oktober 1962
Wereldgeschiedenis
De geschiedenis van de wereld is niet alleen de geschiedenis van de mensheid. Wanneer wij nl. lang voordat de mens dit tranendal betreedt de aarde zien, dan treffen wij daar al verschillende levensvormen aan in verschillende ontwikkelingsfasen. Wij ontdekken dat er in wat men tegenwoordig de evolutie noemt wel degelijk een zekere regelmaat zit, een leiding. Het is daarom niet redelijk een wereldgeschiedenis alleen daar te beginnen, waar de eerste mens tot het besluit komt dat hij meer weet dan de dieren rond hem. We zullen dus verder moeten teruggaan.
Op het ogenblik dat op de wereld het eerste leven kan ontstaan, is er sprake van een intense inwerking van de zon op de aarde. Deze zon – zoals elke planeet en elke ster – heeft een persoonlijkheid. Later wordt dit voor een deel erkend, doordat men overal een zonnegod en op vele plaatsen een zonne– of vuurverering of aanbidding vindt. In deze tijd zendt de zon haar krachten uit. En in de wateren op aarde (toen geringer in hoeveelheid), de bewolking (het watergehalte in de atmosfeer was daarentegen groter) het breken voor een kort ogenblik van het wolkendek en een gunstige oplossing van zouten in het water, vormen zich dan een soort eiwitcellen, die wij nog niet tot de levende wezens maar wel tot het half‑leven moeten rekenen. In deze solutie ontstaat een vorm van celdeling, cel-vermenigvuldiging En daarmee zouden wij kunnen zeggen, is er iets gevormd dat doet denken – zij het op een zeer laag vlak – aan een wat complexer organisme van plantaardige geaardheid, dat we tegenwoordig ook nog vinden.
Een tweede ingrijpen vindt plaats; en eigenaardig genoeg juist op het ogenblik dat alleen de sterkere half‑eiwitten zich hebben gehandhaafd. Er zijn dus andere levensvormen vergaan. Een tweede bestraling met een zeer hoge hardheid en intensiteit roeit het merendeel van de bestaande cellen uit. Enkele zijn zo vast georganiseerd dat er zich bij hen een mutatie voltrekt. Er is een kleine verandering in de kern en wij vinden het eerste eencellige wezen op aarde.
Wanneer de zon een dergelijk ingrijpen op aarde doet plaatsvinden, dan geschiedt dit niet alleen met de zuiver technische middelen, die de mens van heden zo graag beschouwt. Er is sprake van een groot aantal entiteiten en krachten, die behoren tot de zon en tot de aarde. Men kan niet zeggen dat dit wezens zijn, die nog nooit geleefd hebben, maar wel dat ze de menselijke vorm, zoals u haar kent, nimmer hebben aanschouwd. Gezamenlijk bouwen zij nu de verschillende rassen op.
Er is vooral in deze eerste tijd sprake van een zeer bewuste beïnvloeding van de wereld door het scheppen van temperatuurverschillen, turbulenties, zowel in de wereldzeeën als in de atmosfeer. Er worden bewust uitbarstingen veroorzaakt daar waar levensvormen niet langer levensvatbaar blijken. En met deze regelingen, waarbij de geest die direct op de stof heeft ingewerkt, begint de enorme taak van het scheppen van voertuigen, die geschikt zijn om een hoger geestelijk bewustzijn te dragen en te ontwikkelen. Van hieruit kan ik het u misschien kort schetsen, want alle tussenvormen zullen u niet interesseren.
Oorspronkelijk voeden de cel-diertjes zich met mineralen, de opgeloste zouten die voornamelijk in de wereldzeeën aanwezig zijn. Daarnaast ontstaat een tweede soort, die aast op datgene, wat zich met mineralen voedt. Zodra de meercelligen zich ontwikkelen, ontstaat de derde soort, de feitelijke predator, die jaagt op datgene wat dus reeds andere cellen eet. Van een groot onderscheid kan geen sprake zijn, maar er kan worden gesteld dat de zich alleen met zouten en mineralen voedende, overeenkomt met het latere plantaardige leven. Degenen, die zich voeden met voornoemde cellen, de planteneters en de wat grotere, sneller bewegende cel organismen, welke dus die eencellige jagers of grazers weer verzwelgen zouden kunnen worden gezien als overeenkomende met de vleeseters.
Bij de volgende ontwikkeling blijkt nu dat de plant (dus degene die zich met mineralen voedt en daardoor de minste eisen stelt) het gemakkelijkst ontwikkeld kan worden. Het eerste plantaardige leven op deze wereld ontstaat op de vastelanden; meestal eerst op slikken, later ook in moerassen. Dat zijn dus planten, die zich met mineralen voeden en in die periode voor een deel zelfs enigszins beweeglijk zijn. Wij kennen daar verschillende plantensoorten, die alleen maar een paar paden in de bodem of in het moeraswater stulpen, maar wanneer er temperatuurverschillen of stormen zijn, zich eenvoudig laten wegdrijven. Wat er nodig is om een groot vasteland te beplanten, is al heel gauw duidelijk: een snelle en eenvoudige verspreiding van een organisme, dat zoveel mogelijk is aangepast aan de heersende temperaturen en levenscondities. Vergeet daarbij niet, dat de zuurstof‑stikstof verhouding in die dagen heel anders ligt. Het resultaat is o.m. een groot aantal varenachtigen en een groot aantal mossen of lichen.
Daarnaast komen dan allereerst, door dit overdadig voedsel aangetrokken, uit het water de planteneters. Deze echter worden op hun beurt groter, interessanter en belangrijker en dus zullen de sterksten onder de vleeseters eveneens, zij het aarzelend, het vasteland gaan betreden. De atmosfeer is zo verzadigd met water, dat je alleen kunt spreken van een wat meer of wat mindere dichtheid van vloeistof.
Het leven dat tot stand komt, wordt nu geestelijk bestudeerd. En daarbij gaat men allereerst uit van het standpunt dat plantaardig leven levenscondities moet scheppen, die gunstig zijn voor een ideale ontwikkeling. Dit betekent dat zij voor een groot gedeelte niet giftig moeten zijn; ze mogen wel beweeglijk zijn. Sommige zijn zelfs prooizoekers en beschikken dus over tentakels of andere apparaten, waarmee ze dus kleinere levende wezens te pakken kunnen krijgen. Maar noodzakelijk is overvloedig voedsel; en een zo overvloedig voedsel, dat het merendeel van de planteneters op den duur de sterkste vertegenwoordigers aan land zal zetten. Hieruit komt een soort amfibieën voort, welke zich later dan wel weer zullen splitsen in vele klassen. Een deel van hen blijkt echter niet in staat om verder dan de kustmoerassen door te dringen.
Ook blijkt dat het plantaardige leven zich ten dele terugtrekt in de wereldzeeën en omdat er nog geen vaste genetische eigenschappen zijn, ontstaat er ook in de wereldzee een zekere plantengroei. Wat u op het ogenblik daarvan over ziet (de algen, wieren enz.), is maar heel weinig vergeleken met vroeger. Als u echter goed kijkt, zult u ontdekken dat bepaalde wieren – in uw eigen tijd nog – een overeenstemming vertonen met bepaalde varens. Als u de zgn. hertshoornvaren neemt en het zgn. knop- of koraalwier, dan zult u ontdekken dat er een zekere vormgelijkheid bestaat.
In deze dagen worden voor het eerst vormen gefixeerd en wel aan de hand van behoefte. De geest, die dat heeft gedaan, zal vervolgens moeten proberen om zo snel mogelijk de levensvatbare wezen te scheppen, die een zekere heerschappij over hun omgeving kunnen uitoefenen. En zo ontstaat – schrikt u niet – reeds in deze tijd een hoeveelheid speciale groeistoffen, die eigenschap bepalend zijn en die kunnen worden geacht verwant te zijn aan de huidige hormonen.
Die beïnvloeding voert op den duur tot wezens, die wij – alleen vergelijkenderwijze dus – zouden kunnen zien als een soort robben. Zij leven nl. in kolonies; hoofdzakelijk in beschermde bochten, daar waar grote moerassen in de nabijheid zijn en een overvloedige plantengroei is. Hier ontstaat een groepsleven dat nu geregeld wordt door bepaalde sociale instincten. Dat is dus betrekkelijk vroeg. Overigens, voorouders van deze wezens hebben dus eerst door hardheid moeten leren dat zij alleen gezamenlijk de juiste weg konden vinden en daardoor hun eigen jacht- of graasterrein konden vrijhouden van grote vijanden.
Deze eerste groepen zijn planteneters. Zij beginnen langzaam maar zeker contact te krijgen, omdat er een geringe mogelijkheid tot denken en voelen ontstaat. Dit ligt lager dan het gemiddeld instinct van de tegenwoordige huisdieren die u kent, maar het is groot genoeg om de invloed van een geest direct te ondergaan. Selectie brengt deze wezens ertoe om in hun koloniën contact te maken met de door hen als goden vereerde manifestaties van hogere geest, die zich meestal voordoen als een soort lichtende zuil of lichtbundel en waaraan men later zelfs zekere offers brengt. In het begin zijn dit symbolische offers, steenoffers, de opbouw van het altaar, dat dus uit kleine stukjes steen – veel is er nog niet – en plantenstengels wordt opgebouwd, later ook vruchten. Wanneer wij het precies nagaan, dan hebben wij te maken met de directe voorouders van de mens; dat wil zeggen in rechte lijn (overigens ook van de apen, die op een bepaald punt in de ontwikkeling een andere weg hebben gekozen).
Van de grote vleeseters ontwikkelen enkele zich zeer snel en wij krijgen te maken met de hagedisachtigen. Deze hagedisachtigen vallen dan uiteen in wat men zou kunnen noemen: omnivoren; dat wil zeggen wezens die zich hoofdzakelijk met plantaardige voeding tevredenstellen en zo nodig ook wel eens vlees eten. Je zou kunnen zeggen: ze merken het haast niet. Vervolgens ontwikkelt zich daaruit de absolute vleeseter. Later vinden wij bij de sauriërs een van de meest verschrikkelijke: de tyrannosaurus rex giganticus. Dat is heel aardig; de koning schijnt wel een allesverslinder te moeten zijn, want anders zouden ze deze tyrannosaurus zeker geen “koning” hebben genoemd.
De sauriërs staan echter in het begin nog op de achtergrond. Want vreemd genoeg ontwikkelt zich een derde levensvorm. Die levensvorm splitst zich en wij vinden daarvan de crustaceeën (de gepantserden ook in uw eigen tijd nog als zeebewoners: zoals krabben, kreeften, garnalen enz. Op het land blijken ze zich ten dele te ontwikkelen tot een soort insect. Het zijn insecten, die vermoedelijk door de voor hen gunstige condities komen tot de eerste werkelijke vorm van beschaving. Dit ligt nog voor het keizerrijk Mu. In deze eerste beschaving ontstaat reeds een begin van ruilhandel en een begin van koloniebouw. Maar terwijl de sociale samenhangen in de gemeenschappen steeds sterker worden, blijkt er gelijktijdig een grote agressiviteit te zijn. Deze agressiviteit plus een zeer vergaande specialisatie beperken de levensvatbaarheid van deze rassen, die u zich in sommige gevallen het best kunt voorstellen als mieren van ongeveer de grootte van een Shetlandpony. Er zijn ook nog wel andere typen bij, maar ik geef dit als voorbeeld.
Hun beschaving gaat na ongeveer een 30.000 jaar te gronde, doordat alle genetische eigenschappen als het ware worden gecentreerd in enkele daarvoor bestemde individuen; zoals u de koninginnen kent bij de insectenvolkeren. Een grote stimulans valt weg en de volkeren zelf blijken opeens veel kwetsbaarder te worden. Het ras wordt kleiner. Het heeft een periode van behoorlijke grootte en omvang gehad, dit wordt nu kleiner.
Gelijktijdig beginnen de hagedissen en de sauriërs, die tot op dit ogenblik niet zo buitengewoon groot zijn geweest (sommige hebben een tafelhoogte bereikt maar niet veel meer), zich sterker te ontwikkelen. De atmosfeer begint enigszins neer te slaan; dat wil zeggen de wereldzeeën breiden zich uit en daardoor zullen ook een groot gedeelte van de continenten meer met planten en moerassen bedekt worden. Er ontstaan sauriërs, die een betrekkelijk groot denkvermogen hebben.
Ik wil hier graag even van de gelegenheid gebruik maken om iets recht te zetten. In die dagen was het leven zeer gevaarlijk. De eerste poging van de lichtende geesten om een groepsmentaliteit te scheppen (een denkvermogen dat dus beschermd zou worden door het grote aantal delen dat erin samenwerkte) was dus mislukt. Hun tweede poging was het ontwikkelen van een dubbele besturing, waarbij een groot gedeelte van de geheugencentra plus een groot aantal van de zenuwcentra zich bevonden in de borstkorf of vlak onder de borstkorf van deze wezens. De hersenen, die met de directe waarnemingsorganen te maken hadden, dus gezicht – wat overigens tamelijk zwak en slecht was – reuk, gehoor en een deel van de gevoeligheid, die bij de kop over het algemeen het grootst was en verder bij vele in een kam zat, die zich van de kop tot soms de staart toe uitstrekte) vonden wij dus in de kop zelf. Deze splitsing van functies blijft een lange tijd bewaard.
Wanneer echter de aarde langzaam maar zeker droger wordt en haar temperatuur lager, zijn de sauriërs een belasting geworden. Dan kun je ze natuurlijk alleen door hun grootte vernietigen, maar dat heeft weinig zin. Er ontstaat dan vanuit de zon een hernieuwd ingrijpen, waardoor verschillende rassen gelijktijdig worden beïnvloed. Want gedurende de periode dat de sauriërs de grootste ontwikkeling kennen en wij inderdaad ook gemeenschappen zien (bv. de plesiosaurus heeft de gewoonte om vaak in kudden te leven; de brontosaurus precies hetzelfde; de pterodactyl, de vliegende hagedis leeft veelal in nestgemeenschappen, maar zoekt eigen jachtgebieden), moet de zaak veranderen.
Nu zijn inmiddels de eerste warmbloedige vertebraten ontstaan. De noodzaak om onafhankelijk van de omgeving te worden, waar de temperatuur niet meer zo gelijkmatig is en de noodzaak verder om juist voor de grote vijanden zeer snel te kunnen vluchten en zeer snel te kunnen reageren, hebben geleid tot een vorm, waarbij wij o.m. één hersenstelsel hebben, niet meer twee, en een persoonlijk groot herinneringsvermogen, waarbij de eigenschappen voor een groot gedeelte zijn vastgelegd in de voortplantingsorganen, zodat een zekere soortvastheid als het ware is gegarandeerd.
Aardig is het na te gaan, hoe in de tijd, waarover ik spreek, het paard bv. weliswaar voorkwam, maar niet veel groter was dan een tegenwoordige foxterriër. In die periode begint de ontwikkeling. Het paard en vele warmbloedige dieren worden groter. Enkele van hen groeien enorm snel, zo snel dat ze eigenlijk de heersers van de aarde worden. Wij vinden daaronder de sabeltijger, de wolharige rinoceros, de dubbele rinoceros, de mammoet en nog zowat van die heren. Niet te vergeten ook verschillende berensoorten, waarvan een holenbeer ook wel een zeer grote omvang bereikt. Een hoogte – rechtopstaand – van ongeveer 2½ tot 3 meter komt vaak voor. Gewicht massa’s van 900 kilo zijn zeer normaal.
Nu blijkt dat de beste ontwikkelingsmogelijkheid van de warmbloedige vertebraten is gelegen in een aantal bosbewoners. Zij leven over het algemeen aan de grenzen van de moerassen, ze zijn ook in staat om zich vlug genoeg te bewegen en zich te begeven in de richting van de meer open vlakte, die dus nog niet een werkelijke toendra of woestijn zijn, maar een soort parkachtig landschap; en deze krijgen bijzondere aandacht Hun voorouders hadden voortdurend contact met de geest. Ik heb dat reeds zo-even geschetst. Het resultaat is dat deze wezens een zeer grote telepathische gevoeligheid hebben en dat zij – meer dan de andere dieren – beschikken over middelen tot onderlinge communicatie.
Wanneer wij deze dieren dan zien in de periode dat zij zich in grootte gaan ontwikkelen (dat is dus lang voordat de mens zich daarvan afscheidde) beschikken zij bv. reeds in die dagen over een betrekkelijk grote vaste woordenschat, beter gezegd: geluiden van 30 à 40 klanken. De meeste dieren kennen er maar drie: honger, angstaanval en waarschuwing.
Deze wezens nu worden op bijzondere wijze beïnvloed. Men went hen eraan als het ware samen te gaan met andere snellere en meer bekwame dieren. Hier is dus wel degelijk sprake van het scheppen van een drang, die schijnbaar instinctief zijnde – voortvloeit uit een telepathische beïnvloeding door de grote leiders, die tot zover de evolutie in handen hebben.
De ontwikkeling zet zich nu verder ongeveer als volgt voort. Ik blijf dus fragmentarisch. Op een gegeven ogenblik moet er een keuze worden gemaakt: ofwel mee te trekken met de zich nu ontwikkelende planteneters die voor de aankomende mens – welke inmiddels omnivoor is geworden – een belangrijk deel van zijn voeding en zijn buit kunnen uitmaken, dan wel te blijven in de bossen waar nieuwe plantensoorten ontstaan met vruchten die ook wel smakelijk en beter eetbaar zijn. Bovendien ontwikkelt zich – zij het primitief – een wereld van slakachtigen in de moerassen en op de bosgrond, welke eetbaar zijn.
Bij deze splitsing speelt verder de vraag een grote rol of men een zekere vrije gemeenschap kan aanvaarden dan wel een absolute kuddegeest, waarbij men dus alleen de eigen familie en de soortgenoten blijft aanhangen. Zij, die dit laatste kennen, worden de voorvader van de apen; en vooral degenen onder hen die sneller gegroeid zijn, komen een aardig eind in de richting van de menselijke ontwikkeling, maar ze zijn op een dood spoor. Onder hen treffen wij tegenwoordig nog aan de orang‑oetan, de chimpansee en bepaalde bavianen.
Aan de andere kant ontstaat een aantal zich langzaam op twee voeten bewegende wezens, die voor een groot gedeelte nog aapachtige eigenschappen hebben: Maar hun geheugen ontwikkelt zich. Typisch is daarbij dat de sterkste ontwikkeling allereerst plaatsvindt aan de achterkant van de hersenpan. Verder zijn alleen, wat u tegenwoordig noemt: de hersen lobben ontwikkeld, die als het ware het ontvangapparaat vormen voor de invloeden van de leidende geesten. Deze wezens zijn eerst zwervend, doch komen langzaam maar zeker tot een beperkte landbouw en vreemd genoeg jacht en landbouw tezamen voeren tot een gezeten leven.
Een paar natuurrampen zijn de oorzaak voor het ontstaan van een betrekkelijk grote watervlakte tussen één van deze gebieden en het tegenwoordige Afrika. Het resultaat is, dat zich hier een groep ontwikkelt die niet zwerft, maar die een vaste maatschappelijke verhouding begint te accepteren. Nog steeds bestaat de tamelijk scherp hellende gelaatshoek (het doet nog denken aan de apen), maar toch wordt de hersenpan wat groter. En er is een periode dat het achterhoofd bijna koepelvormig wordt. Dezen zijn de eerste bewoners van het later als het keizerrijk Mu aangeduide centrum van beschaving. De gewoonte van verschillende andere volkeren om het achterhoofd te verlengen en eveneens koepelvormig te maken – hetzij kunstmatig, hetzij door hulpmiddelen, als pruiken, enz. – zal waarschijnlijk voortkomen uit de overleveringen van de grootheid van dit volk. Want in dit volk, dat dus telepathisch zeer begaafd is, ontstaat een steeds bewuster contact met de beheersende geesten. Allen zijn nog voortdurend onderworpen aan de drang der instincten voor zover het de voortplanting betreft, maar daarnaast ontstaat een steeds geregelder leven.
De geest geeft leiding, en zo ontstaan stadsgemeenschappen en een wat primitieve techniek. Opvallend is daarbij dat het wiel in deze periode niet wordt uitgevonden (dat gebeurt later en door de trekkende volkeren), maar dat men wel bepaalde imitaties van gelede poten probeert te maken en daarmee inderdaad voertuigen weet te vervaardigen. De aandrijving ervan is een vreemd mengsel van stoomaandrijving en het gebruik van radioactieve materialen. Maar niemand weet precies hoe dit functioneert, want dit komt uit de geest; dat wil zeggen uit de tempelruimten die voorlopig althans afgeschutte, ringvormige open plaatsen zijn, welke ook nog worden vrijgehouden van begroeiing, waar de aanwijzingen werden gegeven via hun profeten of wat wij zouden noemen mediums.
Het volk, dat zich hier ontwikkelt, wordt echter verwaand. Zo ontstaat ook hier een verstarring van de maatschappij. En die verstarring brengt hen tot een krijg: Ze hebben reeds de mogelijkheid gevonden om op bepaalde manieren, door gebruik te maken van stromingen (dus nog zonder het gebruik van riemen of zeilen, dat komt pas in Atlantis) over te steken naar het vasteland. Die strijd resulteert tenslotte in de ondergang van Mu, mede door het zich terugtrekken van de geestelijke krachten.
Ondertussen heeft echter een deel van dit rijk zijn beschaving overgedragen aan volkeren die zich meer noordelijk hebben ontwikkeld, dus meer in de buurt van het huidige Libië, Arabië en Zuid‑Indië. De trekkende volkeren beginnen hier nu een strijd en langzaam maar zeker dringen zij op in de richting van de Goudkust. Daar blijken zij soortgenoten (wat betreft kleur en ras-eigenschappen) op de eilanden te vinden. Het delen van deze beschaving doet het Atlantische rijk ontstaan, dat in zijn eerste fase uiteenvalt in een groot aantal landbouwgemeenschappen, die jacht maar vooral ook visvangst kennen (al zijn het dan niet direct de visjes van tegenwoordig, van een harinkje pakken was er toen nog geen sprake).
Deze volkeren volgen weer de oude gewoonte van Mu na: zij zoeken de open plaatsen en daar treden zij – vaak via ingewikkelde rituelen en ook offers – in contact met de goden. Een deel van hen behoudt niet alleen de telepathische vermogens, maar verscherpt deze aanmerkelijk. Zij zullen later de priester‑broederschap worden, die – gedurende en periode van ruim 70.000 jaren – in direct contact blijft met de hogere geesten, die de evolutie op aarde leiden. Zij splitsen zich rond de eerste Atlantische ramp in de wereldlijke priesterschap en de esoterische priesterschap. De eerste wordt later de bron van de zwarte of grijze magie; de tweede zal de witte magie beoefenen en de kern vormen van de leiding die men nu nog de Witte Broederschap noemt.
Ondertussen zijn de trekkende volkeren op het vasteland ook niet stil blijven zitten. Overal ontstaan er stammen, meer of minder leden tellende, die voor zich aanspraak maken op een bepaald grondgebied als jacht‑ en weideterrein. Het houden van dieren komt beperkt in zwang. Het grootste inkomen is nog steeds de jacht, terwijl de rouwen vruchten zoeken. In deze periode ontstaan ook de holenbewoners. De gewoonten en de godsdienst van de holenbewoners, zoals die nog heden uit de resten zijn af te lezen, zijn ook in deze periode tot stand gekomen. Om u enkele voorbeelden te geven:
Onder de invloed weliswaar van Atlantis, maar zeker toch niet door de Atlantiërs zelf, worden enkele tempels voor de zonnegod en de lichtende geest gebouwd, waarvan er één in Bolivia op het ogenblik ruim 40.000 jaar oud is. Enkele resten zijn ervan gevonden. Men meende echter, dat de vaststelling, gebaseerd op radioactieve golven van een bepaald element, niet juist kon zijn, want 40.000 jaar geleden, zo zei men, konden er nog geen mensen zijn die tempels bouwden. Maar toch is het waar. Een groot gedeelte van deze ruïnes is echter begraven onder het puin van vulkanische uitbarstingen.
De eerste ramp van Atlantis ontstaat door oorlog. Want dit volk is wel een eenheid geworden, maar op den duur ontstaat er een belangenstrijd tussen wat wij kunnen noemen: de verschillende eilanden en enkele, op de tegenwoordige vastelanden gevestigde koloniën. Deze rijken en de koloniën komen in oorlog. Er wordt gebruik gemaakt van stoomkracht in vulkanen: het toevoeren van water in de kraters van werkende vulkanen, hetgeen enorme explosies veroorzaakt. De aarde is nog niet zo stabiel als op het ogenblik. Het resultaat is fataal.
Het tweede rijk dat overblijft, kent oorspronkelijk ongeveer twintig koningen. Maar dezen worden al snel teruggebracht tot tien à twaalf. Het zijn deze koningen, die o.m. aansprakelijk zijn voor de gouden Halm uit de Ierse legende. Het is ook dit Atlantis, dat naast het gemeenschappelijke offer‑eiland – waar elk jaar het verdrag door de vorsten opnieuw wordt bevestigd – een stad bouwt in zeven delen. Die 7 is later toegevoegd, en de 7 ringen zijn dus deel van een esoterische opvatting en niet van een feitelijk bouwwerk met in het midden een hoofdtempel. Deze tempel is voor zover mij bekend het eerst gebouwd, waardoor de mens door zijn eigen arbeid een imitatie van een berg tracht te scheppen. Heuvels en bergen waren nl. op deze eilanden tamelijk schaars
De Witte Broederschap bedrijft in deze tijd de zending, terwijl de priesterschap dat op sociaal‑staatkundig gebied doet. De zwart‑magiërs zijn dan ook aansprakelijk voor staatsvormen, die kunnen blijven voortbestaan zelf tot bv. de Tolteken en Azteken toe. De sporen daarvan kunnen nog in verschillende gebieden, zoals Yucatan, Bolivia en Mexico, worden teruggevonden en gekend.
In dit Atlantis wordt ook voor de eerste maal een soort beeld‑ of herinneringsschrift uitgevonden dat in zijn esoterische stellingen gebruik maakt van krul‑symbolen. Deze zijn meestal een afwijking van de cirkel. Daarom noemt men dit wel eens het “bloemen‑ of chrysantenschrift”. Dit is dus niet in overeenstemming met de bloemen, die er toen bestonden, maar is alleen een vergelijkende benaming.
De geesten die tot nu toe de mensheid hebben geholpen, weten dat de mens langzaam maar zeker, nu hij is gevestigd en enigszins wordt beschermd tegen vele gevaren en wisselende jaargetijden, ook zijn voortplanting op meer persoonlijke wijze kan gaan regelen. De instinctdrang in de mens neemt dus tijdens de Atlantische periode steeds meer af.
Omstreeks de eerste Atlantische ramp – eigenlijk enige tijd daarvoor gebeurt er nog iets. Een ramp binnen het zonnestelsel geeft een zeer grote schok aan het aardmagnetisch veld. De aardrotatie wordt daarbij iets afgeremd. Het gevolg is een verandering van zwaartekrachtverhoudingen plus een warmtetoename. Het resultaat hiervan is een sterke condensatie. En hier hebben wij waarschijnlijk de enige echte zondvloed, waar door de regenval, de wereldoceanen van die dagen gedurende een periode van 80 jaar met ongeveer 8 meter langs de kustlijn stijgen. En dat is heel wat water, dat kan ik u verzekeren.
Nu staan we dus aan het begin van de mensheid. Denk niet dat de geest die mensheid verlaat. Wanneer Atlantis voor een ramp staat, dan is het de geest en de geestelijke leiding, die via de Witte Broederschap bepaalde belangrijke gegevens en kunstschatten doen overbrengen naar afgelegen oorden of koloniën. Ook bepaalde technische bekwaamheden, vaklieden en slaven (want slaven bestaan er nog aan het einde van het eerste Atlantische rijk en het begin van het tweede tot aan het einde daarvan) worden overgebracht. Zij zijn o.m. aansprakelijk voor een ook hier lang gehandhaafde en vooral om de vakkennis van de inwoners zeer geroemde kolonie in het zuiden van Iberia (Spanje en Portugal). Het havengedeelte van de belangrijkste stad lag iets oostelijk van het huidig Cadiz.
De verbreiding van bepaalde esoterische waarden, die nu plaatsvindt door zwervende stammen met technische bekwaamheden, vormt een mogelijkheid, om ook elders, waar men enigszins landbouw heeft ontdekt (we spreken nu nog over een periode van ongeveer 20.000 jaren geleden), ook de godsdienstige begrippen een gemeenschappelijke basis te geven. De moeilijkheid hierbij is, dat de gemiddelde stam op dat ogenblik een taal heeft met een woordenschat van ongeveer 150 tot 200 woorden; enkel meer beschaafde stammen gaan tot 800 woorden. De Atlantische woordenschat bedraagt gedurende de periode dat de grote zending vandaar uitgaat echter bijna 1200, dus in verhouding veel meer: Het resultaat is dat dezelfde krachten overal met andere namen worden aangeduid. Er ontstaat een groot aantal godsbegrippen, waarbij in het begin het magisch denken, het fetisjisme, het onbegrepen taboe, de voorouderverering, de totem (de familieband met een bepaalde geest) de hoofdrollen spelen. Maar daarachter kan dezelfde wijsheid blijven voortbestaan.
Rond 16.000 jaar v. Chr. zijn er dan ook verscheidene grote centra op deze wereld, waar de geest direct haar invloed kan doen gelden. Eén daarvan bevindt zich midden in de Andes, een plaats die ook op het ogenblik voor geestelijke krachten weer bijzonder aantrekkelijk schijnt te zijn geworden. Een tweede bevindt zich iets zuidelijk aan het Victoria meer; en een derde punt bevindt zich op dat ogenblik in de huidige Gobiwoestijn. Van deze punten uit wordt er nu aan de hand van de eigen kwaliteiten en mogelijkheden van de omringende landen geestelijke waarheid gedoceerd. Er wordt een verrijking, van woordenschat bereikt, een vergroting van uitdrukkingswijze, zodat wij ongeveer een 12.000 jaar geleden volkeren vinden, waar de totale woordenschat – die dus lang niet door iedereen in die volkeren gekend of beheerst wordt – komt tot 5 á 6000.
En hiermee is er een voldoende woordenrijkdom geschapen om geestelijke leringen vast te leggen. Van deze tijd af worden inwijdingsgeschriften – vaak heel primitief, maar toch in tekening en symbool – vastgelegd. In deze tijd ontstaat ook het begrip van eenheid en vereenzelviging, dat in de latere magie een hoofdrol gaat spelen. De geest is voortdurend bezig om dit geheel a.h.w. te doen leven.
Maar… Atlantis, dat zijn laatste ramp dus nog niet heeft ondergaan, wordt geteisterd door een slavenopstand. Een deel der zwarte slaven (de Nubiërs) trekt weg naar het zuiden en sticht daar verscheidene grote rijken. Onder deze grote rijken vinden wij er enkele, die hun zonne‑ en maandienst nog kennen tot ongeveer 800 in uw eigen jaartelling en dan zelfs nog grote dolmenachtige tempels oprichten en hele godensteden. De restanten daarvan zijn hier en daar nog te vinden.
Een ander deel (wat donkerder gekleurd en ten dele bestaande uit overwonnen noorderlingen, dus mensen van de meer noordelijke gebieden, die worden overwonnen en tot slaaf gemaakt) begint een wonderlijke tocht, die praktisch langs de huidige Middellandse Zee gaat. Daardoor kunnen wij spreken van een Keltische invloed (want daarmee zijn zij het sterkst verwant), die niet alleen gaat tot in Arabië en het zuiden, van Indië, maar daarnaast o.m. de grondslag vormt en mede invloed uitoefent op de Myceense beschaving en die bepaalde gebruiken zelfs van de Etrusken nog beheersen; die de eredienst en het natuurgeloof in een groot gedeelte van Zwitserland, Zuid‑Duitsland en Frankrijk bepalen. Wanneer zij tenslotte door omzwervingen en splitsing in aantal verminderd naar Engeland gaan, vermengen zij zich daar weer ten dele met de bewoners en zo krijgen we dus een combinatie van Pictische, Kimbrische en Keltische invloeden, die voor de vorm en de uitdrukking van de Druïden‑godsdienst daar zeer belangrijk zijn.
Het is jammer dat deze slaven door haat werden verteerd en daardoor het duistere element, juist in de godsdienst der Druïden in Engeland, Schotland en een deel van Ierland, met een bijzonder duistere macht wisten te laden.
De geest blijft verder ingrijpen. Dit ingrijpen voert o.m. tot het scheppen van eenheidsbegrippen aan de hand van menselijke analogieën. Zo vinden wij dan nu nog in Indië o.m. de lingam; en in het zgn. Oudegyptische kruis eveneens een sleutel‑symbool dat op het seksuele berust. De fertiliteitsgodsdiensten in die dage zijn dan ook hoofdzakelijk op het stoffelijke gericht, want de mensen uit die tijd kunnen zich een eeuwig leven maar moeilijk voorstellen. Weliswaar groeit in de betere beschavingen (o.a. bij de voorvaderen van de Massai, in bepaalde delen van Indië en in het noordelijk deel van Azië een dergelijk vooroudergeloof, waarbij het voortbestaan een rol speelt, maar de werkelijke nadruk vinden wij allereerst in twee, toen afgesloten gebieden, nl. Beneden‑Egypte, dat in die tijd dus sterk was geïsoleerd door moerassen en in het door bergen en hoogvlakten sterk geïsoleerde Tibet. De resultaten daarvan zijn de Dodenboeken, waarin veel magische en geestelijke wijsheid is vastgelegd op een helaas niet volledig begrijpelijke manier.
Wij zijn nu dus gekomen aan de tijd dat de mens wordt geconfronteerd met een verschil tussen geestelijke leiding en menselijk denken en belangstelling. Het is interessant te zien, hoe deze scheiding steeds verder groeit. In het begin is er geen sprake van een bijgeloof, maar van een erkennen van natuurkrachten en geestelijke krachten en ook van de hoge geestelijke krachten die de menselijke evolutie, de bewustwording, leiden. Langzaam maar zeker verbleekt echter dit geloof en komt het eigenbelang daarvoor in de plaats. De mens zoekt zijn voordeel in een amulet. Hij roept geesten aan, hij brengt offers, opdat hij zal worden bevoordeeld. Hij ziet alles op een “cash‑and‑carry”‑basis”, je brengt een offer en dan geven de goden je wel wat als je geluk hebt. In deze situatie moet de geest dus wederom haar eigen ontwikkeling bevorderen en de voor haar belangrijke contacten met de mensheid gaan vastleggen.
Nu beschikt zij over de nakomelingen van de zgn. witte priesters van Atlantis. Ze zijn voor een deel over de wereld verspreid, anderen gaan onder met de laatste rampen of vertrekken; en wel hoofdzakelijk in de richting van Ierland. Deze witte Broeders beseffen heel goed dat je de mensheid niet kunt dwingen de goddelijke Kracht te aanvaarden, zoals ze is. Ze stichten daarom op eenzame plaatsen hun scholen. En deze scholen beginnen dus gewoon de mogelijkheid te onderrichten om meer te zijn dan een ander. In die scholen worden de stoffelijke weten wetenschappen, zoals bv. geneeskunde, maar ook wel degelijk de kennis van mineralen, van planten e.d. onderwezen. Daarnaast zoekt men echter uit de besten degenen, die in staat zijn het geestelijk contact te aanvaarden. Voor mensen, die daarmee niets te maken hebben gehad, is het natuurlijk erg moeilijk om ineens met een lichtende geest te worden geconfronteerd. Daarom ontstaat een voorbereiding en deze voert tot de inwijding.
Van deze inwijdingen zijn er enkele bekend geworden. Voor Egypte bv. is de inwijdingstechniek geërfd van de Aesis of Isis (men gebruikt beide namen wel), een groepering, die haar eerste punt van samenkomst heeft gehad ongeveer ter hoogte van de Nijlvallen en die bestond uit een zeer gemengde groep van mensen, waaronder veel Nubiërs. Deze Isis‑groep krijgt contact met een gezondene, die vorst wordt. Hij is de vorst, die het Boven‑Egyptisch rijk sticht en wordt later Eisis, Eisir en nog later Osiris genoemd. Hij was inderdaad de zoon van Aesir. Hij was ingewijd in de geheimen van dat geheel. En zo ontstond de latere legende dat Osiris dus gelijktijdig eigenlijk de gemaal, de broeder en de zoon zou zijn van Isis. Dat hij de broeder zou zijn van Seth, is ook niet zo vreemd, want in het Beneden‑rijk duikt onder de regeergeren een roverhoofdman op, die het Beneden‑rijk weet te regeren en als zijn naam geeft: Sethi. Een naam, die ook in de latere vorstengeslachten is terug te vinden. Het verhaal van het verslaan van Osiris door Seth zou dus ook zo kunnen worden vertaald, dat door een inval in het Boven-rijk (het Boven‑Egyptisch rijk) dit rijk en zijn vorst werden verslagen, maar dat het Isis‑genootschap – dat zoals u weet zijn inwijdingsketen had in het zuidelijk deel van het land – weer de eenheid wist te herstellen en zo het Boven‑rijk hernieuwd deed ontstaan. Zo ziet u hoe die legenden tot stand kunnen komen.
De geest werkt nu in en probeert door middel van de zgn. occulte of magische kennis een waar beeld te scheppen van o.m. het leven van de mens, diens organisme, de waarden van de kosmos, de inhoud en de kracht van de gedachten. Het vastleggen hiervan was ook in die dagen nog moeilijk, omdat de gehanteerde en geschreven taal geen volledige uitdrukkingsvrijheid toelieten. Het resultaat is dat we ongeveer 1500 v. Chr. worden geconfronteerd met een aantal stellingen (de eerste, waarvan men hier redelijk kennis heeft kunnen nemen) die niet de werkelijke kennis weergeven, maar alleen vreemde aanduidingen. Zo kende men in Egypte wel degelijk de hersenwerking, de bloedsomloop, het zenuwstelsel, maar de kennis die daarvan was vastgelegd en dus enigszins geprofaneerd (ontdaan van haar geestelijk element) is van een gehalte dat de tegenwoordige wetenschapsman wat medelijdend doet glimlachen. De werkelijke overleveringen die daarbij bestaan, kent hij niet.
De Broederschap ontstaat dus in deze dagen als: een samenwerken van ingewijden op aarde, inwijdingsscholen, de evolutie-leidende geesten, die zich voor een deel terugtrekken en – dit is interessant – in de periode van ongeveer 4 à 5000 jaar geleden ook voor het eerst intens contacten hebben gelegd met wezens die op een andere wereld een volledig menselijke bewustwording hebben doorgemaakt. Dit geheel en deze samenhang bestaan op het ogenblik nog. Het is nog steeds de Witte Broederschap.
Door nu de verschillende rijken tegen elkaar uit te spelen, wordt het mogelijk de beschaving te verbreiden. Als u ziet hoe besloten b.v. de Myceense en de Egyptisch beschavingen waren en als u ziet hoe Rome zelf zich krampachtig aan een eigen vorm – al was zij dan gestolen van de Grieken – vastklampte, dan zult u begrijpen dat een rijk dat een hoogtepunt van ontwikkeling had bereikt, moest worden prijsgegeven. Dat kon niet anders. Dat dit vruchten heeft opgeleverd, moge blijken uit het feit, dat bv. de Barbaren Rome in zijn decadentie overweldigden, maar gelijktijdig in Rome – en dat is nu het mooie – zoveel van die beschaving hebben overgenomen, dat de invloed van bepaalde Romeinse gebruiken op het ogenblik nog tot diep in de Slavische landen en zelfs in bepaalde delen van Voor‑Azië is aan te tonen.
Hetzelfde geschiedt bij de val van Byzantium. De invloed van Byzantium is juist door zijn val zo groot, dat die invloed als het ware doorwerkt tot de noordelijke Oeral. Heel Rusland ondergaat haar. Het verval en de ondergang van Egypte zenden de Egyptische leringen en inwijdingen uit over het gehele noorden van Afrika, mar ook tot praktisch Noorwegen toe. De magische geheimen worden uitgewisseld langs de handelsroutes. Goden en schrijnen trekken verder. Maar ergens wordt het licht – juist tijdens het verval – doorgegeven. Een egaliseren van geestelijke werkingen blijkt mogelijk.
En nu treedt helaas de splijtzwam op die dit werk benadeelt. Want om de mens te kunnen leiden heeft de geest gebruik moeten maken van een systeem van angst en geluk, en dit was vooral voor de eenvoudigen van harte nodig. Daaruit is echter een steeds sterker wantrouwen jegens de medemens gegroeid. Zolang dit zich in kleine groeperingen (dus stam tegen stam afspeelde, was dit niet belangrijk; het werd vanzelf opgeheven. Maar nu ontstaan banden, zoals bv. het rijk van Karel, de Martels dus. En dit rijk kent wel degelijk een onderscheid tussen zijn bewoners; en wel aan de hand van ras eigenschappen en kleur. Hetzelfde zie wij in ongeveer dezelfde tijd (dus tussen 200 v. Chr. en 8 à 900 na Chr.) gebeuren in Indië. Ook hier wordt de nadruk plotseling gelegd op rasverschillen. Zelfs China, dat zo sterk is in het absorberen van zijn vijanden, krijgt een sterkere afkeer tegen ras vreemden en het sluit vele toegangswegen naar het zuiden af. Japan sluit zich in deze tijd geheel van de omwereld af en zal eerst weer contact daarmee opnemen onder dwang van de kanonnen van Kwang Tung Pe ruim 1000 jaar later. We moeten dus begrijpen: hier ontstaat een strijd tussen de rassen en de werelddelen.
Deze minachting brengt met zich mee dat bv. de kans om in Amerika een werkelijk universele beschaving tot stand te brengen, daarbij uitgaande van de leer van de Grote Geest (later wel eens verkeerdelijk als de Manitu‑leer aangeduid: een Manitu is nl. de bewuste en niet alleen de scheppende Geest), wordt verspeeld. De Indianen zullen zich ook gaan verdelen, en wel in de meer noordelijke rassen (waarvan bij u waarschijnlijk de Comanches, de Sioux, de Apaches, de Quichuas wel de meest bekenden zijn), de zgn. zuidelijke of Pueblo‑indianen, die een betrekkelijk hoge beschaving hebben, maar zich isoleren; de restanten van een Inca‑beschaving, die geheel is gebaseerd op een hiërarchie, die voor de rest niet aanvaardbaar is; en in het zuiden een terugkeer tot de zgn. groene magie of oergodsdiensten.
In deze periode (ongeveer 900) wordt dus de band van de Witte Broederschap met Zuid‑Amerika praktisch verbroken. Er blijven nog slechts enkele contacten. Wel worden pogingen gedaan om van uit de Druïdische beïnvloeding nog met het noorden contact te krijgen. Voor u is – naar ik meen – alleen de reis van Erik de Rode bekend die o.m. de Hudson baai bereikte met zijn Drakar.
De geschiedenis die wij nu voor ons zien en waarop ik een volgende maal graag uitvoeriger wil ingaan, is in feite een poging van de geest geweest om de geestelijke waarden en geheimen zoveel mogelijk te verspreiden en gelijktijdig haar eigen contactmogelijkheden te vergroten. De grote leraren en Meesters hebben daartoe centrale punten geschapen. Om u een voorbeeld te geven:
De invloed van Jezus heeft een band geschapen – geestelijk gezien – die ongeveer 600 tot 800 jaar na zijn dood het grootste gedeelte van Europa bestrijkt en – zij het summier – het noorden van Afrika, delen van Indië (in het rijk van Akbar de Grote bv. werd hij zeer geëerd; er is zelfs een lange tijd een tempel voor Jezus geweest in Benares), terwijl hij daarnaast ook wel degelijk werd gekend in bepaalde delen van China, vooral langs de grote rivieren. Dat is één Meester.
De Boeddha spreidt zijn invloed uit over praktisch geheel Azië en beïnvloedt zelfs de Mongoolse stammen, zodat de Boeddhistische invloed zelfs in de Kaukasus meeklinkt. Ik geef u deze twee voorbeelden alleen om aan te tonen, hoe eigenlijk van uit geestelijk standpunt gezien en berekend de contactmogelijkheid met God, het Goddelijke en de Lichtende krachten over de hele wereld werd uitgebreid.
Helaas moet ik daarbij opmerken, waren er ook duistere krachten. De duistere scholen van de vroegere wereldpriesters zijn geworden tot sjamanen‑scholen en magische groeperingen in Indië en vooral in Indochina. Van daaruit ontwikkelt zich het genootschap dat men later wel eens de Zwarte Draak heeft genoemd als tegenstelling tot de Rode Draak (de Zonne-Draak) en dat in China een grote invloed heeft en gelijktijdig aansprakelijk is voor het ontstaan van bepaalde toverleringen in Tibet.
De zwarte leringen, voor zover zij voor Europa belangrijk zijn, gaan uit van een deel van Griekenland en wel voornamelijk van Thessalië tot ongeveer 300 na Chr. Daarnaast blijkt de grootste school zich te bevinden in het huidige Zevengebergte (Roemenië). Deze magische scholen worden eveneens voortgezet en zo blijft er altijd een zekere strijd bestaan tussen zwart en wit, tussen lichtende kracht en menselijk egoïsme, dat geestelijke krachten misbruikt en zich daarbij wendt tot de duistere, de niet‑wetende entiteiten.
Met dit overzicht hoop ik duidelijk te hebben gemaakt, dat de wereldgeschiedenis niet slechts een opeenstapeling van toevalligheden is of een eenmalig ingrijpen van een scheppende God, maar dat er sprake is van een langdurig proces, waarin bewuste geesten van velerlei aard en soort hebben getracht op aarde de juiste voertuigen te scheppen voor een hoger bestaan. En dat de mensheid zelf in zich de kern draagt van een Witte Broederschap, waardoor zij met die leiding voortdurend – ook in deze dagen – verbonden is en door die leiding in vele gevallen geholpen, maar soms ook geprovoceerd zal worden om haar werkelijk karakter te uiten.
Als ik dat met deze eerste les heb bereikt, dan meen ik, vrienden dat wij al iets groots hebben gedaan. Want slechts indien u begrijpt dat in uw eigen tijd geestelijke en lichtende krachten van even groot belang zijn als de meer materiële, economische en politieke verhoudingen, dan zult u alles wat er zich in deze dagen afspeelt, kunnen begrijpen. Slechts indien u leert zich te baseren op de geestelijke krachten en het geestelijk licht en het materiële als secundair beschouwt, zult u kunnen helpen voor uzelf een juiste wereld te bouwen en deel kunnen hebben aan de confrontatie met lichtende geesten, die men nog steeds noemt: inwijding.
De hiërarchie in de Witte Broederschap
Na hetgeen u van de eerste spreker hebt gehoord, hebt u dus enig idee van de wijze, waarop de Witte Broederschap werkzaam is. Het lijkt mij echter interessant en ook nuttig om u duidelijk te maken hoe de zaak nu eigenlijk samenhangt. En dan moeten wij de Witte Broederschap allereerst splitsen.
Zij bestaat nl. uit een groepering op aarde en een groepering in de sferen. De groepering in de sferen kan worden gevolgd tot een zeer hoog niveau en daar vinden wij dus o.m. de zuiver lichtende krachten, die geen enkele vorm hebben en even daaronder, wat wij noemen de grote Meesters of Leraren. Zij zijn in de eerste plaats wel de brengers van kracht. Zij geven kracht, zij geven als het ware een gevoel van kosmische waarheid, zoals dit in de Broederschap zelf wordt gesteld: “Uit het hoge Licht en de Meesters die het Licht in zich dragen, wordt de waarheid zonder sluier geopenbaard, opdat zij – die in de tijd leven en werken – aan de hand van een kosmische werkelijkheid buiten de tijd hun taak en streven kunnen bepalen aan passen.”
Er is vanuit dit hoge niveau geen enkele dwang. In deze hiërarchie kunnen wij dus niet zeggen dat van uit dit hoogste Licht bevelen worden gegeven. Er is kracht, er is een zekere harmonie, een samenwerking, een openbaring, maar de besluiten vallen lager. Op dit lager niveau, dat wij in onze terminologie waarschijnlijk zouden noemen: de rand van het witte Licht en de wereld van kleur, vinden wij dan een groot aantal entiteiten die nimmer op aarde hebben geleefd. Een deel van hen behoort tot rassen die vroeger op ander planeten binnen dit zonnestelsel hebben geleefd. Enkelen van hen hebben zelfs een geheel andere herkomst, die elders in het Al zou moeten worden gezocht.
En nu moet u mij niet kwalijk nemen dat ik u niet precies kan vertellen waar zij allemaal vandaan komen. Wanneer ze zich in vorm zouden openbaren, zou het waarschijnlijk een zeer heterogeen gezelschap zijn. Ze hebben echter één ding gemeen. Ze hebben allen een zeer gedegen kennis van alle ontwikkelingsfasen, die de geest in de stof doormaakt en zij beseffen verder wat de behoeften zijn van de geest, zoals hij leeft.
We noemen dit wel eens de Grote Raad. En deze Raad is het die als het ware de politiek van de Broederschap bepaalt. Die politiek is altijd op lange termijn. Er wordt hier dus niet zozeer rekening gehouden met de eenling, met de enkele mens, maar met de ontwikkeling van het gehele ras en de mogelijkheden van een geheel ras. De besluiten die hier worden genomen, zullen voor menig mens hard klinken. Want hier zal men heel rustig zeggen: Het is noodzakelijk dat een bepaalde beschaving valt. Het is noodzakelijk dat een bepaald volk door rampen en vernietiging wordt gedecimeerd, want alleen op die manier kan een storende factor in de ontwikkeling van de aarde wegvallen. Of: Alleen op die manier kan voorkomen worden dat de mensheid verstart in haar denken en haar gebruiken.
De gedachte waarvan zij uitgaan is er dus wel één van een voortdurende opvolging, zowel van standen (dus plaatsen binnen een sociale samenhang) als van landen (geografische gebieden). Door deze voortdurend tegen elkaar uit te spelen wordt een zo snel mogelijke bewustwording maar ook een zo snel mogelijke stoffelijke ontwikkeling bevorderd. Daarbij wordt vanuit de Raad de nadruk gelegd op de geestelijke mogelijkheden, de geestelijke waarden. En deze waarden ziet men daar – voor zover ik dat van uit mijn beperkt standpunt tenminste kan overzien – hoofdzakelijk als een maximum aan ervaring plus een maximum aan bewustwording in een zo kort mogelijke tijd van leven. Onder dezen vinden wij dan – wat u zou noemen – de overgeganen. Dat zijn dus geesten die in verschillende sferen leven (zoals ook wij in de Orde dat doen) en die zich een enigerlei reden als groep, als gemeenschap (zoals de Orde dat heeft gedaan) of meer individueel hebben aangesloten bij deze Broederschap. Hun gezamenlijk werk bestaat niet zozeer uit het bepalen van die totale politiek (dat wordt door de hogere rangen gedaan), maar zij maken er als het ware hun werk van om kracht en voor zover mogelijk ook wijsheid te putten uit het Hoogste Licht, waartoe zij – zeker ook in de hogere regionen – toegang hebben en deze op aarde te verspreiden, voornamelijk onder individuen, dus het vormen van kleine groepen, van kleine gemeenschappen. Het doen ontstaan van de juiste materiële verhoudingen met de juiste geestelijke achtergrond is hetgeen door deze groep hoofdzakelijk wordt nagestreefd.
Daartussen en daaronder vinden wij ook weer overgeganen, die de rol op zich nemen van wat u wel noemt een Meester. Die Meesters kunnen wij dan ook weer in twee groepen splitsen. We kennen nl. in de Witte Broederschap de zgn. leraren (niet te verwarren met grote Meesters zoals Jezus, maar eerder te vergelijken met docenten). Zij geven zowel voor wezens uit de sferen al voor mensen in de stof, die daarvoor ontvankelijk zijn, geestelijke leringen. Zij geven hun bepaalde inspiraties en gedachten. Uit de gedachten en inspiraties zullen die mensen naar hun inzicht en volgens hun eigen wezen dan verder moeten leren om in lagere werelden te handelen en te werken.
De persoonlijke Meesters staan over het algemeen een trap lager, maar worden door ons toch nog wel tot dezelfde trap van de hiërarchie gerekend. Dezen gaan dus allereerst uit van het standpunt dat een bewuste mens een persoonlijke leiding nodig kan hebben. De goeden onder deze Meesters (want naar onze mening is daar wel verschil tussen) geven een zuiver persoonlijk inzicht en leren de mens zijn eigen krachten en kwaliteiten te gebruiken. Is hij daarmee ver genoeg gekomen, dan trekken ze zich terug en dan moet deze mens ofwel overgaan naar de lessen van een bepaalde leraar, dan wel met hetgeen hij heeft verworven verder zijn eigen weg gaan.
Dan zijn er ook nog Meesters – en dat zijn de volgens mij wel wezens een trap lager staand in de hiërarchie – die zich persoonlijk aan iemand gebonden voelen. Ze weten wat het doel is van de grote gemeenschap, want zij kennen de besluiten van de Grote Raad zij kennen de kracht, die binnen de Witte Broederschap werkt. Zij gaan dan naar een bepaalde mens toe en trachten die – ook al is hij eigenlijk niet helemaal bewust – door bepaalde inspiraties en bevelen zo ver te brengen dat hij met zijn eigen leven, de oorzaak‑en‑gevolgwerking, die hij schept, op de juiste manier past binnen het kader van het Grote Plan. Dus een aanpassen aan de grote lijn.
Op ongeveer hetzelfde niveau van deze persoonlijke Meesters vinden wij wezens, zoals ik er bv. één ben. Niet dat ik mij zo bijzonder hoog acht, maar wij behoren toch in ieder geval wel tot diegenen, waarin werkelijk het licht regeert en waarin een lagere trilling of uiting eigenlijk nog maar weinig invloed heeft. Zij geven ook weer lering aan de mensen op aarde en houden zich bezig met het onderricht van de geest die is overgegaan, opdat hij juister begrijpt waar hij eigenlijk staat.
Die geestelijke Orde kent verder dan nog heel veel gewone leden. Die kunt u dan het best beschouwen als loopjongens. Het is heel goed mogelijk dat u vandaag of morgen bij een seance of bij een kruis‑en‑bord‑seance of zelfs in een inspiratie even contact krijgt met iemand die van de Witte Broederschap is. Dit is dan niet een stralend hoog wezen, maar het is iemand die bewust meewerkt aan de vorming van de mensheid, de bewustwording van de mensheid, zoals dit door de Raad en tenslotte misschien ook door de Hoge Lichtende Krachten is bepaald. En dezen zullen dus allen gezamenlijk proberen om de mensheid niet alleen kracht te geven, maar om de mens te leren kracht te gebruiken en vooral om – wanneer het even kan – hem zo te ontwikkelen, dat hij zijn vermogens gebruikt.
Een geest die in een duistere sfeer leeft, is iemand die de werkelijkheid maar voor een gedeelte wil kennen en daardoor een gedeelte van zijn mogelijkheden bv. tot vreugde, tot lering, tot bewustwording afsluit en de verrijking van zijn eigen innerlijk, die uit de kosmos kan komen en waardoor hij meer kan beleven en zien, terzijde stelt. Die wezens ertoe te brengen de werkelijkheid te aanvaarden wordt als zeer belangrijk gezien. Voor de mens geldt precies hetzelfde. Wanneer je de mens wilt helpen, dan kun je dat vaak op een onopvallende manier doen door zijn aandacht eens te vestigen op een bepaald punt.
Deze groeperingen vormen dus tezamen de geestelijke hiërarchie en deze wordt onmiddellijk aangevuld door de stoffelijke hiërarchie van de Broederschap. Nu is dat een lange tijd een Broederschap geweest, die gevestigd was in de buurt van de Karakorum, in de verschillende dalen daar, die hoofdzakelijk nederzettingen kende van Broeders en Zusters, welke dus direct tot die gemeenschap van de Witte Broederschap behoorde. Op het ogenblik is dat enigszins anders geworden.
Men heeft weer een hoofdkantoor gebouwd in Zuid‑Amerika en daarnaast heeft men over de gehele wereld kleine centra gesticht. De leiding zelf ligt in handen van een aantal zgn. wijzen. Deze wijzen kunt u stoffelijk gezien wel ingewijden noemen. Zij weten ontzettend veel van allerhande zaken af en zijn de uitvoerende macht. Zij staan dus – voor zover het de verhouding op aarde betreft – direct onder de Raad. Onder hen bevinden zich – je zou zeggen als ministers zonder portefeuille – een aantal persoonlijkheden die men ook wel Meesters noemt en die bv. in een komende tijd op aarde zullen incarneren om een leer te brengen en die dus een zekere voorbereiding treffen.
Wij vinden verder Meesters, die bepaalde esoterische en magische inwijdingsgangen beheersen. Je zou zeggen: zij hebben elk een eigen departement. Opvallend is daarbij, dat binnen de door mij genoemd gemeenschap, waarin ook de door mij genoemde Meesters zich stoffelijk kunnen manifesteren, ook soms de Meesters uit het Hoge Licht kenbaar zijn. Er zijn bijeenkomsten – en dat is niet alleen wat men noemt het Feest van de Wessac, er zijn ook andere feesten – waarin dat gebeurt, waar men samenkomt.
De ingewijden van deze kerngemeenschap zoeken nu weer mensen, die een voldoende inzicht hebben, een voldoende geestelijke samenhang; en daarmede wordt dan een geestelijk contact gemaakt. In heel veel gevallen geschiedt dat door hen op de een of andere manier te laten reizen naar één van de dorpen, zoals het vroeger was; tegenwoordig zal dat wel één van de plaatsen zijn, vermoedelijk in de buurt van Belém. Wanneer ze daar aankomen krijgen ze een persoonlijk contact. Ze worden getest en na dat testen worden ze opgenomen in een geestelijke gemeenschap. Hun geest wordt als het ware gevuld met een zekere kracht en een zeker weten. Daarna gaan zij weer terug om vervolgens rond zichzelf leerlingen te verzamelen. Deze leerlingen – u kunt hen neofieten of half‑ingewijden noemen – krijgen allen de kennis die nodig is om de besluiten van de Raad op aarde te helpen volvoeren. In hen worden de paranormale vermogens zo opgevoerd, dat zij in staat zijn o.m. op zeer grote afstand telepathische contacten met elkaar te onderhouden en als het ware in geval van nood even te informeren wat nu de juiste handelwijze is.
Dezen zoeken dan weer leerlingen, die u al een soort aanvragers kunt beschouwen. Ook zij krijgen een beperkte lering, waarbij zij hun eigen wezen beter leren kennen en begrijpen en heel veel kracht kunnen opdoen. Zij gaan dan uit om lering te geven. En wanneer iemand van deze laagste Orde van de hiërarchie eindelijk weer anderen ontmoet, dan is het zijn taak – niet om zo iemand in te wijden, want dat kan hij niet, daarvoor is hij zelf niet ver genoeg – maar om die persoon geestelijk voor te bereiden op een contact dat uit de geest of telepathisch volgt. Is de persoon na verloop van tijd geschikt bevonden, dan wordt hij vanzelf naar een Meester toe getrokken en krijgt daar dus zijn inwijding. Zijn Meester is dan in die hiërarchie weer een neofiet.
Op den duur kun je door de praktijk zoveel leren, dat je dus de neofiet gelijk bent en op het ogenblik dat je dat bereikt (dus het peil van werk en de mogelijkheden, die zo’n neofiet bezit) word je automatisch weer in contact gebracht met een Meester. Op deze wijze is er dus een opbouw over de gehele wereld, waarbij we op het ogenblik een zeer groot aantal contactpunten kennen. De vorm, waarin men optreedt, is heel verschillend. Voor u zal het misschien heel vreemd klinken, als ik vertel dat één van de hoogste Meesters, die kortgeleden werkzaam was in Italië en daarna in Spanje, dat deed in het gewaad van een bedelaar, een gebrekkige, maar dat was voor hem de meest eenvoudige vorm, om contact op te nemen Een andere benadert u misschien als een psychiater, een dokter, een straatveger, een conducteur of eenvoudig maar als rentenier. Elk heeft zijn eigen wijze. En zo probeert men contact te krijgen op deze wereld.
Daarmee heb ik dus een schets gegeven van de opbouw. En nu mag ik misschien nog even uw tijd vragen voor een korte uiteenzetting – voor zover ik dat mag – van de bedoelingen. U zult begrijpen dat de mens op een gegeven ogenblik qua voertuig en qua geest in deze dagen moet vastlopen. Qua voertuig, omdat hij zichzelf in deze dagen zo sterk afhankelijk heeft gemaakt van stoffelijke hulpmiddelen, dat bv. het uitvallen van de elektriciteit in een grote stad voor heel veel mensen het gevaar van dood, in ieder geval van paniek en wanorde met zich zou meebrengen. Dat mensen, die niet meer de beschikking zouden hebben over auto’s en vliegtuigen, het geduld niet meer zouden hebben de noodzakelijke afstand te voet af te leggen. Ik noem hier nu maar iets. Verandering van klimaat zou zonder moderne hulpmiddelen niet meer kunnen worden opgevangen. Het weerstandsvermogen tegen ziekte is in sommige gevallen iets groter geworden, maar aan de andere kant heeft de mens ziekten geschapen, waartegen hij niet bestand is.
Lichamelijk is de mens dus zwak. En om die mens te veranderen kun je twee dingen doen: je kunt een gewelddadige mutatie vanuit stoffelijk vlak provoceren (wat je dus bv. gedaan zou kunnen krijgen door de atoombom‑proeven nog een jaar of tien voort te zetten, dan is het wel zeker dat alles wat geboren wordt op de één of andere manier mutant is) en je kunt het ook doen door de mens innerlijk te benaderen. Nu is het werk, dat wij op het ogenblik doen, in de eerste plaats een voorbereiding voor datgene, wat wij van belang achten en dat is de mens langs de innerlijke weg trachten te veranderen.
De Witte Broederschap en wat dat betreft ook onze Orde gaan dus uit van het standpunt dat er altijd eerst de gedachte is en dan pas de vorm of het feit. Wanneer wij het denken van de mens kunnen veranderen – al is het nog maar zo weinig – dan zal op den duur zijn lichamelijke toestand en vorm zich daarbij aanpassen. Wanneer wij de mentaliteit van de mens kunnen veranderen, dan kunnen wij niet de mensheid die er nu is, geheel vernieuwen en verjongen, maar we kunnen nieuwe kwaliteiten scheppen. Wij kunnen de mens vrijer maken.
Eén van de belangrijke punten daarbij is wel, dat de mens eigenlijk over een instrumentarium beschikt, waardoor hij onafhankelijk kan zijn van heel veel van zijn huidige mechanische hulpmiddelen. Niet dat zij slecht zijn, maar er zijn andere mogelijkheden. En onder die andere mogelijkheden behoort o.m. de bij elke mens bestaande telepathische gevoeligheid, die over het algemeen in het dagelijks leven wordt onderdrukt en niet verder wordt ontwikkeld, maar die wel degelijk bestaat.
Verder de mogelijkheid om gebruik te maken van telekinese en al wat daarbij behoort. Ook hierdoor is het nl. mogelijk om de mensheid meer kracht ter beschikking te stellen. Waar hij tegenwoordig een hijskraan voor nodig heeft, zou hij misschien later met gedachtenconcentratie kunnen doen.
Dan blijkt ook dat de menselijke gedachte, de sfeer en daarmee ook de eigenschappen van bv. een woning, een woud of iets anders kunnen bepalen‑, dat men het plantaardig leven zelfs met gedachten en ook met lagere trillingen kan beïnvloeden. Wanneer wij de mensheid kunnen leren daarvan gebruik te maken, dan zou hij afstand kunnen doen van heel veel schadelijke middelen. Ik denk hier bv. aan het overdreven gebruik van kunstmest, aan allerhand bespuitingsmiddelen in de levensmiddelensector. Maar er zijn veel meer mogelijkheden.
Het leren bv.: Wanneer wij kunnen komen tot een punt, waar de mens zijn eigen gevoeligheid beseft, dan kan praktisch elke mens een eidetisch geheugen hebben: Hij kan bladzijde na bladzijde leerstof in zich opnemen, verwerken en later reproduceren. Een geheugen, dat veel groter en veel actiever is en daarnaast meer factoren bevat, welke op het ogenblik onderbewust zijn. Zo’n mens zal heel anders in de wereld staan. Hij zal ongetwijfeld zijn eigen houding en verhouding ten opzichte van alle elementen kunnen wijzigen.
Dat dit natuurlijk een lange periode vergt, is duidelijk. Maar… we hebben de tijd. Wij moeten alleen maar voorkomen dat de mens op het ogenblik door zijn verstarring, door het zich vastklampen aan het materialisme, deze weg van geleidelijke en daardoor geestelijk veel prettiger en meer aanvaardbare ontwikkeling, onmogelijk naakt. Zo zal het tweede doel dat men zich op aarde op het ogenblik stelt, zijn, de mens te brengen tot een besef van een positieve vrede en niet alleen een negatieve behoefte aan vrede, zoals nu bestaat. Men wil er dus iets voor doen of iets voor laten.
En ten laatste: Wij moeten trachten de mens vrij te maken uit het keurslijf van een maatschappelijke verhouding, die hem steeds sterker bindt aan het materialistisch‑mechanisch bestaan, waarin hij op het ogenblik in vastgeroest zit. Naarmate men dus de machines en vooral de denkende machines uitbreidt, zal er een ogenblik moeten komen dat men, om zo te kunnen voortbestaan, van de mens een machine moet maken. Men moet hem dus als het ware elk initiatief gaan ontnemen. En dat is nu iets, dat we van uit een geestelijk standpunt niet kunnen gebruiken. De mens moet zelf beslissen en zelf denken, dan kan er een grote gemeenschap ontstaan.
Het laatste doel, dat we in deze dagen hebben, is van de mens een steeds groter, een steeds harmonischer en intenser eenheid te maken. De mensen hebben overal vakjes opgesteld en zijn erin gaan zitten. Ze hebben rond zich grenzen getrokken op grond van hun inkomen, hun geloof, hun voorouders, nationaliteit en wat dies meer zij. En die moeten wij afbreken. De mensheid moet komen tot een werkelijke samenwerking, een werkelijke eenheid.
Ik geloof dat u hieruit een zeker inzicht heeft in hetgeen op het ogenblik wordt beoogd. En nu moet u eens heel goed luisteren, dan wil ik trachten te zeggen, hoe het in ons leeft. Het zijn niet de feiten van uw wereld, maar dat, wat er in onze wereld eigenlijk bestaat en wat wij dus op het ogenblik ervaren van de Witte Broederschap, waarin wij nu volledig zijn opgegaan. Wij houden onze naam, maar zijn praktisch een onderafdeling geworden.
De Witte Broederschap is hard. Ze kent – even goed als wij – begrippen van kosmische liefde en verdraagzaamheid en ze zal evenals wij proberen elke mens te helpen gelukkig te maken en bij te staan. Maar ze kan niet letten op de eenling en ze beseft waarschijnlijk te goed, dat het lijden van een eenling onbelangrijk is vergeleken met beeld van het geheel. Daarom zeg ik: ze is hard, maar toch niet zonder liefde.
Wanneer wij de inwerkingen zien die op het ogenblik van de Witte Broederschap uitgaan en die worden versterkt door allerhand kosmische krachten, zelfs op dit moment, dan ontdekken wij daarin het woord “liefde” toch wel bijzonder sterk. Het is niet hartstocht – begrijp mij wel – en niet de zoetelijk lieve woordjes fluisterende genegenheid, maar het is een gevoel van verbondenheid dat op elk vlak en elk niveau en uitdrukking vindt. Het is een onderling begrip, een samengaan, het zoeken naar de punten, die je verenigen. En juist omdat die kracht zo sterk is, vinden wij daarachter een sterk en hard iets, dat je rechtvaardigheid kunt noemen. Want degene die op het ogenblik tegen deze dingen ingaat, die deze dingen als het ware ontwijkt en tracht af te breken, die wordt in steeds grotere felheid geconfronteerd met alle tegenwerking en tegenstand, die er op aarde is. Wij zien dat dus als een poging om de mens door eigen ervaren als het ware te dwingen tot een aanvaarden van het Hogere.
Wanneer een mens geestelijk niet helemaal bereid is om die eenheid te aanvaarden of als die mens met een bepaald schuldbewustzijn of een schuldbegrip belast is, en daardoor die eenheid niet kan bereiken, dan wordt die mens eenvoudig lijden opgelegd. Hoever hij geestelijk ook moge zijn, hoe, goed hij lichamelijk ook moge zijn, dan wordt hem lijden opgelegd. Een lijden, dat voor een groot gedeelte uit hemzelf voortkomt. En dit lijden zien wij dan niet, zoals u misschien, als iets tragisch of iets pijnlijks, wij zien het eerder als een soort bad. Zo’n mens, die in 7 jaar niet heeft gebaad en die ineens met een harde heiboender wordt schoon geschrobd. Een pijnlijk proces, maar daardoor sta je dan ineens weer open; lichtend en vrij in de gemeenschap. Dan kun je de gemeenschap van stof en geest weer aanvaarden, zoals ze is. En wij voelen wel heel goed aan, dat dit proces moet berusten op de bewuste mens.
Wij als Orde gebruiken dus hoofdzakelijk mediums en inspiratie. Maar wij zouden het eigenlijk nog anders willen doen. Wij zouden het anders moeten brengen, zouden wij met de werking van die grote liefde, die eenheid, die genegenheid werkelijk in overeenstemming zijn. Ik heb dan zelf het gevoel: je zou mensen als het ware afzonderlijk les moeten geven en dan drie of vier mensen, welke die lessen hebben gehad bij elkaar zetten, opdat ze gezamenlijk een groep vormen en die groep gezamenlijk de leer gaat begrijpen en in de praktijk omzetten.
Het is geen tijd meer om alleen maar te praten; en via een medium kun je alleen maar praten. Het is tijd, dat er iets gaat gebeuren. En dat gebeuren kunnen we nooit vinden in het aanvallen of afbreken van iets. Dit ligt ook niet in de kosmische drang, de liefde kracht, zoals wij die op aarde zien neerdalen en zoals wij in activiteit zelf daarvan deel uitmaken. Maar we zien daarin de noodzaak te zoeken naar datgene, waarin men overeenstemt. Wanneer allen eerst de goede doeleinden en bedoelingen die zij gezamenlijk kennen, de vreugden die zij gezamenlijk kennen of kunnen kennen verwerkelijken en pas daarna, wanneer dat werkelijkheid is geworden, nog eens nadenken over de verschillen en het negatieve, de zal het heel waarschijnlijk mogelijk zijn om die mensheid in een korte tijd en perfecte eenheid en samenwerking te geven.
We zien dan daarnaast hoe het licht en de kracht alle mensen afzonderlijk beroeren. En nu sprekende uit mijzelf en mijn eigen ervaringen alleen (ik zeg het met nadruk), zie ik de mensen lopen in een lichtende nevel. En sommigen van hen nemen die nevel op; en dan is het alsof er rond hen een stralenkrans komt, of de aura sterker en sterker wordt. Wanneer die mensen weten wat voor kracht ze in zich dragen en ze leren die kracht richten en gebruiken, dan zijn ze op het gebied dat u nu nog paranormaal, supranomaal of occult noemt, ineens veel sterker.
De mens heeft in deze dagen de kracht gekregen om met dit bovennatuurlijke iets te doen. En dat mag niet iets zijn, dat ingaat tegen alle wetenschap, wet en regel. Zeker, er zullen wetten en regels en bepaalde wetenschappelijke beperkingen moeten vallen. Maar het is niet de bedoeling om deze dingen ineens helemaal terzijde te stellen. Neen, zoals ik dit zie, geloof ik dat juist uit dat licht en uit die kracht het bewijs, het nieuwe weten moet voortkomen. Ik geloof dat de komende jaren de mens zullen confronteren met onnoemelijk veel moeilijkheden, stoffelijk zowel als geestelijk. Maar ik ben er ook van overtuigd, dat hij die gemakkelijk baas kan, want hij heeft de kracht ervoor gekregen. En na de krachtuitstorting, die wij dus een tijd geleden hebben gehad en enkele volgende, die nog komen, geloof ik zeker dat de mens al die moeilijkheden eenvoudig kan overwinnen door naar het positieve en het lichte te kijken.
Ik heb zo het gevoel dat de mensen, die maar een beetje bewustzijn hebben, op het ogenblik zoveel kracht kunnen absorberen, dat ze bij wijze van spreken als de apostelen kunnen rondgaan en wonderen doen. Dat ze uit de geest als het ware de woorden krijgen, die nodig zijn, om het goede te zeggen, het goede tot stand te brengen. En daardoor kunnen zij dus ook – en dat is heel belangrijk – het beperkte kader, de omlijsting van het menselijk denken, het zgn. redelijk denken doorbreken.
Er zijn mogelijkheden, waardoor je een gedachtewereld voor jezelf tot werkelijkheid maakt en weer uit deze werkelijkheid verdwijnt en omgekeerd. De mens van deze tijd kan dat niet beseffen, hij kan het niet aanvaarden. Toch is het zo. De mens kan zijn eigen werkelijkheid vormen. En omdat de kracht daartoe op het ogenblik gegeven wordt, zal ieder mens die voldoende besluitvaardig is, die zelf durft werken en streven in de richting, die hij of zij goed acht, volgens mij in staat zijn om in de komende dagen in de wereld als het ware het goede te continueren en al het kwade naar een andere wereld weg te schuiven.
Dan splitst zich misschien de lotslijn van de mensheid en gaat het ene deel verder naar een wereld, waarin een atoomoorlog is, het andere deel naar een vreugdige wereld. Dat is mogelijk, ik kan het niet overzien. Maar ik weet wel, dat waar die lichtende Kracht is, een atoomoorlog dwaasheid is. Die is niet meer voor te stellen. En dat een economische crisis en alle moeilijkheden, daarmee verbonden, eenvoudig wordt overwonnen. Dat is geen 1000‑jarig rijk, hoor. Maak u geen illusies. Maar als je zoveel kracht hebt, dat je overal elektrische noodlampen kan aanbrengen, wat geeft het dan nog of de gasverlichting faalt? De oude tijd sterft en daarmee heel veel van de oude dagen. De mensen gebruiken misschien grondstoffen op een manier die niet verantwoord is, om maar iets te noemen. Maar ze hebben nu de nieuwe kracht en uit die kracht kunnen ze de nieuwe en juiste weg en methode vinden.
Ik voor mij zie in deze tijd en in deze werking van de Witte Broederschap een poging om in een decade misschien reeds zoveel mensen klaar te hebben voor het gebruik van nieuwe krachten, nieuwe werkingen, voor een leven in de positieve zin, dat daardoor de wereld als het ware gered wordt Niet in de zin van: 0, jongens, nu gaan we allemaal de eeuwige zaligheid in, maar in de zin van: Nu is de nieuwe mogelijkheid gegeven tot denken en tot leven. Nu kunnen we eindelijk de scheiding tussen geest en stof, die voor een groot gedeelte door het menselijk denken werd geschapen, verbreken. Wij kunnen de gedachte, de achtergrond van die gave van de geest en de begaafdheid, die op dat terrein in elke mens schuilt, nu zó toepassen, dat de wereld met haar materialisme moet achterblijven en dat daardoor een nieuwe vorm, een zuiverder, mooier en beheerster vorm van leven en een snellere ontwikkeling van de geest in de stof mogelijk wordt.
Ik ben ervan overtuigd dat de besluiten, die de Raad ook dit jaar heeft genomen, niets anders zijn dan het scheppen van het juiste milieu voor deze omwenteling. En ik ben zeker dat juist die lichtende Kracht en de grote Meesters en ook de Meester, die op het ogenblik op aarde zijn voorbereidend werk doet, dat dezen eigenlijk niets anders doen dan de mens de werktuigen in handen en de woorden in de mond te geven om zo een nieuwe tijd te vormen. Dit kan alleen geschieden door alles, wat zich in het verleden reeds op aarde heeft afgespeeld. Het is een deel van een historische ontwikkeling, het is een deel van een evolutie, die niet zoals de mens denkt, alleen de stof of alleen de geest betreft, maar die als een evolutionair proces, stof en geest wel zeer sterk met elkander verbindt en in de toekomst steeds intenser binden zal, omdat uit de verdeeldheid en de chaos alles moet groeien naar de eenheid.
Ik ben er verder van overtuigd dat de kosmische liefde kracht, die het geheel als het ware op het ogenblik beroert en die hoofdtoon is van elk licht dat op aarde is – zelfs van die nevel, waarover ik zo-even sprak – de mens dus ook zal leren om vrijelijk als het ware in geest en stof de waarheid te aanvaarden, uit eigen bewustzijn het als juist erkende te doen en zo voor zich God te vinden in stof en geest.
Overpeinzing
Wanneer wij de woorden: vernieuwing, beïnvloeding, verandering, geestelijke leiding horen, dan voelen wij onszelf klein en onmachtig. Wij vrezen te falen. Wij menen niets te betekenen en niets tot stand te brengen. Toch zijn wij allen deel van de Kracht die het Al heeft voortgebracht.
In ons wezen is voortdurend een vonk van het eeuwige Licht aanwezig. Uit ons wezen kan dit licht voortdurend uitgaan in de schepping.
En dit is voor ons het belangrijkste dat er bestaat. Daaraan en daaraan alleen ontlenen wij onze belangrijkheid en zullen onze bestrevingen en daden zin krijgen, in alle werelden en zelfs tot buiten de tijd. Daarom wil ik op deze avond de begrippen die werden besproken nogmaals kort formuleren.
Spreek mij niet met vrome woorden van God en eeuwigheid.
Zeg niet dat de aardse strijd wordt gestreden om aan onbegrepen krachten vrede en vreugde te geven.
Geef mij het licht waaruit ik in het heden leef.
Geef mij besef van plicht, van de werkelijkheid van eigen werk, van eigen lijden en taak. Slechts mijzelf bewust van het “ik”, bewust ook van de banden tussen dit “ik” en het Al kan ik nog verder gaan.
Al wat er is in tijd gebonden en drijvende in het menselijk bestaan wordt mij tot werkelijkheid, wanneer ik de innerlijke kracht besef die dit alles doet leven. Als ik besef hoe het hoger weten, lichtend en fel de wetten schrijft, die zullen bepalen, of de mens zal leven in een paradijs of in een zelfgeschapen hel, dan zal ik eerst waarlijk leven.
Laat ons niet falen. Spreek niet van God en laat de vrome woorden rusten, maar leef de Kracht die in je leeft. Drink de wijn van licht die steeds weer kleurig binnendringt in je bestaan en laat de stoffelijke begeerte naar belangrijkheid in het tijdelijk gebeuren je niet verscheuren en verpletteren, maar vind jezelf weer in dat wat je wordt gegeven.
Leef niet besloten of in eenzaamheid, maar leef als deel van al wat leeft, juist omwille van de Kracht die de kern is van je wezen. De Kracht die je heeft geschapen en het heelal heeft voortgebracht. Dan gaat de poort van weten open. Dan wordt de Kracht – nu ongeremd en niet ingedamd – tot een stortvloed die vanuit het wezen gaande de wereld herschept in een nieuw en zalig denken
En bovenal: Rijk kunnen wij slechts zijn, indien wij steeds weer licht en vreugde en kracht schenken aan al wat leeft.
Delf alle haat en alle verwijt. Slechts door zo te leven, zo te streven op aarde en in de sferen komt de eeuwigheid in de plaats voor het snelle gaan der tijd. Slechts zo leer je de waarheid van God en van je eigen wezen kennen.
Vertrouw daarop. Vertrouw op jezelf, op de kracht die in je leeft. Ga de weg die je juist acht, zo goed je haar kunt gaan, zo zuiver als je maar durft en kunt, opdat het je vergund is de waarden van alle bestaan uit te drukken in deze tijd, waarin de eeuwige Kracht het beeld herschept dat eens voor mensen en tijden reeds werd geschapen
Deze woorden geven voor mij weer wat ik geloof, wat ik meen te weten. Alle wijsheid, alle gezondenen en wijzen van alle tijden zijn voor mij terug te brengen tot de ene wijsheid: Leef de waarheid die in je bestaat.
Wij kunnen, indien wij willen, deze waarheid in onszelf vinden en beleven. Ik meen dat juist dit streven voor ons de bevestiging zal betekenen van alles, wat wij eens hebben gevreesd of zonder hoop toch aarzelend hebben verwacht, de werkelijkheid van ons ware “ik”.
Dit zijn dagen, waarin veel van de oude profetieën wordt vervuld, maar ook van menselijke bestrevingen die worden uitgedrukt in een nieuwe stoffelijke incarnatie.
Wij kunnen, in geest en stof, de schijn overwinnen en zo de werkelijkheid doen zegevieren. Dit wordt ons mogelijk gemaakt door de kracht die in ons leeft en ons onze waarde geeft,
Ik ben mij ervan bewust dat sommigen onder u meer zouden hebben gevoeld voor een gedicht. Maar is dit niet de waarheid en de kracht die in ons allen leeft? Is dit niet de zin van het werk wat wij bij de Orde brengen en is dit niet evenzeer de achtergrond van uw komen tot ons? Laat ons daarom deze avond besluiten met dat ene woord dat altijd waar is geweest: Heb God lief boven alles, min uw naaste gelijk uzelf, erken de eeuwigheid reeds in uw aan tijd gebonden Zijn en gij zult één‑zijn met de Schepper waaruit gij zijt voortgekomen.
overzicht | volgende tekst → |
