mei 1985
Onderwijs
Als ik meet met mijn eigen begrippen en maatstaven is het onderwijs in de laatste tijd enorm gevallen. Om u een beeld te geven. Het kwam onder mijn aandacht dat zeer veel onderwijzend personeel beschikt over onvoldoende taalbeheersing, beschikt over onvoldoende ervaring in hoofdrekenen en daarvoor in de plaats bijzonder bekwaam is in vakken als vrije expressie.
Het is duidelijk dat wij het onderwijs moeten stellen in een bepaalde relatie tot de gemeenschap en tot het gezin. Dit impliceert dat een school de kinderen die kennis geeft die zij nodig hebben om zich op de juist mogelijke wijze later in de gemeenschap te kunnen bewegen. Hier is persoonlijkheidsvorming, hoezeer men daarop ook de nadruk pleegt te leggen in deze dagen in feite overbodig. Die behoort aan het gezin toe.
Elk kind heeft een aantal imitatieve kwaliteiten. Deze kwaliteiten worden overgenomen van personen in de eigen omgevingen vooral van die personen ten aanzien van wie er een zekere attractie bestaat en een geborgenheidsgevoel kan worden ontwikkeld. Als de mensen zich dus op een redelijke wijze gedragen, zal het kind een persoonlijkheid en een persoonlijkheidsexpressiemogelijkheid ontwikkelen welke volledig in overeenstemming is met het milieu waaruit het voortkomt en gelijktijdig door de scholing die kennis kunnen verwerven die noodzakelijk is om zich maatschappelijk op basis van de verworven persoonlijke kwaliteiten te handhaven.
Ik heb bezwaar tegen de neiging om alles steeds meer te mechaniseren. Om u een voorbeeld te geven:
Het kwam mij ter ore dat bij vele examens tegenwoordig van zgn. keuze vragen wordt gebruik gemaakt. De leerling kan uit drie of vier mogelijkheden kiezen waarvan één de juiste is. Anders gezegd; zelfs degene die niets weet, heeft nog een kans van 1 op 4 op het juiste antwoord. Dit lijkt mij niet bepaald redelijk. Als een gedifferentieerd antwoord moet en kan worden gegeven, komen daarbij de persoonlijke kwaliteiten van een examinandus veel beter naar voren, daarnaast kan een juister beeld worden verkregen van diens feitelijke kennis. Als je hoort dat kinderen gebruikmaken van rekenmachines, dan komt er een ogenblik dat ze niet meer weten wat 1 en 1 is omdat het batterijtje op is.
Hetzelfde speelt zich af met wat men zou kunnen noemen maatschappelijk onderricht. Ik heb het altijd al in mijn tijd overbodig gevonden dat de kinderen precies wisten wanneer Floris V was afgemaakt. Ik vond het belangrijker dat ze wisten waarom het gebeurde.
Het hoe en waarom komt tegenwoordig niet al te veel aan bod. Meer gaat het om de verkondiging van vooroordelen. Dit kan mijns inziens alleen maar aan een slechte invloed te wijten zijn waardoor zowel geestelijk als sociaal een aantal verminkingen ontstaat.
Godsdienstonderricht wordt hier vaak gegeven vanuit een standpunt van onfeilbaarheid. In deze dagen kan dat onderwijs nooit meer goed worden gegeven omdat het kind wordt bijgebracht dat het het recht heeft om te vragen hoe en waarom. Met andere woorden, degenen die het geloofsonderricht in handen hebben, geloven dat de kinderen zullen geloven wat zij zeggen, terwijl de kinderen op zich niet geloven wat er wordt gezegd, zodat op een gegeven ogenblik God even onwaarschijnlijk wordt als Sinterklaas en de Kerstman.
Toch heeft de mens geloof nodig. Dan zou men moeten uitgaan van die dingen die essentieel zijn in het geloof, de punten waarop een mens een beroep moet kunnen doen, de gebondenheden die voor een mens uitermate belangrijk zijn. Daarnaast zou men de mensen de mogelijkheid moeten laten om een eigen oordeel te vellen. Maar hoe kun je een oordeel vellen als je eenzijdige of onvolledige voorlichting krijgt?
Men heeft mij weleens gezegd dat de huidige ontwikkeling in het onderwijs onvermijdelijk is. Als u het mij vraagt, dan is er een groot aantal egomane leiders, die aan het onderwijs voortdurend nieuwe benaderingen opdwingen, terwijl de vorige benadering nog niet eens wordt beheerst. Dit impliceert dat, terwijl de taak van de onderwijzers in feite zwaarder wordt zij gelijktijdig minder mogelijkheid hebben om tot een juiste kennisoverdracht te komen en dat zij daarnaast bovendien nog worden belast met velerlei misschien maatschappij belangrijke maar in het onderwijs onbelangrijke zaken waarmee dan allerwege rekening moet worden gehouden.
Ik ben nog uit de tijd dat je een kind een opduvel mocht geven als het dat verdiende. In deze tijd ziet het ernaar uit dat de onderwijzer vooral zijn vingers thuis heeft te houden en het brutaliseren van de lieve kleinen voortdurend voor lief dient te nemen, omdat hun persoonlijkheid zich dan zo verder ontwikkelt. Dat blijkt dan ook uit de terreurgroepen die later ontstaan.
Wanneer ik de ontplooiing van het onderwijs zoals het nu plaatsvindt bezie, dan moet ik zeggen dat de hoop voor de toekomst zeer gering zal zijn. Er zijn veel meer mensen die denken dat zij er iets van weten, terwijl ze feitelijk bijna niets weten en op grond van hun vermeende weten eisen stellen die onvervulbaar zijn om daarna in een strijd met de gemeenschap te ontbranden die in feite onverantwoordelijk is en die voor geen van de partijen enig resultaat kan opleveren.
Maar stellen wij nu eens dat het onderwijs eveneens wordt gedragen door een beter begrip. Dat een onderwijzer/onderwijzeres zijn/haar taalkunde niet alleen maar gaat toetsen aan datgene wat onvermijdelijk noodzakelijk is in lesjes die heel vaak ook ontworpen zijn door mensen die niet al te veel begrip van kinderen of van taal hebben. Zij zouden zich kunnen verdiepen in oude schrijvers zoals Couperus en diens gevoel voor stijl, woordkeus en omschrijving zouden gebruiken in hun eigen benadering van de kleinen (aangepast natuurlijk), aan het mentale peil van de klas waarvoor men staat. Zou het dan niet mogelijk zijn om het woord te ontdoen van zijn vage betekenissen van deze tijd en weer te komen tot een beter overdragen van begrippen.
De wereld van vandaag leeft van haar misverstanden, niet van haar begrip. Als echter paranormale gaven zich ontwikkelen hetgeen bij vele kinderen in deze tijd wel duidelijk kenbaar is, dan zouden wij op grond daarvan moeten aannemen dat zij enerzijds zich zeer veel kennis gemakkelijker eigen maken dan de volwassenen van deze dagen zich kunnen voorstellen. Maar dat zij daarnaast betekenissen gaan begrijpen die als ze alleen op het hedendaagse peil zouden worden beschouwd onmogelijk of ondenkbaar zijn.
Ik neem aan dat de taal dan weer haar functie krijgt van werkelijke overdracht van het geheel van de persoonsinhoud inclusief de gevoelens, inclusief de denkwijze (gedachten), inclusief zelfs de ritmiek en de schoonheid die in elke mens leeft.
Ik neem aan dat het rekenen dan weer wordt herleid tot het vermogen om ook getallen op een zodanige wijze in jezelf te verwerken dat het mogelijk is uitkomsten tamelijk eenvoudig te overzien.
Ik neem aan dat men dan in staat zal zijn om door stellingen en feiten heen te kijken en de daarachter verborgen werkelijke betekenissen te zien. Nu kan ik mij voorstellen dat degenen die zich in leidende functies bezighouden met het uitdenken van de taken van het onderwijzend personeel op het ogenblik weinig behoefte hebben aan mensen die door alles heen kunnen kijken. Soms heb ik zelfs het gevoel dat de feitelijke verwaarlozing waaraan het onderwijs ondanks zgn. zorgen op het ogenblik lijdt, kunstmatig is gecreëerd en voortdurend wordt bevorderd door mensen die behoefte hebben aan degenen die niet meer denken en die alleen in ik-leuzen zich nog kunnen uitdrukken.
Maar geestelijke en paranormale waarden zullen te enigerlei tijd en op enigerlei wijze de mens wel dwingen tot een verandering in zijn expressiemogelijkheden. En dat betekent dat hij ook zijn kennis op een andere manier moet verwerven en verwerken. Het betekent dat de mens veel meer moet denken in alomvattende en veel minder in zeer specialistische termen.
Ik vind het heel mooi als een kind op jeugdige leeftijd kliederend met verf (het zgn. fingerpainting, iets wat wij vroeger materiaalverknoeiing noemden) zich kan bezighouden. Maar de belangrijkheid van deze uitdrukkingswijze is op zichzelf nihil, als het kind zelfs op dit gebied niet enig begrip krijgt van ruimte-indeling en materiaalbeheersing. Met andere woorden: door de kinderen steeds meer te brengen in een situatie waarin het lijkt of zij presteren zonder dat ze het feitelijk kunnen doen, breng je hen in een situatie waardoor zij groter geworden en eventueel paranormale krachten ontwikkelen, niet de mogelijkheid hebben om op de juiste wijze te reageren en op de juiste wijze te presteren.
Ongetwijfeld zullen er onder u zijn die zeggen: O, daar zit een ouderwetse kankerpit. Ik geef toe dat mijn denkwijze voor de huidige tijd enigszins orthodox is. Maar orthodoxie is niet altijd slecht. Men heeft als een wijsheid altijd verkondigd: onderzoek alle dingen en behoud het goede. Ik heb het gevoel dat men tegenwoordig in het onderwijs bezig is met: onderzoek alle dingen en gooi het goede de deur uit. Ik kan mij daarin vergissen natuurlijk. Maar als ik kijk naar de feitelijke resultaten, zoals ik deze nu kan constateren, dan moet ik wel zeggen:
De mensen moeten weer leren, hoe ze moeten leren. De mensen moeten weer een eigen manier van zich ontwikkelen, het zich eigen maken van kennis, de beheersing van kennis verwerven. Als ze daartoe niet komen, richten zij zichzelf te gronde. Maar daar staat tegenover dat de mensen werkelijk een meer algemene belangstelling krijgen en daarbij gelijktijdig redelijke mogelijkheden krijgen om zich kennis eigen te maken en er dan een ontwikkeling denkbaar is waardoor de jeugd in misschien reeds enkele jaren velen van de volwassenen overvleugelt door haar wijze van zich uit te drukken, de wijze van zich ontwikkelen, de wijze waarop zij bovenal praktisch leert denken.
Op dit moment leeft u in het interregnum (tussenregering) waarin de dwaasheid het bewind voert. Maar deze tussenregering is snel afgelopen. U zult zich nog wel kunnen amuseren. Daar ben ik van overtuigd.
Maar kunt u ook de tekenen herkennen die op het ogenblik als in Nebukadnezars tijd als een schrift aan de wand verschijnen? De tekenen van een jeugd die zoekt naar andere wegen. De tekenen van een jeugd die haar denken afbuigt van al datgene wat zo aanvaardbaar scheen te zijn. Een jeugd die meer humaan is in vele opzichten dan al degenen die het humanisme hebben verkondigd, maar die gelijktijdig meer direct is dan alle idealisten lief zal zijn. Een jeugd die langzaam maar zeker en tastend zoekt naar nieuwe maatschappelijke verbanden, naar betere persoonlijke verhoudingen, naar een juister uitdrukken van wat je zelf bent. Die dingen bestaan in uw dagen.
Hoe betreur ik het dat het onderwijs juist in deze dagen nog faalt en deze wordende mensen niet die gereedschappen in handen geeft, die beheersingsmogelijkheden aanleert die hen van dienst zouden kunnen zijn in het tot stand brengen van de werkelijke vernieuwing van de maatschappij en van een juister en bewuster beleven van de innerlijke vernieuwingen die zij voortdurend ondergaat.
Ik hoop dat ik niemand heb gekwetst met hetgeen ik uit het volst van mijn hart u hier heb voorgelegd. Ik meen terecht te mogen zeggen dat het onderwijs in deze dagen faalt en tekortschiet. Niet alleen door de schuld van het onderwijzend personeel, maar door een structuur die het onderwijs zijn werkelijke functie van kennisoverdracht voor een groot gedeelte heeft ontnomen.
Ik meen ook zeer terecht te mogen zeggen dat kennis, basiskennis en beheersing, noodzakelijk zijn om tot een juiste uitdrukking te komen van innerlijke waarden, van nieuw begrip en nieuwe mogelijkheden.
Vergeef mij daarom dat ik u dit onderwerp op deze wijze heb voorgelegd.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
