de werkelijke vrede mèt de wereld die in u is.”
De wijsgeer dacht na en zei: “Ja, dit is waar. Want wat in het ‘”ik” leeft, verstoort het “ik”, totdat het eruit is getreden. Eerst dan – in en buiten het “ik” zijnde – geeft het vrede.”
Dus zou hij zijn wijsheid uitspreken. Maar jaren moest hij denken, stil en onberoerd, terwijl de menigte rond hem stond en hij niet antwoordde. En eindelijk, eindelijk sprak hij. De menigte sidderde; ze verwachtte een wijsheid zonder grens, maar de wijze zei: “Het is goed te zijn. Want wie is, kent het Niet. Wie het Niet kent, is zichzelf.”
Toen riep de menigte: “Dwaas is hij geworden. Hij bespot ons. Wij hebben hem gevoed voor niets, tijden lang.” En ze wierpen stenen en vuil naar hem.
De wijsgeer stierf. Maar toen zijn geest het lichaam bijna had verlaten, plooide nog eenmaal een glimlach zijn gelaatstrekken en hij fluisterde het laatste raadsel van alles: “Niet is Al. Alles is Niet, want één is Al.”
Zijn geest ging heen. Zijn stof vervluchtigde. En sommigen fluisterden dat hij ten hemel was gevaren.
Maar zijn wijsheid leefde in alle dingen, sprak in de harten van de mensen, was een licht in hun geest. En zo – levend in alle dingen – was de wijsgeer volledig zichzelf en gelijktijdig niets. Want hij was geen persoonlijkheid meer, maar een eigenschap van het Al.
Dit is nu het grote doel, dat men moet nastreven. Dit is de grote wijsheid. Er bestaat geen ander.
7. De weg naar het licht
Ergens diep in de aarde, verborgen in grote grotten, leefde er een volk. Deze mensen waren eens – in tijden, die zij zich haast niet meer konden herinneren – gevlucht voor grote rampen aan de oppervlakte van de wereld.
Ondertussen was de aarde tot rust gekomen, de zeeën hadden zich begrensd binnen de kusten, de planten groeiden, er leefden dieren, maar mensen waren er niet.
Er was toen een jongeman, die alle verhalen over de wereld van de ouden met een bijzondere belangstelling begon te beluisteren. Hij zei tegen zichzelf: “Dit kan niet zonder grond zijn. Alles wijst erop dat buiten deze holen, waarin we wonen, ergens een wereld moet zijn. En aangezien het begrip “boven” zowel in zijn eigen wereld als in de verhalen voorkwam, begon hij naar boven te streven.
Zijn vrienden lachten hem uit, want hij begon een trap te bouwen langs de wanden van de grot, tot hij eindelijk zo hoog kwam, dat het licht van de enkele lampen, die ze nog gebruikten, niet meer kon schijnen. Toen begon hij een gang te graven. En eindelijk kwam er een splinter-klein gaatje, waardoor een lichtstraaltje viel.
De jongen was verblind. Hij kon niets meer zien. Het was hem een pijn in de ogen. Hij wist niet wat hem overkwam. En toen? Toen kwam het weten hem te hulp. Hij zei tegen zichzelf: “Misschien is dat nu de zon.”
Heel voorzichtig maakte hij dat gaatje groter…. en nog groter. Maar elke keer moest hij teruggaan naar de grotten, want lang kon hij dat licht niet verdragen. Maar er kwam een dag, dat hij het schemerige licht dat er heerste zo goed verdroeg, dat hij zich tenslotte losworstelde en boven in de wereld stond, die hem verbaasde door haar schoonheid.
De jongeman dacht: Ik moet mijn volk naar deze blijde, vrolijke, lichte en rijke wereld brengen.
Hij begon er enkelen heen te sleuren. Maar ze werden verblind door het licht van de zon en konden niets zien. De zonnestralen verzengden hun huid die er niet tegen kon, totdat zij verbrand en ademloos neerlagen en bijna stierven.
Toen begreep de jongeling, dat dàt niet de juiste weg was.
Daarom begon hij een grote kelder uit te houwen, waarin de duisternis iets minder was, maar dan ook maar iets minder. Daarna houwde hij nog een kelder, waarin het licht alweer wat normaler was.
Hij leidde de mensen naar de eerste kelder en zei hun, dat zij daar moesten leven. En hij bracht hun vruchten van boven uit de wereld als een bijzondere gave, zodat ze gaarne kwamen. Zo gewende hij hen eraan om trap na trap naar boven te stijgen, totdat zij eindelijk het licht konden schouwen.
Toen de eersten van die holenmensen de wereld jubelend betraden, was de jongeling oud en grijs geworden. Zelf had hij de vreugde van de wereld eigenlijk niet gekend, want hij was te druk bezig geweest met zijn graven en met het verzamelen van voedsel. Maar in de vreugde en in het weten dat hij hen had bevrijd, kon hij overgaan naar een andere wereld. En ziet, alle vreugde die hij had geschapen, was de zijne. Want hij begreep de vreugde van al wat uit duister tot licht komt. Zowel in werelden als in sferen.
8. Strijd door onbegrip
Er werd eens een mens geboren op aarde. Een vreemd en bijzonder mens. Hoe zijn naam was, weten we niet. Wel weten wij dat het kind – voor het eerst in de kilte van het bestaan liggend, voor het eerst van alle beschutting ontdaan en zelfstandig – met een afgrijselijke kreet het nieuwe leven begroette.
Eenieder die bij de geboorte aanwezig was geweest, sprak over de eigenaardige kentekenen die het kind droeg. Want ziet, het lichaam drukt vaak reeds bij de geboorte iets van het wezen uit. De kleine oren waren op een wonderlijke wijze vastgegroeid, zodat de oorlellen een doorlopend geheel vormden met het hoofd; de kleine neus – nog niet eens volledig gevormd – was al enigszins trots opgeheven; en het voorhoofd was zelfs voor een baby hoog. Iedereen verwachtte dan ook van deze mens een bijzonder leven, een bijzondere uiting. En altijd weer worden deze verwachtingen uitgesproken. Men zei:
“Mijn kleine prins, je bent voor grote dingen voorbestemd. Leer, mijn prins. Speel, mijn prins.”
En het kind gaf als een prins zijn bevelen. En de ouderen? Zij gehoorzaamden, want zij verwachtten in het kind een wonder te vinden.
Zo meende het kind dat het meester was van de dingen. En het begon zijn orders te geven, ook daar waar zij niet werden gehoorzaamd. Het zei tot de bloemen: “Bloei.” Maar zij bloeiden niet.
Het sprak tegen de wolken: “Ga heen, ik verlang de zon te zien.” Maar de regen viel plomp en zwaar. En het kind weende.
Toen de jongen zeven jaar oud was, kwam de pest. De ouders stierven; en de kleine prins stond alleen in een wereld, die niet geloofde in prinsen en in wonderen. En altijd, wanneer de kleine prins hongerig en vermoeid voor zich een schuilhoek zocht, droomde hij.
Hij droomde van een wereld, waarin hij regeerde; waarin de zon scheen en de bloemen bloeiden op zijn bevel; waarin de mensen gelukkig waren, omdat het zijn wil was; waarin zij, die hij haatte, ondergingen op afschuwelijke wijze, omdat zij het hadden gewaagd hem te beledigen. Hij leefde meer in zijn droomwereld dan in de ruwe wereld, waarin hij zijn dagelijks brood moest zien te verdienen. En zo werd de kleine prins een dromer.
De dagen gingen voort en niemand kon de kilte breken, die als een ijzige ban rond de persoonlijkheid van de jongen lag. Niemand kon ooit een gevoel aan hem ontlokken
dat niet een uiting was van “ik”. Niemand zag een glimlach op zijn gelaat, behalve wanneer het er één was van zelfverheerlijking. Niemand hoorde een woord, gesproken met gevoel, tenzij het was een woord van zelfbeklag. En zo werd hij, die door zijn ouders een prins werd genoemd, uitgestoten uit de maatschappij.
Hij kwam bij de planten en wenend zei hij: “Waarom bloeien jullie niet? Ben ik dan geen prins?”
En een wonder: waar de tranen de aarde bevochtigden, bloeiden de bloemen. De rozen omgaven hem met duizend geuren, de vogels zongen hun lied, de wolken vluchtten weg en lieten de weldoende stralen van de zon neerdalen op de wenende mens.
Toen vroeg hij zich af: “Ben ik dan toch meester van al deze dingen?”
Hij ging naar een stad en nam zich het eten, want dit was zijn wens. Men sloeg hem en ontnam hem zijn vrijheid. Omdat hij wilde nemen, werd hem niets gegeven. En hij vluchtte terug in de droom.
Eens zag hij een dier, een eenvoudig klein dier. Een dwerghert gevangen in een wrede strik. Bewogen door medelijden gaf hij het dier zijn vrijheid. Toen ging hij verder en droomde, dat hij een vorst was, groot en machtig…. bijna was hij zelf in een valkuil terecht gekomen, maar het dwerghert waarschuwde hem. Het liep voor zijn voeten en wekte hem uit zijn droom tot de barre werkelijkheid. En telkenmale wanneer hij droomde – tot in de dorpen en steden toe – was daar het dwerghert. Het volgde hem.
Toen zeiden de mensen: “Ziet, deze vreemde mens heeft toch van de goden een gave ontvangen.” En zij wisten niet, hoe groot de gave was.
Maar nu hij niet meer kon dromen en de werkelijkheid moest zien, was de kleine prins ongelukkig. De jonge mens was steeds in diep leed gedompeld en in voortdurende strijd. Doch hij kon niet vluchten in de droom.
Het was, alsof het hert zijn gedachten kon lezen. Wanneer een flits van verlangen zijn wereld omtoverde, was daar de bruine schim, was daar een vochtige snuit en vier fijne smalle beentjes…. en de droom was voorbij.
En zo leerde de jongeman de werkelijkheid kennen tegen wil en dank, omdat hij niet meer kon dromen. Hij vervloekte het hert, maar doden kon hij het niet, omdat hij het eens het leven had gered.
Nu hij de wereld leerde zien, was het net of de kille grens van koude zelfzucht smolt; en soms kwam er iets van warmte, van meevoelen. Soms kwam er een glimlach, die niet werd geboren uit tevredenheid met het “ik”, maar uit een begrijpen van anderen.
Tweemaal eenentwintig jaren gingen er voorbij. De kleine prins was oud geworden. Grijs waren zijn haren, moe zijn voeten. Het hert volgde hem al lang niet meer, maar de dieren des velds schuwden hem niet. Zelfs de vorstelijke cobra groette hem statig nijgend, maar viel hem niet aan.
Toen – gaande naar de bergen met weemoed over het leed dat in hem was – zag hij voor het eerst de wereld; niet als in een ontvluchting, maar als een vlucht naar een andere, grotere werkelijkheid. Met zijn geest als het ware vrij van zijn lichaam zag hij uit over het land. En in vrede en met begrip zag hij de wereld onder zich liggen. Hij wist dat het goed was zo te zijn, vervuld van vreugde en kracht; niet zijnde de vorst die regeert, maar zijnde de waarnemer die zich laat doordringen van al het gebeuren van de wereld en zo geheel de wereld zijn eigen noemt.
Veertig dagen bleef de nu oud geworden mens op de berg. Voedsel noch drank beroerde zijn verhemelte. Toen wist hij dat hij moest besluiten: terugkeren en verder lijden of bestaan in die grote vreugde. Hij keerde terug.
En terugkerende vond hij voor het eerst zijn ware bestemming. Want hij zag door de ogen van de mensen in hun harten. Hij zag door de wanden van paleizen en hutten, wat er binnen leefde. Hij zag de strijd van de dieren in de wrede natuur en hij begreep dat het niet anders kon zijn. Zo werd in hem de waarheid geboren. En vol werd zijn hart van licht en van liefde voor het leven.
Hij keerde terug naar de plaats waar hij was geboren en wilde de waarheid verkondigen die hij had ontdekt.
“Gij”, zo sprak hij luide op het dorpsplein, “denkt te zijn, maar gij zijt niet. Want in u is een leegte. Hol zijn uw gedachten, zonder betekenis uw woorden, uw daden zijn niets dan een schimmenspel door hogere krachten opgevoerd in de plaats van het volmaakte. “
Hij wilde nog zeggen: “En toch leeft in u een licht.” Maar voordat hij die woorden uitsprak, vielen de kogels; kogels van de jagers. En terwijl hij neerzeeg, stamelde hij nog: “In u is het licht.”
De vrouwen namen modder en stenen en wierpen ze op hem. De mannen schreeuwden en trokken hun mes naar wie hen had beledigd en doodden hem.
Zijn ouders nu, levend in de hoge wereld bij de lotusvijvers van de eeuwigheid, zagen hem komen. Hij, die op aarde niets had betekend voor de mensen en voor zichzelf slechts leed en bitterheid had gekend. Zij wilden wenen, omdat hij zo gekomen was. Maar ziet, heel het zonnige land van de vreugde werd vervuld van ene stem, die hun zei: “Ziet, deze heeft waarlijk het leven gewonnen.”
Toen de ouders naar hem toe wilden gaan om hem te kussen en hem beschermend welkom te heten, deinsden ze verblind terug. Hoog en lichtend schreed hij boven hen uit: een zon, die tot hen neeg en die zij niet konden aanschouwen. Zo groot, zo hoog was die mens geworden.
Moraal
In de wereld van de sterren was een zon geboren. Een zon, die planeten regeert en die zegt: “Dat hier een wereld ontsta en daar een wereld verga.”
Want een mens wordt geboren met een eeuwige bestemming, met een kracht in zich, groot als die van de Scheppers. Maar indien hij niet eerst leert de Schepper te kennen en te aanvaarden en toch de mensheid te kiezen omwille van die Schepper, zal hij nooit worden tot een licht dat staat aan de hemel, dat schept en leven geeft, dat bewustzijn geeft en de vreugde van een eeuwig leven.
9. De dwaze koningin
Men vertelt van een koningin. Een koningin die wijs was misschien, maar die een enkele toch dwaas noemde. Want soms wanneer de bayadèren dansten, dan danste ook zij en vergat haar waardigheid. Wanneer in de vijvers de dienstmaagden baadden, dan vergat zij soms haar waardigheid en speelde met hen, alsof zij nog een kind was. En wanneer zij langs de wegen werd gedragen in een kostbare palankijn, dan steeg zij soms uit en vergat zelfs de wet van gesluierd te gaan en terughoudendheid om een bloem af te breken.
Men zei: “Zij is dwaas.” Maar waar zij kwam, daar was het alsof een zucht van genade haar vooraf ging, daar was de lucht balsemiek geworden, als bezwangerd van vreemde kruidige geuren, daar vonden de mensen kracht om beter te streven en te werken.
Niets gaf deze koningin. Niet groot waren haar giften aan de armen. Niet groot was haar weldadigheid, want – zoals men zei – speelde ze als een kind. Maar waar zij was geweest, daar werden de dorpen zindelijker, daar werkten de boeren harder en was de aarde vruchtbaarder. Waar zij in een bazaar ging, daar was het alsof de schatten kostbaarder fonkelden en of de kooplieden eerlijker werden in hun eisen.
Men heeft om haar gelachen; tot zij stierf. Doch toen zij was gestorven, was het, of iedereen een kostbaar iets had verloren: een prikkel tot leven en tot werken. En zozeer heeft haar volk haar lief gehad, dat men in een kleine tempel, gewijd aan Indra, een stuk heeft afgesloten, zodat zij nu nog rust midden in een grote stad, waar de mensen haar naam misschien vergeten zijn, maar waar men nog steeds komt tot deze schrijn, wanneer men moedeloos is. En men gaat heen met volle krachten.
Dit verhaal is gebeurd. Zoals zij leefde, kunt gij leven.
10. Het sterretje dat zo ver reisde
Er was eens een ster. Nu ja, een ster is misschien erg veel gezegd. Het was eigenlijk een soort kosmische glimworm, die ergens ver buiten de begane paden van de grote, gewichtige sterren met al hun planeten haar weggetje zocht naar een licht. Want die kleine ster droomde ervan, dat ze eens belangrijk zou zijn. Maar ze was zo klein. Ze kon nooit een zon worden. En daarom doolde deze kleine ster door alle ruimte en alle werelden.
Toen ze geboren was, droomde ze eerst ervan, dat ze zou groeien. Groeien tot ze groot en machtig zou zijn, planeten zou baren en het Al vullen met een nieuw leven en een nieuw bewustzijn.
Maar, arme kleine ster, sterren groeien niet zo hard. Sterren groeien eigenlijk haast nooit meer. En als een kleine ster gaat groeien, dan sterft ze. Maar dat wist de kleine ster nog niet. En zo droomde ze en trok tevreden haar baan ergens ver, in de buurt van Aldabaran.
Toen ze echter reeds enkele miljoenen jaren haar baan had getrokken, besloot ze op een andere wijze verder te gaan. Want als een kleine ster in haar eigen banen niet meer past en daarin niet kan groeien en de ster wil toch wat worden en wat zijn, dan moet zij wel een verre tocht gaan maken, zoekende naar een plaats waar een kleine ster wel belangrijk is.
Eerst ging ze naar een machtige zon, die daar in de buurt schitterde samen met zijn tweeling.
“Grote ster”, zei de kleine ster, “hoe wordt een ster zo belangrijk als gij zijt?”
“Wees jezelf genoeg.”, zei de grote ster. “Wees jezelf genoeg en trek je eigen baan en laat je voeren door de stromingen in de ruimte, dan ben je groot en machtig.
Maar de kleine ster was zo klein, dat zelfs de stromingen in de kosmos haar een beetje spottend terzijde wierpen. Ze was niet groot genoeg.
En dus ging ze verder, een beetje beledigd eigenlijk.
Toen kwam ze bij een witte dwerg, die fel schitterend zich voorbereidde op een langzaam zich uitbreiden en het baren van een nieuwe planeet.
“Zeg eens, witte dwerg, hoe kan een kleine ster als ik belangrijk worden?”
“Zoek iets nieuws te baren.” zei de witte dwerg.
Maar een kleine ster heeft geen materie en geen dichtheid genoeg om iets nieuws te baren. En droevig ging de kleine ster verder.
Zij kwam bij een blauwe reus, die verlaten in de ruimte stond en wervelend wat dood gesteente rond zich meesleurde, alsof het een treurige dodendans was.
“Blauwe reus,” zei de kleine ster: “hoe word ik een grote, een belangrijke ster? “
De blauwe reus keek droevig en zei: “Och, kleine ster, wij zijn wat het lot ons heeft gemaakt. En wij moeten onze weg gaan. Ik, somber van kleur, droevig met mij slepend de restanten van mijn machtige planeten, oud en moe, moet gaan, tot ik zal uitblussen of misschien in een nova nieuw geboren worden. En zo zal het ook jou gaan, kleine ster. Er is geen belangrijkheid in het leven.”
Toen werd onze kleine ster wanhopig en ze vlood tot aan de einders van het Al. Ze zocht in de diepe duisternis. En overal riep ze haar vraag; “Hoe kan ik, kleine ster, toch belangrijk worden? Hoe kan ik iets waard zijn?”
Maar de ledige ruimte gaf geen antwoord. Alleen kwam er de echo …. ‘iets” ….
Maar de ster begreep het niet. Ze wilde zich storten in de diepte van een pasgeboren nevel, waar in de gloeiende wolken van oermaterie ster na ster werd geboren. Maar de werking van de nevel slingerde haar weg, ver en ver …., alsof ze zeggen wilde: “Kleine ster, jou heb ik niet nodig.”
Zo verworpen en eenzaam was de kleine ster, dat ze op haar verre reis zich liet drijven door de snelheid die ze toevallig had gekregen. En ze doorkruiste vele ruimten. Als een klein vlekje licht schoot ze in de grote, ongeziene ruimten voort, die haar wegvoerden ver van het Melkwegstelsel en van alle andere nevelstelsels. En dan – een ogenblik een nevel passerend, een ogenblik haar weg vlechtend tussen grote sterren – weer haar eeuwige vraag stellend: “Hoe word ik, kleine ster, belangrijk?”
Zo kwam er dan een ogenblik, dat zij – wederom uitgestoten door de werking van een nevel – in de eenzame ruimte haar vraag veranderde :
“Hoe kan ik dan nuttig zijn? Wat beteken ik dan? Waarvoor besta ik?”
En vreemd, de ruimte die haar nooit antwoord had willen geven toen ze vroeg, hoe ze groot en gewichtig kon worden, wist nu wel een troostrijk antwoord: “Niets bestaat voor niets. Alles heeft een doel en alles een bestemming. Ook jij, kleine ster.”
Het werd de kleine ster wat lichter om het hart. En het was net, of haar haast dovend lichtje weer wat meer kracht en fonkeling verwierf. “Ik besta dus met een doel”, zei de kleine ster. “Maar welk doel?” De ruimte zweeg en de stromen van de kosmos gingen aan haar voorbij. Door haar eigen snelheid zocht ze zacht een baan tegen alle kenbare stuwing van de sterren in; en ze wist niet eens waarheen.
Toen peinsde de kleine ster: “Wat zou het goed zijn, als ik dan tenminste maar op al mijn reizen één keer een goede tijding zou kunnen brengen. Eén keer een mens of een ster of een planeet geluk zou kunnen brengen. Als ik dan maar één keer een doel zou mogen hebben, dat voldoende is om mijn leven te vullen.”
Het was toen net, of de ruimte zacht begon te fluisteren. Maar de kleine ster kon het nog niet verstaan. Het was, of stemmen uit onbekende verten, verder nog gelegen dan het grote Al dat ze nu al miljoenen jaren lang doorkruiste, haar iets wilden zeggen. Ze verstond het niet; maar toch voelde ze zich niet meer zo eenzaam. Het was net of ze gelukkiger werd. En haar sterrenlicht werd sterker en sterker.
“Ach,” zei toen de kleine ster tegen zichzelf, “waarom zou ik vragen? Ik zou willen sterven, als ik één keertje maar, één keer iets zou kunnen doen, waardoor deze sterrenhemel schoner wordt, waardoor het “zijn” gelukkiger wordt.”
En toen sprak de ruimte – tenminste, het sterretje dacht dat het de ruimte was: “Deze wens zal u worden vervuld. En ge zult voortgaan op de wegen die ik u drijven zal.”
En het was toen net of het sterretje meer vaart kreeg. Ze voelde zich gelukkig; er was een doel in haar leven. Er was iets te volbrengen, iets te doen. Ze wist wel niet wàt. Maar ach, een kleine ster is al gelukkig, wanneer er tenminste een bewustzijn is, dat je niet bestaat voor niets.
Haar licht werd helderder en feller. En zo joeg ze voort van einder tot einder, totdat ze weer in de Melkweg kwam, zoekende langs alle wegen en paden. Steeds sterker en sterker werd haar licht. Maar haar kracht en materie stroomden achter haar weg als een brede staart. En sommige denkende schepsels in het Melkwegstelsel zeiden: “Ziet, daar gaat een nieuwe komeet.”
Zo naderde dat sterretje de aarde. Er zaten wijzen op de torens van tempels en paleizen; en ook zij zagen het kleine licht. Ze zagen hoe het kwam uit een bepaald sterrenbeeld en voortstreefde naar de aarde. En ze zeiden: “Hier moet iets bijzonders gaan gebeuren. Dit is een voorteken.”
Maar de kleine ster wist van niets. Alleen hoe meer ze die kleine zon naderde met zijn planeten, die zo statig ronddansten, des te vreugdiger het haar werd om het hart. Het was alsof ze voelde: ‘Hier wordt je bestemming vervuld.”
De wijzen zijn de kleine ster nagetrokken, maar ze wist het niet eens. Want ze was maar klein en nietig en wist weinig van mensen en mensengedachten af. Doch toen ze dicht bij de aarde kwam, was het haar plotseling, of rond haar jubelende stemmen een lied zongen: “Zie, hier komt de bode, de bode des heils!”
De kleine ster keek rond zich en vroeg zich af: “Maar wie dan?”
Want ze kon niet begrijpen dat zijzelf het was. Beneden zich zag ze een steeds groter wordend licht. Een licht als van een ster, maar dan zo wonderschoon, zo diep, zo vol, dat het leek, of meer dan een hele sterrennevel straalde uit één klein plekje op een kleine planeet. En zo richtte ze haar baan – of werd die baan gericht? – op een kleine plaats op een kleine wereld. Die plaats heette Bethlehem. En over het kleine sterretje spreekt men nu nog als: de Ster van Bethlehem.
Maar het kleine sterretje wist het niet. Want toen het daar stond te stralen in de nacht, ging er zoveel van het denken van die kleine ster uit naar de plaats, waar het geestelijk licht groeide en bloeide, dat de ster zelf stierf. De mensen zagen haar langzaam slinken. De staart werd kleiner, het licht werd kleiner; het was nog slechts een lichtpuntje. En zij zeiden: “Wat een snelheid heeft die komeet,” omdat ze niet begrepen. Want al wat deze kleine ster had aan materie, straalde ze uit in haar vreugde, in de grote vernieuwing, waardoor ze werd als een zon in de kerstnacht.
En haar wezen? Dat dwaalt niet meer door de ruimte. Want de kleine ster heeft haar doel gevonden. Ze is belangrijk en gewichtig geworden, al is het dan misschien dat zijzelf zich er niet van bewust is. Maar ze weet, dat ze één is met de grote Kracht, met het grote Licht, dat op aarde werd vertegenwoordigd door Jezus, de zoon van Jozef en Maria.
