Werkelijkheid: aanpassing – Les 03 – De werkelijkheid van deze tijd

image_pdf

december 1963

De werkelijkheid van deze tijd

In het voorgaande deel van deze cursus hebben we gesproken over tijd. We hebben het ‘ik’ beschouwd buiten de tijd. We hebben de bron van de tijd beschouwd. Nu wordt het tijd dat wij onze tijd gaan bezien.

Elk deel van het zijn dat wij tijd noemen, is op zichzelf een moment van beleven. Dat wil zeggen dat alle tijd op hetzelfde ogenblik en op hetzelfde punt aanwezig kan zijn en kan bestaan, maar dat voor ons alleen een bepaald deel van die tijd realiseerbaar is. Het is goed even hierover na te denken.

Want in de loop der tijden ben je ontwikkeld uit het Goddelijke, ergens uit het ‘Niet’. Je bent gestuwd via de vormende entiteiten en de harmonieën waartoe je behoorde, tot het moment dat je bewust werd. En nu sta je daar ineens in het leven. Een leven waarvan je zegt:

Dit is onze tijd en waarin je maar al te vaak constateert dat je daarvoor geen tijd hebt of dat je teveel tijd hebt, enz. Daarom moeten we dus het begrip van deze tijd eerst goed begrijpen. Deze tijd is mijn beleving van dit ogenblik en verder niets.

Ik kan wel zeggen dat in deze tijd zus of zo gebeurt maar dat is helemaal niet zeker want elke mogelijkheid bestaat binnen de schepping. En dat wil zeggen dat elke mogelijkheid kan worden gerealiseerd. Er is dus een wereld waarin Kennedy nooit president is geworden; er is een wereld waarin Kennedy niet is vermoord; er is een wereld waarin in Kennedy wel is vermoord.

De ontwikkelingen van die drie werelden lopen uiteen. De wereld waartoe u behoort, is voor u de werkelijkheid van deze tijd. De andere mogelijkheden vallen niet binnen het bewustzijn van de mensheid die u kent. Dat wil dus niet zeggen dat die andere mogelijkheid niet bestaat.

Wij kennen in deze tijd invloeden. De beïnvloedingen op deze wereld zijn op dit ogenblik — zou ik zeggen — zeer concreet merkbaar geworden en ze brengen daar bepaalde verschijnselen en resultaten voort. Er zullen echter vele andere mogelijkheden bestaan. Eén verandering in het leven van één mens kan over — laat ons zeggen — 100 jaar betekenen dat de wereld er anders uitziet. Eén handelstransactie die lukt of mislukt, is soms aansprakelijk voor een aantal verschijnselen die tot in de verre toekomst de mens zal bezig houden.

Ik denk hier bv. aan het dustbowl verschijnsel dat wij in Amerika hebben gezien, waarbij feitelijk een transactie van drie grote boeren en hun methode van landbouw beslissend zijn geweest voor de methodiek, gebruikt in een groot gedeelte van de graanstreek waardoor bodemuitputting ontstond, omdat men teveel bomen had weggehaald, enz. Het resultaat was dat de grond onvruchtbaar werd. En men heeft heel veel moeite gehad om door herbebossing nog iets van die streek te winnen.

Wat wij dus op het ogenblik beleven – de werkelijkheid van deze tijd – is in feite onze reactie op een zeer groot aantal mogelijkheden plus ons geloof in de onvermijdelijkheid van een bepaalde oorzaak-en-gevolg-werking. Wanneer u denkt dat iets te vermijden is dan heeft u daarmee de mogelijkheid geschapen dat het niet geschiedt. Wanneer u in iets gelooft als onvermijdelijk dan zult u dit voor uzelf te gelegener tijd realiseren. Gedachten zijn dus wel zeer belangrijk. Men formuleert dit wel eens als volgt:

In het denken bouwt de mens zich een wereldbeeld waaraan hij — voor zover het in zijn vermogen ligt — de wereld dwingt te beantwoorden.

Dat dit op het ogenblik gebeurt, zult u met mij eens zijn. De mensen hebben hun eigen denkbeeld, hun eigen stelling, hun eigen ideaal en ze proberen de wereld te dwingen daaraan te gehoorzamen. Dat die experimenten op een gegeven ogenblik ook weer vastlopen dat bewijst de historie en dat bewijst zelfs ook de ontwikkeling die wij bv. in bepaalde Oostbloklanden zien. Maar het neemt niet weg dat de doorsnee mens met zijn gedachten de wereld iets probeert af te dwingen. Hoe verder hij gaat met dit afdwingen des te groter het aantal mensen dat je “onbezield” zou kunnen noemen. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar die mensen leven in een andere werkelijkheid dan u. Voor hen hebben de dingen een heel andere betekenis.

Terwijl u warm loopt voor bv. politiek of geloof, zijn zij zo lauw, zo koud dat u zich niet kunt voorstellen dat zij daarvoor niet meer interesse hebben, daarop niet sneller reageren. Dit komt voort uit een verschil van werkelijkheidsbeleving. Die werkelijkheidsbeleving betekent geestelijk een divergerend lot, maar ook een divergeren van de belevingsmogelijkheden op aarde.

Hierbij spelen natuurlijk de stralen – de radialen – waartoe men behoort een grote rol, want men komt voorgevormd in deze wereld. Wanneer wij nu allen op gelijke wijze worden onderworpen aan één en dezelfde kracht, dan zal elk van ons daarop op een enigszins andere wijze reageren En wat meer is, ieder van u — en ieder van ons ook als het daarop aankomt — zal zijn werkelijkheid verder opbouwen aan de hand van dat wat hij is geweest. Hij zal daardoor bepaalde gebeurtenissen eenvoudig uit zijn leven weg bannen en voor zichzelf daarmee de mogelijkheid scheppen om te midden van een wereld die dat niet kan begrijpen, in een als het ware andere tijd te leven.

U vindt dit een ongeloofwaardig voorbeeld maar ik kan u toch wel verklaren hoe dat kan. Laten wij het voorbeeld nemen van de Japanse soldaten die 13 jaar lang op een eiland – zonder aanvoer van levensbehoeften enz. – militair hebben gespeeld omdat ze niet wisten dat de oorlog ten einde was. Deze mensen hebben wel geweten dat de oorlog ten einde was en ze hadden de boodschap kunnen verwerken, maar ze hebben gezegd: “Dat kan nooit waar zijn”. En daarmee hebben ze zichzelf in een toestand gebracht, waarbij ze eerst het begrip ‘oorlog’ moesten haten en moesten gaan twijfelen aan de zin van hetgeen zij waren, voordat ze konden aanvaarden dat er vrede was. Toen werden ze ontdekt.

Oorzaak en gevolg berust niet op het toeval. Toeval — een woord dat in deze tijd heel vaak wordt misbruikt — is niets anders dan een aanduiding van datgene wat men niet kan verklaren. Maar alles is in feite oorzaak en gevolg. En daarmee hebben wij iets gesteld dat in deze tijd toch wel zeer belangrijk is.

Een tijd waarin men zich laat beïnvloeden door de dood van een staatsman, de uitspraak van een paus en wat nog meer zij, gaat uit van het standpunt dat sommige dingen een treurig of een gelukkig toeval zijn. Dat is niet waar. Het is het denken van de mensen dat die mogelijkheid heeft geschapen; en die mogelijkheid bestaat alleen voor hen die er ten volle in geloven.

En dan komen wij nu aan een punt dat ik op verzoek van anderen vanavond ga aansnijden, maar dat toch met die werkelijkheid wel direct in verband staat. Kort herhalend:

Er is op het ogenblik een kracht werkzaam die voornamelijk inwerkt op de gedachten; dit wil zeggen dat het denkvermogen van de mens in bepaalde richtingen wordt gestimuleerd; dat zijn hoogte- en dieptepunten feller, intenser en groter zijn en dat hij verder — dat mogen wij ook niet vergeten — daarbij zijn omgeving feller, scherper en sneller beïnvloedt. Zo worden dus de scheppende werkingen van deze wereld aanmerkelijk versneld; want het is de mens die zijn milieu bouwt, niet het milieu dat de mens vormt. Ofschoon vanuit een menselijk standpunt dat laatste misschien het meest waarschijnlijk is.

Wanneer de gedachten steeds feller en scherper worden geformuleerd dan zullen er dus tegenstellingen ontstaan die een oplossing vergen. Die oplossing kan tot stand komen maar alleen in een abrupte vorm. Er is geen tijd voor een geleidelijk ombuigen van het een of ander. Wij kunnen niet zeggen: “Wij zullen eens overwegen wat wij morgen zullen doen. Het is vandaag of niet”! En hoe meer de mens zich dit gaat realiseren, hoe meer hij bereid is om tot actie over te gaan, des te meer is hij bereid zijn denkbeelden als het ware de wereld op te leggen; en dit kan hij niet doen zonder zijn werkelijkheid te verplaatsen.

Dan is de conclusie die wij hieruit mogen trekken dat de groepen mensen die op heb ogenblik een tegengestelde denkwijze hebben en elkander niet kunnen begrijpen — en dat zijn er heel wat — elk voor zich een andere richting uit leven en een totaal andere reeks mogelijkheden, ja, zelfs van wereld- en milieutoestanden voor zich in het leven roepen.

Hierom is deze kracht dus van groot belang voor het proces van de vernieuwing dat zich afspeelt. Maar de vernieuwing gaat verder.

De vernieuwing vergt in de eerste plaats wel van de mens dat hij afstand doet van zijn beperkingen. Die beperking ligt niet zozeer in een formalisme dan wel in een neiging om zichzelf en zijn eigen standpunt onfeilbaar te stellen. Een aantasting van z.g. onfeilbare standpunten en een omverwerping van regels die zeer lang als juist worden aanvaard, moeten haast onvermijdelijk uit het gebeuren van deze tijd voortkomen. Dat de mens daaraan soms ten gronde gaat, is jammer voor die mens. Dat sommigen zich zullen afzonderen en terecht komen in een helemaal door wetten geregeerd klein wereldje, is ook onvermijdelijk. Wanneer zij overgaan, zullen zij die wereld en het begripsvermogen met zich meenemen; en zij zullen daarin voortbestaan. Maar degenen die reageren op de onzekerheden, de frustraties, de — ik zou haast zeggen — mislukkingen van deze tijd evenals op de goede mogelijkheden, de goede punten die zullen zien dat hun wereld groter wordt.

U hebt allen wel de formule gehoord die in deze tijd steeds wordt herhaald: de wereld is zo klein geworden. De avonturiers klagen dat er zo weinig gebieden meer zijn waarin je nog werkelijk iets nieuws kunt vinden. En, een ieder klaagt erover dat de wereld steeds drukker wordt. Maar is dat nodig? Volgens mij niet.

Naarmate de mens zijn horizon van denken vernauwt, zal zijn wereld kleiner worden. En dat is niet alleen maar een gedachtekwestie. Voor de mens die zo is ingesteld, wordt dat feitelijke werkelijkheid. Hij keert terug van een wereld met haast oneindige oceanen en geheel nieuwe continenten tot een wereld die eigenlijk een klein dorp is, waarin hij zich achter elke hor bespied weet, waarin hij onzeker is van zichzelf en tenslotte een rol speelt, omdat hij meent alleen op die wijze in het leven te kunnen worden aanvaard.

Kijk, dit wordt op het ogenblik door die invloed scherp aangetast. Want je kunt niet tegelijk grootscheeps denken en dorps leven, al denkt men dat wel. Je kunt niet gelijktijdig een minnaar van de natuur zijn en de natuur opofferen aan je behoefte aan gewin. Je kunt niet gelijktijdig de vruchten van de arbeid voor jezelf begeren en je arbeid verminderen. Voor u liggen daarin dus een aantal consequenties. En ik geloof dat het goed is om die ook maar weer heel kort achter elkaar op te sommen.

Wij krijgen te maken met een verscherping van gedachteninvloeden plus de uitwerking daarvan op de mens die heel wat langer duurt dan de invloed zelf. Gezien dit feit zullen steeds meer onverwachte oorzaken ons leven beroeren. Steeds meer worden wij geconfronteerd met kleine verwarringen, met gevoelens van onvrede of onbevredigdheid, van onrustgevoelens van nietswaardigheid of absolute meerwaardigheid. Wij dienen te beseffen dat deze dingen geen feiten behelzen maar dat zij slechts een weergave zijn van ons innerlijk.

Niet de wereld is voor onze stemming verantwoordelijk. Wij zijn dat zelf. Niet de wereld maakt ons meer- of minderwaardig. Wij doen dit zelf. En waar wij beseffen dat wij zelf oorzakelijk zijn voor de soms wat onaangename beïnvloedingen die wij in deze tijd ondergaan, kunnen wij — alleen door onze gedachten daarop te richten — dit erkennen en vanuit onszelf de wereld op een andere wijze benaderen, de oorzaak en gevolgreeksen aan die stemmingen verbonden teniet doen, wijzigen en zelfs uit ons leven doen verdwijnen.

Denk positief. Elk ogenblik dat u mistroostig, neerslachtig bent, elk ogenblik dat u zich geprikkeld voelt of dat u – terwijl u zelf weet dat het eigenlijk niet helemaal redelijk is – meent voor een bepaalde taak veel beter geschikt te zijn dan een ander of helemaal niet geschikt te zijn, keer terug tot deze werkelijkheid: Dit is mijn gedachte. Ik moet mijn gedachten wijzigen. Ik moet uitgaan van het feit dat ik alle dingen volgens mijn beste weten en kunnen kan volbrengen; en dat ik daarmee aan elke eis die mij wordt gesteld tegemoet kom.

Ik moet stellen dat ik de wereld kan aanvaarden op mijn wijze en dat de wereld op de duur mij op gelijke wijze zal antwoorden. Een aanvaarding die dus door mijzelf wordt bepaald. Dit is op zichzelf al interessant en belangrijk, maar het gaat nog verder.

In deze dagen voel je je soms gedwongen terug te keren tot wat je noemt: “de nuchtere feiten”, terwijl je op andere ogenblikken je genoopt zult voelen tot een zeer hoge vlucht in de onbekende ruimte. (Daarover is in de cursus INZICHT gesproken. U kunt daarin een eventuele toelichting vinden).

Alles wat wij extreem doen – zonder daarbij een beperkende bepaling te maken – dat dit alleen geldt voor dit ogenblik voor nu en verder niet, zal voor ons een oorzaak- en gevolgwerking tot stand brengen die ons gaat overheersen en waaruit wij steeds minder een uitweg zullen vinden.

De absoluut mystieke beleving en de absoluut redelijke benadering zijn beide onvolledig. Hun onvolledigheid beheerst het oorzaak- en gevolgpatroon. Laat ons echter die onvolledigheid erkennen en er blijft een zeker openstaan voor andere mogelijkheden en andere krachten aanwezig waaruit men voor zich dus een contact kan vinden met de werkelijkheid van deze tijd, waarin men zelf leeft.

Al zouden er 5000 of 100.000 parallelwerelden kunnen bestaan, werelden waarin u allen zou kunnen leven, dit is uw werkelijkheid. Het heeft weinig zin te verlangen naar een wereld waarin er iets anders is. Het is echter goed in deze wereld te trachten alles te veranderen totdat het in overeenstemming is met ons eigen denken en verlangen.

Wij kunnen dit niet alleen doen door denken. Want zoals geheel ons wezen is gebonden aan een beleving in de stof gedurende een bepaalde periode, zo zal geheel ons wezen elke beïnvloeding — ook geestelijke — binnen die materie ondergaan en zal ditzelfde gehele wezen moeten worden ingezet voor elke verandering die tot stand moet worden gebracht.

De conclusie is duidelijk en naar ik meen ook aanvaardbaar. Volgens dit punt zal de mens moeten zoeken naar zijn stoffelijke mogelijkheid en zijn geestelijk verlangen en deze moeten samenvoegen — noem het desnoods een compromis — tot een leefbaar geheel.

Wanneer op een gegeven ogenblik een mystieke verrukking u bevangt, is dat goed. Maar begrijp wel dat dit voor dit ogenblik alleen geldt en dat waarden – daarin beloofd – morgen voor u niet meer zo bestaan, dat slechts datgene wat u in dat moment voor uzelf hebt gewonnen, blijft voortbestaan. En als u morgen onderduikt in de materie, begrijp dan ook heel goed dat ook dit materiële maar één ogenblik waarde heeft. Trek daaruit geen conclusies. Bezie het voor wat het is en keer van daaruit terug naar een leefwijze die voor u geestelijk en stoffelijk aanvaardbaar is en waarin u uw eigen behoeften tot leven – voortvloeiend uit uw straal en eventueel radiaal – kan worden verwezenlijkt.

En dan is er nog een punt dat voor u misschien ook belangrijk is. Wij hebben als mens en ook als geest heel vaak de gewoonte om een standpunt te kiezen en dit ten koste van alles te verdedigen. Maar wat wij feitelijk proberen te doen is eigenlijk de tijd te doen stilstaan. Wij moeten ons wel realiseren dat juist met deze verscherping van gedachtekracht, deze vergroting van tegenstellingen, elk standpunt dat men streng handhaaft op een gegeven ogenblik tot een breuk, tot een overspanning moet leiden.

Juist in deze dagen is het belangrijk dat men beseft dat het leven een voortdurend geven en nemen is en dat er tussen deze twee geen verschil in verdienste bestaat. Iets wat ongaarne ontvangen wordt, is even waardeloos als iets wat ongaarne gegeven wordt. En toch hebben deze dingen heel vaak de boventoon. Keer ook hier terug naar de werkelijkheid. Probeer u te realiseren dat u vandaag moet werken met de mogelijkheden van vandaag. Probeer te beseffen dat alles wat u tot stand brengt alleen vandaag geldt, morgen kan het anders zijn. Het is niet onze taak een bouwwerk voor de eeuwen op te richten. Het is onze taak te zorgen dat er vandaag een dak is, waaronder men kan schuilen.

Ik weet dat dit laatste velen van u een beetje onwezenlijk toeschijnt. Men zal zeggen. “Ja, dat is een mooie theorie, maar hoe kun je dit als mens verwerkelijken?” Zeker niet door vandaag het ene beroep uit te oefenen en morgen het andere. Maar wel — en dat is toch heel belangrijk — door in dat beroep uw stelling en standpunt, uw mogelijkheden te laten bepalen door wat u vandaag kunt doen, door van die mogelijkheid profijt te trekken en morgen van u niet hetzelfde te eisen.

Ik zal u een eenvoudig voorbeeld geven. Er zijn dagen dat je een brief kunt schrijven die zo uit de pen vloeit. Er zijn dagen dat bij elke letter de pen schijnt te haken omdat je de woorden niet aan elkaar weet te rijgen, omdat er ergens iets mankeert. Wanneer je gisteren een goede brief hebt geschreven en vandaag hapert de pen, moet je andere wijze van uitdrukking zoeken of desnoods een andere bezigheid. Morgen zal die pen misschien weer willen schrijven. Wil ik echter vandaag mijn prestatie van gisteren evenaren dan zal ik tot de ontdekking komen dat dit niet mogelijk is, maar dat ik mijn krachten heb verspild aan dingen die waardeloos zijn; en dan heb ik niets. En daar de tegenstellingen steeds scherper worden, is het belangrijk dat je steeds vandaag resultaat hebt.

De werkelijkheid van vandaag is dus een andere dan die van gisteren en die van morgen. Men zou dit voor de mens echter niet kunnen uitdrukken in een tijdsduur. Wanneer ik stel dat de 24 uren van deze dag anders zijn dan de 24 uren van morgen, dan heb ik wel gelijk, maar voor u zijn er bepaalde zaken die u kunt overzien tot misschien twee weken verder. Laat ons ‘vandaag’ daarom anders formuleren. Niet in een tijdsindeling maar in een concreet tijdsbesef.

Vandaag is voor de mens al datgene wat hij volledig kan overzien en beheersen, ook indien een vervulling of een voltooiing meer vraagt dan één dag in mensentijd. Vandaag kan soms dus ook een uur lang zijn.

Ik geloof dat de meeste mensen dit nu juist niet zullen kunnen beseffen. Ze kunnen niet begrijpen dat het nu soms jaren omvat. Jaren, die één geheel zijn en waarin het hele leven één en dezelfde drijfveer, één en dezelfde waarde heeft, maar dat morgen misschien één uur duurt. Als morgen vandaag is geworden dan willen ze weer zo’n zelfde periode doormaken. Deze stabiliteit is er niet.

Wanneer wij dus onder invloed staan van een kosmische inwerking, zoals nu op aarde het geval is, dan moeten wij rekening ermee houden dat ons heden zich soms enorm kan comprimeren. Er zijn korte ogenblikken waarin je onnoemelijk veel kunt doen en presteren en er zijn misschien tijden waarin je dat niet kunt. Het is onverstandig in deze dagen iets uit te stellen omdat het morgen misschien beter gaat.

Maar je moet rekening houden met het overzienbare. En het overzienbare is voor ons heden. Dit heden moeten wij gebruiken tot zijn uiterste mogelijkheden. Het heeft geen zin iets te bouwen voor 10 jaar later. We moeten bouwen voor vandaag. Niet belangrijk is wat wij misschien over 10 jaar denken te zullen hebben gepresteerd. Belangrijk is wat wij vandaag hebben volbracht. En als wij vandaag worden geconfronteerd met een tegenstelling – zoals er zoveel ontstaan in deze dagen – dan is het niet belangrijk dat die tegenstelling misschien eens zal worden opgeheven, maar belangrijk is het dat wij die tegenstelling vandaag opheffen.

Het heeft weinig zin te streven naar een kosmische harmonie die alle tijden omvaamt. Eens zult u dat kunnen doen, maar van uit uw menselijk besef is dat niet te doen. En daarom dient u te streven naar de harmonie die kan worden bereikt op een bepaald ogenblik. U zult niet moeten streven naar de geleerdheid die over 10 jaar vruchten afwerpt, tenzij: u een zuiver omschreven doel hebt en de verwerkelijking daarvan innerlijk als mogelijk gevoelt. Probeer liever met een paar feiten vandaag iets te doen.

De hele wereld ondergaat op het ogenblik trouwens een versnelling. Dat hebt u misschien wel gemerkt. De werkelijkheid van vandaag is niet meer gezapig. Het is alsof de gebeurtenissen eveneens een sneltreinvaart hebben gekregen. En waar in het verleden elk jaar misschien eenmaal een schokkende gebeurtenis voortbracht, kan er nu een periode volgen waar in elke maand, elke week of misschien zelfs elke twee dagen een schokkende gebeurtenis voorkomt. Het is voor ons zaak ons daardoor niet te laten overrompelen.

Wanneer wij die versnelling van de tijd willen gaan bezien vanuit een gezapigheid waarmee men vroeger iets bouwde voor 100 jaar, dan lopen we vast. Dan kunnen we niets bereiken. U moet u aanpassen aan het tempo; en kunt u dat tempo niet volhouden, ga dan mee zover als u kunt en stop dan; maar wees snel in uw beslissingen. Heel vaak heeft men geen tweede mogelijkheid meer tot kiezen of tot besluiten.

Vorm uw mening zo gedegen mogelijk maar vorm haar vooral snel. Anders heeft uw mening geen zin en waarde meer.

Wanneer u voornemens maakt, maak ze snel, maar spreidt ze niet uit over een periode verder dan een die door u in dit verband kan worden overzien.

U ziet dus dat er nog wel het een en ander is te zeggen over vandaag. Maar er zijn helaas ook nog andere en misschien wat ingewikkelder punten.

Een reeks kosmische golven treedt regelmatig in het Al op. Wij kunnen zeggen dat de invloeden die deze wereld op dit ogenblik beroeren, in het Al voortdurend feitelijk bestaan. De delen van dit Al die daardoor worden beroerd, wijzigen zich omdat de krachten zich ten opzichte van dit Al verplaatsen en het Al zelf in beweging is. Als we weten dat er een vaste volgorde van golven bestaat, is het nog niet mogelijk om te zeggen hoe groot de invloed feitelijk zal zijn voor een wereld, omdat de juiste verhouding – invalshoek en baanversnelling van een wereld ten overstaan van een kracht en van een kracht ten overstaan van een wereld – nooit geheel vaststaat.

De fluctuaties in de kracht zijn regelmatig in het Al van de krachten. De beweging van de wereld is regelmatig in het materiële heelal. Beide bestaan gelijktijdig, beide beroeren elkaar en kunnen onderling een wisselwerking vertonen, maar zij gehoorzamen aan andere wetten. Er bestaat voor hen geen gelijkheid in tijd.

Vele begrippen zijn relatief. Daarom moeten wij ons bij een benadering van dergelijke krachten altijd weer afvragen: Wat zijn zij nu? En dan is dat nu altijd hard. Want wij mogen stellen dat de beperkte menselijke denkwijze die loopt vanaf de geboorte tot de dood, niet in overeenstemming is met de levenswaarden, zoals die door het gehele Al gekend en in de kosmos bekend zijn.

Een beoordeling van uit een andere wereld, van uit een andere kracht zal nimmer gebonden zijn aan uw begrippen van goed en kwaad, van aanvaardbaar en niet aanvaardbaar maar zal voortvloeien uit de beoordeling die er in die andere wereld bestaat. Dan is het in deze tijd dus ook belangrijk ons af te vragen, welke beoordeling van mogelijkheden en feiten er bestaat in die wereld, waarmee de uwe op het ogenblik in contact is. En ook dit behoort wel degelijk tot de werkelijkheid van vandaag.

Dan moet ik nu stellen: de invloeden die deze wereld reeds hebben beroerd, nu beroeren en nog zullen beroeren, behoren alle tot één en dezelfde groot Orde. Zij zijn hoofdzakelijk geestelijke energie of levensenergie die bepaalde frequentiegebieden in het bijzonder beïnvloeden.

In al deze beïnvloedingen echter bestaat er geen menselijk oordeel of menselijk gevoelsargument. Er is een emotie, maar de emotie is niet gericht op het in stand houden van de mens in een bepaalde vorm of van een waardevol iets in een bepaalde vorm. Het is het verenigen van alle dingen — desnoods vormloos — met het geheel. En het is deze drijfveer die voert tot veel wat hardheid, wreedheid, onverantwoordelijkheid lijkt. Want als een mens dit alles had mogen regelen dan zou het er in de wereld ongetwijfeld veel mooier en gezelliger toegaan. Er staat echter tegenover dat er dan veel minder zou worden uitgericht.

Wij moeten dan ook begrijpen dat een gevoel voor rechtvaardigheid zoals een mens dit kent, in die andere wereld niet bestaat. Er bestaat daar een begrip van evenwicht. En wanneer iets wat voor u misdadig is, evenwichtig blijkt te zijn, zal het van uit die andere wereld als goed, als aanvaardbaar worden benaderd. Uw beste en edelste streven dat tot onevenwichtigheden voert, zal echter vanuit die andere wereld worden gezien als iets slechts; en dat wil dus zeggen dat die kracht daarop ook volgens dit oordeel en niet volgens uw opvattingen inwerkt.

Wij zien dat het begrip leven en dood zelfs niet bestaat. De overgangsvormen die wij kennen in onze levenscyclus van mens tot mens, van geest tot geest zijn van andere groot Orde en misschien terug tot mensen weer verder bestaan daar niet. Men ziet daar het geheel als continu. Bij wijze van spreken als het uitzaaien van graan tot het oogsten en dorsen toe. Het is één geheel, het is één gewas. Daardoor wordt er ook ten overstaan van leeftijd, instelling e.d. nooit een onderscheid gemaakt, want de werkelijke waarden die er in u bestaan zullen blijven voortbestaan, ongeacht in welke sfeer of wereld u zich bevindt. En zelfs bij een hernieuwde incarnatie zult u die behouden. Het is dus duidelijk dat het een normaal groeiproces is.

Voor u zijn belangen over het algemeen gebonden aan een zekere vorm van gelijk hebben. U moet weten dat u gerechtvaardigd bent, dat u zeker bent, enz. In de andere wereld — dat wil dus zeggen, de wereld waartoe deze krachten behoren, die ook worden gebruikt door krachten uit uw eigen wereld om hun doeleinden te bereiken — is men echter helemaal niet meer gebonden aan een vorm. Wanneer er tien politieke partijen zijn dan zegt die kracht niet: “Deze partij is goed en die is ondemocratisch en gene is anders”. Ze zegt eenvoudig: “Het is allemaal politiek en daarom voor mij allemaal onbelangrijk. Want voor mij is alleen belangrijk wat men bereikt en de werkelijke, onvervalste gedachte die er in de mens reëel leeft”. Woorden zijn voor die van weinig belang. Gedachten en daden waarin de mens zich werkelijk uitdrukt zoveel te meer.

Dit alles speelt een rol in de wijze waarop die invloeden uw wereld beroeren. Wij moeten dus  – en deze woorden komen helaas in deze lezing heel veel voor – als mens leren die kracht te aanvaarden, zonder onze mening daaraan te verbinden. Op het ogenblik dat ons streven er een is van eenheid, van harmonie en van evenwichtigheid, zullen wij overeenstemming zijn met die kracht. Op het ogenblik dat wij onze eigen mening daaraan verbinden, zullen wij er waarschijnlijk mee in strijd komen.

Laat ons dan uitgaan van het standpunt dat alle denken moet worden teruggebracht tot datgene wat wij in onszelf als juist, als goed, als zeker gevoelen. Dat al ons handelen een directe, een onmiddellijke uitdrukking van onze persoonlijkheid en onze gevoelens moet zijn. Al wat hieraan niet beantwoordt, zal sterke veranderingen ondergaan die wij niet kunnen voorzien en dientengevolge oorzaak-en-gevolg-werkingen veroorzaken. Wij scheppen dus door onze onoprechtheid, door ons niet willen erkennen wat wij werkelijk geloven, denken of hopen, door niet te durven leven wat wij werkelijk zouden willen leven een negatieve inwerking en op onszelf die uit een menselijk standpunt althans een vernietiging kan zijn.

Er is natuurlijk niet alleen iets negatiefs aan die waarden verbonden. Want harmonie – dat wil dus zeggen: een versmelting van begrip, van streven, al is het alleen maar een ogenblik van volledige aanvaarding van een wereld of zelfs van het onbekende – is voor die andere werelden het doel van het leven. Op het ogenblik dat wij een dergelijk moment kennen, zullen wij er zeker van kunnen zijn dat die krachten ons steunen; dat zij voor ons positief zijn geworden. Wat wij misschien vreugde noemen, is in feite toestand van aanvaarding, van tevredenheid. Een vreugde die hieruit voortkomt is positief. Hoe vreugdiger wij leven, denken en zijn des te sterker die krachten zullen optreden en helpen.

U weet alleen dat dit vaak genoeg werd besproken. We hebben het nu nog eens opnieuw geformuleerd. En er zijn enkele punten bij die in het daglicht van de voorgaande onderwerpen misschien duidelijker worden en niet meer dat eigenaardige mystieke avondaspect hebben van iets dat in een schemering van erkenning verkeert. Maar alles, wat is gezegd, is juist. Het is deze tijd; en het is de werkelijkheid van deze tijd. Wij moeten onze werkelijkheid zoveel mogelijk in overeenstemming brengen met de werkelijkheid van onze tijd. Het is niet mogelijk voor jezelf iets te handhaven. Wees dan ook niet zo dwaas om dit te willen doen.

Er blijft echter één wereld over, waarin u volledig vrij kunt scheppen: dat is de wereld van de gedachte. U kunt zich een wereld fantaseren die geheel aansluit bij uw beleven en uw mogelijkheden. U moogt dagdromen, geloof me, indien uw verborgen droom, dagdroom of wensdroom maar iets is in overeenstemming is met uw wezen, met uw persoonlijkheid. Want dan kan die gedachte een positieve waarde zijn en is zij belangrijker dan de mooiste theorie.

Deze invloeden gaan voorbij. Maar dat wat u in deze dagen vormt, is blijvend. Een invloed als de werking die de wereld op het ogenblik beroert, wijzigt iets in u. Hoe, dat ligt aan uzelf. U kunt echter niet uzelf gelijk blijven. Zorg ervoor dat u in deze dagen die wijzigingen zodanig aanbrengt dat u zo positief mogelijk wordt; dat u dus meer groeit naar uw eigen ideaal van goed zijn, van gelukkig zijn, van Godserkenning.

Handel in deze dagen altijd weer volgens het doel dat u in dat ogenblik erkent. Want de invloed kan ook uw denken veranderen. De beïnvloedingen van de gedachten uit de wereld, uit de omgeving, kunnen uw denkbeelden en uw idealen veranderen. Maar dat is niet belangrijk. Belangrijk is dat u oprecht en overtuigd bent in al wat u doet, in al wat u denkt, in al wat u droomt. De droom die wij vandaag bouwen, is de wereld of — zo u wilt — de aftakking van de werkelijkheid die wij voor morgen kiezen.

Dit gaat niet alleen maar over de belevingen tijdens dit stoffelijk bestaan. Het betekent ook dat wij in die richting zullen verdergaan in de sferen. Het houdt in dat deze vorming van ons wezen die zo ontstaan is, bij eventuele reïncarnatie onze incarnatie-keuze en mogelijkheden zal bepalen. Zoals er eens onbekende krachten zijn geweest die richting hebben gegeven aan de mens die hem als het ware hebben gedwongen in een bepaalde richting, tot hij eindelijk in staat was om voor zichzelf te kiezen, maar met een momentum dat hij niet kon vernietigen, zo geven deze invloeden hernieuwd een zeker momentum.

De mens is niet volledig vrij. De werkelijkheid van vandaag en van alle tijden is dat u een zekere mogelijkheid hebt binnen de weg die de uwe is, maar dat er steeds weer kosmische werkingen, invloeden en contacten zijn die u voortstuwen in een richting, of ge die wenst of niet. En alleen door van die invloeden gebruik te maken om met een terzijde stellen van het oude het nieuwe vorm te geven, kunt ge meer uzelf worden; kunt ge meer bewust worden door het optreden van die invloed.

Ik wil dit onderwerp afronden en besluiten met een korte aanhaling uit een paar lessen die wij over een soortgelijk onderwerp hebben gekregen.

Er is geen kracht en geen meester die kan ingaan tegen bepaalde wetten van de kosmos, de bepaalde cycli die optreden, de harmonische mogelijkheden die daarin bestaan. Dus zullen wij gebruik maken van de mogelijkheden die wij erkennen en zullen wij de krachten waarover wij nu beschikken aanwenden, opdat hetgeen wij erkennen als het juiste: de perfecte eenheid van bewustzijn in geheel de mensheid allereerst worde bereikt.

De krachten die tot de mens gaan, zijn een spiegel waarin hij zichzelf ziet. Hij draagt in zich vele schrikbeelden en demonen. Hij zal deze moeten overwinnen. Want slechts wie zijn angsten en schrikbeelden overwint, kan vrijelijk verdergaan. Deze tijd schept daartoe de mogelijkheid. Wie vlucht voor de in hem levende duistere dingen, ze niet durft erkennen voor wat ze zijn, is een dwaas die wordt meegesleurd door de vloed der tijden, en die behept met zijn angsten in een wereld komt te staan, waarin het moeilijk zal zijn hem binnen deze cyclus te helpen.

Alle krachten uit stof en geest moeten gericht zijn op harmonie. Deze harmonie zal worden opgebouwd met alle beschikbare middelen. Zij zal worden afgedwongen daar, waar zij niet vrijwillig wordt gegeven, opdat het begrip van harmonisch leven en zijn uit de theorie, uit de occulte frase, in de werkelijkheid treedt. Want, eerst de mens die in zijn leven harmonisch is, kan zijn geestelijke mogelijkheden ontplooien en beantwoorden aan de eisen die — naar wij menen — de huidig lopende cyclus en de voltooiing van dit wortelras vergen.

Deze verklaringen zijn met vele andere afgelegd door Meesters van de Broederschap, door Krachten van licht. Wij hebben ons genoopt gezien ons programma in deze maand daaraan aan te passen. Wij doen dit opdat u in staat zult zijn te begrijpen wat er eigenlijk aan de hand is. Waarom sommige dingen zo eigenaardig verlopen. Waarom er bepaalde verwarringen voor u bestaan. En waarom u soms tot besluiten moet komen zonder dit te willen.

Wij hopen dat deze lessen — ook de les die u vanavond hebt gekregen — u in staat zullen stellen om de werkelijkheid van uw eigen wezen zowel als die van de wereld meer te benaderen.

Psychologische achtergrond van de mens onder invloed van de  straling

Er is in de laatste jaren veel gesproken over stralingen die de wereld bereiken. Daarnaast wordt u steeds weer geleerd dat er bepaalde stralingen en uitstralingen bestaan. Het zal u duidelijk zijn dat deze op zichzelf niet waargenomen verschijnselen in de mens bepaalde psychologische werkingen en verandering tot stand brengen. In een poging om een — zij het summier — overzicht te geven van de verschillende werkingen en mogelijkheden wil ik dan allereerst de aandacht vestigen op het z.g. licht.

In het z.g. licht dat wij in verschillende vormen en kleuren kennen – onderscheiden dus in verschillende trillingen – komen elementen voor die een beroep doen niet alleen op zekere geestelijke eigenschappen van de mens, maar tevens stimulerend kunnen werken op een deel van zijn lichaam.

Wij komen daarbij tot de eigenaardige conclusie dat violet licht – een straling van zeer hoge orde – bij zeer vele mensen een zeker verlies van werkelijkheidszin tot gevolg heeft. Wanneer deze invloed de mens bereikt, wordt hij nl. geconfronteerd meteen oneindigheid die hij zelf moeilijk kan bevatten. Dit onbekende wordt door hem dan gerationaliseerd tot een ontmoeting met goden e.d. Heeft hij echter deze rationalisatie tot stand gebracht, dan kan hij nog de emotionele inhoud die deze beleving voor hem heeft, niet verwerken. Wanneer hij zijn eigen wereld beschouwt, is ze zo weinig in overeenstemming met de beleving die hij kent, met datgene wat hij nastreeft dat hij zich ongemerkt tracht te verwijderen van deze realiteit.

Psychologisch gezien hebben wij in vele gevallen hier te maken met een zekere scheiding in de persoonlijkheid. Een deel van het ‘ik’ blijft zich bezighouden met de normale dingen van de wereld, een groter deel van het ‘ik’ trekt zich terug en wil die wereld niet kennen. Resultaat: onevenwichtigheid in de persoonlijkheid, daarnaast een vaak ontstellend gebrek aan werkelijkheidszin dat zich echter voornamelijk in de grotere lijnen van het leven openbaart. Wat de kleine feiten betreft, zien wij vaak een bijzondere handigheid, een bijzondere interesse en ook wel een bijzonder snel verwerkelijken van voornemens, een snel realiseren van standpunten.

Het zal u duidelijk zijn dat een dergelijke straling haar grootste invloed altijd moet hebben op degenen die ermee verwant zijn. Maar op zichzelf wekt zij een reflex in de hersenen en wel voornamelijk in die delen waar het herinneringsvermogen een rol speelt: het onderbewustzijn.

Zo zien wij onder deze inwerking vele onderbewuste invloeden op de voorgrond komen met de vooromschreven resultaten.

Het blauwe licht is verwant aan het violette licht maar het verschilt in wezen daarvan toch enigszins. Het is nl. feitelijk het Al dat het blauwe licht ons brengt, doet ons in zijn structuur denken aan een bijzonder fraai en betrekkelijk ingewikkeld kristal; maar er zijn vaste lijnen. De mens die hier zoekt, zal een zekere overeenkomst ontdekken tussen zijn kosmische beleving en datgene wat zijn eigen wereld kent. Zijn wanhopig streven wordt nu om aan de hand van materiële kennis een opbouw tot stand te brengen die aan de kosmische gelijk is. Wat hij niet beseft, is dat de evenwichtigheid van de kosmische structuur door de stoffelijke kennis niet kan worden geëvenaard.

Wij krijgen hier dan te maken met de zoeker, de studerende die zijn gehele leven lessen, lessen en nog eens lessen verwerkt en tenslotte tot weinig of geen resultaat komt. Wij krijgen daarnaast te maken met de mens die leert zichzelf te beperken in zijn zoeken naar kennis, maar binnen die beperking voor zich een samenhangend geheel opbouwt. In dit kleine, maar samenhangend deel van kennis vindt hij een voldoende gelijkheid met de kosmos om van daaruit de kosmos te benaderen. Deze benadering vindt dan intuïtief plaats. Hier worden naast de frontale hersenlobben die voornamelijk door de violette straling worden beïnvloed, dus ook de grote hersenen als geheel beïnvloed, waarbij de nadruk bij velen vooral ligt op het visueel centrum, zodat er vaak sprake is van visioenen of visioen dromen.

Krijgen wij te doen met bv. het gouden licht, dan hebben wij te maken met iets dat levenskracht is. Levenskracht omvat niet slechts het denken van de mens. In vele gevallen kan dit denken op zichzelf haast onberoerd blijven. Eerder is het een hunkeren naar vitaliteit en naar harmonie in het gehele lichaam; en komt vaak tot uiting bv. in vormen van zonaanbidding en zonnecultuur, in vormen van zich afzonderen van de gemeenschap om een voor het ‘ik’ harmonische leefwijze te vinden. Gebeurt dit, dan ontstaat er door de rationalisatie een verwerping van de wereld die deze innerlijk aangevoelde levenskracht in haar overbrenging, in haar waarde niet kan aanvaarden. Dit meerwaardigheidsgevoel schept onevenwichtigheden; en in dit geval kan het gouden licht dus leiden tot een ziekelijk accent op bepaalde stoffelijke of geestelijke aspecten die met een buitengewone energie worden nagestreefd.

De mens is daarin echter niet gelukkig omdat hij dit beperkte doel niet kan verwezenlijken. Slechts wanneer hij zich persoonlijk volledig uitdrukt en de levenskracht in zijn denken en in zijn lichaam gelijkelijk kan aanvaarden, als hij deze ook gelijkelijk van zich kan doen uitgaan, vindt hij een voldoende harmonie met het gouden licht om de mogelijkheden ervan voor zichzelf te kunnen realiseren; eerst geestelijk, later voor een deel ook mentaal.

Geloof speelt in dit geval vaak een grote rol; en in alle geloofswaarden vinden wij dan ook een deel terug van dit gouden licht. Zodra het gouden licht als invloed de gehele wereld gaat beroeren, bereikt het daar een in toenemende mate zich van elkander afscheiden. Want de vitaliteit van de mens wordt meestal op een enkel doel gericht, hetzij dat het een bereiken is van een materiële welstand, hetzij het bereiken van een bepaalde positie, van macht of zelfs van geestelijke kracht en wijsheid.

Het gouden licht op zichzelf brengt leven, maar schept voor degenen die het niet juist aanvaarden zeer grote innerlijke spanningen en daarmee op de duur in de wereld gelijke spanningen.

Zoeken wij naar de achtergrond van krachten die niet met dit licht — waarvan ik enkele voorbeelden citeerde — verwant zijn, dan worden wij geconfronteerd met de kracht die op het ogenblik werkzaam is. Zij kan niet meer worden uitgedrukt als licht, maar is in vergelijking daarmee een hoogtrillend magnetisch veld. U zult dus begrijpen dat deze vergelijking hier alleen wordt gebruikt om de verhouding enigszins duidelijk te maken, zonder dat dit een feit is.

Zo weinig als licht werkelijk met uw licht overeenstemt, even zo weinig stemt deze kracht overeen met een trillend magnetisch veld. Zo’n veld echter heeft de eigenaardigheid dat het vooral de fijnere materie rond zich groepeert en in een zekere vaste vorm brengt. Het houdt dus ook in dat er een verdichting — hetzij plaatselijk, hetzij zelfs geheel verspreid over een grotere wereld — van bv. astrale materie ontstaat.

Het resultaat is dat de menselijke gedachte in dit astraal een vorm krijgt; en deze astrale vorm weerkaatst de invloed naar de mens. Maar de energie van het magnetisch veld – de eigen vibratie daarvan – vergroot de invloed.

Voor de mens is dit gelijk aan een voortdurend herhalen van zijn gedachten, zijn verwachtingen en hoop. Maar zo sterk dat hij de klank ervan niet meer kan verstaan en door de dreuning ergens vaag wordt herinnerd aan zichzelf. Zoals een mens op een versterkte weergave van zijn eigen woorden over het algemeen met enige vertraging reageert door niet meer te kunnen denken en spreken, zo zal menig mens door deze invloed verward raken. Want ofschoon hij wordt geconfronteerd met zichzelf, herkent hij dit niet meer. De samenhang tussen zijn denken en handelen gaat vaak verloren. Zodra dit het geval is, bevindt hij zich in een wereld vol gevaren en dreigingen en zal hij zich — ofschoon hijzelf de oorzaak is — vaak vervolgd menen, hetzij door de mensen of door een andere kracht. Dit kan vormen aannemen welke die van godsdienstwaanzin en vervolgingswaanzin bedenkelijk nabij komen.

Aan de andere kant echter worden ook de positieve elementen van de mens voortdurend versterkt; en dit wil zeggen dat een eenmaal geformuleerde gedachte of handeling, hoofdzakelijk weerkaatst uit de astrale sfeer, een bevestiging vormt. Waar de mens in zijn niet harmonisch zijn dus wordt geconfronteerd met een voor hem verwarrende bevestiging van zijn wezen, wordt hij bij een positief denken en handelen geconfronteerd met een verwerkelijking van zijn gedachten, begeerten en behoeften. Zijn wezen komt tot een vollediger ontplooiing, omdat het hem toeschijnt dat hinderpalen wegvallen ofwel — wat ook voorkomt — dat hij wordt geleid en geholpen.
In deze toestand bereikt hij een zekerheid, die, het hem mogelijk maakt daar te gaan waar anderen aarzelen te treden. Hij kan risico’s nemen die een ander niet kan nemen. Hij kan voor zich beelden vormen die voor een ander onmogelijk lijken. En hij kan in een onorthodoxe benadering van de wereld en haar problemen enorm veel bereiken wat altijd onmogelijk werd geacht. U ziet dus dat die invloed de versterking van de gedachte en de weerkaatsing ervan het menselijk leven aanmerkelijk kunnen beïnvloeden.

Dan zijn er nog de z.g. geestelijke stralingen die over het algemeen van grotere of minder grote entiteiten worden uitgezonden. Hiervan kan worden gezegd dat zij — ontstaan in een persoonlijkheid, over het algemeen een conglomeraat van verschillende erkenningen plus noodzaken — een breking is van het scheppend Licht. Naargelang van de persoonlijkheid kunnen daarin dus ook de elementen liggen van levenskracht, van bepaalde energie, van een suggestieve waarde en van al datgene wat verder hoofdzakelijk is, tot kennis toe.

De mens die deze invloed ondergaat en haar niet verstaat, meent ook weer voortdurend een schaduw naast zich te zien. Zijn eigen denken wordt vergezeld door een denken dat enigszins anders is geformuleerd.

De overweging brengt hem vaak tot daadloosheid; de daadloosheid tot een zekere rusteloosheid, tot een neiging om aan de wereld alles te wijten — dat is heel typisch, dat komt heel vaak voor. En hiermede ook weer de neiging om ergens te vluchten voor een onvolkomenheid die men niet zonder meer aan de wereld kan wijten.

Ziekten komen op deze wijze vaak tot stand. Het is niet een begeerte van de invloed om dit te doen, maar zolang een invloed optreedt voor een bepaalde mens, zal deze — wanneer hij daarmee niet één kan worden, dus niet harmonisch — willen vluchten voor de verantwoordelijkheid die hij daarin erkent en die hij voor zichzelf niet wil aanvaarden. Ziekte, lichte vormen van zenuwziekte e.d. komen hier vaak uit voort.

Het is onmogelijk om de verschillende soorten straling, ook de verschillende velden die er bestaan, op te sommen. Uit het voorgaande zal u echter duidelijk zijn geworden dat in feite de invloed zelf nimmer positief of negatief is. Het is de reactie van de mens daarop die bepalend is. Voor de mens zelf zal dus — ongeacht door welke kracht hij wordt beroerd — de vraag rijzen: hoe hij deze kracht op harmonische wijze kan verwerken.

Nu wordt deze term vaak gebruikt maar slechts weinigen weten wat met ‘harmonisch verwerken’ feitelijk wordt bedoeld. Wanneer ik energie heb, dan zal ik die moeten gebruiken op een wijze die voor mij genoegen, vreugde betekent dus: een directe aanvaarding en beleving verschaft. Ik zal daarnaast die energie zo moeten gebruiken dat zij niet direct in strijd is met de kracht die haar voortbrengt. En dit impliceert dat de kracht die ons beroert moet worden gezien als inspirator.

Er drukt zich op ons een bepaald beeld af. Soms is dat een ideaal beeld een van: “zo zou het moeten zijn”. Onze wereld is daarmee dan in strijd. Nu kunnen wij natuurlijk de wereld gaan verwijten dat zij niet beantwoordt aan ons ideaal beeld. Wij kunnen ook trachten — voor zover het onszelf betreft tenminste — aan het ideaal te beantwoorden. Zodra wij dit doen, zijn wij in harmonie met deze kracht; en dit betekent voor ons een positieve inwerking, waardoor wij zelfvertrouwen gewinnen, een beter begrip voor onszelf en onze mogelijkheden en vooral ook een neiging tot grotere eerlijkheid zowel tegenover onszelf als in onze handelingen tegenover de wereld als geheel.

Wanneer wij die positieve inwerking tot uitdrukking hebben gebracht, moeten wij nog meer middelen zoeken om een werkzame harmonie te bereiken. Het is als mens praktisch onmogelijk om de geaardheid van een bepaalde straling of van een veld aan te voelen. Maar wij weten wel dat er in ons een zekere toestand ontstaat. Of die toestand te danken is aan geestelijke inwerking dan wel aan andere omstandigheden blijft vaak onzeker. Daar echter harmonie met onszelf even belangrijk is als harmonie met stralingen en krachten, mogen wij stellen dat de mens steeds moet afgaan op datgene wat hem beheerst; en dat hij dit alleen behoeft te doen zolang als deze beheersing inderdaad optreedt.

Zolang een denkbeeld bij u voortbestaat, is het belangrijk dat u naar een harmonische oplossing zoekt. Is het denkbeeld verdwenen, dan heeft de harmonische oplossing die u misschien reeds had gevonden geen verdere betekenis of waarde. Wij moeten wachten op het volgend moment van beroering en dan daarmede weer een werkzame harmonie vinden; dus een uitdrukking van de kracht die ons beroert plus een uitdrukking van ons eigen bewustzijn en wezen binnen deze kracht.

Men zal zich afvragen hoe men zich nu deze stralingen en werkingen moet voorstellen. Het is zeer moeilijk daarvan in een eenvoudige lezing redelijk tekst en uitleg te geven. Misschien is het het eenvoudigst als ik u dit vertel:

Zoals u weet, bestaat er tussen de kleinste deeltjes van een atoom een ruimte. Die ruimte is ledig; er is het ‘niet’. In dit ‘niet’ echter treedt de spanning op tussen deze deeltjes. Nu kan er een ogenblik komen dat de geaardheid van het samenstel van de deeltjes van een atoom niet meer wordt bepaald door de delen zelf maar door de spanningsverhouding die er tussen hen bestaat. Het atoom heeft daardoor een vaste geaardheid, deze geaardheid verandert niet. Je kunt een waterstofatoom hebben. Maar als het eenmaal is gevormd dan blijft het zichzelf. Wanneer er een deeltje wegvalt, wordt er onmiddellijk één aangetrokken. Wanneer er een deeltje binnentreedt, wordt er onmiddellijk één afgestoten. Het is dus uiterlijkheid die bepaalt maar het veld dat bestaat. Dit veld is vanuit menselijk standpunt uit niets. Het kan alleen worden geformuleerd als zijnde gelegen in de delen; het neutron, het proton aan de ene kant, aan de andere kant misschien het elektron. Al deze formuleringen echter nemen het feit niet weg dat de verhouding — dus het bestaande veld (het ‘niet’) — belangrijker is dan de uiting en dat de geuite vorm van deze veldmatrix afkomstig is en niet omgekeerd.

Zo zou men kunnen zeggen dat de stralingen waarover wij spreken als “licht” – één van de zeven Stralen – dus de invloeden die deze wereld benaderen of doorkruisen, in feite een deel zijn van het ‘niet’ voor zover het de mens betreft. Het is een matrix  – een moeder vorm – die tot stand is gekomen in het begin van dit heelal. Sommigen zouden zeggen: in het begin van de oerexplosie. Vanaf dat ogenblik hebben die velden dus de verhouding geregeld tussen de sterren, de planeten, ja, zelfs de wijze waarop zwevende lichamen in bepaalde stelsels worden opgenomen of uitgestoten, worden erdoor bepaald. Verder de eigen wentelingensnelheid en vorm van een sterrennevel en de verhouding tot andere sterren. Dat deze velden dus in vele verschillende frequenties en graden van belangrijkheid bestaan, zult u misschien ook weer begrijpen. Want zoveel structuurvormen als er in het Al denkbaar zijn zoveel verschillende velden bestaan er.

Voor de mens echter zijn alleen die velden van belang welke voor hem hetzij geestelijk, hetzij lichamelijk een directe beïnvloeding veroorzaken. In de meeste gevallen is het menselijk denken zover ontwikkeld dat het zich met elke beleving associeert en bezighoudt, zodat in de praktijk het denkvermogen van de mens door praktisch elke straling die hem maar beroert ook wordt getroffen.

Het getroffen worden door dit ‘niet’ betekent voor de mens een concretiseren van deze spanning, want hij is nu binnen een stelsel waarin hij zijn eigen plaats moet kiezen. Is deze plaats goed gekozen — dat wil dus niet zeggen dat ze vast is, maar alleen dat ze in de veldverhouding geen storing betekent — dan zal dit veld als het ware de mens doortrillen. Alles wat in zijn wezen daarop reageert, wordt mede in vibratie gebracht en zal daardoor eigenschappen verkrijgen die het normaal niet heeft. Zoals een trillend kristal b.v. golflengten kan bepalen, terwijl een in rust zijnde kristal dit niet kan. Dat geldt niet voor alle kristallen maar slechts voor sommige.

Een mens die op deze wijze zelf als het ware is gaan vibreren binnen dit veld en een onjuiste plaats heeft ingenomen, wordt naar een plaats gestuwd die hij voor zich niet wenst. De psychologische gevolgen daarvan zijn u duidelijk. Het is een geleid worden voor enkelen, maar voor velen is het een gedreven, een gejaagd of een achtervolgd worden. Heeft men de juiste plaats gekozen of zoekt men bewust die juiste plaats, dan zal het deel zijn van die kracht betekenen: dat zij op een gegeven ogenblik het gehele wezen beheerst en door dit wezen tot uitdrukking komt.

Wanneer ik een supersonische trilling neem en ik richt deze op een stuk materiaal dan kan als gevolg daarvan in dit materiaal een harmonische trilling ontstaan die hoorbaar wordt. Het oorspronkelijk onhoorbare geluid wordt getransformeerd tot een hoorbaar geluid. Op deze wijze transformeert de mens dus eigenlijk deze kosmische toestanden, deze structuur van wat men het ‘niet’ zou kunnen noemen tot een menselijke reactie, tot een reactie in een bepaalde sfeer, tot een erkennen of een actie in een wereld.

Hiermede heb ik getracht om althans oppervlakkig een schets te geven van datgene wat in uw leven optreedt. Het zal voor velen moeilijk zijn dit te aanvaarden. In de eerste plaats kan men zich geen actief ‘niets’ voorstellen. Toch kan dit ‘niets’ wel degelijk actief zijn. De actie ligt echter in een zodanig verschillende belevingswereld en op een ander vlak van zijn, omvat toestanden van energie die voor de mens niet denkbaar zijn dat een formulering eenvoudig onmogelijk is en ook niet zintuiglijk of door middel van ter beschikking staande wetenschappelijke instrumenten kenbaar. Het resultaat is dat het voor de mens ‘het niets’ is.

Wanneer er een uit antimaterie gevormd heelal zou zijn – dus materie die een lading heeft tegengesteld aan de materie die u kent. Er bestaan daarvan inderdaad sterren, zelfs in dit heelal – dan zou het nimmer mogelijk zijn om zo’n wereld te betreden of mensen die daar leven te ontmoeten in de stof. Maar u zou wel één ding gemeen hebben en dat is de gedachtevorm. De gedachtevorm kan worden tot gedachten emissie. Het telepathisch contact is wel mogelijk. Een stoffelijke vaststelling van de juistheid van het telepathisch ontvangene is echter niet mogelijk.

In een soortelijke toestand bevindt u zich ten overstaan van deze straling. Zelfs de wereld van de geest die heel wat dichter bij de materie ligt is op het ogenblik voor de mens nog niet kenbaar, ofschoon technisch zowel als ook door geestelijke ontwikkeling het punt in de historie wordt genaderd waarop de geest dus weer actief deel kan gaan uitmaken van de mensheid als geheel.

Zo staat u ervoor. Wanneer u mij vraagt: Wat is de grootste psychologische werking van al deze krachten tezamen? Dan zou ik zeggen: In de mens het verlangen naar of de angst voor het onbekende. Het is de niet-rationele factor die optreedt. Een factor die voor sommigen via de rationalisatie: “het is God of het is de geest die mij beweegt.” kan worden gemaakt tot iets wat buitengewoon interessant en belangrijk is; voor anderen echter een gevoel van onwerkelijkheid met zich brengt en gevoel van afschuw voor al datgene wat hen van hun veronderstelde werkelijkheid verwijdert. Men zou dus kunnen zeggen dat de begeerte als het ware naar het grote avontuur of de angst ervoor en het zoeken naar zekerheid de eerste inwerkingen zijn die in de psychologie kenbaar worden.

Ik meen, vrienden dat ik met deze korte behandeling voor vanavond mag volstaan. Ik wil nu eindigen met deze overweging:

Wanneer ik spreek van werkelijkheid dan spreek ik van mijn gedachten. Want het is mijn denken waardoor ik beleef; al het andere is de vorm waarin de beleving van de gedachten voor mij duidelijk wordt. Zo ben ik in mijzelf een Al.

En zou ik sterven, zou mijn bewustzijn weggevaagd zijn, er zou geen ster meer zijn en geen Al, geen God. Alleen het ‘niet’ bestaat dat nog meer is dan niets. Daarom moet ik met mijn gedachten zelf bouwen aan een wereld waarin ik leven kan.

Mijn wereld heeft een brandpunt nodig. Dit brandpunt moet steeds gelegen zijn in de wereld boven mij. Of ik het God noem of de geest of een meester, is niet belangrijk. Ik moet een brandpunt hebben voor mijn geestelijk denken; en ik moet een uitdrukking hebben van datgene wat ik geloof in de materie. Want slechts tussen de tegenstellingen wordt iets kenbaar.

Wie gelooft dat zijn geloof niet leeft, kan nimmer weten wat waar is in zijn geloof en wat er krachtig in is.

Wie iets beleeft en daarin geen hogere bedoeling ziet, gaat eveneens ten gronde want het verschijnsel verliest zijn betekenis. Gradaties zijn niet mogelijk en zijn bewustzijn sterft nog tijdens het gebeuren door al wat het met zich meebrengt.

Laat ons trachten bewust te zijn: Ons leven moet zich afspelen tussen de gedachte en het punt dat voor het lichtende, het juiste is. De materie waarin wij dat lichtende uiten op onze wijze.

Licht en duister zijn wij. Kracht en krachteloosheid. Leven en dood zijn beide deel van ons wezen. Want slechts daartussen ligt het erkennen.

En hoe zullen wij die met onze gedachten beleving en wereld voor onszelf vormen, zonder erkenning ooit de werkelijkheid kunnen benaderen die niet gebonden is aan ons wezen, maar uit en voor zichzelf bestaat, regerende het Al waaruit wij zijn ontstaan?

Laat ons bewustzijn, laat ons uit de tegenstellingen het bereik van ons eigen wezen vinden.

Laat ons de kracht van ons wezen meten. En laat ons in overdenking en beleving uiten wat voor ons het belangrijkste is: het leven, het staan, waarin wij hunkeren naar de oneindigheid.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf