Werkelijkheid: aanpassing – Les 10 – Het ‘Ik’ in de wereld

image_pdf

juli 1964

Het ‘Ik’ in de wereld

Het ego op zichzelf behoort tot de eeuwigheid en als zodanig is zijn optreden in de wereld voor dat “ik” maar van beperkt belang. Wel zal het eigen bewustzijn tijdens het vertoeven in een bepaalde wereld die wereld primair stellen en alle belevingen hoofdzakelijk daaruit putten.

Maar het feit blijft bestaan: Tijd en ruimte zijn voor het werkelijke “ik” eigenlijk alleen maar uitingen; het zijn bijkomstigheden.

Daar wij echter deze algemene stellingen maar moeilijk praktisch kunnen hanteren zullen wij moeten zoeken naar een oriëntatie binnen de wereld waarin wij leven en voor u is dat de stoffelijke wereld. Hoe moeten wij de verhoudingen zien tussen het “ik” en de wereld? Hoe staat dit wereldbeeld eigenlijk tegenover het “ik”? En vooral ook: Wat kan het “ik” binnen dit wereldbeeld doen? Wat zijn de gebondenheden en wat zijn de vrijheden?

Ik begin dan allereerst met de verhouding: “Ik” — wereld. Het ego met al zijn voorgaande ervaringen en zijn volledige persoonlijke inhoud incarneert in een voertuig dat eveneens stoffelijke, persoonlijke eigenschappen bezit. Hierdoor ontstaat een karakter, dat uit materiële en geestelijke kwaliteiten is samengevoegd. Dit ego is geestelijk nimmer georiënteerd op de totaliteit, die wij in de wereld ontmoeten. De geestelijke oriëntatie is altijd gericht op de bron van het zijn, het werkelijk ego, zoals dit in een onveranderlijke goddelijke werkelijkheid bestaat.

Het materiële ego is gebaseerd op zelfbehoud en het gebruikt zijn eigenschappen hoofdzakelijk om voor zichzelf een plaats te maken in. de eigen wereld en zich daarin te handhaven. Dan mag worden aangenomen dat over het algemeen binnen het “ik” bepaalde strijdigheden zullen bestaan en dat het beeld, dat men van de wereld heeft, zal worden bepaald zowel door de stoffelijke neiging tot zelfbehoud als door de meer geestelijke neiging om het ideale te verwerkelijken. Dit geldt voor alle mensen. Maar wat voor de mensen geldt, zal ongetwijfeld ook gelden voor alle bewuste en levende wezens, die elders bestaan. Ook voor wezens die de aarde bezielen of als elementalen zich daarin of daaromheen bewegen.

De wereld als totaal kent als eerste de materiële wetten, die zeggen:

  1. Ik zal ten koste van alles mijzelf en dat wat ik als deel van mijzelf beschouw verdedigen.
  2. Al wat leeft, leeft krachtens de ondergang van het levende.
  3. Edele gevoelens, moraliteit en zeden zijn een luxe, die men zich kan verder leven, zolang er geen toestand bestaat, waarin de strijd tot zelfbehoud onmiddellijk met het eigen leven en met eigen wezen te maken krijgt.

Daar dit voor alle wezens in de wereld geldt, zullen wij altijd weer zien dat slechts daar, waar er een zekere rust, een zekere overvloed of weelde bestaat, de gedachte aan een werkelijke moraliteit, een werkelijke godsdienst, een werkelijke zedelijkheid ontstaat. Waar dit niet het geval is, kunnen deze vormen worden gebruikt om acties van zelfbehoud te rechtvaardigen.

Wie de wereld beziet en tracht daarin zijn eigen beeld te ontdekken, zal zich daarom over hel algemeen vergissen. Het is nl. zeer moeilijk te weten, of het idealisme van een ander voortkomt uit zijn behoefte zijn daden te rechtvaardigen of misschien zijn verleden recht ie trekken, dat hij als onjuist of onrechtvaardig, beziet, dan wel uit een innerlijke erkenning, die deel is van zijn werkelijk wezen. Wij zoeken in de wereld altijd datgene te erkennen, wat bij ons hoort. Selectieve blindheid voor verschijnselen, ontwikkelingen en mogelijkheden bestaat bij alle denkende wezens en de mens is onder dezen zeker niet de minste.

Wij zullen zien, dat de mens in zijn reacties op de wereld ook weigert de feiten te accepteren. Slechts indien de feiten onmiddellijk het eigen bestaan bedreigen, erkent hij ze; en dat eerst op het ogenblik dat die dreiging niet alleen potentieel maar reëel is geworden. Dan geloof ik, dat met deze regels het probleem is opgelost, wanneer wij zeggen: Het stoffelijk wereldbeeld wordt niet bepaald door idealen, geestelijke krachten of drijfveren, maar zal altijd worden bepaald door verhoudingen, die wij kunnen omschrijven als zelfbehoud, problemen van vraag en aanbod, problemen van zelfrechtvaardiging. Dit klinkt erg onplezierig, want als mens wil men in de wereld graag wat meer van het ideële zien. Men zou zijn sentimenten, zijn edele gevoelens dominerend willen zien voor het bestaan. Nu zal dit natuurlijk wel erg aangenaam zijn, maar het beeld is niet juist.

Wij zien echter in de materie correctieve factoren optreden. Ze zijn correctief, omdat ze elke afwijking van een enkele soort of van een enkele entiteit onmiddellijk herstellen. De gemiddelde koers van de stoffelijke ontwikkeling is aan zodanig strenge wetten gebonden dat een afwijking daarvan in feite niet mogelijk is.

Hoe is dan het wereldbeeld gezien van het geestelijk ego? Wij zijn werklieden, die met een bepaald materiaal iets willen bereiken. Wij kunnen wel de bewerking aan het materiaal aanpassen, maar nooit het materiaal aan de bewerking. Op het ogenblik, dat wij willen uitgaan van onze geestelijke drijfveren, van onze geestelijke achtergrond, zullen wij als ego aan de wereld veel toekennen wat zij niet bezit. Wij zullen daarnaast ongetwijfeld moeten proberen om wat wij in de wereld waar maken ook een blijvend karakter te geven. Dit kunnen wij eventueel voor onszelf doen, want de mens kan zichzelf voldoende beheersen. Maar de verhoudingen, die daardoor ten opzichte van  de wereld ontstaan, zijn niet beheersbaar. Het enkele ego is dus niet in staat om een nieuwe moraliteit te scheppen of een nieuw ideaal, tenzij alle stoffelijke omstandigheden daarmee in overeenstemming zijn. Eerst als een geest zich zozeer bewust wordt, dat zij desnoods van buiten de materie deze stof kan manipuleren, kan zij iets wijzigen. Dit is echter nooit de wet. Zij kan de omstandigheden wijzigen.

Wanneer iemand moet vechten voor zelfbehoud en ik weet dat deze strijd onvermijdelijk is, dan kan ik het ogenblik van vijandschap misschien verschuiven door een derde vijand, die groter is, te introduceren. We zien dit in een eenvoudig voorbeeld: Twee mensen, elk met misdadige en moorddadige bedoelingen, zijn met elkaar in strijd. Er duikt een politieagent op.  De twee verenigen zich om eerst met de politieagent af te rekenen. Hij is nl. de sterkste bedreiging voor hun eigen levensstijl. Indien ik te veel politieagenten zou kunnen introduceren, zodat er een overmacht ontstaat, zullen de twee elkander helpen om de vlucht te nemen. Door die vlucht kan hun relatie worden veranderd en zal het gevecht, dat onvermijdelijk scheen, overbodig blijken te zijn. De wet van zelfbehoud heeft eenvoudig een bondgenootschap noodzakelijk gemaakt. Dit berust niet. op enige edele, morele of geestelijke verplichting, het is doodgewoon voortgevloeid uit de ingeschapen eigenschappen van de stoffelijke mens.

Het zijn deze mogelijkheden, die door de Witte Broederschap worden gebruikt.  Maar die ook worden gebruikt door hen, die bv. de magie beoefenen of die willen werken net gedachtekracht. Wij kunnen de wet niet wijzigen. We kunnen alleen de omstandigheden wijzigen, waardoor de wet andere mogelijkheden biedt. Het is goed u dit als geest voor ogen te stellen. Want uw innerlijk wezen zal in de wereld de geestelijke perfectie willen introduceren en zo men dit doet, zonder respect te hebben voor de zuiver stoffelijke waarden en eigenschappen, zal nimmer iets worden bereikt. Het zijn schijnvormen, die reeds vergaan, voordat ze bestaan. Dergelijke schijnvormen zijn in de wereld betrekkelijk talrijk. Wanneer wij horen van bv. het grote onderscheid tussen het communistische Polen en het democratische Nederland, dan mogen wij daarbij niet vergeten dat de eindresultaten van beider staatsvoering op precies hetzelfde neerkomen. Wij zullen niet mogen vergeten, dat in beide gemeenschappen bepaalde zedelijke wetten en normen worden gehanteerd, niet omdat ze noodzakelijk of onvermijdelijk zijn, maar omdat zij bij het totaalbeeld passen. Wij moeten ons realiseren, dat in beide landen het grootste gedeelte van de massa conformistisch reageert op gestelde waarden en wetten, niet omdat het er daarmee eens is, maar eenvoudig omdat dit een zaak van zelfbehoud betekent. Hier wordt dus het beeld van de wereld toch wel iets anders.

Wanneer wij een mooie leuze horen, wanneer wij een groot ideaal zien of zelfs een groot en machtig geloof, dan mogen wij die uiterlijke waarden met al hun edele beweegredenen niet als bepalend aannemen voor de stoffelijke reactie. Deze staat er eigenlijk vaak buiten en is juist daarom zo vaak daarmee in strijd. “Zie wel naar mijn woorden, zie niet naar mijn daden.” Iets, dat ons wereldbeeld nogal eens sterk zal beïnvloeden. Het betekent, dat de theorieën en de gedachten (datgene wat eigenlijk grotendeels een geestelijke oorsprong heeft) dus maar moeten worden aangenomen, ook al is de praktijk eraan tegengesteld. Dit is natuurlijk niet aanvaardbaar. Want een wereldbeeld moet voor het ego niet alleen maar bestaan uit geestelijke dromen en daarbij uit de totaal differente disharmonische stoffelijke omstandigheden, maar moet worden opgebouwd uit geestelijke en stoffelijke waarden, die althans zoveel gemeen hebben dat men werkelijk ermee kan leven.

Hoe men dat wereldbeeld moet bezien van uit een goddelijk standpunt, is een geloofskwestie. Er zijn zeer velen, die ons van uit een zuiver humaan of religieus standpunt vertellen, hoe de wereld moet zijn. En niemand van hen vraagt zich af, of dat wel redelijk is. Wij houden helemaal geen rekening met al die andere drijfveren, normen en wetten, die er stoffelijk bestaan. Ik wil u enkele voorbeelden geven, die duidelijk maken hoezeer de woorden en de daad met elkaar in strijd zijn.

In een stadje in West-Duitsland was er een vrouwenoverschot van 30%. Daardoor ontstond er, terwijl uiterlijk alles zeer burgerlijk was, een toenemende neiging om elkanders man, of verloofde te verleiden. Verhoudingen en seksuele aberraties waren in wezen normaal. Uiterlijk werden zij veroordeeld, in de praktijk werden zij begaan, niet alleen door niet-kerkelijken of niet-intellectuelen maar praktisch in de totale bevolking.  De oorzaak was begrijpelijk: De vrouw wenste de aanvulling van haar wezen en met alle goede bedoelingen, alle religieuze inzichten had ze alleen maar de keuze tot een sublimeren (wat in de naoorlogse omstandigheden praktisch niet mogelijk was) of een terugvallen tot de wetten van de oermens. Het laatste geschiedde. Pas toen er in dit plaatsje, of in de omgeving van dit plaatsje, een betrekkelijk grote Amerikaanse bezetting werd gelegerd, ontstonden er schandalen. En toen veroordeelden zij, die — zullen we zeggen — uit lustbehoefte onderling de vreemdste dingen deden, de vrouwen en meisjes, die misschien aan een Amerikaan ommentwille van de beloning een gunst toestonden. Een dubbele maatstaf, nietwaar? Wij kunnen verdergaan met voorbeelden, die keer op keer ditzelfde aantonen.

Wij horen in Nederland enerzijds spreken van het recht van de arbeider, maar gelijktijdig zien wij dat deze arbeiders, wanneer het erop aankomt hun verantwoordelijkheid ten opzichte van  het bedrijf maar al te graag opzij zetten. Een dubbele maatstaf. Het ideaal van één voor allen en allen voor één valt onmiddellijk weg, wanneer behoefte — en die zijn dan vaak niet eens zo ontzettend dringend — van een bepaalde groep optreden. De zelfzucht wint dan.

Laat ons beginnen met in het wereldbeeld van heden niet slechts de idealen te zien, maar te beseffen dat op de achtergrond de grootste, de sterkst motiverende factor van alle ligt: De drang tot zelfbehoud.  Het menselijk, dierlijk en elementaal egoïsme.

Ik heb u reeds gezegd, dat dit onderwerp niet alleen uit prettige dingen bestaat. Het zou dwaas zijn om alleen de negatieve zijden te bezien. De positieve kant ligt ook zowel in de materie als in de geest verborgen. Wij zien nl. dat zelfbehoud onder omstandigheden wordt uitgebreid. Men kan zichzelf zozeer deel achten van een bepaalde groep — of dit nu een gezin is, een volk, een geloof of iets anders — dat men voor deze groep optreedt, alsof zij het “ik” ware en alle reacties van zelfbehoud en ook egoïsme ver toont niet meer alleen in verband met zichzelf maar met deze groep.

En hier nu ligt voor de mens een reddende factor. Omdat het ideaal van een bepaalde groep zo sterk kan worden aangevoeld als deel van eigen “ik”, als een bezit dat ten koste van alles moet worden verdedigd, zullen de stoffelijke tendensen de mens heel vaak brengen tot het verdedigen van reële en positieve waarden, die hij als persoonlijk “ik” anders zeker niet met zoveel offers zou willen beschermen.

Wij zien daarnaast geestelijk een oven typisch element ontstaan. De geest kent harmonie en disharmonie. Daarover is u reeds meer verteld. Wanneer er een harmonie ontstaat tussen een mens en een milieu (dat kan dus zijn een stoffelijke omgeving, een geestelijke of elementale beïnvloeding, het kan zijn een geestelijk contact, onafhankelijk misschien van verdere stoffelijke contacten met medemensen), zo zal hij dit gevoel van harmonie in de stof overbrengen als een gevoel van bezit of deel-zijn van. Zuiver geestelijke idealen zijn moeizaam te verwerkelijken. Maar wanneer men zich één gevoelt met een groep of deel ervan, zo zal men die groep verdedigen en daarmede de idealen, waarvoor men zelf persoonlijk in feite niets zou offeren.

De vooruitgang van de massa is enerzijds veel geringer dan men in zijn trots van heden wel wil stellen.  Anderzijds, vergeleken bij bv. 100 jaar geleden, zeer groot, wanneer we alleen maar rekenen dat bv. het analfabetisme is teruggelopen van ongeveer 70% van de wereldbevolking tot ongeveer 40%. Dat is nog heel wat, maar het is een grote vooruitgang. De emancipatie van de vrouw en de man als sociaal gelijken is dan nog wel niet voltooid, maar zij heeft toch de gelijkheid van menselijke verhoudingen zoveel nadruk gegeven, dat de situatie van de vrouw in het jaar 1400 bij een factor 0 op het ogenblik die factor reeds 150 bedraagt en waarschijnlijk in de komende jaren met 2 à 3 % jaarlijks nog verder zal oplopen.

De pari-stand (het getal 100) zal dan ongeveer hebben gelegen in de jaren 1800 tot 1890. Hier blijkt dus uit, dat er sprake is van een werkelijke vooruitgang in het milieu. Maar het is een vooruitgang, die niet de persoonlijke reactie betreft. Er is sprake van een wereldbeeld, dat niet wordt bepaald door de wil van de eenling alleen door bepaalde wetten, die eigenlijk (wel gelukkig ook) zowel op groepen als op de eenling vat hebben. Wat is dan de mogelijkheid, die het toch wat onbelangrijke ego — stoffelijk en geestelijk — heeft in de wereld?

In de eerste plaats is men in staat het beeld van zijn wereld voor zichzelf te veranderen. En indien ik de waarde van de wereld rond mij verander door mijn eigen wijze van beschouwing, zullen mijn reacties op die wereld veranderen. De oorzaak-en-gevolgwerkingen, de zelfbehoud-tendensen e.d. blijven gelijk, maar omdat ik anders reageer zal de wereld op mij anders reageren. In de praktijk komt het hierop neer, dat ik door tegenover de wereld een bepaalde houding aan te nemen die wereld ertoe breng mij een antwoord te geven, dat buiten haar normale norm ligt.

Wanneer ik goed ben voor de mens (niet in de negatieve zin maar als een positieve en steeds stimulerende factor) dan zal ik deel worden van het zelfbehoud van velen. Dit betekent ook, dat hun kracht en hun volgzaamheid mij ten dienste staan. Ik kan het milieu wel degelijk beheersen.

Typisch is hierbij, dat aantallen alleen op zichzelf niet belangrijk zijn. Een statisch element als bv. onze Orde, die in ledental maar heel weinig af of toeneemt, kan voorlichting geven. Zodra er echter een actieve wereldbeïnvloeding moet zijn, kan dit alleen geschieden aan de hand van groeiende aantallen. En daarbij geldt, dat elke toename de mogelijkheden van het geheel vergroten met de factor van toename.

Wanneer ik dus een vereniging neem (ik geef een voorbeeld van 300 leden) en ik krijg regelmatig een aanwas van ongeveer 10 leden per 3 maanden, dan kan ik dus zeggen dat deze groep haar werkelijke invloed op het milieu niet kan zien als vermeerderd met  1 /30, maar vergroot met de factor 10 gedeeld door 300, voor zover het gaat om het stoffelijk belang. Wat betreft zelfbehoud, geestelijke activiteit en daardoor bepaling t.o.v. de wereld echter met 1 /3.

Dit houdt in, dat kleine groepen die levend zijn, die dus nieuwe leden aantrekken, enorm grote invloed kunnen gewinnen. Iemand, die een zekere invloed op het wereldbeeld wil uitoefenen, zal dit alleen kunnen doen via de daarin geldende regels en wetten; en wel door een regelmatige vergroting of aanwas te verzekeren, hetzij van zijn kennis en innerlijke krachten, hetzij van de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt en haar belangrijkheid voor de buitenwereld. Daarbij geldt de formule: De aanwas, vermenigvuldigd met de eenheden of met het aantal, gedeeld door het aantal, geeft de factor beïnvloeding van de wereld op elk willekeurig ogenblik. Wanneer we dus een aanwas krijgen van 10 en we zijn aan de 300 gekomen, dan hebben we dus het kritieke moment overschreden, zodat onze aanwas inderdaad een constante is geworden. Onze invloed op de wereld wordt dus vergroot: 10×300:300; een versterkingsfactor 10. Elke actie geldt hier dus 10x het aantal deelnemers. Elke gedachtenimpuls is 10x sterk als ze normaal zou zijn op grond van deze harmonische waarden. En dit betekent, dat de behoefte tot zelfbehoud wordt verkleind door de grotere kracht en daardoor een evenwicht van geestelijke en stoffelijke omstandigheden gemakkelijker wordt bereikt. Dit is overigens alleen maar een formule, die u kunt gebruiken, wanneer u leert of wanneer u in een gemeenschap of organisatie actief bent.

Een tweede praktisch punt is het volgende: Op het ogenblik, dat de mens alleen uitgaat van ideële stellingen of geestelijke wetten, zal hij nimmer kunnen slagen. Op het ogenblik, dat de mens alleen uitgaat van zijn materiële impulsen, bereikt hij evenmin iets. Op het ogenblik, dat hij materiële en geestelijke impulsen tot een harmonische waarde weet samen te voegen en tot uiting te brengen, zal de kracht daarvan zijn: Het product.

Dat klinkt natuurlijk ook weer een beetje komiek. Ik zal daarom de formule erbij geven met een kleine verklaring. Stel, dat mijn geestelijke ontwikkeling het mij mogelijk maakt om in een jaar 2 /10 van mijn totale kennis erbij te gewinnen. Dan is dat de factor 1,2. Stel verder, dat ik in mijn stoffelijk streven in staat ben om door daden die  2/10% ook nog eens te uiten. Dan is mijn geheel als factor voor de wereld 1; ik ben één persoonlijkheid. Ik krijg dan 1,2 x 1,2 : 1 = de factor van mijn eigen invloed, en dan blijkt dat je dus een halve mens meer waard bent. Is die toenamefactor — onverschillig op welk punt, of dat nu geloof is of magnetische krachten of wat anders — groter, dan neemt daarmee dus ook de activiteit toe. En nu zien wij, dat het bij mensen voorkomt, dat zij bij een geestelijke toename van 2/10 tot een praktische verwerkelijking ervan komen (zij zijn over een dood punt heengegaan), die hen brengt tot een factor van 4. Dan is hun invloed op de omgeving en daardoor hun bepalende invloed voor oorzaak-en-gevolg, zelfbehoud e.d. er één geworden van ruim 8; dit wil zeggen ze zijn 8 niet-gerichte mensen waard.

De conclusie, die u hieruit kunt trekken is deze: Een ieder, die geestelijke en stoffelijke waarden in zijn leven gescheiden houdt dan wel deze niet uitbreidt, vergroot of bewust tot uiting brengt, is wat men noemt een zwakkeling, die door de omstandigheden wordt gedreven. Naarmate men komt tot een grotere uitbreiding van zijn stoffelijk of geestelijk gebied, zal hierdoor de invloed, die men op de omgeving heeft worden vergroot, zal het punt “zelfbehoud” voor het “ik” minder belangrijk zijn en zullen dus geestelijke waarden gemakkelijker mede geïnterpreteerd kunnen worden in datgene, wat men voor de wereld betekent. Dan krijgen we punt 3 waarin we stellen: Elke beheersing van het wereldbeeld is afhankelijk van de juiste erkenning ervan. Hiervoor kan ik u geen formule geven. Maar ik kan u toch wel duidelijk maken waar het om gaat.

Als ik mensen zie en ik denk dat die mensen engelen kunnen worden, dan heb ik het mis. Mijn invloed zal nihil zijn. Indien ik echter besef, dat het doodgewone mensen zijn met alle negatieve zowel als de positieve eigenschappen ervan, dan zal ik vaak wel een gunstig resultaat bereiken.

De resultaten worden niet bereikt op grond van stellingen, maar op grond van de erkenning van een feitelijke toestand en de onmiddellijke reactie daarop. Hoe sneller men reageert op feiten, des te groter de invloed is die men op zijn wereldbeeld kan uitoefenen; in die zin, dat de verhouding “ik” — wereld daardoor verandert.

In punt 4 komt men vanzelf tot de laatste en grootste vraag: Hoe moet ik eigenlijk dat “ik” zien in de wereld? In een wereld als deze is dat erg moeilijk. Ik heb reeds gewezen op de gespletenheid, die ontstaat door het niet volledig synchroon zijn of gelijk gericht zijn van geestelijke en stoffelijke impulsen. Maar er is meer. Wanneer je in de wereld staat, dan ben je in die wereld met een bepaald doel. Dat doel bepaalt dus waar je harmonie net die wereld kunt kennen en waar niet. Het houdt verder in, dat die harmonie in de wereld van een bepaalde belangrijkheid is. Je kunt dus niet zeggen: Als ik met iemand harmonisch ben, is dat even belangrijk als ik dat ben met ieder ander. Je kunt alleen zeggen: Waar harmonie is, daar is voor mij actief, bewust leven mogelijk. Ik kan daar geestelijk bij winnen en ik kan daar stoffelijk ook iets bereiken. Als ik leer om de belangrijkheid niet van uit een zuiver stoffelijk of geestelijk standpunt, te bezien, maar alleen baseer op gevoelens van harmonie, op erkenning van overeenstemming of van juistheden, dan bereik ik de grootste resultaten. Een esotericus, een magiër, een filosoof streeft onbewust hierop aan.

Maar hun instelling is toch wel verschillend. We kunnen hen dan ook goed als vergelijkingsmateriaal gebruiken om dit punt van de erkenning in de wereld, de zelferkenning die er ook wel bij te pas komt, duidelijk te maken.

Als eerste hebben wij de esotericus. De esotericus verdiept zich in zichzelf. Hij erkent geestelijke waarheden en wijsheden en wil die over het algemeen overbrengen in de materie. Wanneer hij dit echter doet, neemt hij aan dat dezelfde krachten, wetten en verhoudingen, die in hem bestaan, ook in de hele wereld bestaan. Daardoor kiest hij over het algemeen zijn harmonie, zijn samenwerking verkeerd en zal hij slechts zelden tot een grote bereiking komen. De grote geestelijke bereikingen vinden dan ook altijd plaats in zeer besloten gemeenschappen, die stoffelijk en geestelijk hun eigen wetten weten te stellen. De grote stoffelijke vormingen en de grote stoffelijke invloeden komen doorgaans voort uit esoterische groepen, die hun werkelijk inzicht en werkelijk doel alweer hebben verloren.

De filosoof doet het anders. Hij gaat uit van het bestaande. Hij leidt dit bestaan verder in een bepaalde richting en komt zo tot het opbouwen van een beeld, dat mogelijk zou zijn. Zo werkt de filosoof dus niet met waarheden maar niet waarschijnlijkheden. Zolang hij dit doet met een praktisch doel (dus met een benadering van de werkelijkheid en de praktijk), zal hij uit zijn filosofie gegevens kunnen putten, die zijn stoffelijke beheersing, kennis, zelfbehoud en mogelijkheden vergroten. We denken hier bv. aan Einstein , die ergens filosoof en mysticus was en toch gelijktijdig via zijn speciale vorm van wiskunde een zeer groot natuurkundige.

Dan kunnen we verdergaan naar de magiër. Bij de magiër zien wij het meest sprekende voorbeeld van directe reactie. De beide eersten hebben een zekere vertragingsfactor. Ze willen het eerst eens in zichzelf verwerkelijken. De filosoof die terugkeert tot de werkelijkheid, wil eerst nog een theoretisch bewijs hebben. De magiër heeft dat niet nodige Hij stelt: “Ik leef in deze wereld. Ik heb daarin op dit ogenblik deze stoffelijke middelen plus deze stoffelijke en geestelijke, of stoffelijke of geestelijke bestrevingen. Ik kan dit doel alleen ten dele verwerkelijken met de middelen die ik bezit. Dit doe ik dus om een situatie te scheppen, waaruit een verdere verwerkelijking mogelijk wordt.”

Hier hebben we met iemand te maken, die in feite erg praktisch is. Het woord “magie” en “magiër” wordt wel eens verkeerd verstaan. Maar heel veel mensen, die op aarde voor daad-mensen doorgaan, zijn in wezen magisch gericht. Zij zien verhoudingen, die voor anderen niet bestaan. Zij reageren volgens deze erkende verhoudingen en ziet, zij weten een geestelijk element te introduceren in een stoffelijke wereld en daardoor niet de wet maar de verhouding binnen die wereld te wijzigen. De goede, de bewuste magiër doet dit overlegd en zal daardoor dus een van te voren redelijk berekenbaar resultaat bereiken.

Wij hebben nu drie verschillende houdingen genomen. We zouden daar nog vele naast kunnen zetten. We zouden bv. ernaast kunnen zetten: Het verschil tussen de gelovige en de theoloog. Het verschil tussen de technicus en de uitvinder, die beiden schijnbaar veel gemeen hebben maar toch ergens verschillen. Ik meen echter, dat die drie punten voldoende zijn om iets duidelijk te maken.

Er zijn meer wegen om een doel te bereiken. Wanneer het echter gaat om onmiddellijke acties en reacties — en dat is in het leven veel meer het geval dan men denkt — is in feite de magische weg de enig juiste. De weg dus van de onmiddellijke reactie, waarbij men liever onmiddellijk een gedeeltelijk resultaat bereikt dan te dromen van een toekomstige perfectie. In een wereld als de huidige, die aan grote veranderingen onderhevig is, is dit nog eens te meer van kracht.

Wat zal dat “ik” verder dan nog van die wereld erkennen? Ik heb reeds gezegd: Je ziet dat wat je wilt, niet dat wat bestaat. Op het ogenblik, dat ik te weinig van de werkelijkheid wil zien, zal ze voortdurend een verrassingsfactor worden. Ik zou daarom als volgt willen stellen: Het toeval, dat geestelijk zowel als stoffelijk voor ons een vaak zeer belangrijke rol schijnt te spelen, komt niet voort uit een buiten de wetten staande reactie van onbekende krachten, maar eenvoudig uit het niet-erkennen van delen van onze eigen wereld of persoonlijkheid, die we zouden kunnen kennen.

Alle toeval kan worden uitgeschakeld. En dan sta ik dus in een wereld, waarin ik als mens bv. kan leven niet een bewust aanpassen van mijzelf aan de wereld, een bewust aanpassen van de wereld aan mijzelf en het scheppen van waarden, die — hoewel persoonlijk — blijvend zijn. Begrippen van bv. zedelijkheid kunnen nogal eens veranderen. Er is een tijd geweest dat een dame, die meer liet zien dan een handje of misschien een enkeltje, een zondige vrouw was. Er is een tijd geweest dat lichtzinnige vrouwen, gehuld in met rok en lange mouwen voorziene kostuums, zich uit houten koetsjes in zee lieten zakken om zeebaden te nemen. Onzedig!

Daarna kwamen de badpakken. Onzedig! De bikini. Onvoorstelbaar onzedig! En als ik mij niet vergis, is nu het eendelig badkostuum voor de dames teruggekeerd, maar dan met een zekere limiet wat betreft de hoogte waartoe het reikt. Hier komt dus de vraag: Is deze norm reëel? En dan moeten wij eerlijk toegeven: neen.

Er is een groot verschil tussen werkelijke moraal, moraliteit en usance. Die beide worden verward. Wij mogen ons in het leven zeker nooit laten misleiden door de usances. Maar wij moeten wel ergens een moraal, een levende wet vinden, die de harmonie van de geestelijke en stoffelijke delen van het “ik” als het ware uitdrukt voor dat “ik” in de wereld en zo de verhouding “ik” — wereld tot stand brengt.

De totems en taboes van deze tijd zijn vele. Het is een tijdlang bv. taboe geweest om te spreken over seksualiteit, geboortebeperking, het communisme e.d. op een andere dan uiterst dogmatisch verwerpende toon. Dit gaat voorbij. We moeten goed begrijpen, dat de werkelijke moraal harmonie is. Harmonie met de wereld. Het is de wijze, waarop wij persoonlijk in die wereld kunnen staan en persoonlijk met die wereld kunnen werken. En of die wereld nu haar systeem verandert of niet, wij kunnen dezelfde blijven. Want wat van onszelf geldt, kan door de massa niet worden beïnvloed. Wel zullen wij daarbij altijd rekening moeten houden met het volgende:

  1. Onze geestelijke taak in de wereld kan niet worden volbracht, indien wij niet beantwoorden aan de primaire wetten van zelfbehoud, tot het ogenblik dat onze krachten zo groot zijn (bv. geestelijk) dat wij dit zelfbehoud niet meer nodig hebben. Dus zorg voor uzelf.
  1. Elke taak, die wij geestelijk hebben erkend, kan alleen worden volbracht via het “ik” en de eigen praktijk. Het erkennen van iets als juist en het gelijktijdig voor het “ik” verwerpen is daarbij niet aanvaardbaar.
  1. Wij hebben niet het recht om anderen te beoordelen of te veroordelen. We hebben alleen met onszelf te maken. Wanneer wij voor onszelf consequent zijn, zal de wereld rond ons zich daaraan aanpassen en ze zal ons belonen met bepaalde harmonieën ze zal ons ook belonen met de mogelijkheid onze persoonlijke taak juist te vervullen.

Dan heb ik eigenlijk het grootste gedeelte van deze les achter de rug. Toch verstout ik mij om hieraan nog enkele opmerkingen vast te knopen. Kosmische krachten en kosmische werkingen beïnvloeden het totaal van onze omgeving en onszelf. Daar wij ons niet aan die beïnvloeding kunnen onttrekken, zal dit ook voor onze omgeving, voor het milieu, het geval zijn. Waaruit volgt, dat onze wereld zich wijzigt, zonder dat de verhouding “ik” — wereld daardoor zal worden gewijzigd. Tien passagiers in een trein kunnen zich gezamenlijk met een snelheid van 200 km. per uur over een baanvak bewegen, zonder dat hun onderlinge verhouding daardoor ook maar 1 cm. wordt gewijzigd. Zo gaat het ons.

De tijd, de kosmische invloed, de kosmische inwerking kunnen wij zien als iets, waardoor het beeld van onze wereld en het beeld, dat wij van onszelf hebben zich langzaam maar zeker verandert. Wij kunnen het nooit zien als iets, dat de bestaande verhoudingen zonder meer en volledig verstoort. Verder moeten wij dan nog rekening houden met het feit, dat elk ingrijpen van buitenaf weliswaar de omstandigheden, waaronder wij leven, zal wijzigen en ook degenen rond ons, maar dat onze persoonlijke aansprakelijkheid, onze persoonlijke mogelijkheden en verantwoordelijkheid maar ook onze instincten gelijk blijven. Ook hier is het voor ons zaak om te zoeken naar de juiste harmonie. Waar eenmaal een harmonie op de juiste wijze bestaat, zal deze worden gecontinueerd, ongeacht het ingrijpen van de Witte Broederschap of de verdere verandering van kosmische omstandigheden. De uitdrukking ervan kan eventueel licht worden gewijzigd, maar meer dan een lichte wijziging zal het over het algemeen niet zijn. Zo zie ik uit de wereld nog veel meer. Ik zie bv. dat uw wereld op het ogenblik er één is, waarin onverschilligheid de telg van de angst wordt.  Waarin z.g. positieve bestrevingen over het algemeen een zeker afwachten betekent en waarin zelfs geestelijk positivisme doorgaans ergens vastloopt in eigen goede bedoelingen, die met de feiten geen rekening houden.

Die wereld geef u de mens dus niet wat hij verlangt. Er is een strijdigheid, waarbij noodgedwongen de stoffelijke instincten van zelfbehoud met alle daarbij voorkomende verwerpingen van geldende regels, tendensen, verloochening van, godsdienstige en sociale dogma’s e.d. zullen optreden. Wij zullen dan zeggen dat het wereldbeeld zich wijzigt, maar dat is niet waar. Er wordt slechts iets zichtbaar, wat door de usance tot nu toe onder de oppervlakte bleef. Als bij vloed een rots onder de zeespiegel ligt en bij eb boven komt, kunnen we dan zeggen dat die rots daar plotseling is gekomen? Evenmin kunnen wij zeggen dat bepaalde revolutionaire tendensen en dreigingen, die op het ogenblik ontstaan, alleen maar voortkomen uit deze nieuwe tijd. We kunnen eerder zeggen: De nieuwe tijd onthult ons de werkelijke waarden. Ze maakt zichtbaar en kenbaar wat er nog niet was.

Houd daarom in de komende tijd — ook wat uw eigen aanpassing aan de wereld betreft — rekening met deze menselijke — ja, ik zou zelfs zeggen — deze materialistische tendensen, die deel uitmaken van elk levend organisme. Zelfbehoud, egoïsme en groepsegoïsme zijn in deze tijd niet te vermijden. De gevolgen daarvan zijn eveneens niet te vermijden. Wij kunnen slechts gebruik maken van die gevolgen op een juiste of op een negatieve wijze. Wie met een boot bij die rots komt en er tegenaan wordt geworpen, ziet zijn schip ondergaan. Wie zwemmend naar een ogenblik van rust zoekt, zal op die rots dat ogenblik van rust en vrede vinden, waardoor hij zijn weg kan vervolgen.

Hoe grootser onze opzet wordt, des te geringer de mogelijkheid dat wij van dergelijke gevolgen van het heden profijt zullen hebben, geestelijk of anderszins. En daarom zou ik willen besluiten niet deze opmerking.  Wanneer u meent, dat het nodig is op uw omgeving een zekere invloed uit te oefenen. (en van uit geestelijk standpunt is dat over het algemeen wel wenselijk), dan zult u moeten uitgaan niet alleen van de kleine, besloten groep maar ook van het groeiend organisme, van de groeiende groepering. Voor uzelf zult u — indien u met uw kennis iets wilt betekenen of iets wilt kunnen beheersen in deze wereld — niet mogen uitgaan van de gedachte dat u zich kunt baseren op hetgeen u bezit. Het is niet wat u bezit, maar de voortdurende en gestage uitbreiding ervan, die de belangrijkheid van uw kennis en eventueel de macht, die u daardoor in de wereld hebt, zal bepalen.

Zoek in deze wereld naar een zo volledig en harmonisch mogelijke uiting van uw wezen. Besef, dat alle geestelijke invloeden, wanneer zij de harmonie bepalen, automatisch in het materiële verweven zullen zijn. Uw wereldbeeld van heden is er schijnbaar één, waarin materialisme en geestelijke gesteldheid ver van elkaar verwijderd zijn. De praktijk echter zegt ons, dat beide onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn en gelijkelijk tot uiting komen, zelfs in de stoffelijke wereld, waarin u leeft.

De drang van de geestelijke zoeker

De doorsneemens heeft de behoefte tot het hogere. Hij zoekt dit op zijn manier. De één zoekt het misschien in de bijbel, een ander in geschriften, weer een ander in geestelijke belevingen, in lessen, in cursussen, kortom overal. Wanneer u mij vraagt om de achtergrond daarvan te belichten, mag ik wel allereerst stellen, dat de beweegredenen, de. werkelijke drijfveren nogal uiteen lopen. (Neemt u voor uzelf nu maar rustig de gunstigste aan, dan behoeft u zich niets aan te trekken van hetgeen ik verder zeg.)

Er zijn nl. veel mensen die bang zijn voor het einde, voor de dood. Het is deze angst voor het sterven, groter geworden na de tijd dat de mens meer interesse in het leven kreeg en ook meer respect voor het leven, die, hem brengt tot het zoeken naar een hiernamaals.

Wanneer wij alle grote godsdiensten en alle inwijdingsceremoniën ter wereld nagaan, dan ontdekken wij dat de dood daarin altijd een belangrijke rol speelt. Of het nu is het Christendom met Jezus, die voor ons is gestorven om ons voor de geestelijke dood te behoeden, of we gaan naar het inwijding ceremonieel waarin men de symbolische dood sterft om te komen tot het ware leven altijd weer: De dood, die overwonnen wordt.

Soms gaat het niet verder dan dit: Een angst voor het einde.  Een angst voor het doelloze. En degene, die onder die angst gebukt gaat — dit vaak zelf niet beseffend — zoekt een uitweg daarvoor in een geloof dat hem eeuwigheid belooft, in een leefwijze, in een problematiek soms ook, die de overwinning van de dood primair stelt.

De leringen, die hier worden gegeven, bevatten dit element indirect, doordat de lering wordt gegeven door wezens, die eens mens waren en na de dood voortleven. Dat dit voor velen een attractie kan zijn op grond van het voorgaande is duidelijk.  We zien daarnaast de geestelijke zoeker, die wordt gekweld een begrip van eigen minderwaardigheid of onvolwaardigheid. Men meent, dat men tekort schiet in het leven, men is niet mooi genoeg, men is niet op tijd gehuwd, men heeft niet het baantje dat men hebben wil, men krijgt niet de erkenning van meerderen die men verwacht en men zoekt een uitweg. Die uitweg ligt niet in de feitelijke wereld. Het resultaat is, dat men tracht uit te wijken naar een soort fantasiewereld. En die vinden we dan alweer kant en klaar met rationalisaties in vele geestelijke systemen en geloofsrichtingen. Je kunt dan zeggen: Het is de wil Gods dat het mij tegen loopt. Het is de hand Gods die mij, dwingt. Het is mijn karma, het is de noodzaak tot bewustwording. Op deze manier kun je jezelf een belangrijk en volwaardig lid van het mensdom voelen, terwijl je naar buiten toe meent gefaald te hebben.

Ook een leegte in het leven kun je op die manier opvullen. En ik geloof, dat ook dit zeer veel mensen brengt tot dit zoeken naar geestelijke wijsheid. Kiezen ze daarvoor een verkeerde weg, dan hebben zo alleen een illusie, die ze met het sterven verliezen. Kiezen ze een weg, die een meer redelijke en feitelijke informatie verschaft, dan zullen ze daar zeker niet dommer van worden. Toch blijft het voor hen eigenlijk een soort levensbelang, dat gelijktijdig liefhebberij is.

Dan worden we geconfronteerd met een zeer eigenaardig type. Deze mensen, die vaak halfbewuste herinneringen hebben aan een vorig bestaan, die ergens in de wereld steeds weer erkennen dat ze er al eens geweest zijn, of dat er een harmonie bestaat die zo maar ineens kan opkomen, zoeken in wezen naar zichzelf. Opvallend is hierbij, dat een zekere mystieke neiging, een zekere paranormale begaafdheid meestal ook een rol speelt. Die neiging of begaafdheid wordt dan wel niet direct erkend, maar de behoefte om zichzelf te zien in de werkelijke gedaante zoals men zich innerlijk voelt, brengt dezen tot het zoeken naar een geestelijke weg, naar een weg in de wereld. Hun feitelijk doel is daarbij niet zozeer de eeuwigheid als wel het, eindelijk eens weten wie je bent. Het is voor hen zoeken naar jezelf en heel vaak — bij gebrek aan ervaring — innerlijk je identificeren met grotere persoonlijkheden. We zien heel veel mensen, die voortdurend de naam van Jezus in de mond nemen, terwijl ze in feite zichzelf bedoelen. Dat klinkt misschien wat hard, maar het is een feit.

De volgende soort (voor ons geestelijk overigens de meest interessante) bestaat uit mensen, die bij alles wat ze zijn en wat zo doen een gevoel hebben van onvolkomenheid. Ze hebben het idee, dat ze langs de belangrijke dingen in het leven heen gaan en zij proberen dit te corrigeren. In de praktijk lukt dat meestal niet zo goed, ofschoon ze juist daardoor soms ontzettend goede constructeurs en zakenlieden kunnen zijn. En op een gegeven ogenblik kiezen ze dan vanzelf een geestelijke weg.

Voor ons zijn deze mensen zo interessant, omdat bij hen sprake is van een taakbegrip. Zij voelen aan dat zo binnen het geheel der mensheid een functie hebben. En omdat ze die zelf eigenlijk niet kennen, voelen ze steeds tekort te schieten ook waar anderen hun slagen bewonderen. Voor hen is het geestelijk systeem, de geestelijke discipline, de esoterische onderrichting niets anders dan een poging om terug te koren tot die taak: De zin van het leven, die voor hen niet alleen een persoonlijk zinrijk leven is maar ook het deelhebben aan het grotere geheel. Het grotere, dat zij dan veelal erkennen als de mens en vaak ook de geestelijke mensen.

Deze zullen heel vaak via esoterische inwijdingen komen tot zeer persoonlijke filosofieën. En ofschoon ze zich bij een formulering helaas vaak aanpassen bij uiterlijk bestaan richtingen (de één is humanist, de ander dageraadsmens of behoort tot een Loge of iets dergelijks) zijn ze in wezen directe mensen. Zij zijn volgens hun eigen “ik” gericht en zij bereiken daarmee soms een persoonlijk geluk, dat pas wordt beseft, wanneer het een ogenblik ophoudt te bestaan, nl. het evenwichtig in de wereld opgaan en al haar facetten genietend.

Uit deze — dat mag ik er wel bijvoegen — komen heel vaak de leerlingen, die grote geestelijke bereikingen vinden. En dan hebben we nog een laatste klasse, waarin we de mens aantreffen, die in zich voortdurend iets eeuwigs ontmoet. Het is een flits, een gevoel van los-zijn, van verrukking. Zonder dat ze het weten hebben ze hun werkelijk ego, hun kosmisch ego aangeboord en de ervaring van onbeperkt zijn, waarin ruimte en tijd geen rol meer spelen, heeft hun bewustzijn zozeer getroffen, dat ze altijd weer trachten het terug te vinden.

Voor hen zijn de uiterlijke leringen, de wegen en wetten die worden aangegeven in de geloofsrichtingen, alleen maar een middel. Zolang ze zich daaraan gebonden blijven achten, bereiken ze dat ogenblik dan ook niet meer. Maar op het ogenblik, dat ze van daaruit een eigen praktijk van leven vinden, ontmoeten ze dat Goddelijke direct. Ze zijn soms de spontaan ontstane Meesters, die voor anderen een zeer grote betekenis kunnen hebben, omdat ze de sfeer van het eeuwige uitstralen.

Hier heeft u dan allereerst een ontleding van de verschillende soorten en typen, die wij tegenkomen. Er zijn er meer. En wij kunnen tussen alle genoemde typen mengsels van die richtingen aantreffen. Belangrijk was het echter, dat wij konden vaststellen, dat in ieder geval het zoeken voortkomt uit een gebrek, dat men in het eigen “ik” voelt of erkent. Dan is het interessant om, na te gaan wat de mens, die bv. de cursussen van de Orde volgt, daarbij verder beweegt. In de eerste plaats zal zo iemand behoefte hebben aan de sfeer. De sfeer, die niet direct door grote vroomheid wordt gekentekend, maar die ook een zekere vrijzinnigheid, vrijgeestigheid toelaat en toch een vast principe heeft. Zij hebben een richtlijn, al heet die dan maar verdraagzaamheid en door die richtlijn kunnen zij zich in hun omgeving gemakkelijker aanpassen.

Zo hebben daarbij echter nog een tweede punt. De zuivere gevoelsbeleving bevredigt maar weinigen onder hen. Er zijn er, die met de sfeer alleen genoegen nemen, naar dat zijn er slechts weinigen. De meesten vragen een voor hen verstaanbaar betoog. En dat betoog moet dan nog aan bepaalde eisen beantwoorden.

Het moet zich niet alleen zuiver met de esoterie of met het ongekende bezighouden, maar het moet die waarde ook herleiden tot de gekende wereld.  Een vermenging van geloof en van weten als het ware. Daardoor wordt het meer de ratio.   Er zit een redelijk element in, dat aangenaam aandoet. Het geeft hun verder ook aanleiding om na te denken over problemen en de vele vragen, die ze zichzelf stellen, op te lossen. Een element, dat velen bovendien pleegt te binden, is wel dat een waarheid die wordt verkondigd altijd op de aanwezigen betrekking heeft. Daardoor zien wij zeer velen, die een soort persoonlijke leiding, vinden omdat zij in een vorm, van harmonie of sympathie sommige delen van het gesprokene als direct tot hen gericht gevoelen. Het slaat op hun problemen, hun omstandigheden. Het maakt het voor hen mogelijk om als het ware meer objectief daarnaar te kijken en die objectiviteit speelt voor hen vaak een zeer belangrijke rol.

Verder zijn er dan ook onder, die bovendien aan het wat informele contact met de geest de voorkeur geven. En dat contact wordt in de Orde over het algemeen bevorderd, zodat zelfs een plechtige toespraak meestal besloten wordt met een meer persoonlijke toets van de spreker. Het feit, dat men zich verwant kan gevoelen met de wereld van de geest, speelt voor velen een grote rol. Het opzien naar al die wezens, die boven u staan, die u zijn voorgegaan, is vaak moeilijk. En juist het feit, dat deze geest met al haar bestaande bekwaamheden en soms ook tot uiting komende fouten zich wil beschouwen als gelijke van de mensen, als broeder of als zuster, heeft voor velen ook weer een attractie.

Er is in onze Orde wel degelijk een hiërarchie. Maar in tegenstelling tot vele godsdiensten en andere organisaties speelt die hiërarchie eigenlijk alleen maar een rol, wanneer er een beslissing moet worden genomen. En bij die beslissingen is het besluit van een hiërarchische trap nooit bindend voor de lagere trappen, tenzij zij dit zelf accepteren. Dit element van grote vrijheid en ook van een persoonlijk leven er, een persoonlijke verantwoordelijkheid is ook buitengewoon attractief. De voorlichting, die wordt gegeven omvat zowel menselijke kennis als filosofie en esoterie. Er is sprake van een zekere veelzijdigheid, waardoor haast een ieder ergens iets kan winnen wat voor hen, of haar belangrijk is.

En daarmee zijn wij geloof ik gekomen aan het beslissende punt voor zover het onze Orde betreft.  Want de zoeker naar geestelijke waarheid, die onze Orde ontmoet en daarin voor zich een zekere harmonie ontdekt (dat is een voorwaarde!), zal zich door de vele verschillende punten, die er worden besproken, één wereldbeeld kunnen vormen, dat hem de schijnbare raadselen van het bestaan en de onverklaarbare wreedheden als het ware doet zien in hun werkelijke verhouding, zonder dat hij daardoor ook meteen wordt gedwongen tot een soort zwijmelende aanvaarding of aanbidding. Ik meen dus, dat dit in de Orde der Verdraagzamen voor velen het meest aantrekkelijke element is.

Deze attractie op zichzelf — dat moeten wij wel begrijpen — verklaart nog niet de taak, die de Orde op zich neemt en de resultaten die zij soms bereikt. Daarom geloof ik, dat het goed is hieraan toe te voegen hoe er wordt gewerkt, wanneer wij zo’n zoeker ontmoeten.  In de eerste plaats gaan wij uit van het recht van de mens om voor zichzelf te denken, te kritiseren en zelfs te debatteren, ofschoon wij dat soms moeten beperken om te grote verwarringen voor anderen te voorkomen. Het geheel is gebaseerd op een bepaald systeem van denken en redeneren. Wij hebben dus een vorm gevonden, waarin bv. de logica een grote rol speelt, iets wat menig geloof ontbeert. In deze vorm hebben wij verder verwerkt de gedachten van degenen, die aanwezig zijn. Wij spreken niet alleen van uit onszelf maar ook zal de geest, die tot u spreekt in het kader van de Orde — zelfs wanneer het schijnbaar een monoloog is — in feite een dialoog met de aanwezigen voeren. Hun gedachten, hun impulsen en hun indrukken worden opgevangen en binnen het kader van het geheel verwerkt en weerkaatst, zodat men zelfs persoonlijk deel heeft aan dat wat er wordt gezegd en zo dat voor allen niet altijd waar is, zal het percentage van de aanwezigen dat werkelijk deel uitmaakt van deze dialoog, al wordt er door hen niet gesproken, betrekkelijk groot zijn.

Wij menen, dat wij op die manier de mens kunnen helpen om een onderscheid te maken tussen de illusies, die er op de wereld bestaan en de feiten. Bovendien proberen we hem aan het verstand te brengen, dat feiten niet alleen de dingen zijn die zintuiglijk worden waargenomen, maar dal elke toestand die in je bestaat een feit is, zodra ze gevolgen kan voortbrengen.

De zoeker, die dit erkent, gaat dus aan de hand van eer, denksysteem, waar men meestal gedurende enige jaren moet ingroeien, voordat men het zelf haast automatisch gebruikt, voor zichzelf een beeld van het bestaan opbouwen. Maar de kennis plus het systeem geven hen, ook de mogelijkheid om in esoterische werken van anderen of in filosofieën, die hem normalerwijze versleuteld zouden blijven door hun structuur, een doorzicht te gewinnen. Het is of de wereld der gedachten duidelijker leesbaar wordt en daardoor de zin van het leven en de denkwijzen van anderen, ja, zelfs de waarde van geloof en denken, zoals men die rond zich ziet, duidelijker verstaanbaar worden. Dit lijkt mij wel de grootste attractie te zijn.

Niet alle mensen zouden binnen het kader van de Orde kunnen aarden. En er zijn er, die dat slechts onder groot voorbehoud doen, bv.: “ik word er wijzer van”, of: “ik vind het leuk om die meningen eens met de mijne te vergelijken.”

Er zijn er ook, die dit absoluut niet kunnen verwerken. Iemand, die bv. als type 1 of 2, dat ik daarnet beschreef, zijn hele bestaan heeft gebaseerd op het Christendom, wordt haast automatisch een vijand van de Orde. Niet omdat de Orde onchristelijk zou zijn, maar omdat zij zijn systeem van zelfrechtvaardiging en belangrijkheid aantast. De mens, die alleen dooroverpeinzing en mystiek tot iets kan komen, zal de Orde verwerpen, omdat ze zijn  mystiek ontluistert, omdat zo haar terugbrengt tot een herhaalbaar feit en daardoor zijn idee van unieke verbondenheid met het Hogere als het ware teniet zou doen.

Menigeen baseert zich op kennis en een eigen denksysteem en heeft daarin zijn eigen waarde zo sterk vastgelegd, dat hij het spreken van de Orde, dat voor menigeen een aantasting van dit denksysteem zowel als van de kennis kan impliceren, moet verwerpen, omdat hij anders zijn zelfrespect, zijn gevoel van ingewijd zijn of van verheven zijn moet prijsgeven.

Waarmee ik slechts wil aanduiden, dat niet elke zoeker naar geestelijke waarheid in de Orde zal vinden wat hij zoekt. Elk van hen echter zoekt uit een onzekerheid. Elk van hen zoekt, omdat hij of zij voelt dat ze — in het leven van nu, hetzij in een vroeger bestaan op aarde of van uit een geestelijk bestaan — geen zuivere harmonie kunnen vinden,  dat er een onvolkomenheid aanwezig is. Het doel van alle geestelijke lering over de gehele wereld — of ze nu wordt gebracht door Meesters, door geesten, in spiritistische bijeenkomsten, door inspiratie of op welke wijze dan ook — heeft tot doel de mens zichzelf te doen vinden en zo die onzekerheid weg te werken. Want evenals in de oudheid staat ook nu boven de poort, waardoor de bewuste het werkelijke leven binnengaat: Ken uzelf. Niet als een uitdaging of als een eis, maar als het vermaan dat slechts de mens, die zichzelf juist leert waarderen in verhouding tot de wereld, God in werkelijkheid zal kunnen erkennen en vinden. In de betogen, die worden gehouden, komt ook een andere spreuk naar voren. Het oude “Tat tuam asi”: dit zijt gij. Want het betoog houdt maar al te vaak de mens een spiegel voor. Wat een gelijkenis is in de Evangeliën, een lezing van één van onze broeders, misschien een definitie of een grap van onze vriend Henri, er zit een spiegel in. Kijk erin en herken jezelf.

Zelfkennis en zelfbewustzijn zijn de waarden, die de geest en ook vele andere esoterische richtingen kunnen geven. Zelfkennis om de wereld te kunnen herbeleven, zoals ze is en om eigen doen en taak in die wereld juist te zien en daardoor ook goed te kunnen volbrengen. De  spiegel, opdat men zijn illusies steeds weer mag verliezen, opdat men in de harde waarheid, opdat men in zware opdracht zichzelf moge beproeven.

En wat is het einddoel van dit alles? De zoeker naar geestelijke waarheid, al beseft hij het zelf niet, heeft in wezen behoefte aan het één-zijn met alle dingen. Een eenheid, die de menselijke begrippen wel enigszins te boven gaat, maar een eenheid waarin alles onveranderlijk waar en juist is.

En zo zou je kunnen zeggen, dat de 7 typen, die ik u beschreef eigenlijk niets anders zijn dan 7 wegen, 7 graden van ontwikkeling in mensen, die de goddelijke werkelijkheid zoeken te herwinnen uit de beperkte werkelijkheid van hun aards bestaan. De ervaring leert, dat velen van hen zullen falen, omdat zij de eenheid van het leven nog steeds niet beseffen. Maar degene, die deze lering erkennend en ontvangende ze voor zichzelf beproeft, verwerkt en omvormt desnoods tot iets, waarmee hij metterdaad zelf iets kan doen zowel als in gedachten, die stijgt trede na trede naar, die grotere eenheid op.  Die vindt zijn persoonlijkheid juister en scherper uitgedrukt.  Die verliest veel van zijn onvolkomenheden en onvolmaaktheden en is altijd weer bereid om een grotere, een betere wereld te accepteren.

Ik hoop, dat aan het einde van deze cursus deze op uw verzoek gegeven uiteenzetting heeft mogen bijdragen tot een juist gebruik van de inzichten, feiten en stellingen, die u zo rijkelijk ter beschikking werden gesteld.

Ik

Ik ben.

Ik ben een deel van God.

Ik ben een deel van God en leef.

Ik ben een deel van God en leef mijzelf als god.

Ik ben een trilling, uit de oneindigheid tot vorm gestold.

Ik ben een kleur, waarmee de eeuwigheid aan ’t zijn z’n kleuren geeft.

Ik ben een kracht — gescheiden van alle kracht, die is — die uit en voor zichzelve leeft en toch met kracht verweven blijft.

Ik ben een kleur, die uit zichzelf een deel van scheppingswaarheid schrijft.

Ik ben de eeuwigheid.

Ik ben de regenboog,

waarin wel duizend kleuren vermengd zijn in het Al.

Ik ben begin en eind.

Ik ben, wat komen zal en dat, wat is geweest.

Ik ben de werkelijkheid en ‘k ben de droom.

Maar slechts mijzelf ben ik dit en nimmer voor het Al, het Al, waarin ik slechts te allen tijd een deeltje wezen zal van werkelijkheid, die steeds bestaat.

En als ’t verschijnsel soms vergaat, de regenboog verbleekt en dooft, de regen soms de kleuren klooft, toch blijf ik altijd voortbestaan in zichtbaar of onzichtbaar zijn, trekkend door ‘d oneindigheid mijn baan.

Ik zoek bewustzijn, ik wil weten en zoek de kleuren, die rond mij zijn.

Maar daartoe is mijn “ik” te klein.

Eerst moet ik waar mijzelf wezen.

Omspant het “ik” één trilling slechts, één kleur zo van begin tot eind, dan — werkelijk eeuwig wezen zijnde — zal ik erkennen eerst het wonderlijk gebeuren, dat mengt de trillingen in ’t Al en toch hen kristalliseren zal tot een bewustzijn en een boog vol kleuren.

Slotwoord

Oneindigheid is onbegrijpelijk. Eeuwigheid is onvoorstelbaar. En toch ben ik deel van de oneindigheid en is mijn wezen eeuwig. Daarom begrijp ik ook mijzelve niet. En zou ik mijzelf werkelijk volledig in alle dingen verstaan, ik geloof dat alle vorm verwazen zou als een waan, die niet meer noodzakelijk is.

Ik ben stof geweest. Ik ben geest en zal nog wel door vele sferen dwalen. Ik weet niet, wat ik zelf ben in alle vormen. Ik wil in vorm mijzelf vertalen, mijn eeuwigheid. Een eeuwigheid, die geen vormen meer kent. En zo lijdt mijn wezen onder eigen onbegrip.

Ik ben deel van de oneindigheid. Eeuwige kracht. Vermogen, dat alles schept en alles in zich opslurpt keer op keer. Dag en nacht der kosmos, meer nog: het ongekende Zijn.

En zoals je uit de druiven wijn treedt, treed ik uit mijzelf kracht. Kracht, waarvan ik de bron niet ken. Kracht, geboren als de druif uit aarde en uit zon, uit vorm en niet-vorm, uit zijn en niet-zijn. En ziet, in deze kracht, die in mij spreekt, verbreekt mijn wezen al zijn kluisters.

Het onbegrip is niet belangrijk meer. De luister van de eeuwigheid verblindt mij niet, want het is de kracht, waarin mijn wezen ziet hoe waarlijk ben ik deel van de oneindigheid. Hoe waar is het, dat ik steeds eeuwig ben en bij het sterven van vorm en het vlieden van de tijd mijn “ik” zichzelf zal zijn en steeds zichzelf zal leven.

Met die overweging heb ik geloof ik de esoterische zowel als de praktische kant van onze cursus gekenschetst. Wij, die de oneindigheid niet beseffen, willen in onszelf de kracht vinden, waardoor wij haar waarheid kunnen aanvaarden en daardoor meer bewust deel ervan kunnen zijn.

← vorige tekst
overzicht
image_pdf