Synthese

image_pdf

24 februari 1967

Allereerst mag ik u eraan herinneren, dat de sprekers van deze groep niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons hier van ten zeerste bewust, verzoeken wij u dan ook zelfstandig na te denken over alles, wat door ons te berde wordt gebracht.  Het onderwerp voor heden: Synthese

In de wereld van dit ogenblik bestaat, zowel godsdienstig, economisch als politiek, een toenemende verdeeldheid, welke zich het sterkste uit in pogingen tot absolute specialisatie en, vanuit deze specialisatie, voert tot een erkennen van de gehele wereld vanuit één enkel denkraam, binnen één enkel systeem. Nu zijn de verschijnselen van het leven veelvoudig en kunnen niet in één enkele vorm of binnen één enkel specialisme bevat worden. Dit betekent dat elke gespecialiseerde kennis en bestreving een deel der gemeenschappelijke waarden omvat, maar daarnaast waarden zal omvatten, die binnen de gemeenschappelijke normen niet of ternauwernood gelding hebben. Het is de noodzaak alle dingen tot het laatste toe te erkennen, te ontwikkelen en te beheersen, die voert tot specialisme. Het is de noodzaak om mens-zijn, leven, levenswaarden te begrijpen en te omvatten, die voeren moet tot synthese: Synthese als de overbrugging, de samensmelting van vele in zich schijnbaar differente waarden tot één hanteerbaar geheel.

Wanneer wij uitgaan van de godsdienst, zo kunnen wij natuurlijk trachten specialisatie, zoals die in de bijzondere godsdienstige riten en opvattingen tot uiting komt, nader uit te werken. Dan blijkt bv. binnen een en dezelfde religieuze gemeenschap, een aanmerkelijk verschil van opvattingen en inzichten te bestaan. Men beseft meestal niet, dat dit in feite een verwerpen van alle andersdenkenden inhoudt. Indien wij uitgaan van een christendom, dan kan men natuurlijk uitgaan van een gedachte, die mede synthese inhoudt; namelijk dat alle geloof aan Christus in zich bepalend is voor de waarden in het christendom, terwijl elke voorstelling die van de Christus, Zijn leer en werken binnen het christendom kan bestaan, of aanwezig is, deels mede een omschrijving van de werkelijkheid zal vormen, een deel daarvan zal echter ook berusten op interpretatie, die slechts voor de persoonlijke aanvaarding van belang kan zijn.

Wanneer je het zo stelt, komt dit erop neer, dat alle verschillen in het christendom gebaseerd zijn op persoonlijke interpretatie, waarbij alle zich specialiseren op een bepaalde interpretatie of interpreterende leerstelling inhoudt, dat een deel van het ware christendom, dat voor de gemeenschap zou kunnen en moeten bestaan, in wezen teniet wordt gedaan. Want een groot deel der waarheid, zoals deze bij anderen wordt beleefd, wordt daarin niet aanvaard of erkend.

In de economie zien wij soortgelijke verschijnselen. Zolang wij uitgaan van één economisch systeem, dat in zich een bepaald doel nastreeft – bv. industrialisatie – zo kunnen wij dit systeem perfect ontwerpen. Wij kunnen binnen dit systeem inderdaad wel predicable ontwikkelingen verkrijgen. Dit geldt echter alleen voor de productiemiddelen.

Zodra wij te maken krijgen met mensen, blijken niet alleen de economische tendensen, maar daarnaast emotionele reacties, gevoelswaarden, gemakzucht en vele andere aan de mens eigene kwaliteiten een rol spelen. Nu blijkt, dat wij deze niet in het systeem in kunnen passen, zonder een deel van het mens-zijn en het menselijke leven te verwaarlozen. Eerst wanneer wij begrijpen dat economie alleen zin heeft, wanneer zij gepaard gaat met psychologie, met sociale erkenningen, maar daarnaast ook – en dit is zeer belangrijk – rekening houdt met de geestelijke achtergronden van de mens, zal het mogelijk zijn een wetenschap te bouwen – ik meen, dat deze nog niet volledig bestaat – waaruit dus een redelijk elkander helpen binnen een vaststaand geheel in een voor allen aanvaardbare richting mogelijk zal worden. Hier blijkt dus wel dat synthese, het vinden van de gemeenschappelijke factoren, van het allerhoogste belang kan zijn.

Ik wil u niet spreken over de zelfmisleiding, die voortvloeit uit alle pogingen, om de zaken wat anders voor te stellen dan zij zijn, of zich ten koste van alles te houden aan eigen basisstellingen en eigen systeem. Ik wil slechts constateren, dat er geen enkel denkbeeld op aarde bestaat en geen enkele constatering van feiten, die niet eerst in zijn werkelijke betekenis beseft kan worden, wanneer zij gezamenlijk bezien wordt met alle andere, ook de schijnbaar daarmede niet samenhangende mogelijkheden en feiten. Het klinkt misschien krankzinnig, om het leven van een vlieg, een chemische reactie en een politieke uitslag met elkander te vergelijken. Men zal zeggen, dat deze zaken toch zeker geen feitelijk belangrijke raakpunten bezitten. Maar bij nader beschouwen blijkt, dat het leven en ook het gedrag van de vlieg in grote mate gebaseerd is op biochemische reacties. Een vergelijking met chemie is dus mogelijk en gemeenschappelijke wetten of waarden zijn dus wel degelijk denkbaar. Indien wij een politieke ontwikkeling bezien, zo blijkt, dat deze eveneens veel gemeen heeft met een chemische reactie, waarbij wij vaak – tot onze verbazing – nevenwerkingen ontdekken, die onverklaarbaar schijnen, tot wij een vergelijking durven maken met de eigenaardige resultaten, die een onzuivere solutie kan veroorzaken. Er is dus wel degelijk ergens een punt van contact, dat voor alle drie genoemde waarden van belang is. Er ontstaat zo een vergelijkingsmogelijkheid en, ofschoon ik de genoemde waarden zeker niet wil stellen als voorbeeld voor noodzakelijke synthesen, zo mag ik toch wel opmerken, dat het uitsluiten van bepaalde tendensen, mogelijkheden en vergelijkbare ontwikkelingen tenminste ongezond is, voert tot eenzijdigheid en daarmede tot een specialisatie, die de werkelijke belangen van de proef, de wetenschap, het individu, of de gemeenschap te kort kan doen.

Er zijn in het leven bepaalde grenzen. Deze worden niet, zoals u misschien denkt, gevormd door de mogelijkheden. De mens heeft mogelijkheid tot het ontwerpen van bacteriëncultures, die zeer sterke dodelijke of vernietigende eigenschappen bezitten. Hij kan atoombommen maken, waaronder volgens de nieuwste theoretische versie zelfs de gehele aarde of mogelijk het gehele zonnestelsel zou kunnen vernietigen. Maar wat blijkt nu: de mens beschikt niet over voldoende voorstellingsvermogen, over voldoende zedelijke moed, over voldoende moreel besef, terwijl deze waarden toch noodzakelijk zijn, om een dergelijke kennis te kunnen bezitten. De mens kan met die kennis alleen leven zonder zelfvernietiging of grote schaden, wanneer hij innerlijk voldoende rijpheid bezit. Wie dit over het hoofd ziet, zal m.i. onbedoelde en zelfs voor en volgens hemzelf geheel verkeerde resultaten bereiken.

Het is eenvoudig genoeg om bv. te stellen, dat een algehele socialisatie van de maatschappij, volgens het marxistisch principe en systeem, de enige weg is om een samenleving, die een steeds toenemend aantal mensen zal moeten omvatten, tot een redelijke en voor allen aanvaardbare vorm te herleiden. Maar wanneer dit moet worden gedaan door middel van pressie, zo ontstaat naast het sociale ook een zeer sterke asociale om niet te zeggen antisociale drang. Wanneer wij een gezagsorgaan nodig hebben dat pressie uitoefent, om zo een sociale ontwikkeling mogelijk te maken, zo zal de gezags mogelijkheid zich gaan ontwikkelen tot een afzonderlijk, buiten de gemeenschap om bestaand en levend organisme, dat parasiteert op de pogingen van de gemeenschap, zonder in feite iets aan het werkelijke welzijn van die gemeenschap bij te dragen. Naarmate de mogelijkheid, zich aan de arbeid of mogelijkheden van de gemeenschap te verzadigen voor het gezagsorgaan groter wordt, zal het parasitaire organisme zich in omvang eveneens vergroten en zo steeds grotere lasten leggen op de samenleving, die hierdoor in haar werkelijke bereikingsmogelijkheid steeds meer belemmerd zal worden en op de duur onder deze druk uiteenvalt.

Dit is geen sprookje. U kunt het, zij het in minder absolute vormen, overal waarnemen. Wanneer wij dus een dergelijk denken, een dergelijk systeem bezien, zullen wij ons af moeten vragen, wat daar, buiten het plan en de middelen, nog verder van belang kan zijn.

In de eerste plaats blijkt de mens van belang te zijn. Wanneer ik te maken heb met christendom of een andere godsdienst, zo is het wel aardig om bv. te redeneren, dat wij vanuit het evangelie woordelijk trouw, volledig en exact, moeten werken volgens de leer. De praktijk toont aan, dat dit niet mogelijk is. Vandaar dat men het oude testament erbij pleegt te slepen, dat heel veel dingen helpt rechtvaardigen, die in het nieuwe testament verworpen worden. Maar is de eis absoluut christelijk te leven en te handelen wel als redelijk te beschouwen? Moet men het niet eerder zo zien, dat de men de godsdienst kan zien als een eventueel schema, terwijl hij zijn praktijk afzonderlijk dient te baseren op de mens? Dan moet je ook niet stellen: Wij leven volgens het evangelie. Je moet zeggen: Wij leven volgens de mensheid en binnen het kader van die mensheid, haar geestelijk peil en haar praktische mogelijkheden, pogen wij iets van dit evangelie voor onszelf waar te maken.

Stel nu iets dergelijks eens in verband met de zogenaamde geestelijke ontwikkeling. De een houdt zich misschien bezig met de bijbel, een ander baseert zich op oude hindoegeschriften als de Mahabharata, terwijl een derde het zoekt in de verborgen leringen van alchimisten, rozenkruisers, kabbalisten of bij een islam en de daar geldende openbaringen en interpretaties.

Indien wij voor onszelf een geestelijke bereiking mogelijk willen maken, staan wij voor precies dezelfde moeilijkheden, waarvoor in het vorige beeld de gemeenschap gesteld blijkt te worden.

Wij kunnen weliswaar specialiseren, maar zullen daarbij bepaalde waarden van onze persoonlijkheid buiten spel zetten. Wij bereiken dan niet het maximaal mogelijke. Wij zullen aan de andere kant een groot deel van onze mogelijkheden en bezigheden richten op dingen, die buiten ons werkelijk bereik liggen, met als gevolg, dat wij komen tot een reeks op zich niet beheersbare en hanteerbare gebruiken en praktijken.

U zult inzien dat ook hier synthese noodzakelijk is. Het gaat hier niet alleen om de vraag, of je je bezig moet houden met de kabbala of iets anders. Maar ik zou wel zeggen: een kabbalist, die geen romans met werkelijke interesse kan lezen – en ze begrijpen – zal met al zijn kabbala nooit verder komen. Zoals de alchemist, die alleen het bovennatuurlijke element beseft, maar nog niet zover is gekomen, dat hij begrijpt hoe een eenvoudig leven en denken reeds betekent, dat zich in hem stoffelijke en controleerbare – zelfs op ander terrein – misschien bruikbare, chemische reacties afspelen, nimmer de werkelijke zin van het leven zal kunnen begrijpen ondanks al zijn theorieën.

Synthese betekent niet alleen, zoals men wel eens schijnt te denken, een samenvoegen van verschillende gebieden. Het is meer: een werkelijke synthese wordt eerst bereikt, wanneer de mens bewust als middelpunt wordt gezien, van waaruit alle ontwikkelingen, erkenningen, filosofieën, leringen en openbaringen zich radiaal verwijderen, terwijl de minimale bereiking op een der radialen bepalend zal zijn voor het gehele gebied, dat voor die mens een van de mogelijkheid bevat om werkelijk en met vrucht actief te zijn.

U zult begrijpen, dat dit voor vele wat onaangenaam is. Toch zijn er vele problemen, die je alleen werkelijk kunt begrijpen en kunt ontwikkelen, wanneer je uitgaat van de mens als centraal punt. Een voorbeeld hiervan ligt in de bij u op het ogenblik heersende vraag, hoe het wel komt, dat de kiezers gekozen hebben, zoals zij gekozen hebben. Een zeer moeilijke vraag voor een politicus, die alleen naar uitgaat van het door hem erkende en gehanteerde systeem. Maar wat eist de mens? De mens kan tot op een bepaald punt liberaal, religieus, socialistisch denken, terwijl hij daarnaast en te gelijker tijd vaak wat destructief, wat anarchistisch kan denken. Wat de politiek moet doen, is die mens de mogelijkheid geven om zichzelf te zijn. Op het ogenblik, dat de politiek zich verder specialiseert en dus zich van de praktische en voor de mens onmiddellijk kenbare en belangrijke mogelijkheden gaat verwijderen, komt zij tot wat men noemt een ver doorgevoerde planning. Zij maakt het daarmede voor zich vaak zeer moeilijk en ingewikkeld, maar bedoelt het waarschijnlijk wel goed.

De eenvoudige mens kan echter niet enkel niet begrijpen wat men wil en doet, maar hij kan er zich, zelfs wanneer hij begrijpt, al te vaak zich er niet meer één mee gevoelen. Een groot deel van uw hedendaagse politiek staat in feite buiten de werkelijke belangstelling van de mensen. De mens is niet geïnteresseerd in de bijdrage, die men misschien voor het een of andere goede doel zal kunnen reserveren in het jaar 2000. De mens is voortdurend geoccupeerd met het heden, voor hem tellen vooral de noden en de angsten van vandaag. Die mens heeft geen behoefte aan een systeem, dat eens na lange tijd goed zal gaan werken. Hij vergt een voortdurende reeks van improvisaties in het heden, waardoor het geheel der gepropageerde systemen voor hem ook nu, in het heden voortdurend aanvaardbaar en nuttig kan blijven.

M.a.w., men vraagt zeer snelle reacties, feitelijke reacties en pas daarna de theoretische opbouw en de verklaring van de plannen op langere termijn. U zult begrijpen, dat de mens van vandaag, of hij nu oud is en volgens gewoonte KVP stemt, of jong is en D66 kiest, een keuze doet, waarbij het z.g. programma in feite niet zo belangrijk is. Het gaat om de praktijk, niet om de leer. De mens, die KVP stemt, vraagt om erkenning van zijn menselijke waardigheid en wenst in wezen evenzeer erkend te worden als degene, die D66 stemt. Men kiest voor een hoop, verwachting, niet voor een systeem.

Zodra de menselijke erkenning voldoende verwezenlijkt wordt, is een zekere stabiliteit geschapen. Zolang de mens, de eenling, niet het middelpunt vormt van alle politiek, maar eerder beschouwd wordt als een politiek middel, zal er altijd weer een onevenwichtigheid ontstaan. Een synthese voor de moderne Nederlandse politiek is dan ook in enkele woorden te geven. Deze vormen tevens een oplossing voor alle recente problemen, waarmede de staatslieden op het ogenblik geen weg schijnen te weten, omdat zij, zich baserende op een systeem en zich daartoe bepalende, een letten op de mens zelf menen te desavoueren. Toch is de oplossing van de moeilijkheden in wezen doodeenvoudig. Begin eerst zakelijk de problemen, die vandaag bestaan, op te lossen, voor je je met nieuwe problemen bezig gaat houden en laat alle meer ideële problemen voorlopig eens even rusten. Reageer snel en goed op de feiten en recente ontwikkelingen. Breng daarbij zelf als gouvernement, duidelijke offers. Wanneer je zelf kenbare offers brengt, zullen anderen meer bereid zijn aan uw eisen tot het brengen van offers gevolg te geven. Zo men dit doet, kan men binnen 4 jaren een zekere politieke stabiliteit en zelfs een politieke hervorming in Nederland tot stand brengen, waarbij de noodzaak van zovele differente partijen wegvalt, omdat het gemeenschappelijk maatschappelijke doel plus de erkenning van de mens als middelpunt – de eenling en niet alleen maar de voor allen vaag blijvende “gemeenschap” – ondanks de veelheid van verlangens een overbrugging, een synthese in het politieke streven wel degelijk mogelijk maakt.

Maar ja. Het is een goed voorbeeld, waarover ik eigenlijk niet zou mogen praten. Want dan komen onmiddellijk de specialisten en vragen: “Hoe stelt u zich dit voor? Wij kunnen niet terug. Wij kunnen het eenmaal bereikte toch niet prijsgeven?” Mijn antwoord zou echter dan luiden: “U kunt wel terug, heren, en dat beseft u anders zeer wel. Maar nu wilt u niet, daar het uw denkbeeld van eigen uitzonderlijkheid en belangrijkheid zou aantasten.” Hetzelfde geldt bij de wetenschap. De wetenschap van heden houdt zich ook bezig met de verdere ontwikkeling van de zeer destructieve atoomwapens. Grotere wapens op dit terrein zijn toch waarlijk niet nodig.

Maar hoe reageren behaalde kringen: Men zegt, dat men nu eenmaal de installaties en laboratoria heeft; men heeft te veel geïnvesteerd en moet wel verder gaan. Daarbij vergeet men geheel de mens, ook de mens, die daar werkzaam is. U meent dan misschien, dat u een defensief en agressief systeem kunt ontwerpen, dat feilloos is, mijnen heren. Maar u vergeet de mens. De mens is altijd weer het zwakke en gelijktijdig het sterke punt bij alle ontwikkelingen, zelfs bij de wetenschappelijke. Niet wat men voor zich begeert, maar wat gemeenschappelijk aanvaard wordt en als noodzaak erkend wordt, is voor de reële bereikingen en mogelijkheden bepalend.

Hierdoor worden ook de gevolgen bepaald, niet door uw kennis zonder meer.

Nu wordt het misschien ook duidelijker, waarom bij het werken in de geest, vele toch schijnbaar geheel verschillende groepen komen tot een algehele samenwerking, waarbij de mensheid in feite in het middelpunt staat en alle verschillen van inzicht en eigen doelstelling overheersen.

Ook in de geest bestaan verschillen van mening en vaak zelfs zeer grote. Maar er is iets, waardoor de samenwerking toch mogelijk wordt: wij hebben zoveel gemeen, dat wij door dit gemeenschappelijke als eerste werkelijkheid te erkennen en allereerst daarop te reageren, elkander kunnen helpen om beter en juister te werken en te begrijpen. U vindt dit misschien wat vreemd, maar het verzet tegen een al te ver gaande specialisatie, zoals deze bij u meer en meer gebruikelijk wordt en ook in de geest wel voorkwam, is toch zeer logisch. Heeft u wel eens een oorspecialist gezien, die opeens tegenover de noodzaak een blindedarmoperatie te volvoeren kwam te staan, terwijl er geen anderen waren om zich op te beroepen? Zo een man is vaak bijna radeloos; toch is ook hij arts. Natuurlijk zal hij als arts wel ingrijpen. Maar alleen, omdat hij het moet doen en zeker vol onzekerheden; het is immers zijn specialiteit niet meer. Elke arts moet ook nu een zekere grondkennis bezitten. Maar in feite kan hij slechts de gehele mens behandelen en eventueel opereren, wanneer er een zekere coördinatie tussen hem en andere specialisten bestaat. Nu is in deze dagen een team van specialisten wel te realiseren, al zal dit vaak veel kosten met zich brengen, die in wezen overbodig zijn. Maar bij deze samenwerking zal dan ook weer de mens in het middelpunt moeten staan en zal de groep geneeskundigen zich niet alleen maar mogen verdiepen in het genezen zonder meer of zelfs maar de interessante mogelijkheden van de kwaal.

Denk niet, dat ik ten onrechte deze opmerkingen plaats of voorbehoud maak; zowel in Nederland als in andere landen, zoals o.m. de USA is de geneeskunde zo langzaamaan een soort industrie geworden, waarbij de mens meer en meer voor de genezers slechts het te verwerken product betekent. Kennelijk begrijpt men niet, dat de mogelijkheden tot genezing, die er zijn, juist hierdoor vaak aanmerkelijk beperkt en vertraagd worden, terwijl men zowel psychische als fysieke restverschijnselen ziet na een dergelijke behandeling, die zeker niet onvermijdelijk en noodzakelijk zijn. Met het streven naar een zo groot mogelijke perfectie in de verpleging en behandeling gaat men dus, omdat men niet de mens, maar het systeem centraal stelt, hem vaak voorbij.

De kreet efficiency, die overal steeds weer wordt gehoord, is een van de grootste ondingen, die er bestaan. Efficiency is niet gelijk aan geluk en succes. Mensen, die leven om zoveel mogelijk te produceren en daardoor zelf niet meer in staat zijn met vreugde te consumeren, zijn geen mensen meer. Zij zijn driftig geworden. Mensen, die zichzelf verteren in een voortdurende jachtigheid, die een steeds dieper wordende neerslachtigheid en onverschilligheid in hen geboren doet worden. Wij hebben juist mensen nodig, die gelukkig zijn. Wanneer die mensen nu gelukkig zijn bij een werkwijze, die wat minder efficiënt is en bereid zijn de gevolgen van een minder efficiënt werken te aanvaarden, zo zullen zij niet alleen – en dit zal men moeten beseffen – een duurzamer maatschappelijke waarde betekenen, maar daarnaast in hun productie ook een betrouwbaarder waarde betekenen. Dit houdt in, dat met schijnbaar minder efficiënte productiemethoden een product juister, beter en betrouwbaarder kan worden. Het betekent verder, dat de werkers gelukkiger zijn en zich gemakkelijker aan noodzakelijke wijzigingen zullen kunnen aanpassen. Ook dit is een zekere vorm van synthese: een synthese, waarbij het eindproduct misschien kunstmatig lijkt, maar men niet over het hoofd mag zien, dat de mens centraal blijft staan, ook al is er sprake van vele vreemdsoortige factoren, die, naar velen menen, wel eens ten onrechte met elkander verweven worden. De synthese betekent, dat schijnbaar strijdige waarden en factoren ten bate van het geheel aanvaardbaar gemaakt kunnen worden.

Wij, in de geest, zijn tegenstanders van alle geweld. Toch zullen wij binnen onze samenwerking soms geweld bevorderen, zoals een arts bepaalde ziekteverschijnselen als bv. koorts soms op zal wekken, om een zekere kwaal te bestrijden. Zo zal in de mensheid vaak het z.g. onaangename of onaanvaardbare ook tussen mensen noodzakelijk zijn, omdat alleen hierdoor een werkelijke mogelijkheid tot samenwerking op langere termijn tussen mensen kan bestaan.

Een huwelijk dient in zekere zin de synthese van twee personen te zijn, die tot een eenheid worden. Maar het is een samenwerking tussen twee persoonlijkheden, die zichzelf blijven en vanuit zich trachten tot een delen van alle stoffelijke en geestelijke waarden met de partner te komen. Indien er nu in het huwelijk geen spanningen tussen de twee personen bestaan en geen kleine onevenwichtigheden optreden, blijkt dat beiden terugzakken tot een eigen bestaan, waarin de andere geen feitelijke en eigen betekenis meer heeft. Wie dit beeld kan begrijpen en onderschrijven, beseft ook wel, hoe belangrijk het voor de mens is, altijd uit te durven gaan van een samenvoeging van alle bekende waarden, zo dat hij daarbij nimmer ook maar een enkele factor uitsluit, zelfs indien hij oppervlakkig meent, dat deze factor van weinig belang is en weinig of niets te doen heeft met hetgeen men bereiken wil. Wanneer een factor in verband met een bepaalde waarde of ontwikkeling zich als kenbare waarde aandient, dan moet deze ingecalculeerd worden en in haar eigen waarde en mogelijkheden betrokken worden op het geheel en vandaar op de mens met zijn mogelijkheden en zijn reacties.

Sommigen onder u menen nu misschien, dat zij door mij slechts oude waarheden in een nieuwe verpakking voorgezet krijgen. Ten dele kan dit voor enkelen wel juist zijn, maar indien u uitgaat van het standpunt, dat alleen uw eigen wijze van denken juist is, zo zult u nimmer met anderen tot een waar contact kunnen komen. Eerst op het ogenblik, dat u aanneemt, dat de ander uw denken aan kan vullen, herhalingen daarom niet schuwt en beseft, dat ook uw denken over lang bekende waarden voor de ander nog betekenis kan hebben en waarden kan bevatten, ontstaat er een vruchtbare uitwisseling van gedachten, die kan resulteren in een gemeenschappelijke bereiking, beslissing of houding, die dan weer de waarden van meerdere persoonlijkheden zal omvatten en deze ook voor allen in de praktijk, en voor allen op niet onbevredigende wijze tot uiting doet komen.

Of u bij deze redenering spreekt over twee dan wel 100 personen lijkt mij weinig belangrijk. Om te kunnen komen tot een synthese, een samenvoeging, zal het bovenstaande altijd van kracht blijven, maar daarnaast zal men ook de beschikking moeten hebben over kritisch vermogen. Het is immers niet mogelijk alle dingen zo maar, zonder meer, met elkander samen te brengen. Dit is eenvoudig onmogelijk. Soms schijnt dit wel mogelijk te zijn, maar dan is het meer een kwestie als die van de tijger, die samen met een lam vreedzaam in een kooi leefde; één lam per dag.

Ondanks dit voorbeeld lezen wij echter in Genesis, dat de leeuw neerlag naast het lam. En ik meen, dat dit neerliggen ook door een redelijk mens niet alleen vanuit de consumptieve sfeer bezien hoeft te worden. Er moet een toestand bestaan, waarbij inderdaad tussen lam en tijger of leeuw geen gevaar bestaat. Dit zal optreden op het ogenblik, dat het lam zijn vrees voor het roofdier kan verliezen en zo in de gemeenschap als gelijke op kan treden, terwijl het roofdier iets heeft, waarop de energie en de haast speelse reactie op bewegingen zonder schade kan worden afgereageerd, terwijl een voldoende voeding gegeven moet worden, zodat het roofdier het lam niet beschouwt als een soort tv.-hapje. Dit moet mogelijk zijn.

Zoals het mogelijk moet zijn, dat de kapitalist en de communist naast elkander leven en elkander niet schaden. Hoe vreemd als u dit moge klinken, is ook hier een synthese mogelijk, die berust op het feit, dat de communistische gemeenschap uit zichzelf wel andere waarden kent, maar als geheel optreedt als kapitalist. De echte kapitalist echter zal in wezen zichzelf alleen als zodanig kunnen handhaven en iets kunnen presteren, indien hij zijn kapitaal versterkt door het te verrijken met de prestaties van anderen, – waardoor de kapitalistische gemeenschap in ideale vorm in feite een samenstelling van kleinere communes is. Door het vaak onredelijke en onjuiste spreken over “bezit” wil men deze samenwerking, die in beide gevallen even noodzakelijk is, wel eens over het hoofd zien: De communistische gemeenschap gedraagt zich vaak zeer hardvochtig en kapitalistisch tegenover de enkelingen van de commune, terwijl de kapitalist het geheel van zijn arbeiders vaak op een bijna communistische wijze benadert. Zodra dus de beide factoren macht en gemeenschapspoging met elkander in evenwicht gebracht kunnen worden, zal een prima samenwerking tussen kapitalist en communist wel degelijk mogelijk zijn. Leeuw, tijger en lam kunnen, zodra een balans is bereikt, waar in de noodzaken en mogelijkheden van allen gelijkelijk tot uiting komen, terwijl aan hun behoeften redelijk – en niet volledig – voldaan wordt, rustig samenleven zonder enig onderling geweld.

Het schijnbaar onmogelijke kan dus mogelijk gemaakt worden, maar wij moeten een evenwicht hebben. Dit evenwicht wordt in de natuur langs gewelddadige weg geschapen. U kent allen wel dat Afrikaanse verhaal van de vlakte, die enkele jaren zeer vruchtbaar was. Hierdoor kwamen er steeds meer zebra’s, wilde beesten, giraffen enz. dan normaal. Hierdoor was er, ondanks de vruchtbaarheid, na enkele jaren minder voedsel op eenvoudige wijze ter beschikking, zodat steeds meer dieren hongerig en zwak bleven. Ondertussen waren de leeuwen aangetrokken door de overdaad aan prooi. Zij decimeerden de kudden door vooral de zwakkere dieren te eten, zodat dezen kudden kleiner werden en met het voorhanden zijnde voedsel weer gemakkelijk uit konden komen. Hierdoor werden de dieren gezonder en sterker. Dit betekende, dat de zwakste leeuwen zich niet zo gemakkelijk meer konden voeden. Er ontstond een situatie, waarbij steeds meer van de zwakkere leeuwen afvielen, steeds meer leeuwen wegtrokken. Op de duur was het evenwicht dan ook weer hersteld. De natuur doet dit alles dus, door de waarden elkander eenvoudig te laten verslinden.

Voor een mens is een dergelijke oplossing moeilijker; hij ziet de mogelijkheid niet het ene deel van zijn verlangens en gedachten door het andere te laten decimeren. Hij keert zich tegen een afsterven van het zwakkeren, omdat hij zelf weet eens de zwakkere te worden. Hij kan dus ook een uitroeien van het zwakke, hoe zeer dit volgens de natuur ook de juiste manier is om evenwicht te bereiken, niet zonder meer tolereren. De enige mogelijkheid, die de mens dus blijft, is het scheppen van en kunstmatig evenwicht. Een evenwicht, zoals dit op een akker kan bestaan, waar men de natuurlijke omstandigheden door besproeiing, kunstlicht en het verderven van schadelijke dieren nadoet, waarbij men de voor bevruchting noodzakelijke bijen eenvoudig aanvoert en het overbodige afvoert door menselijk ingrijpen. Synthese in de maatschappij betekent dus in zekere zin bescherming van een gebied, waarbinnen een evenwicht mogelijk is.

Een dergelijke bescherming kan nimmer uit de wereld volgens natuurlijke ontwikkelingen geboren worden. Zij kan alleen ontstaan uit het bewustzijn, het denken van de mens, plus de toepassingen, die daarvan in de werkelijkheid ontstaan.

Elke mens voor zich heeft de gewoonte, bepaalde feiten te verwerpen. Hij doet afstand van schuldgevoelens, onderdrukt bepaalde eigenschappen en begeerten, ziet bepaalde dingen eenvoudig niet, terwijl hij andere dingen juist zeer scherp en buiten alle proporties pleegt op te merken. Ter verduidelijking van deze laatste uitspraak: Het zijn meestal de meest

Gerepresenteerde persoonlijkheden, die zich stoten aan anderen. Nederland schijnt overigens vol van dergelijke persoonlijkheden te zitten. Want in uw land stoot eenieder zich voortdurend aan de gedachten en daden van anderen. Men zou deze maatschappij dan ook zelfs zeer aanstotelijk kunnen noemen vanuit het geestelijk standpunt. U dient echter te begrijpen, dat hier geen sprake is van normale storingen, doch dat in feite de aanstoot gezocht wordt. Het is een kwestie van het compenseren van een tekort. Juist wat men zich als te kort gevoelt – maar niet wil erkennen – en bij anderen ziet, brengt u er toe de waarde daarvan in en bij anderen te ontkennen. Dit zal – psychische werking – een schijn van zelfrechtvaardiging en zelfverwerkelijking tot stand brengen voor de persoon, die aanstoot neemt.

Zolang dit alleen geschiedt bij waarden, die onmiddellijk kenbaar zijn, zal het niet zo opvallen. Men bemerkt de dwaasheid daarvan eerst, wanneer het gaat als de oude vrijster in het verhaal: Zij beklaagde zich dat een jong paar altijd maar ongekleed door zijn vertrekken liep en een gedrag toonde, dat aanstotelijk was. Toen de instanties kwamen om na te gaan, of dit inderdaad het geval was, bleek, dat men dit jonge paar inderdaad in de omschreven toestand en handelingen kon zien, wanneer men een stoel op de tafel zette, daarop klom en zich uitrekte.

Indien men dan een goede kijker gebruikte, kon inderdaad alles, waaraan aanstoot genomen was, gezien worden. Dit verhaal klinkt wel wat ver gezocht, maar dergelijke dingen komen meer voor, dan u denkt. Dergelijke personen zoeken door het veroordelen van de anderen in wezen zichzelf te rechtvaardigen en scheppen, wanneer zij op de anderen invloed uit kunnen oefenen, in wezen vele verwrongen situaties. Want een dergelijke mens zoekt naar een samenvoeging van levenswaarden, waarin alle innerlijk wel erkende tekorten en fouten genegeerd kunnen worden, terwijl het ik als summum van menselijkheid en rechtvaardigheid toch nog in het middelpunt van de gehele wereld en haar belangstelling kan staan.

Van een oude vrijster gelooft u zoiets wel. Maar de gemeenschap als geheel doet dergelijke dingen ook. Men spreekt over vrijheid van woord, maar neemt het anderen kwalijk, wanneer zij zeggen, wat zij menen. Het wordt dan een soort: “ferme jongens, stoere knapen, hoe beteuterd staat gij daar – bij het Lieverdje.” Men beroept zich dan op de traditie en beseft niet, hoezeer men zelf eenzijdig is. Men weigert eenvoudig, alle andere mogelijkheden te erkennen als deel van de samenleving en haar mogelijkheden. Een kunstmatige blindheid tegenover de werkelijke ontwikkelingen in de wereld is van deze “traditiegebondenheid” maar al te vaak het gevolg. Op zich zou dit alles niet zo ernstig zijn, mits de gemeenschap als geheel in zich evenwichtig zou kunnen blijven functioneren. Nu blijkt echter, dat de gemeenschap aan zovele pressies en interrupties van haar eigen bestaan onderworpen wordt, dat de evenwichtigheid niet bereikbaar is.

Een voortbestaan van de maatschappij in welke vorm dan ook blijkt niet meer mogelijk, vóór men ook al hetgeen buiten het ik, buiten eigen groep bestaat, heeft aanvaard. Men moet het kunnen absorberen, zover het de groep betreft. Indien men dit in het Ik op kan nemen, ontstaat hierdoor verder een vergroting van eigen betekenis en waarde. Een typisch voorbeeld van dit proces kunnen wij zien in het 16de eeuwse Amsterdam. Zoals u weet, is er in deze tijd voor het eerst sprake binnen deze stad van een werkelijk aanzienlijke joodse gemeente, die op handel kunsten en wetenschappen langzaamaan haar stempel gaat drukken. Oorspronkelijke blijft de joodse gemeenschap geheel van de andere burgers gescheiden; zij leeft a.h.w. in een soort getto, al is de begrenzing daarvan niet officieel. Wat zien wij echter? De burgers krijgen begrip voor de waarde van bepaalde joodse elementen, zonder dat hierbij het geloof nog een overheersende en scheidende rol speelt. Omgekeerd zien wij in de joodse gemeente een begrip ontstaan voor de eigenaardigheden van de in die tijd toch wel erg orthodox-christelijke Amsterdammers. Uit de vermenging van geheel verschillende culturele achtergronden ontstaan nieuwe impulsen voor de cultuur en de handel.

Beziet men dit, zo is er sprake van een aanmerkelijke verrijking van het leven der westelijke provincies in de Nederlanden. Deze zou echter nimmer tot stand gekomen zijn, wanneer niet de joden – de Portugese joden genoemd, ofschoon een groot deel van hen uit Antwerpen kwam – een deel van hun afzondering en vooroordeel hadden prijsgegeven. Dit alles was nimmer tot stand gekomen, wanneer deze joden, niet alleen op overheidscontact maar ook zuiver menselijk, verbinding met de gemeenschap hadden gezocht. Gemakkelijk was dit voor hen zeker niet, zoals het ook voor de christenen in het begin wel moeilijk geweest is, zich neer te leggen hij de toch zeer afwijkende visies en gebruiken van de joodse groep. De mensen bezochten elkander misschien niet zo druk over en weer, vooral in het begin, maar zij wisten elkander toch op neutraal terrein te treffen en dan snel tot een uitwisseling van waarden te komen. Er was contact. De wederzijdse aanvaarding resulteerde voor beide groepen in een vernieuwing, die haar invloed deed gelden over een veel groter gebied.

Indien u nu, in deze tijd, spreekt over het feit, dat de joodse burgers van Amsterdam en Nederland geen vreemden waren, niet een vreemd ras, dat toevallig op Nederlands grondgebied leefde, maar een werkelijk deel van een Nederlands volk, waarbij geloof- en ras achtergronden geen werkelijke betekenis meer hadden zover het een ” burger-zijn” betrof. Zo spreekt men in feite over een synthese, die zich in honderden jaren heeft voortgezet, tot er geen werkelijk verschil meer bestond in de ogen van de gemeenschap, met uitzondering misschien nog geloof en enkele tradities, waaraan het niet gelovige althans niet joodse deel van Nederland in feite vaak deelnam. Denk maar eens aan “matzes met Pasen”. Jood, katholiek en protestant zijn binnen de gemeenschap zichzelf, maar ook gelijken. Het is deze eigenaardige ontwikkeling, die het kleine Nederland in het verleden en zelfs nu nog, naar ik meen, een betekenis geeft, die groter is dan de financiële of agressieve mogelijkheden van het land zouden rechtvaardigen. Let wel, ik spreek hier niet van een nationale grootheid. Dat is altijd weer een illusie. Ik spreek van een betekenis voor de gehele wereld.

Indien u ook dit voorbeeld hebt kunnen volgen, zo zult u inzien, dat alles nooit mogelijk zou zijn geweest, wanneer het niet in de eerste plaats was gegaan tussen en om de mens. Dit alles wil niet zeggen, dat de groepen elkander zonder meer geheel aanvaard hebben. Maar de jood, zo te zijnen koste menige grap werd gemaakt, bleef in de ogen van de spotters een mens. Hij werd niet als een onmenselijk of in wezen minderwaardig iets bespot. In Nederland was de jood een mens. Een geplaagd mens misschien, maar mens onder de mensen, en de christen was zo nu en dan wel eens de domme, maar ook hij bleef ergens een medemens. Er was, met behoud van eigenaardigheden, verschillen en zelfs geschillen, toch een hechte gemeenschap ontstaan. Dit nu is hetgeen ik bedoel, wanneer ik het woord synthese gebruik.

Het lijkt misschien krankzinnig, wanneer je pleit voor een synthese tussen dieptepsychologie en atoomchemie. Maar deze moet mogelijk zijn. Deze geheel verschillende gebieden van onderzoekgebieden, die, wanneer zij elkander aanvaarden, voor elkander ergens een beperking kunnen betekenen, zullen gezamenlijk de kracht, invloed en betekenis van beide gebieden voor de mens vergroten. Op elk terrein is een dergelijke synthese, een dergelijk als eenheid samengaan, denkbaar. Het is daarom, dat ik voor heden de synthese koos als mijn “Leitmotiv”.

Want, zolang wij trachten, alleen maar zonder meer naast elkander te bestaan of oppervlakkig eens wat samen te gaan, bereiken wij niets. Indien wij echter tot een synthese, een eenheid naar buiten toe, waarin een gelijkwaardigheidserkenning is gelegen en een wederkerige erkenning zonder voorbehoud mogelijk is, kunnen wij echter zeer veel bereiken.

Dit geldt voor ons contact vanuit de sferen met u op aarde, dit geldt voor uw onderlinge contacten, uw wetenschappelijke en religieuze, uw economische en politieke ontwikkelingen.

Eerst wanneer er sprake is van een geheel wederkerige erkenning en aanvaarding – en daardoor een bereiken van een door allen gelijkelijk te betreden gebied van streven en ervaren – zal er van een werkelijke vooruitgang bij de mensheid gesproken kunnen worden.

In een tijd, waarbij schijnbaar de verdeeldheid op velerlei gebied toeneemt, een tijd, waarin men religieus niet meer weet, waarheen zich te wenden en filosofisch al te vaak tracht, de feiten der wetenschap te ontkennen, dan wel de wetenschap zelf tot godsdienst dreigt te verheffen, is het noodzakelijk, dat men tot een synthese van alle maatschappelijke waarden komt. Want met alle specialistische en afzonderlijke ontwikkelingen ontstaan alleen maar groeiende gevaren, daar de gemeenschap deze niet meer kan overzien en beheersen. Waar echter een terrein gevonden kan worden, waarin men zich gezamenlijk thuis gevoelt, bezit men ook de mogelijkheid op alle daarmede verbonden gebieden tot een uitbreiding van kennis en praktijk te komen. Dit was het dan, wat ik u voor wilde leggen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Uw onderwerp behelst absolute synthese. Is het niet mogelijk om, als tussentrap, allereerst tot integratie over te gaan?

Een integratie kan tot synthese voeren. Dit ben ik geheel met u eens.

Wetenschappelijk, sociaal zowel als religieus, is dit inderdaad mogelijk. Maar alleen dan, wanneer in de integratie reeds het principe van de synthese, de gelijkwaardigheid en daardoor a.h.w. een verwisselbaarheid van waarden, erkend wordt. Zolang een integratie op meer- en minderwaardigheidsbeslissingen blijft berusten, zal de integratie in feite een schijn zijn en vanuit zich een grotere differentiatie en specialisatie veroorzaken – ter opheffing van de gevoelde verschillen in waarden – waardoor een synthese eerder verder af komt te liggen, dan naderbij komt. Integratie is dus alleen dan aanvaardbaar, wanneer men, ook wanneer schijnbaar daarvoor nu nog geen redenen aanwezig zijn, bereid is een gelijkwaardigheid als eerste principe te poneren.

  • Bedoelt u met de synthese tussen atoomchemie en dieptepsychologie misschien het grensgebied van overgang tussen materie en energie? Of is dit te ver gaand?

Dit zou de uiteindelijke bereiking zijn. Ik wilde echter niet onmiddellijk zo ver gaan en meen aanvullend het volgende te mogen stellen: Het doordringen in het wezen der materie en de eigenschappen der materie kan mogelijkheden openbaren, wanneer er een innerlijk besef is, dat geen angsten koestert en tot een aanvaarding van de erkenning kan komen, zonder tegen de essentiële achtergronden van cultuur en ras in te gaan. De dieptepsychologie toont ons, zoals u weet, niet alleen de ziel, maar daarnaast ook wel degelijk de door het ras bepaalde grondwaarden, waardoor de psyche bepaald wordt ook ten aanzien van haar meest innerlijke emoties en erkenningen. Juist dit is in mijn visie van de synthese reeds nu en ogenblikkelijk van belang. Op het ogenblik, dat een wetenschap verder gaat dan op dit ogenblik innerlijk voor de mens aanvaardbaar is – wat niet met het verstand te maken heeft, maar met een emotionaliteit, die uit het diepste van het onderbewustzijn opwelt – zo zal de vrees van de “mens voor zijn bereiking” deze bereiking maken tot een wapen, dat zich tegen de mens zal keren. In de atoomchemie zijn, zoals u misschien weet, op het ogenblik ontwikkelingen aan de gang, die een dergelijke vrees en daarmede een hysterische reactie bij de massa zouden kunnen bevorderen en zo, tegen de bedoelingen van de wetenschap in, datgene wat veiligheid zou moeten brengen, maken tot vernietiging.

Maar ik geef toe, dat, zo wij verder gaan dan dit, er een punt bereikt wordt, waarop materie geen materie meer is, maar een verschijningsvorm van energie en waarin een geest, een ziel, het mens-zijn, in feite alleen nog beschreven kan worden als een vorm van energie. Dat is het punt, waarin ruimte en tijd geen absolute betekenis meer hebben en zowel voor ego als materiële ontstaans- en vormingsmogelijkheden geen beperkingen meer bestaan. Ik meen echter, dat het nog lange tijd zal duren, voor men dit bewust en wetend kan benaderen. Wel wil ik opmerken, dat zowel de atoomchemie als de dieptepsychologie voeren tot filosofische ontwikkelingen, die elkander althans op filosofisch en theoretisch terrein steeds meer benaderen. En dit acht ik in ieder geval hoopgevend.

  • Ik meen, dat het verschijnsel mens buiten energie ook nog intelligentie omvat.

Intelligentie kan beschouwd worden als vorm van energie. Indien wij bewust zijn, intelligent zijn, en deze bezien, zo blijkt dat hier sprake is van een reactie en actie. Als zodanig kan gesteld worden, dat bewustzijn een vorm van energie is, welke bestaat, dankzij de interactie van een bepaalde energie-uiting of mogelijkheid daartoe begrensd binnen het zogenaamde ik en een daarbuiten zich bevindende werkzame energie of potentie daartoe. De kern van alle dingen is kracht of energie.

  • Zou een synthese, zoals door u bedoeld, misschien binnenkort de mogelijkheid scheppen een legering te vervaardigen als die waarvan de randen van vliegende schotels volgens uw vroegere lezingen vervaardigd zijn? Een metallurgische synthese dus.

Ik meen, dat men eerst feitelijk een dergelijke materie kan vervaardigen, wanneer men inderdaad tot een synthese komt tussen de huidige metallurgie en de nieuwste ontdekkingen op magnetisch terrein, waardoor men een zogenaamde gedeeltelijke collaps van materie tot stand kan brengen en daarmede dus een bijzondere hardheid en grotere vastheid aan bestaand materieel kan geven. Dit, daar de eigenschappen die begeerlijk zijn en bv. bij een vliegende schotel te zien zijn, eigenlijk wel bestaan in aardse legeringen, maar niet met een zodanige vastheid en vermogen tot behoud van eigenschappen, als noodzakelijk is. Door een zogenaamde collaps – het verdichten van de materie – is dit mogelijk. Dit zal op aarde alleen bereikt kunnen worden, wanneer men verder doordringt in de mogelijkheden tot magnetische vorming en beïnvloeding van materialen als het gebruiken van magnetische pressies en matrijzen bij het gieten van het materiaal, waarbij verder de agitatie van de kleinste delen van groot belang is, waardoor een gerichtheid en structuurvastheid van de delen onderling verder verkregen kan worden.

0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie.

Er was eens een vlo……. Dat is niets om te lachen, want er zijn vlooien plenty op de wereld.

Dus nog eens: Er was eens een vlo, die de mensen bestudeerde en sprak: Dit is ongetwijfeld een zwak en weinig levensvatbaar geslacht. Zie immers, hoe slecht zij kunnen springen. Er was eens een esotericus, die een oordeel velde over de mensheid en sprak: Zie eens, hoe weinig concentratievermogen de mensen hebben. Zij mediteren niet. Dus komen zij geestelijk niet ver…. Er was eens een mens die sprak: Kijk nu eens naar al die idioten, die zich met het hiernamaals bezighouden. Zij weten er toch niets van, zij zullen er nooit iets definitiefs van te weten komen. Dergelijke mensen zijn zwakkelingen en t.a.v. mij minderwaardig.

Zo gaat het altijd. In de esoterie worden wij altijd weer geconfronteerd met mensen, die vanuit hun eigen standpunt de minderwaardigheid van de andere mensen op de wereld constateren.

Bij mij is echter zo langzaamaan de overtuiging ontstaan, dat bij iemand, die de minderwaardigheid van een ander constateert, in feite een innerlijk gevoel van minderwaardig zijn, door dit oordeel wordt bevestigd. Want waarom zouden wij in het Al ons druk maken om de waarde en betekenis van alles? Dit is toch maar een persoonlijk oordeel of geloof, een persoonlijke kwestie. Indien ik van iemand eis, dat hij hetzelfde zal denken of geloven, wat ik denk en geloof, bewijs ik alleen maar, dat ik te dwaas ben, om de mogelijkheid van een persoonlijke en eerlijke visie bij die ander te erkennen. En wanneer ik zo iemand dan nog veroordeel of minderwaardig acht, omdat hij niet denkt en gelooft zoals ik, zo zoek ik in feite in hem de bevestiging van mijn eigen denken en geloven en toon daarmede aan, dat ik zelf niet zeker ben.

Een feit is een feit, blijft een feit. De interpretatie van het feit kan veranderen. Maar het feit blijft bestaan. Wanneer voor mij hetgeen ik innerlijk weet en erken, feitelijk en reëel is, maakt het mij weinig uit, wat een ander daarover denkt, wat een ander daarvan zegt. Ik heb alleen met het feit, met mijzelf, en het feit zoals ik dit in mijzelf ken, te maken. Ik zal dan een ander niet meer of minder achten, omdat hij het feit op een andere wijze erkent, of er een andere oorzaak achter zoekt. Ten hoogste zal ik voor mijzelf denken: uiteindelijk moeten wij toch op hetzelfde punt terecht komen. En in de esoterie is, volgens mij, het komische, dat je steeds weer hoort over de ene ware weg. Je krijgt zo het gevoel, wanneer ik van die weg weg ben, ben ik helemaal weg.

Maar is er nu maar een enkele weg tot de waarheid? Convergeren niet alle lijnen van bestaan op ditzelfde punt, de waarheid? Is het middelpunt van alles niet die ene onbegrijpelijke kern, die wij God noemen? Je zou volgens mij de schepping kunnen beschouwen als een soort spinnenweb. In het midden zit God. En wij weten niet eens, of die God nu een spin is of iets anders. Het enige, wat wij zo langzaamaan zouden kunnen weten, is, dat alle wegen naar ditzelfde onbekende voeren. Indien ik dan een weg gevonden heb die mij bevredigt, een weg, waarin ik voor mijzelf het gevoel heb, dat ik bovendien nog zo nu en dan contact kan hebben met mijn medemensen, waarom zou ik mij dan over het al dan niet juist zijn volgens mij van andere wegen nog druk maken? Esoterie is volgens mij, niet een zaak van de stellingen vinden, waardoor de juistheid van al wat je gelooft en denkt, bewezen kan worden tegenover anderen, maar een innerlijk en voor jezelf bewijzen, dat God een feit is voor jou. Zodra God in jezelf een feit is geworden, dan kan toch zeker, wat jou betreft, de rest van de wereld ophoepelen?

Maar u weet, hoe het gaat. De mensen doen altijd weer komisch. Er is een enkel ding, waarin ik innerlijk zeker van ben. God heeft de mensen geschapen, dat geloof ik, ook al is het misschien niet precies volgens het boekje gegaan. Maar dan moet het toch wel een God zijn met een groot gevoel voor humor. Wanneer ik naar de mensen kijk – en soms, in een moment van eerlijkheid, ook naar mijzelf – kan ik haast niet anders dan lachen en mij afvragen, hoe zoiets geks kan bestaan. Als God al die gekke dingen samen weet te voegen en er nog rijk en reden uit weet te halen ook, is Hij in ieder geval oneindig veel wijzer, dan ik ben. Wat niet wegneemt, dat ook mijn wezen voor mij deel is van het goddelijke en dat mijn weg, hoe krankzinnig en vreemd die in de ogen van anderen ook moge zijn, voor mij op een gegeven ogenblik voert tot God.

Een collega van mij heeft kortgeleden op een bijeenkomst een gast aangevoerd, die het er over had, dat God eigenlijk blijheid is. Maar als ik het zo bekijk, lijkt mij dit voor de meeste mensen geen waarheid. God is de stok achter de deur, waarmede zij zichzelf bedreigen, zodra zij het gevoel krijgen, dat zij minder braaf zijn dan zij zouden moeten zijn volgens de voorstelling, die zij hebben van dit braaf zijn.

Kijk je alleen naar de kenbare feiten, dan kun je niet zeggen, dat er wel of niet een God is. Verstandelijk weet je het gewoon niet. En als ik in mijzelf God ervaar als een feit, dan is dit voor mij voldoende. Ik heb dan geen interesse meer voor de omschrijvingen van die God, Zijn wezen e.d. zoals anderen dit mij voorleggen. Indien God voor mij innerlijk een werkelijkheid is, interesseert mij dit niet. Wat zij zeggen, kan voor hen wel een innerlijke waarheid zijn, maar voor mij is het waarschijnlijk anders.

Zelfs wanneer ik lach om mijzelf, de wereld en de mensen, heb ik wel eens het denkbeeld, dat mijn bewustzijn in feite een soort lachspiegel is. Het lijkt mij wel eens toe – ik kan mij vergissen – dat ik de wereld met alles wat er rond, op en erin is, inwendig vervorm. Wanneer ik een lachspiegelkijk op de dingen heb, is het geen wonder, dat ik overal mensen met waterhoofden of afgezakte kinnebakken zie, die doen denken aan politici op de nacht der verkiezingen. Maar dan zijn die mensen niet werkelijk zo. Zij lijken mij slechts zo toe, omdat ik op die manier naar ze kijk.

Maar het feit, dat ik ook om mijzelf kan lachen, is voor mij dan toch steeds weer het bewijs, dat ik nog niet zo gek ben, als ik misschien wel lijk. Waarbij ik onmiddellijk constateer, dat lachen om jezelf belangrijk kan zijn in het leven. Mensen, die niet om zichzelf kunnen lachen, zijn steeds weer in strijd met zichzelf, met God en de gehele wereld. Maar een mens, die denkt: “zo gek als ik lijk, ben ik toch ook nog niet”, zal op een zekere gelijkmoedige wijze zijn God tegemoet kunnen treden. Dat dit vaak gebeurt op en wijze, die voor een ander ondenkbaar is, speelt daarbij geen rol, zolang hij maar contact met die God weet te vinden. Sommige mensen proberen steeds “rein” te denken. Zij doen mij denken aan een telefooncentrale, die zo voortdurend wordt schoongemaakt, dat zij dientengevolge niet meer in staat is aansluitingen te verwerken. Dergelijke mensen hebben 100 mogelijkheden tot contact, die zij in zich steeds weer op weten te sommen. Maar het ene belangrijke contact, het contact, dat hen werkelijk wat zou zeggen, kan niet, zoals alle andere contacten werkelijk plaatsvinden, want wij moeten de zaak immers steeds rein en zuiver houden. Het lijkt er voor mij wel eens op, dat sommige mensen trachten hun eigen innerlijk te lijf te gaan met een soort geestelijk insectenpoeder. Alle voor hen vreemde elementen trachten zij uit te roeien, waarop zij proberen hun zieltjes te bleken tot een super-wit en alle kleine krioelende zonden proberen uit te roeien. Ik vraag mij altijd weer af, of dergelijke mensen wel verstandig handelen. Dit is natuurlijk mogelijk, dat dit alles voor hen een noodzaak is – ik weet ook niet alles. Maar u kent misschien de geschiedenis van die man, die op zijn akker alle regenwormen uitroeide, omdat hij meende, dat zij aan de wortels van het gewas vraten; zijn akker droeg als gevolg geen vrucht meer.

Ik denk dat de mensen die streven naar een zo antiseptisch innerlijk, dat glimt van de spirituele detergenten, voor zich elke mogelijkheid tot werkelijke ontwikkeling doden. De mens, die niet zondigt, lijkt mij niet in staat om waarlijk God te vinden. Een rare opvatting misschien, maar niet onwaar. Want de mens die zichzelf steeds geheel onschuldig gevoelt, zal in feite zichzelf als een God gaan vereren. En hoe moet hij er dan toe komen om nog verder te gaan zoeken? Een mens, die met zichzelf geheel tevreden is, lijkt mij een ongelukkig mens, want voor hem blijft alles steeds gelijk. En een mens, die alleen maar ontevreden is, omdat hij niet krijgt, wat hem z.i. toekomst, is nog veel ongelukkiger. Maar de mens die onevenwichtig is en eigen onevenwichtigheden beseft, heeft altijd in het leven iets te doen. Hij kan zich aanpassen, streeft werkelijk en zal de kans hebben eens een stapje verder te komen.

Nu geef ik graag toe, dat het zich aanpassen van de ene mens wel anders zal verlopen dan bij de ander. Maar waarom zou er ook hier alleen maar één enkele weg de juiste moeten zijn? Een weg van bv. de bijbel of enig ander systeem? Ik geloof, dat die dingen alleen maar hulplijnen zijn, lijnen, die ons tot God moeten voeren, wanneer wij zelf geen richting meer weten, maar God is overal, is altijd bereikbaar. Het lijkt mij van weinig belang, of wij een eigen lijn of een algemeen gestelde lijn volgen, zolang wij God maar weten te vinden.

Maar ja, hoe gaat het in de werkelijkheid? Begrippen spelen en grote rol. Wanneer ik zeg: er was een vlo… dan beginnen jullie te lachen. Of als ik zeg: er is een God…, dan beginnen jullie plechtig te kijken. Toch lijkt het mij vaak toe – ik vraag mij dan ook wel eens af, – of God voor ons in het leven niet net zoiets is als een vlo. God prikt ons, God beroert ons ergens en prompt beginnen wij te krabben. Dan jeukt opeens ons geweten of zoiets. Welke vergelijking niet eerbiedig is. Dat weet ik ook wel, maar ons contact met God is nu eenmaal meestal geen glorieuze openbaring. Het contact met God is alleen maar ergens een beroering, een beroering, die ergens in mij iets veroorzaakt. God is een agens, waarop ik reageer. God is een actie, die ik op zich niet erken, maar die toch in mij reacties doet ontstaan.

En nu ik eenmaal zo – voor u misschien niet erg samenhangend – begonnen ben, wil ik een paar vragen stellen. Ik stel ze aan mijzelf. Jullie hoeven er geen antwoord op te geven.

  1. Is er eigenlijk wel zoiets als “zonde”?

Als er zonde is, dan moet er iets bestaan, wat sterker is dan God, daar de zonde volgens definitie tegen God en diens Wezen in gaat. Indien men stelt, dat God zo goed is, dat hij de zonde toelaat, moet ik consequent zijn en stellen, dat Hij door het toelaten tevens medeverantwoordelijk is. Indien mijn zonde buiten God om kan bestaan, is er iets, dat groter is dan mijn God. Dan is mijn God dus geen werkelijke en absolute God. Maar wanneer God mijn zonde in zich toelaat, is Hij, die veel wijzer is dan ik ben, toch wel in de eerste plaats daarvoor verantwoordelijk. Dan is Hij in wezen de zondaar en niet ik…. Een rare vraag en een raar beschouwen van de dingen misschien, waarop u menig antwoord zult kunnen vinden vanuit uzelf. Maar in ieder geval een vraag die het overwegen eens waard is. Ik heb er nog zo een.

  1. Bestaat er in het leven een feitelijk verschil tussen iets wat ” behoorlijk” en iets wat “onbehoorlijk” is?

Volgens uw overtuiging ongetwijfeld. Maar hoe komt het dan, dat iets wat hier onbehoorlijk is, ergens anders juist zeer behoorlijk, zeer beleefd kan zijn. Voorbeeld: Boeren na de maaltijd hier en in China. Ik zou zeggen: Behoorlijk en onbehoorlijk zijn waarden, die niet in feite bestaan. Er bestaat alleen een overeenkomst tussen mensen, waardoor zij aan een bepaald gedrag de voorkeur geven. Daar is niets op tegen, mits men maar beseft, dat een afwijkend gedrag daarom nog niet afkeurenswaardig is. Ik meen dan ook, dat het niet oordelen over anderen zowel voor je persoonlijke rust als voor je contact met God en de werkelijkheid veel belangrijker is dan het pogen voortdurend tot een oordeel en een veroordeling te komen. Ik geloof, dat alles behoorlijk is, wanneer het volgens ons besef op zijn plaats is. Dan nu nog een vreemde vraag.

  1. De duivel heeft horentjes.

Maar wie heeft ze hem nu opgezet. Of, om het anders te formuleren: Waarom stellen de mensen zich een duivel of heerser van het kwade voor op een wijze, die geassocieerd is met oude voorstellingen van de krachten der natuur? Want de “bok”, of het nu de bok van Mendez is of een satertje, is niets anders dan een weergave van de krachten der natuur. Ligt de zaak misschien zo, dat de mensen beginnen, alles wat volgens de natuur is, te veroordelen en alleen datgene, wat in feite onnatuurlijk of zelfs tegennatuurlijk is, te bejubelen? En zo dit het geval zou zijn, bewijst dan een dergelijke voorstelling van de duivel dan niet, hoever de mens van God, die de natuur geschapen heeft, is afgedwaald? Ook hier weer: Het is geen stelling, het is maar een vraag. En nu nog een laatste, misschien wat meer filosofische vraag.

  1. Wanneer een mens doet, waar hij zin in heeft, dan mag het niet. Wanneer een mens iets doet, waarin hij in feite geheel geen zin heeft, is hij deugdzaam….

Wanneer iemand dus werkelijk deugdzaam is, gaat hij tegen zijn werkelijke persoonlijkheid in. Een werkelijk deugdzaam mens is dan dus iemand, die zijn eigen werkelijke ik voortdurend in waarde vermindert. Of, anders gezegd: Hoe deugdzamer je bent, hoe meer van je eigen wezen je als afval wegwerpt. Hoe klopt dat? Ja, toch zijn dergelijke vragen wel degelijk ook een vorm van esoterie. Want om jezelf te leren kennen, zul je ook dergelijke raadsels op moeten lossen.

Verder zeg ik dan nog: Daar hetgeen tot de natuur behoort, voortvloeit uit de wil van de Schepper en het wezen van het door Hem geschapene, zal het, mits het als deel van de Schepper door het geschapene aanvaard wordt, de bevestiging zijn van de persoonlijkheid en tevens de uitdrukking zijn van God en datgene wat je werkelijk bent in de Schepping. Zodra wij proberen onszelf te veranderen en te vervormen mogen wij ons wel deugdzaam gevoelen, maar zijn wij ten hoogste dom. Op het ogenblik echter, dat wij in werkelijkheid trachten te erkennen, wat wij zijn en dit zo goed en volledig mogelijk tot uiting proberen te brengen – zo perfect als wij dit maar kunnen – zullen wij t.a.v. het Eeuwige wel deugdzaam genoemd mogen worden, omdat wij hetgeen uit de eeuwigheid in ons verankerd werd, tot uiting brengen en voor onszelf erkennen, zodat wij daarmede ook voor eigen bewustzijn het wezen van de Eeuwigheid waar maken in onszelf.

Ik begrijp wel, dat dit voor u rare vagen zijn. De antwoorden zijn voor sommigen onder u schokkend, anderen van u vinden ze alleen geestig. Maar dergelijke vragen zou je jezelf toch eens meer moeten kunnen stellen. Want als je eerlijk bent, zul je toe moeten geven, dat een groot deel van het leven zoals je het kent, in wezen absurd is. De werkelijkheden van het leven, zijn altijd weer tegenstrijdig, altijd weer onredelijk. Het is altijd ergens irrationeel, zelfs wanneer eenieder poogt, een zo groot mogelijke rationaliteit te bereiken. Dus zou je eigenlijk vragen aan jezelf moeten stellen, die juist het irrationele naar voren halen. Dit betekent niet, dat je daarna ook onmiddellijk moet gaan handelen en ik raad u zeker niet dit te doen aan de hand van de toelichting, die ik zelf op de vragen gegeven heb – vooral niet zo zonder meer. Maar ik meen, dat men over dergelijke dingen toch eens na moet gaan denken en er zelf een antwoord op moet gaan zoeken. Want in het antwoord op een absurde vraag vind je vaak een waarheid, die allesbehalve absurd is.

In het antwoord op een vraag, die schijnbaar alle persoonlijke waarden ontkent – zoals je die tot nu toe hebt gezien – ligt vaak de mogelijkheid, zelfs voor het eerst soms, iets van jezelf te zien, zoals het werkelijk is. En alle esoterie lijkt mij zinloos, wanneer men niet eerst zichzelf leert kennen. Wanneer je voortdurend bezig blijft met eigen Ik en eigen waarden te vervalsen, zo kun je je aan God misschien als een geestelijk biljet van duizend gulden presenteren, maar Hij zal je aanzien en zeggen: Dat is alleen maar een vervalste en bovendien verlopen zilverbon. Zodra je in en voor jezelf waarden probeert te creëren en eigenschappen tracht te doen ontstaan, die niet inherent zijn aan je wezen, daarbij je werkelijke eigenschappen en mogelijkheden, zoals deze in het ik aanwezig zijn, verwaarlozende, vervalst men zichzelf t.a.v. het goddelijke en zal een bewustzijn, dat op deze kunstmatigheden is gebaseerd, de waarheid van God nimmer kunnen aanvaarden en ook het ware Ik voortdurend weer verwerpen. Anders gezegd, de mens, die zich zover tracht te vervormen, dat hij op aarde al een heilige is, maakt zichzelf zo misselijk, dat hij in de hel zal zijn, zelfs al zou hij in de hoogste hemel vlak bij God zich bevinden.

Zo. En dat was dan mijn esoterie voor vandaag. Ik heb de euvele moed dit nog esoterie te noemen ook, want het staat in direct verband met de innerlijke waarheid. En je kunt die innerlijke waarheid plechtig verkondigen – waardoor je er meestal geen cent verder mee komt – je kunt er om lachen en weigeren er over na te denken – waarmede je ook al niet verder komt, maar je kunt ook beseffen uit het schijnbaar bespottelijke van al die vragen en dingen, hoe weinig je van jezelf en de wereld weet, hoe veel je zo maar aanneemt zonder enige reden, en dan kun je misschien een punt bereiken, waarop je durft zeggen: Zo ben ik eigenlijk werkelijk.

Daarom kan ik ook niet anders streven, want alleen dit streven is een werkelijk deel van mijzelf.

En met dat wat je eerlijk bent en eerlijk kent van jezelf – en daarmede alleen. – kun je volgens mij een van die vele wegen gaan, die via een web van mogelijkheden het bewustzijn leiden naar de kern van alle Zijn, het Goddelijke.

0-0-0-0-0-0-0-0

Definities.

Egoïsme: De enige zonde, die er is. Het z.g. gezonde egoïsme is de enige werkelijke deugd, daar alleen hij die gezond zelfzuchtig is, het zichzelf mogelijk kan maken, waarlijk goed te doen voor anderen. Daardoor is juist degene, die egoïstisch zichzelf handhaaft, in staat uit zijn persoonlijk streven ten dienste daarvan, ook zijn naasten eerlijk en waar te dienen.

Atlantis: Een waarheid, die tot legende is geworden en daardoor schijnbaar een paradijs in het verleden omschrijft, waar feitelijk alleen sprake was van een ontwikkeling.

Verkiezingen: Een vorm, waarin men degenen kiest, die u zouden moeten representeren, indien het waar was, dat zij zouden doen en zouden kunnen doen, wat zij u zeggen te doen, wanneer zij u vragen hen te kiezen.

image_pdf