Werkelijkheid: aanpassing – Les 02 – Het ik buiten de tijd

image_pdf

november 1963

Het ik buiten de tijd

Het zal duidelijk zijn dat het ‘ik’ ergens in het Al een functie heeft maar dat daarnaast het ‘ik’ moet worden teruggezocht in de bron. Wanneer wij nu uitgaan van het haast onmogelijk grote aantal sferen dat wij kunnen omschrijven als bestaande tussen het menselijke en de absolute bereiking, dan rijst onwillekeurig de vraag of die mens nu eigenlijk wel al die sferen zal kennen. Om de verrassing voor u weg te nemen, het antwoord is natuurlijk: neen. Want de mens behoort tot een bepaalde ontwikkeling.

Het ego zoals het is ontstaan, zoals het zich heeft gevormd, werd als het ware met een bepaalde snelheid in de tijd en in de ruimte gelanceerd; en daardoor was de baan — zeker in de eerste periode van het bestaan — bepaald. Dit houdt in dat alle sferen die in deze beginperiode werden beroerd, vaststonden buiten eigen bewustzijn of wil van het zich vormende ‘ik’.

Verder kan nog worden opgemerkt dat vanaf het ogenblik dat het ‘ik’ zich voldoende bewust is om zelfstandig tot actie over te gaan – wat pas aan de grens van het mens worden optreedt – dit ‘ik’ een voorgeschiedenis heeft die het bewustzijn, de neigingen, de begripsmogelijkheden alweer heeft bepaald. We beginnen dus met een grondslag die niet gelijk kan zijn aan die van een ander. Een grondslag waarin begripsvermogen, ervaringen een rol spelen en waarbij verder nog het momentum waarmee wij ons bewegen een rol speelt; ik zou haast zeggen: de wilsimpuls van het Goddelijke waardoor wij binnen tijd en ruimte bestaan.

Als wij tot deze conclusie komen dan volgt daaruit automatisch dat onze weg nooit het totale Al zal kunnen omvatten. Wij kunnen het gehele Al doorschrijden. Wij zullen elke mogelijke reeks sferen kunnen beleven maar niet alle mogelijke sferen. Want op het ogenblik dat men mens is, ontstaat er een streven. Dit streven impliceert niet alleen maar een aantal ervaringen – ofschoon dat natuurlijk ermee gepaard gaat – maar daarnaast ook wel degelijk een soort bestemd zijn voor een bepaalde sfeer. Het is immers uw eigen begeren, uw eigen angst, uw eigen denken dat toch in zeer hoge mate zal bepalen hoe u zich een sfeer voorstelt, met welke entiteiten u al dan niet contact kunt opnemen, in hoeverre u als redelijk of onredelijk wezen bestaat. En dat wil dus zeggen dat door uw leven de sfeer wordt bepaald die u gaat betreden.

Maar als mens was u voorgevormd; dus de volgende fase – het betreden van een sfeer – is niet het betreden van een willekeurig gekozen sfeer, maar ten hoogste het bereiken van één bepaalde mogelijkheid uit een zeer beperkt aantal mogelijkheden die er voor het ‘ik’ bestonden.

Het leven in elke sfeer op zichzelf is gebaseerd op de daar heersende tegenstellingen zoals overal in elk bestaan, in elke wereld. De tegenstellingen van de sfeer waarin u leeft, zijn in feite de tegenstellingen van uw angst en van uw begeren waarbinnen een evenwicht ontstaat. Een evenwicht dat op zichzelf dan weer het Goddelijke uitdrukt en het op de duur mogelijk maakt in het ‘ik’ die evenwichtigheid te bereiken waarop de sfeer ophoudt voor ons levend te zijn; ze wordt dood. We kunnen dan verdergaan naar een volgende sfeer en we kunnen ook terugkeren – zoals u waarschijnlijk weet – naar de wereld.

Wat wij op het ogenblik van een bereikte stasis in de sfeer zijn, is weer het resultaat van onze voorgeschiedenis. Wij hebben een beperkte keuzemogelijkheid gehad, zeker. Maar toch was deze niet zo groot dat wij daaruit kunnen concluderen dat wij vrij zijn om elke sfeer te kiezen. Wat meer is, we kunnen ons zelfs een groot gedeelte van het Al niet eens voorstellen.

Nemen wij aan dat de geest — in een bepaalde sfeer levend — het punt van stasis kan bereiken zonder terug te keren naar een lagere wereld of bv. de stof. In dat geval zal zij van uit dat middelpunt van die wereld – het middelpunt dus tevens van haar begeren en haar angst – komen tot een nieuwe beleving. En die nieuwe beleving is weer een andere sfeer. Want de rust die men heeft bereikt, is als het ware gelijktijdig een startpunt, een belevingspunt. Het ‘ik’ moet zich realiseren. Factoren die vroeger niet werden erkend, worden nu wel erkend omdat in de wereld waarin wij bestaan die impulsen wegvallen. Daar is evenwicht. Het resultaat is dat de volgende sfeer wordt bepaald door de wijze waarop het punt van evenwicht wordt gevonden in de sfeer waarin men leefde.

Ofschoon ook hier natuurlijk wel verschillende mogelijkheden zullen bestaan, geloof ik toch niet dat wij verstandig doen om dat hoog aan te slaan. Laten we zeggen: drie mogelijkheden, drie sferen. Dat is al heel veel. Van uit die drie sferen kies je er weer één. In die sfeer kun je weer hetzelfde spel beleven. Het je realiseren van de wereld; het ontdekken van de negatieve en de positieve zijde van die wereld; het jezelf in evenwicht brengen met deze waarden en dan weer hogerop.

Maar als ik dat alles zo vertel dan blijkt daar dus uit dat:  die reeks sferen en mogelijkheden die u beleeft ergens van te voren is bepaald. Er is een beperkte mate van voorbestemming aanwezig. En nu kunnen wij niet zeggen dat wij daardoor gebonden zijn. Wij hebben een grote vrijheid maar die bestaat alleen binnen onze mogelijkheden, binnen onze voorstelling, binnen ons bewustzijn. En dus stel ik als eerste punt van deze les:

Het aantal sferen dat men kan betreden, wordt beperkt door eigen bewustzijn en wordt bepaald door de evenwichtigheid die het bewustzijn binnen een bepaalde wereld of sfeer voor zich kan vinden.

Dat is heel mooi. Wij weten nu in ieder geval dat we dus niet overal kunnen komen. Maar hoe zit dat dan eigenlijk? Zou dat voor een ieder dan geheel verschillend zijn? Dat is nu weer een vraag, waarover je moet nadenken.

Men zegt wel eens dat de goddelijke zon – dat is dus een beeld van God als zon – zich scheppend openbaarde in 72 x 72 radialen. Dat wil dus zeggen: stralen die werden uitgezonden waardoor bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden tot stand worden gebracht. Over het algemeen gaan wij natuurlijk niet zo ver, want daarmee zoeken wij naar de grote verdeeldheid en komen wij tot heel veel ontwikkelingen die wij eigenlijk nog wel onder één hoofd kunnen samenvatten. Want per slot van rekening of je nu leeft in een joodse, een protestantse, een mohammedaanse of een hindoe hemel, als het begrip ‘hemel’ er is en het impliceert het aanwezig zijn van een God, Die je persoonlijk kunt ontmoeten, dan kunnen we wel zeggen: die overeenstemming is zo groot dat we daarin eigenlijk geen direct onderscheid willen maken. En dan komen wij dus tot de z.g. 9 Stralen die elk op zichzelf niet alleen uitdrukking geven — zoals men misschien denkt — aan een planeet maar aan een groot kosmische Kracht.

Er zijn 9 verschillende soorten van ontwikkeling die op aarde vaak achtereenvolgens optreden. Vandaar dat wij de 8 factoren van elke Heerser meestal omschrijven als een reeks tijdvakken; zoals u nu spreekt van het aanbreken van de Aquarius-periode. In feite zijn die krachten allen gelijkelijk aanwezig. We krijgen dus: Er zijn 9 hoofdradialen of de 9 hoofdstralen – niet te verwarren met licht of met kleuren –  begrijp dit goed! – die de kosmische tendens aangeven waarbinnen wij leven.

Stel dat een ‘ik’ – een ego – dus buiten de tijd als het ware behoorde tot één van die Stralen, dan is de totale ontwikkeling die werd doorgemaakt — inclusief het al dan niet deel uitmaken van de één of andere wereld en daarin zuiver materie zijnde misschien met een heel beperkt bewustzijn of een primitief dier of plant of het leven als een entiteit ergens in een atmosfeer — geheel bepaald door die Straal. Die Straal bepaalt dus het soort van bewustzijn dat men heeft. En dat bewustzijn dat heeft u zo net gehoord, bepaalt de richting waarin u gaat.

Nu hebben we echter binnen zo’n hoofdstraal altijd nog weer wat wij noemen de 8 subradialen. Deze 8 subradialen kunt u zien als 8 krachten die in elk van die 9 hoofdkrachten bestaan. Heel vaak noemt men ze zelfs met dezelfde naam omdat men nu eenmaal aanneemt dat er hier dus sprake is van een uit de kosmos gegeven ontwikkelingsmogelijkheid dat wordt geënt op het karakter van elk van die 9 hoofdradialen. Het resultaat is dat een mens op aarde kan leven en kan zeggen: Kijk, 1/72 van deze mensheid, in deze periode zal precies dezelfde sferen betreden als ik. En dan kan hij misschien nog eens verder kijken en zeggen: “Maar natuurlijk zullen er velen zijn wiens wereld in zoverre verwantschap vertoont met mijn wereld dat mijn ego in die sferen daarmee nog contact kan hebben. Er zijn er echter die buiten ons begrip, buiten ons bewustzijn liggen, omdat ze behoren tot een zo ver van ons verwijderd zijnde subradiaal dat wij hun totale bewustwordingsproces eenvoudig niet kunnen volgen.

Gaan wij dit in de sferen bekijken, dan wordt die veelheid natuurlijk veel groter dat begrijpt u wel. Want dan krijgen we dus 72 van die factoren voor elke hoofdradiaal die dan weer onderling te combineren zouden zijn. Het aantal mogelijkheden is haast oneindig. Wij proberen eenvoudiger te denken en stellen nu:

Ik zal op aarde en in elke sfeer een aantal mensen kunnen ontmoeten, wiens wereldbeeld of beleving zover gelijk is aan het mijne dat ik met hen tezamen bewust kan streven. Er zijn anderen die zoveel van mij verschillen dat ik nimmer met hen tezamen bewust kan streven, ofschoon ik wel kan trachten mijn bewust streven ook voor hen tot uitdrukking te brengen. En daarmee hebben wij dan begrepen dat verschillende sferen noodzakelijk zijn.

Als wij alleen eens kijken naar Zomerland, dan ontdekken wij daar een zo groot aantal verschillende voorstellingen en afdelingen dat je zegt: “Wat moeten we daar nu in godsnaam mee beginnen”! Alleen aan christelijke hemelvoorstellingen zijn er op het ogenblik – ik spreek dus niet over de in de tijd gegroeide voorstellingen, maar nu werkelijk over de door zielen actief bezochte – zo’n kleine 1500 verschillende. En dan is dat nog iets waarvan je kunt zeggen: “Dat valt nog onder één hoofd samen want er is altijd nog dezelfde hoofdgedachte bij”.

Wij hebben onze eigen wereld die wij met bepaalde anderen betreden. Zo wij die wereld die sfeer in haar geheel met een ander delen, is een volledige uitwisseling van denken mogelijk en een gezamenlijk streven, een gezamenlijk beleven, waarbij eigenlijk geen enkele beperking bestaat zeker niet in Zomerland. Later worden natuurlijk de vormen vager, het bewustzijn krijgt een andere inhoud maar de waarde van volkomen gelijkheid blijft bestaan.

Wanneer iemand behoort tot dezelfde radiaal en subradiaal als een ander, dan kan worden gesteld dat ze elkander zowel op de wereld als in de sferen voortdurend zullen kunnen benaderen, dat hun streven ongeveer gelijk gericht zal kunnen zijn en dat het bewustwordingsproces dat zij doormaken voor hen gelijk is. Dit houdt tevens in dat de door hen betreden sferen — van de laagste tot de hoogste — aan eenzelfde karakteristiek beantwoorden en voor hen op volkomen gelijke wijze kenbaar zullen zijn. U heeft hier dus al gezien dat u tot een bepaalde tak behoort.

De grote vraag wordt nu weer: Als je eenmaal tot zo’n bepaalde tak behoort, heeft dat verder dan nog betekenis? Je kunt toch andere mensen ontmoeten. Man en vrouw bv. kunnen tot verschillende subradialen behoren.

Het antwoord is: Ja. Het betekent inderdaad veel. Het betekent bv. dat de wereld die de man ziet in de geest een totaal andere wereld kan zijn dan de wereld die de vrouw ziet en beleeft. Ze zullen elkaar daarin misschien kunnen vinden voor zover ze iets van elkanders eigenschappen hebben overgenomen; maar voor de rest is die wereld anders. Waar de één een mooi ouderwets oud-Hollands huis ziet, ziet de ander misschien een stukje Corbusier of een wat ouderwetser Berlage. Op deze manier krijg je dus de mogelijkheid om als het ware contacten te leggen tussen de verschillende sferen. Contacten die vreemd genoeg dus niet zijn gebaseerd op gelijke begripswaarden, maar op wat je beter zou kunnen noemen: gelijke gevoelswaarden. En dit is nu voor ons begrip van al die sferen waarin wij kunnen leven van het hoogste belang.

Een bewuste voorstelling of een redelijke voorstelling, ja, zelfs een op ervaring gebaseerde voorstelling brengt mij niet binnen het bereik van andere sferen. Op het ogenblik dat er een gelijke gevoelswaarde bestaat – en die is voor ons allen mogelijk omdat wij uit dezelfde bron zijn voortgekomen – kan ongeacht het blijvend verschil van wereldbeleving een wereldgelijkheid ontstaan; en via de gevoelswaarden – maar nimmer via de rede of de eigen ontwikkeling – is op de duur een overdracht mogelijk, waardoor twee mensen die zo met elkaar verbonden zijn – dus ongeacht hun verschillende subradiaal – in één sfeer kunnen leven die voor hen beiden vaste waarden bevat, waarin zij slechts elkaar kunnen benaderen, maar die voor hen dan ook volledig is, terwijl hun incarnatie naar een vroegere wereld ook gelijktijdig of bijna gelijktijdig zou kunnen geschieden met behoud van deze gevoelsband.

En dan kan men dus ook hieruit weer een conclusie gaan trekken nl.: Waar dus het ‘ik’ zichzelf ergens heeft prijsgeven – zich als het ware deel heeft willen weten van iets dat meer dan ‘ik’ is, wordt het aantal sferen dat kan worden beleefd in verhouding groter en zal de mogelijkheid tot contact met verschillende sferen eveneens groter worden.

Nu nog een laatste punt over dit aspect van de sferen. Wanneer een geest hoog is gestegen dan is dus die geest een zekere kracht. Maar deze kracht kan alleen inwerken op diegene die tenminste tot een gelijke hoofdradiaal, maar als het even kan ook tot een gelijke subradiaal behoort; dus behoort tot een bepaald deel van de goddelijke schepping.

Wanneer hier een entiteit als Jezus komt dan kan de entiteit Jezus voor sommigen alles en volledig zijn. Hij kan voor hen het mirakel zijn en alles wat erbij behoort. Maar iemand die niet tot zijn radiaal – zijn Straal zouden we kunnen zeggen – behoort, wordt door hem niet beroerd; er is geen mogelijkheid tot wederkerig begrip en contact. Jezus zou dan zo’n mens op aarde kunnen ontmoeten maar hij zou hem niet kunnen genezen. Hij zou ook geen woord kunnen zeggen dat die ander zou kunnen beroeren. Die zou een andere stem moeten horen, een andere begripswereld, een andere gevoelswereld moeten ontmoeten die uit zijn hoofdradiaal tot hem komt.

Dit alles vormt hier dus wel het beeld van een persoonlijk bestaan, waarin het aantal sferen dat men zal moeten doorleven in de eigenschappen ervan ongeveer — ik zeg niet volledig — zijn te bepalen aan de hand van hetgeen er tot nu toe in het bewustzijn bestaat. Kleine afwijkingen zijn mogelijk, grote afwijkingen ondenkbaar.

Het zou allemaal heel aardig zijn en misschien niet eens zo heel erg ingewikkeld als men daarvan op aarde ook geen last had. Want op aarde staat het nog een klein beetje anders. Daar hebben we nl. ook nog te maken met de kosmische krachten die oorspronkelijk in ruimte en tijd werkzaam zijn. De radialen en subradialen zijn stuwende krachten die van buiten de tijd optreden. Maar in de tijd kennen we nog weer de 7 Stralen die wij meestal als kleuren weergeven en waarin dus de Meesters van allerhand voor ons belangrijke begrippen plegen te zetelen.

Nu kan een subradiaal zozeer parallel lopen met één van de 7 Stralen dat we zeggen: Dit is de hoofdfactor in mijn bestaan. Wat het materiële betreft, kunnen we ons rustig bepalen tot de 7 Stralen en zeggen: Onder die Straal val ik, met de krachten van die Straal werk ik. Maar mijn geneigdheid in mijn mogelijkheden worden dan toch wel degelijk door radiaal en subradiaal bepaald. En daarom heb ik niet alleen maar te maken met een stoffelijk karakter, met stoffelijke mogelijkheden en met de mogelijkheid om vanuit de stof iets of iemand geestelijk te bereiken. Neen, ik heb bovendien nog te maken met een bewustzijnswereld die zelfs in de stof mij sterk onderscheidt van mijn medemens en dus ook de werkingsmogelijkheid; het optreden van één der 7 werkelijke Stralen voor mij definieert.

De Heren van Wijsheid kunnen optreden voor die mensen die elk nog behoren onder dezelfde hoofdradiaal maar ieder met een verschillende subradiaal. Dan zal de wijsheid in haar vorm en met haar achtergrond, zoals ze bij elk van de drie bestaat, verschillend zijn. Wanneer daarnaast nog een verschil van hoofdradiaal optreedt dan zal elk op zichzelf een wijsheid bezitten die voor hem volledig juist, waar en als het ware kosmisch hanteerbaar is, maar zij zullen elkanders wijsheid niet kunnen gebruiken. Dus de kracht waarmee A. werkt, is voor B. een chimaera en voor C. is het een onmogelijkheid of iets negatiefs; en zo in elke willekeurige samenstelling.

Dan ligt er dus ook voor de mens op aarde in deze tijd — en dat is toch ook belangrijk — ergens een grens van datgene wat hij geestelijk wel en niet kan volbrengen; van datgene wat hij stoffelijk wel en niet kan volbrengen. En die beperking vloeit niet voort uit vandaag of zelfs maar uit karma of uit voorgaande incarnaties maar die ligt vast in de kosmische bestemming. Het lijkt misschien heel eenvoudig als ik dit zo zeg. Maar nu moet u zich eens goed realiseren wat dat betekent.

Die kosmische bestemming houdt in dat uw gehele eigen bewustwording — met alle fasen en factoren daarvan — beperkt is. U kunt niet elke kant uit die u gaan wilt. Het houdt verder in dat uw voorstellingen en datgene wat voor u juist, redelijk en goed hanteerbaar is, voor een andere zelfs het tegengestelde kan zijn. Het houdt in dat u een groot gedeelte van uw medemensen op de wereld niet zult kunnen benaderen langs de zuiver redelijke weg, zelfs niet langs een zuiver geestelijke weg, maar dat u dit alleen kunt doen door een gevoelswaarde te vinden in die ander, waardoor u ergens iets gemeenschappelijks krijgt en — zonder elkanders wereld te begrijpen — toch elkanders wereld kunt aanvaarden.

En zo is dat niet alleen hier beneden op aarde, zo is het overal. Dat geldt dus in elke sfeer en in elke wereld. Hoe belangrijk is dan niet — gezien al dit voorgaande — dat wat wij dan maar “gevoel” zullen noemen en wat wij in heel veel gevallen eigenlijk onredelijk noemen. Deze dingen zijn zo belangrijk omdat: ze het ons mogelijk maken te ontsnappen uit de beperking van onze taak en in onze taakvervulling meer bewust te werken.

Wanneer je tien schepen met kleine koersverschillen in de mist laat varen naar eenzelfde doel dan is een botsing mogelijk. Maar geef nu die schepen een signaalhoorn dan kunnen ze door de geluidssignalen elkaar althans enigszins vermijden. Geef de mens een gevoelsimpuls die verder reikt dan zijn eigen beperkte, gekende bewustzijnswaarde en hij zendt een signaal uit, waardoor onnodige botsingen met anderen worden vermeden. Gaan we nog een stap verder en geven daarbij iets, wat het ‘ik’ als het ware wel tot middelpunt maakt — maar voorlopig als een soort radar — dan zal die mens zichzelf misschien wat minder zuiver kennen en beseffen dan wenselijk ware, maar hij is nu in staat precies te zien wat de anderen zijn, hoe zij zich bewegen en wat zij doen. Hij zal dan zijn eigen bewegingen kunnen coördineren met die anderen en zo voor allen misschien een sneller en een juister bereiken van het doel mogelijk maken. Dat is dus altijd in elke sfeer een punt van overweging.

Je komt ergens en je denkt: Hoe moet ik hier nu eigenlijk denken en leven? Dan begin je natuurlijk met van jezelf uit te gaan; van je begrip van de wereld zoals die zich kenbaar aan jou toont. Dit is nu precies hetzelfde alsof je een landschap ziet of kleuren. Want voor jou betekent het zo iets als een landschap. Het is een milieubepaling, een eigenschap bepaling. Alles gaat dus goed. Maar ergens zijn er dingen die wij niet helemaal de baas kunnen, die wij niet begrijpen. Er is iets wat ons begrensd. Wij weten niet goed wat wij ermee moeten beginnen. Kijk, en daar komt ons nu de zuivere gevoelsimpuls te hulp. Want zijn wij nu in staat onszelf en ons eigen wereldje als het ware enigszins te vergeten, dan is er op basis van dat gevoel, dus zuiver op gevoelswaarde als het ware een contact met anderen mogelijk. En dan blijkt dat een streefdoel enerzijds dat ons ongetwijfeld in strijd, in botsing zou hebben gebracht met een ander uit een aangrenzende sfeer, kan worden vermeden en kan leiden tot een samengaan, waarbij je misschien zelfs elkanders zekerheid vergroot. Want gaan we samen in diezelfde richting dan weet jij dat je van deze kant niets te vrezen hebt; wij gaan parallel en omgekeerd. Wij kunnen dus het element van zekerheid, van geborgenheid in zo’n sfeer aanmerkelijk verhogen.

Ik geloof dat dat ook op aarde het geval moet zijn, indien je leert uitgaan niet van de feitelijk bestaande vormen, daden of van situaties maar van gevoelswaarden die dus ergens — onredelijk misschien — wederkerig zijn; dat je dus ergens wordt beschermd. Er is een grotere zekerheid voor ons verdere denken en voor ons verder leven. En in deze vorm van het ‘ik’ dat oorspronkelijk buiten de tijd ontstond, dat in de tijd is gegroeid onder invloed van een radiaal en later van subradialen, terugkeren tot zijn eigen volkomen bestemming binnen een geheel.

En dan ziet u dat onze eindconclusie ons weer moet voeren tot hetzelfde punt dat wij al zo dikwijls hebben aangesneden: Wij zijn allen delen van een geheel. Onze eigen taak binnen het geheel is vastgelegd en zonder die taak te vervullen, zullen wij nimmer kunnen bestaan. Ons hele bestaan wordt als het ware gekentekend door die taakvervulling. Wij kunnen echter die taak vervullen tegen onszelf en tegen de wereld in, of met de wereld en met onszelf mee. Door op de juiste wijze de waarden van gevoel – en voor de mensen ook de waarden van geloof dat is ook een gevoelskwestie – te laten prevaleren boven onbelangrijke, kleingeestige, stoffelijke dingen die we tenslotte als dreigend of als onjuist aangevoelde spanningen toch niet kunnen omschrijven, kunnen wij door die gevoelswaarden inderdaad komen tot de juiste reactie, de juiste gang door de sferen en een juiste verbondenheid met alle dingen in de kosmos.

Op aarde vindt men daarbij, zoals trouwens ook nog in enkele van de lagere lichtsferen, de inwerking van de in tijd en ruimte bestaande Heren van Licht, van Kracht, enz.; de 7 grote Stralen van deze stoffelijke kosmos.

Daarnaast zullen wij sterker en sterker de verbondenheid met onze radiaal of subradiaal kunnen ervaren en zo het begrip God – dat voor ons een heel belangrijk iets is, ook al praten wij daarover meestal niet zo graag – het probleem God kunnen omzetten in het gevoel God, waaruit wij onze kracht putten en waardoor onze bewustwording de juiste vorm, de juiste gestalte aanneemt, onze daadstelling de juiste is, kortom, ons hele wezen beantwoordt aan de noodzaak geboren uit onze taak plus de behoefte in ons allen gelegen om niet alleen te staan en deel te zijn van het geheel.

Het denken

Een mens denkt. Maar als hij denkt, wat doet hij dan eigenlijk? Hij brengt een aantal in hem bestaande opvattingen en gedachten bij elkaar, trekt daaruit een conclusie en legt die in zichzelf vast om zich later daaraan te refereren. Op zichzelf lijkt dat misschien heel eenvoudig. Maar de mens heeft met zijn denken een paar eigenaardigheden waarmee wij toch wel rekening moeten houden.

De eerste is dat de mens over het algemeen probeert te ontkomen aan alles wat hij minder aangenaam vindt. Hij zal dus in zijn denken nooit rechtlijnig op zijn doel afgaan maar zal altijd proberen een weg te vinden waardoor: hij van alle gevoelens van onvolkomenheid of schuld zoveel mogelijk verschoond blijft. Dat is de bron van de onwaarheid in het denken.

Dan hebben wij verder nog te maken met een al even eigenaardige afwijking nl. dat de doorsnee mens niet in staat is een directe grenslijn te trekken tussen gedachtewereld en werkelijkheid. Hij zal dus veel van wat in zijn denken bestaat projecteren als een deel van de werkelijkheid en daar dus ook als reëel op reageren, terwijl die andere delen — die toch ook werkelijkheid zijn — als het ware worden weggepraat en beschouwd als een wat eigenaardige eigenschap van zichzelf die men dan maar moet onderdrukken. Dit is dus één van de punten waaruit de menselijke onevenwichtigheid pleegt te bestaan.

Een derde en laatste punt over het menselijk denken is het volgende: De mens denkt zich beperkingen en door deze beperkingen in gedachten te stellen beperkt hij zijn werkelijke vermogens en mogelijkheden. Zodat mag worden gezegd dat de vermogens van de mens nimmer verder reiken dan hij het zich realiseert.

Dat is ook een heel mooi punt. Want nu wij die drie punten hebben gesteld, komen we tot de conclusie dat de mens in zijn denken nogal eens van de werkelijkheid en van de feiten pleegt af te wijken.

Maar er zijn zoveel verschillende typen van mensen en je hebt allen wel dezelfde fout, maar eenieder zal daar op zijn manier op reageren. We hebben in de kwestie van menstypen bv. de Leeuw, ik neem nu maar eens iets. Dat is een mens die graag op de voorgrond treedt die zelfs ook een zekere mate van heerszucht in zich heeft. Hij houdt ervan de initiatieven in eigen hand te nemen. Indien dat niet mogelijk is, kan dat nooit zijn schuld zijn want dan moet hij zichzelf klein zien. Zijn afwijking in het denken gaat dus in de eerste plaats in de richting van anderen. Wanneer hij komt tot beperking van eigen vermogens dan zijn het niet zijn vermogens die hij beperkt ziet maar: hij ziet zich begrensd door anderen. En zo kan men dus zeggen dat een leeuw type bv. geneigd is om zichzelf steeds omgeven te zien door een wereld die hem door gebrek aan appreciatie een feitelijke bereiking onmogelijk maakt. Dat is niet zo, maar hij ziet het zo. En als gevolg worstelt hij in de wereld met de mensen en probeert hij aan die belemmeringen te ontkomen. Een leeuw doet dat over het algemeen tamelijk fors. Hij houdt ervan iemand het mes op de keel te zetten.

Maar er zijn anderen die een soortgelijke neiging hebben. Zij gaan dus ook uit van het standpunt dat de mensen hen beletten hun gehele persoonlijkheid uit te leven. Wij vinden dat bv. bij de stier sterk. Er zijn nog een paar van die tekens die dat hebben.

Kijk eens, deze reageren allen wel op hun eigen manier maar ergens zijn ze vijandig tegenover de wereld. En alleen wanneer zij die wereld hebben opgenomen in hun eigen wereldje komen ze werkelijk tot volle ontplooiing.

We hebben ook heel andere typen bv. de weegschaal. Weegschaal zegt voortdurend: Ja, zou het wel zo zijn? en twijfelt voortdurend aan zichzelf om daarna prompt zichzelf te overschatten, zich zijn beperkingen realiserend maar gelijktijdig zichzelf weer als minderwaardig en onjuist te zien. En zo blijft hij heen en weer gaan. Ook hier wordt de schuld vaak op de buitenwereld geschoven, doch innerlijke onzekerheid en een zekere zwartgalligheid zijn meestal niet te vermijden; die zijn zuiver het resultaat van de manier waarop men denkt en reageert.

En zo is het menselijk denken niet alleen belangrijk voor wat wij verstandelijk daarmee kunnen doen maar we zullen ontdekken dat de manier van denken voor het genie en voor de idioot en voor alles wat daartussen ligt volkomen gelijke tendensen geeft ten overstaan van de wereld.

Nu heeft u in andere onderwerpen wel gehoord dat er heel wat meer verschillen zijn dan we bv. in de tekens van de Dierenriem kunnen uitdrukken. Maar hoe het ook zij, het denken beïnvloedt dus in zeer sterke mate hetgeen je kunt.

Wanneer het menselijk denken een krachtpunt vindt dat onbeperkt is en dat in de plaats van een beperkt ‘ik’ stelt, kan hij alles doen. “Indien gij gelooft, zo zijn u alle dingen mogelijk”. Wanneer de mens twijfelt aan zichzelf, dan kan hij voor zichzelf wel het idee stellen dat hij gelooft, maar als hij niet werkelijk gelooft, zal de uitwerking nihil zijn; en zo van alles wat hij uit het geloof wil putten. Je zou dus kunnen zeggen dat menig mens in zich een beeld van zichzelf probeert op te bouwen dat niet aan de feiten beantwoordt. En dat is nu heel erg vervelend, want zolang je niet aan de feiten beantwoordt die er omtrent jezelf bestaan of in jezelf bestaan volgens je denken, kun je nooit juist reageren. Je weet niet waar je beperkingen en waar je mogelijkheden liggen. Dus zou ik willen stellen:

Het eerste in het menselijk denken dat voor ons noodzakelijk is, is een redelijk begrip en een redelijke waardering voor onszelf.

In de tweede plaats zullen wij moeten komen tot een beeld van onze persoonlijke behoeften en eisen in de wereld. Dus niet hoe dat vanuit anderen zou bestaan maar zuiver persoonlijk; en wel zo dat wij dat in praktijk kunnen omzetten als dat nodig is.

In de derde plaats moeten wij geneigd zijn — wat menig mens vergeet — om een aantal vragen onbeantwoord te laten. Wanneer ik alle vragen wil beantwoorden dan moet ik dat doen vanuit het redelijk denken van de mens met alle verschijnselen van bias enz. waarvan ik er zo even enkele noemde. Beantwoord ik een vraag niet dan kan alles wat er in die vraag schuilt mij nog volledig bereiken. Maar heb ik eenmaal een antwoord gegeven op die vraag — juist of onjuist — dan heb ik mijzelf een benadering van een groot aantal waarden onmogelijk gemaakt.
Want om nu mijn denkbeeld aan een nieuw feit aan te passen moet ik eerst toegeven dat mijn geloof onjuist is. Doe ik dit niet dan probeer ik — zoals de Duitser het zo mooi zegt — het feit in het geloof “hinein zu interpretieren”. Dat doen de meeste mensen dan ook. Wanneer ze eenmaal een geloof hebben en ze hebben voor zichzelf iets gedefinieerd, dan zullen ze zelfs alles wat precies tegengesteld is aan hun idee, als bewijs gebruiken voor hun eigen stellingen. Wie dat niet gelooft, moet de moraaltheologie van de laatste tijd maar eens nagaan, dan kun je heel eigenaardige verschijnselen opmerken.

Een punt dat wij ook niet over het hoofd mogen zien, is: Ik moet met mijn denken uitgaan van de feiten in de buitenwereld, nooit van de feiten in mijzelf. Ga ik uit van de feiten in mijzelf dan leg ik aan die buitenwereld beperkingen op, dit wil zeggen dat ik haar niet volledig waarneem. Maar ik kan denken wat ik wil, de wereld gaat toch wel verder.

Als ik een type heb — en er zijn er heel wat — dat de wereld eenzijdig wil zien en wil benaderen, dan heb ik ook te maken met een mens die zich bewust of onbewust oogkleppen heeft opgezet. Hij ziet alleen zijn eigen bedoelingen, zijn eigen initiatief of zijn eigen belangen en niet wat er daarnaast geschiedt. Hij komt dus ook voortdurend in conflict met de wereld en met zichzelf. Een heel onaangename toestand, was dat denken nu alleen maar materieel dan zouden we nog de schouders kunnen ophalen en zeggen: Nu Ja, iemand die zo begint, is er met een jaar of 70 à 80 toch wel weer van af. Maar die kwaal zet zich verder voort. Want alle menselijk denken – dit wil zeggen : hersendenken – vormt de basis voor wat de geest opneemt. Er is dus nog een geestelijk bewustzijn – soms spreekt men in dit verband van een mentaal lichaam – waarin al die impulsen worden opgenomen; en nu niet meer aan de hand van de buitenwereld maar alleen aan de hand van wat je dus denkt. Om een gek voorbeeld te nemen:

Als je je kunt voorstellen dat je op een kachel roomijs kunt maken, dan heb je grote kans dat de geest dit als een waarheid ziet. Want ze baseert zich niet op de feiten maar op het denken, op de reacties van de mens zelf; en die staat dus roomijs te maken op een kachel.

En nu is het met roomijs nog niet zo erg, maar je krijgt mensen die op een gegeven ogenblik buskruit of dynamiet maken en die 20, 30 levens achter elkaar de lucht in vliegen en geestelijk maar niet kunnen beseffen waarom nu eigenlijk. En dat is lastig. Want ik krijg dan een vertekening van een geestelijke waarde.

Bij elke reïncarnatie zal dat valse gevoel gaan meespelen in het denken van de mens. En hoe meer die mens zich daarbij laat leiden tot een eenzijdigheid, een zekere bias in het denken, hoe moeilijker hij met de wereld overweg kan en hoe minder kans hij heeft dat hij zich nu eindelijk eens door alle ervaringen vrijmaakt van een al te sterke stof gebondenheid. U ziet, het is haast een vicieuze cirkel geworden.

Er is natuurlijk nog een factor en dat is maar goed ook, want anders zouden de meeste mensen niets anders doen dan exploderen, incarneren, exploderen, enz. om te refereren aan het voorbeeld van zo even.

Er is in de mens ook nog een bewustzijn van een hogere sfeer. In het denken speelt dit hoofdzakelijk in het onderbewustzijn een zekere rol en bepaalt vooral de gevoelsverhoudingen en –relaties tot de omgeving. Wanneer dit wordt omgezet in meer stoffelijke praktijk dan voert dat soms nog wel eens tot een vergissing, maar in 9 van de 10 gevallen vindt men dan toch wel een benadering die voor het proces van de bewustwording en ook voor het eigen denken gunstig is: die hogere impuls die dus niet is gebaseerd op: ‘wat ben ik’ maar op ‘wat ontvang ik’?

Ergens is ons wezen introspectief, ergens kijken wij naar binnen toe. En wanneer wij in een hogere sfeer leren naar binnen toe te kijken dan zien wij de bron waaruit wij voortkomen. Wij kunnen niet alle combinaties en krachten zonder meer overzien maar wij zien ergens een bron. Van daaruit komen wij en daarheen gaan wij.

Die twee punten kunnen wij dus gebruiken om alles wat een te kennelijke afwijking is van het geheel, te corrigeren in dat mentaal lichaam.

Een mentaal lichaam zal dus voor zijn beïnvloeding van de stof afhankelijk zijn van enkele hogere voertuigen. En daardoor ontstaat er in het menselijk denken bovendien nog een corrigerende invloed waarmee menigeen geen raad weet. Dat is het typische: vandaag denk ik zus en morgen denk ik zo. In beide gevallen schijnt mijn denken juist te zijn. En dan zegt de mens: “Dus zal het in geen van de twee gevallen juist zijn geweest”. Want hij vergt van zichzelf een systeem. Maar een denksysteem is alleen maar het hulpmiddel tot een zo volledig mogelijke realisatie.

Heb ik nu mensen die zich te zeer aan een systeem vastklampen dan kan ik daar soms zeer grootse resultaten van zien. Er zijn mensen die op deze manier een nieuwe wetenschap opbouwen. Maar diezelfde mentaliteit maakt ook van iemand die een eenvoudig en gewoon mens zou kunnen zijn een Eichmann of een Hitler. En dat aspect ziet men dan graag over het hoofd. Zodra het systeem de mens beheerst, zal hij naar gelang zijn type worden vervormd tot een zeer eenzijdig wezen met een zeer eenzijdige moraal, een zeer eenzijdige werelderkenning en een zeer eenzijdig streefdoel.

Een ander type kan het systeem helemaal niet aanvaarden en zegt bv.: “Ik moet alleen maar afgaan op mijn intuïtie, op mijn impulsen”. Maar dan is het niet mogelijk iets te voorzien. Wanneer ik het alleen maar van mijn intuïtie, mijn impulsen wil laten afhangen dan kom ik te staan voor het feit dat op een gegeven ogenblik mijn hele wezen zegt: Ik moet A. doen, maar ik verkeer in de onmogelijkheid om A. te doen. Ik moet wel B. doen tegen mijn intuïtie en beter weten in. Want ik heb mijzelf bij gebrek aan systeem eenvoudig de mogelijkheid niet gegeven mijn intuïtie te volgen. Ik heb dus wel degelijk een zekere systematiek nodig.

De beste typen – en dat zijn dus de meest evenwichtige typen – bezitten een zekere mate van systeem. Ze zijn op hun manier over het algemeen nogal betrouwbaar. We moeten niet zeggen dat ze van uit menselijk standpunt helemaal brandschoon zijn — wie is dat als mens wel? — maar we kunnen zeggen: je kunt op hen rekenen. Maar aan de andere kant zien we toch dat ze zich bij al dat systeem laten drijven door een andere kracht. Er is ergens iets dat hen als het ware van richting kan doen veranderen of in een bepaalde arbeid de nadruk doet verschuiven. Die typen zijn heel mooi en heel goed maar ze hebben ook weer een nadeel. Want op het ogenblik dat ik een compromis moet sluiten tussen een systeem dat stoffelijk mentaal is en een reeks intuïtieve reacties die uit het geestelijk mentale of het Hogere stammen, sta ik als mens een beetje vreemd tegenover mijzelf.
Ik zou graag willen zeggen: “Daarom doe ik dit. Ik heb geen reden om dit te doen en die reden moet ik verzinnen”. Het resultaat is dat wij hier te maken krijgen met iemand waarin vaak een meer dan normale fantasie optreedt. En dat is niet de verbeeldende fantasie maar het is — ik zou haast zeggen — het verdraaien van de waarheid om zichzelf voor zichzelf te rechtvaardigen. Wanneer dat helemaal wordt doorgezet dan krijgen wij de pathologische leugenaars. Dat zijn mensen die liegen — niet omdat ze geloofd willen worden of omdat de leugen belangrijk is — maar omdat zij in die leugen alleen zichzelf kunnen beleven als een waardevol object. Lastig. Maar goed, ook deze typen zijn er. En ik geloof dus wel, dat we mogen stellen dat het denken als geheel bepalend is voor de wijze van ontwikkeling (geestelijk en anderszins) in de stof en in de geest.

Ik meen verder te mogen stellen dat het menselijk denken, gepaard gaande met het eigen type van de mens – dus de invloeden waaronder hij incarneerde, de eigenschap die hij bij incarnatie meebracht – bepalend zullen zijn voor een al dan niet beantwoorden aan eigen werkelijke behoeften en noodzaken.

En ten laatste meen ik te mogen stellen dat elke mens, als denkend wezen voortdurend tracht zichzelf aan zichzelf te bewijzen. Ook wanneer hij schijnbaar alleen aan anderen denkt of iets voor anderen doet, dan nog probeert hij zichzelf aan zichzelf te bewijzen en te zeggen: “Ik ben een waardevol mens. Ik weet iets. Ik heb een zekere eis te stellen aan het leven want ik ben goed”. Kijk, dat alles bij elkaar voert de mens dus van de ene verwarring in de andere, tenzij hij volkomen realistisch durft zijn. De meeste mensen zijn dat niet.

Onder dit volkomen realisme van het denken versta ik het volgende:

  • In de eerste plaats: Ik moet elk feit in mijn wereld op een eigen waarde durven schatten, zonder een gemeenschappelijke norm voor alle feiten aan te leggen; elk feit op zichzelf bezien en waarderen en het nimmer zien als behorend tot een bepaalde klasse of groepering.
  • In de tweede plaats: Ik moet een scheiding maken tussen die dingen die ik uit werkelijk verstandelijke overweging tot stand breng, doe of vermijd en datgene wat of intuïtief doe, tot stand breng of vermijd.
  • In de derde plaats: Ik moet leren alle gevoelsmatige factoren zover mogelijk ook reëel in mijn leven in te passen, zonder hierdoor met mijn gedachteleven in strijd te komen. Mijn redelijk denken blijft bepalend; mijn gevoelsleven wordt volgens dit denken zoveel mogelijk geuit.
  • En dan een laatste punt: In het denken moet ik ook rekening houden met het feit dat ik een zekere karakteristiek bezit uit geheel mijn wezen – en niet alleen uit mijn denken – dat mijn optreden ten overstaan van de wereld zal bepalen.

Wij hebben typen die lethargisch zijn; dit wil zeggen ze kunnen tot actie worden gebracht maar alleen als reactie. Het zijn zuiver reagerende typen en te zwakke acties brengen hen niet eens tot actie. Deze typen zijn vaak in de wereld erg belangrijk want door hun lethargisch reageren zijn ze de gezonde rem op een te ver doorgevoerde daadkracht van anderen. Heel vaak echter leidt het tot zelfbeklag, tot een idee dat iedereen te veel vergt enz. en dan wordt diezelfde lethargie een ziekelijk verschijnsel.

We kennen betrekkelijk neutrale typen die zich niet zo snel laten verleiden tot een reactie; en wanneer ze dat doen dit overlegd doen. Deze typen zullen moeten uitgaan van hun verstand plus hun geest. Doen ze dat op de juiste manier dan zijn ze positief ook alweer belangrijk. Het zijn de mensen die de spanningen van anderen kunnen opvangen, die overzicht van zaken behouden waar iedereen in de war is. Het zijn de vaak onbegrepen helden van het leven die — waar een ander overstelpt wordt door emoties of door de onoverzichtelijkheid van het vele dat er in de wereld gebeurt — een richting weten te kiezen en anderen weten voor te gaan. Zeer belangrijke typen dus.

Dan kennen we ook nog – zoals u misschien weet – de meer cholerische typen. Het woord zegt het al: het zijn de brulboeien van het leven. Hun gevoelens van lust en onlust worden omgezet in een luidruchtigheid en een uiterlijke strijdlust die meestal door het innerlijk niet worden bevestigd. Ze verliezen hun beheersing omdat ze eenvoudig de motorische beïnvloeding met zich op hol laten slaan. Deze cholerische typen zijn buitengewoon goed, omdat ze een weerstand zullen doorbreken waar de andere typen te terughoudend zijn. Maar aan de andere kant zijn ze erg gevaarlijk want: ze vragen zich niet af of ze met die knuppel iemand doodslaan of niet. Ze slaan eerst; en later zullen ze wel eens overwegen of ze misschien toch beter wat anders hadden kunnen doen. Het cholerische type is dus door zijn benadering van het leven, door zijn karakter en ook in zijn denken anders. Het denkt vanuit zichzelf en wisselt een volkomen egocentrisch, egoïstisch denken af met een over het algemeen in de wereld wel zeer juist waarderend beelddenken.

En dan heb ik nog een laatste type. Ik wil hier nu niet alle gebruikelijke benamingen gaan geven, maar ik zou dit type het volkomen labiele, het onevenwichtige type willen noemen dat enerzijds een zwakke mens lijkt en anderzijds onverwacht een grote kracht kan tonen, een groot doorzettingsvermogen. Hier hebben wij te maken met een type dat over het algemeen de onaangename eigenschappen van het cholerische type verenigt met die van het bijna lethargisch type dat de wereld moet stuwen. Maar we krijgen hier iets anders.

Het lethargisch type reageert alleen voor zover de wereld tot reactie dwingt. Dit type van de schijnbare zwakkeling zal door de wereld tot reactie moeten worden gedwongen. Maar eenmaal tot actie gekomen – waarbij dus de prikkel van de wereld noodzakelijk is – gaat het voort met een actie, ongeacht de wereld. Heel vaak hebben deze typen een lawine-effect. Een klein gebeuren in de jeugdjaren maakt hen tot een Schweitzer, een Pater Damiaan, tot een boeteling in de eenzaamheid of tot een groot staatsman. Het typische is daarbij dat ze — ik zou haast willen zeggen — variform zijn in hun denken. Ze wisselen verschillende soorten van denken met evenveel gemak af, als u misschien verschillende hoeden op het hoofd zet en kunnen elke vorm van denken weer opvatten waar ze hem hebben neergelegd. Het grote aanpassingsvermogen van dit type maakt hem als mens vaak belangrijk en het wordt daarom soms als zeer sterk geschat, zonder dat het dit werkelijk is.

In het denken van dit wezen vinden we echter een factor die voor alle mensen dan toch wel het overwegen waard moet zijn. Het is nl. dit type dat voor zeer grote geestelijke en materiële effecten zorgt, meer dan de anderen. Het lethargisch type wordt gedreven tot iets en houdt een schijn in stand. Dit type maakt alles feller, scherper. Het brengt tegenstellingen tot stand. Het is vaak volgens u haast belachelijk koppig en irreëel, maar het weet juist daardoor nieuwe waarden te brengen.

Ik heb nu een paar hoofdtypen gegeven. Ik zou er natuurlijk heel wat meer kunnen noemen. Het totaal aantal typen dat alleen op grond van deze karakteraanleg, deze stoffelijke aanleg kan worden genoemd, is 144. Ik heb u deze typen genoemd om u de totale gesteldheid van het lichaam te tonen. Want lethargie is iets wat ook een lichamelijke oorzaak heeft. Je bent niet altijd alleen maar lui omdat je te beroerd bent om iets te doen. Je bent heel vaak lui omdat je lichaam je dwingt tot een zo groot mogelijke daadloosheid, of je je dat nu realiseert of niet. Anderen zijn erg actief, niet omdat ze zo graag werken, maar omdat ze doodgewoon de rust niet bezitten, de ontspanningsmogelijkheid niet hebben om stil te zitten. En nu kan iedereen zeggen dat dat ijverige bijen zijn, maar dat zijn ze lang niet.

Deze typen hebben allen ook hun eigen denken. Want het denken wordt gevormd door de manier waarop de wereld hen beroert, waarop zij in die wereld staan. En zo vormen zij kennelijke gedachtegolven die helemaal op hen zijn gebaseerd.

Hebben we het neutrale type dat zo graag fabeltjes verzint, dan kunnen we er zeker van zijn dat door hen heel wat fabeltjes in de wereld komen. Want de gedachten worden niet alleen uitgesproken, ze worden ook uitgestraald. En overal waar ergens een vertekening in het menselijk denken is en waar die impuls een verklaring zou kunnen vormen, grijpen ze naar die verklaring. Haast inspiratief geven ze de uitleg. En waarom? Niet omdat het waar is of omdat het redelijk is in hun denken, maar omdat het mogelijk maakt het moeilijke te interpreteren. Je zou haast kunnen zeggen: Daarom ontstaat die bekende dans om de pappot. Maar de pap is voor eenieder te heet, vandaar dat de pappot meestal tot doofpot wordt. Bij de staat wordt het opgemerkt; bij de gewone mens meestal niet. Die duwt ook heel wat in zijn leven in de doofpot.

En met dit heel eenvoudig benaderen van het menselijk type en vooral van het menselijk denken mag ik nu toch wel aan een paar eindconclusies gaan beginnen.

  1. Het lichamelijk type van de mens tezamen met zijn geestelijke achtergronden plus zijn denkgewoonten zullen niet alleen zijn waarde voor de gemeenschap in de stof of in een sfeer bepalen, maar ook wel degelijk de bewustwordingswaarden welke in die wereld of sfeer te vinden zijn; en ook de wijze waarop die personen door anderen kunnen worden benaderd.
  2. Waar alle gedachten in zich stralend zijn en dus de omgeving beroeren, zullen bepaalde onwaarheden algemeen verbreid raken. Wij zullen zien dat bepaalde mensentypen dezelfde denkfouten begaan. Dit is dus op deze manier te verklaren. Het is duidelijk dat zij dan zullen trachten de werkelijkheid aan zich aan te passen. Het verschil daartussen is voor hen de teleurstelling, het verzet tegen het feit, tegen het leven en daardoor de vermindering van de feitelijke bewustwordingswaarden.
  3. Wanneer de mens in zijn denken een redelijke evenwichtigheid weet te behouden en daarbij zijn intuïtie en zijn gevoelswaarden tot uiting brengt binnen de mogelijkheden die als redelijk worden beschouwd, zal deze mens voor zich een mate van harmonie verwerven die aan anderen wordt overgedragen en in alle typen dus een reactie wekt, die dichter bij de werkelijkheid ligt. Zodra het menselijk denken in staat is de feiten van de wereld en van de werkelijkheid zonder verdraaiing of zelfrechtvaardiging te aanvaarden en gelijktijdig de gevoelswaarden volgens type en volgens geestelijke achtergrond te richten op een zo juist mogelijke zelfverwerkelijking binnen die wereld, zal er in die wereld de harmonie kunnen ontstaan, waardoor de gehele mensheid — ongeacht de grote verschillen die daarin voorkomen — op harmonische wijze kan samenwerken en waardoor een geestelijke bewustwording mogelijk is voor allen dank zij allen en dus de mensheid de hoogste fase van de huidige golf van bestaan kan bereiken.

Juist bewustzijn

Ik wil mij juist bewust zijn van de wereld en van mijzelf. De stoet der historie, de ongeboren grootheid van de toekomst wil ik samenvoegen in mijzelf maar op een juiste wijze. Want zie ik ben het kind van de tijd. Maar in mij leeft de eeuwigheid; en alle tijd omvamend ben ik mijzelf.

Laat mij dan nu mijzelf uiten: verleden en toekomst tezamen. Laat mij nu spreken het woord dat mij beroert. Laat mij nu volbrengen dat wat ik erken als het geheel van een tijdloos zijn in mij uitgedrukt in alle tijd en ruimte.

Ik wil mij niet bewust zijn van één moment in tijd maar van: het totaal der dingen waaruit ik ben gegroeid en van het doel zelfs waartoe ik nog moet groeien.

Ik wil mij niet vermoeien met strijden over licht en duister, over goddelijke luister en satanisch grote kracht of over pracht en ontluisterd bestaan.

Ik wil niet spreken van waan of van werkelijkheid. Ik wil slechts spreken om mijzelf. Mijzelf als deel van een eeuwigheid; als de eeuwigheid sprekend in dit moment met mijn lot, met mijn daad, met mijn lichaam, met mijn gedachten, met mijn geest.

Ik wil mij juist bewustzijn van mijzelf. Niet als een vlieg fladderend in de tijd om door de tijd vertreden te sterven en misschien eens te herrijzen, maar als een vonk van eeuwigheid, rustend voor een moment in tijdgebonden zijn.

Eeuwig ben ik. En eeuwigheid is het die spreekt uit mij en al mijn daden. Het verleden en de toekomst samen herleef ik en beleef ik nu en altijd weer in wereld of sfeer, altijd weer. Dit wat het heden is, voegt heel mijn ziel tezamen.

Dit vrienden, is juist bewustzijn. Een bewustzijn dat — al kent het niet alle fasen van het verleden of alle fasen van de toekomst — de moed heeft om te erkennen: ik ben eeuwig.

Wat hier gebeurt komt er niet zo erg op aan wanneer ik maar de uitdrukking vind van mijzelf en van wat ik ben. Dan alleen kunnen we zeggen dat wij altijd zijn. En dan kunnen wij misschien eens leren herhalen dat grote goddelijke machtswoord: Ik ben Die ben. Ik ben dat wat altijd is: vonk van de eeuwigheid, onveranderlijk in alle vormen en toch gelijk.

Zelferkenning

Uit het Niet wordt een vlam geboren, uit de vlam wordt een werkelijkheid. Uit het gloren van het licht, het erkennen van het duister, het ervaren van de goddelijke luister begint mijn wezen zijn strijd.

Ik leef door aeonen van jaren, van wereld tot sfeer, van geest tot de stof en terug. Ik zoek mij zelf te vinden, ik zoek in mij zelf een brug naar het licht dat ik was, naar de vlam die ik ben.

Ik ben als wezen licht van de sterren, goddelijk licht, oneindigheid dat zichzelf niet erkent en in schijn van duister zichzelf benijdt om de lichtende luister die God reeds behoort.

Maar bovenal ben ik de uiting:

Ik ben het licht en de kracht en het woord. Zo uit mij leeft dit woord en dit lichten, zo is mijn wezen een deel van de kracht. Zo zal ik streven tot de vlam is herwonnen en het licht zijn taak heeft ten einde gebracht.

Dan, deel van een vlam, deel van een rusten, zal ik weerkeren in oneindigheid. Schoon ik nu niet besef of dat nog is leven maar waarvan ik weet: ’t is het einde van strijd. Omdat ik die al aan het Al heb gegeven, uit het Al mij zelve ontvangen mocht; en zo mocht ontsnappen uit tijdelijk streven, uit de krocht van zelfgevangenheid.

En — schoon ik tijdelijk mens en geest was — dan ben ik weer oneindigheid, met al ’t oneindige verweven; deel van een goddelijke vlam, deel van oneindigheid en leven, kerend daar vanwaar ik kwam.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf