9 november 1979
Waarom?
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, denk dus liever zelf na. Het is beter eigen fouten te maken dan zonder begrip het goede van anderen na te volgen.
Wij zoeken overal een reden voor. Een mens wil redelijk denken. Wanneer hij bezig is met de hoogste dingen, met God bv., wil hij weten waarom het zus of zo is. Wanneer de mens bezig is met zichzelf, is het hem niet voldoende te constateren wat zijn ‘gestalt’, zijn werkelijkheid is. Dan wil hij ook weten waarom die zo is en niet anders.
Er was eens in een ver verleden een man, die graag wilde weten hoe een varken in elkaar zat. Hij besloot het daarom in onderdelen uiteen te nemen. Steeds kleiner werden de stukjes. Uiteindelijk had hij dan ook varkensgehakt. Maar daarmee wist hij nog niet, waarom een varken leefde.
Op een dergelijke wijze gaan ook wij maar al te vaak te werk. Wij proberen in feite wonderlijke dingen te ontluisteren, door ze naar ons eigen redeneringsvermogen toe te trekken. Maar kun je iets dan altijd beredeneren? Wanneer bv. een bepaalde klank je iets doet en een andere niet, kun je het hoe en waarom daarvan dan werkelijk geheel beredeneren? Kun je duidelijk maken, waarom het ene beeld je fascineert en het andere je afstoot? Geef maar toe dat je dit op redelijke basis nooit geheel duidelijk kunt maken.
De meeste mensen trouwen en weten niet eens waarom. Want wanneer zij alles redelijk zouden beredeneren, zouden zij tot de conclusie komen beter een andere partner te kunnen nemen. En toch zijn zij juist met deze partner erg gelukkig. Wanneer wij eerlijk zijn, geven wij toe dat het wat ons eigen leven betreft zo is dat wij een waarom alleen van node hebben wanneer wij een rationalisatie zoeken voor hetgeen er reeds is.
Aan de andere kant kun je als mens natuurlijk stellen dat je bij alles vooral wetenschappelijk te werk dient te gaan. Men gaat dan uit van een werkhypothese, ontleedt alles logisch, bouwt een logische redenering op en gaat vervolgens proefondervindelijk na of men mogelijk met dit alles gelijk zou kunnen hebben. Soms kan een dergelijke benadering goed zijn, maar in andere gevallen voert het tot allerhande zaken, die meer consequenties hebben dan men redelijk kon beseffen, ook al voelde men dit wel aan, zodat men met het geheel niet zo gemakkelijk klaarkomt.
Neem als voorbeeld Einstein. Een groot man, een groot filosoof. Maar hij vond het wel noodzakelijk om alles wat hij voor zich aan mogelijkheden en gegevens had gevonden, neer te leggen in berekeningen en die aan anderen voor te leggen. Met andere woorden, hij probeerde de reden voor zijn conclusies te geven. Toen hij zijn stellingen eenmaal had bewezen, wierpen deze en vooral zijn bedering daarvan weer allerhande vragen op. Velen hebben naar antwoorden gezocht. Met als gevolg dat het laatste antwoord tot nu toe, waarmee de gehele wereld te maken heeft, het atoomwapen is, waarop tot nu toe niemand een antwoord heeft kunnen vinden. Trouwens op het atoomgevaar is, naar ik meen, ook geen redelijk antwoord te vinden, omdat dit voortkomt uit een onredelijk en maar met enkele schijnredenen gerationaliseerd menselijk gedrag. Het ligt er maar aan hoe je de dingen beziet.
Een mens kan groot zijn als mens en als denker. Zeker. Je kunt alles uitzoeken en verklaren. Je kunt bv. het wezen van de zwaartekracht ontleden en het wezen daarvan herleiden tot de eigen massa van de aarde plus haar rotatie en beweging in de ruimte. Je kunt proberen duidelijk te maken waarom planeten in hun baan rond een zon lopen en inderdaad een aantoonbaar waarschijnlijk antwoord vinden. Maar het zijn in feite steeds weer details waarmee men zich in feite bezighoudt. Het redeneren en onderzoeken brengt de mens zelden bij een meeromvattende werkelijkheid. Indien men eerlijk is, moet men toegeven dat alle redelijke wetenschap zich steeds weer bezighoudt met het omschrijven van kleine onderdelen en zelden of nooit het geheel weet te benaderen.
Indien u vroeger meende technisch talent te bezitten, heeft u wel eens een oude wekker gesloopt. Het was zelfs in de tijd dat die dingen nog meer zeldzaam waren en in verhouding duur. Het was een liefhebberij van iedere jongen om een oude wekker uiteen te halen, wanneer hij de kans maar kreeg. Het is dan mogelijk voor een kind, elk onderdeel apart te beschrijven. Maar er is een relatie tussen die onderdelen nodig en wel een zeer bepaalde. Anders functioneert de wekker niet meer juist. Het blijkt dan wel mogelijk, de onderdelen weer in elkaar te zetten, maar het uurwerk functioneert anders. Soms loopt het te snel, soms te traag en zijn zelfs gevallen bekend waarbij de wijzers opeens de verkeerde kant uitgingen. De wetenschappelijke geest zegt dan: experimenteren. De kamraderen en hun onderlinge verhoudingen berekenen. Laat ons stellen dat met deze benadering het na veel moeite mogelijk is, de wijze waarop de wekker functioneert te ontleden en zelfs andere wekkers te bouwen. Maar de knaap die de wekker demonteerde, zal beseffen dat het weinig zin heeft al die moeite te doen, wanneer je alleen maar wilt weten hoe laat het is, omdat er andere mogelijkheden zijn om de tijd te weten te komen.
Ook in de wetenschap komt het vaak voor dat men tot allerhande resultaten komt, maar te laat om er nog iets aan te hebben. Wanneer de mens een eeuwigheid op aarde te leven zou hebben, zou de redelijke benadering voor hem waarschijnlijk de meest juiste zijn. Hij zou dan met de rede zo ver kunnen komen, dat hij op een gegeven ogenblik zelfs de terra incognita van de menselijke ziel zou kunnen omschrijven, begrenzen en uiteindelijk betreden op volledig redelijke wijze. Een analyse zou dan zonder meer mogelijk zijn.
Maar een mens, ja, de menselijke beschaving, heeft niet zoveel tijd tot zijn beschikking. Men kan eenvoudig niet wachten tot men alles geheel beseft. Zeker, men kan zich met delen van het geheel bezighouden. Maar de werkelijkheid is, dat men zich bezighoudt met een enkel detail, terwijl men de rest eenvoudig verwaarloost, omdat men nu eenmaal niet met alles tegelijk bezig kan zijn. Met als gevolg dat samenhangen eerst ontdekt worden wanneer het te laat is.
Een mens leeft innerlijk altijd weer niet alleen in relatie tot een eigen innerlijke wereld, maar feitelijk in relatie tot een eigen innerlijke kosmos. Je kunt dan stellen dat deze kosmos niet bij iedere mens geheel gelijk zal zijn. Dit is zelfs logisch, omdat de relatie tussen elke mens en de wereld buiten hem nu eenmaal enigszins anders zal zijn. Zelfs het begrip en de benadering wordt mede bepaald door de kwaliteiten van de mens en zijn vermogen om bepaalde waarden uit die wereld buiten hem al dan niet te bevatten. Maar de feitelijke waarden in die wereld buiten hem blijven toch gelijk. Wanneer die mens in staat is eenvoudig aan te voelen, in zich te weten wat juist is, zo vraag ik mij af waarom hij die gevoelsmatig juiste inzichten dan nog redelijk dient te beredeneren en aan zich en anderen te verklaren.
Er is een God, zo zeggen we vaak. Maar hoe weten wij dat? Is er iemand hier aanwezig die werkelijk kan bewijzen dat er een God bestaat? Probeer dat maar niet, want dat gaat eenvoudig niet. Je kunt niet bewijzen dat er een God is, toch is er voor ons een God. Waarom dan wel? Omdat ik het voel. Maar waarom voel ik dit dan als juist aan? U ziet dat ik probeer redelijk verder te gaan. Ik kan zeggen dat ik geconfronteerd word met het onbekende en probeer dit voor mijzelf aanvaardbaar te maken door het een naam te geven. Best. Maar zelfs dan is dit onbekende voor mij nog steeds aanwezig. Mijn God is nu het onbekende geworden, maar hij blijft voor mij evenzeer bestaan. Wat ik aanvoel wanneer ik spreek over het bestaan van een God is dus voor mii wel degelijk een deel van de werkelijkheid, ook al benoem ik het.
Wanneer ik spreek over engelen en duivelen, kan ik aantonen dat ik bij het beeld dat ik mij daarvan maak, uitga van de een of andere mythologie. Dat is zelfs voor een betrekkelijk eenvoudige mens duidelijk zodra hij bereid is de feiten onbevooroordeeld te bezien. Maar wanneer ik spreek over duivels, dan spreek ik over mijn relatie met iets anders, dat ik op deze wijze benoemd heb. Dat wil niet zeggen dat er daarom een reële duivel is. Zo min als mijn geloof in God betekent dat er ergens een God zal bestaan die beantwoordt aan de menselijke voorstelling daaromtrent. Maar nog steeds is er iets. Er bestaat een relatie die ik zo aanduid. Misschien schuilt die duivel wel in de mens zelf. Wat best mogelijk is, wanneer je ziet hoe sommige mensen zich steeds weer gedragen, ben je zelfs geneigd dit als feit aan te nemen. Maar ook hier blijkt de werkelijkheid in feite weer het onbekende te zijn.
Waarom dan geloven in duivels? Omdat wij niet kunnen of willen verklaren waar het volgens ons kwade vandaan komt. En waarom zijn er volgens velen engelen? Mogelijk omdat wij een naam willen teven aan die vreemde, onbestemde zaken die ons soms terzijde schijnen te staan, aan dat toeval dat voor ons opeens op een bijna niet te geloven wijze gunstig uitvalt, de steun die wij krijgen of innerlijk ervaren zonder te weten vanwaar deze stamt. Dit alles personifiëren wij dan in de gedaante van engelen. Want dan kunnen wij ons ermee bezighouden zonder op raadselen te stuitten. Op deze wijze onttrekken wij ons ook aan eigen verantwoordelijkheden en maken voor onszelf zowel het goede als het kwade meer aanvaardbaar. Het is of wij op deze wijze ons besef omtrent het leven proberen te reguleren en problemen uit de weg te ruimen.
U kunt dit trouwens overal weer tegenkomen. Zodra mensen iets benoemd hebben, het hebben geconstateerd en een naam hebben gegeven, menen zij ook te weten, waar zij aan toe zijn. Aan de andere kant is het natuurlijk wel vreemd dat wij onmiddellijk schijnen te vergeten dat wij die benaming zelf hebben gegeven en dat daarmee dus het wezen van het benoemde zelf weinig of niets te maken behoeft te hebben Men neemt het voorgaande als feit aan zodra het gaat om zaken die geheel of deels onbekend zijn en toch weet eenieder heel goed dat je een kikker duizendmaal paard kunt noemen zonder er ooit de gouden zweep mee te kunnen winnen.
Ook in andere gevallen blijkt de mens zaken te stellen die niet feitelijk juist behoeven te zijn. Je kunt stellen dat de mens de kroon van de schepping is en dat jij als mens dus altijd meester zult zijn van een paard omdat dit immers maar een dier is. Mooi. Maar wanneer je op dat paard gaat zitten, zal je al snel ontdekken dat de verhouding meester en onderworpene onder omstandigheden snel verandert in je nadeel. Trouwens mensen hebben de neiging medemensen op een denigrerende wijze met een dier te vergelijken. Zo noemt men vaak een mens een ezel, omdat het hem kennelijk ontbreekt aan het gezonde verstand en de zekerheid, die juist dit dier gemeenlijk kenmerken.
Je kunt eenvoudig door benoemen de werkelijkheid niet veranderen of onder je beheersing brengen. Wij hebben nu eenmaal te maken met feiten. Onze poging om die werkelijkheid te verklaren, te analyseren en alle feiten samen te voegen tot een nieuw geheel is zeker in kosmische zin eenvoudig onzin. Wij hebben eenvoudig de middelen niet om het geheel te overzien. De mens die in de ruimte kijkt, kan spreken over de omvang van het Al, de buiging van het licht en daardoor ontstane eindigheid, begrenzing van ditzelfde Al. Maar degene die dit argument gebruikt om de begrensdheid van de ruimte aan te tonen, vergeet steeds weer dat hij niet spreekt over die ruimte, maar over de menselijke mogelijkheid tot waarnemen daarvan. Hij spreekt erover als een feit en weet niet eens, of het waar is.
Weten de mensen of hun berekeningen van afstanden in bv. de ruimte wel doeltreffend zijn? Weet men of de menselijke interpretatie van de verschijnselen die de mensen in bv. de ruimte zien, wel juist zijn? Eigenlijk niet. Men doet maar alsof. Je weegt de planeten of de maan en uiteindelijk moet je er toch naar toe aan om te zien of je ook gelijk hebt gehad. Het feit alleen dat je dit moet doen, bewijst reeds dat men van de zgn. feiten lang niet zo zeker is, als men het ook tegenover zichzelf doet voorkomen. Het bewijst dat men theoretiseert.
Bovendien denkt men als mens homocentrisch. Men denkt vanuit de menselijke vorm, gaat uit van menselijke normen, menselijke levenswaarden. Men stelt bv dat er geen leven kan zijn op de maan en dit kan bewijzen, omdat men er geweest is. Inderdaad, menselijk leven is daar niet denkbaar. Maar let wel: ik zeg niet dat het zo is, maar dat het toch denkbaar zou zijn dat er daar kristallen voorkomen waarin een soort leven bestaat. Kristallen, die een eigen vorm van energie bevatten en daardoor kunnen reageren op veranderingen in de buitenwereld. En dit betekent volgens mij reeds een vorm van leven. Men zal tegenwerpen dat niemand daar ook maar enig teken van op maan heeft gevonden. Neem mij niet kwalijk. Hoeveel ruimte, hoeveel oppervlak heeft men dan op die maan wel nauwkeurig kunnen onderzoeken tot op heden? Men stelt wel een zekerheid, maar kan niet feitelijk bewijzen dat het door mij gestelde onjuist is. Op deze wijze kan ik lange tijd verder gaan.
Maar het komt alles neer op een aanduiding dat de mensen wel verklaren en verklaren wat er alzo zou zijn, maar dit niet feitelijk weten. Wanneer dit nu de enige wijze zou zijn, zou je er vrede mee kunnen hebben. Maar gelijktijdig bestaat er in de mens een soort onredelijk weten dat, wanneer het eenmaal in meer redelijke termen verklankt wordt, even veel of meer werkelijkheidswaarde in zich blijkt te bevatten als alle redelijk ontwikkelde veronderstellingen.
Ik zou het zo willen stellen: Wanneer je werkelijk leeft, word je voortdurend door allerhande indrukken bestormd. Het resultaat van al die indrukken op zich is echter niet redelijk. Er zijn volledig onredelijke conclusies uit te trekken – en worden er ook uit getrokken – die niet redelijk te verklaren zijn, zelfs niet als je veronderstelt dat de bron hiervan het onderbewustzijn van de mens is, eventueel nog aangevuld met een gemeenschappelijk bovenbewustzijn.
De mens oriënteert zich niet alleen op de kenbare feiten en op basis van een redelijke benadering, ook al doet hij altijd weer alsof. Hij laat zich drijven door gevoel en die gevoelens op zich zijn niet redelijk. Waarom zo vraag ik mij af, is het dan zo belangrijk steeds weer de nadruk te leggen op het feit dat een mens toch een redelijk wezen is, dat de mens logisch handelt en denkt of dit althans altijd kan doen?
Bij nader beschouwing blijken die redelijkheid en logica voor de mens noodzakelijk te zijn, maar alleen in een beperkte zin. Je hebt nu eenmaal redelijkheid nodig in de menselijke samenleving, al is het alleen maar omdat mensen met elkaar in contact moeten kunnen komen, gedachten aan elkaar moeten kunnen overdragen en vaste stelregels moeten kunnen hanteren om hun gemeenschappen in stand te kunnen houden. Want waar geen regels meer gelden is ook geen sprake meer van een werkelijke gemeenschap. Om die gemeenschap in stand te kunnen houden, de problemen van die gemeenschap onder ogen te kunnen zien en plannen te kunnen maken, heb je inderdaad redelijkheid en logica nodig. Maar op het ogenblik dat men verder gaat dan dit en probeert het onbekende eveneens in die redelijkheid te betrekken, komt men tot dromen, tot een soort pseudowetenschap.
Vergeef mij de komende opmerkingen, maar het is al eens eerder gezegd, ook hier. Een theoloog is iemand die gefundeerd filosofisch-wetenschappelijk spreekt over punten die hij nooit zal kunnen bewijzen, maar eenvoudig als feit stelt en aanneemt, al is het alleen maar om aan anderen duidelijk te kunnen maken dat hij gelijk heeft. Of neem de psychologie en psychiatrie. Zeker, vooral die laatste bereikt wel het een en ander. De laatste tijd is men reeds zo ver gekomen dat men bepaalde verschijnselen van schizofrenie middels een bepaalde pil kan onderdrukken. Er zijn zelfs twee soorten, een die onmiddellijk werkt wanneer de verschijnselen optreden – deze vlakt de onrust af – en een die op langere termijn werkzaam is. Ik geef dus toe dat men zeer veel dingen voor de mensen kan doen, maar vraag mij gelijktijdig af, of er ooit een psychiater is geweest, die de werkelijke oorzaak van een kwaal heeft gevonden en een patiënt ooit werkelijk heeft genezen. Dat, wat de psychiatrie genezing noemt, is in feite niets anders dan het zodanig terugdringen van het zgn. ziekteverschijnsel, dat daardoor de patiënt weer tot een normaal gedrag kan komen. En wanneer het de psychiater niet mogelijk blijkt, zijn patiënt aan de geldende normen aan te passen, blijkt hij in vele gevallen zelfs de neiging te vertonen om te vergen dat men dan de normen maar zal aanpassen aan zijn patiënt, die maar een arme zieke is. Misschien zou ik dit niet mogen zeggen. De mensen bedoelen het gemeenlijk goed, zowel met hun patiënten als met zichzelf. En bovendien geldt op aarde dat, zodra er voor een bepaald gebied leerstoelen bestaan, het verboden is tegen de gedoceerde stellingen aan te schoppen. Want wanneer de mensen dat steeds weer zouden doen, zou er mogelijk een prof van zijn goed lonende stoel kunnen vallen. Toch vraag ik u hierover eens goed na te denken. Op het ogenblik dat wij algemeen toegepaste psychologie gaan ontwikkelen zonder te weten waarover wij het hebben, kunnen er vreemde dingen gebeuren. Dan is er in feite sprake van een dictatuur van veronderstellingen. Daardoor is er in feite geen sprake van een helpen, maar eerder van een conditionering van de mens, waarbij de werkelijke persoonlijkheid en mogelijkheden van die mens voortdurend verder worden verdrongen door een reeks kunstmatige regels die niet stroken met de feiten.
Wat ik probeer duidelijk te maken is het volgende: ons vragen “waarom” is begrijpelijk, maar onze poging, ons “waarom” om te zetten in een redelijke verklaring is niet altijd zo redelijk als zij schijnt. De mens is een geïntegreerd geheel. Soms lijkt het anders te zijn, maar een mens heeft nu eenmaal een grote reeks eigenschappen en mogelijkheden die je volgens de gekende redelijke opvattingen niet kunt benoemen.
Soms bemerkt men er iets van en probeert het onder te brengen onder hoofden als parapsychologie – in feite dat gebeuren in de mens dat boven de normale mogelijkheid tot verklaren van een psychologie uitgaat. Wij kunnen spreken over gevoeligheid, helderziendheid of er andere namen aan geven, maar met die naamgeving verandert ook hier niets aan de feiten. Soms ontdek je iets. Zo heeft men bv. kunnen aantonen dat de mens beschikt over een mogelijkheid tot voelen, die zich in een bepaald opzicht uitstrekt tot ver buiten zijn eigen lichaam. Er zijn omstandigheden waarbij de mens een soort tastzin ontwikkelt die zich tot bijna een meter buiten zijn eigen lichaam uitstrekt.
Bij proeven is gebleken dat een mens die niet kan horen en zien, alleen door deze tastzin kan leren aanvoelen of er levende wezens in zijn nabijheid zijn en na verdere training zelfs in staat kan zijn dode materie te vermijden en dus in wezen het op een bepaalde plaats bestaan daarvan te constateren. Er zijn proeven genomen met blinden die, wanneer geen storende invloeden aanwezig waren, in staat waren in een hen niet bekend labyrint, samengesteld uit houten wanden in een bovendien nog verduisterde en geluidsarme ruimte, hun weg te vinden, ook al hadden zij tevoren hiermee geen kennis gemaakt. Zij vonden hun weg zonder de wanden te beroeren. Indien een dergelijke tastzin bestaat, zo kan zij mogelijk minder worden door de aanwezigheid van storende invloeden, onachtzaamheid e.d., maar zij zal altijd aanwezig zijn. Misschien kan dit ook invloed hebben op het gedrag van mensen in een te grote menigte. Misschien hebben zij dan wel het gevoel voortdurend in een soort lichamelijk contact met anderen te zijn en worden zij juist daardoor prikkelbaarder en gaan zij gemakkelijker ook mee met de reacties van anderen, dan zonder die gevoeligheid ooit het geval zou zijn. Het is natuurlijk maar een veronderstelling.
Maar wanneer ik kan aantonen dat er enige gevoeligheid buiten de zintuigen om bestaat voor de aanwezigheid van ander leven en soms zelfs voor de aanwezigheid van de materie, lijkt het mij niet te ver gegrepen wanneer ik ook de veronderstelling uit, dat er heel wat mensen zijn die levensvormen kunnen aanvoelen die niet tot uw wereld behoren en daarin niet zintuigelijk kenbaar zijn. Wat de zaak gevaarlijk maakt, want voor je het weet komen spookjes en geesten op de proppen. En u weet het allen: spoken bestaan niet en de geesten zijn alleen de grote geesten der mensheid die tot die waardigheid benoemd worden door anderen, die hopen later voor die eer zelf ook aan de beurt te komen.
Laat ons zo reëel mogelijk blijven. Wanneer er een geest in de buurt is, is de kans groot dat u de aanwezigheid daarvan inderdaad aanvoelt. Maar dat betekent dan nog niet, dat u meteen ook weet wie en wat die geest is. Vergis u niet. Je voelt dat er iets is. Wanneer bepaalde krachten heersen in bv. een gebouw, dan voel je die aan, vertaal je die in gevoelens en voel je je opeens bedrukt, vredig of gejaagd, in overeenstemming met de heersende invloed.
Wanneer je dit doet, reageer je normaal, ook al denkt men daarover soms anders. Hoeveel mensen reageren op dergelijke invloeden, die soms sterk plaatselijk aanwezig zijn, moge uit het volgende blijken: In Venetië is een gebouw dat regelmatig door veel toeristen wordt bezocht. In een bepaalde ruimte blijken alle bezoekers een soort bedruktheid te voelen en tonen zij enige gejaagdheid. Dit verschijnsel is zo algemeen dat de plaatselijke gidsen er rekening mee houden en daarom het bezoek van die ruimte – ook al betekent dit enig tijdverlies – in het midden van hun toer plaatsen. Niet aan het einde, want dan zouden de mensen te blij zijn, weg te kunnen gaan en mogelijk vergeten, een fooi te geven. Dit verhaal, dat men overigens kan nagaan, bewijst echter ook dat materie bepaalde stemmingen of krachten kan vasthouden van meer mentale of emotionele aard wanneer deze maar enige tijd op die materie hebben ingewerkt. Waarom zouden wij dan erkennen, dat er invloeden bestaan die wij niet zonder meer kunnen benoemen? Omdat de feiten hierop wijzen.
En nu ik toch over dergelijke dingen spreek, wil ik meteen vragen, waarom de mens dan de redelijkheid tot een soort godheid zou verheffen. Tijdens de Franse revolutie heeft men dit ook al eens gedaan. Men voerde in een stoet een godin van de rede met zich mee, die in feite niet veel meer was dan een mooi aangeklede prostituee. De rede, die zovele mensen in uw dagen schijnen te aanbidden, prostitueert zich ook voortdurend om zo eenieder de kans te geven op een schijnbaar redelijke wijze gelijk te krijgen. Laat ons dus met onze redelijkheden maar liever voorzichtig zijn. En laat ons vooral, de rede niet gebruiken op punten, waar dit in feite niet nodig is. Misschien dat wij dan ook een antwoord kunnen krijgen op vele schijnbaar niet redelijk te beantwoorden vragen.
Kunt u mij bv. zeggen, waarom er altijd weer zoveel geweld heerst in uw wereld? Ja, neen Ja. Nu ja, dat is ook wel wat moeilijk. Toch is er een betrekkelijk eenvoudig antwoord: het aantal mensen dat op het ogenblik op uw wereld leeft, neemt in zo grote mate toe, dat hierdoor voor het bewustzijn, dat ergens op die aarde leeft, de waarde van het leven van anderen geringer wordt en het eigen optreden agressiever wordt dan voorheen, omdat men onbewust wil zorgen zijn deel van de levensnoodzakelijkheden te verwerven. Zelfs in landen waar het bevolkingsaantal per km² gering is, blijkt men meer en meer het gevoel te hebben dat men zich met alle middelen moet handhaven. Dit is nog wonderlijker, omdat redelijk kan worden aangetoond, dat de aarde de aantallen mensen die er nu op leven nog wel degelijk goed kan voeden, al zal dit in de praktijk niet opgaan, wanneer aan de ene kant van de aarde de mensen hun overbodige voedsel wegwerpen terwijl aan de andere kant van diezelfde wereld de mensen verhongeren. Je kunt stellen dat de voedingsmogelijkheden niet goed verdeeld zijn, zij bestaan wel degelijk.
Mijn antwoord luidt dan ook dat het geweld voortkomt uit iets wat in de mensen bestaat. De mensen hebben een behoefte – ook geestelijk – aan een bepaald territorium, een mate van vrijheid en onafhankelijkheid. Wanneer deze mogelijkheid door welke omstandigheid dan ook wordt aangetast, zal men hierop emotioneel en lichamelijk reageren met onevenwichtigheden. Waarom de mensen hierdoor zo onevenwichtig worden? Ik weet het ook niet zeker, maar ik meen, dat dit in de aard van het beestje – het stoffelijk voertuig dus – ligt.
Een andere interessante vraag luidt: Hoe komt het toch dat er altijd weer perioden op aarde zijn, waarin naar verhouding veel meer rampen dan normaal voorkomen. Heeft u daarover soms al eens nagedacht? Bij nadere beschouwing blijkt dat in dergelijke perioden een directe verhouding schijnt te bestaan tussen de rampen, die door de mensen zelf en de rampen, die door de natuur worden veroorzaakt. De curven voor beide soorten rampen lopen gemeenlijk aardig parallel. Iets, wat men zelfs uit oude courantenarchieven nog wel zou kunnen nagaan.
Het antwoord op deze vraag zou kunnen luiden dat de aarde ook haar eigen kwaliteiten en uitstraling heeft en dat de mens de onzekerheden of onevenwichtigheid die op een bepaald ogenblik in die aarde bestaat aanvoelt en vertaalt in gelijksoortige onevenwichtigheden in het kader van zijn persoonlijke reacties. Het is mogelijk, maar wij kunnen niet precies verklaren waarom dit zo zou zijn. Ten hoogste kunnen wij stellen: waarschijnlijk zal een verandering in het milieu, zelfs indien deze niet opvalt, de gedragingen van degenen die in dit milieu verkeren eveneens beïnvloeden.
Maar wanneer ik zo redeneer, komen wij weer terecht in het oude hierom, daarom, dus… Nu zullen hierom en daarom er over het algemeen nogal mee door kunnen, daar zij gemeenlijk aan feiten ontleend worden. Maar het daarop bijna altijd volgende: “dus” is en blijft volgens mij vraagwaardig.
Zo, nu heb ik u lastiggevallen met enige theorieën. Maar ik bleef zo redelijk mogelijk. Nu wordt in het volgende mijn betoog minder redelijk. Gelooft u in kracht? Natuurlijk denkt de een. De ander denkt: “welke kracht en hoe? Voor ik geloof, wil ik het eerst wel eens zien. Maar sta mij toe onredelijk te zijn en aan te nemen dat u gelooft in een kracht. Wat is kracht eigenlijk? Niemand kan het u zeggen, ook ik niet. Verschijningsvormen van kracht kan ik nu natuurlijk omschrijven, maar wat het wezen van de kracht is, weet ook ik niet.
Ik kan stellen dat de kern van alle bestaan de oer energie is, maar op welke wijze en waarom, dat weten wij niet. Wij in ieder geval hebben ons denken. Dit denken is ook een vorm van energie. Wanneer wij ons denken als vorm van energie willen gebruiken, zo zouden wij daarmee nog iets anders kunnen doen, dan impulsen tot gedachten aaneenrijgen. En daar wij toch onredelijk bezig zijn, laat ons even aannemen dat wij hier door ons denken tezamen nu een enorm cyclotron hebben opgebouwd. U weet wel, een baan waarin door de werking van magneten de kleinste deeltjes sterk versneld kunnen worden. Laat ons zelfs nog een stap verdergaan met onze fantasie en zeggen dat we ook nog in staat zijn zowel de deeltjes als de krachten die je versnelde te ontladen en wel op een punt dat wij door ons denken zelf kunnen kiezen. Dan zouden wij alleen door zo denken dus ook iets tot stand moeten kunnen brengen, nietwaar? En waarom zouden wij dan hier en nu niet de proef op de som proberen te nemen? Het zou zelfs zinrijk kunnen zijn, daar wij ons hierdoor mogelijk bewust, zouden kunnen worden van deze mogelijkheid en deze kracht, en overtuigd zouden geraken van het feit dat deze ook in ons bestaat.
Ik zit te beweren dat er een kracht ligt in het denken. Deze verklaring op zich is natuurlijk zuiver suggestief. Maar stel het u toch maar eens gewoonweg voor. Laat vanuit uw eigen denken een deeltje van uw kracht hier door de zaal rondzweven met een steeds toenemende snelheid. Probeer het maar. Dat geeft voor mij een heel leuk effect. Er zijn namelijk al enkele mensen die het proberen en het effect is voor mij heel aardig om te zien. Wat hebben wij nu gedaan? Kennelijk hebben wij een soort veld opgebouwd. Wat voor veld dit moet zijn, weten wij ook niet. Maar één ding weten we wel. Door die voortdurende versnelling hebben wij energie opgebouwd. En deze energie zal invloed kunnen hebben op alles wat er omheen is. Ook al weten wij niet precies wat voor energie dit dan wel zou moeten zijn. Nog even gaan wij verder. Kom, nog een paar mensen meer even meedoen. Een paar deeltjes meer in omloop en vooral steeds sneller gaan. Uitstekend, Goed zo.
Nu gaat ieder van ons even denken aan het doel, waarop hij of zij die energie zou willen ontladen. U kunt hiermee het menselijke lichaam beïnvloeden. U kunt hiermee alle levensvormen beïnvloeden. Dus wanneer u bv. planten thuis hebt, die het niet zo goed doen, kunt u ook daaraan denken en daarop uw krachten ontladen. Zo goed als u daarmee iemand kunt helpen die ziek is. Maar u kunt er geen niet levende materie mee veranderen, want daarvoor hebben wij geen energie genoeg opgewekt.
Nog even denken aan die deeltjes. De snelheid opvoeren. Het is nu een soort lichtende cirkel geworden van deeltjes gedachtenkracht die met een enorme snelheid hier rondgaan. Probeer eraan te denken, probeer het even voor te stellen. Of dit nu wel of niet alleen suggestie is, deert niet. Gewoon even meedoen. Juist. Laat nu alles gewoon verder cirkelen en richt uw gedachten op het punt waarop die kracht zich zal moeten ontladen. Zodra de rondgang stopt, zal alle vrijkomende energie door u worden gericht op één bepaald punt. Stel u dit punt even voor. Probeer de plant die u koos even voor u te zien, probeer de mens, die u wilt helpen, voor u te zien. Wanneer u de kracht voor uzelf wilt gebruiken, dient u zich precies voor te stellen, wat u wilt dat er in uzelf zal gebeuren. Waar heeft u lichamelijk extra krachten van node, waar wenst u meer evenwicht of de mogelijkheid tot rust te komen. Stel het u voor.
Zo. Nu zeggen wij met ons allen “stop”. De lichtkring valt weg. Dat wil zeggen dat ook alle energie die zich daaromheen ophoopte als gevolg van het normale evenwicht nu mede afvloeit. O ja, het is suggestie. En hoe zou dit nu moeten gaan, nietwaar? Maar mogelijk zou onze kleine proefneming resultaat kunnen hebben. Het leuke van dit alles is, dat het absoluut onredelijk is. Je kunt het niet rationeel benaderen of verklaren. Maar het kan wel iets tot stand brengen. U zult ontdekken dat er inderdaad enkele dingen gebeuren. Ik zie hier twee, neen, ik zie er al drie, mensen die de kracht op zichzelf hebben gericht. Na korte tijd zult ook u de werking van dit alles in uzelf ontdekken; ook vele anderen zullen bemerken dat hun meewerken aan deze proef resultaat heeft.
Nu kunt u wel zeggen dat dit alles suggestie is, maar wanneer die suggestie feitelijke veranderingen kan bewerkstelligen, hoe wilt u dat dan weer redelijk verklaren? Of alles wat u werd voorgelegd nu berust op suggestie of werkelijkheid was, één ding staat vast, het heeft resultaat. Dan is dit niet te verklaren.
Ik stel: het menselijke denken en de menselijke geest zijn in feite de werkende kracht, het werkend beginsel, het agens in het leven. Ik stel – want ik kan niets bewijzen – ik stel dat wanneer dit werkende beginsel gericht wordt op een bepaalde wijze en vooral ook op een beperkt en nauw omschreven doel, hierdoor feitelijke veranderingen in materiële verhoudingen tot stand kunnen komen. En dit laatste zouden wij kunnen aantonen alleen reeds door de resultaten van onze proefneming. Ik stel dat een geconcentreerde mens zelfs in staat is, de materie in zekere mate te veranderen en te beïnvloeden, herinner u aan verschijnselen als telekinese en transformatie.
Waarom het gebeurt, hoe alles in elkaar zit, weet je niet, daar het werken met deze krachten berust op het aanvaarden van een zekerheid die redelijk gezien niet kan bestaan. En zo keer ik terug tot mijn begin, tot zaken als God. Want God is al evenzeer iets, wat redelijk niet aantoonbaar is, wat niet stoffelijk benaderbaar en bewijsbaar is, maar onder omstandigheden wel degelijk inwerkt op geest en stof. In dat geval kunnen wij niet stellen of zelfs bewijzen dat de werking het gevolg is van ons aanvaarden dat er een God bestaat. Wel kunnen wij stellen dat er iets bestaat, dat feitelijke kracht bevat en zich voor ons verschuilt achter ons beeld van een God.
Mogelijk komen wij langs deze weg tot een tenminste gedeeltelijk beantwoorden van een waarom? Een mens is meer dan materie alleen. Een mens is een eigenaardig complex van stoffelijk biologische reacties, bio-elektrische werkingen, krachtsuitwisselingen en daardoor zelfs stoffelijk reeds een vat vol energieën, die niet zo gemakkelijk te constateren of te verklaren zijn. Ook al zullen sommige van deze werkingen en kleine energieën deels meetbaar blijken te zijn wanneer je bv. een encefalogram gebruikt.
Minder eenvoudig wordt het, de aanwezigheid van dergelijke energieën af te lezen in de omgeving. Misschien kun je een deel ervan fotograferen want met de Kirlian fotografie kunnen wij iets van de uitgestraalde kracht wel zichtbaar maken. Wij kunnen zelfs weer proberen te verklaren waarom, maar ook dat wordt weer een lastige zaak, wanneer wij schijnredelijkheid willen vermijden. Maar al deze dingen, zowel wat wij hebben gedaan als hetgeen wij bespreken, vormen het bewijs dat er meer is dan het zintuigelijke.
Ik ga een conclusie trekken, hoe onredelijk deze ook moge zijn. Trouwens, u mensen bent ook zo vaak onredelijk, vooral wanneer u meent redelijk te handelen, dat ik mij daarvoor niet schaam.
Ik stel: een mens is in feite niets anders dan een soort hiaat in een krachtveld. De mens wordt omringd door kracht in zijn werkelijke vorm. Ook alle materie is in feite niets anders dan een soort leegte, doordat de energie daarin tijdelijk verstard is en geen deel meer uitmaakt van levende energieën daarbuiten. Ik stel dat de mens in zijn denken zoals elk dier en elk levend wezen in zijn bewustzijnsprocessen, zover die zich kunnen afspelen, in zich iets van de beweeglijkheid van de oer-energie herwint, zodat hij hierdoor een soort band vormt met de rond hem aanwezige energie.
Aangezien alles volgens mij niets anders is dan verstarde energie, wanneer het zintuigelijk kenbaar is, moet het ook mogelijk zijn die energie losser of sterker te maken in haar binding. Dit betekent dat wij de vormen en het gebeuren in die vormen kunnen beïnvloeden en veranderen, alleen reeds door ons gebruik maken van de kracht, waarvan wij in wezen toch ook een deel vormen.
Een onredelijke reeks stellingen. Ik weet het. Maar onder omstandigheden is deze totaal onredelijke benadering hanteerbaar. Ik stel dat het wanneer het eropaan komt niet zo belangrijk is, een verklaring te vinden voor feiten dan wel om die feiten op de juiste wijze te hanteren. Daarom stel ik ook dat het veel belangrijker is gebruik te maken van die kracht – zoals ik deze stel – dan uit te maken wat en of zij iets is. Ik stel dat het niet belangrijk is om te spreken over een werken van God, de H. Geest of iets anders en daarin een rechtvaardiging te zoeken. De moslims doen dit op hun wijze, wanneer zij proberen hun zin door te zetten onder het motto: “Allah, dat mag”. De naam, de omschrijving komt er volgens mij minder op aan. Indien wij uit hetgeen wij er mee aanduiden, maar iets kunnen halen. Want dat is dan voor ons natuurlijk het allerbelangrijkste – tenzij je het meer parlementair beziet. Elk parlement is er nu eenmaal op ingesteld, de feiten achter te laten lopen bij idealistische redeneringen die voortdurend vastlopen in de feiten. Wat de reden is dat er van de vele mooie beloften en theorieën daar zo weinig uitkomt. In een parlement wordt nu eenmaal meer gevochten over dingen die zouden moeten zijn dan over de dingen die zijn en die nu mogelijk zijn. Ik meen dat wij een dergelijke fout niet mogen maken.
Ons vragen “waarom?” is gerechtvaardigd, wanneer wij tijd overhebben. Maar in ons zoeken naar de reden en de redelijke verklaringen mogen wij nooit vergeten eerst gebruik te maken van de mogelijkheden of wij de redenen van hun bestaan nu wel of niet kunnen verklaren. De krachten zijn er altijd geweest. Zij zijn ook altijd door mensen gebruikt. Wanneer wij nu weigeren, deze krachten te gebruiken voor wij de oorzaak en redenen van hun bestaan duidelijk verklaren, zouden wij wel eens kunnen omkomen door gebrek aan kracht.
De harmonieën, de evenwichtigheden, de totale vernieuwingen van de innerlijke mens, die steeds weer in de geschiedenis overal opduiken, kunnen ook in deze dagen voorkomen. Vele mogelijkheden die tijdens grote spanningsperioden plegen op te treden, bestaan nu ook voor de mensen van heden, noem dit mijnentwege inwijdingen of iets anders. Ook in dit geval is de benoeming ervan niet belangrijk. Zoals het niet belangrijk is dat wij precies weten wat zich in feite afspeelt. Wij moeten eerst aanvaarden en mogen zelfs niet uitgaan van beredenering op grond van alles, wat volgens ons redelijk gezien mogelijk zou zijn. Wij moeten uitgaan van dat wat is. Nogmaals wanneer wij daarbij dan nog tijd overhouden, kunnen wij misschien daarin proberen een verklaring te vinden voor hetgeen zich voordoet en de reden waarom het in verschijning treedt. Maar het antwoord op ons hoe en waarom is zeker niet essentieel. Essentieel is slechts, dat wij steeds weer leren te leven met alle krachten die wij kunnen gebruiken. Essentieel is het dat wij steeds weer zo volledig mogelijk gebruik maken van de mogelijkheden die ons geboden worden. Essentieel is bovenal dat wij in ons aanvoelen van de totaliteit – of wij dit nu een goddelijke opdracht, bezieling, inspiratie of anders noemen – gebruiken om ons innerlijk en onszelf steeds weer te toetsen aan de feiten.
Wanneer blijkt dat de een of andere geest ons iets influistert en de mededeling blijkt juist, kunnen wij nog steeds stellen dat het een kwestie van zelfsuggestie of onderbewustzijn is of nog iets anders, mits wij er rekening mee houden. Onze houding in dergelijke gevallen moet allereerst zijn: zolang de resultaten goed zijn, werk ik ermee. De resultaten tellen, de rest is uiteindelijk bijkomstig. Zo is het toch in leven ook. De mens probeert steeds weer zich af te vragen wat zijn leven in feite is. Wanneer hij ouder wordt, vraagt hij zich af waarom hij in het verleden niet anders gehandeld heeft en houdt hij zich bezig met de vraag of het wel goed was wat hij deed en of het wel goed is wat hij nu doet. Maar wat kun je daaraan veranderen? U bent wat u bent op dit ogenblik. U gaat verder op de ingeslagen weg tot er omstandigheden komen die u in feite wel dwingen te veranderen. Dat is bijna altijd waar. Er zijn op deze regel wel enkele uitzonderingen, maar veel zijn het er zeer zeker niet.
Laat ons dan ook niet uitgaan van hetgeen wij zouden willen worden of geweest zouden moeten zijn, maar van hetgeen wij nu zijn en de mogelijkheden die wij daarin bezitten. Laat ons die mogelijkheden ten volle gebruiken, dan komt de geestelijke bewustwording wel als vanzelf. Dan ook zal God voor ons een steeds meer beleefbare factor in ons bestaan worden, ook al weten wij ook dan nog bijlange niet, wie of wat Hij zou kunnen zijn. Dan ontwikkelt de mens en mogelijk de gehele mensheid zich dat het gebruiken van paranormale gaven niet meer een kwestie is van experimenten van enkelingen, maar als een normaal ervaren verlengstuk van het menselijke wezen. En wanneer wij na dit alles toch nog tijd hebben, kunnen wij indien gewenst in die tijd nog altijd gaan kissebissen of God nu zus is of zo en dit wil of dat. Dan kun je strijden over de vraag of God nu werkelijk de Vader is, dan wel eerder een lichtende wolk of de eerste oorzaak.
Dergelijke dingen zijn mogelijk wel leuk om eens langdurig over te praten, maar ter zake doen zij niet, zeker niet vragen als waarom de wereld werd geschapen of waarom de geschiedenis van de mensheid zo verlopen is als zij deed. Want de werkelijkheid is, dat je daar toch nooit het fijne over te weten komt en zelfs wanneer dat het geval zou zijn, zo dunkt mij dat je niet in staat zou zijn om de portée ervan te begrijpen. Laat ons ons liever bezighouden met het heden, met vragen als: wat kan ik vandaag, wat is vandaag mijn diepst gevoelde waarheid? Wat is mijn gevoel ten aanzien van de wereld om mij heen en hoe voel ik in mijn diepste wezen dat ik daarop nu zou moeten reageren. Wanneer wij proberen zo te leven, vrienden, dan meen ik dat wij de vraag “waarom” niet geheel zullen vergeten, maar dat wij deze haar juiste plaats hebben gegeven: achteraan; eerst de feiten, dan pas de verklaringen.
Wanneer u commentaar hebt, vertelt u het maar. Heel goed. Ik zal u zelfs niet vragen, waarom u nu zwijgt. En daar u niets in te brengen blijkt te hebben, mag ik nu wel gaan afsluiten.
Mag ik dan nog even uw aandacht vestigen op dat kleine aardigheidje dat wij vanavond – zoals reeds meerdere malen werd gedaan – hebben uitgehaald. U hebt een bepaald doel voor ogen genomen en u hebt dan toch maar meegespeeld. Maar nu moet u ook kijken of het iets heeft uitgehaald. Denk er daarbij aan dat het resultaat binnen 30 uur zichtbaar moet zijn, anders telt het niet meer. Maar ga de zaak in die tijd eens enkele malen na. En wanneer u een duidelijk resultaat meent te constateren, kunt u mogelijk ditzelfde kunstje ook eens in uw eentje proberen. De kans is groot, dat u dan voor uzelf een methode ontdekt, om dergelijke dingen ook geheel zelf en vanuit uzelf te doen. Dat zou nog veel prettiger zijn.
Verder wil ik u nogmaals het volgende voorhouden: Wanneer u te maken hebt met de materie, wees en handel steeds zo redelijk mogelijk, dit is nu eenmaal een maatschappelijke noodzaak. Maar zodra u te maken krijgt met zaken die niet redelijk zijn of te maken krijgt met problemen die niet meer redelijk te hanteren zijn dan wel in contact komt met krachten die niet direct tot de menselijke wereld behoren, vergeet dan uw redelijkheid en alle vragen waarom. Leef dan met de krachten en de ingevingen die in u zijn en handel volgens de mogelijkheden die u zo beseft en de feiten, zoals die zich aan u voordoen. Dat is de enige wijze om een werkelijke bewustwording voor uzelf te bereiken.
Tweede deel: esoterie
Ik vind de esoterie op zich altijd een heel moeilijk orderwerp zoals u weet. Want de esoterie is iets wat alleen exoterisch benaderd kan worden, omdat het esoterisch niet uitbaar is.
Ik heb mij dan maar eens afgevraagd wat de esoterie van deze tijd dan wel is. Schijnbaar komt die erop neer dat je naar buiten toe doet of je halfzacht bent om zo je harde kern te verbergen. Er zijn figuren genoeg, waarvan je dit terecht kunt zeggen. Ik denk in dit verband bv. aan de paus. Een wonderlijke man die elk ogenblik een zangpauze heeft tijdens de dienst. Maar wanneer je kijkt naar die man, denk je allereerst: “wat is dat een vriendelijke, zachte kerel”. Maar wat erachter zit is toch heus keihard. Anders had hij het trouwens nooit zover geschopt. Dit soort mensen doet mij altijd weer denken aan een rijpe pruim of iets dergelijks. Kortom aan heerlijk sappig zacht fruit waar je niet te hard in moogt bijten indien je je tanden niet breken wilt op de pit.
De grote vraag is, of wij geen fout maken bij ons streven naar esoterie wanneer wij beginnen onszelf te vertellen wat wij zijn. Laat ons eerlijk zijn, er is niemand die wij zo goed kunnen beduvelen als onszelf. Maar wanneer je dit niet doet, blijft de vraag wat esoterie dan wel moet zijn. Ik heb eens geïnformeerd bij enkele yogi’s, bhagwans en meerdere van die exotische dingen. Kortom, ik heb gehele empirische, occulte en magische menagerie voor u nagezocht. En ik ben tot de conclusie gekomen dat er eigenlijk niemand exact schijnt te weten, wat die esoterie eigenlijk wel is.
De ene zegt: esoterie is de verstilling in jezelf waardoor de oneindigheid in je spreekt. Ik vrees alleen dat een mens, die zover verstilt dat hij werkelijk niets anders meer hoort, eigenlijk slaapt. Wanneer ik dus zijn uitleg in mijn termen en volgens mijn denken moet vertalen komt er zoiets uit als: zo stil worden dat een ander praat in je slaap.
Weer iemand anders sprak: de esoterie is het gaan van de moeilijke weg, die wij in onszelf kennen, waarbij wij voortdurend geconfronteerd worden met onze angsten en zonden – daarvan hebben de meeste mensen in ieder geval altijd meer dan genoeg – tot wij komen in de tempel van het eeuwige licht. Mijn reactie was hierop: een tempel, en dat nog vanbinnen? Heb je daarvoor wel een bouwvergunning? Maar volgens de spreker verwarde ik de binnen- en de buitenwereld. Ik dacht dat die beiden een geheel vormden voor het besef, maar neen hoor, bij hem niet.
Een volgende leraar sprak: esoterie is het begrijpen van de inwerking van de buitenwereld op je wezen, zodat je jezelf steeds beseft het product te zijn van de buitenwereld en zo het kleine beetje wat er meer is, leert vinden. Want dat, wat er overblijft, wanneer je alle invloeden van de wereld hebt afgetrokken, is je ware zelf. Wat bij mij de vraag deed rijzen, hoeveel mensen er dan wel zijn die na aftrek van alle invloeden nog iets overhouden wat zij kunnen beseffen. Want dat lijkt mij erg moeilijk.
Ik hoorde iemand ook zeggen: ware esoterie is een jezelf uitleven. Want wanneer je een beest in jezelf bergt en je leeft dit beest uit, hang je wel de beest uit, maar dat beest is er dan ondertussen uit en wat overblijft ben je zelf. Ik vind die beestenboel op zich niet onaardig en de praktijk levert ook aardig op, maar toch vraag ik mij af, wat je daarvan nu moet denken.
Mogelijk wilt u nu ook wel eens horen, wat voor mij esoterie is. Esoterie is voor mij niets anders dan gewoon terugvallen op alles wat je eerlijk en zonder uitvluchten zelf meent te zijn. Ik besef dat het beeld dat je dan van jezelf overhoudt niet bepaald geflatteerd is. Maar u behoeft erkenningen ook niet aan anderen door te vertellen. Wanneer je voor jezelf geheel eerlijk bent omtrent hetgeen je bent en hetgeen je werkelijk doet, zo heb ik het gevoel dat je ook beter begrijpt wat je voor anderen betekent. En wanneer je werkelijk begrijpen kunt wat je voor anderen betekent, kom je er waarschijnlijk ook eerder achter wat anderen voor jou kunnen betekenen. En wanneer je zo ver bent gekomen, heb je iets bereikt. Ben je al niet bewust geworden, dan besef je tenminste eindelijk welke mensen je beter uit de weg kunt gaan.
Iemand waarvoor ik heel veel respect heb, heeft eens gezegd: Kijk, God is de Vader. Ik heb daarover even nagedacht. De Vader, maar van wie? Hij sprak: van iedereen. Ik weer: dan heeft Hij overuren gemaakt. Hij luisterde niet goed en vervolgde: Hij is almachtig. Waarop ik weer meende dat Hij dit dan ook wel zou moeten zijn in dat geval. Ik heb er natuurlijk nog verder over nagedacht en kwam tot de conclusie dat je het maar heel weinig behoeft te veranderen om iets zinnigs te krijgen: Hij is onze oorsprong. Want ergens moet ook ik in het begin vandaan gekomen zijn en zover ik weet is Hij de bron, waaruit alles en dus ook ik stammen moet. Als mens kun je natuurlijk beginnen met je vader de schuld te geven, maar voordien moet er toch ook al iets geweest zijn. En zo komt je op een punt, waarop je alleen nog kunt zeggen: Iets moet er geweest zijn, maar ik weet niet wat. Maar ja, u kent mij: wanneer ik niets weet, wil ik weten waarom en hoe ik weet, dat ik niet weet wat ik niet weet. Mijn uiteindelijke conclusie was deze: Mijn oorsprong is een levenskracht die in mij pulseert. Het is voor mijn bestaan het enige belangrijke dat die levenskracht in mij werkzaam is. Observatie van mijn geestelijk beleven deed de conclusie volgen dat deze levenskracht alleen onbeperkt in een ego kan werken, wanneer zij met haar bron in contact blijft. Daarop ben ik teruggegaan naar degene, die ik zozeer respecteer en heb hem gezegd: Eindelijk weet ik, wat je hebt bedoeld. Maar nu ga ik je imiteren, want ik meen terecht te kunnen zeggen: de Vader en ik zijn één. Hij keek mij even aan en sprak: Jij bent geloof ik onder de eersten die dit begrepen hebben. Ben je een christen? Ik weer: “neen”. Juist, ja, vervolgde hij. Dat moet ook wel, want die hebben het nooit begrepen. Ik dacht dat dit voor mij de kans was om nog eens verder te informeren, dus vroeg ik: wat denk je erven? “Waarvan” vroeg hij. “Van de mensheid” kwam ik weer. “Dat het een van de grootste wonderen Gods is dat uit zoveel verwarringen toch altijd wat harmonie geboren wordt”. “Dat is het enige, wat ik van de mensen altijd weer kan begrijpen”, peinsde ik en hij wilde weten waarom. Ik heb hem toen mijn standpunt uitgelegd. Een chaos lost zichzelf op omdat hij in zijn voortdurende tegenstellingen steeds meer wederkerig energieën ontlaadt, tot uiteindelijk alles gelijk is geworden. Wat dan overblijft is een stilte. Maar als in die stilte nog enig besef aanwezig blijft, kun je spreken van harmonie. Waarop hij meende dat ik hem nog veel meer kon vertellen en mij vroeg, vooral geen missionaris te worden. Dat heb ik hem dan ook beloofd, want dat is voor mij zeker geen aanvaardbare roeping.
U lacht nogal om al deze dingen, maar schuilt er in feite geen grote waarheid in? De waarheid dat u, wanneer u eerlijk bent tegenover uzelf, bijvoorbeeld pas werkelijk zult weten hoe moeilijk het is om geheel eerlijk te zijn tegenover een ander, al is het ook maar een enkele medemens.
Nu komen wij iets dichter bij de werkelijke esoterie naar ik meen, want een volgende vriend vertelde mij dat alles begoocheling is. Nu weet ik niet of alle mensen even handig kunnen goochelen, want de een wordt eerder betrapt dan de ander, maar inderdaad: Wij leven in een wereld van illusies omdat wij niet in staat zijn, de feiten als zodanig te aanvaarden. Wij proberen er altijd iets van te maken, dat past in ons programma. Dat heb ik trouwens kortgeleden nog gezegd in een geheel andere omgeving. Daar mag het niet, dat spiritisme. Of liever gezegd, het mag officieel wel, maar het is niet raadzaam er ook aan te doen, als u begrijpt wat ik bedoel.
Er was er een, die daar onmiddellijk tegen inging. Hij noemde mij broeder. Dat is daar gebruikelijk. Ik wacht altijd nog op het ogenblik dat zij mij kameraad zullen nemen, maar zo ver heb ik het nog niet gebracht. Hij opponeerde dus: Broeder. Wanneer u zegt dat alles begoocheling is, hoe komt het dan dat alles gaat zoals het gesteld wordt.
Kennelijk doelde hij op de programma’s van zijn overheden. Ik heb dus geantwoord: Dat is heel begrijpelijk. Het komt omdat jullie in dat opzicht jullie verstand niet gebruiken en dus je gedraagt als iets wat je niet bent en zo iets tot stand denkt te brengen, wat niet werkelijk en geheel zo tot stand komt. Hij vroeg mij, wat ik volgens hem dan was. Mijn repliek was: “Je bent een mens. Maar je denkt verkeerdelijk dat je een heel bepaald soort mens bent. Er bestaan geen bepaalde soorten mensen, wanneer je tot de essentie van menselijkheid doordringt. Elke mens is eenvoudigweg een mens, niet meer en niet minder.
Waarop onmiddellijk geïnformeerd werd, wat ik dan wel was. “Ook een mens” meende ik ook al heb ik mijn winterjas op aarde achtergelaten. Zegt hij: “hoezo? Bent u in de winter overgegaan?” Ik weer: “Neen, het was al zomer, maar de mot zat erin!”. Dwaas natuurlijk. Maar wat moet je anders zo snel zeggen? De mensen nemen alles zo letterlijk. Ik vind juist dit vaak erg moeilijk. En zo zijn er meer dingen. Kan er wanneer je esoterisch denkt nog een vaderland bestaan? Of als u modern feministisch denkt, vult u hier maar moederland in, want ik doe wat ik kan om ook de dames tevreden te stellen. Maar of je nu vader de schuld geeft of moeder, volgens mij is dit een illusie. Wij begrenzen ons eigen leven tot een bepaald gebied. Wij begrenzen onze trouw, ons begrip, onze medemenselijkheid tot hetzelfde gebied en gaan ervan uit dat wij daardoor anders en meer zijn dan anderen. Onzin, een mens is een mens. Maar dan zijn er onmiddellijk weer mensen die je wel gelijk willen geven en er meteen achter zeggen: Maar denk er wel even om, dat blanken verstandiger zijn dan negers. Ik kan het daarmee niet eens zijn. En wanneer zij willen weten, hoe ik mijn standpunt wil verdedigen, zeg ik: er zijn er heel wat, die op uw kosten leren en later ergens anders voor zich met die kennis gaan verdienen, wat zij voor zich verlangen. En anderen zijn zelfs nog verstandiger. Zij zien dat het bij deze werkloosheid niet zo hard nodig is om te werken. Dus komen zij hierheen en laten u betalen voor het feit dat zij het niet doen. Dat vind ik een blijk van verstand en inzicht.
Men wijst mij dan gemeenlijk op de wilde mensen in die vele nieuwe staten. Maar ja, wat wilt u, die moeten nog leren. U hebt een nacht van Schmelzer en zij slachten Bokassa af, of zo iemand. In heide gevallen kun je duidelijk zien dat alles het gevolg is van een bok die geschoten werd. Zij zijn wat primitiever. Zeker, maar is het werkelijke verschil nu werkelijk zo groot, wanneer je kijkt naar de denkbeelden en de bedoelingen? U veroordeelt de massa? Maar die loopt daar toch, net als bij u, bij voorkeur achter de machtigste partij aan? Meent u dat zij werkelijk dommer zijn? Ik dacht dat er, wanneer u de verschillen in opvoeding, gebruiken enz. aftrekt, geen verschil meer overblijft en je alleen nog maar te maken hebt met gewone mensen.
Maar, dankzij de verheerlijking van ras, stand en land doet men natuurlijk steeds weer, of de anderen anders – lees minder – zijn. En ja, dan gebeurt het een of het ander. Het is mogelijk dat wanneer je iemand zegt dat hij er niet bij behoort, het een enorme slijmjurk wordt. Nu dat is nog niet zo erg, met wat geluk kan hij altijd nog minsterpresident of zoiets worden – wie weet wat de toekomst brengt. Of zo iemand wordt zo agressief als ik weet niet wat. Dan wordt hij al snel een misdadiger of zoiets. Een ding is zeker, wanneer je iemand duidelijk maakt dat hij er werkelijk niet bij behoort, zoekt hij een andere weg, desnoods door zich aan te sluiten bij een anderen, die evenals hij uitgestotenen zijn en vormt zich een eigen gemeenschap.
Wat volgens mij betekent dat esoterie pas werkelijk zinvol is wanneer je tot de werkelijk menselijke kern van eigen wezen weet door te dringen, om dan vanuit dit besef van eigen kern ook de medemens te erkennen. Want pas wanneer je de medemens kunt erkennen, zal je ook iets als de eerste oorzaak, God, de bron of iets dergelijks, kunnen herkennen. Zonder de medemens is er alleen de eigenwaan, die alle waarheid tot waan doet worden.
Ik moet, meen ik oppassen, anders doe ik nog als een predikant en preek. Trouwens, ik heb eens een predikant gekend. Een fantastische man. Hij gaf allereerst de tekst, waarover hij zou gaan preken en dan kwam altijd dezelfde kreet: Het oordeel is nabij. Ik had dan altijd het gevoel dat de man daarop werkelijk hoopte omdat hij meende dat God dan zou komen om eenieder die het niet met hem eens was, uit te roeien. Want voor dergelijke mensen is, indien ik hen goed begrijp, het Koninkrijk Gods iets, waarin eenieder, die het niet met hen eens is, niet thuis behoort.
Ik heb mij wel eens afgevraagd of deze, zich uitverkoren gevoelende mensen ooit zullen begrijpen dat de werkelijkheid van het mens-zijn, maar ook de sleutel van eigen innerlijk berust op het feit dat er allerhande tegenstrijdigheden voortdurend aanwezig zijn.
Werkelijke esoterie is het erkennen van de innerlijke tegenstrijdigheden en dan erkennen dat er een innerlijke evenwichtigheid juist dankzij deze strijdigheden bereikt kan worden. Tenminste, zo denk ik er over. Ik heb daarover wel eens verschil van mening gehad met een broeder. Neen, niet iemand van een van de meer bekende loges. Ik zeg het maar even, anders, verdenkt u mij er weer van met het een of ander de draak te steken. En ik heb een hekel aan draken, dus steek ik ze nooit. Ik heb een tijdje in een logement gezeten en de vrouw van de baas was er werkelijk een. Vanaf dat ogenblik kan ik geen draak meer zien. Maar om terug te komen op die broeder. De man zei: bewustwording is het opgaan van de trappen der wijsheid. Ik wil natuurlijk altijd weer graag weten hoe de zaken zitten, dus informeerde ik hoeveel treden het dan wel waren. Dat zijn er, sprak hij plechtig, drieënzestig maal drieënzestig. Waarop ik hem meedeelde dat het zeer interessant was, maar dat ik met zijn systeem van esoterie wel even zou wachten tot men een lift had gebouwd. Je kunt een mens of een geest soms wel eens te veel vragen, vindt u ook niet? Toen ik er later nog eens over nadacht, kreeg ik het gevoel dat je wanneer je de trappen opgaat, in feite eerder stommer dan wijzer moet worden. Want bij elke nieuwe trede laat je immers alle andere treden achter je? Ik heb het gevoel dat bewustwording niet zozeer een kwestie is van stijgen dan wel van groeien. Ware esoterie is volgens mij een besef dat zozeer groeit, dat het op de duur in staat is om een gehele Melkweg in zich te bevatten en dan alle delen daarvan apart en naar wens kan bekijken, alles in zichzelf. Zoals iemand elk ogenblik van de tijd kan nemen en ook elk facet daarvan afzonderlijk in zich kan vasthouden en bestuderen. Ik heb die stelling eens tegen iemand verkondigd die beweerde dat dit volgens hem geen esoterie meer was, maar eerder onzin. Waarop ik terug heb gezegd dat hij dan volgens mij nog niet ver gevorderd was in de esoterie. Want wat moet je in zo een geval anders zeggen.
In ieder geval heb ik wel ontdekt dat je na vele gedachtewisselingen over dit onderwerp op de duur tot een geheel eigen beeld van de mens en de kosmos komt. Mijn beeld is in ieder geval enigszins middeleeuws. Ik ben nl. geneigd om te zeggen: De mens is in feite in zich de kosmos die hij buiten zich veronderstelt. Maar buiten hem bestaat een werkelijke kosmos. Eerst wanneer hij deze geheel in zich heeft teruggevonden, zal hij bereikt hebben en zal hij een bewuste en volwaardige mens geworden zijn. En dat impliceert voor mij, al leef ik dan in een sfeer, zelfkritiek. Want zo ver heb ik het niet gebracht. Dit als u mogelijk dacht dat dit de reden was voor mijn lange afwezigheid. De werkelijke oorzaak is trouwens gelegen in het andere werk dat ik ook nog wel eens doe. Of dacht u dat mijn bestaan gevuld was met zo nu en dan hier eens een halfuurtje kletsen?
Bovendien heb ik nog heel wat te leren. Want ik weet heel goed van mijzelf dat ik zo ver nog niet ben. Ik ben nog steeds een bundeltje tegenstellingen. Wat uit mijn betoog trouwens wel duidelijk zal zijn geworden. Maar ik denk steeds weer dat ik, wanneer ik al die tegenstellingen die ik in en van mijzelf erken eens tot een perfect evenwicht zou kunnen brengen, al heel veel bereikt zou hebben.
Waarmee ik meer gezegd heb over het wezen van de esoterie dan de meesten onder u op het ogenblik vermoeden. Het is ook te begrijpen dat u bepaalde nuances mist. De meeste mensen immers denken dat ware esoterie iets plechtstatigs is. Plechtstatigheid is de schmink, waar achter men het gezicht van de werkelijkheid probeert te verbergen. Geloof mij, de werkelijkheid is levendig en vol van beleven. En de esoterie is niet anders, want ook zij is deel van de werkelijkheid.
Daarom zeg ik op mijn beurt: lieve mensen; ik heb het mogelijk nog niet zo ver geschopt, maar zolang ik in mijzelf nog enig evenwicht weet te behouden en wat kan lachen om mijzelf en om de wereld zal ik wel steeds iets bewuster worden. Juist wanneer ik steeds weer even lachen kan om mezelf en om de wereld, kan ik de wereld beter en zo ook de tegenstellingen in mijzelf gemakkelijker erkennen, zelfs tot enig evenwicht brengen. Indien ik jullie iets toewens is het dat: Gevoel voor humor, besef van tegenstrijdigheden, vooral in jezelf en het vermogen om de tegenstellingen in je eigen wezen steeds weer tot evenwicht te brengen. Want daaruit en niet uit het bereiken van het grote niets komt de werkelijkheid voort. Er zijn mensen, die het grote niets inderdaad bereikt hebben. Die zijn dan ook tot niets geworden. Je ziet het wel bijna niet aan ze wanneer je met hen spreekt, maar toch heb ik dan het gevoel: ik hoor alleen een echo uit mijzelf, weerkaatst door het grote niets.
Neen, ik houd het voorlopig op de tegenstellingen, al is het alleen maar omdat in het gebied tussen deze tegenstellingen voor mij het beeld ligt van een werkelijkheid, die wij kunnen begrijpen.
