Werkelijkheid: aanpassing – Les 09 – Wereldbeeld

image_pdf

juni 1964

Wereldbeeld

Wanneer wij de wereld zien, dan heeft zij in onze ogen een speciale karakteristiek, karakteristieke eigenschappen dus, die echter niet altijd feitelijk zijn. In de wereld is er een voortdurend spel van illusie en van werkelijkheid. Om deze wereld beter te leren kennen en om te begrijpen wat haar beheerst, zullen wij dus ook moeten zien wat er achter de spiegel van de uiterlijkheden verborgen is. Voor een gedeelte van deze uitleg wil ik u verwijzen naar hetgeen u te lezen krijgt in Cursus I (Inzicht). Daar is nl. al heel wat gezegd over dit onderwerp en ik geloof niet, dat het goed is om dat nog eens te herhalen. Wat echter wel interessant wordt, is de achtergrond.

Als men de wereld met al haar mensen beziet, dan toont zij een uiterlijk beeld. Dit beeld wordt niet, zoals men wel eens denkt, bepaald door het individu. Het wordt bepaald door de massa. De massa handelt volgens regels en wetten en gehoorzaamt aan invloeden, die voor het individu als zodanig niet bestaan. Het is heel belangrijk, dat wij dat begrijpen, want je moet leven als individu, je moet persoonlijk werken, streven en bereiken. Maar de wereld, waarin je leeft kan nooit worden beoordeeld aan de hand van persoonlijkheden, doch slechts aan de hand van de massa, die de mensheid en haar milieu als het ware uitmaakt. Wat is in de massa dan opvallend?

In de eerste plaats, dat de ethiek, die voor het individu pleegt te gelden, voor de massa niet of in veel mindere mate geldt.

In de tweede plaats, dat de flexibiliteit, die het individu kan bezitten in de aanpassing aan omstandigheden maar ook wel degelijk in het bezien van allerhand stellingen en leringen, in de massa afwezig is.

 In de derde plaats moeten wij zeggen, dat — terwijl het individu vooruitstrevend kan zijn — de massa altijd behoudzuchtig is.

Als wij die punten hebben gesteld, krijgen wij al een heel ander beeld van de wereld. Er is kennelijk sprake van twee afzonderlijke waarden: de wereld als zodanig en de persoonlijke wereld, waarin wij leven. De wereld als geheel zal in haar reserve altijd ver achterstaan bij het individu. Iemand, die zich wil richten op de massa om daar een bewustzijn te vinden, zal zelden een hoog peil bereiken. Degene, die in zich een hoog bewustzijn wil bereiken, kan dat wel verwerkelijken en hij zal zelfs daarvan iets, al is het niet veel, aan de massa kunnen overdragen.

Hoe komt die wereld tot stand? Er is daarover een hele geschiedenis: Het scheppingsverhaal. Dat scheppingsverhaal wordt in elk land anders verteld. Het wordt altijd weer herleid tot een oergod en deze oergod blijkt over het algemeen identiek te zijn met of althans parallellen te vertonen met de tijd. De scheppende Godheid van onze wereld is een invloed, waardoor wij beleven. Daarover zijn de oudste en de nieuwste godsdiensten het ergens eens. En dan kunnen wij verder stellen: In praktisch elk leerstuk omtrent het ontstaan van de kosmos wordt aan de wereld een voorname plaats toegekend. Maar die voorname plaats bestaat slechts van uit het standpunt van de mens. Dit laatste wordt niet altijd gedefinieerd, maar kan toch wel aan alle leerstellingen worden ontleend.

Dan blijkt, wanneer wij in de sferen gaan kijken, dat er in het heelal een groot aantal parallellen bestaat, die alle aan onze wereld doen denken. Zij zijn iets verder of minder verder, zij tonen wat andere vormen, andere mogelijkheden, maar ergens is er toch een gelijkenis. En dus mogen wij op grond hiervan onze wereld ook nog eens als een soort kosmogonie gaan beschouwen, waarbij wij stellen:

Elke wereld komt tot ontwikkeling in overeenstemming met de rijpheid van haar bewoners. Er zal altijd tussen de ontwikkeling van een wereld en het hoogste geestelijke peil van de daar op levende wezens een zeker evenwicht bestaan. Naarmate het bewustzijn van de bewoners groter wordt, zal de wereld op hun leven minder invloed hebben, maar zal zij gelijktijdig gewelddadiger op hun bestaan reageren. Dat blijkt overal.

Dan zeggen wij verder: De tijd is de gemeenschappelijke factor, die wij overal kennen. Er is geen enkele mogelijkheid een constante te bedenken die voor alle werelden bestaat, behalve dan de tijd en de tijd is dan niet een constante in tijdrekening maar als het ware een vloed van gebeurtenissen, die overal plaatsvindt. Wanneer deze vloed van gebeurtenissen plaatsvindt, ontstaat er een wereld. Wanneer een wereld ontstaat, dan ontstaat daarop de mogelijkheid tot leven. Wanneer die mogelijkheid wordt gerealiseerd, zal er een balans tussen het leven op die wereld en de wereld zelf tot stand komen, waarbij — naar wij kunnen vaststellen — in het begin wel andere geestelijke krachten een rol spelen, maar waarbij ten slotte toch het gedrag van de hoogst bewuste vertegenwoordigers van het leven op zo’n planeet de beslissende stem heeft. Dan mag worden gezegd:

  1. Het Onbekende of God schept de wereld door Zijn wetten en niet persoonlijk.
  2. Dank zij deze wetten zal elke wereld zich ontwikkelen in overeenstemming met haar bewoners en is het niet zo, dat de bewoners zich alleen in overeenstemming met hun wereld kunnen ontwikkelen. Een typisch verschijnsel. Ik kom daar zo dadelijk op terug.
  3. De golven van invloeden, die van buitenaf komen, helpen de ontwikkelingsfasen van de bewoners als individu bepalen. Een kosmische invloed doet dus een gemiddeld hoger individueel bewustzijn ontstaan. Maar deze invloeden werken veel minder direct in op alle verschijnselen van massa en van gemeenschap.
  4. In de tijden dat de mens onbewust is, zoekt hij naar een God.  In de tijd dat hij een God heeft gevonden, zoekt hij naar de beheersing van de schepping van die God en zodra hij de schepping van die God meent te beheersen, tracht hij die God te vergeten.

Dit zijn zo enkele punten, die men in elke wereldontwikkeling tegenkomt. Wij moeten proberen ons aan te passen aan de feiten, zoals zij nu bestaan. En wij kunnen dus die hele kosmogonie met alle grote krachten en invloeden, die daarin een rol spelen, terzijde laten. Voor ons gaat het erom: In welke fase verkeert de wereld vandaag? En dan kan worden  gesteld:

  1. De wereld van heden wordt voor ongeveer 60 % beheerst door haar bewoners. De invloed van de bewoners gezamenlijk op het levensmilieu is dus groter geworden dan dat van de wereld en zelfs van de wereldgeest zelf.
  1. Ten tweede kunnen wij opmerken, dat de mensheid voor een groot gedeelte aan zijn godsgeloof is ontgroeid en dat de materiële beheersing velen dwingt in de richting van een Godsverwerping ofwel het scheppen van een irreële en alleen op een persoonlijke denkwijze gebaseerde Godheid. Er is dus in deze tijd een tekort aan Godsbesef en een teveel aan waardering voor materiële beheersing.
  1. De rust, die de mens kent die in contact is met de natuur en met de wereld, verbleekt zodra de mens in te grote gemeenschappen gaat leven. Hoe groter de gemeenschappen en hoe strenger de regels waarbinnen die gemeenschap wordt gevormd, des te minder sterk de invloeden van het Goddelijke, van het kosmische, maar ook van de wereld zelf zijn.

Hier begint zich het beeld van het heden af te tekenen. De mens van vandaag staat tegenover zijn God zeer vreemd. De God als een soort almachtige Sinterklaas beschouwen kan hij niet meer, daarvoor denkt hij te redelijk. Zijn God aanvaarden als de beslissende factor voor zijn hele leven en gebeuren, is ook niet meer mogelijk. Hij heeft een te grote beheersing gekregen over zijn milieu om God als albeslissend nog te aanvaarden. Hij heeft verder de neiging gekregen om de massa te stellen boven het individu. En dit is logisch, want de massa is behoudzuchtig. En uit de massa probeert men een stabiel beeld te produceren.

Maar dat stabiele beeld kan alleen maar bestaan, indien het individu daardoor wordt gekwetst of teniet gedaan. Scherpe tegenstellingen, die in een tijd van overgang, waarin de kosmische invloeden gaan wisselen over het algemeen leiden tot onredelijke consequenties. Dit is dus met al haar redelijkheid en verstand een wereld, waarin onredelijkheid de boventoon voert. Misschien zult u dat zelf niet zo gemakkelijk ontdekken, maar het is toch een feit.

Wanneer wij horen, dat er een overbevolking is en dat toch kinderbijslag nodig is, dan moeten wij ons toch afvragen, of dat wel redelijk is. Wanneer wij horen, dat de gehele wereld de vrede wenst en dat men daarom atoombommen moet maken, dan vragen wij ons ook af, of er daar ergens een schroefje is losgeraakt. En wanneer wij dan bovendien nog horen vertellen, dat wij om de welvaart van allen te bevorderen aan elke groep afzonderlijk grote voorrechten moeten verschaffen, dan vragen wij ons helemaal af, waar dat naartoe gaat. Blijkt het dat als eindconclusie nog wordt gesteld — en heus dat gebeurt — dat het dus noodzakelijk is dat wij zullen denken voor alle dwazen (die dwazen bent u dan), dan kunnen wij ons wereldbeeld wel afronden met de gevolgtrekking: Dit is een tijd, waarin het individu alleen ondanks de gemeenschap tot zijn eigen ontwikkeling kan komen, maar nooit uit de gemeenschap een steun daarvoor mag verlangen of verwachten.

Dat ziet er een klein tikkeltje pessimistisch uit zo op het eerste gezicht. Maar naarmate het individu meer wordt onderworpen aan normalisering, blijkt. het ook sterker geneigd te zijn ketters te worden. Wij hebben dat vroeger bij de godsdiensten gezien. Naarmate een godsdienst dogmatischer wordt, moedigt zij dogma’s, verborgen en openlijke afwijkingen van de leer, steeds sterker aan.

Ditzelfde zien wij in de maatschappij, in de gemeenschap gebeuren. Men wordt als het ware genoopt om af te wijken van de norm, van de wet en dit verzet op zichzelf kan nuttig zijn, omdat daarmede de individualiteit wordt bewezen. Het houdt nog niet in, dat het verzet op zichzelf goed of gunstig is, maar het is in ieder geval een losweken van het “ik” van deze vaste wereld, van de menigte. Omdat men zich over het algemeen zwak gevoelt, wanneer men zich tegen de maatschappij verzet, tracht men dit ook gemeenschappelijk te doen. Maar binnen die gemeenschap eist men voor zich een persoonlijke vrijheid op, wat men binnen de grote mensheid, de menselijke waarde van de gemeenschap, niet meer durft doen.

En dan zijn wij gekomen aan een paar punten, die dit wereldbeeld dus wel gemakkelijk omschrijven. Rebellie van de eenling wordt tot rebellie van de groep. Elke groep die rebelleert, tracht haar eigen wet te stellen in de plaats van de bestaande wet. Hoe sterker de handhaving van de gemeenschapswet, de gemeenschapsregel en –norm is, des te groter en intenser het verzet zal worden van de kleinere groepen. In deze kleinere groepen zal de individualiteit iets sterker kunnen spreken dan in de grote groep, naar het is niet zeker dat dit altijd zo zal blijven. Zodra een minderheid tot meerderheid wordt, verliest zij haar persoonlijke eigenschappen en gaat zij op in het bestaande gemeenschapsbeeld.

Als wij zo die wereld bezien, dan moeten wij dus onze eigen plaats daarin proberen te definiëren. Het “ik” moet zichzelf zijn. Dat hebben wij al eerder gezegd. Voor dat “ik” gelden dus — zeker in deze tijd — bepaalde regels. Wanneer het “ik” die regels voor zichzelf erkent en volgens deze regels leeft, wijkt het automatisch af van de gemeenschap. Die afwijking van de gemeenschap is op zichzelf volledig goed en aanvaardbaar, maar mag niet leiden tot innerlijke strijdigheden. Innerlijke strijdigheid is het gevaarlijkste dat er in deze tijd bestaat. Zoek dus in de eerste plaats een weg in deze wereld, waarin u tevreden kunt zijn, maar gelijktijdig altijd weer iets nieuws vindt. Gewoon tevredenheid zonder is verstarring. Maar tevredenheid met een procedure, met een weg, die u volgt, betekent in vrede (en dus met volle absorptie-mogelijkheid) nieuwe facetten van de wereld voor uzelf omvamen.

Gaat men nog wat verder kijken naar de persoonlijke ontwikkeling, dan blijkt dat reeds lange tijd (en niet slechts enkele honderden jaren) de mensheid voor de werkelijke vernieuwing van haar procedure, haar wetenschap en haar geloof afhankelijk is geweest van individuen. Dan mag dus de vernieuwing, die in deze tijd komt, zeker niet worden gesteld als iets dat uit de menigte wordt geboren. Het zullen individuen zijn, die vaak tegen de geldende regels van wetenschap, staatsmanschap of wat anders in een weg kiezen, welke inderdaad grote en nieuwe mogelijkheden baart.

Omdat alle werkelijke vernieuwing dus uit een individu en zelden of nooit uit een groep zal plaatsvinden, mogen wij bovendien wel in aanmerking nemen dat elke vernieuwing sterk bestreden zal worden. Per slot van rekening, dat is geen wonder. Het is vroeger ook al gebeurd. De man die zei, dat de aarde draaide, moest het herroepen. Degene die sprak over zijn innerlijke God als belangrijker dan al het andere, moest de gifbeker ledigen. En zo kunt u doorgaan. Altijd weer zal dus de strijd van het individu om zijn nieuwe erkenningen door te zetten de belangrijkste rol spelen in het wereldbeeld van het heden. En gezien de algemeen geldende rebellie, gezien de overal optredende kosmische krachten, die vaak zeer sterk zijn en met grote intensiteit inwerken, mogen wij aannemen dat wij voortdurend moeten zoeken naar de zonderlingen, die ons een nieuwe these, een nieuwe theorie, een nieuwe praktijk, een nieuwe mogelijkheid hebben aan te bevelen. Het zijn dezen, waarvan wij werkelijk kunnen leren. Het zijn dezen, die de nieuwe tijd vormen; niet de groepen, niet de massa, niet het algemene ideaal.

Wat kan men in zo’n wereldbeeld dan nog meer vinden? Natuurlijk, wij worden geconfronteerd met de natuur en ook met de vliegende schotels. Wij worden geconfronteerd met de geest en met materialistische werkelijkheden. Wat bepaalt dit wereldbeeld het sterkst? Een ieder, die op deze wereld iets tot werkelijkheid maakt, heeft gedacht en heeft gedroomd. Belangrijk is dus zeker de droom, van deze tijd voor de analyse van het wereldbeeld. De droom van deze tijd blijkt een tweeledige te zijn. Enerzijds schept zij belangrijkheid voor het “ik”, anderzijds bezit of een stoffelijke uitdrukking van belangrijkheid. Omdat bezit een zeer grote rol speelt in al deze dromen, kan ook worden aangenomen, dat in deze periode elke vernieuwing ook een materiële basis zal hebben. Wij kunnen niet verwachten, dat in deze tijd een openbaringsgodsdienst zonder meer succes heeft. Zij kan eenvoudig niet slagen, omdat zij de materiële basis ontbeert, die noodzakelijk is: een beroering van uit het materiële.

Eens ontving de mens van uit het hogere zijn inzichten en bracht deze op zijn wereld tot uiting. Nu is de zaak omgekeerd. In de nieuwe tijd zal de mens zijn inzicht op aarde en in de materie moeten bereiken en hij zal dit van uit zich naar het Goddelijke projecteren; en door deze projectie ontstaat dan de juiste wisselwerking. Wij zien, dat de goddelijke krachten in de mens worden weerkaatst. Hoe belangrijk de materie zelfs voor het geestelijke is, moge ook blijken uit het feit dat een ieder, die in deze tijd alleen geestelijk streeft, met mislukking of vervreemding van de werkelijkheid wordt geconfronteerd. De mogelijkheden tot slagen zijn veel kleiner en geven een veel minder intense beleving; het blijft alles vaag. Datgene, wat op de materie is gebaseerd echter en gelijktijdig op het hogere blijft gericht, voert wel tot intense overwegingen, erkenningen en op den duur tot intense bereiking. Ik geloof dus, dat wij in een poging om de wereld in haar huidige conditie nog wat nader te omschrijven mogen zeggen: In deze wereld van woorden wordt de daad al-belangrijk. De eerste omschakeling, die wij in deze wereld kunnen verwachten (iets, wat nu dus aan de gang moet zijn) is wel de omschakeling van het idee, en van het woord naar de daad. (Het lijkt misschien een klein beetje op een clublied van Feyenoord, maar het is meer dan dat.) Er is geen behoefte aan een theorie, er is vaak zelfs geen behoefte aan een spelregel. Er is eenvoudig behoefte aan de mogelijkheid te overwinnen. Er is geen behoefte aan mooie redenen, aan heerlijke ethische achtergronden. Er is eenvoudig een behoefte aan zelfrealisatie en wanneer die bestaat, dan komt al het andere daaruit voort.

Het resultaat is, dat zeer veel mensen worden geslingerd tussen hun begrippen van het oude en hun persoonlijke drang naar het nieuwe. Zij zullen dit heel vaak trachten op te lossen door van milieu te veranderen, in hun milieu grote veranderingen aan te brengen, kortom, de bekende waarden te ontvluchten.  Maar de regels en de krachten, die uit dat milieu zijn voortgekomen, dragen zij met zich mee.

De mens moet in zich vrij worden.  Niet vrij worden van zijn milieu. De mens moet in zich een doel vinden.  Hij moet niet zoeken naar een doel dat ergens buiten hem ligt. Jezelf als het ware tot doel worden, tot reden van bestaan en zelfs tot vervulling van het bestaan is dan ook wel één van de tendensen, die ik in de toenemende invloed van Aquarius noodzakelijk acht. Het is onvermijdelijk. Wat komt voor ons daaruit voort? Voor onszelf de grote moeilijkheid om met het verleden af te rekenen. Wat geweest is, is geweest. Of het een lering was of een regel, een godsdienst, een geloof of een menselijke verhouding, wat was is voorbij. Het heeft voor ons bewustzijn gevormd, het heeft ons ervaring gegeven; daarmee moeten wij voorlopig volstaan. Zodra wij trachten een wissel op dit verleden te trekken, zijn wij niet meer in staat in de nieuwe tijd te reageren en te werken. Dus zullen wij van het heden moeten uitgaan.  Iets wat kennelijk zeer moeilijk is, zelfs voor ministers die op het laatste ogenblik nog een paar miljoen tevoorschijn weten te toveren. Men wil eenvoudig niet af van dat wat bestond. Maar al dat oude heeft zijn karakter veranderd.

Er is een tijd geweest, dat spionage een levensbelang was.  Tegenwoordig is het voor velen een sport, ook voor regeringsinstanties. Er is een tijd geweest, dat de politiek op zichzelf een belangenwerk was, waarbij het niet meer ging om het politiek maken, maar om het bereiken van iets in een land.  Op het ogenblik is het een spel geworden, een politiek toernooi, een steekspel.

In de kerken ging het eens om de openbaring van God.  Op het ogenblik gaat het er meer om dat de mensen zeggen, dat zij God op uw manier aanvaarden. Het is wederom een soort spel geworden. De inzet van het hele wezen, van het hele leven als het ware zoals deze vroeger bestond in een roeping, in een wijze van werken, van denken en van geloven, is teloor gegaan. En nu kunnen wij wel zeggen, dat het toch wel mooi was, dat men vroeger zo kon geloven, werken, streven en beleven, maar wij bereiken er niets mee. Wij zullen dus alle oude stellingen en doeleinden overboord moeten zetten. Daar velen in de wereld dat niet kunnen doen, zullen zeer hevige en grote conflicten moeten ontstaan tussen de oude methodiek, de oude sleur en gewoonte en de nieuwe kracht.

Maar wij zijn er nog niet. Want deze wereld waarop u leeft, mijne vrienden, heeft vele banden met de geest. Dat wist u allang. Die banden met de geest echter, lopen niet alleen maar naar een bepaalde sfeer en zij zijn niet alleen maar het product van mensen, die er eens hebben geleefd of van regerende geesten die toezien. Uw wereld is verbonden met bepaalde harmonieën of frequenties, die in het Al bestaan en dat zijn zowel geestelijke frequenties als materie-vormende en ook materie-aantastende frequenties.

Al deze trillingen veranderen op het ogenblik. En dat wil zeggen dat processen, die eens chemisch mogelijk waren, steeds minder mogelijk worden.  Dat processen, die eens niet mogelijk waren, nu wel mogelijk zullen worden. Degenen, die dat ontdekken, zullen waarschijnlijk spreken van een ontwikkeling van de kennis van het verleden. Ze beseffen niet, dat men vroeger deze dingen niet kon ontdekken, ontwikkelen en gebruiken om de doodeenvoudige reden, dat de achtergrond daarvoor er niet was.  dat de trillingsfrequentie, de kosmische vibratie, die daarvoor nodig is, niet bestond. Hoe sterker dus deze geestelijke inwerkingen gaan veranderen, des te sterker de eigenschappen van de wereld en de materie zich zullen wijzigen.

Op grond hiervan kunnen wij omtrent het huidige wereldbeeld zeggen, dat er een voortdurende deterioratie van oude waarden zal plaatsvinden, en dat degenen, die aan deze oude waarden hechten, hun bezit maar ook hun mogelijkheden en hun vreugde ervan steeds zullen zien afnemen.

Wij zullen zien, dat er daarnaast nieuwe wegen bestaan, die men misschien niet zo graag gaat. Wegen, die kunnen voeren tot perfectie. Ik zal er een voorbeeld van geven. Er is een tijd geweest, dat men in Europa geen aardappels kende. Toen de aardappel eenmaal als volksvoedsel werd geïntroduceerd in Frankrijk, was er heel weinig belangstelling voor. Het heeft heel wat regeringsmaatregelen gekost om het zover te brengen, dat de mensen aardappelen begonnen te eten. Toch is een groot gedeelte van de graanovervloed van de westerse wereld te danken aan de aardappel. In de tijd, dat de aardappel populair word, kunnen wij gelijktijdig zien, dat de waarde van andere voedingsmiddelen, vooral de bereidbaarheid van vleesvoeding en ook wel van bepaalde graansoorten minder werd. Wij kunnen op het ogenblik constateren, dat de kwaliteit van vele graanproducten steeds minder wordt. Ik zeg niet, dat het graan minder wordt, maar de producten.

Wij kunnen constateren, dat de vleesvoeding wederom veel schaarser gaat worden en daaruit kunnen wij maar één conclusie trekken: er zal dus een nieuw voedingsmiddel moeten worden geïntroduceerd. Er zal den nieuwe voedingsmethode ontstaan en op den duur voedingsgewoonte, die de tekorten, welke nu aanwezig zijn, opheft en vervangt. Ik geef hier een voorbeeld op één enkel niveau. Maar het zal overal precies hetzelfde zijn. Wij zien bv. dat er in een periode van verstarring, van tempelleer, een groot aantal filosofen optreedt, waaronder ook profeten en gezondenen. Wij zien, dat in een periode, waarin de kerk vastloopt in haar eigen besef van belangrijkheid, een reformatie optreedt. En wij zien, dat in de periode, waarin dat is gebeurd, men heeft geprobeerd om de kloof nog te overbruggen.

In deze tijd tracht men binnen vele godsdiensten — en niet alleen binnen de christelijke — zeer ernstig ontstane kloven te overbruggen. Wij zien echter steeds meer profeten, denkers en filosofen komen — stammend vaak uit een bepaald geloof — stellingen verkondigen, die daar maar heel moeizaam kunnen worden geaccepteerd. Conclusie: Wij moeten ons op het ogenblik bevinden in een tijdperk, waarin ook een religieuze vernieuwing plaatsvindt.

Wij hebben in het verleden vele perioden kunnen zien, waarin de levensgewoonten van de mens ofwel tot een buitengewone vrijzinnigheid, dan wel tot een buitengewone gestrengheid van zeden voerde. In beide gevallen ging dit vooraf aan een grote verandering, meestal de val van de bestaande systemen en de geboorte van nieuwe. Op dit moment zien wij enerzijds de neiging tot steeds strengere regeling, anderzijds zien wij gelijktijdig een steeds grotere vrijzinnigheid ontstaan. Beide eigenschappen, die in het verleden meestal op verschillende plaatsen voorkwamen, vinden wij nu tezamen en praktisch overal. Conclusie: Er moeten reeds nu reeds zeer sterke omwentelingen op maatschappelijk en menselijk terrein aan de gang zijn.. Hoe moeten wij ons daarop oriënteren?

In de eerste plaats mogen wij ons niet oriënteren op het oude. Nogmaals wat geweest is, is geweest.  Dat is voorbij.

In de tweede plaats mogen wij ons nooit oriënteren op iets, dat in onszelf strijdigheid, zelfmisachting e.d. tot stand zou kunnen brengen.

In de derde plaats mogen wij ons zeker niet oriënteren op iets, waarin wij niet voelen iets te kunnen bereiken, dat voor ons geen verwezenlijking betekent.

Om ons in deze tijd op de juiste wijze aan te passen aan het bestaande wereldbeeld is het noodzakelijk te zoeken naar nieuwe inzichten.  Die kunnen soms nieuwe interpretaties van het oude zijn, maar zij moeten vrij staan van alle, geborgenheden en regels van het oude.

Verder zullen wij moeten zoeken naar die dingen, welke onze persoonlijke beleving, onze vreugde, onze harmonie vergroten en niet verkleinen. Wij zullen moeten zoeken naar een persoonlijke vrijheid, waarin wij menen onze eigen verantwoordelijkheid volledig te kunnen dragen.

Wij zullen moeten zoeken naar nieuwe methoden van leven, van werken en van denken; naar methoden, waardoor wij — al gaat dat misschien een beetje buiten de gangbare norm om — juister kunnen werken, neer kunnen presteren en voor anderen en voor onszelf meer waardevol zijn.

Wat moeten wij daarbij dan nog meer vermijden? Ik wil proberen u ook daarin een klein inzicht te geven.  De tendensen, die op het ogenblik de wereld beroeren, trekken om de wereld. De meeste doen dat van oost naar west, enkele echter in omgekeerde richting. Die invloeden gaan dus van plaats tot plaats. Heeft u een invloed ondergaan en komt die dan nog een keer opzetten, dan wordt u dubbel beïnvloed en zult u niet meer passen bij de wereld (de wereld ondergaat u maar één keer), u wordt extremist en in dit extremisme zult u over het algemeen te weinig beheersing en zelferkenning hebben om iets te bereiken.

Zoek uw taak niet in vele verschillende delen van de wereld. Zoek haar zoveel mogelijk binnen een vast milieu, maar volbreng haar dáár dan ook volgens de nieuwste erkenningen en waarden, die u bezit. Dan moeten wij nog even nadenken over de vraag: Hoe zit dat met het milieu? Wij zijn de eenling in de massa, die ons vaak vijandig zal zijn in deze tijd, omdat zij immers behoud zuchtiger is dan het individu. ik geloof, dat de moderne mens, die zich wil invoegen in deze vernieuwing, in de eerste plaats rekening heeft te houden met zijn ego, met zichzelf. Maar hij kan van uit dit ego zelden iets bereiken, indien hij zich, voordat hij een definitieve waarde in zich draagt, dus als het ware een bewijs in handen heeft, keert tegen de gemeenschap.

De zaak is dus: Maak zo concreet mogelijk in uzelf een nieuwe waarde, een nieuwe ontdekking rijp — een stoffelijke of een geestelijke. En wanneer u die in uzelf volledig heeft geconcretiseerd, ontdaan hebt als het ware van alle bijvoegsels en zoveel mogelijk hebt vereenvoudigd, maak haar dan tot deel van uw uiterlijk leven. Wie echter in deze tijd reeds met een halve ontdekking of met een half begrip wil trachten anderen te overtuigen of naar zich toe te dwingen of tot een aanvaarding te brengen, zal ontdekken dat hij daarin niet slaagt en dat hij zijn eigen bereikingen vaak teloor ziet gaan.

Dan moeten wij nog rekening ermee houden, dat wij binnen de gemeenschap niet alleen maar te maken hebben met de wetten van die gemeenschap. Elke wet, die in een gemeenschap bestaat, wordt voortdurend anders geïnterpreteerd en bij deze interpretatie spelen twee dingen een rol: In de eerste plaats het belang van de sterkste of de grootste massa.  In de tweede plaats echter de kosmische invloed, die optreedt. Op het ogenblik, dat wij proberen de regels, rechten, wetten en verplichtingen, die er rond ons bestaan, letterlijk te interpreteren, lopen wij groot gevaar daaraan ten onder te gaan. Want deze letterlijke interpretatie bestaat in wezen niet. Wij moeten trachten aan te voelen wat deze tijd is en van uit deze tijd werken. U ziet, dat ons wereldbeeld dus wel concrete gegevens en wetten mogelijk maakt.

Nu is het nooit mogelijk een volledig concrete regel te geven. Elk mens is een klein beetje anders en heeft andere mogelijkheden. Wat voor de een goed is, zou voor de ander kwaad kunnen zijn en omgekeerd. In de algemene regels echter, geloof ik toch wel, dat wij er enkele mogen noemen, die juist nu volgens mij in deze periode van het allergrootste belang zijn.

  1. Onderschat uzelf niet. Realiseer u, dat u meer kunt en meer bent dan u pleegt te doen of te zijn. Juist door dit in uzelf actief te maken, zult u in deze tijd een aanpassing, vinden.
  1. Ga nimmer af op anderen. Wat u zelf doet is goed of kan goed zijn. Doe alles zelf, opdat geen verantwoordelijkheid aan anderen wordt toegeschoven, die u zelf nog kunt dragen. Opdat geen taken in handen van anderen worden gelegd, die u zelf even goed of bijna net zo goed meent te kunnen volbrengen.
  1. Besef, dat alle waarden op dit ogenblik veranderen. Wanneer die verandering plaatsvindt, zullen de huidige normen ophouden te bestaan. Richt u bij het zoeken naar bezit, verdienste, bewustwording e.d. daarom niet op de nu gangbare maatstaven, maar tracht te voorvoelen wat de komende maatstaf zal zijn. Door vooruit te lopen, vooral in uw gevoelswereld, op dat wat eens waarde zal bezitten, zult u reeds nu kunnen werken in de richting van de reële toekomst.
  1. Besef, dat niemand uw meester is dan Hij, Die u heeft geschapen. Zoek uw gezellen die uw weg gaan, maar zoek geen Meester, die u zal dwingen om zijn weg te gaan. Hoor alles aan, wat anderen u zeggen, volbreng desnoods de werkzaamheden, die anderen u opdragen, maar vraag u steeds daarbij af: Wat steekt hier voor mìj in? Wat vind ik hierin? Want slechts wie uitgaat van zichzelf en van zijn eigen reactie op de wereld, zal de juiste aanpassing vinden aan de ritmen van de tijd, aan de nieuwe trillingen van de komende periode.

Dit wereldbeeld zal een aanvulling moeten krijgen. Die aanvulling zal moeten voortvloeien uit de besluiten, die worden genomen in deze periode. De grote Raad van de Witte Broederschap overweegt thans hoe zij zal handelen. Haar handelingen zijn echter aan dezelfde regels onderworpen, die ook ik u heb genoemd. Zij staat niet los daarvan of daarboven. Daar haar acties deze wereld betreffen, is zij evenzeer gebonden aan kosmische ritmen, aan bepaalde trillingen en veranderingen van trillingen als uzelf. Haar besluiten zullen dan ook alleen aangeven welke tendensen men meent voor een vernieuwing van de massa, voor zover dit mogelijk is, te kunnen gebruiken. De Witte Broederschap zal steeds grijpen naar de massa, niet naar het individu. Slechts waar het gaat om het deelgenootschap in de Broederschap speelt het individu een rol, maar wat haar werk betreft, altijd de massa.

Ik neem dan ook aan, dat — zodra wij wat meer weten over die besluiten, misschien de volgende maand, maar waarschijnlijk iets later dan de volgende bijeenkomst — wij zullen trachten u daarover voor te lichten. Want uw wereldbeeld is zeker niet volledig, indien u niet begrijpt wat de grote krachten en Meesters in het algemeen doen. Alleen zo kunt u zich aan de werkelijkheid aanpassen.

Persoonlijke verantwoordelijkheid

Vaststellen waar een persoonlijke verantwoordelijkheid ligt en hoe die bestaat is voor de doorsneemens een moeilijk probleem. Men is nl. gewend om zijn verantwoordelijkheid alleen te zien tegenover een ander. Verantwoordelijk is men — naar men meent — tegenover God, de Staat, zijn naasten of zijn gezinsleden. Maar daarbij wordt het begrip verantwoording en verantwoordelijkheid niet afhankelijk gemaakt van het eigen “ik” maar alleen van waarden, die daarbuiten bestaan. Waarden, dat moet men wel beseffen, die men nimmer volledig juist zal kunnen definiëren, Want de verantwoordelijkheid tegenover God, die u op zich neemt, is een verantwoordelijkheid die in wezen toch uit uzelf voortvloeit, omdat u die God niet volledig kent en Zijn beeld nimmer volledig zult beseffen.

Een verantwoordelijkheid tegenover uw naasten kan alleen bestaan van uit uw eigen standpunt. Want op het ogenblik, dat u uitgaat van die naasten en hun belangen wilt regelen volgens uw inzicht, zult u die naasten volledig moeten kennen, met alle mogelijkheden en met alle levenswaarden die erin liggen, met alle realiteit van voorgaande bestaansvormen en gevormd bewustzijn. En ook dit bezit u niet. Wij moeten dus de kwestie persoonlijke verantwoordelijkheid allereerst wel gaan betrekken op onszelf. En dan kunnen wij als volgt formuleren: Ik ben. Door mijn bestaan heb ik een visie gekregen op het leven. Mijn plaats binnen dit leven heeft voor mij persoonlijk een zekere betekenis. Zodra ik tegen deze erkende zin en betekenis van mijn bestaan inga, faal ik tegenover mijzelf.

Ik ben tegenover mijzelf dus verantwoordelijk voor al datgene, wat ik doe en laat. Want op het ogenblik, dat ik mijzelf verloochen in de verkeerde zin des woords, zodat ik mijn wezen ontken in mijn daden en gedachten, ben ik schuldig. Ik maak mijzelf de bewustwording moeilijk. Ik zal misschien voor mijzelf bereikte waarden tot stilstand dwingen of zelfs teniet doen .

De persoonlijke verantwoordelijkheid is allereerst de verantwoording, die men aan zichzelf schuldig is. De verantwoording, die voortvloeit uit het besef van eigen wezen en van de taak, die men voor dit wezen in het leven erkent.

In de tweede plaats zullen wij onder het begrip “verantwoordelijkheid” heel vaak vinden een aansprakelijkheid voor andere mensen, maar ook voor goederen en zelfs soms voor toestanden, die onder ons beheer bestaan of ontstaan. Wij kunnen daarvoor echter nimmer volledig verantwoordelijk zijn.

Als u kinderen hebt, dan bent u ervoor verantwoordelijk — dit vloeit uit uw wezen voort — dat zij de middelen ter beschikking krijgen, waardoor zij in de wereld iets kunnen betekenen. Indien zij daarvan geen gebruik wensen te maken en zij voor hun beslissingen een redelijk argument kunnen aanvoeren, dan komt er een conflict. Want moogt ge uw kinderen datgene opleggen, wat uit uw wezen voortvloeit, maar niet tot het hunne behoort? Heel vaak voert dit tot onaangename situaties.

Een kind zou misschien boerenwerk willen doen, maar het wordt gedwongen om notaris te worden. Het zal nooit een goede notaris zijn en het zal ook nooit meer de kans krijgen om  een goede boer te worden. Het is voor zichzelf een mislukking geworden, doordat men teveel wilde. Men achtte zich te zeer verantwoordelijk voor het leven van het kind volgens de inzichten van de ouders. Het moest verkeerd gaan.

Ik geef u een ander voorbeeld. Wij zijn in zekere mate verantwoordelijk voor bezit; ook voor een gemeenschappelijk bezit. Er is een park. In dat park wordt iets vernield. Wij erkennen dit als onjuist. Dan zijn wij niet aan de gemeenschap of aan de Staat verantwoording verschuldigd voor hetgeen er geschiedt, maar aan onszelf. En indien wij niet ingrijpen, zijn wij zelf dus ongelukkig, onrustig. Wij hebben verkeerd gedaan. Maar als wij zien dat een kind een bloem plukt en daaraan vreugde heeft, dan kunnen alle regels zeggen dat wij het moeten straffen, maar als wij erkennen dat het kind in die bloem méér vindt dan al degenen die erlangs gaan, dan zullen wij dat kind eerder helpen met zijn kleine zonde dan het teniet doen. Dat is onze persoonlijke verantwoordelijkheid

Ik heb bezittingen en ik moet deze beheren. Nu kan ik zeggen dat de gemeenschap van mij eist, dat ik die bezittingen zo rendabel mogelijk beheer. Dat mag van uit die gemeenschap juist zijn, maar als dit “zo rendabel mogelijk beheren” gelijktijdig betekent, dat ik daardoor anderen onrecht aandoe of in een positie breng, die voor mij niet aanvaardbaar is, dan geldt de eerste aansprakelijkheid weer tegenover mijzelf, nimmer tegenover dit bezit en de verplichtingen, die daaruit voortkomen.

U ziet uit dit alles reeds, dat een formuleren van het begrip persoonlijke aansprakelijkheid of persoonlijke verantwoordelijkheid nimmer kan worden gebaseerd op een vaste maatstaf, een vaste waarde. Het vloeit altijd allereerst voort uit uzelf. Er zijn echter andere punten, die hierbij een grote rol kunnen spelen. Er zijn mensen, die door opvoeding, door onderwijs, door geloof bepaalde waarden aannemen, ofschoon zij innerlijk daarvan niet zeker zijn. En wanneer zij nu door dit geloof tot een conflict zouden komen met de wereld, zo menen zij heel vaak dat het hun plicht en hun taak is om dit geloof ten koste van alles te handhaven. Voorbeeld:

U gelooft — of hoopt beter gezegd — dat de goddelijke Kracht alle ziekten zonder meer geneest. Uw naaste wordt ziek. U weigert de geestelijke verzorging te doen aanvullen door medische verzorging. Dan bent u schuldig; want uw zekerheid omtrent deze genezing kan niet bestaan, wanneer u overweegt dat een medicus bv. hier hulp zou kunnen bieden. Zodra de overweging bestaat, moeten wij teruggrijpen naar onze innerlijke onzekerheid en moeten wij alle middelen gebruiken, die ter beschikking staan en niet slechts datgene, wat door een geloof of een gemeenschap wordt getolereerd.

Men ziet zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heel vaak ook als iets, dat in verhoudingen is vastgelegd. Ik ben lid van deze gemeenschap, ik volvoer dit werk, ik heb een gezin, e.d. Dat is alles heel mooi, maar het is niet reëel. Want je kunt niet voor een werk als zodanig verantwoordelijk zijn. Je kunt die verantwoordelijkheid alleen aanvaarden, indien zij evenzeer in jezelf ligt. Maar als het werk je niet in wezen boeit, trekt of interesseert en je neemt toch een verantwoordelijkheid op je, dan zul je daardoor worden gekweld. Het resultaat is, dat zowel je werk als je persoonlijkheid eronder lijden.

Wanneer je een gezin hebt en je wilt een geestelijk doel nastreven en dat gezin past daarin niet, dan komt de vraag: “Wat is voor mij belangrijker, het geestelijk doel of het gezin?” en heb ik daarop een antwoord gegeven, dan zal ik daarnaar moeten handelen, ook wanneer het betekent dat ik tegen alle gebruiken in mijn gezin zal moeten achterlaten. U ziet, de facetten zijn vele. Maar dit begrip is hard. Want als er iets is, wat niet mogelijk is binnen het kader van een persoonlijke aansprakelijkheid, een persoonlijk verantwoordelijk zijn, dan is het een compromis. Je kunt niet het ene ten halve doen en het andere ten halve. Je zult dan met jezelf in strijd komen.

Voor de wereld, waarin u leeft, zijn deze stellingen over het algemeen niet realistisch. Want, zo zult u zeggen, zonder compromis bereiken wij niets. En als wij alle aansprakelijkheden — behalve dan deze innerlijke — van ons afzetten, waar gaat de maatschappij naar toe? Dat komt, omdat een mens zijn wereld van uit de kosmos niet beziet als een kleine fase in een oneindige reeks bestaansvormen, als één klein moment in een ontwikkeling bij de oneindigheid omgrenst, maar als een doel, als iets zinrijks op zich. Het kan de mens niet kwalijk worden genomen, dat hij deze stellingen naar voren schuift, want hij wil zo gaarne belangrijk zijn. Hij wil meetellen en hij begrijpt niet dat het enige, dat van hem meetelt, het eeuwige is het geestelijke, terwijl het stoffelijke onbelangrijk en van voorbijgaande aard is.

Hier ligt de oorzaak van menig conflict. Ik moet leven volgens de eeuwigheid, niet volgens de tijd der mensen. Tenminste wanneer ik mijn aansprakelijkheid voor mijzelf, de persoonlijke aansprakelijkheid die ik ook heb tegenover het Al, wil aanvaarden. Er is nu eenmaal geen tussenweg mogelijk.

God is geen veelheid, God is een eenheid. De goddelijke werkelijkheid mag dan alle schakeringen omvatten, die wij ons kunnen denken, Hij is en blijft één harmonisch geheel. Slechts indien in ons wezen deze eenheid van erkennen en van streven bestaat, indien onze wijze van leven en denken beantwoordt aan de eenheid van een kosmische werkelijkheid en in ons de harmonie heerst, die in de kosmische werkelijkheid bestaat, kunnen wij zeggen: Ik ben waarlijk tegenover mijzelf en het leven op verantwoorde wijze opgetreden.

Planeten en vernieuwing

In de wereld van de occultist en de astroloog wordt erkend, dat de plaatsing van de planeten op het ogenblik van geboorte invloed zal hebben op de vorm, de karakteristiek binnen de erfelijke mogelijkheden van een lichaam. Op dezelfde wijze wordt erkend dat de inwerking van planeten een zekere preferentie voor sommige reacties en ontwikkelingen met zich zal brengen.

In een nieuwe tijd zal de vernieuwing niet slechts de aarde beroeren. Het gehele zonnestelsel, omvattende alle planeten, zal mede in dezelfde invloedssfeer terecht komen, waarin ook de aarde verkeert. De tijd, waarop enkele golven de aarde bereiken, kan iets later of iets vroeger zijn dan voor de andere planeten, die zich bv. aan de andere zijde van de zon bevinden. Maar die verschillen zijn toch betrekkelijk onbelangrijk en bedragen ten hoogste een maand. De inwerking op aarde van zo’n kracht, waarbij dus de aardrotatie wordt ingeschakeld en een kringloop rond de aarde wordt gemaakt, vergt vaak meer.

Wij mogen dus stellen, dat de planeten alle een gelijke wijziging ondergaan als de aarde, dit wil zeggen dat hun verhouding tot de aarde eveneens geen wijziging ondergaat. Maar de tendens, die op aarde heerst, zal mede een bias (een vooroordeel als het ware) vormen in elke invloed, die een planeet uitzendt.

Nu zijn er planeten, die tot nu toe niet of bijna niet worden betrokken in een astrologische berekening, terwijl er voor hen in het occultisme soms in het geheel nog geen plaats is. Wij zullen moeten begrijpen, dat de aarde deel uitmaakt van een vaste reeks van in totaal 12 hemellichamen. Of die planeten bekend en erkend zijn of niet, doet niet terzake. Wanneer één van die planeten, zoals is gebeurd, werd vergruisd door allerhand gebeurtenissen, zo betekent dit wel dat diens invloed een enigszins andere is geworden. En zelfs dan moet worden gezegd, dat het een afzonderlijke invloed is, zodat de Asteroïdengordel wel degelijk ook een beïnvloeding van de aarde betekent.

Dan mogen wij de volgende conclusie ook nog stellen: Naarmate het inzicht in het Al groter wordt — en het is aan te nemen, dat de komende tijd daartoe zal bijdragen — zal men leren in het occultisme meer planeten te betrekken in de berekening van invloeden. Dit zal echter niet inhouden, dat nieuwe invloeden in de normale horoscoop worden bijgevoegd, maar dat bepaalde eigenschappen, die tot op heden bv. aan Mars of misschien aan Saturnus werden toegekend, nu kennelijk met een andere planeet verbonden zijn. Men leert dus meer onderscheid maken.

Zijn de berekeningen daarom beter? Zolang het een ervaringswetenschap betreft, kunnen wij daar weinig van zeggen. Want het zuiver kosmische en wetenschappelijke van de stellingen en van de berekeningen houdt nog niet in dat ook de interpretatie – mogelijkheid beter en juister wordt. Een berekening op zichzelf geeft maar heel weinig gegevens prijs, indien het innerlijk geen voldoende harmonie vindt met al wat er in de kosmos leeft. Daarom geloof ik niet, dat er van een absolute omwenteling in de astrologie bv. kan worden gesproken.

Zeker, er zullen nieuwe methoden en nieuwe trucjes ontstaan, maar het eindresultaat blijft ongeveer gelijk en zelfs de betrouwbaarheidsfactor zal ongeveer gelijk blijven, want de planeten blijven in verhouding tot de aarde en de zon dezelfde.  Ook in een andere invloed, ook bij een andere heersende trilling. Ten hoogste kan onder omstandigheden één der planeten tijdelijk — maar dat is meestal een korte tijd — meer actief zijn om de doodeenvoudige reden dat zij zich sneller en vollediger kan aanpassen aan de nieuwe trilling dan andere. Maar dat is een voorbijgaand verschijnsel en kan misschien 30 of 40 of 100 jaar duren, daarna is het ten einde.

Laat ons daarom stellen: De planeten, de lichten aan de hemel, zoals men wel eens zei, kunnen voor ons misschien een aanleiding zijn om in onszelf en door onszelf de samenhang kosmos — aarde beter te erkennen, maar de zich wijzigende invloeden zullen die erkenning alleen dan scherper en juister maken, wanneer ons wezen juister leert reageren. De uiterlijke feiten zullen daarin weinig verschil maken.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf