november 1962
Achtergronden
In de gehele wereldgeschiedenis worden wij allereerst geconfronteerd met evolutie, sprong‑evolutie en daarnaast in zeer sterke mate met strijd, vooral tussen de mensen onderling. De strijd tussen de rassen heeft echter een zeer bijzondere achtergrond en aan het begin van deze tweede les wil ik daarop ingaan.
De mens die een prettig en aanvaardbaar leven heeft, doet daarvan niet graag afstand. Hij wil zich daarom graag een soort onsterfelijkheid verwerven. In de oude godsdiensten, die wij ten dele al hebben aangestipt, speelt dit inderdaad een grote rol. Wij zien bv. dat het balsemen van edelen, de bijzondere riten bij begrafenis of verbranding van aanvoerders en vorsten wijzen op het zoeken naar eeuwigheid, naar een voortbestaan. Dit geloof aan een voortbestaan wordt nog versterkt door de gegevens die de verschillende inwijdingsscholen en ‑groepen daar omtrent bezitten. Ze worden echter sterk aangepast aan de menselijke behoeften. Er is dus in de gehele wereldgeschiedenis nooit sprake van een leer die onvervalst bestaat, maar steeds van een praktische toepassing van gegevens van de leer, voor zover zij de mens in zijn innerlijke zekerheid, zijn geborgenheid, zijn gebondenheid en vooral ook in zijn gevoel van continuïteit bevestigen.
In de oudheid zien wij de goden vaak tegenover elkaar staan. Wij hebben daar de vruchtbaarheidsgoden, het principe dus van de Grote Moeder, van de leven‑gevende Vader en reeds in het verre verleden de typische triniteitsgedachte: de Zoon, die eigenlijk gelijktijdig de Vader en de moeder vertegenwoordig. Zij zijn het beginsel van leven en levenskracht. Daarnaast komt al snel de behoefte aan een God van geweld.
De geaardheid van de volkeren, het klimaat waarin ze leven, is ongetwijfeld bepalend geweest voor de manier waarop men dus zijn goden eerde en vooral voor de plaats die aan de goden van het geweld werd toegekend.
Hiervoor kunnen wij als voorbeeld nemen Mexico, waar de krijgsgod onmiddellijk naast de zonnegod de meest belangrijke is. Wij zouden ons ook kunnen keren in de richting van Babylon, Assyrië en India, waar ook de krijgszuchtige goden (en ook wel godinnen) de hoofdrollen spelen. Een typisch voorbeeld van hetgeen men daarmee beoogt, vinden wij in het geloof van de Vikingen en later ook van de Germanen: degene die op het veld van eer valt, dus in de strijd, wordt door krijgslustige maagden de Walkuren op het paard geheven en zijn ziel wordt onmiddellijk naar een hemel gebracht waar de strijd de gehele dag woedt, maar de avond alle wonden geneest. Een geloof dus waarin geweld, geweldpleging de plaats moet gaan innemen van de Godsverbondenheid.
Die splitsing zal zich steeds verder voortzetten, totdat wij op den duur kunnen spreken – en dan zijn we ongeveer aan het begin van de christelijke jaartelling – van krijgsgoden en van de zgn. vruchtbaarheids‑ of vredesgoden. Hoe dichter wij komen bij de moderne tijd, hoe sterker de behoefte ontstaat aan een God die het mystieke element van de vruchtbaarheid vermengt met het element van moed, van krijgszucht, van overwinning.
En dit is heel logisch. Naarmate nl. grotere gemeenschappen ontstaan en krachtiger staten, ja, koninkrijken en keizerrijken worden gesticht, gaat de machtsverhouding een veel grotere rol spelen. Alleen het geloof aan een God is daarbij niet meer voldoende. Men moet een God hebben die niet alleen maar de wapenen zegent, maar bovendien de krijger in een bijzondere toestand kan brengen, waaruit hij dus onmiddellijk het eeuwige leven binnengaat. Denk overigens niet dat dit iets is uit primitieve tijden.
Uit 1830 en 1870 is nog bekend, dat er onder de Moslims bepaalde moellahs waren, die het geloof dat de dood in de heilige krijg onmiddellijke toegang tot het paradijs verleende, ingang probeerde te doen vinden. Een bekende fase is geweest bv. het beleg van Khartoem, waarbij verscheidene derwisjen met een dood‑wens om zo het paradijs binnen te komen zich op de Engelsen hebben gestort Een ander feit is ook de strijd – eveneens tegen de Engelsen – die bijna tot 1920 heeft gewoed in de bergstreken van het huidige Pakistan, waarbij eveneens dus dergelijke Moellahs optreden.
De strijd is dus niet alleen maar het middel om rijk te worden. Het is niet alleen een kwestie van roof en van macht, het betekent gelijktijdig een bevestiging van de eeuwigheidsbehoefte in de mens. Die eeuwigheidsbehoefte wordt in het begin van uw jaartelling o.m. uitgedrukt door de triomfbogen, de altaren en zelfs door de half‑goddelijke rol, welke aan bepaalde overwinnaars (denk aan de triomfators die Rome mochten binnentrekken) wordt toegekend.
De gehele mystiek die in het verleden gericht is geweest op de band mens – God, neemt een keer. En dit zal sterker worden naarmate ook het christendom – en vóór het christendom en daarmee ten dele parallel de Mithrasdienst – invloed gaan uitoefenen. De mens wenst niet meer in een goede relatie tot God te staan, hij meent zelf God te kunnen worden.
Het is niet voor niets, dat ik hier de Mithrasdienst aanhaal, want daarin speelt nl. de strijd een zeer grote rol. Eenieder die daar wordt ingewijd, ondergaat de inwijding van de strijd tegen elk der vier elementen, die moeten worden overwonnen En het beeld zelf, Mithras, is de overwinnaar van de zon, degene die door het binden van de hoogste krachten der natuur als het ware de verlosser van de mensheid wordt„
Ofschoon er over de Mithrasdienst niet al te veel bekend is – de gegevens die men tegenwoordig kent zijn tamelijk summier – kan toch worden gezegd dat de Mithrasdienst vele overeenkomsten heeft gehad met het latere Christendom. En dat de strijdvaardigheid die van dit geloof uitging o.m. op de christenheid en via de christenheid op praktisch de gehele verdere wereld haar stempel heeft gedrukt, maar bovenal ook dat de verschuiving van de christelijke filosofie zeker invloed van deze Mithrasdienst plaatsvond en wel in de eerste 300 jaren van het christendom.
Misschien meent u dat dit met de wereldgeschiedenis weinig te maken heeft. Maar wij willen verklaren waarom bv. gestreden werd om het veroveren van grote rijken, vaak met kosten die absoluut niet worden vergoed door de verovering zelf. Waarom men mensenlevens wegwerpt om in de strijd eer te behalen (ook bij de christenen), dan moeten wij allereerst begrijpen waarom. Want deze het strijd, het element strijd en overwinning is kentekenend voor het hele verdere ontstaan en de gehele opbouw van de huidige westerse wereld. De eigenschappen daarvan zijn ongetwijfeld ook kentekenend voor de nieuwe ontwikkelingen die het Oosten (bv. Azië) te zien geven.
Ik kan niet te lang bij dit alles blijven stilstaan. Toch is het belangrijk dat u hiermee rekening houdt. Van een geloof dat absolute gehoorzaamheid, verdraagzaamheid, maar ook persoonlijke aansprakelijkheid en rechtvaardigheid leert, zet het christendom door de vervolging (het is een gevaar voor de politieke macht, die met goden en vooral met het goddelijk‑zijn van Caesars en vorsten wordt uitgedrukt) zijn activiteiten ondergronds voort.
We ontmoeten daar Mithras. Het is historisch te bewijzen – en die bewijzen zijn, als ik mij niet vergis o.m. geleverd door onderzoekingen in Rome, gedaan door de katholieke geestelijkheid in het jaar 1927, door vondsten in het jaar 1949 en zelfs onderzoekingen uit het jaar 1954 – dat christenen en Mithrasvereerders elkanders heiligdommen soms gebruikten.
Mithras was de God van de krijgers, van de legioenen. Zijn grootste aanhang vond hij ongetwijfeld bij diegenen die militair waren geschoold, die dachten als strijders en in hun opvattingen soms een verbluffende verwantschap vertoonden met de Druïdisch‑Keltische opvattingen van de heiligheid van het strijder‑zijn en hier en daar zelfs doen denken aan de Viking, de rovervorst van latere tijen.
De gedachte aan strijd impliceert organisatie. In het christendom is die organisatie gering. En wanneer er Orden worden gesticht (zoals dat in Byzantium geschiedt), dan gaat dit uit van een gezamenlijk kluizenaar‑zijn. Zodra Mithras echter sterker in contact komt met het christendom, zien wij daar de verandering, de organisatie, het organiek verband. Het is dit organiek verband dat de christenen in staat stelt om in het Byzantijnse Rijk de hoofdrol te gaan spelen en zo het verzwakte Rome – uiteengevallen in een Westelijk en een Oostelijk Romeins Rijk – te domineren. Daarmede valt de band tussen beide Rijken weg en ontstaat de eigenaardige tegenzin van de Byzantijnen tegen de westelijke Romeinen, waardoor zij bv. aanvallen op het Westelijk‑Romeinse Rijk toelaten en in enkele gevallen, zoals bv. de tochten van de Vandalen, steunen. Hier had men de gedachte geschapen dat men door strijd kon ingaan tot het Rijk Gods.
Maar nog kan de wereld dit niet helemaal verwerken. Zo is er eigenlijk een strijd van heidenen tegen het christendom, waarbij beide partijen onbewust zeer veel van elkanders denken en filosofieën overnemen.
Zoals dit in Europa geschiedt – dat wij hier als voorbeeld nemen – zo zal dat ongeveer gelijk geschieden met de invloed, welke in die dagen doordringt (door de Deense landingen) op Indianen in Noord‑Amerika. De organisatie van de stammen ondergaat in die periode sterke hervormingen. Ook de rijken van de Maya (dat is dus nog vóór de feitelijke Azteekse en Tolteekse rijken) ondergaan een dergelijke hervorming, omdat in die periode – ook alweer door schipbreukelingen uit het Westen – de gedachte aan een hiërarchische verhouding en een hiërarchische structuur wordt geënt op de oorspronkelijke coöperatieve vorm van leven van deze stammen.
In Azië zien wij rond deze periode ook alweer een hervorming in het boeddhisme, waarbij vermoedelijk een vroegchristelijke zending, die daar in de eerste 300 jaar van de jaartelling heeft gewerkt, een rol heeft vervuld, terwijl daarnaast de binnendringende Griekse beschaving en ongetwijfeld ook Romeinse en Byzantijnse handelaren de gedachte aan staatsstructuur aldaar wijzigen. Deze invloed trekt niet verder naar het noorden tot in China. Dat heeft zijn eigen ontwikkeling en blijft onaantastbaar.
Maar omstreeks deze periode zien wij plotseling de vorming van rijken veranderen. Statenbonden zien wij vóór die tijd in Azië betrekkelijk weinig. Nu ineens wel. En vreemd genoeg zien wij ook hier als bindende factor de goden. En als verklaring voor de samenwerking en het verbond, als verklaring voor elke materiële, hiërarchische machtsverhouding komt ook hier de Veda (de heilige schriftuur) op de voorgrond.
Wij mogen deze ontwikkeling niet terzijde schuiven. Zij betekent een ommekeer in de denkwijze van het menselijk ras. De mystiek, die tot op dit ogenblik een meer persoonlijke kwestie is geweest, moet plaats maken voor de gereglementeerde mystiek. Er is minder plaats voor de persoonlijke filosoof en denker, voor de vanuit zichzelf levende kerkvader bv. Er is behoefte aan organisatie, want onsterfelijkheid, strijdvaardigheid en macht worden steeds sterker geassocieerd. De offergedachte van het christendom blijft inderdaad gehandhaafd. Wij zien de boeddhistische wereld, die tenslotte ook terugkeert tot de eenvoud. En zo kunnen wij ook voorbeelden van elders geven, zoals bv. de Huascars, bepaalde stammen van de Pueblo-Indianen, een tijdlang een aantal van de indianenbonden en ‑stammen, die later de Delawares werden genoemd, die dus ook naar het meer persoonlijke terug streven. De algemene tendens is er echter één, waarbij onsterfelijkheid en macht met elkaar worden geassocieerd. En dit is – al realiseert men zich dit in deze dagen waarschijnlijk niet – de aanleiding voor alle ontwikkelingen van de meer moderne geschiedenis. De mens is niet de dienaar, die om de gunst der goden smeekt, hij wil verwant zijn aan of beter nog, de gelijke zijn van de god en op zijn minst een half‑ god.
Het is zo dus ook begrijpelijk, hoe in de geschiedenis van Europa bv., zo’n sterke invloed uitgaat van het pausdom. Dit klinkt misschien wat belachelijk, een paus, die op zichzelf helemaal geen groot vorst is – ook al beslaat zijn vorstendom oorspronkelijk een kwart van het huidige Italië, dus een voor die dagen grote staat – maar die keizers aanstelt en keizers kan nopen tot voetval en die keizers kan afzetten, dat is eigenlijk onbegrijpelijk. Vanuit een modern standpunt kan men zich dit niet indenken. Maar de bevestiging van het Goddelijke was noodzakelijk, want de vorst kon alleen uit God vorst zijn. Hij was daarbij gelijktijdig heros, held en als zodanig een half‑goddelijke figuur. En zo werd hij ook door zijn volk beschouwd.
Uit de vele legenden over vorsten die wij horen (bv. Karel en zijn paladijnen en de bekend geworden slag van Roncevaux, het bekende lied dat in de middeleeuwen zoveel opgang maakte, kunt u zien hoe men aan deze wezens iets bijzonders, iets eigenaardigs toekende. Denkt u eens aan de legende van Koning Arthur en de Tafelronde. Zijn deze mensen eigenlijk niet allen ergens bovenmenselijk en zijn ze niet allen – volgens de legenden uit die tijd – de strijders, die niet alleen maar een vijand verslaan, maar die ook het bovennatuurlijke verslaan in de vorm van tovenaars, draken en allerhand sinistere figuren, die men tegenwoordig tot het bijgeloof rekent, maar die – als wij ze goed bekijken – ten dele uit overleveringen uit de oudheid, ten dele waarschijnlijk astrale gestalten en vormen zijn. Daarom moeten wij de ontwikkeling van de wereldgeschiedenis niet meer uitdrukken in de termen van rijken en zelfs niet van mensen, maar vooral in de meer moderne periode voornamelijk in de term van de filosofie, de mystieke achtergrond, het geloof dat al het gebeuren beheerste
Het is aannemelijk te maken en in vele gevallen te bewijzen dat de grote oorlogen van de oudheid achtergronden hadden, die waren gelegen in geloofswaarden. Het is duidelijk te maken dat praktisch alle oorlogen, die zijn gevoerd sedert 1870 hun basis niet meer hadden in een veroveringsdrang, maar in een filosofie, waarbij de verovering, de machtsuitoefening en verwerving noodzakelijk werden voor de mens om een erkenning van eigen waarde en – al werd dat uiterlijk misschien zelfs ontkent – een gevoel van eeuwigheid te scheppen.
Wat dit betreft zijn er vele eigenaardige overeenkomsten te vinden. Wanneer wij bv. de uitlegging beschouwen, die in zijn tijd werd gegeven van de opstand van Luther (die ook de aanleiding was tot bepaalde boerenrevoluties en eigenlijk ook tot de grote oorlog in Duitsland) en we gaan dan kijken naar datzelfde rijk veel later en vinden daar de filosoof van de Übermensch, waar de misbegrepen stellingen van de filosoof Nietzsche weer de basis worden van het rassen‑credo (de onsterfelijkheid) van bv. Rosenberg, dan valt ons op dat deze filosofie beheersend is. Ik meen daarom dat – juist wanneer wij ook het geestelijk inzicht in de moderne tijd en wereld willen verkrijgen – wij in de samenhangen tussen mensen geest mogen stellen:
De filosofie, de geloofsontwikkeling, plus de groeiende behoefte naar persoonlijke belangrijkheid en onsterfelijkheid, vooral bij hen die de hogere standen vormen of die macht bezitten – is de verklaring voor alle gebeuren, de toestanden van vandaag en zelfs voor de verhouding, die er tussen de mensen op aarde en de geest in deze periode of voordien bestaat.
Na te hebben vastgesteld dat voornoemde ontwikkeling van denken aansprakelijk is voor een groot gedeelte van de verhoudingen op aarde, zelfs in het heden, moeten wij nu even teruggrijpen naar het begin, niet van de mensheid maar van het zelfstandiger denken, waarin voor het eerst de godsassociatie niet alleen door geboorte en stand kon worden verworven, maar deel was van eenieder die in een inwijding of een priesterwijding het contact met de godheid verwierf. Naar ik meen, kunnen wij deze periode, voor zover de invloed naar buiten toe op deze aarde daarmede gemoeid is, stellen op ongeveer 500 jaren voor Christus.
In deze tijd, waarin Egypte langzaam begint te vervallen en de gloed van het Oosten dooft om plaats te maken voor het opbloeien van de Westerse beschavingen met steeds groter invloed, zal nl. de openbaring en de inwijding een rol spelen. Het denken is in deze tijden als volgt: Niet eenieder bezit de zekerheid onsterfelijk te zijn. Maar het deelhebben aan het eeuwige leven is te koop en kan worden verworven langs de weg van de magische spreuk, de inwijding in het priesterlijk geheim. Het is nog altijd de eeuwigheid, die vooral openstaat voor de meer waardevolle mens, niet voor de slaaf of de overwonnene.
Het meer esoterisch geloof en denken, zien de associatie van de mens en zijn persoonlijke vermogens met de godheid steeds zuiverder. Maar de goden, die eens alomvattende krachten zijn geweest, worden vager. Zij worden literaire figuren, waarmee men het spel van een grote onzichtbare macht uitbeeldt. En het geheim dat meer en meer mensen leren kennen is: Wanneer ik de angst voor de dood overwin, heb ik deel aan die onbekende macht. Alleen door de overwinning van de angst ben ik deel van het Eeuwige en als zodanig onsterfelijk.
Deze inwijdingsgedachte neemt hand over hand toe. Zij kent vele extreme vormen, zoals bv. die van bepaalde tuinen van Alexandrië, van sommige tempels op Cyprus en Kreta, van inwijdingsgebruiken die het latere Moorse rijk eigenlijk zo’n beetje overspoelen. Maar ongeacht al deze extreme verschijnselen wordt de gedachte steeds sterker. Elke mens kan deelhebben aan het Eeuwige. Niemand is uitgeblust, wanneer de dood komt. Vanuit een geestelijk standpunt betekent dit, dat in deze periode zelfs slaven geloven aan een direct en waardig voortbestaan en aan een wereld, waarin zij zullen leven na de overgang. Een wereld van waaruit zij de aarde kunnen beroeren. Hierbij is ongetwijfeld de Egyptische invloed zeer sterk. Zij overvleugelt in menig opzicht de Indische invloed, die eigenlijk gelooft aan een onmiddellijke reïncarnatie. Zo komen steeds meer zielen in een geestelijke wereld terecht met het bewustzijn van hun toestand en mogelijkheden en met begrip voor de banden die er tussen hen en de wereld bestaan.
Het is duidelijk dat in deze periode voor het eerst grotere groepen bewuste geesten zich tot de aarde kunnen wenden. Het optreden van Jezus en met Jezus van vele andere profeten die allen uitgaan van de gedachte dat eenieder in God leeft of kan leven – heeft op het volk niet een onmiddellijk kenbare invloed. Er zijn geen directe veranderingen: Uiterlijk gaat het oude geloof voort. Maar innerlijk verandert de wijze waarop men zijn god en zijn goden aanbidt wel sterk. Dit blijk bv. uit de verandering van offergewoonten. Wij vinden de verandering van offergewoonten zo sterk dat bv. de eerlijke votief‑offers (dus niet de statie‑ of prestige‑offers die in Rome veel werden gebracht) binnen 100 jaren afnemen, tot zij ongeveer maar 1/5 van de oorspronkelijke zijn. Daarbij is opvallend dat de votief‑offers van de armen praktisch nul worden. Een heel typisch verschijnsel.
Een soortgelijke werking zien wij in bepaalde tempels van Griekenland, waarbij ons opvalt dat de tempel van Poseidon met zijn betrekkelijk eenvoudige inwijdingsritueel zeer veel volgelingen trekt, vooral uit de eenvoudige kaste, waar zelfs de slaven van een hogere rang – zij het beperkt – toegang hebben tot de zgn. eerste inwijding van deze tempel. Uiterlijk dus geen al te grote verandering, maar innerlijk het gevoel van een verbondenheid die moet worden uitgedrukt.
De mens van deze dagen kan zich echter geen God voorstellen waarvan je deel bent, zonder dat het tot uiting komt, met andere woorden, iemand, die niets presteert, kan geen deel zijn van God, want God presteert. Het resultaat is dat de magiër en de tovenaar het in deze dagen moeilijk krijgen. Van hen wordt het werkelijke wonder gevergd dat zij vooral door gebrek aan geloof onder de menigte niet zo gemakkelijk kunnen presteren. Het is bekend dat in deze periode vele priesters (o.a. de priesteressen van Hecate, maar ook de Isis‑priesters vooral in Griekenland en zelfs tot in Spanje toe, dus het zuidelijk deel van Europa) eigenlijk goochelaars waren. Zij konden niet veel werkelijke wonderen doen en het miraculeuze was noodzakelijk. De mens zocht voor zichzelf naar macht en naar het machtwoord Er is geen periode, waarin de heksen van Rome – en wat dat betreft van elke willekeurige grote stad – zo opvallen en zulke eigenaardige en stuitende gebruiken tonen (bv. het eten van lijken enz.) als juist in deze periode.
De behoefte aan macht groeit en de associatie van God met macht tast zelfs ook de zachtmoedigen aan. Het is in deze tijd, dat het Paulinisme het feitelijk christelijk denken gaat overheersen. Dat begint ongeveer 140 na Chr., het wordt dan verbreid en bereikt zijn hoogtepunt eigenlijk omstreeks 1500 à 1600, in welke periode dus deze machtsinvloed en deze machtsgedachte in het christendom zodanig is verankerd dat een terugkeer tot de eenvoudige christelijke leer haast onmogelijk is.
Men erkent nu dus: er is altijd een band met God, maar dan moet deze in een andere wereld bestaan. Plotseling wordt de hemelhiërarchie, die sedert lange tijd meer een literair onderwerp, een speels hanteren van goden en godinnen is geweest, weer belangrijk. De mensen denken na over de rangorde van de engelen. Zij willen nagaan in welke rang bv. Petrus staat tot Jezus en Johannes. Fabels over het verborgen priesterrijk van Johannes vinden wij juist in deze periode omstreeks 300 – 400 na Chr. zeer sterk en wel vooral rond de Adria, waar later de grote handelsstad Venetië al een handelsknooppunt is geworden.
Hier krijgen wij het begin van de latere kabbala. En zo vreemd als het klinkt, de kabbalisten hebben op de historie van Europa een heel grote invloed gehad. Vele aanvallen van de Moren uit Spanje worden nl. bepaald door hun astrologen en kabbalisten, waaronder er ook joden waren. De Joodse kabbalisten en astrologen uit Italië en grotendeels ook de Moorse uit Spanje scheppen een leer, waardoor een gunstig uur of een gunstige dag kan worden bepaald en de toekomst kan worden voorspeld. De vorm, waarin dat tenslotte gebeurt, wordt aardig geïllustreerd door bv. de gedichten van Nostradamus. De vorsten geloven daar zozeer aan, dat de kerk van Rome – en dat is dus reeds omstreeks 700, wanneer er nog geen volledig machtslichaam bestaat – de opleiding op zich neemt van astrologen en later (± 1200) van kabbalisten, magiërs en alchemisten. Er is geen hof in Europa, waar het woord van de hof-astroloog, de magiër en de kabbalist niet bepalend is voor het al dan niet leveren van slag, het al dan niet doen van een aanval, ja, zelfs het al dan niet uittrekken ter kruistocht.
Deze machtsdronkenheid voert dus tot een veruiterlijkte mystiek. Het magisch element in het kerkelijk leven en in het geloofsleven van de mens wordt steeds sterker. Wij vinden de oude godsdienstige spelen voor de massa (zoals die bij de Dionysus‑verering bestonden, maar ook voor de ingewijden in de Isis‑dienst en voor de minder‑ingewijden van bv. de leringen van Osiris en Horus nu terug in kerkenspelen, waarbij de duivel een grote rol speelt. De achtergrond ervan wordt door weinigen beseft. De mens meent dat macht – en wel macht over de zielen der mensen – zijn eigen onsterfelijkheid, zijn plaats in de hemel verhoogt. Hoe meer kennis hij heeft van de krachten in het hiernamaals en hun wezen, hoe sterker hij staat en hoe gemakkelijker hij dus ook demonen zal kunnen regeren, ja, hoe meer hij het bevel kan krijgen over de krachten der natuur om bv. ‑zoals eens Joshua deed in het dal van Cedron – de sterren te doen stilstaan.
Dit is o.m. aanleiding geweest tot de veroveringstochten naar het zuiden. De kruistochten hebben hierop nog bovendien invloed gehad, want de op zichzelf zeker aanvaardbare Moorse filosofie (dus eigenlijk de filosofie van het Kalifaat) dringt door tot de westerse kringen van ridders en edelen; en hierbij komt de oosterse gedachte van fatum maar tevens van een onsterfelijke verbondenheid met de Eeuwige op de voorgrond. Vergeet daarbij niet dat de Islam in deze dagen een grondleer is, die door verschillende uitleggingen al verdeeld is, zodat ook, hier macht, het je met geweld uiten, je dichter bij God brengt.
Door de kruistochten ontstaan er in Europa niet alleen weelde en een verandering van moraal, maar er ontstaat bovenal een steeds grotere begeerte om het “ik” onsterfelijk te maken door grote daden en grote verbeteringen. De godsdienstleer is er op gericht om deze macht te bevestigen. Wanneer wij denken aan een door de kerk goedgekeurd recht als het “Jus primae noctis”, het recht van de eerste nacht waarbij wel de meest intieme rechten aan de landheer werden toegekend, wanneer wij zien hoe aan alle kanten de mens enerzijds word overtuigd van de noodzaak aan het gezag te gehoorzamen en anderzijds zijn eigen gezag uitoefende, zodat de vrije, die niet veel te zeggen had, zich mijlen ver verheven en meer onsterfelijk kon voelen dan een horige, en deze zich weer ver boven de werkelijke lijfeigene (de slaaf) verheven gevoelde, dan kunnen wij begrijpen dat die hiërarchie dus aan de buitenkant werd opgebouwd en innerlijk de bevestiging vroeg. De filosofie die hiermee verbonden is – ik durf haar nl. geen esoterische leer te noemen – is deze: Naarmate een mens door zijn persoonlijke eigenschappen en kwaliteiten, zijn meerwaardigheid ten opzichte van anderen weet te bewijzen, staat hij dichter bij het Eeuwige. Dat Eeuwige wordt later wel bemanteld – dat geef ik graag toe – maar hier ligt de gedachte.
De magiërs van latere tijden – laten wij daarvoor bv. de middeleeuwen eens nemen – beginnende met de alchemisten, gaan uit van hun persoonlijke kracht. Het is niet alleen het chemisch middel waarmee de alchemist kan doordringen tot de Steen der Wijzen of de vereniging van Witte Leeuw en de Rode Leeuw, die gezamenlijk met het poeder het goud maken. Neen, het is veeleer zijn persoonlijke wil, zijn persoonlijke aura, zijn fluïdum, zijn uitstraling plus zijn spreuk, zijn machtwoord en misschien de kennis, die uit die heterogene poeders en elementen het nieuwe geheel moeten scheppen. Velen denken daaraan stoffelijk, anderen beginnen te beseffen dat dit alles op het zuiver geestelijke, op het innerlijk betrekking heeft. Maar de persoonlijke macht speelt nog steeds een rol en hiermee wordt de uitverkiezingsgedachte sterk gestimuleerd.
Het is daarom niet zo zonderling dat we – wat dat betreft ook reeds vroeger bv. al van 500 tot 700, maar vooral in de middeleeuwen – met steeds meer groeperingen worden geconfronteerd, die aan een persoonlijke uitverkiezing geloven. Nadat eenmaal het onfeilbaar gezag van de kerk is aangetast en ten dele om politieke redenen uit sommige landen is verdreven, heeft de mens nog meer mogelijkheden om zich hieraan over te geven. Uiterlijk ontstaat het geloof aan een lot, een voorbestemd‑zijn vanaf de geboorte, die wij kunnen herleiden tot de fatum‑gedachte van de oosterse vorsten en hun krijgers en tot de kruistochten. Daarop wordt de behoefte aan eeuwigheid geënt: ik persoonlijk ben uitverkoren. De verlossingsgedachte door anderen hieraan verbonden, maakt de erkenning van een bepaald principe tot iets dat ons onsterfelijkheid geeft en dat wordt dan in zuivere geloofsregels neergelegd.
De innerlijke weg krijgt echter langzaam maar zeker het begrip van een innerlijke ontwikkeling. Wij vinden in deze periode bv. de voorstelling van de Grot der Filosofen, waar de filosoof voor vele gangen staat en ergens vóór hem een trap in een oneindige vista oprijst, die hij trede na trede zal moeten beklimmen. Elke trede houdt in zich een deugd en een bepaalde kennis. De Steen der Wijzen erkent nu als een innerlijk bereiken (er wordt nog steeds gezegd: onsterfelijkheid en macht over allen) inzicht in alle dingen te verkrijgen. Hier hebben wij de kern van het geheel der verdere ontwikkelingen. Want alleen als ik zelf recht heb om te leven en te denken, als ik macht heb, als ik de meerdere ben van een ander, ben ik eeuwig. En op den duur gaat het begrip “eeuwig, God” er zelfs af. En in plaats van “ben ik eeuwig” komt meer en meer de gedachte “ben ik werkelijk mens?”
Het is niet zonder reden dat betrekkelijk kort na het ingrijpen van de reformatorische gedachte in Europa het Humanisme daar zijn eerste bloei vindt. En dat de filosofie van uw eigen Gouden Eeuw bv., maar evengoed de denkers in andere landen in deze periode al de mens meer en meer primair gaan stellen. De mens, die primair moet zijn, zoekt voor zich een groter deel van de wereld, want hij kan het oude niet achter zich laten. Zijn geloof aan natuurgoden blijft bestaan, alleen in een enigszins andere vorm.
Dus macht, en macht betekent krijg. Maar het betekent gelijktijdig het je aansluiten bij de sterkste macht en op den duur het zoeken van vriendschap met de macht die men het moest vreest. De gedachte aan trouw, aan een eerlijk verbond wordt hoe langer hoe minder. Wij kunnen zeggen dat in de 17e eeuw verdragstrouw voor Europa al een groot woord is geworden, terwijl persoonlijke trouw nog wel bestaat bij de eenvoudige mensen, maar in de hogere standen volledig heeft plaatsgemaakt voor utiliteit‑ en machtsoverwegingen. Het is hierdoor dat steeds grotere machtsblokken zich gaan vormen en dat men vooral aan alle kanten tracht de eigen macht en het aanzien te vergroten. Dat dit politiek gezien tot uiterst eigenaardige ontwikkelingen kan leiden, moge bv. blijken uit de handel die werd gedreven met Louisiana dat Frans gebied was en heel rustig aan de Engelsen werd verkwanseld in die dagen, omdat uiterlijke praal en gezag voor de nieuwe Lodewijken, de nieuwe Napoleon, de kleintjes van na de Revolutie – zo zou ik hen haast willen noemen – belangrijker waren dan het werkelijk ontwikkelen en opbouwen van iets.
Wij kunnen dit ook zien in bv. de bouwstijl. De barok zoekt niet meer de simpele harmonie. Zij zoekt de overdaad, de vereniging van het klassieke met de overladenheid desnoods van nieuw ornament. Het is de uiting van de mens die weer probeert zich te plaatsen boven de eenvoud van denken en geloof.
Hetzelfde zien wij ook in India, waar na de op zichzelf zeer heilzame regering van Akbar de Grote, die een tijdelijke vrede in een groot gedeelte van Azië bevordert, allerhand machtsstrijd ontstaat. En gezegd kan worden dat de rijken eigenlijk uiteenvallen, doordat eenieder de grootste wil zijn. Het is niet alleen een tendens, die historisch verklaarbaar is uit een filosofie. Het is een ontwikkeling, die de gehele wereld overspoelt.
Ik wil nu de aandacht vestigen op het feit dat de geest nu een veel grotere rol kan gaan spelen. Ik heb u reeds in het begin gezegd dat het persoonlijk bewustzijn van de geest – dat vroeger beperkt bleef tot de hoofdmannen – de massa als het ware meer en meer gaat beroeren en dat steeds meer mensen met een zekere vrijheid denken aan het voortbestaan in een andere wereld, zonder dat alleen maar aan een hemel‑associatie te verbinden, ook al zeggen ze in de kerk dat ze dat wel doen. Het resultaat is, dat reeds rond 1500 – 1600 sterke geestelijke invloeden uit andere sferen op de wereld inwerken. Dat na een periode, waarin het mediumschap in diskrediet is geweest, praktisch over de gehele wereld – behalve in enkele meer primitieve gemeenschappen – het mediumschap opnieuw opkomt in een andere, en hier en daar verschrikkelijke vorm. Wij krijgen te maken met geïnspireerden, bezetenen, die zich als profeten uitgeven en die trachten ergens een band te vinden tussen eigen onsterfelijkheid en de natuurlijke elementen, waarin ze willen leven (denk aan de Flagellanten van de middeleeuwen). Aan de andere kant vinden we de behoefte van de geest om te helpen en het onvermogen van de mens om deze hulp te beseffen.
De gedachte aan hekserij, het ontstaan van het satanisme heeft een veel grotere invloed op het verdere gebeuren dan zou denken. Er zijn bv. een aantal satanische loges in Engeland; en deze zijn de oorzaak van een typische opstand der rechtzinnigen. Cromwell zou nooit aan de macht zijn gekomen, indien in Engeland niet een groot aantal van deze satanische loges had bestaan en wel speciaal onder de adel, vooral de landadel. De hofadel kende wel soortgelijke loges, maar was iets minder primitief.
In Frankrijk alweer hetzelfde. Hier kennen wij de loges der edelen, die steeds meer naar macht grijpen en daardoor de evolutie onvermijdelijk maken. Dit is niet dank zij het optreden van de Lodewijken, maar ondanks. Want de vorsten, zowel de Zonnekoning als zijn opvolger hebben wel degelijk de behoefte om het volk met recht te behandelen, maar de macht van de adel is onweerstaanbaar. Er is een scherm tussen vorst en werkelijkheid en wel dankzij weer vele loge‑gebruiken. De sterkste loges van dit karakter vinden wij overigens in de ontoegankelijke gebieden; o.m. de Vendée, dat later een weerstandsnest van de Royalisten zal zijn.
In Duitsland is het satanisme vroeger opgekomen; en ook hier heeft het een typische invloed, waarbij eigenaardig genoeg de werkelijk satanistische groeperingen zich voornamelijk bevinden in het Rijnland, in Beieren en voor een deel ook in de richting van Thüringen, Silezië. De loges echter die eruit voortkomen, blijken in het noorden veel meer invloed te hebben. Zij zijn aansprakelijk voor de eigenaardige mentaliteit van de Pruisische landadel. Een mentaliteit die op den duur haar oorzaak (de loge) voor een deel verliest.
De loge gaat over in een sociale samenleving. Maar deze kan dan toch aansprakelijk worden gesteld o.m. voor het optreden van Frederik de Grote (zoals de Duitsers met een zekere trots zeggen: der alte Fritz), één van de eigenaardigste en zwakste figuren in de historie. Een figuur, die eigenlijk tot mislukking was gedoemd, maar onder invloed van zijn omgeving en zeker ook van zijn vader, die niet direct een prettig mens was, begon om met verraad (o.a. verraad tegen Maria Theresia in verband met de opmars naar Silezië), verraad tegen de vorsten van Brandenburg (in het begin door ronselarij, later door overname van delen van het gebied enz.), verraad tegen Engeland, verraad tegen Frankrijk. Laten we dat niet vergeten. Dat was Frederik de Grote, die dus een traditie heeft geschapen van succes en tot een volksheld werd, terwijl hij in zijn hart eigenlijk een jammerlijke slappeling was, zoiets als een Caligula. (Caligula, die alleen groot was in zijn aanvallen van waanzin, maar verder eigenlijk bedelde om de genegenheid van zijn soldaten en zijn volk). Hiervoor moge pleiten o.m. de beroemde fluitconcerten van Potsdam, die ongetwijfeld niet waren uitgevoerd als er niet bepaalde componisten aan Frederiks composities hadden meegewerkt.
Ik haal hier één beeld aan. Ik zou dat beeld kunnen herhalen in praktisch elk land van Europa. En wat meer is, ik kan soortgelijke inwerkingen en invloeden aanwijzen in praktisch elk koloniaal gebied van Europa, dus ook in Amerika. De splijtzwam van het ik‑zijn, het de meerdere zijn, het uitverkoren zijn; heeft de mensheid in zijn macht gekregen. En ofschoon diezelfde mensheid in de esoterische leringen nog wel die ene kracht en de werkelijke beleving erkent, gaat hij uit van het standpunt, dat alleen zijn weg daarheen de juiste is, zodat zelfs groeperingen van ingewijden, die oorspronkelijk toch zeer goed wisten dat hun weg maar één deel was, overgaan tot een vorm van dogmatisme: het uitwerpen van anderen, een scherpe selectie, die o.m. op rassenvooroordelen e.d. mede gebaseerd is.
U moet goed begrijpen, dat is op zichzelf nog geen verklaring is voor de wereldoorlogen, die Europa in de laatste 60 jaar hebben getroffen, voor de crisisverschijnselen, die in deze wereld zijn opgetreden. Om dit verder duidelijk te maken moeten wij nog een ander punt aansnijden. Ik heb u er reeds op gewezen dat vroeger de astroloog, de magiër en de kabbalist aan elk hof belangrijke figuren waren Ik moet er nu op wijzen dat de grote wijzen van het Joodse volk, dat over het gehele Europese continent is verspreid en dat overal zijn invloed heeft, een verwarrende invloed uitoefenen. Wanneer wij denken aan de Rabbi Böhme, aan de Rabbi Rachman, aan al de grote Rabbi’s en leraren, dan wordt ons duidelijk dat zij in vele gevallen tevens hebben gefungeerd als de opvoeders, niet slechts van de Joden maar van een bepaald mystiek gezind deel van het niet-Joodse deel der bevolking. En daarmede slaat de filosofie een geheel nieuwe richting in.
Wanneer wij ons bv. in Frankrijk wenden tot de denkwijze van Voltaire, die wel degelijk door de rechtvaardigheidsfilosofie, die de Joodse geleerden in sterke mate brengen, wordt getroffen. Hij kan deze niet zien in het kader van een één-Godendom, maar hij vertaalt haar in de termen van een maatschappelijke verhouding, zoals een Rousseau dat bv. later doet in de termen van de verhouding mens – wereld. En ik geloof zo, dat het Joodse rechtvaardigheidsdenken (waarin dus de mens niets is en God en de wet alles) ook zelfs wanneer daar het kabbalisme bij te pas komt en zelfs bepaalde magie) invloed krijgt op de onafhankelijke filosofen en denkers. Daarnaast heeft het Joodse volk ook al vele filosofen geleverd, die voor het merendeel in de maatschappij zijn opgegaan bv. een Spinoza of een Disraëli. Dan komen wij tot de conclusie dat deze vorm van denken de mens bovendien heeft gesteund in het zich vrijmaken als het ware van het menselijke. En dan wordt het Goddelijke niet aanvaard.
Het Joodse geloof is voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen. Ondanks het judaïsme in het christendom is de voorstelling van een absoluut heersende en rechtvaardige, maar gelijktijdig ook toornige en toch beschermende Godheid voor de christenen haast niet denkbaar. Die moeten denken via de middelaar. En zo komt de mens in de christelijke maatschappij dus ertoe om de oorspronkelijke godsdienstige regel en wet te gaan toepassen als criterium voor de maatschappelijke ontwikkeling. En dit brengt een denken teweeg dat nu geheel losstaat van alle Godsbegrip.
Nu zal menigeen mij dit willen bestrijden, maar toch is dit zo. Praktisch vanaf het begin van de 18e eeuw (ongeveer van af 1730) is er sprake van een denken dat God als het ware enigszins terzijde stelt. En na de Encyclopedisten, die dus in heel Europa een sterke invloed hebben plus het optreden van een groot aantal filosofen, schilders en beeldhouwers in Italië, is die invloed zo groot geworden, dat de utiliteitstheorie ontstaat. Denk niet dat die utiliteitstheorie voordien algemeen bestond. Ze was zelfs nog geen deel van de Franse revolutie En wanneer wij het goed beschouwen, dan komt ze pas aan het einde van de 19e en aan het begin van de 20e eeuw overheersend opzetten. Daarmee wordt de mens‑tot-mens‑verhouding anders gedefinieerd. Tot op dit ogenblik is er altijd sprake geweest van een plichtsverhouding in verband met eigen onsterfelijkheid. “Ik ben verplicht om voor mijn dienaren op te komen door een zeker recht.” Ongetwijfeld. En: “Ik heb als heer misschien heel veel rechten, maar aan die verplichting moet ik voldoen, anders ben ik verdoemd en leef ik niet eeuwig of in een eeuwige kwelling.” Maar nu is het heel anders: “Ik kan zalig worden buiten de mensheid om.” En dit brengt ons tot het begin van uw eigen tijd.
Ik wil echter eerst een paar historische punten aanhalen: In de oudheid was de sterfte onder de mensen betrekkelijk groot. Wij horen regelmatig van ziekten die praktisch gehele steden uitroeien. Daarom is het nageslacht het meest heilige dat er kan bestaan. De voortplanting wordt aangemoedigd, het grote gezin is mode. Op een gegeven ogenblik begint de omwenteling die gedeeltelijk industrieel is, De eerste stoommachine, de eerste spinnerijen, de eerste automaten. Dit begin en het idee dat de verplichting tegenover de medemens niet bestaat, maar alleen de rechtvaardige verhouding ik‑God, zo die al wordt erkend, brengt ons dus tot het onpersoonlijke werk: de industrie. En nu niet langer in de meer middeleeuwse vorm, daar zij dus nog een zeker persoonlijk element bezat, maar het onpersoonlijke waarbij de erkenning van de absolute heerschappij van de producent door zijn arbeiders en consumenten het eerste belang is. Dat dit aanleiding geeft tot de tweede revolutie, de grote revolutie, nl. de opkomst van het materieel socialisme, is ongetwijfeld waar.
Men kan echter de godsdienst niet daarbij betrekken. De godsdienstige stelling is los komen te staan van de mens, zijn leven en zijn behoeften. Zij staat er totaal buiten en dit betekent dat elke materiële ontwikkeling en vooruitgang binnen het kader van een godsdienstig beleven kan plaatsvinden, zelfs indien het gericht is tegen de mensheid.
Die gedachtegang te wijten aan de Joden zou ongetwijfeld fout zijn. Maar het is de invloed van de op zichzelf grote Joodse denkers (die in hun eigen achtergrond volledig juist zijn) op het al vervormde denken van de christenheid.
U zult opmerken dat ik de rest van de wereld buiten beschouwing laat. In deze periode is het echter Europa dat bepalend wordt. Het is Europa dat niet alleen een deel van Azië koloniseert, invloed heeft op China, Japan dwingt zijn poorten eindelijk te openen, maar dat ook aan Amerika eigenlijk zijn vorm geeft. Hier ontstaat de eerste aanleg voor de crises. De grote crises die de wereld teisteren en waarvan de bekende beurscrisis van 1928 wel de meest belangrijke is in de herinnering van de mensen, maar die elders steeds wordt herhaald, nl. de volledige scheiding van persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover de mens en persoonlijke rechtvaardiging tegenover God. Want nu kan men dus ten koste van de mens macht of onsterfelijkheid verwerven, ongeacht wat daaruit voor de mensheid ontstaat.
En zo komt de oude onsterfelijkheidsgedachte nu in een absolute machtslust terug. Een machtslust die niet meer alleen in luxe of bezit kan worden uitgedrukt, maar hoofdzakelijk in het meer zijn dan een ander. Het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw waren gekenmerkt door een ongekende pronkzucht. Het is niet meer de pronkzucht van vroeger, de weelde, de élégance, de beschaving waarmee men leefde, maar het is datgene, wat men heeft. Liever de grote hatelijke werf of een grote, absoluut lelijke fabriek die veel geld waard is, liever een heel leger dat marcheert, dan een grein beschaving.
Dit brengt ons dus wel degelijk in de problemen van uw tijd. Want het denken is nu niet meer een denken in persoonlijke prestatie maar in verhoudingen: wie is de beste. De godsdienst speelt daarin geen werkelijk rol meer. De mens gelooft in de macht als eerste factor. En zo is het nu dat de kerk en het geloof, zowel bij het boeddhisme, het hindoeïsme, de islam als bij het christendom in zijn verschillende vormen, in feite moeten bevestigen wat het gezag eist en het niet wagen zich daartegen te verzetten.
Het is ook hier dat het typische verschijnsel van de oude Mithrasverering weer sterk opleeft. Niet meer de monnik, die met een liefdestaak meetrekt met de krijgers – zoals het eens was – of de gewijde priesterstrijder, maar nu de in het leger ingelijfde priester, zoals vroeger de met de legioenen (de cohorten) mee marcherende Mithras‑priesters, die de taak hadden diens tempel te bouwen waar het mogelijk was en het offer voor hem te brengen, waar dat noodzakelijk was. Wij gaan dus terug naar de tijd van Rome. En dezelfde vleug van ongeloof en materialisme uit die tijd herhaalt zich.
Men beschuldigt nu Duitsland dat het de eerste wereldoorlog heeft voorbereid. Geheel juist is dit niet. Maar wat is daaraan voorafgegaan? Een periode waarin het ging om bezit, macht en om koloniën. Duitsland kon in dit spel niet vroeg genoeg meekomen en daardoor ontstond een Duits minderwaardigheidsbesef. Gelijktijdig was Duitsland nog het enige keizerrijk ter wereld en het oudste (al was de keizer zelf niet de oudste keizer, maar wel uit het oudste geslacht tegenover Engeland dat een koning‑keizerrijk was.
De verhouding tussen Duitsland en Engeland (niet tussen Duitsland en Frankrijk) is bepalend geweest voor alles wat er is gebeurd Niet de moord in Sarajevo, niet de omstandigheden in de Herzegovina zijn bepalend geweest. Het was hier de behoefte om eigen grootheid, eigen onsterfelijkheid te bevestigen. Wanneer wij het leven van Wilhelm II volgen, dan kunnen we daaruit alleen reeds besluiten dat het niet de vorst zelf was die dit begeerde, maar de adelstand en het milieu, het was de eigenaardige loge van de hoofdzakelijk Pruisische adel. Zoals later Hitler zal worden gesteund, niet door de Pruisische adel of het loge‑systeem, maar door het satanistisch systeem en die steun hoofdzakelijk vindt in het Rijnland, de Rhein‑Pfalz, Beieren, Thüringen en zelfs Silezië. Een eigenaardig verschijnsel. Hier blijkt dus dat de geestelijke achtergrond gedurende vele jaren bepalend is voor de richting die men inslaat, de steun die men geeft enz., ook al gaat het officieel om geheel andere normen
De werkelijke oorlog werd dus veroorzaakt door de strijd tussen de industriële macht die Duitsland aan het worden was en de koloniale macht, de handelsmacht die Engeland was geworden. Dat Frankrijk hierbij een rol speelde en dat hier geen directe aanval plaatsvond, is kentekenend voor alle politieke ontwikkelingen, onverschillig in welke tijd. Het resultaat: het bondgenootschap van de Grote Entente tegen de Kleine Entente is ook weer kentekenend voor het absoluut zelfzuchtig denken en streven. De mogelijkheid bv. dat Lenin en vele anderen het Marxisme de overwinning konden bezorgen in een toch al rebellerend Rusland en daarmee een totaal nieuwe machtsverhouding op de wereld zou worden geschapen (al besefte men dat niet), was te danken aan de behoefte om toch ergens de meerdere te zijn. De crisis die ontstond in de naoorlogse jaren was eveneens daaraan te wijten: het niet willen erkennen van zijn eigen beperkingen.
Wij zien ditzelfde verschijnsel op het ogenblik bv. heel sterk in Japan, waar dit in de toekomst ongetwijfeld ook tot ineenstortingen moet leiden en tot een ommekeer van geestelijke beleving, waarbij het nu nog bestaande gebonden‑zijn aan het Shintoïsme – zij het op de achtergrond – zal plaats maken voor een absoluut materialisme. En dan behoede God Japan en de rest van de wereld in die omgeving.
De ontwikkelingen zijn altijd gelijk: de crisis. Waar komt zij uit voort? Uit het feit dat er geen enkel moreel oordeel kan worden en gesproken over hen die gebruikmaken van zgn. “market‑corners”, het opkopen van alle graan op het land en desnoods meer. Dergelijke speculaties gedurende de voorgeschiedenis van de eerste wereldoorlog en van de tweede wereldoorlog in de V.S. en de poging om deze speculaties ook elders voort te zetten, leidden tot een overbelasting, waarbij een betrekkelijk klein tekort aan fluïde middelen op een gegeven ogenblik door enkele speculanten bewust tot een aanleiding werd gemaakt voor het publiek om te verkopen. De baissiers, die toen aan de ellende en de zelfmoord van velen hebben verdiend, zijn nu de belangrijkste grootindustriëlen der V.S, Zelfs banken als Pierpont Morgan zijn niet onschuldig aan die geschiedenis, die een groot gedeelte van de wereld in de ellende stortte. Maar het ging immers om macht en geld was macht.
Het is deze gedachte, dat invloed en macht eeuwig en belangrijk zijn, die de tweede wereldoorlog voorbereidden. Het is de behoefte om macht te behouden en vooral die macht niet in gevaar te brengen, die leidt tot het zich distantiëren van de V.S., in de eerste plaats van zijn president Wilson en diens pogingen om een zekere harmonie in Europa te herstellen. Later de onverschilligheid voor het ontstaan van dreigingen, zoals bv. die van het fascisme en de onverschilligheid van datzelfde Amerika voor de ontwikkelingen in Rusland. Het is Europa dat zich daarmee bezighoudt en niet Amerika, althans in die dagen. Daarnaast hebben wij te maken met de krampachtige pogingen van Engeland om in een wereld die langzaam maar zeker te oud is om het koloniaal stelsel in zijn oude vorm te hanteren (iets waarmee Nederland in die dagen ook worstelde) te proberen ergens vrede te bewaren in Europa.
Het resultaat is, dat de oorspronkelijk door de staal en chemische industrie opgezette politieke maatregelen niet snel genoeg kunnen worden ingetoomd. En wanneer in 1939 de wereldoorlog uitbreekt, dan is dat ongetwijfeld niet alleen de verdwazing van Duitsland maar wel degelijk ook de zelfzucht van alle andere landen en hun zelfbedrog die daarvoor aansprakelijk moeten worden gesteld. Wanneer wij verder nagaan hoe die oorlog is verlopen, dan ontdekken wij weer de verandering van het menselijk denken, een zekere hopeloosheid. Tot nu toe had men tenminste nog afstand kunnen doen van het communisme als een vijand. Maar een vijand, die je in geval van nood tot bondgenoot verklaart, kan hij een werkelijke vijand zijn? De mens weet het niet meer.
Ik wil hier alleen maar eens als voorbeeld even de gelijktijdige samenwerking in sommige gevallen van rechtse partijen met communistische partijen en mantelorganisaties in Frankrijk en het MacCartyisme in de V.S. Als er iets blijk geeft van een absoluut verworden mentaliteit, dan is het dit. En daarbij wordt macht steeds heiliger. Wat men eens zag als de fout van het fascisme wordt de wet van een democratie die zichzelf respecteert.
Ik weet dat het gevaarlijk is dit te zeggen, maar het is waar. Want men gelooft niet meer in de mens. Men gelooft dat er een eeuwigheid te bereiken is, maar de mens ziet zich langzaam maar zeker machteloos. Behalve een enkeling. En de menigte kan haar onsterfelijkheid, de zekerheid, de terugkeer tot de lichtende oneindigheid alleen nog maar verwerven door normalisatie, door steeds grotere binding en gebondenheid.
En zo ontstaat de slavenmentaliteit die in de huidige periode het grootste gevaar vormt. Want het is het gebrek aan zelfstandig denken enerzijds en anderzijds de behoefte tot het behouden van macht, zowel partijpolitieke macht als andere macht, die voortdurend tot gevaarlijke situaties aanleiding is.
Het spel van de moderne wereld wordt niet alleen maar beheerst door de gedachte dat Rusland alles communistisch en Amerika alles democratisch wil maken. Het wordt beheerst door de behoefte van de mens om de massa, waartoe hij behoort, te zien als overwinnaar, als halfgod. En daarmede heeft de geestelijke ontwikkeling van de mens een bijzonder zware slag gekregen. Want het is noodzakelijk dat de mens uit zichzelf en voor zichzelf, uit eigen vrije wil en keuze en zonder dwang van anderen, met respect voor anderen, zich zijn relatie met de Eeuwige in de stof en in de geest realiseert. En dat kan nimmer vanuit het massaal verband. U zult zeggen, dit is politiek. Neen. Dit is het vaststellen van een feit.
En nu nog even de geest. Vanaf het ogenblik dat een empirisch materialisme op de wereld begon toe te nemen, heeft de geest van bovenaf ingegrepen met alle middelen en verschijnselen. Het is niet voor niets, dat bv. de werkelijke groei van het spiritisme en het later helaas in een dogmatische opvatting wat vastgelopen spiritualisme juist beginnen in de jaren dat de industrie opkomt. Het is niet voor niets dat het fenomeen is teruggevallen, maar dat de inspiratieve stem, dat de gedrevene en in beperkte mate zelfs ook nog het medium in deze tijd zoveel meer te zeggen hebben dan de zgn. redelijke mens. Want de geest erkent de noodzaak zichzelf te zijn. En haar gehele invloed moet gericht zijn op het herstellen van het persoonlijk bewustzijn, ongeacht de middelen waarmee dit geschiedt, mits deze middelen niet zijn, duister en egoïsme.
Zo sta ik dan voor het laatste deel van mijn betoog – waarmee ik dan de afdeling wereldgeschiedenis afsluit – nl. een analyse van het denken in de huidige tijd. Want ook uit de algemene gedachte van deze dagen kan het verdere verloop van de gebeurtenissen zowel als de huidige situatie worden verklaard en kan bovenal worden begrepen, welke invloeden vanuit de geest op de aarde en vanuit de aarde op de geest in deze tijd veelvuldig zullen voorkomen.
- De gedachte van absolute onderworpenheid aan God, aan een noodlot, aan een door God gesteld gezag heeft plaatsgemaakt voor het menselijk bewustzijn van een persoonlijk eisen. De eis in de mens is groter geworden dan zijn aanvaarding.
- Van het simpele Gods-aanvaarden uit de oudheid, het erkennen van de bezieldheid van alle dingen is de mens gekomen tot een verering van zijn eigen verstand. Een dogmatische verering van het verstandelijke, waardoor hij automatisch vele wegen, emotionele en andere voor zichzelf pleegt te sluiten. Daaruit moeten frustratie en onjuistheden voortkomen.
- De mens heeft God gemaakt tot een sociale aangelegenheid en hij zoekt zijn eeuwigheid niet meer zo sterk in de daden van zijn huidige leven als wel in zijn denken omtrent een ander leven, of nog beter: in de erkenning van een uitblussing, zodat het heden hem ontheft van latere verantwoordelijkheden. Het resultaat is, dat er geen werkelijke maatstaf meer bestaat en dat de maatstaf die de mens hanteert er altijd één is van utiliteit, van nut voor zich en zijn gemeenschap.
- In deze wereld groeit echter ook het geestelijk bewustzijn, waardoor mensen zich trachten los te maken van de massa en in zich persoonlijk een contact met het Hogere willen beleven. Zij drukken dit voor een deel ook materieel uit, ofschoon dit hun vaak grote moeilijkheden bezorgt. Zij zijn degenen die door hun hervinden van een Godsgeloof – hoe vaag dit ook moge zijn, mits het maar een verbondenheid betekent met het Hogere en een zich aansprakelijk voelen tegenover al het leven – volwassen zijn. De anderen worden kinderen, onvoldragenen. Het zijn de mensen, die – omdat een baby hen ergert – deze mishandelen, die een kind, dat lastig is net zo gemakkelijk ombrengen als een jong katje, die in paniek geen schuld bekennen, maar rustig bv. hondsdolheid over een heel land laten komen, omdat de aansprakelijkheid voor henzelf te groot is.
De keuze in uw maatschappij en daarmee ook de bepalende beslissingen, waarvoor de wereld staat, komen voort uit deze eigenaardige verdeling in volwassenen en geestelijk onvolwassenen. Het zijn vooral de geestelijk onvolwassenen, die in steeds grotere mate de massa vormen en daarom zal een nieuw begrip van eeuwigheid en persoonlijke betekenis moeten ontstaan. Pas wanneer men eigen onsterfelijkheid leert afmeten aan de betekenis en het nut, dat men voor anderen heeft gehad, zal er sprake zijn van de ware vernieuwing, waardoor de wereld een nieuw rijk van vrede kan ingaan en een periode, waarin de goden tot de mensen spreken, zoals in Mu en Atlantis.
Neemt u mij niet kwalijk dat ik in dit tweede gedeelte de jaartallen en zelfs de anekdote zoveel mogelijk heb vermeden. Ja, dat ik aan de feitelijke historische ontwikkeling grotendeels ben voorbijgegaan. Maar de achtergrond van het geheel ligt niet in de historische veldslagen en handelsverdragen, Hij ligt in de groei van het denken in de mens, in de wijze, waarop hij zijn God en zijn wereld aanvaardt, in de wijze, waarop hij er zich aan verplicht acht en de rechten, die hij daar meent te bezitten.
Dit alles kan worden teruggebracht tot de mystieke tocht naar de onsterfelijkheid, die het begin was van de oude inwijdingen en die eigenlijk; wanneer wij alles van de redenen ontdoen, zoals mensen die geven, toch ook de drijfveer is van allen, die nu leven, zelfs al denken zij zich hun onsterfelijkheid slechts in als een plaats ergens onder een glazen deksel in een druk bezocht mausoleum.
Moderne mystiek (1)
Wanneer wij de moderne mystiek onderzoeken, dan worden wij in de eerste plaats geconfronteerd met een groot aantal systemen tot bereiking. Dat wil zeggen dat het doel van de mystiek vager is geworden en de mysticus steeds meer de richting uitgaat van een persoonlijke, onbegrepen beleving, terwijl hij de techniek die tot deze beleving voert, steeds sterker gaat beheersen.
De mystici van deze dagen kunnen globaal worden gescheiden in de zgn. westerse en oosterse mystici. Bij de oosterse richtingen gaat het hoofdzakelijk om meditatie en denken, waarbij vooral het gezamenlijk denken een grote rol speelt. Gemeenschappelijke meditaties, gemeenschappelijke beleving, gemeenschappelijk gebed spelen een hoofdrol en de mens komt hierdoor tot een bepaald wereldbeeld dat hij – indien hij het dus weet om te zetten in een voor hem hanteerbare praktijk – als een innerlijk licht, als een innerlijk beleven doormaakt. Vreemd is dat de oosterse mysticus zich over de aard van die beleving over het algemeen niet uitlaat. Hij weet dat ze er is, hij stelt zelfs vast dat die toestand optreedt, maar hij maakt geen onderscheid.
De oude systemen kenden vele namen voor allerhande werelden en invloeden, maar de moderne mystiek in het oosten heeft afstand gedaan van deze poging aan elke apart optredende kracht een bepaalde label te hangen. Men gelooft dat de mens innerlijk groeit en dat deze groei niet vast te stellen is. Dat ze niet aan een bepaalde wereld kan worden gebonden en dat ze zelfs niet kan worden onderworpen aan een definitie, zoals bv. het contact met een deel van de goddelijke Kracht. Daarbij spelen op het ogenblik in het oosten de ontvankelijkheid voor het zgn. wereldgebeuren en de wereldinvloeden een zeer grote rol.
Verder ontdekken wij vooral de voorspellende geest. Veel van de grote profetieën van de laatste tijd zijn dus voortgekomen uit de mystici van het Oosten, meer nog uit de zgn. profeten of geleerden van het Oosten, terwijl daarnaast een zeer sterke behoefte aan vrede aanwezig is. De roep om vrede, om een algemene harmonie, is zo groot dat de conclusie gewettigd is, dat vooral de mysticus die in het Oosten de meditatieve weg opgaat, de verstoordheid en verdeeldheid van de mensheid zelf als iets pijnlijks moet ondergaan. Hierbij zal niet direct sprake zijn van een bewust beleven, maar eerder van een innerlijk erkende onrust, zodat ik meen te mogen stellen dat bij de oosterse mystiek het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid een zeer sterke invloed op de beleving heeft en op de wijze waarop daaraan uiting wordt gegeven.
De behoefte om deze beleving voor anderen aannemelijk te maken, heeft verder gevoerd tot pogingen van interpretatie, tot vertalingen, die echter alle – als wij ze nader beschouwen – onvolledig zijn. Het blijkt niet mogelijk het totale beeld van het oosters mystiek beleven om te zetten en voor het westers denken aanvaardbare en begrijpelijke termen. Het resultaat is geweest dat in het Westen een pseudo‑oosters mysticisme is ontstaan, dat echter al zeer snel de westerse maatstaven zo sterk heeft aangelegd, dat hier een werkelijke verwantschap met het oosten mag worden ontkend.
De moderne mystiek van het Westen blijkt in vele gevallen verwant te zijn met het christendom, of zich op waarden van het christendom te baseren. De gedachte aan de Christusgeest, dus de goddelijke Liefdesklacht, als centraal punt van alle beleving, wordt steeds sterker. In zoverre is de westerse mystiek gelijkwaardig aan de oosterse, ook wanneer zij bepaalde scholingen en methoden gebruikt, die zeer verschillen van de praktijk die het Oosten kent. Vreemd is echter daarbij dat de mystiek, die in het Oosten zich dus eigenlijk verder verwijdert van het mens‑zijn en meer en meer wordt een deelgenootschap in het lot der mensheid, juist in het Westen de nadruk heeft gelegd op het persoonlijk beleven.
In de moderne mystiek vinden wij steeds meer de nadruk op de mens of op een bepaalde groep. Het is dan ook geen wonder dat in zuiver materialistische systemen, zoals bv. het communisme (de vele vormen van marxisme dus) een mystiek is ontstaan, die niets meer heeft te maken met God en die volledig is gebaseerd op de gedachte van de mens en de menselijke waarheid. Dat daarbij deze menselijke waarheid naar het onredelijke wordt getrokken, is eveneens begrijpelijk.
De mystiek van de christenen zelf toont de neiging om eveneens regels te stellen boven beleving. De gedachte dat de wet de grote zekerheid is, blijkt voor de doorsnee‑mysticus een grote belemmering te zijn. Wanneer hij echter deze begrenzing overschrijdt, blijkt hij opeens krachtiger en praktischer te werken dan de doorsnee‑oosterling met een gelijke ontwikkeling. Want in het Westen komt op een gegeven ogenblik het bewustzijn dat alle mystiek uitgaat van de wijze waarop wij een band met God kunnen vormen. Hoe wij die God zien en in welke vorm, zo zegt de mysticus, is niet belangrijk, maar de band moet ik kenbaar maken. Indien ik dit doe met een ritueel of met een plechtigheid, dan moet ik begrijpen dat deze plechtigheid bestemd is om de band tot stand te brengen. En wanneer ik in mijzelf het contact met het Goddelijke heb, zo is daardoor het contact met de totale mensheid geboren. Er is dus geen verschil of differentiatie voor degene, die de beperkingen van wet en regel doorbreekt.
Zo is dus in de westerse mystiek een aantal tegenstellingen ontstaan, die in de moderne tijd verwarrend en ontstellend werken. Want mystici, die volledig eerlijk zijn, kunnen zich op de christelijke leer en de Bijbel beroepen, daarbij vele methoden en praktijken kennend, die inderdaad voeren tot een innerlijke verlichting, een opgaan in het Hogere en gelijktijdig rassenbezwaren uiten op een wijze die onmenselijk is of met een hardheid strijdlustig een overwicht van hun eigen groepering over andere groeperingen nastreven. Terwijl daarnaast zachtzinnigen en bewusten bestaan, die geen enkel verschil meer kennen tussen mens en mens. Die alleen nog maar erkennen: de eenheid. En ofschoon ze als mens hun persoonlijk leven hebben, daarboven voortdurend de band proberen te vinden in gedachten, in innerlijke ervaring en beleving met het Al‑zijnde. Voor hen is de roep om vrede die het Oosten kent, wel degelijk herboren, maar niet meer als een gedefinieerde vrede, het is een aanvaarding.
Het Oosten vraagt vrede als rust, als stilstand. De westerse mysticus vraagt vrede niet als een stilstand, als een evenwicht, maar eerder als een harmonische voortgang, waarbij alles tot zijn recht komt, waarbij alles zijn eigen mogelijkheden behoudt. De westerse mysticus beleeft daarbij zeer sterk in zichzelf de verwantschap van het “ik” met het verleden.
Zeer duidelijk zien wij – vooral bij degenen die tot een vrijer mystiek beleven komen – een teruggrijpen naar de oudheid (naar een vroegere incarnatie, vroegere begrippen, een verwantschap met bepaalde landen, praktijken of inwijdingen) zonder dat zij zich daaraan echter volledig gebonden achten. Er is een vrijheid. En typisch genoeg zal in deze vrijheid heel vaak het streng‑religieus christelijke begrip teloor gaan. Daarvoor in de plaats komt echter God als een lichtende zon van liefde, waaruit voortdurend wordt geput als een kracht die je voortdurend kunt bereiken, waarin je voortdurend kunt ondergaan. En dit ondergaan in het Goddelijke en gelijktijdig de kracht van het Goddelijke ondergaan, blijkt de moderne mysticus de mogelijkheid te geven in het dagelijks leven zijn eigen plaats te vinden met de zekerheid van een slaapwandelaar die gaat over een uitermate nauwe weg boven afgronden.
De evenwichtigheid die in het Westen de moderne mysticus heeft, stelt hem in staat in de moderne wereld en in de werkingen van die wereld voortdurend verder te gaan en daarbij nimmer het evenwicht te verliezen te ener of te andere zijde. Hij is en hij blijft als het ware de onpartijdige, in wie de goddelijke kracht en liefde werken voor allen, zonder dat hij daarbij aan directe aanvallen van anderen blootstaat.
Dit vreemde verschijnsel kan alleen worden verklaard door het verkrijgen van een zodanige harmonie met het gemeenschappelijk denken van de mensheid, dat deze moderne mysticus op zichzelf dan werkt als een reactie teweegbrengende stof. In zich de vrede erkennend, doet hij rond zich werkingen ontstaan die een nieuwe vorm van harmonie of vrede bewerkstelligen, zelfs door middel van strijd.
De tijd ontbreekt mij om de vele vormen van moderne mystiek te beschrijven. Ik wil er slechts enkele van noemen, zodat u zelf daarvan verder kennis kunt nemen.
Wij vinden in West‑Europa de Loges, die tot de verschillende Groot-Ordes behoren als belangrijke centra voor mystiek beleving, gebaseerd op zelfkennis, maar gelijktijdig – helaas soms te oppervlakkig – onmiddellijk opgezet in een praktisch denken en streven. De theorie wordt voor degenen die hierin werkelijk wat bereiken, die de werkelijke mystici zijn, omgezet in een onmiddellijk kenbare praktijk; en daardoor wordt een zeer grote macht bereikt die niet meer afhankelijk is van de Loge of de organisatie op zichzelf.
Wij vinden de kerkelijke mystici, die binnen zeer vele kerkelijke groeperingen en organisaties voor zich een zo innige band met hun God realiseren, dat zij daaruit een kracht putten die stabiliteit veroorzaakt in allen rond hen. Zij zijn als het ware dragers van een stabiliserende factor, waardoor de gelijkmatige ontwikkeling rond hen wordt bevorderd en de eventuele tegenstellingen en strijd ten dele worden onderdrukt, ten dele op een zo snel en zo juist mogelijke wijze tot een oplossing komen.
Dan kennen wij verder groeperingen als bv. de Rozenkruisers, bepaalde fracties van de Theosofie, enkele delen van de Antroposofen en menige andere soortgelijke groeperingen. Van deze kan worden gezegd dat zij, voor zover zij zich weten te onttrekken aan een te streng dogmatisme en komen tot een innerlijk streven en beleven, een groot inzicht verwerven (vaak op grond van oude magie, astrologie, e.d.) van de gebeurtenissen in de wereld en de invloeden die daar plaatsvinden. Deze invloeden worden verwerkt, begrepen en door het “ik” tot uitdrukking gebracht. En wederom, wanneer men tot een werkelijke eenheid met de levende kracht komt, blijkt – en nu door kennis dus niet intuïtief zoals in beide andere gevallen maar als het ware meer berekend – het evenwicht rond het “ik” hersteld te kunnen worden.
Het verschil in het bewust en onbewust beïnvloeden van de omgeving is overigens voor de gevolgen onbelangrijk. En zo mag worden gezegd, dat – hetzij vanuit de gevoelswereld, hetzij vanuit een groter begrip voor kosmische verhoudingen – de moderne mysticus, dank zij zijn stellingen, in staat is het evenwicht op aarde te vergroten en daarbij mogelijkerwijze zelfs anders noodlottige uiteenzettingen te veranderen in een waar streven naar grotere gelijkheid en grotere eenheid van allen.
Ik weet dat ik over de moderne mystiek als zodanig weinig heb gezegd. Op uw verzoek zullen wij daarop eventueel een volgende maal verder ingaan. Een begrip van moderne mystiek kan zeker voor ons allen belangrijk zijn. Maar u moet allereerst leren om inwerkingen uit de geest te zien als iets reëels, iets dat reëel in verband staat met uw eigen wereld en de achtergronden van uw eigen wereld te zien. En dan door de juiste toepassing van hetgeen mystiek als een inspirerende invloed, een gevoel van kosmische eenheid in u bestaat binnen die wereld voor uzelf het juiste tot stand te brengen.
Wij hopen dat ook de lezingen van deze avond daartoe iets hebben kunnen bijdragen.
Vogelvlucht
Hoe zalig op de winden te drijven,
te gaan met een enkele vleugelslag,
zeilende over landen en water,
zoals er geen menselijk wezen vermag.
Hoe zalig de wieken van geest te spreiden
en langzaam te glijden langs wereld en tijd,
terwijl als zonneschijn ’t licht uit de sferen,
de kracht van de eeuwigheid je begeleidt.
Hoe goed om te zien het doel van het leven,
de zin van al streven… zelfs van het leed.
Hoe gelukkig om als een vogel te zweven,
wanneer je weet, ja, zeker weet:
De wereld is voor dit geschapen,
de sterren zijn een lied voor God,
en verbannen is het duister lot.
Niet slechts een vlammen en een doven,
maar eeuwige glans, zo wel beseft,
waarop ’t wezen als een vogel
zich wiekend tot het licht verheft.
Dit is aan alle zijn gegeven.
Het kleinste wezen, dat bestaat,
wordt eens een ziel, die op de vlerken van bewustzijn
als een vogel over ’t leven scheert
en zo des levens wetten leert.
Al het bewustzijn, ’t zeker weten:
mens, historie, al is slechts een kracht,
’t heeft zin slechts… waarin ik vinden zal mijn plaats,
mijn rust, mijn waar behoren… Het noopt je tot een vogellied,
Dan stijg je naar de zon, zoals de leeuweriken stijgen
en zingt de Kracht, die schept een lied.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
